APOSTOLISCHEOBSERVER.NL

Akte van stamapostel Peter Kuhlen.4
VOOR NIEUWS EN HISTORISCHE ACHTERGRONDEN.                      

<>Index<>Navigatie pagina><Contact<> Disclaimer <> Archief<> An.reageren.<> Boeken <>forum

 


STAMAPOSTEL/STAMAPOSTEL HELPER  PETER KUHLEN

 


P. KuhlenPeter Kuhlen
 

Dit telefoongesprek  met de districtoudste Weine vond in de avond van 24 november 1950 plaats. Daarna is broeder Weine naar de stamapostel gegaan en heeft hem de inhoud van ons gesprek verteld. Broeder Weine belde mij dan nog dezelfde avond op en zei, dat de stamapostel mij de volgende ochtend om 10 uur wilde ontvangen, maar dat ik mijn schriftelijk verzoek om terug te treden mee moest brengen; mijn terugtreden zou dan met alle eer geschieden. Ik zei daarover, dat ik niet van plan was, een schrijven mee te brengen maar eerst het verloop van het gesprek met de stamapostel zou willen afwachten en dan overeenkomstig met het verloop van het gesprek in Frankfurt de brief vorm zou kunnen geven. Ik vroeg dan nog aan districtoudste Weine, wat de stamapostel verder nog had gezegd. En broeder Weine zei tegen mij dat de stamapostel zichtbaar opgelucht en blijkbaar blij was dat deze oplossing zou komen. Ik vroeg toen districtoudste Weine, mij eerlijk te zeggen, of er tegen mij de een of andere aanklacht liep, of ik in de vervulling van mijn ambt iets verkeerds had gedaan enz. Toen zei districtoudste Weine:”volstrekt niet, integendeel: hij had de indruk dat alles goed zou zijn als ik mij als stamapostelhelper en opvolger in het ambt van stamapostel terugtrok. Dan zouden ook de mensen, die achter die zaak zaten, volkomen tevreden zijn. Ik vroeg verder of hij mij misschien zou aanraden, ook als apostel af te treden en in de rust zou gaan opdat ik dan zeker rust zou krijgen. Districtsoudste Weine dacht daarover: “Daarvoor bestaat voor u absoluut geen aanleiding; blijft u in ieder geval in het ambt van apostel.” “Ja”, zei ik, “er is toch ook geen aanleiding voor mij om mij terug te trekken als stamapostelhelper en ik moet die stap toch doen. Is het dan toch niet beter, dat ik het erop laat aankomen en in een apostelvergadering in alle openheid zou praten over al die trieste misstanden, die in het Werk op het hoogste niveau bestaan en die dat Werk ruineren en in de afgrond storten?” Toen zei de districtoudste Weine heel bedroefd: ”Momenteel zie ik geen andere uitweg dan die, dat u zelf zich terugtrekt als stamapostelhelper, want in een apostelvergadering zou de stamapostel de apostelen voor de keuze stellen: òf u staat achter hem òf u zou achter mij moeten staan. Als dan de apostelen gezamenlijk tegen de stamapostel zouden zijn, zou dat zijn dood betekenen. En als de apostelen -  wat waarschijnlijk zou zijn – deels op de kant van de stamapostel zouden zijn en deels op de mijne en als dan alle lelijke dingen die zijn gebeurd ter sprake zouden komen, dan zou er in het werk van God een splitsing komen die niet te herstellen is.” “Goed, “ zei ik toen, “ ik zal dus mijn terugtreden ten opzichte van het ambt van stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel indienen teneinde het Werk een dergelijke ramp te besparen; want liever wil ik het slachtoffer zijn, dan honderdduizenden zielen tot vreselijke geloofsstrijd te doen komen. Als het daarmede dan is afgedaan, zou het offer voor mij gering zijn.” Toen zei broeder Weine als laatste woorden:
“U weet, hoe ik er tegenover sta en dat ik de zaken juist zie; wij willen tot God schreeuwen dat hij zijn werk moet redden, en: de oude God leeft nog!” Toen heb ik tegen districtoudste Weine gezegd, dat ik dus de volgende morgen om 10 uur met apostel Dehmel bij de stamapostel zou zijn.

Heel laat op dezelfde avond belde mij nog apostel Otto Güttinger uit Zwitserland op. De zoon van de stamapostel had hem telefonisch gezegd, dat hij op maandag, 27 november 1950, naar Frankfurt moest komen en verzocht hem, deze reis geheim te houden en er niemand iets over te vertellen. Het ging namelijk om een belangrijke bespreking met de stamapostel. Apostel O. Güttinger vroeg mij of ik wist, wat er aan de hand was. Ik vertelde hem, waarover het ging en vertelde hem erbij, dat ik de volgende ochtend naar Frankfurt zou rijden en mijn ambt als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel ter beschikking zou stellen. “Wat?” zei toen apostel O. Güttinger, “dat zal je toch niet doen, dat is toch uitgesloten.” Ik zei toen: “Mijn besluit staat vast en is onherroepelijk..” Toen riep apostel O. Güttinger in de telefoon: “Jij, dat wil ik je zeggen, dat is de eerste en grootste ontgoocheling, die ik met je meemaak  Jij zult toch nooit voor een oude man opzij gaan, vooral omdat je toch weet dat deze oude man slechts naar voren is geschoven en degenen, die erachter zitten, het zó willen hebben. Jij mag je niet terugtrekken.” Ik zei: “Ik blijf bij mijn voornemen.” Toen nam apostel O. Güttinger afscheid van mij met de opmerking: “Daar kom ik niet overheen; ik ga voor een lange tijd weg want nu weet ik niet meer, wat ik moet zeggen.” Ik verzocht hem nog, onze vriendschap te behouden en voor mij te bidden en nam afscheid van een teneergeslagen mens.

Op de volgende ochtend reed ik toen samen met apostel Dehmel naar Frankfurt, of beter gezegd: naar Canossa; want het was inderdaad een Canossagang van het bitterste soort, diepe vernedering voor mij.

Het is wel te begrijpen, dat zowel apostel Dehmel als ook ik  in de nacht van 24 op 25 november 1950  ieder slechts een krap uur hebben geslapen, want talloze gedachten joegen elkaar achterna met de vraag, wat wel in deze situatie voor het werk Gods het juiste zou zijn: het tot een open gesprek in het college van apostelen en daarmee tot een strijd en tot een reiniging te laten komen of dat het meer verantwoord zou zijn, te zwijgen . Hoe kon je toch voor God en je eigen geweten het best leven, enz. enz. En deze knellende vragen en overdenkingen stelden wij  elkaar tijdens onze reis naar Frankfurt heel grondig. Apostel Dehmel maakte mij erop attent dat hij ervan overtuigd was, dat de strijd om reinheid en zuiverheid in het Werk nu of tegen en ander tijdstip toch beslist zou komen. Het zou tenslotte beter te dragen zijn, als ik de stap, die ik van plan was, namelijk mij terug te trekken, nu zou doen, maar het Volk van God zou daarmee toch niet zo goed gediend zijn. Na al dat over en weer kwam ik dan ook tot het besluit, tegen de stamapostel te zeggen, dat ik na rijpelijk overleg mijn terugtrekking niet kon indienen omdat er dan schade aan het Werk Gods zou ontstaan en dat ik misschien zou staan op het samenroepen van een apostelvergadering. Enz.

Ik was dan ook vast besloten, in alle rust maar ook in alle duidelijkheid met de stamapostel te praten en hem ook de redenen te noemen, waarom ik niet terugtreden mocht en kon, kome wat kome! Dat was dus ons plan, maar…….toen wij bij de stamapostel waren – waar ook districtsoudste Weine aanwezig was, beleefden wij een uitbarsting van een vulkaan uit het hart van de stamapostel, zoals die zeker nog over niemand ooit is uitgevloeid. -  De stamapostel begon rustig met de woorden: “U wilt dus uit zichzelf als stamapostelhelper terugtreden, zoals u het gisterenavond tegen broeder Weine hebt gezegd?” “Ja” zei ik,”daartoe ben ik bereid, maar vergeeft u mij als ik zou willen vragen: wat heb ik dan nu eigenlijk gedaan?” Verder kwam ik niet, want toen sprong de stamapostel opgewonden op en sprak niet meer, maar schreeuwde en raasde: “U, wat u hebt gedaan? U hebt alle apostelen tegen mij opgehitst. U bent achter mijn rug om naar de apostelen gegaan en hebt mij gedwongen, die handeling toen te voltrekken. U hebt toentertijd de brief opgesteld, die 15 apostelen hebben ondertekend. U en apostel Lembke zijn achter mijn rug bij de apostelen geweest. Ik zou in de eeuwigheid niet in het vel van apostel Lembke willen steken. Jullie hebben toen de democratische geest in de apostelen gewekt en bent daarmee van de leer afgeweken. In de woning van broeder Weine hebt u de apostelen tegen mij opgejut. Dat heeft men in de verdieping erboven gehoord en mij verteld. Ja, dat weet ik, dat had u niet gedacht, enz. enz.” Ik heb tijdens deze woede-uitbarsting, waarbij de stamapostel op de tafel sloeg en bij wie de aderen van woede op zijn voorhoofd opzwollen, geheel stil gezwegen, want het was voor apostel Dehmel en mij duidelijk, dat bij beantwoording van deze beschuldigingen door de stamapostel, deze waarschijnlijk door de opwinding een beroerte zou hebben gekregen. En dan zou men de wereld in hebben gebazuind, dat wij de stamapostel op ons geweten hadden. Dus bleven wij allebei muisstil. De stamapostel verloor elke houding en klaagde in zijn verdere uiteenzettingen ook in het bijzonder apostel E. Güttinger  met zijn democratische opvattingen aan. Hij  zou echter kort geleden de Zwitserse apostelen hebben bewezen, dat de toenmalige handeling ongoddelijk was geweest , want de Heer had hem geopenbaard, dat hij het volk van God naar de voleinding zou leiden. Hij had tegen de Zwitserse apostelen gezegd, en dat herhaalde hij ook tegenover ons: “ Ik zal niet sterven . “ Daarop hadden de Zwitserse apostelen grote ogen opgezet, maar hij wist, wat hij zei en bleef ook daarbij.  Hij wist heus wel, dat het veel is om te zeggen: “ik zal niet sterven”, maar hij zou het nooit en te nimmer anders zeggen, want als je het anders zou zeggen, dan zou dat een belangrijke afwijking van de leer zijn. De wederkomst van Christus was nabij, en wie dat niet onderwees, die was fout.

Ik zei er toen bedeesd tussen, dat ik van begin af aan de aanstaande wederkomst van Christus had gepredikt, waartegen hij opmerkte: “wat is dichtbij? Daarmee kan een maand, een jaar en nog veel langer zijn bedoeld.” Toen zei ik nadrukkelijk en gedecideerd: “Ik breng niet alleen de leer, dat de terugkomst van de Heer nabij is, maar ik predik indringend steeds weer: stellen jullie je erop in, dat de Heer iedere dag, ieder ogenblik verschijnen kan.” Daarop zweeg de stamapostel.

Ik zei toen nog zachtjes: “Lieve stamapostel, heb ik mij dan op de wijze van uitvoering van mijn ambt als stamapostelhelper aan iets schuldig gemaakt?” Dat was al te veel, want weer sprong de stamapostel op en schreeuwde: “Houdt u vol, wat u gisteren tegen broeder Weine hebt gezegd en wilt u terugtreden? Anders leg ik de zaak aan het apostelcollege voor, en dan zult u beleven, dat de apostelen die toentertijd vóór u waren, heden tegen u zijn; met weinig uitzonderingen. Dan zult u alleen staan. Nu komen de apostelen en berouwen, dat zij zich indertijd hebben laten verleiden, nu geven zij toe dat hun gedrag menselijk was, nu zakt het hele kaartenhuis ineen. Dus: blijft u erbij dat u zich wilt terugtrekken? Anders……… en toen ging hij naar de deur en het werd mij daarmee duidelijk, dat hij ons eruit wilde gooien, als ik niet ja en amen zei.

Ik zei dan weer heel rustig: “ Ja, daar blijf ik bij; ik ben bereid, als stamapostelhelper af te treden, maar ik zou in geen geval van u afscheid willen nemen zonder in vrede met u te leven. Ik wil in ieder geval met u één zijn, onverschillig wat er ook zal komen. Ik heb nachten achter mij, die voor mijn vrouw en mij een verschrikkelijk Gethsemane waren en ik ben bijna bang, dat mijn vrouw zal sterven van leed en zorg.” Toen zei de stamapostel luid, hard en koud: “ Dat is nu de oogst van uw uitzaai; ik heb indertijd 220 (zo ongeveer) uren slaap te weinig gekregen.”

Ik zei toen nog – steeds heel rustig - : “ De brief, die indertijd aan u was gericht, was toch niet door mij alleen geschreven. Die werd toch op de wens van de in Berlijn aanwezig apostelen geschreven. Toen zei de stamapostel weer heel kwaad: “Ú hebt het geschreven.” “Ja,” zei ik, “dat is in zoverre waar, dat ik de laatste opstelling ervan gemaakt heb. De apostelen Schmidt en Oberländer hebben in het kantoor van apostel Landgraf , nadat wij onze wederzijdse gedachten hadden uitgesproken, het eerste ontwerp geschreven. Dat werd de aanwezige apostelen voorgelezen. Deze meenden, dat enige onhandige uitdrukkingen in de brief anders moesten worden gesteld. Ik heb toen de uiteindelijke tekst van de brief geschreven waarin ik het ontwerp van de apostelen Schmidt en Oberländer milder heb gemaakt opdat geen woord, dat enigszins kon verwonden, erin zou staan.” “Ú hebt die brief geschreven” klonk het toen weer.

Toen zei ik: “Lieve stamapostel, als datgene, dat de apostelen toentertijd hebben gedaan,  menselijk en fout was, dan zou niet alleen ík menselijk en foutief hebben gehandeld, maar de anderen ook.”

Toen echter een zakelijk gesprek volkomen onmogelijk bleek en het door verdere tegenwerpingen van mij tot een open breuk zou zijn gekomen, en omdat het ook duidelijk was, dat een vruchtbaar werken als stamapostelhelper aan de zijde van de stamapostel in de toekomst onmogelijk zou zijn,  zei ik dan, dat ik mij terug trok als stamapostelhelper en weer – zoals eerder – als districtsapostel in het district Düsseldorf zou willen werken. Dat was voor de stamapostel het verlossende woord. Hij werd meteen belangrijk rustiger. Hij zei toen heel lief tegen mij: “Als u weer slechts als districtsapostel werkt, dan is die oude zaak afgedaan, dan is alles goed, dan zal de Heer met u zijn.”

Ik vroeg dan nog aan de stamapostel, of alles daarmee ook werkelijk goed was, als ik als stamapostelhelper terugtrad en weer als districtsapostel zou werken, waarop hij antwoordde: “Maar dat is toch vanzelfsprekend; ik heb altijd van u gehouden en  houd ook verder van u.” Ik voegde er nog aan toe: “Ik weet echter, dat enigen mij niet willen hebben en dat dezen misschien verder tegen mij zijn en geen rust toestaan. Houdt u dan in de toekomst uw handen beschermend boven mij en beschermt u mij tegen diegenen?” Wederom zij de stamapostel: “Heel zeker, dat beloof ik u.”

Vervolgens heb ik nog eens kort gevraagd: “Heb ik dan bij de uitoefening van mijn ambt als stamapostelhelper iets verkeerd gedaan of zijn er nog klachten over mij?” “Nee, verder is er niets tegen u” zei toen de stamapostel.

Dan heb ik de stamapostel nog verzocht mij te willen vergeven als ik welke fout dan ook gemaakt zou hebben. En toen zei de stamapostel: “Van harte gaarne!” en toen gaf  mij een kus.

De stamapostel verzocht mij daarna, naar het kantoor in de Sofienstrasse 48 te gaan en daar het schrijven van mijn terugtreden op te stellen. Hij zei nog: “U hebt toch een hartkwaal, dan kunt u toch schrijven, dat u om gezondheidsredenen wilt terugtreden.” Ik zei toen kort: “Dat zou ik niet willen omdat ik bij de waarheid wil blijven.”

Ik ging toen met de districtoudste Weine en apostel Dehmel naar het kantoor in de Sofienstrasse 48 om de brief te schrijven, die ik daarna aan de stamapostel heb gegeven.

Toen wij in het kantoor Sofienstrasse 48 aankwamen, had de stamapostel al de daar werkende herder Weiler opgebeld en hem gezegd, dat hij zijn volgende boodschap moest overbrengen: In die brief moest ik erbij schrijven, dat ik daarom terugtrad, omdat de stamapostel het werk Gods zou voleinden. – Daarop antwoordde ik: “Dat doe ik niet, want dat is niet mijn overtuiging.”

Hieronder de tekst van de brief, die ik dan opstelde en aan de stamapostel gaf:

25 november 1950.
Hartelijk geliefde Stamapostel!                             

Nadat ik nu meer dan 2 jaren als stamapostelhelper in het werk Gods bezig was, heb ik zicht gekregen  op uw werk en ook op uw geloof over de voleinding van het werk  Gods.

Ik voel mij niet in staat, het gewicht van de opgave van een stamapostel in de toekomst te dragen en zou de mij door het college van apostelen via u gegeven opdracht om als stamapostelhelper en toekomstige stamapostel te werken, in uw handen terug willen leggen.

Na het heden met u gehouden gesprek zal ik, zoals vroeger, mij uitsluitend als districts – apostel in het aposteldistrict Düsseldorf in samenwerking met u en de apostelen bezig houden.

In eerbied, hartelijke liefde en verbondenheid,

Uw toegewijde

Get. P. Kuhlen


Akte (orgineel document, duits) pdf