Gebeurtenissen na het ontslapen van de Stamapostel J. G. Bischoff

 

APOSTOLISCHEOBSERVER.NL
VOOR NIEUWS EN HISTORISCHE ACHTERGRONDEN.

Index

Navigatie pagina

Disclaimer

Contact

Boeken

Anoniem reageren.

Archief

Zoeken binnen de site.

Gebeurtenissen na het ontslapen van de Stamapostel J. G. Bischoff

Hieronder treft U aan een uit het Duits vertaald stuk, dat opgenomen is in "DER HEROLD" van 1 december 1960,

 

Het betreft een van de vele brieven die zijn toegezonden, waaruit ten duidelijkste blijkt, hoe men zich in eigen kring teleurgesteld en gegriefd voelt over de maatregelen der geestelijke leiders, genomen na het overlijden van de Heer  J. G, Bischoff.

 

Onderstaande brief werd aan Apostel Peter Kuhlen in afschrift ter kennisneming toegezonden:

 

Dr. [ur. W. Schreckenberger

 

Ludwigshafen a. Rh.,  21 juli 1960.

 

De Heer Friedrich Bischoff, Frankfort a. M. Geliefde Apostel Bischoff!
(Friedrich Bischoff was de zoon van Stamapostel J.B.schoff en tevens Apostel( Red.)

 

In een stonde van diepe bezorgdheid over de ontwikkeling van onze Kerk en de nameloze nood, die onder uw gelovigen is Uitgebroken, word ik er toe gedrongen, met U te spreken.

Voor iedere ernstig denkende, verantwoordelijke nieuw apostolische Christen rijst na de laatste gebeurtenissen de onvermijdelijke vraag op naar de waarheid van ons geloofswerk. De geloofwaardigheid van onze Leer is ten diepste geschokt geworden. De Kerk is tot een spot der wereld geworden. De broeders en zusters des geloofs zien na smartvolle dagen der bitters te teleurstelling en vertwijfeling uit naar een woord tot kracht en versterking. Al zijn we nog wel niet ten volle de schok der laatste dagen te boven gekomen, zo schijnt mij toch, dat thans de tijd der onverbiddelijke bezinning gekomen is. Zij zal ons echter alleen verder helpen en voor God doen bestaan, wanneer voor ons de waarheid meer betekent dan persoonlijke bindingen en angstige overwegingen. U kunt verzekerd zijn van mijn persoonlijke deelneming in Uw ongelooflijk harde noodlot. Het mag ons echter niet verhinderen, de ontwikkeling van het nieuw apostolische geloofswerk met onverbloemde oprechtheid te bezien. Er staat teveel op het spel. Alleen, wanneer wij de onverschrokken moed kunnen opbrengen, de situatie onzer kerk zonder enig voorbehoud te erkennen, mogen wij hopen, dat God ons uit deze dagen van ellende zal uitvoeren.

Ik mag U niet verhelen, dat mijn vrienden en mij de tot nu toe ontvangen verklaringen der Apostelen en dienende broeders, voor zover deze ons tot dusver bereikten, niet bevredigen kunnen. Zij hebben de bezorgdheid vergroot, dat onze kerk de laatste gebeurtenissen nog steeds niet wil begrijpen.

De eenvoudige feitelijke toestand, dat dat, wat onze kerk, en ik met haar, gedurende bijna een tiental jaren de gelovigen en ook de wereld verkondigd hebben, niet in vervulling is gegaan, schijnt niet begrepen te worden. Lieve Apostel, wij ontkomen niet aan het feit, dat wij allen, meer of minder, voor de huidige ontwikkeling verantwoordelijk zijn. Al mogen wij onze goedgelovigheid nog zo zeer betuigen, het verandert niets eraan, dat wij dwaalleraars waren, dat wij duizendvoudige verwachtingen opwekten, die onbarmhartig de bodem werden ingeslagen.

Alle gissingen en duistere gelijkenissen met Mozes en Abraham moeten ver- stommen in het aangezicht van de onveranderlijke omstandigheid, dat de tot het voornaamste geloofsartikel verheven leer, dat Christus tijdens het leven van de Stamapostel komen zal, verkeerd was,

Er bestaat voor mij geen reden, aan de oprechtheid van de Stamapostel, Uw vader, te twijfelen. Men miskent echter het belang der onverbiddelijke objectieve stand van zaken, wanneer de Apostelen thans hun toevlucht nemen tot de voorstelling, God zou zijn plan veranderd kunnen hebben, of dat het ons toch geen schade heeft aangedaan in de boodschap te hebben geloofd, of ook, dat de bittere gebeurtenis als een laatste beproeving bedoeld was. Dat alles behoort niet tot de inhoud van onze leer, Uw uitlegging was zeer beslist. Wij moeten het leren aannemen, dat onze profetie even zo zeker niet in vervulling ging.

Het is een onverbiddelijk feit, dat God zich tot ons roepen en schreien, tot onze fanatieke opstandingsdriften niet bekend heeft. Het is niet over het hoofd te zien, dat wij ons telkens weer tot openbaringen en profetieën hebben laten verleiden, die maar moeilijk in de Bijbel een grondslag konden vinden. Zij hebben zich in zoverre alle als illusies bewezen.

Hebben wij het dan nodig, telkens weer in zelfvernietigende wensgedachten, in onzekere voorspellingen te vluchten? Heeft God ons niet voor alle geloofs~ hoogten van deze tijd rijkelijk gezegend? Leeft niet een onbedwingbaar geloof. veel eenvoudige gezindheid en een eerlijk worstelen in onze harten? Heeft God ons niet een grenzeloos vertrouwen in zijn almacht en barmhartigheid, in de verlossingskracht van zijn Zoon Jezus Christus geschonken? Moeten wij steeds weer naar de middelen der de wereld beroerende wonderen grijpen en ons voor iedereen koesteren in het gevoel der goddelijke bevoorrechting? Het is de drukkende erfenis onzer dagen, dat wij ons op het eigenlijke en wezenlijke onzer roeping bezinnen, dat wij de grote verantwoording op ons nemen, die wij voor onze broeders en zusters maar ook voor de wereld hebben te dragen. De tijd der hevigste aandoening geeft ons de onafwendbare gelegenheid, in een geweldige innerlijke inspanning het bankroet van ons "Boodschapsgeloof" te liquideren. Niets kan meer schade doen, dan angstige vergoelijking, beschamen~ de negering van onze nederlaag of zelfs radeloze, ongeloofwaardige gissingen, De woorden van de Stamapostel Schmidt in de dienst te Frankfort op 10 juli 1960, dat wij heden nog vasthouden aan de woorden, die wij tot nu toe gesproken hebben en niets daarvan behoeven terug te nemen (zo luidt het verslag, bldz. 4), kunnen mijns  inziens alleen gesproken zijn geworden onder een niet overweldigde indruk van het voorafgegane gebeuren.

De tijd, om de kerk in hoofd en leden te hervormen, is aangebroken. Zal de Kerk onze talloze offers in het vervolg waard zijn, dan moet zij de tekenen van

het ogenblik verstaan. Laat ons de weg terugvinden tot het ware geloof onzer vaderen, tot de ware vrijheid, die alleen in een oprecht streven naar de waarheid in Christus ligt. Wekken wij de Geest van echte broederlijke liefde en waarachtige deemoed op, dan zal God zich tot dit ons streven bekennen. Het is nodig, dat wij lering trekken uit het oneindige geduld Gods, die zich door ons geen grenzen laat stellen, Laten wij toch de ketenen onzer dwangvoorstellingen verbreken en ons vrij maken voor het ware Werk Gods, Laten wij toch niet de verantwoording in onze tijd beperken, terwijl wij uit angstige bezorgdheid om het heil onzer eigen ziel vergaan, Laten wij aangrijpen de gehele waarheid:

In Christus een nieuw schepsel te worden en mede te helpen, het Rijk Gods "in deze wereld" te stichten. Laat ons niet de moeite schuwen, ons met de talloze problemen van het dagelijks leven in ons bestaan bezig te houden en open oog te hebben voor alle noden van onze tijd. Vaak moest ik een ontstellende onverschilligheid tegenover de problemen en lasten van ons leven vaststellen. Men wilde niet inzien, dat ons dat "bestaan" opgedragen is. Dragen wij niet ook de verantwoording voor al die geweldige geestelijke uiteenzettingen, die onze tijd beheersen? Wij hebben er de voorkeur aan gegeven, ons te isoleren en in chiliastische voorstellingen onze krachten uit te putten. (chiliasme betekent: leer van het duizendjarig rijk, van een terugkomst van Christus, waarna volmaakte aardse gelukzaligheid zal beginnen - opm. Red.) Laten wij naar buiten treden uit de engte van het sektedom en de last des "bestaans" op ons nemen. In de openheid voor alle vragen en in de krachtvolle verklaring zal de belofte Christi, weder te komen, een nieuwe, diepere zin beleven.

En bovenal. geliefde Apostel. laat ons toch bezonnen en waakzaam zijn. Laat ons maatregelen treffen, dat wij niet weer onze krachten verspillen in een nutteloos hopen en een onduldbare strijd. Ik denk hierbij aan de noodzakelijkheid, de kerkelijke inrichting een grondige verandering te doen ondergaan. Het mag niet meer voorkomen, dat de grondslagen der leer en der cultus zonder een besluit van het college der Apostelen vastgelegd en verkondigd worden, De enkeling loopt heden het gevaar, dat hij geen voldoende waarborg voor de waarheid kan bieden, Wij dienen ons wel te bezinnen, dat de Stamapostel der Oerkerk een "primus inter pares", de eerste onder zijn gelijkgestelde Apostelen, was. Hij zal ons daarin als voorbeeld moeten dienen, niet de Godsmannen uit het Oude Verbond in autoritaire tijden, tot wie wij in toenemende wijze de vlucht genomen hebben. .

Onze voornaamste opgave in deze dagen moet voorts zijn, de vereruqinq met de mannen en de broeders en zusters tot stand te brengen, die ter wille van de boodschap zich van de kerk moesten scheiden, Ik moet U zeggen, dat mij en mijn vrienden het kennen van deze mannen, die waakzamer en meer bezonnen waren dan wij, in de bitterste dagen van ons leven tot een troost en hope was. Wij kunnen er niet onderuit, te erkennen, dat zij de ware erfenis der kerk bewaard en voortgeplant hebben,

Voor de eerste maal heb ik in deze dagen de nadere bijzonderheden vernomen, die geleid hebben tot de onzalige scheiding met deze broeders en zusters. Het is wel overbodig, heden de smart en de bitterheid weer op te rakelen, die deze gebeurtenissen hebben opgewekt, Ter wille van de waarheid moeten zij echter voor ons een ernstige waarschuwing zijn voor de mateloosheid onzer verblinding. Het is niet alleen een heilige plicht, zwaar onrecht goed te maken. De kerk heeft deze mannen, die hun onbuigzame wil voor de waarheid gehandhaafd hebben, ten zeerste nodig. Laat ons vrijmoedig deze mannen de hand reiken, Laten wij ons niet schamen, van hun te leren. Het heeft zich bewezen, dat c:;.qd met hen was. Laat ons haat en onverzoenlijkheid begraven. Voor mijn vrienden en mij is het een vanzelfsprekende eis, dat de uitgestoten Apostelen en Ambtsdragers weer hun ambt in de kerk dienen uit te oefenen. De kerk kan met elkaar bestrijdende broeders niets tot stand brengen. Zij heeft deze krachten nodig, wil zij nog eens van haar dodelijke krankheid kunnen genezen.

Het zou het waarachtige bewijs zijn voor de broeders en zusters en voor de wereld, dat in onze kerk de Geest der waarheid, de kracht Gods niet ten onder zijn gegaan, Geliefde Apostel, gelooft U mij, dat vele ernstig denkende broeders en zusters op dit teken van een echt, waarachtig beginnen wachten.

Het moet iedere verantwoordelijke medebroeder met een kwellende zorg vervullen, wanneer hij in plaats hiervan bij ambtsdragers moet constateren een afkeer en onverzoenlijkheid tegenover deze mannen, Hebben zij dan nog altijd niet begrepen, dat de kerk volkomen geslagen terneerligt? Gaat hun persoon~ lijke plaats in de kerk boven de waarheid en het geestelijk noodlot van dutzenden zielen? Willen deze volhouden, de zielen met allerlei uitvluchten te sussen? Het zou een werk zijn, dat op de geestelijke laksheid en de lichtgelovige vergeetachtigheid van het volk zou zijn opgebouwd; het zou zich van zijn beste krachten hebben ontdaan. Wij zullen ons niet laten misleiden door de schijn van uiterlijke vrede en het nog steeds grote aantal kerkbezoekers. Het moeilijke bewijs, dat de waarheid voor ons meer betekent dan onze liefste voorstellingen, dat God met ons is, hebben wij altijd nog te leveren. Uwe zich verantwoordelijk voelende broeders en zusters wachten nog steeds in diepe geschoktheid,

Geliefde Apostel, indien door de ontroering menig woord al te hard mag zijn uitgevallen, zij waren niet om U te kwetsen. Na de bittere teleurstellingen der laatste weken stellen mijn vrienden en ik opnieuw het vertrouwen in Uw zo vaak gebleken nuchtere geest. Moge God U rijkelijk de krachten schenken om de waarheid tot de overwinning te voeren!

In de hoop, dat U spoedig een woord ter beantwoording vinden moge,

 groet U in Christus  W. Schreckenberger.

 

 

Apostel Kuhlen schreef daarop het volgende:

 

Düsseldorf, 23 juli 1960.

Geliefde Broeder Schreckenberger!

 

Heden ontving ik Uw brief met bijgevoegd afschrift van het door U aan de Heer Friedrich Bischoff, Frankfort a, Main. gericht schrijven. Ik heb Uwe uiteenzettingen meerdere malen zeer opmerkzaam gelezen en ik verzeker U, dat ik alles, wat U over de huidige situatie in de Nieuw apostolische Kerk zegt, van heler harte onderschrijf.

U kunt er van overtuigd zijn, dat het ons thans niet daarom gaat, er op te pochen, dat wij in het gelijk gesteld zijn geworden; veeleer zijn wij geschokt door het feit, dat de leidinggevende mannen der nieuw apostolische kerk de diepe ernst van de toestand of niet zien of negeren willen; in alle geval echter met een oppervlakkigheid zonder weerga trachten dit te doen vergeten.

God heeft zeer zeker de dood van de Stamapostel ook voor de nieuw apostolische Apostelen nog eenmaal als een genadige bezoeking tot boete en tot terugkeer tot de eerste liefde willen laten dienen. Ik ben er van overtuigd, dat Jezus hierover hetzelfde zegt, als eens tot de inwoners van Jeruzalem: "Ik heb u willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild, het is voor uw ogen verborgen."

 

Zekerlijk versta ik zeer goed, dat het van menselijk standpunt uit bezien ontzettend moeilijk is, voor de grote menigte te erkennen, gedwaald, ja zelfs onwaarheid verkondigd te hebben, Maar, geliefde Broeder, mogen hier diplomatieke overleggingen een rol spelen, hoe men wel het beste de massa bijeenhoudt, of gaat het om terug te vinden de juiste stelling tot de Heer? Weest U er vast van overtuigd. dat een zodanige ontwikkeling, als thans is opgetreden, ons buitengewoon smart vol aandoet en wij gaarne van heler harte er toe hadden willen bijdragen, dat zulks voorkomen zou zijn geworden. Doch reeds bij zijn intreerede als nieuwe Hoofdleider (Dus als Stamapostel Red.)der Nieuw apostolische Kerk heeft deze bruusk iedere discussie met de tegenstanders (zo noemt men ons liefdeloos) afgewezen. En in de daarop volgende dagen tot heden toe is overal in de godsdienstoefeningen der nieuw apostolischen dezelfde afwijzing, ja haatgezang te horen. Waarheen moet dat toch leiden?

Op 10 juli 1960 waren wij hier in Düsseldorf met ongeveer 600 ambtsbroeders bijeen. Daar heb ik ongeveer het volgende verklaard: "Wij Apostelen der Apostolische Gemeenschap zijn tot een uitvoerig onderhoud, die een hereniging ten doel heeft, bereid, vooropgesteld, dat het mogelijk is, op broederlijke, doch open wijze over al datgene te spreken, wat voor een grondige zuivering van bepaalde zaken noodzakelijk is, en onder de voorwaarde, dat de Leer weder op de oude grondwaarheden gebaseerd en op de Bijbelse Waarheden teruggevoerd wordt. In geen geval mag het tot een enkeloverlakken en slechts formele vereniging leiden, doch het moet dan tot een werkelijke, voor God te verantwoorden diep-innerlijke, op Godsvreze en broederlijkheid berustende eenwording komen."

Met ontzetting zien wij echter, dat men van zulk een toenadering niets wil weten, en daar zelfs direct honend over spreekt.

 Wanneer reeds een zodanige catastrofe, als door de dood van de Stamapostel is ontstaan en waardoor het eenvoudig, vroom kinderlijk geloof bij tallozen verwoest is geworden, nog niet kan leiden tot innerlijke inkeer van de leidinggevende mannen der kerk. doch dat er met nieuwe, eveneens ongoddelijke argumenten geopereerd wordt, om voor God en de Gemeente niet te behoeven bekennen gefaald te hebben, dan kan men slechts met schrik denken aan de zekere, nabije ondergang van de eens zo bloeiende nieuw apostolische gemeente. Het is onuitsprekelijk treurig, dat men thans (ogenschijnlijk zonder zich te schamen) ijverig predikt: De in de laatste jaren verkondigde "Boodschap" was van de Heer geweest, de Stamapostel heeft zich niet vergist, doch GOD had zijn plan veranderd. En als bewijs, dat God zijn plan veranderd zou hebben, worden talrijke voorbeelden uit de Bijbel aangehaald (overigens alle uit het Oude Testament), volgens welke ook vroeger reeds de lieve God zulk een verandering van zijn plannen zou hebben uitgevoerd. Op de laatste zondag werd algemeen gepredikt, dat de Heer bij de samenspraak met Abraham, waar het om Sodom en Gomorra ging, in korte tijd zijn plan zëvenrnaal veranderd zou hebben, toen Hij namelijk pas dan de stad zou willen sparen, wanneer daarin 50 rechtvaardigen zouden zijn, en daarna voor en na zijn plan in zoverre gewijzigd had, dat Hij het strafgericht zou afwenden wanneer er nog 5 rechtvaardigen in de stad zouden zijn.

Is dat niet een verdraaiing der dingen? In de Heilige' Schrift kunnen wij talrijke voorbeelden lezen, dat God een volk of een mens met een strafgericht had bedreigd, doch dit genadiglijk afwendde, wanneer het volk of de zondaar boete deed, tot ommekeer en inkeer kwam en om genade smeekte. In die gevallen gold steeds het Woord des Heren: "Ik heb geen lust in de dood van een zondaar, doch dat hij zich bekere en leve."

Doch nog nimmer heeft de trouwe God een zegen belofte teruggenomen, wanneer deze aan zijn volk gegeven was. Het gehele Nieuwe Testament is gefundeerd op het begrip van de trouw van Christus tot Zijn Woord en van de trouw der Brod des Heren tot de Zielsbruidegom.

Als voor ons het Woord en de Belofte Christi niet meer als onomstotelijk geldt, waaraan zullen wij dan nog steun vinden? Als men een jarenlang verkondigde "Belofte des Heren" als vergankelijk beschouwt met de opmerking, dat de Heer zijn plan veranderd zou hebben, dan vraagt men zich af: Welk woord van Christus zal dan nog in de toekomst als betrouwbaar gelden? Welke belofte des Heren kan dan nog wel veranderd worden? Aan welk plan, dat de Heer met betrekking tot zijn volk heeft, zal Hij later nog iets veranderen?

Wie dat leert, dat God zijn plan veranderd zou hebben, waar het in werkelijkheid nooit het plan Gods geweest is, tijdens het leven van de Stamapostel de Bruidsgemeente Christi thuis te halen (want anders had Hij het zeker gedaan), die neemt bij de' gelovigen het fundament onder de voeten weg. Daarop kan de Heer nimmer Ja zeggen.

Gaarne ben ik bereid, ten spoedigste met U en met andere dienaren en broeders en zusters, die meer Godsvreze dan mensenvrees hebben, een onderhoud te hebben, Schrijft U mij alstublieft, hoe U daarover denkt.

 

U groetend in de liefde Christi

 

Uw (get.) Peter Kuhlen.

 

Opmerking: Aangezien Broeder Schreckenberger op zijn schrijven vanuit Frankfort geen antwoord bekwam, doch bij gelegenheid van een bezoek aan de Nieuw apostolische Kerk in Ludwigshafen door de District oudste in opdracht des Apostels uitgewezen werd, wendde hij zich thans in een vermenigvuldigd schrijven tot alle nieuw apostolische Apostelen. De inhoud van dit schrijven wordt hieronder weergegeven: Ludwigshafen a, Rh., 1 september 1960.

 

Aan de

 Stamapostel en de Apostelen der Nieuw apostolische Kerk ( Deze brief was dus gericht aan de nieuwe Stamapostel Walter Schmidt Red.)

 

Geliefde Stamapostel. geliefde Apostelen!

Met een brief dd. 21 juli 1960 heb ik mij tot Apostel Bischoff gewend, Deze brief is tot dusverre onbeantwoord gebleven, Met het oog op de urgentie der hierin opgeworpen vragen veroorloof ik mij, U een afschrift van deze brief toe te zenden.

De huidige ontwikkeling onzer Kerk sinds de dood van de Stamapostel Bischoff heeft de in mijn brief geuite vrees op een ontstellende wijze bevestigd. Daardoor zijn vele oprechte broeders en zusters in een grote tweespalt 'gedreven geworden, Enerzijds kennen zij de goddelijke roeping van ons geloofswerk en de diepe betekenis der kerkelijke gemeenschap, waarmede zij sedert vele jaren innig verbonden zijn, anderzijds kwelt hun in deze gemeenschap de onoverkomelijke tegenspraak met de waarheid, waarvan zij overeenkomstig de goddelijke toezegging weten, dat zij alleen gelukkig en waarlijk vrij maakt.

 Staat U mij toe een openhartig broederlijk woord te spreken. De huidige houding der kerk met betrekking tot de dood van de Stam apostel verwekt de indruk van radeloosheid, ja van verlegenheid en zelfs van onoprechtheid. Men tracht op toenemende wijze deze gebeurtenis dood te zwijgen of daaromtrent te vertroosten met tegenstrijdige en weinig geloofwaardige argumenten. Buiten de uiterlijke navolging van het volk wordt zijn diepe innerlijke nood ongeacht gelaten.

 Moet dan niet de vraag in het hart oprijzen, of de kerk de ondubbelzinnige sprake Gods, doordat Hij zich niet tot de Boodschap bekend heeft, niet verstaan wil? Heeft de kerk niet meer de kracht, de waarheid te volgen? Hoe zal de kerk uit deze ongelukkige geestelijke nacht komen, wanneer zij de bezoeking Gods niet erkent? Zal zij zich niet steeds weer in tegenstrijdigheden verstrikken en nog grotere ellende over haar gelovigen brengen?

 Het kan menselijk begrijpelijk zijn een onaangename toestand te ontwijken en deze zo mogelijk af te zwakken. Kan dit echter ook voor het Werk Gods gelden? Gewis heeft de dood van de Stamapostel de kerk en in het bijzonder U in een in de geschiedenis van het Rijk Gods nog niet voorgekomen situatie gebracht. Maar stelt niet ook de Boodschap een tot dusverre eenmalige gebeurtenis voor? Zij heeft ons op unieke wijze boven de mensen van alle tijden verhoogd. Des te dieper zal ons heden de vernedering Gods treffen. Iedere poging haar te ontwijken, is een vluchten voor God, een vluchten voor de  verantwoording.

 De ware ootmoed zal echter de sprake Gods verstaan en boete doen. Zij zal de ganse last van haar verleden in volle oprechtheid op zich nemen en om de Geest der waarheid, der liefde en der verzoening worstelen.

 Hoeveel heeft de kerk opnieuw op te richten en te verzoenen! Wie met open ogen de kerkelijke ontwikkeling der laatste jaren heeft gadegeslagen, die kon het niet verborgen blijven, dat onder het teken van de Boodschap menige geest van verdeeldzaamheid, van onverdraagzaamheid, van blinde overdrijving en vaak een onbezield dogmatisme was binnengedrongen, Achterdocht, ja vaak ook vijandschap waren onder broeders en zusters en de dienaren op een nimmer gekende wijze uitgebroken, Talloze gissingen over de termijn van de wederkomst Christi leidden tot een verlammende vernauwing van het beeld des geloofs. Een verkeerd begrepen leidersprincipe deed in vele districten geen ware broederlijke gemeenschap meer vinden. Onvoorwaardelijke gehoorzaam~ heid en mensenvrees bemoeilijkten of verijdelden zelfs ieder zuiver gesprek. Hoevele Apostelen en broeders en zusters moesten zich in deze tijd van de gemeenschap losmaken! Het is diep schokkend, dat tot dusverre nog niet het geringste bewijs van een verzoening met deze Apostelen en broeders en zusters te bespeuren is. Ik zelf heb mij geen moeite ontzien om mij eerst deze weken op de hoogte te laten stellen van de gebeurtenissen, welke geleid hebben tot het terugtreden van Apostel Kuhlen als Stamapostelhelper en ten slotte tot de uitsluiting van Apostel Kuhlen en zijn mede~Apostelen, Vergeef me, maar dat alles was toch waarlijk geen grond, deze Apostelen uit te sluiten en hun vaak een zeer slechte naam te bezorgen!

 Gelooft U mij toch, dat ik met andere hulpzoekende broeders en zusters in deze dagen onder de bediening van de Apostelen Kuhlen en Dehmel veel goddelijke kracht en na lange weken van hevige aandoening een waarachtige troost ontvangen heb, Wij hebben geen verkeerd getuigenis over U gehoord, geen menselijk leedvermaak waargenomen. Wij beleefden de Geest der eerste liefde. Deze mannen kennen hun verantwoording in deze zwaarste dagen onzer kerk. Zij belijden daarmede hun apostolische opdracht. Maar hoe smart vol is het voor ons allen, hun ter zijde van de oude gemeenschap te zien staan, veracht en uitgestoten.

 Wij kunnen het nog niet begrijpen, dat het daarbij blijven zal. Wat scheidt dan deze broeders van ons? Het is onze ernstige overtuiging, dat deze scheiding niet & wille Gods is. Zal de kerk na deze diepe schok ook nog het monsterlijke noodlot der scheiding opgelegd worden? Moeten er in de toekomst nog meer broeders tegen broeders opstaan, onverzoenlijkheid en wantrouwen tussen broeders en zusters woekeren?

 Wij zijn ons bewust, dat voor ons de waarheid meer betekenen moet dan een. Lief geworden, doch op een dwaalspoor geraakte gemeenschap, dat God ook dit offer, de huidige gemeenschap te verlaten, verlangen kan. Toch willen wij nog van heler harte hopen, dat de kerk de onzalige broederstrijd bespaard moge blijven.

 Ik bid U ernstig, en ik weet dit ook te doen in opdracht van vele ernstig  denkende broeders en zusters, Uw goddelijk ambt der verzoening toch te willen uitoefenen. Nog is het niet te laat, en waar een oprecht willen is, daar zal God ook het volbrengen geven, Doorbreekt U toch die onbarmhartige muur des zwijgends en handelt U!

 Zou er een waarachtiger teken der goddelijke kracht bestaan dan deze verzoening? Welk een onzalige strijd zou overwonnen zijn! Hoeveel zegen zou er onder de buiten in de verlatenheid hunner tijd staande mensen gewerkt worden! Het zou een wonder Gods zijn, groter en machtiger dan alle Boodschappen!

 

Met hartelijke groeten in Christus

 

get. W. Schreckenberger.

 

Uitgever: Apostolische Geloofsgemeenschap, p/a G. Kamphuis, de Savornin Lomanstraat 22, Apeldoorn.

Opmerking redactie apostolischeobserver. Aangezien het gaat om een herziene vertaling door de redactie der apostolischeobserver, berust het copyricht bij deze redactie. Bij plaatsing op een andere website bron vermelden.

Geplaatst op: 17-102012:  Copyright verbeterde vertaling; apostolischeobserver.nl