100 stellingen
DE LEER VAN HET CHRISTELIJKE APOSTOLISCHE GELOOF, ZOALS DIT WAS IN DE EERSTE EEUW DER KERK VAN JEZUS CHRISTUS, EN WEER WORDEN MOET!
Onderstaand de 100 stellingen van de Apostel F.W.SCHWARTZ
Apostel Schwartz leefde van 11-04-1815 tot 06-12-1895 Hij was de derde geroepen Apostel van het "nieuwe licht" Na zijn dood werd de diaken Max van Bemmel, deze leefde van ca.1850 tot 26-02-1925 geroepen als Apostel, deze werd kort daarna alweer afgezet en opgevolgd door: Jacob Kofman. deze leefde van: 01-10-1843 tot 16-06-1945 en op 12-06 1897, ingezet als Apostel. Hij diende tot 1910. en werd opgevolgd door: J.H.v.Oosbree.
De Apostel van Bemmel is een eigen weg gegaan, deze groep is nog steeds werkzaam in Nederland. Onder de naam HERSTELD APOSTOLISCHE ZENDINGSKERK.
De redactie van de website komt binnen kort terug met een uit gebreide levens beschouwing van de Apostel F.W.Schwartz
Onderstaande 100 stellingen werden overgenomen uit een geschrift van de Hersteld Apostolische Zendingkerk.(Wassenaar) het is niet bewerkt.
HET BESTAAN VAN EEN GOD
Aantekening:
De onbewerktuigde stoffen in de natuur, metalen, stenen, lucht, water enz., kunnen, omdat zij aan verandering onderworpen zijn, niet van eeuwigheid af geweest zijn. Alleen wat onveranderlijk is, kan eeuwig zijn. Zij kunnen ook zich zelf niet geschapen hebben, omdat zij levenloos zijn. Ook de krachten en vaste wetten, die de natuur regeren, moeten aan een veel hogere kracht en almachtige Wetgever haaroorsprong te danken hebben. Geen wetten toch zonder Wetgever.
Evenmin als de onbewerktuigde, kunnen de bewerktuigde stoffen, de planten, dieren, mensen zich zelf geschapen hebben, omdat de allereerst geschapenen dit dan hadden moeten doen, vóór dat zij zelf nog bestonden, het geen onmogelijk is. De inrichting der planten, en van het dierlijk en menselijk lichaam getuigt van een zo onbegrijpelijke wijsheid en onnaspeurlijk verstand, dat dit alles onmogelijk zo vanzelf kan zijn ontstaan uit een enkel oorspronkelijk celletje. En waar is dan dat wonder baarlijke celletje vandaan gekomen? Het kan toch zich zelf niet geschapen hebben, toen het nog niet bestond. Alles holle woorden van menselijke wijsheid, hoogmoed en eigen dunk. De eerste oorsprong van alle dingen kan nooit door menselijke wijsheid aangetoond worden. Men moet altijd terugkomen op een almachtige Schepper.
Ook het Menselijk verstand kan niet uit stof zijn ontstaan, of vanzelf zijn geworden, maar moet zijn oorsprong hebben uit een nog oneindig hoger verstandelijk wezen. Te hoog, dan dat wij het zouden kunnen begrijpen of doorgronden met ons eindig verstand. Een wijs, almachtig Opperwezen, dat wij God noemen, moet al zo eenmaal dit alles uit niets hebben voortgebracht. Gen.1. Joh.1 :1-3.
2. Uit de natuur, uit ons verstand of uit ons geweten kunnen wij dien God niet in al Zijn volmaaktheden en eigenschappen, en veel minder nog Zijn wil le ren kennen.
Rom.2:14a. Hand.17:23,24,30.
DE OPENBARING VAN DIE GOD
3. Daartoe moest die God zich zelf aan de mensen openbaren en hun Zijn wil doen kennen. Rom.3:1 ,2.
4. God heeft dat gedaan, zowel aan enkele personen, als aan een geheel volk, b.v. Adam, Noach, Abraham, Elia, het Israëlitische volk in het Oude Verbond. Maar ook in het Nieuwe Verbond b.v. aan de jongeren van Jezus. Matth.17:5,6, aan Paulus, Hand.9:3-6; 16:6,7; en aan de Gemeente, Hand.13:2; 20:23 enz. Men noemt deze kennis van God: de geopenbaarde Godsdienst.
GODS WOORD, DE BIJBEL
5. Wat door Gods voorzorg van die openbaringen nog voor ons bewaard is gebleven uit de vroegere tijden,staat opgetekend in het boek der boeken, de Bijbel, de Heilige Schrift, of Gods Woord. Luk.4:4. 6. Om God te leren kennen, te weten hoe wij naar Gods wil moeten handelen, hoe wij in ons leven gelukkig en na de dood zalig kunnen worden, moeten wij de Bijbel lezen met ernst en eerbied. Joh.5:39; 2 Tim.3:15-17; 2 Petr.1:19-21; 1 Tim.4:8; 1 Tim.6:6.
GODS WEZEN EN ZIJN EIGENSCHAPPEN
7. Wij leren uit die Bijbel, dat er één enig God is. Deut.6:4-5; Mark.12:29,30; Joh.17:3; Rom.3:30.
8. God is geest. Joh .4:24; alles wetend, Jer.17:10; altijd alom aanwezig, in het oneindige heelal. Psalm 139:1-10.
Het eigenlijke wezen Gods kan niemand begrijpen of zich voorstellen.
Aantekening:
De zinnelijke voorstelling van God, in onze eerste jeugd ons ingeprent, als een oud man met een witte baard en een ernstig gelaat, op de wolken zittende en aan Dan.7:9,13,22 ontleend, blijft meestal tot in onze ouderdom ons bij, maar is in volkomen tegen spraak met die alomtegenwoordige, onstoffelijke Geest, zoals Jezus ons God leert kennen, en daar door een hinderpaal voor een hoger, wáár Gódsbegrip en geloof.
9. God is eeuwig. Jes.40:28; Ps.90:2. Heilig, Lev.11 :44; 19:2; 1 Petr.1 :15-16. Onveranderlijk, Jak.1:17. Rechtvaardig. Exod. 20:5-6, maar ook barmhartig en genadig. Exod.20:6; 34:6; Deut.4:31; 2 Kron.30:9; Ps.86:15; Luk.6:36.
GODS DRIE-EENHEID
(beter: drievuldigheid. Of ook wel de drie éénheid Gods)
10. De Heilige Schrift leert ons, dat het Goddelijk Opperwezen zich aan de mensen heeft geopenbaard als drievoudig in Zijn wezen en toch één in Zijn bestaan, dewijl er slechts één God is (Deut.6:4). De Heilige Schrift spreekt nergens van een drie-eenheid of van drie Goden, maar slechts van God, als Vader, Zoon en Heilige Geest; en deze drie zijn een enig God.(Zie het Apostolisch geloof; niet dat van Nicéa of van Athanasius, die uit het tijdperk van verval der kerk dagtekenen). Matth.3:16,17; 28:19; 2 Kor.13:13; Mark.12:29,32; Jak.2:19;
Aantekening:
Het woord ‘drie-eenheid’ komt in de Heilige Schrift niet voor. De plaats 1 Joh.5:7 is onecht en komt eerst voor in een handschrift des NT. uit de 8e eeuw, door een monnik daarbij gevoegd. Daarmede stemt overeen, dat in de Ariaanse twisten der 4e en 5e eeuw over de Godheid van Christus, deze plaats nimmer tot verdediging daarvan is aangehaald, wat toch wel het eerst voor de hand lag. Ja! Was deze plaats echt en had die in de 4e eeuw zich in de Nieuw Testamentische Schriften bevonden, dan had deze strijd toen ter tijd niet kunnen ontstaan. De leer der drie-eenheid Gods, meestal zo onbegrijpelijk voor gesteld, is toch zeer klaar, indien men het woord ‘personen’ daarbij slechts vermijdt. In het Nederlands toch verstaat men geheel verkeerd onder ‘een persoon’ een afzonderlijk mens, een individu. Maar drie mensen kunnen onmogelijk één mens zijn. Daardoor wordt het leerstuk onbegrijpelijk.
Het woord ‘persoon’ is Latijn en betekent: het masker, dat de toneelspelers droegen op het toneel, en dat in zijn trekken het karakter tekende van die zij voorstelden Hij in ieder van die drie rollen (personen) een ander is en toch dezelfde ééne ondeelbare God blijft. In dien men in de plaats van het woord ‘personen’ het woord persoonlijkheden bezigt, is dit leerstuk zeer duidelijk te begrijpen. Jezus immers zelf gebiedt ook, Matth.28:19 te dopen, niet in de Namen des Vaders enz., maar in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, d.i. in de Naam van Die ene God, die is: Vader, Zoon en Heilige Geest.
Twee voorbeelden. Een helder, driekant geslepen glas (prisma) toont ons het witte doorvallend licht, aan de ene kant als rood licht, aan de tweede als geel, aan de derde kant als een blauw licht. Toch zijn hier geen drie verschillende lichten, maar een enkel wit licht, dat zich hier vertoont in deze drie verschillende kleuren, aan elk der 3 zijden een an dere kleur.
Een man oefent een beroep uit in de maatschappij, is daarbij lid van de Gemeenteraad en bekleedt te vens een kerkelijke betrekking. Ziedaar drie perso nen in één mens, want in ieder van die betrekkingen afzonderlijk is hij een geheel ander persoon, d.i. vervult hij een geheel andere rol, dan in de overige betrekkingen, en toch vormen deze drie geheel verschillende persoonlijkheden, die in hem zijn, de ene mens; of ook omgekeerd, deze ene mens vormt drie verschillende personen. Van daar de Latijnse spreuk: tot qualitates, tot perso nae, d.i. zoveel betrekkingen in de mens, zoveel personen in hem. In die zin alleen kan in het leerstuk der Heilige Drie-eenheid van ‘personen’ sprake zijn, maar beter van ‘persoonlijkheden’. Zo worden woorden van Jezus als in Joh.1O:30; 12:45 en 14:9 volkomen klaar. Zie ook aantekening bij st.48.
Hier is geen andere keus. Zo moeten wij het opvat ten en geloven of anders drie Goden aannemen, mens, die zij voorstelden. Vandaar werd ook de rol, die zij vervulden ‘persona’ genoemd. Niet wij, maar de oudere godgeleerden hebben deze onheilige zaken op heilige toegepast, door dit woord ‘per soon’ te gebruiken. In het Latijn is het echter waar; volgens Nederlands spraakgebruik niet. Daarin toch wordt een God, die uit drie personen bestaat tot drie Goden, maar drie Goden kunnen onmoge lijk één God zijn.
God zelf zegt, dat Hij is een enig God. Exod.20:2,3; Deut.6:4, alzo niet drie-enig of uit drie Goden bestaande. Mark.12:29,32; 1 Tim.3:16. Zie ook Jes.45:5,21,22. Dat staat dus onherroepelijk vast. Maar God is een Geest, (zie ook st.8), alzo niet op zintuigelijke wijzetevergelijken met onze omschre ven stoffelijke vorm van mens. Die ene enige God nu, die alomtegenwoordige, ondeelbare Geest, heeft Zich geopenbaard in drie verschillende be trekkingen tot de mensen of in drie verschillende rollen (personen): le. als Vader of Oorzaak en on derhouder van al het geschapene; 2e. als de, vôôr de schepping uit Hem eengeboren Zoon, het Woord Gods, door Wien Hij de wereld en alles wat bestaat geschapen heeft (Joh.1:1-3), om ons later (zie st.39) te behouden voor het eeuwige leven; 3e. als Heilige Geest, die uitgaat van de Vader en de Zoon en in ons leven en wonen wil om ons het ver worven heil ook deelachtig te maken. Hiermede stemt de Apostolische geloofsbelijdenis geheel overeen, die ook volstrekt niet van een Drie- Eenheid spreekt.
Het woord ‘drie-eenheid’ is eigenlijk in volkomen tegenspraak met zichzelf. Drie kunnen niet één zijn; wel verenigd, maar dan komen wij weer tot drie Goden. De Roomse kerk spreekt dan ook veel juister van de Heilige Drievuldigheid, d.i. de drie voudige betrekking, waarin de ene en enige God zich aan de mensen geopenbaard heeft, waarbij die in ieder afzonderlijk één God zijn, en toch alle drie te zamen één enig God uitmaken, en wie zegt dat te geloven, weet zelf niet wat hij gelooft. Want, men kan alleen geloven, wat men zich enigszins ten minste kan voorstellen, en Gods Heilig Woord is niet gegeven om daaruit onbegrijpelijke en onmo gelijk te geloven dingen samen te flansen. In de Apostolische tijd bestond dat geloof ook niet. Men achtte het toen ‘een verborgenheid.’ 1 Tim.3:16.
Maar God is geest. Hoe en wat een geest is, weten wij nu nog niet; of drie geesten dan één geest kun nen vormen, moet de eeuwigheid ons eerst open baren. Voorbarig is het dus het leerstuk der drie-eenheid te verkondigen, dat de godgeleerden zelf niet begrijpen. Een drievuldigheid in het Gods wezen leert Jezus zelf ons; Matth.28:19, en wij mo gen niet verder gaan dan de Heer Jezus en Zijn apostelen gedaan hebben.
De lezer zal toch wel begrijpen, dat wij niet het leerstuk van de zogenoemde Drie-eenheid looche nen of bestrijden, maar alleen opkomen tegen het gebruik van dat zich zelf tegensprekende woord, dat de zielen en zinnen van de eenvoudigen in ver warring brengt. De Hervorming is te ver gegaan met dat woord in de plaats te stellen van Heilige Drievuldigheid, zoals de Roomse Kerk gebruikt en dat uitdrukt, wat Jezus ons leert in Matth.28:19; Joh.14:7,9,1O,26 e.a.plaatsen.
DE SCHEPPING DOOR GOD
11. God heeft alles wat bestaat uit niets geschapen.
Gen.1:1; Ps.33:6,9; Jes.40:26,28; Joh.1:3; Kol.1:16;
Hebr.1:1O; 11:3. Zie hierbij de aantekening bij st 1
DE ENGELEN GODS
12. God schiep ook een zeer groot aantal Engelen
(boden).
Luk.2:13; Matth.26:53; Kol .1:16; Hebr.1 :6,7,14;
Openb.5:11.
13. Die Engelen loven de Heer, Ps.103:20; Jes.6:3.
Zij. zijn Zijn boodschappers op aarde, Hebr.1:7;
Luk.2:10-14; Dan.8:16-19; zij voeren des Heren
wil uit, dienen Hem en beschermen de kinderen
Gods op aarde. Gen.19:15; 24:7,40; 48:16;
Dan.3:24,25,28; 6:23; Ps.91:11; 34:8; Matth.18:10;
Hebr.1:14. Zij mogen echter niet aangebeden wor den. Openb.19:10; 22:8,9.
DE GEVALLEN ENGELEN
14. Van die Engelen zijn vele van God afgevallen.
Joh.8:44; Mark.5:9; 2 Petr.2:4.
15. Als onreine geesten trachten zij de mensen tot
zonde te verleiden.
Luk.11:14; 1 Petr.5:8; Gen.2:16,17; 3:4,5.
GODS VOORZIENIGHEID
16. Gods voorzienigheid onderhoudt Zijn Schep ping, Ps.119:90, en Zijn schepselen. Ps.36:7,8; Matth.5:45; Hand.17:27,28.
DE SCHEPPING VAN DE MENS
17. God schiep ook de mens met lichaam, ziel en onvergankelijke geest. Gen .2:7,21,22; Pred.12:7; Matth.10:28.
18. De mens was in zijn oorspronkelijke staat goed, oprecht, zonder zonde (daarom onsterfelijk) en naar Gods beeld geschapen. Gen.1:26,27; 5:1,2; Pred.7:29.
19. Die gelijkenis aan Gods beeld was niet in stoffe lijke, uitwendige vorm, maar in geestelijke vol maaktheid, bestaande in heiligheid; Ef. 4:24, kennis van God, Kol.3:10, macht over de overige schepselen op aarde, Gen.1:26, en onsterfelijk heid, Gen.2:17.
DE VAL VAN DE MENS
20. De mens is echter niet in die staat van volmaakt heid gebleven, maar heeft voor zich en zijn afstam melingen Gods evenbeeld verloren. Gen.3:17-19; Rom.5:12.
21. Die val van de mens geschiedde door zijn onge hoorzaamheid aan Gods gebod. Gen.2:16,17; Gen.3:1-12; Hos.6:7.
DE ERFZONDE
22. Alle mensen zijn na en door de val van Adam en Eva zondaars geworden. Rom.3:10-23; 5:12,18,19.
Aantekening:
Een natuurlijk gevolg van de val. Hoe konden er uit de onreinen weer reinen geboren worden? Gods beeld was immers in de mens verloren gegaan.
23. Door de zonde zijn wij onderworpen aan Gods toom, Rom.1:18; en aan de dood. Rom.5:12; 6:23.
Aantekening:
Hoe konden uit de nu sterfelijk geworden mensen weer onsterfelijke geboren worden?
DE ZONDE
24. Al wat onrecht is en tegen Gods geboden strijdt is zonde. 1 Joh.3:4,8.
25. Wij zondigen inwendig met onze gedachten,
Matth .15:19; uitwendig met woorden,
Matth.12:36,37; Jak.3:2,6-1O; en werken. Joh.3:19; Kol.1:21; 3:9.
26. Wij zondigen ook door het goede na te laten, Jak.4:17; Rom.7:18, en door aan anderen een slecht voorbeeld te geven, hen tot zonde te verlei den, of hen niet tot het goede te vermanen. 1 Tim.5:22.
27. Zonde wordt op tweeërlei wijze begaan: uit zwakheid of uit goddeloosheid. Uit zwakheid zon digen de gelovigen: le. Uit onwetendheid, Ps.19:13; 2e. Uit overijling, Gal.6:1.
28. Uit goddeloosheid zondigen de ongelovigen met weten, willen en voornemen, Matth.26:14-16.
29. Niet alle zonden zijn even groot en zwaar, Joh.19:11.
De zwaarste zijn:
le. de ten hemel schreiende zonden, die tot God om wraak roepen, zoals moord, Gen.4:1O, onthou ding van het loon van de arbeiders, Jac.5:4.
2e. de afval van het Christelijk geloof, wanneer die met kennis geschiedt, Hebr.6:4-6.
3e. de zwaarste zonde, die nooit vergeven wordt, is de boosaardige lastering tegen de Heiligen Geest. Matth.12:31,32; Mark.3:28,29; Luk.12:1O.
Aantekening:
Menig Christen heeft zich beangst gemaakt, dat hij de zonde tegen de Heilige Geest zou kunnen be dreven hebben. Tot zijn geruststelling zij gezegd, dat hij niet in de mogelijkheid is geweest, dit te doen, omdat die zonde in geen zestien eeuwen is kunnen bedreven worden. Immers wij zien uit Matth.12:24 en Mark.3:22,30, dat de zonde tegen de Heilige Geest daarin bestaat, dat men ziet een gezondmaking en uitwerping van duivelen, door de kracht van de Heilige Geest gedaan, en die toe- schrijft aan de macht van de overste der duivelen, die de mindere uitbant. Daarmee acht men de Hei lige Geest Beëlzebul te zijn. Deze macht tot uitwer ping van duivelen is één van de zeven gaven van de Heilige Geest en wel van die der krachten (zie daar over st.78). Nu zijn sedert de vierde eeuw die gaven van de Heilige Geest niet meer in de Christelijke kerk aanwezig, maar daardoor is ook gedurende de zestien eeuwen, sinds verlopen, niemand in staat geweest de zonde tegen de Heilige Geest te begaan. Het bedroeven van de Heilige Geest is ge heel iets anders; dit geschiedt menigvuldig door ongeloofenonheiligewandel, maarwordtop boete en berouw vergeven. Matth.12:31; Mark.3:28; Ef.4:30.
DE DOOD
30. De straf van de zonde is de dood. Gen.2:17; Rom.6:23.
31. Er bestaan drie soorten van dood:
le. de lichamelijke of tijdelijke, Gen.3:17-19.
2e. de geestelijke dood, Ef.4:18; Openb.3:1.
3e. de eeuwige dood, Matth.10:28; (in de plaats van het eeuwige leven).
DE WET DES HEREN OF DE 10 GEBODEN
32. Om onze zonden te leren kennen moeten wij
ons gedrag toetsen aan de Wet des Heren, de tien
geboden. Rom.3:20; Exod.20:1-17.
33. Die Wet des Heren heeft voor ons haar volle
Jer.23:5,6; Dan.9:24-27; Micha 5:1; Haggai 2:7-10. 42. God zond die Verlosser op de bestemde tijd en de plaats, Gal.4:4-6, eeuwen vooruit voorzegd. Dan .9:24-27; Micha 5:1.
Aantekening:
De plaats waarde Zaligmaker of beloofde Messias zou geboren worden, was door Micha (5:1) voor zegd. Zeven eeuwen vôc Zijn geboorte. De tijd wanneer, was door Daniël voorzegd (9:24-27), 580 jaren v het geschiedde. De 70 jaarweken, ieder van 7jaar, maken 490 jaren. In het jaar 458 vôc5r Je zus Christus gaf koning Arthasastha (Darius) bevel aan Ezra met allen, die met hem mee wilden gaan, naar Jeruzalem weer te keren en de Joodse staat weer op te richten (Ezra 7:13 e.v.).
Van dit jaar gaat alzo Dan.9:25 uit. Tel hierbij de 30 jaren, voordat Jezus openlijk optrad (Luk.3:23) als de Messias;dit maakt 488 jaren of de 7 en de 62, dus 69 (jaar-)weken van Daniël. Hierbij nog de laatste ene week of 7 jaren maakt 495 jaren. Wij hebben hier echter 5 te veel. Maar van algemene bekendheid is het, dat Jezus 4 jaren vroeger is ge boren, dan onze Christelijke tijdrekening aan vangt. Volgens de Joodse, die in september het nieuwe jaar reeds begint, wordt dit alzo in ‘t vijfde of 5 jaar, (Matth.12:40). Het bevel aan Ezra is alzo ge geven niet 458, maar 453 jaren v Christus’ ge boorte. Hierbij de 30 jaren voor Zijn optreden en de 7 jaren nog daarna, of 453 en 30 en 7, maakt 490 of
70 maal 7 jaren. Hiermede is deze profetie van de tijd van het optreden van de Messias volkomen en vervuld. In het midden van die laatste 7 jaren zou Hij, door Zichzelf ten offer te geven, het Oud Testamentische zoenoffer doen ophouden.
Daniël was de overste van de Wijzen in Babylon (Dan.2:48). De wijzen komende uit het Oosten, dus uit Babylon, Matth.2:1,2, waren zeker bekend met deze profetie van Daniël. Daaruit konden zij de tijd van de geboorte van Christus berekenen. Van de 69 (jaar-)weken of 483 jaren hadden zij, volgens N um.4:3, dertig jaren af te trekken, dan moest 453 jaren na het gegeven bevel tot terugkeer naar Jeruzalem de beloofde Messias geboren worden. Die verwachting van een grote Koning der Joden was trouwens in het gehele bekende Oosten van die da gen vrij algemeen verbreid.
Met de vroegere profetie van Micha.5:1 in Juda, wa ren deze Babylonische Wijzen niet bekend. Van daar hun vraag in Jeruzalem: ‘Waar is de koning der Joden geboren?’ Matth.2:2. De Joodse Schriftgeleerden waren daar beter mee bekend, vs 5,6.
Deze beide profetieën, wier oudheid en echtheid onaantastbaar is, zijn schitterende bewijzen voor de waarheid van de geopenbaarde Christelijke Godsdienst.
JEZUS DE ZALIGMAKER
43. De enige grond waarop wij onze hoop der zalig heid kunnen bouwen, de enige weg, waarop wij het eeuwige leven kunnen vinden,is deze beloofde Za ligmaker, onze gezegende Verlosser en Heer Je zus Christus.
Luk.9:56; Joh.3:15-18,36; Hand.2:21; 4:12; 1 Joh.4:9,1O,14.
DE PERSOON VAN JEZUS
44. Deze Jezus was niet alleen een waarachtig,
doch heilig mens, maar ook waarlijk, als Gods
Zoon, aan de Vader gelijk en waarachtig God.
Matth.8:20; Joh.1:1-3,14,18; Hand.1:3; Rom.5:15;
9:5; Fil.2:6,7,1O,11; 1 Tim.2:5; Hebr.1:8-1O; 2:17;
4:15; 5:7; 7:26; 1 Joh.5:20; Ps.45:8.
45. Hij bestond echter niet uit twee personen, maar in Jezus, de Christus, de Godmens, waren de god heid en de mensheid in één persoon verenigd. Kol.2:9; 1 Joh.4:9,14; 1 Tim.3:16.
46. God, de Zoon, kwam als Jezus, geboren uit de maagd Maria in het vlees op aarde, om der mensen schuld te betalen en zondaren zalig te maken. Luk.1:35; 1 Tim.1:15; 1 Petr.3:18; Matth.18:11.
47. Die Verlosser moest waarlijk mens zijn, om als mens te kunnen lijden en sterven. Kol.1:22; 1 Petr.2:24; Hebr.5:7,8; Rom.5:15-19.
48. Maar Hij moest ook waarlijk God zijn, om voor de zonden van alle mensen, die ooit geleefd heb ben en nog zullen leven, te kunnen voldoen. Ps.49:8,9; Hebr.1 :3.
Aantekening:
Jezus was, als uit de maagd Maria naar het vlees geboren, geheel en volkomen mens naar lichaam, ziel en geest. Dit was Zijn mensheid en hierin was Hij de Zoon des mensen uit Maria, zijn moeder naar het vlees. Maar naar deze Zijn mensheid, zonder de wil van de man, door de scheppende wil van God, uit de maagd gebleven Maria voortgekomen, was God Zijn Vader, ook reeds naar Zijn mensheid, en was Hij, ook naar het vlees reeds de Zoon van God, daardoor echter geheel vrij van de erfschuld van Adam. In het overige was Hij als mens in alles geheel aan ons gelijk, uitgenomen in de zonde. Hebr.2:17,18; 4:15.
God is echter een Geest. In de geest van Jezus ligt alzo Zijn Godheid, omdat Gods geestelijk wezen zich verenigde met de menselijke geest van Jezus, en zo was Hij, niet alleen naar het vlees, maar ook naar de geest uit God gesproten, de Zoon van God en zelf God van eeuwigheid, God geopenbaard in het vlees, 1 Tim.3:16, de Godmens Jezus Christus. Woord Gods wordt Hij genoemd, als die tweede openbaringsvorm van het Goddelijk Opperwezen (zie Aantekening st.10), waarin het zich naar buiten doet kennen; zich aan de mensen openbaart en tot hen spreekt; de Jehova van het Oude Testament; Joh.1:1-3; Ps.33:6,9; Plaatsten als Ps.2:7; 45:7enz. zijn profetisch op te vatten.
49. Die Verlosser moest eerst diep vernederd en daarna oneindig verhoogd worden. Ps.22; Jes.53; Ef.1 :20-22; Fil.2:5-11; Hebr.2:5-9.
ZIJN LIJDEN EN STERVEN
50. Christus’ lijden en sterven is de verzoening van onze zonden. Matth.20:28; Joh.3:14-18; Rom.5:6,18,19; 1 Kor.15:3; Gal.3:13; 1 Joh.2:2.
51. Christus’ dood is de vergeving van onze zon den. Joh.3:16,17; Rom.3:23-25; 2 Kor.5:19-21; 1 Joh.1:7.
ZIJN NEDERDALING IN HET DODENRIJK
52. Jezus is na Zijn dood neergedaald in het doden- rijk (de Hades) om aldaar de doden het Evangelie te verkondigen.
1 Petr3:19,20; 4:6; Ef.4:9; Joh.5:25.
Aantekening:
In de eerste vijf eeuwen van de kerk bestond het ge loot aan een dodenrijk, waar de zielen van de gestorvenen tot aan de grote oordeelsdag wachten om hun oordeel te ontvangen. Er bestaat zelfs een niet als echt erkend ‘Evangelie van Nicodemus’, uit de eerste of minstens uit de tweede eeuw, waarvan het tweede gedeelte bestaat uit die nederdaling van Jezus in de Hades. De Roomse kerk heeft dit leerstuk dat ook in de Apostolische Geloofsbelijde nis voorkomt, misvormt tot het Vagevuur, waaruit de priesters de gestorvenen konden verlossen. De Hervormers, voor wie deze Roomse leer een gru wel was, hebben ten onrechte de leer van het do denrijk veronachtzaamd, en de gestorvenen zich dadelijk na de dood in de hemel of in de hel ge dacht. Maar wat wordt er dan van de grote Oor deelsdag, Matth.16:27; 25:31-46 enz.,?
Aan de apostel Johan nes worden aan het einde der eerste eeuw in een gezicht uit de Heilige Geest ge toond, in het 5e zegel, de zielen van de martelaren nog rustende onder het altaar, (dus toen nog niet in de hemel) Openb.6:9-11. Zij ontvangen bevel nog langer te rusten, totdat enz. vers 11. De vervulling van het 9e vers in de kerkgeschiedenis valt in de 13e eeuw. Alzo waren zij toen ook nog niet in de he mel, evenmin als nu. Zij rusten daar tot de weder- komst van Christus. Hebr
Zeer verkeerd is Hades vertaald door Hel. Het bete kent; dodenrijk. Even verkeerd is in 1 Petr.3:19 ‘ge vangenis’ geschreven; het woord betekent ‘wachtplaats’. In het dodenrijk nu schijnt de wacht- plaats het verblijf te zijn van hen, aan wie Jezus het Evangelie ging verkondigen, 1 Petr.3:19,20; 4:6; het Paradijs het verblijf van de gelovig gestorve nen, Luk.23:43; 2 Kor.12:4; en onder het Altaar het verblijf van de bloedgetuigen van Jezus, Openb.6:9. Het Paradijs is tegelijk de tweede he mel, 2 Kor.12:4. De derde hemel is de verblijfplaats van de latere zaligen, vers 2, de eerste hemel is het Godsrijk op aarde. Daarom spreekt Jezus van het koninkrijk der hemelen. Ook de Joden geloofden aan het dodenrijk (Scheol), dat zij in het begin van onze jaartelling ‘Paradijs’ noemden.
ZIJN OPSTANDING EN VERHEERLIJKING
53. Jezus is uit de dood opgestaan. Matth.28:5-7;
Rom.4:24,25; Hand.10:39-41; 1 Petr.1:21; Ps.16:10.
54. Daarna is Hij naar de hemel opgevaren, tot
God, de Vader. Hand.1:9-11; Mark.16:19; 1
Petr.3:22; Ps.68:19; 110:1.
55. God, de Vader, heeft aan Zijn, nu in de hemel
verheerlijkte Zoon, alles onderworpen.
Matth.11:27; 28:18; 1 Kor.15:25,27,28; Ef.1:20-22; 1
Petr.3:22.
56. Onze verheerlijkte Verlosser blijft in de hemel
onze Middelaar en Voorspraak. Rom.8:34; 1
Tim.2:5; 1 Joh.2:1,2; Hebr.4:14-16; 7:25-27.
DE HEILIGE GEEST
57. Het heil, dat Jezus Christus voor zondaren ver worven heeft, maakt de Heilige Geest ons deel achtig.
Joh.14:26; 16:7-15.
58. De Heilige Geest is de derde openbaring van het Goddelijk Opperwezen en alzo waarachtig God. Matth.28:19; Hand.5:3,4;
1 Kor.2:10-12; 3:16;17.
59. Als God bezit Hij dezelfde eigenschappen met de. \1açj e de. l k ‘ie. e.te.
alomtegenwoordig, enz..
1 Kor.2:10,11; 12:11. (Zie verder st.8 en 9).
DE ROEPING TOT DE ZALIGHEID
60. God roept alle mensen tot de Zaligheid door het
Woord van Zijn Zoon en door het getuigenis van de
Heilige Geest aan hun hart. Matth.11:28,59;
Mark.16:15,16; Joh.3:16; 6:38,40;
1 Tim.2:3,4; 1 Thess.2:12,13; 2 Thess.2:13,14; 2 Petr.3:9.
61. Door verharding van ons hart kunnen wij moed willig deze roepstem van God weerstreven. Matth.23:37; Hand .7:51.
62. Wanneer wij door de Wet (zie st.32 en 38) onze zonden en door de verlichting van de Heilige Geest en de prediking van het Evangelie Gods genade in Christus hebben leren kennen, moeten wij tot boet vaardigheid, bekering en geloof komen.
Mark.1:15; 16:16; Rom.10:14,17; Ef.5:14.
BOET VAARDIGHEID
63. De boetvaardigheid bestaat niet alleen in de kennis en de erkenning van onze zonden, maar ook in het heilig voornemen de zonde te bestrijden. Joh.5:14; Ef.4:17-22, 25-29; 5:3-7; Titus 2:11-14.
BEKERING
64. De bekering bestaat in het doen van die besliste keuze tussen God en de zonde, waarbij ons ver stand, onze zin, onze wil en ons gedrag zodanig veranderd worden, dat wij niet meer de wereld en de zonde, maar alleen God willen dienen en in heili ge wandel met en voor Hem leven. Ef.1:16-19; 4:23,24; 5:8; Hand.26:18.
GELOOF
65. Het geloof is de werking van de Heilige Geest in ons hart, waardoor wijde zekerheid verkrijgen, dat Christus door Zijn lijden en sterven ook voor ons voldaan heeft, geheel en volkomen. Het geloof is alzo het aannemen als een ontwijfelbare waarheid, dat God, de Vader, om de kruisverdiensten van Zijn
Zoon Jezus, ons arme verloren zondaren weer tot Zijn kinderen aanneemt en ons de zaligheid
schenkt uit genade. Hand.16:31; Joh.1:12,13; 3:16-18,36; Joh.6:47; Rom.3:23,24,28; 1 Kor.12:3; Ga
66. Door dit geloof ontvangen wij uit genade de ver geving van onze zonden, de wederaanneming tot kinderen Gods en de eeuwige Zaligheid.
Hebr.11:1,6; Rom.3:24; 4:3-8; 5:1,2;
8:1,9,11,13-17,24,29-39; GaI.2:16.
67. Dit geloof moet altijd oprecht zijn, hoewel het zwak kan zijn in de zwakgelovigen. Rom.14:1; 15:1; 1 Kor.11:19; Fil.1:1O; 2:15.
68. De oprechtheid van het geloof wordt aan zijn vruchten gekend. Matth.7:16-21; Jak.2:26.
HEILIGMAKING
69. De vruchten van een oprecht geloof zijn:
le. liefde tot God en onze naaste. Rom.5:2,5; 2
Kor.5:14,15.
2e. alle goede werken. 2 Petr.1:3-9; Tit.2:11-14.
3e. de heiligmaking. Rom.6:22; 2 Kor.6:14-18; 7:1;
1 Thess.5:23; Hebr.12:14; 1 Petr.1:15,16.
4e. een Godzalig leven. 1 Tim.4:7,8;
Rom.12:1 ,2,9-21.
70. Alle deze vruchten van geloof zijn niet onze ei gen goedewerken, maar Christus werkt ze door de
Heilige Geest in ons. Gal.2:20; 5:5,6,16-18,22,25.
GENADEMIDDELEN
71. Tot een zodanig oprecht geloof dat vruchtbaar is
in goede werken kan de mens niet uit zichzelf ko men. Christus heeft daartoe aan Zijn Kerk als gena demiddelen geschonken:
le. de prediking van het Woord van God. Matth.28:19,20; Hand.17:ll; Rom.lO:14-17; 2Tim.3:15-17. 2e. de bondzegelen of Sacra menten, namelijk de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal.
72. Het Woord van God is vervat in de Heilige Schrift. Joh.5:39; 2 Tim.3:16. Deze bestaat in Oud en Nieuw Testament of de Wet en het Evangelie.
SACRAMENTEN OF BONDZEGELEN
73. De Sacramenten of bondzegelen zijn zichtbare aardse zaken en handelingen,waarin en waardoor God ons onzichtbare hemelse goederen mee deelt. De bondzegelen onder de Oudtestamenti sche bedeling waren de besnijdenis (Gen.17:1O-14; Rom.4:ll) en het eten van het Paaslam (Exod.12:3-14; Hebr.1l:28).
Onder de Nieuwtestamentische bedeling is de Hei lige Doop gekomen in de plaats van de besnijdenis, Kol.2:1l-14, en het Heilig Avondmaal in de plaats van het Paaslam.
1 Kor.5:7; 1 Petr.1:18,19.
DE DOOP MET WATER
74. Door de Heilige Doop wordt de erfschuld, die ons van Adam aankleeft, afgewassen en worden wij in het genaderijk van God overgebracht. Gal.3:26,27;Titus3:5; 1 Kor.6:1l.
75. Door de Heilige Doop wordt de kracht van Christus’ dood en opstanding ons ten deel. Rom.6:3,4; Kol.2:12 en wel:
le. door de vergeving van onze zonden. Hand.2:38; Ef.5:26,27.
2e. door de verzekering dat God onze zaligheid wil. Marc.16:16; Tit.3:5-7; 1 Petr.3:21.
76. De Doop, door Christus ingesteld, mag niet al leen aan volwassenen, maar ook aan kinderen toe gediend worden. Mark.1O:13-16; Hand.2:38,39.
77. Johannes de Doper doopte alleen met water de doop der boete tot vergeving van de zonde. Matth3:6; Luk.3:3.
DE DOOP MET DE HEILIGE GEEST
78. Jezus, de Christus, zou niet alleen met het water van de schuldafwassing, maar ook met het vuur van de Heilige Geest dopen. Matth.3:11; Mark.1 :8; Luk.3:16; Joh.1 :33; Hand.2:2-4,14-18.
79. Dat vuur van de Heilige Geest bestaat uit deze- ven gaven van de Heilige Geest. 1 Kor.12:1,4-7,11. le. de gave van wijsheid en kennis van God, 1 Kor.12:8.
2e. de gave van geloof, vers 9a.
3e. de gave van gezondmaking, vers 9b.
4e. de gave van krachten (wonderen doen), vers lOa. Hand.3:6,7; 13:9-12.
5e. de gave van profetie, vers lOb.
6e. de gave van de onderscheiding van de geesten, vers lOc. Hand.16:18.
7e. de gavevan vreemde talen en uitlegging van die talen, vers lOd. Hand.2:4.
80. De Doop, zoals die door Christus ingesteld was in de Christelijke Kerk, bestond dan ook in de eerste eeuwen uit de waterdoop en de daarmede onaf scheidelijk verbonden doop met de Heilige Geest; deze laatste werd genoemd: verzegeling. Hebr.6:2a (let op het meervoud dopen); Hand.10:44-48; 2 Kor.1 :21,22; Ef.1 :13,14; 4:30.
23
Aantekening:
Waarom werd onze Heer, de Godsmens Jezus Christus, zelf gedoopt?
le. Niet om schuldafwassing of vergeving van zon- den te verkrijgen. Hij, die zonder erfschuld gebo ren, in Zijn dertigjarig leven tot aan Zijn doop ook even vlekkeloos en zonder te zondigen had geleefd, (Hebr.4:15), maar om, naar Zijn waarachti ge mensheid, door de waterdoop als de Eersteling in te gaan in het Koninkrijk der hemelen, en als de eerste mens een kind van God en Gods Zoon te worden (Matth.3:2,16,17; Mark.1:9-lO; Luk.3:21 ,22), evenals Hij later door Zijn opstanding en hemelvaart als de Eersteling uit de doden (1 Kor.15:20,23) is ingegaan in de Hemel. Daarom wil de Hij gedoopt worden, teneinde ‘alle gerechtig heid te vervullen’ Matth.3:3-15. Maar ook,
2e. Om evenzo naar Zijn waarachtige mensheid de Heilige Geest te ontvangen, d.i.verzegeld te wor den, en dit niet door mensen, maar door Zijn Va der.Matth.3:16; Mark.l :10; Luk.3:22; Joh.1 :32; Hand.10:38; Joh.6:27, LuthVert.
DE AMBTEN OF BEDIENINGEN
81. De Heer had, toen Zijn Kerk geheel geordend was, voor haar verdere opbouw, vier ambten of be dieningen ingesteld, waarover Hij zelf het levend Hoofd was.
le. het ambt van Apostelen; 2e. dat van Profeten;
3e. dat van Evangelisten;
4e. dat van Herders; die tegelijk de leraars der Gemeente waren. Efeze 4:11-13.
Zij werden, voor zover er meer dan één van deze ambten bij een gemeente gesteld waren, de oudsten of opzieners genoemd. Hand.1:20,25;
20:17.(LuthVert.) Fil.1 :1. Waar nog slechts één van deze bedieningen bij een gemeente gesteld was, was deze natuurlijk DE opziener.
Aantekening:
Van een afzonderlijk bepaald ambt van Opziener is in hetN.T. geen spoor te vinden. In 1 Tim.3:1,2 is het woord ‘Opzienersambt’ in algemene zin gebezigd, evenals in Hand.1:20 en Fil.1:1 als: één van de oudsten of ambtsdienaren van de gemeente. An ders toch had in 1 Tim.3:1 in de plaats van EEN moeten staan: HET Opzienersambt. Zie Luth.Vert.. Wel hadden deze vier bedieningen of ambten alle de bevoegdheid tot prediken en tot dopen, Hand.16:33; 1 Tim.2:7; 2 Tim.1:11; 1 Kor.1:14-J7, maar in de gewone orde had ieder daarbij nog zijn bijzondere bevoegdheid. Zo spraken de profeten de woorden van de Heer tot de Gemeente, Hand.11:27,28; 13:1,2; 15:27,28,32; 20:28; 21:10,11;
Ef.3:5; de herders waren de leraars van de ge meenten, Ef.4:11; Hand.20:28, die door de evange listen bijeengebracht waren uit de Heidenen, waarom dan ook de doop met water voornamelijk door de evangelisten geschiedde, Hand.8:5,12,16; 10:23,47,48; 1 Kor.1 :14,16,17, en de verzegeling met de Heilige Geest door de apostelen, door middel van gebed en handoplegging, Hand.8:14-19; 19:1-6. In bijzondere gevallen week de Heer zelf van die orde af. Hij staat toch zelf boven de door Hem aan mensen gegeven orde en is daaraan zelf niet gebonden. Zo werd Paulus door de jonge Ana nias met water en met de Heilige Geest gedoopt, Hand.9:10,17,18, de Kamerling door de evangelist Filippus, Hand.8:38; en de hoofdman Cornelius met de zijnen door de Heer zelf met de Heilige Geest gedoopt, Hand.10:44-46.
Deze vierambten waren niet gesteld om overde ge meente te heersen, maar om haar te dienen in Christus’ plaats, 2 Kor.4:5. Andere geestelijke amb 25
ten dan deze vinden wij niet; wel helpers, 1 Kor.12:28. (Luth Vert.), waarschijnlijkvoor iedervan deze ambten dus nodig.
Aantekening:
Na de dood van de laatste apostelen en van de late re Apostolische Vaders is met de 3e eeuw deze ver zegeling, tenminste de daaruit voortvloeiende voorrechten van het ontvangen van de gaven van de Heilige Geest voor de gelovigen verloren ge gaan. De uitwendige vorm is echter, maar zonder de innerlijke kracht, bewaard gebleven in de drie onmiddellijke afstammelingen van de oorspronke lijke Kerk, namelijk in de Roomse, in de Griekse kerk en bij de Albigenzen. In de Roomse Kerk is die vorm bewaard gebleven in het vormsel als ‘een aanvulling en bekrachtiging van de doop’, en wordt dit toegediend in de naam des Vaders, des Zoons en des Heilige Geestes, ‘opdat gij met deze zelfde Heilige Geest vervuld wordt’. In de Griekse kerk volgt op de waterdoop de zalving met de Heilige zalfolie, als ‘het zegel van de gave des Heilige Geestes’. De Albigenzen ‘doopten’ in de 10e eeuw nog ‘met de Heilige Geest’ door oplegging van de handen.
DE GEVOLGEN VAN DE HEILIGE DOOP
82. De Heilige Doop legt ons de verplichting op om dankbaar en godsdienstig te leven. Rom.6:3,4; Kol.2:11 ,12.
83. De voorrechten, ons in de Heilige Doop ge schonken, kunnen wij door ongeloof en afval van God weer verliezen. Matth.13:12; 2 Tim.4:10,14,15; Hebr.6:4-6; 2 Petr.2:1,2,20,21.
HET HEILIG AVONDMAAL
84. Om ons daarvoor te bewaren, heeft onze Heer Jezus tot onze vertroosting en versterking in het geloof Zijn Heilig Avondmaal ingesteld. Matth.26:26-28; Mark.14:22-24; Luk.22:19,20; 1 Kor.11:23-25.
Aantekening:
Dat Johannes de instelling van het Heilig Avond maal niet vermeldt, ligt daarin, dat hij het laatst zijn Evangelie schreef, als een aanvulling van de eerste drie gelijkluidende (synoptief) Evangelie- schrijvers, en het Heilig Avondmaal toen reeds al gemeen in de gemeenten gevierd werd. Daarentegen geeft Johannes uitvoerig de woor den, door Jezus daarbij gesproken, terug, die de anderen niet vermeld hadden en de heerlijkste bladzijden van de Heilige Schrift vormen.
85. In het Heilig Avondmaal ontvangen wij niet na tuurlijk brood en wijn alleen, evenmin als wij in de Heilige Doop alleen water ontvangen. Zij zijn wel de natuurlijke voermiddelen, waarin en waardoor de Heer ons bovennatuurlijke, cii. henie zegenin gen mededeelt; maar, zodra de zegen over het brood en de wijn uitgesproken is, zijn zij niet meer at! o ia au leert dat nadrukkelijk in 1 Kor.1O:16; 11:27-29.
Omdat wij door het eten en drinken van brood en beker gemeenschap hebben (1 Kor.1O:16) met Christus’ lichaam en bloed na Zijn dood, opstan ding en hemelvaart, ontvangen wij in het Heilig Avondmaal, niet het vroegere aardse en natuurlijke lichaam en bloed van onze Heer Jezus, maar het verheerlijkte en hemelse en dat tot een verzekering en onderpand,dat onze zonden vergeven zijn door Zijn kruisdood. Matth.26:28.
Aantekening:
Wanneer men,volgens de leer van het Zwingliaanse gedachtenismaal, alleen brood en wijn geniet, kan men door dit onwaardig te eten en te drinken, zich wel schuldig maken aan brood en wijn, maar onmogelijk aan het lichaam en het bloed van de Heer. En toch leert Paulus dat zo ernstig. 1 Kor.11 :11:27,29. Maar dan moet in het Heilig Avond maal ook meer zijn dan brood en wijn alleen, en wanneer dat het geval niet was, hoe konden wij dan door brood en beker gemeenschap hebben met het lichaam en bloed van Christus?
Dat dit voor het natuurlijk verstand niet te geloven is, bewijst Joh.6:52,60-66. Jezus kon, omdat Hij nog levend met Zijn jongeren aan tafel zat, hun bij het Avondmaal nog niet Zijn lichaam en bloed tot spijs en drank geven. Het was alzo het laatste Jood se Pascha, dat Hij met hen vierde (Matth.26:18), maar hierbij stelde Hij het Heilig Avondmaal in, voortaan na Zijn dood te houden, als het Nieuw Testamentische Pascha (1 Kor.5:7), tot een voortdu rende verzekering, dat onze zonden door Zijn offer vergeven zijn en wij in Hem het eeuwige leven heb ben. Joh.6:50-58.
86. Tot een waardig genieten van het Heilig Avond maal hebben wij van onze zijde alleen nodig de oprechte belijdenis van onze zonden voor God, het oprecht geloof, dat Jezus door Zijn lijden en sterven voor ons voldaan heeft, het ernstige verlangen en voornemen tot heilige wandel en het stellig geloof, dat wij, met het verheerlijkt lichaam en bloed van Jezus in het gezegende brood en de gezegeride wijn, ook de verzekering ontvangen van de vergif fenis van onze zonden.
Matth.26:28; 1 Kor.11:28,29.
Aantekening: -
Wij ontvangen niet, zoals de Roomse Mis het leert, door het gebruiken van het Heilig Avondmaal de vergiffenis van onze zonden, maar de verzekering, dat zij vergeven zijn. Daarom brengen wij ook niet, zoals in de Roomse Mis, in het Heilig Avondmaal een offerande voor de zonden, dewijl Christus, éénmaal geofferd zijnde, door de offerande van zichzelf voor eeuwig de zonden van de gelovigen heeft te niet gedaan, Hebr.9:26-28; 10:14, waardoor alle offeren, ook van onszelf voor immer moest op houden. Dan.9:27; Hebr.1O:17,18.
VRIJSPRAAK VAN ZONDEN
87. Jezus Christus heeft tot onze vertroosting, op de belijdenis van onze zonden, ook de vrijspraak daarvan door Zijn ambtsdienaren ingesteld. Matth.16:19; 18:18; Joh.20:23; 1 Joh.1:7-9; 2:12.
HET GEBED
88. Tot onze dagelijkse vertroosting en versterking in het geloof is ons ook het gebed geschonken, d.i. het persoonlijksprekentotGod, Ps.19:15; Luk.18:1. In het gebed moet men:
le. Schuldbelijdenis doen voor God. Ps.32:5.
2e. Hem aanbidden en Hem verheerlijken. Matth.4:10; Joh.4:24.
3e. Mag men van Hem geoorloofde dingen vragen, d.i. daarom bidden. Matth.7:7-11; Rom.12:12; Fil.4:6; 1 Thess.5:17. (Vooral vergiffenis van zonden).
4e. God danken of loven voor het ontvangene. Deut.8:10; Ps.69:31; 103:1,2; Fil.4:6; Kol.2:7; 4:2; 1 Thess.5:18; 1 Tim.4:4.
89. Ons gebed moet volgens Jezus’ voorschrift al leen tot God, de Vader, gericht zijn in de naam van Jezus. Openb.19:10; Joh.16:23,24. Het gebed des Heren is het volmaaktste gebed, Matth.6:9-13.
90. Wij moeten bidden om alles wat wij voor dit en voor het eeuwige leven nodig hebben, Luk.11 :5-13; Fil.4:6, en dat niet alleen voor ons zelf, maar ook voor onze naaste. Matth.5:44; Luk.23:34; 1 Tim.2:1.
91. Ons gebed moet oprecht zijn, Matth.6:5-8; oot moedig, Gen.18:27; gelovig, Jak.1:6,7; aanhou dend, Luk.18:1-8; 1 Thess.5:17; en met onderwerping aan Gods wil, Matth.26:39,42; 2 Kor.12:8,9.
92. Zodanig gebed naar de wil van de Heer heeft
grote beloften. Matth .21:22; Mark.11 :24;
Luk.11:9,1O; Joh.15:7,16; 16:24; 1 Joh.5:14,15.
VOLHARDING IN HET GELOOF
93. Wie tot aan het einde van zijn leven in het geloof met Christus verenigd blijft, zal zalig worden. Matth.1O:22;24:13;Joh.15:4-6;Gal.2:20; Fil.3:7-12; 1:21; 1 Tim.4:8;
1 Joh.2:24,25,28; Openb.2:lOc.
94. In dat geloof in Christus moeten wij de zware strijd tegen de zonde, de ongerechtigheid en tegen de wereld met haar lusten volbrengen tot aan het einde. Matth.16:24; Luk.13:23,24; Rom .6:12,13; 12:1,2; Gal.5:24,25; 1 Tim.6:6-12; 2 Tim.2:5; 1 Joh.2:12-17; 5:4,11,13.
DE STRIJDENDE KERK
95. Al de gelovigen, die in deze strijd ooit geleefd hebben, nog leven of nog zullen leven, vormen te zamen de strijdende kerk op aarde. Joh.16:33; Ef.2:1-1O; 6:10-18.
DE WEDERKOMST DER HEREN
Te weten: ÉÉRSTE OPSTANDING
96. Voor de kerk van Christus zijn echter heerlijker tijden aanstaande. De strijdende kerk zal worden de triomferende kerk, wanneer bij de wederkomst van de Heer, tot oprichting van het Rijk der Heerlijk heid, de aarde vol zal worden van de kennis des He ren. Matth.26:29; Mark.14:25; Luk.22:18; Joh.14:3,18; 1 Kor.11:26; Openb.21:1-5; Jes.11:9.
DE GROTE VERDRUKKING
97. Voor die wederkomst van de Heer zal de laatste en grootste verdrukking, de vervolging door het antie-christendom, over de gelovigen komen. Matth.24:21,22; Mark.13:19,20; Dan.12:1.
DE VERZEGELING
98. De Heer zal vooraf in de Verzegeling (zie st.80) het middel aanbieden aan Zijn uitverkorenen om gered te worden uit die grote verdrukking. Openb.3:10; 7:2-4; 14:1-5. Zij, die dit aanbod van de Heer aannemen, zullen v5ôr die vervolging levend ten hemel opgenomen en verheerlijkt worden. Luk.18:7,8; 21:36; Openb.11:12.
Diegenen van de verzegelden, die reeds gestor ven zijn en die uit het eerste tijdvak der Kerk (zie st.78) zullen opgewekt en verheerlijkt worden, Dan.12:2; 1 Kor.15:20-24; om beiden te zamen met Christus Priesters en Koningen te zijn in het 1000-jarig Rijk der Heerlijkheid. Openb.20:4-6. De ze is de eerste Opstanding.
DE TWEEDE OPSTANDING
99. Er zullen toch twee opstandingen zijn. De eerste is de zoëven genoemde van de uitverkore nen, nog vôôr het Rijk der Heerlijkheid, Openb.20:4,6; 1 Kor.15:22,23; en na het einde daarvan, 1000 jaren later, volgt, de tweede, de opstanding van alle overige doden in de algemene oordeelsdag. 1 Kor.15:24; Openb.20:5a,11-13.
HET LAATSTE OORDEEL
100. In die dag van de Heer ontvangt ieder, die ooit geleefd heeft, van de Heer naar de mate van zijn geloof en zijn werken, door hem tijdens zijn leven op aarde betoond. Matth.25:14-46; Joh.5:22-29; Hand.10:42; 17:30,31; Openb.20:12.13; 22:12.
De leer van de laatste dingen (de Eschatologie), hier in de laatste 5 artikelen alleen in ‘t kortvermeld, vindt men uitvoeriger uitgelegd in Het Boek Voor Onze Tijd: De Openbaring van Johannes, Lees baar voor de gemeente.