GELOOF EN SEKTE Door KURT HUTTEN

APOSTOLISCHEOBSERVER.NL
VOOR NIEUWS EN HISTORISCHE ACHTERGRONDEN.

Index

Navigatie pagina

Disclaimer

Contact

Boeken

Anoniem reageren.

Archief

Zoeken binnen de site.
 

 

 

Met de BIJBEL in de linkerhand...en de

 

Nieuw Apostolische Kerk Catechismus

 

 in de  rechterhand verkrijgt men de

 

Nieuw Apostolische 'BIJBEL'

_____________________________________________________________________________________________________

Wij  citeren een gedeelte uit:

 

Kurt Hutten

GELOOF EN SEKTE

Het sektarisme als anti-reformatorisch geloofsverschijnsel Zijn doelstelling en zijn tragiek

Vertaald door Ds J. J. Poort

 



~

T. WEVER - FRANEKER

Oorspronkelijke titel: "Die Glaubenswelt des Sektierers" Das Sektenturn als antireformatorische Konfession Sein Anspruch und seine Tragedie

Copyright 1957 by Furche-Verlag, Hamburg

________________________________________________________________________________________

OPGEDRAGEN AAN DE

THEOLOGISCHE FAKULTEIT VAN DE UNIVERSITEIT TE TÜBINGEN ALS DANK VOOR HET MIJ VERLEENDE ERE-DOCTORAAT IN DE THEOLOGIE

 

 

 

Woord vooraf

Dit boek is de vrucht van een jarenlange en intensieve bestudering van de sekten. Wat me ertoe dreef, me met deze bonte wereld van christelijke gemeenschappen buiten de kerk bezig te houden, was niet alleen en zeker niet in de eerste plaats een apologetische interesse. Veeleer begon het met een zekere nieuwsgierigheid: ik wilde weten en ervaren, wat men nu eigenlijk in deze gemeenschappen gelooft en in welke vorm zij dit geloof beleven en belijden. De vaak avontuurlijke wegen van de geest, die ik da ar ontdekte, trokken me aan. In de loop van de tijd leerde ik daarbij steeds meer mensen uit deze gemeenschappen - eenvoudige leden, maar ook leidinggevende figuren - ook persoonlijk kennen, zodat de wereld van de sekten een levende werkelijkheid voor me werd. De indrukken, die ik uit deze menselijke ontmoetingen opdeed, waren verschillend nd van aard. Er was natuurlijk ook veel, dat me tegenstond - geldingsdrang, heerszucht en verwrongen, agressief fanatisme. Maar daarnaast vond ik een overgave aan de geloofde waarheid, die me verraste en dikwijls beschaamde. Ik trof er mensen aan, die zieh volkomen gegeven hadden aan hun heilsleer en daaruit voor hun leven alle consequenties getrokken hadden, met name wat hun bereidheid tot getuigen en offeren betrof. Hun volledige inzet en hun afwijzing van elk compromis maakten diepe indruk op me. Ik zocht naar de bron, waaruit de kracht voor deze levenshouding stroomde, Hoe meer ik de geloofswereld van de sekten leerde kennen, des te meer werd ze me ook tot een vraag. Ze dwong me mijn eigen over tuigingen steeds weer opnieuw op de proef te stellen. lk werd gedwongen antwoord te geven. Wat zich in me afspeelde, was bepaald niet een proces van eenzijdig verweer. Er kwamen vele verzuimen, leemten en zwakke punten van de kerk voor de dag. Maar wat in de waarheidsvraag - en dat is in de ruimte van het Protestantisme altijd de vraag naar het hart van de Schrift - ook aan de dag kwam, is: de enorm diepe tegenstelling tussen de kerk en de sekten,

Deze tegenstelling kwam ik bij diverse sekte gemeenschappen in allerlei gedaanten tegen. lk heb in eerste instantie in mijn boek:

"Seher, Grübler, Enthousiasten" (Quellverlag, Stuttgart 1954) een kritische beschrijving van de afzonderlijke sekten gegeven. Maar de pluralistische kijk op de sekten, zoals die tot nu toe gebruikelijk was, bevredigde me evenmin als de gangbare definities van "sekte" in tegenstelling tot de kerk. Het kwam me voor, dat deze diverse sekten teveel aan enkele op zichzelf wel belangrijke symptomen ophangen, maar hen toch niet raken in hun kern. Hoe langer hoe minder liet me de vraag met rust, of  heeI deze verscheidenheid van sektarische geloofsleer en de daarin tot uiting komende protesten te gen de reformatie niet terug te brengen zijn tot een gemeenschappelijk grondthema; of het dus niet mogelijk zou zijn deze wereId der sekten, hoe disparaat ook in haar verschijningsvormen, in wezen als een eenheid te zien.

Voor de te zake kundige is het duidelijk, dat dit een sleutelvraag is. immers, als hierop een positief antwoord te vinden is, is men in staat het geheIe gebied van de sekten van binnen uit te verstaan. Het wordt dan mogelijk om duidelijk en ondubbelzinnig vast te stellen, waarin het wezen van de sekten be staat. Men kan haar bouwwetten en drijfveren nagaan en nauwkeuriger de grenzen bepalen tussen kerk en sekte, Maar ook t.a.v. het gesprek tussen deze beide heeft de beantwoording van deze sleutelvraag zeer belangrijke consequenties. Dit gesprek zou dan niet meer behoeven te blijven steken in een aantal uiterlijkheden en ontaarden in eigengereide betweterij. Het zou veel meer een zoeken zijn na ar het punt, waarop de beslissing genoopt wordt.

De beantwoording van deze sleutelvraag vormt het thema van dit boek. Ik heb het opzettelijk de enkelvoudige titel "Geloof en Sekte" meegegeven, en niet b.v. "De leerstelsels van de sektariërs", om daarmee tot uitdrukking te brengen, dat het er om te doen is het godsdienstig fundament bloot te leggen, dat alle leerstelsels van de diverse sekten gemeen hebben. De bedoeling, die me bij dit gehele onderzoek voorzat, was niet om de strijdlusten aan te wakkeren, maar om zo mogelijk een verduidelijking te geven. Veel is reeds gewonnen, als al die misverstanden, troebele oordeelvellingen en bittere ressentimenten, die tussen kerk en sekte instaan, uit de weg geruimd worden en de eigenlijke tegenstellingen aan de dag kunnen komen. Want eerst daarmee is de voorwaarde geschapen voor een gesprek, dat niet meer blijft steken in vooroordelen, maar aan de eigenlijke zaak toekomt.

Stuttgart, augustus 1957                                                                                                                                                                                                                  Kurt Hutten


 

Invoegsel redactie apostolischeobserver.nl

In het boekwerk is meermalen te lezen over de HERSTELD APOSTOLISCHEN, In Duitsland was de naam echter Nieuw Apostolische gemeente, en in Nederland Hersteld Apostolische Gemeente ( in de eenheid der Apostelen) later  (1961)werd dat Nieuw Apostolische Kerk.

We willen er wel op wijzen dat er in Nederland meerdere Hersteld Apostolische Kerk richtingen bestaan. Maar ook is daar het Apostolisch genootschap.

Maar,…. Hoe dan ook, het is belangrijk dat we blijven in de ordeningen Gods, en die zijn verordineerd door de drie-enige God…De Vader de Zoon en de Heilige geest, hij die was, die is en zijn zal. De ordeningen Gods kunnen niet aangevuld worden met menselijke inzichten. Ook is de Heilige geest= geest der waarheid, de voortschrijdende inzichten des mensen niet van node! God gaf de mensheid zijn woorden gebonden in de Heilige schrift. Deze schrift kan niet worden vervangen door menselijke inzichten, ook al heeft men deze inzichten gebundeld in  een zogeheten Catechismus, deze behoort  niet tot de ordeningen GODS.

Redactie

 

Eerste Deel

HET WEZEN VAN DE SEKTE

"Sekte" is een verschijnsel, dat zo oud is als de kerk

De geschiedenis van de sekten is zo oud als de geschiedenis van de kerk en heeft nooit een pauze gekend. Ze dateert reeds van de apostolische tijd. Paulus klaagt over scheuring in de gemeente van Corinthiërs (1 Cor. 1, 10 vv.). In de Colossenzenbrief gaat het te gen de "filosofie", die zieh baseert op speculaties over de "elementen" (waarschijnlijk engelmachten) en die met Christus niets van doen heeft. De beide Timotheüsbrieven en de brief aan Titus (1 Tim. 1, 3-11; 4,1-11; 6, 3-10; 2 Tim. 2, 14-18; Tit. 1, 10-16) richten zich te gen een joods-gnostische dwaalleer; aangeraden wordt de omgang met aanhangers van zo'n dwaalleer te vermijden (Tit. 3, 10). De tweede Petrusbrief waarschuwt voor "verderfelijke sekten", die de Heer verloochenen (2, 1) en brandmerkt in felle woorden het vleselijk drijven van deze libertijnse gnostici (2, 12 vv.). De waarschuwing voor de dwaalleraars vormt ook het thema van de Judasbrief (7-11). De eerste Johannesbrief (2, 18 vv.) ziet in het optreden van de gnostische dwaalleraars een teken, dat het de laatste ure is en dat de antichrist komt; ze loochenen, dat Jezus Christus werkelijk in het vlees verschenen is, en zien in Hem een geestelijk wezen, dat zieh slechts van de doop af tot aan het lijden met [ezus heeft verbonden (2 [oh. 7 vv.).

De jonge kerk werd geteisterd door veelsoortige en deeIs wijdverbreide bewegingen, die met hun afwijkende leer de eenheid der gemeente in gevaar brachten. Van de Maronieten berichtte Tertullianus, omstreeks 200, dat ze de hele wereid vervulden. De gnosis legde voor haar verleidelijke speculaties beslag op christelijke geloofselementen, en gnostische sekten als de Basilidianen en de Valentinianen schiepen in de tweede eeuw veel verwarring. De enthousiast-apocalyptische beweging van het Monetarisme won terze1fder tijd sterke aanhang in Klein-Azië en Noord-Afrika. In protest tegen de verslapping van de kerkelijke boetepraktijk en tegen het bisschoppelijke regeerambt wilde het Novitia isme de zuivere gemeente handhaven en schiep, in het jaar 251 geëxcommuniceerd, een eigen "kathaarse" nevenkerk, die eeuwenlang is blijven bestaan. Hevige strijd ontbrandde in de vierde eeuw in Afrika om het Donatisme, waarin naast een oer christelijk rigorisme ook allerlei nationale en sociaal-revolutionaire motieven meespeelden.

Toen met Constantijn het verbond tussen kerk en staat gesioten werd, stelde de staat zijn sterke arm aan de kerk ter beschikking ter bestrijding van de tegenstanders en de kerk nam die graag aan. Constantijn werkte reeds met verbanningen van heterodoxe elementen, en voortaan werd tot grondbeginsel verheven, dat iedere uitsluiting uit de kerk door een bisschop ook maatschappelijke consequenties met zieh meebracht. Sedert Valentinianus I, en eerst recht sedert Theodosius I (379 - 95) werden de wetten tegen de ketters al maar strenger. Theodosius verbood iedere andere godsverering dan de Nieeense en zijn maatregelen richtten zich evenzeer tegen het heidendom als tegen Christenen met een afwijkend geloof. De geringste afwijking van de orthodoxe leer werd als misdrijf tegen de staat met alle mogelijke rechtsbeperkingen gestraft.

Voortaan was het gevaarlijk een sektariër te zijn. De verdere geschiedenis van de sekten stond dan ook tot diep in de moderne tijd en deels tot op heden toe in het teken van vervolging en lijden. Dat de kerk zich tegenover groepen met afwijkende overtuigingen niet tot zuiver pastorale .middelen beperkte, maar het ingrijpen van het staatsgeweld duldde, ja zelfs eiste, is een donkere schaduw in haar beeld. In de twintigste eeuw tegen de sekten te doen met een nieuwe vijand in de gestalte van de totalitaire dictaturen. In het Derde Rijk werden bijna alle sektarische gemeenschappen verboden en deels bloedig vervolgd. In de communistisch geregeerde landen vergaat het hun weinig beter. Een enkele sekte, zoals die van Jehova's Getuigen, heeft wegens haar negatieve instelling tegenover staat en krijgsdienst ook in de westelijke democratieën zo nu en dan te lijden van onderdrukking.

Hoe streng de leertucht in de kerk van de middeleeuwen ook was en hoever haar machtsmiddelen ook reikten, ze kon toch niet verhinderen, dat allerwege sektarische bewegingen opkwamen, die in protest te gen het verval van kerk en paus dom het ideaal van de armoede aanprezen (Katharen, Amoldisten, Lombarden, Walden zen, Humillaten), vervuld waren van apocalyptische verwachtingen (Joachimieten, Spiritualen, Fraticelliers, Apostolischen), als voorboden van de reformatie aan de grondpeilers van de kerkelijke leer en hiörarchie schudden (Wicleff, Huss) of een revolution air chiliasme predikten (Taborieten, opstand van de paukenist van Niklashausen Hans Böhm in 1476).

Ook de Orthodoxie had sektarische afsplitsingen te melden. In innerlijk en uiterlijk verband met de Katharen stonden de Bogomielen van de twaalfde eeuw in Bulgarije. De tegenstand tegen cultische hervormingen en westelijke vernieuwingen riep in de zeventiende eeuw de Russische Oud-Gelovigen, de Raskolnikers, te voorschijn. De Starovjerzy's veroordeelden de geringste verandering in cultus of zede als prijsgave van de heiligste goederen en zagen in Peter de Grote de antichrist en in alles, wat uit het buitenland kwam, zonde en onheil, Een deel van hen, de Bezpopovzy's, dat wil zeggen "priesterlozen", zag na het verlies van de gewijde clerus af van iedere vorm van eredienst, voltrok de doop zelf, Iiet het avondmaal uiteenvaIIen, ontdeed het huwelijk van zijn sacramenteel karakter en verving het sacrament van de biecht door een openlijke boetedoening voor de gemeente. Gnostische elementen werkten in de sekten van de Duchoborzy's (geestelijken) en Molokany's (melketers), die in het midden van de achttiende respectievelijk negenti ende eeuw opkwamen. Mystiek-ascetische motieven leidden in de zeventiende eeuw tot het ontstaan van de Chlysty's (geselaars) met hun extatische dans bij de cultus, hun volledige geslachtelijke onthouding en hun geloof aan voortgezette goddelijke openbaring en steeds nieuwe vleeswordingen van Christus. De Skopzy's of gesnedenen (sedert de tweede helft van de achttiende eeuw) dreven de ascetische eisen van de Chlysty's op tot zelfontmanning, amputatie van de borsten van de vrouwen en zelfverbranding en wilden het getal van de 144.000 "maagden" van Openb. 14 : 1 en 4 volmaken, opdat het duizendjarig rijk zou kunnen aanvangen. De judicerende Subbotnikers, die sedert het midden van de achttiende eeuw sterker naar voren traden, gingen over tot sabbatsviering en stelden de wet van Mozes boven die van Christus.

Een vruchtbare voedingsbodem voor het ontstaan van sektarische bewegingen bleek het Protestantisme te zijn. De reformatie had zich in moeizame strijd te verweren te gen de dweepzieke en doperse bewegingen, die de "papieren Paus" van de Bijbel en een kerk, die zieh zo nauw met de overheid verbond, afwezen, kritiek hadden op de rechtvaardigingsleer en de beklemtoning van de uiterlijke sacramenten, zieh door het inwendige woord lieten leiden en bij tijd en wijle in het teken van diepe apocalyptische verontrusting een

. militant karakter aannamen (Thomas Münzer, de Dwepers van Münster). Het Piëtisme had menigerlei sektarische verschijning ten gevolge waarin een antikerkelijk separatisme zich verenigde met de chiliastische motieven van geestdrijvers (de Philadelphische Sociëteiten, de "ware inspiratiegemeenten" van Gruber en Rock uit 1716, de Ronsdorfer sekte uit 1716, de Buttlarse schare uit 1702, de Bordelumse schare uit 1739). Tijden van historische rampen brachten met de geestelijke en religieuze schok, die ze veroorzaakten, ook altijd een opleving van de sekten met zich mee. Zo bleken de decennia van de Franse Revolutie en Napoleon bijzonder vruchtbaar te zijn voor het sektarisme. De omwentelingen van die tijd vormden de geestelijke ondergrond, waaruit b.v. de Katholiek-Apostolische gemeenten, de Adventisten en de Tempeliers opkwamen. De toenemende welstand en ook de veruiterlijking van de Amerikaanse kerken, die samenhing met de economische vooruitgang na de burgeroorlog, riep talloze sektarische protestbewegingen te voorschijn: Perfectionistische, apocalyptische en Pinkstergemeenschappen ontstonden in die jaren voor en na de eeuwwisseling in groten getale. Vele van hen, geladen door een enorme activiteit, grepen ver boven het moederland uit en vonden internationale verbreiding. De beide wereldoorlogen en de series revoluties en dictaturen, waarvan de wereld in de twintigste eeuw te lijden had, gaven samen met toekomstvertwijfeling en levensangst, aan het sektarisme nieuw voedsel. De psychische, sociale en religieuze verwoestingen ten gevolge van de oorlogen, het lamleggen van kerkelijke arbeid door de totalitaire regeringen, de opeenhoping en dooreenmengen van ontwortelde of verjaagde mensenmassa's, waar de kerkelijke gemeenten niet meer tegen op kunnen, de met de mechanisering en industrialisering gepaard gaande omwentelingen, de nationalistische beroeringen in de wereld van de kleurlingen - dit alles en nog veel meer droeg er toe bij, dat de sekten zowel wat aantal en verscheidenheid van gemeenschappen betreft als in omvang en uitbreiding, momente el een stand hebben bereikt als nooit tevoren. Er zijn grote sekten, die in zielenaantal menige kerk overtreffen, meer geld bijeenbrengen dan deze, een veel omvangrijker zendingswerk verzorgen dan de kerken, zich ook in de publieke mening een vooraanstaande plaats heb ben verworven en een goed eind op weg zijn, tenminste naar buiten, zich te ontdoen van het karakter van conventikel en gelijkwaardige Kerken" te worden.

Vorenstaand overzicht geeft slechts een aanduiding van de bonte verscheidenheid van de geschiedenis van de sekten. Het wilde aantonen, dat er in alle perioden van de kerk sektarische afsplitsingen geweest zijn en dat geen enkele confessie daarvan vrij bleef. Het wijst vervolgens aan, dat de sekte in al haar schakeringen wezenlijk als protestbeweging verstaan moet worden. In dit protest zijn niet alleen maar bijbels-christelijke motieven werkzaam. Dikwijls wordt het ook gevoed door nationale en sociaal-revolutionaire motieven, door bepaaldheden van ras, door traditionalistische rassensentimenten of door buitenchristelijke religieuze invloeden. Tenslotte maakt dit overzicht duidelijk, dat het begrip "sekte" bepaald niet uniform omgrensd is, maar een zeer gevarieerde verscheidenheid in zich bergt, al naar gelang van de tijd en de confessie, waarin ze ontstaat. Hier doemt een probleem op, dat om opheldering vraagt en waarmee ons verdere onderzoek moet beginnen.

Wat is een "sekte"? - Definitiemoeilijkheden

De christelijke gemeenschappen worden onderscheiden in de typen "kerk" en "sekte". Maar reeds hier beginnen de moeilijkheden. Als men de sekte als contrastbegrip wil verstaan en dus afgrenzen wil van de kerk, moet men eerst een duidelijke definitie hebben van wat een .Kerk" is. Maar zo'n definitie ontbreekt. De Christenheid valt uiteen in drie grote confessies, die in hun structuren streng van elkaar zijn gescheiden en zieh daarenboven deels weer in talrijke, onderling verschillende kerken opdelen. Is er een eenheid, die ze allemaal in gelijke mate overkoepelt en door allen in gelijke mate erkend wordt als een band, die hen verenigt? Ligt deze eenheid in Christus? In de heilige Schrift? In een gemeenschappelijke opvatting van zonde, verzoening, genade, van de sacramenten? Nee, de scheur loopt door al deze fundamentele gebieden heen. Een bepa alde eenheid in de kerk bestaat niet.

Het is daarom niet te verwonderen, dat de vraag naar het wezen van de sekte en naar wat haar onderscheidt van de kerk in de loop van de geschiedenis op de meest verschillende manieren is beantwoord.

Voor zover deze antwoorden in hun tijd als juist hebben gegolden, zullen we hebben na te gaan, in hoeverre ze ook vandaag nog deze geldigheid hebben.

Men heeft de sekte als de kleine gemeenschap gesteld tegenover de grote kerk. Daaruit leidde men dan graag een negatieve beoordeling af: de sekte is een lastige storende factor in het publieke leven, een schare van rustverstoorders en zonderlingen, een terzijde staand conventikel. Men trok uit het aantal harer volgelingen conclusies betreffende de kwaliteit van de zaak, die ze voorstond. Men deprecieerde de sekte, omdat ze niet paste bij de "common sense", niet de goedkeuring had van de geestelijke autoriteiten van die tijd en bij de massa van het volk niet in aanzien stond. - Maar dat is een onbruikbaar antwoord. Want principieel zegt het aantal aanhangers niets aangaande de waarheid. Die is soeverein en hangt niet af van veel of weinig instemming.

Men heeft het kenmerk van de sekte gezien in het feit, dat ze een door de staat niet erkende en wettelijk niet bevoorrechte gemeenschap is (b.v. bij de vrede van Westfalen). Maar ook deze definitie is onbruikbaar. Want dan zou de staat hebben te bepalen, wat "kerk" en wat "sekte" is. Daartoe echter voelt zeker de moderne wereldse staat zich niet competent.

Men heeft de "sekte" wel gedefinieerd als een zuiver vrijwillige gemeenschap in tegenstelling tot de volkskerk, Zij zou zich dan van de kerk, waarin men nu eenmaal als leden van het volk geboren wordt, onderscheiden, doordat ze slechts die mensen omvat, die een eigen religieuze beslissing genomen hebben en derhalve vastbesloten zijn om de "ware gemeente van Christus" te vormen en daartoe ook in de gelegenheid zijn. De kerk is volgens Troeltsch het vaste, objectieve; haar leer en haar ordeningen bestaan reeds v66rdat haar leden ertoe behoren. "De enkeling, in zoverre hij Christen is, geldt als door haar voortgebracht, de kerk is de moeder der gelovigen. Men noemt de sekte daarentegen niet moeder. Bij haar is het veeleer zo, dat de gemeenschap telkens opnieuw door haar leden wordt voortgebracht." 1) Het onderscheid tussen kerk en sekte concretiseert zich bijgevolg het duidelijkst in de dooporde: bij de kerk kinderdoop, bij de sekte volwassendoop. Maar ook deze tegenstelling voldoet niet. Want ze houdt geen rekening met de leerinhoud. En afgezien van het feit, dat de volkskerk bezig is te gaan verdwijnen, zouden in dit geval ook de vrije kerken - Methodisten, Baptisten enz. - als vrijwillige gemeenschappen tot de sekten moeten worden gerekend.

Men heeft de geloofsbelijdenis tot kenmerkend onderscheid gemaakt: sekten zouden al die gemeenschappen zijn, die het apostolische niet belijden, Maar ook daarmee komt men er niet. Want het apostolische draagt zijn betiteling als "oecumenisch symbool" in zoverre ten onrechte, dat het slechts in de Westerse Christenheld (Rooms-Katholicisme en de kerken der reformatie) als belijdenis erkend werd, maar daarentegen bij de kerken van de Orthodoxie geen ingang vond. Bovendien zijn er gemeenschappen, b.v. de Hersteld-Apostolischen, die het apostolicum in hun belijdenis hebben opgenomen, maar desondanks duidelijk onder de sekten moeten worden gerekend.

Men heeft de sekte wel vanuit sociale achtergronden willen verklaren als een godsdienstig en dogmatisch vastgelegd protest van armere gemeentegroepen tegen de verwereldlijking van een rijke en verburgerlijkte kerk. Deze motivering treft men inderdaad dikwijls aan, vooral in de Amerikaanse geschiedschrijving van de sekten. Maar hieronder kunnen bij lange na niet alle sekten vallen. Er zijn godsdienstige afsplitsingen, waaraan burgerlijke en ontwikkelde kringen leidinggevend hebben deelgenomen (b.v. Christi an Science en Christengemeenschap) en bij wie geen enkel sociaal affect valt aan te wijzen.

Men heeft het verschijnsel van de sekten 'trachten te verklaren met psychologische middelen: hier zou het psychisch afwijkende, ziekelijke, zieh breed maken. Inderdaad, de sekten zijn heel vaak het toneel van geöxalteerde en zonderlinge gedragingen, een invalspoort voor magische en spiritistische krachten en veelsoortig bijgeloof. De hoofdredacteur van het Katholieke tijdschrift "Arzt und Christ", Dr Gottfried Roth uit Wenen, deelde op het internationale Katholieke congres van zielzorgers voor zieken, in Freiburg in 1956, mede, dat het aantal psychopaten onder hen, die tot een sekte behoorden, veel groter was dan bij de doorsnee van de bevolking. Dr. med. Walter Schulte, docent te Bethel, karakteriseerde het leven van de sekten door te zeggen, dat het uitmuntte door "onwaardige ideeën", d.w.z. door gedachten, die ingevolge een sterke gevoelsnadruk de voorrang krijgen boven alle andere en de persoonlijkheid na verloop van tijd steeds uitsluitender gaan beheersen. "Deze onwaardige ideeen worden gedragen door persoonlijkheden, die weliswaar zeker niet in eigenlijke zin ziele zijn, maar onder omstandigheden wat hun karakter betreft toch wat abnormaal aandoen. Het zijn soms min of meer zonderlinge naturen. Onder de leiders vindt men naar verhouding veel fanatieke naturen, die zieh bij voorkeur doen gelden, en on der de volgelingen van zichzelf onzekere, suggestibele naturen." 2) De privaatdocent voor psychiatrie in Bern, Dr Hans Heimann, stelde bij drie geestelijke vaders van bijzondere godsdienstige gemeenschappen: Emanuel Swedenborg, Jacob Lorber en Anton Unternährer (geboren in 1759, stichter van de Zwitserse sekte van de Antonianen), een schizophrene psychose vast, "die vooral door hallucinaties gekarakteriseerd wordt, een zgn. paranoide hallucinose". 3) Maar zijn diagnose schijnt me niet in ieder opzicht zeker. Laten de visioenen en inwendige stemmen van Lorber en Swedenborg met de rijke en vaak diepe inhoud van hun bekendmakingen, zieh werkelijk als hallucinaties zonder meer verklaren? Heimann zelf ziet er terecht van af, uit zijn verklaring gevolgtrekkingen betreffende het waarheidsgehalte te maken. En Ernst Benz rangschikt een man als Swedenborg bij de groep van de visionairen en noemt hem zelfs een "echte christelijke profeet" . In ieder geval zou het onjuist zijn en grove laster, als men eenvoudigweg alle stichters en aanhangers van een sekte onderbracht bij de categorie van psychisch defecte of met het occultisme besmette lieden.

Men heeft de tegenstelling tussen kerk en sekte wel hierin gezien, dat de sekte bekrompen en fanatiek zou zijn en met de pretentie, dat het heil alleen in haar midden te vinden is, zich botweg afzondert van alle andere christelijke gemeenschappen, terwijl de kerk juist een oecumenische houding aanneemt. Ook hier toont zich inderdaad een kenmerkende karaktertrek, die we later weer zullen ontmoeten. Maar ook deze komt voort uit diepere wortels ze is dus niet primair, maar secundair. En bovendien, is de geschiedenis van de kerken vrij van fanatieke bekrompenheid? Eu vindt men die exclusieve pretentie van het heil niet ook bij de Katholieke kerk? "Als men on der sekte een religieuze gemeenschap verstaat, die in haar programma het principe heeft staan, zich van de overige Christenheid af te grenzen, dan is er geen enkel deel van de kerk, waarop deze definitie beter zou passen dan Rome." 4)

Men heeft getracht het onderscheid tussen kerk en sekte theologisch aldus te formuleren: Terwijl de kerk de nadruk legt op het "alleen" - Christus alleen, de Schrift alleen, het geloof alleen -, zou voor de sekte het "en" kenmerkend zijn. Zij zou naast Christus nog een andere, menselijke autoriteit zetten, zou dus aan haar geloofsleven behalve de Schrift nog andere wijsheden, openbaringen of inzichten ten grondslag leggen als normerende waarheden en zou aan het geloof nog zedelijke of cultische werken willen toevoegen van heilsbeslissende waarde. Of men zegt, dat de sekte naast de algemeen-Christelijke geloofswaarheid nog een aparte leer ontwikkeld heeft, deze over beklemtoond en daardoor de breuk veroorzaakt heeft. Deze theologische verklaringen van het wezen der sekte raken ongetwijfeld een wezenlijk feit, maar zijn toch niet afdoende. Want onder de bovenstaande tegenstelling van "alleen" en "en" kan men slechts die kerken en sekten vangen, die binnen de ruimte van de reformatie zijn ontstaan; ze is echter niet te gebruiken voor de Katholieke en Orthodoxe kerken en de sekten, die daaruit voortkwamen. Bovendien geeft ze slechts enkele, weliswaar zeer belangrijke symptomen aan, maar stoot toch niet tot de wortel door. Dat zelfde geldt voor de verwijzing naar de aparte sektarische leerstellingen. Zeker, de Hersteld-Apostolischen hebben een eigen leer ingevoerd betreffende de weder instelling van het apostelambt en de Adventisten betreffende de sabbat, en ze onderscheiden zich daardoor van de kerk. Maar is dat nu het hele onderscheid? Moet men niet vragen: Hoe komen ze er eigenlijk toe, deze aparte leer te ontwikkelen? Hier moeten toch nog wel diepere drijfveren voorhanden zijn. Misschien reiken de worteis van deze leerstellingen wel tot de bodem! Misschien veranderde door de uitwerking daarvan wel de hele structuur van die "algemeen-Christelijke waarheid"! Misschien, ja waarschijnlijk is het dus helemaal niet zo, dat men die aparte leerstellingen als een soort kankerwoekering beschouwen moet, die zich heeft vastgehecht aan het lichaam van deze algemeen-Christelijke waarheid. Als dat juist was, dan was de situatie eenvoudig. Dan zou men kunnen volstaan met aan de sekten voor te stellen deze woekeringen te amputeren of ten minste ze langzamerhand te doen slinken, terwijl anderzijds de kerk ze dan zou moeten tolereren, omdat ze immers slechts woekeringen zijn en de eigenlijke "gemeenschappelijke" kern van de Christelijke waarheid niet beroeren. Dan zou het ook mogelijk moeten zijn, door Bijbelonderzoek opheldering te verkrijgen over recht of onrecht, belang of noodzaak van die aparte leringen, om op deze wijze tot overeenstemming te geraken. Maar de ervaring leert, dat deze wegen niet begaanbaar zijn. Er moet dus iets diepers, iets elementairs in deze woekering schuilen. In feite zijn dit juist de zichtbare tekenen ervan, dat de leer van de sekte zieh in haar gehe el onderscheidt van de verkondiging van de kerk en dat er niet zo iets bestaat als een grondverdieping van een gemeenschappelijke Christelijke waarheid, die kerk en sekten ondanks alle aparte leerstellingen toch nog met elkaar verbindt, Waar ligt echter dit onderscheid?

Wat is dus een sekte? Ook het teruggrijpen op de filologie helpt ons niet verder. De afleiding van het woord van sequor = iemand volgen, iemands partij kiezen, of van sec are = afsnijden, bezorgt ons op z'n best een formele, maar geen inhoudelijke begripsbepaling. Helemaal moeilijk wordt de vraag, als men het volgende bedenkt: volgens een definitie van "sekte in de meest algemene betekenis van het woord" van Konrad Aigermissen, geldt b.v. de Oud-Katholieke kerk voor de Katholieken als sekte; want sekte is principieel .Iedere godsdienstige gemeenschap, die onder erkenning van de BijbeI als de door God geopenbaarde waarheidsbron en in het geloof aan Christus als Gods Zoon christelijk kan worden genoemd, maar in haar levenstrekken van het begrip van de ware kerk afwijkt" .5) Daarom rangschikt Rome ook de kerken van de reformatie altijd weer onder de "sekten". Anderzijds wordt de Oudkatholieke kerk in Protestantse kring zonder meer als kerk erkend, terwijl zo nu en dan de Roomse kerk wordt aangeduid als een "sekte" van reusachtig formaat. Voor jehova's Getuigen, de Kerk van het Godsrijk of de Mormonen gelden weer alle christelijke gemeenschappen en kerken als sekten met uitzondering van hun eigen geloofsgemeenschap. Het gebruik van het woord "sekte" is dus blijkbaar gebonden aan het standpunt, dat men inneemt. Dit woord is een relatie-begrip. Het gebruik ervan verstrekt geen helder beeld. Is het dus onbruikbaar?



Het antithetisch karakter van de sekte


Als we met de beide begrippen "kerk" en "sekte" toch op de een of andere manier willen werken - en we kunnen daar nu eenmaal niet onderuit -, dan moeten we ze nauwer begrenzen. Daarom willen we, om van wat een sekte heet een nauwkeuriger bepaling te vinden, eerst eens te rade gaan bij de godsdienstgeschiedenis.

1. Het sekte-wezen is een verschijnsel, dat in alle godsdiensten, tenminste in alle grote godsdiensten, terugkeert. Het betekent de afscheiding van een moedergodsdienst of van een moedergemeenschap - een afscheiding, die teruggaat op een verschil in opvatting van de waarheid of in godsdienstige praktijk. Deze afscheiding behoeft niet noodzakelijkerwijs onder een polemisch voorteken te staan. Het is he el goed mogelijk, dat de nieuwe gemeenschap zichzelf eenvoudig als een variant van de moedergodsdienst ziet, en alleen maar de pretentie heeft de daar aangehangen waarheid aan te vullen of scherper te preciseren. Dit soort onpolemische sektevorming treft men b.v. aan in de omgeving van het Hindoeïsme en Boeddhisnie. Juister is het, om hier te spreken van een "vertakking", niet van sekte.



Anders is het bij de godsdiensten die beweren uit te ga an van een exclusieve openbaring, die hun leer dogmatisch duidelijk hebben gefixeerd en zo mogelijk ook georganiseerd zijn in een straffe hierarchische gemeenschap. Hier heeft iedere afsplitsing een antithetisch karakter: vanuit het gezichtspunt van de moedergemeenschap wordt ze als afval gezien, vanuit het gezichtspunt van de afgescheiden gemeenschap als het terugkeren of het voortschrijden na ar een beter, zuiverder geloofsleven.

Met het woord "afsplitsing" is in eerste instantie nog geen oordeel uitgesproken over de wezenlijke legitimiteit of het waarheidsgehalte van de nieuwe gemeenschap. Het zegt ook nog niets over de verdere ontwikkeling van deze nieuwe gemeenschap, b.v. dat ze altijd zou zijn veroordeeld tot een leven in een uithoek. Het heeft louter betrekking op een afstammingsrelatie, die tegelijk in het teken van verwantschap en tegenspraak staat. In deze zin werd b.v. de oer-Christelijke gemeente eerst als joodse sekte aangeduid en de kerk der reformatie als Katholieke sekte.

2. De ontwikkeling van de zojuist genoemde afsplitsing is echter snel en ver uitgestegen boven datgene wat we ons plegen voor te stellen bij een "sekte". Los van de moedergemeenschap kwamen ze tot een geheel eigen bestaan en groeiden uit tot nieuwe zelfstandige gemeenschappen. Dat konden ze doen, omdat in de diepte van hun verzet tegen de moedergemeenschap een sterke positieve kern aanwezig was, een nieuwe boodschap met eigen volmacht, die nu in haar innerlijke draagkracht, haar vruchtbaarheid en haar aantrekkingskracht een eigen leven ontplooien kon. Ze verbraken de grenzen van een alleen maar antithetisch bestaan en waren nu niet meer "sekten", maar godsdienstgemeenschappen met een eigen middelpunt en een vanwege dit middelpunt verkregen eigen stempel.

3. De godsdienstgeschiedenis kent dus een ontwikkeling van afscheiding naar "kerk" of nieuwe religie. Ze kent daarnaast echter ook afscheidingen, die steeds "sekten" bleven. Hun kenmerk bestaat hierin, dat hun eigen leer, die ze tegenover die van de moedergemeenschap stelden, maar een geringe mate van vruchtbaarheid bleek te bevatten. Aan een fragmentarische leeruitspraak wordt een centrale rol toebedeeld, waar deze niet te gen opgewassen is. Ze is belangrijk genoeg om het antithetisch protest te gen de moedergemeen schap te motiveren, maar is niet toereikend om een Levenskrachtige en veelomvattende geloofswaarheid te ontwikkelen. Daardoor is de gemeenschap, die zich om haar heen verzamelt, altijd veroordeeld tot een bestaan in de schaduw van de moedergemeenschap. Ze kan zieh niet voldoende uit de ban van de antithese losmaken en de vrijheid vinden om zieh te bewegen naar een eigen middelpunt toe. Wat de al te zwakke positieve kern van haar leer aan godsdienstige levenskracht te kort komt, moet ze vervangen door een over beklemtoning van haar protest tegen de moedergemeenschap. Zodoende behoort het tot het wezen van de sekte, dat ze zieh niet met een eigen leven van dat van de moedergemeenschap kan losmaken en dat naast haar bijzondere leer het pathos van haar protest, dat gemakkelijk tot fanatisme kan aangroeien, een bron van levensbelang is voor haar kracht.

Nog op een tweede samenhang moet worden gewezen: de positieve kern van de afwijkende leer is niet toereikend om het gehele gebied van het menselijk zijn te doordringen. Tot dit gebied behoort niet alleen de vraag naar het heil, maar ook het wijde vlak van de menselijke existentie in de wereld en de veelheid van de daarmee verbonden problemen. De eigen leer van de sekte heeft een al te gering volume om deze problemen op te nemen en te beantwoorden; of ze knoopt hun beantwoording vast aan allerlei "esoterische" veronderstellingen, zodat ze het kenmerk van klaarheid en begrijpelijkheid verliest. Deze beperktheid van de geestelijk-godsdienstige horizon deelt zich ook mee aan de gemeenschap, die rondom deze leer is gevormd. De aard en de draagwijdte van deze leer werkt als een sorteerprincipe ten aanzien van de mensen, die ze vermag aan te spreken en die bij haar gaan horen. Van hieruit is het begrijpelijk, dat de sekte, omdat de horizon van haar leer nauw is of donker of fragmentarisch, dus slechts enkele groepen mensen van een bepaald geestelijk type vermag te bereiken. Ook is het te begrijpen, dat ze neiging vertoont zich af te scheiden van de "wereid" , die ze godsdienstig niet aan kan, of zich als een gezelschap esoterisch van haar afsluit, omdat ze geen toegang tot haar vindt. Om met een Bijbelwoord te spreken: ze ziet het niet als haar opdracht, een "licht der wereld" en een "zout der aarde" te zijn, maar haalt haar aanhangers uit de wereld terug, om hun in de gemeenschap van de sekte een ommuurd toevluchtsoord te bieden van mensen die daaruit gered zijn. Dit na ar binnen gerichte leven in een hoekje van de wereld heeft ook uiterlijke gevolgen. Er bestaat een nauwe samenhang tussen de innerlijke expansiedrang van een godsdienstige boodschap en de uiterlijke expansiedrang van de gemeenschap, die de draagster is van die boodschap. Uit een fragmentarische geloofsinhoud kan slechts een fragmentarische geloofsgemeenschap ontstaan.

De confessionele bepaaldheid van de sekten

 

Bij de sekten, die ontstaan zijn binnen de ruimte van het Christendom, moet men bedenken, dat men, zoals reeds werd opgemerkt, niet kan spreken van "de Christelijke kerk" als zodanig. We hebben te maken met de drie grote confessies. leder van die confessies heeft haar eigen geestelijke structuur en haar eigen centrum. En iedere confessie heeft in de loop van de geschiedenis sekten voortgebracht. Deze zijn in haar antithetisch bepaald door de thetisch van hun moedergemeenschap. De sekten binnen het Christendom dragen dus evenzeer, zij het ook in afgeleide vorm, een confessioneel stempel en wel in reciproque zin, aangezien de tegenspraak, waaruit ze ontstaan zijn, in de ruimte van een bepaalde confessie thuishoort en ' daarop een antwoord wil zijn. Zodoende mag men strikt genomen niet in het algemeen spreken van "christelijke" sekten, maar slechts van Katholieke, Orthodoxe en Protestantse sektegemeenschappen. Nu zijn de drie confessies echter geen starre scheppingen. Ze waren in de 100p van hun geschiedenis onderworpen aan een gestadige ontwikkeling. Het vroeg-Katholicisme draagt andere trekken dan het middeleeuwse, en de na-reformatorische paus kerk onderscheidt zich wezenlijk van de voor-reformatorische. Nog veel disparate zijn de verschijningsvormen van het Protestantisme, dat zich steeds meer vertakte en b.v. in Duitsland ten tijde van de orthodoxie van het rationalisme en van het piëtisme, invloeden onderging van zeer uiteenlopende aard. Deze gedaanteverandering van de kerken brengt een gedaanteverandering van de bij haar behorende sekten met zieh mee. De antithetiek van de sekten is gebonden aan de verschijningsvorm van hun moederkerk op dat ogenblik. Ze is dus bepaald door omgeving en tijd van ontstaan. Uit iedere kerk komen in elk tijdvak
van haar geschiedenis sekten voort, die typisch bij dit tijdvak horen. Zodoende is er dus niet een vaststaand begrip "sekte" dat op alle confessies en tijdvakken van de geschiedenis van het Christendom van toepassing 'is. Het is veeleer een correlaat begrip, dat in zijn inhoud en afgrenzing van de kerk afhankelijk is van de gedaanteverandering van de moedergemeenschap. Van hieruit gezien is het dus zeer wel mogelijk, dat bij de steeds meer doorgaande stroom van ontwikkelingen van de kerkgeschiedenis een afsplitsing uit de 13de eeuw, die toentertijd als "sekte" gold, door een latere tijd of in het oog van een andere confessie niet meer wordt gerangschikt onder deze categorie.

Nu heeft elk der drie confessies, hoezeer ze ook in de loop der eeuwen aan verandering onderhevig waren, toch een godsdienstige kernsubstantie, die niet verandert en die bepalend is voor de structuur van haar wezen.

Zo zijn het in de grond van de zaak bij elke confessie altijd weer dezelfde "kritische punten", waaraan een tot sektevorming leidend protest ontvlamt. Dat betekent, dat de sekten van een bepaalde confessie door een verwantschap van hun "nee" met elkaar zijn verbonden en afgegrensd van de sekten van de andere confessies. Ook het antithetische "ja" van deze groepen van sekten is tot op zekere hoogte voorbestemd door het kritische "nee"; hier is dus allerminst willekeur in het spel.

Zo kan men uit het type van de moederconfessie conclusies trekken betreffende het type van de sekten, die uit haar ontsproten zijn. De Katholieke sekten van de negentiende en twintigste eeuw ontstonden uit het verzet tegen de centrale heerschappij en de pretentie van onfeilbaarheid van de Paus, uit nationale hartstochten met een anti-Roomse inslag, uit rebellie te gen een in jurisdictie vastgelopen dogmatisch systeem, waardoor men de geestelijke vrijheid of de rede of de waarheid van de Schrift bedreigd meende. Het antithetisch "ja" van deze sekten ontving zijn prikkels en zijn inhoud uit de confrontatie van het charisma, dat zijn vrije loop neemt, met het ambtsmonopolie, van het algemeen priesterschap met de hiërarchische autoriteit, uit liberale en rationalistische gedachtegangen, uit nationale motieven en - niet in de laatste plaats - uit het teruggrijpen naar de Schrift.

De Orthodoxe sekten vormden zich in de strijd om de eredienst en de liturgie als de kern van de Orthodoxe kerk. Daarbij kan men twee groepen onderscheiden. De ene groep beschouwt de cultische vormen en alle godsdienstige gebruiken van de kerk als iets, dat nu eenmaal geheiligd en onaantastbaar is, beantwoordt kerkelijke hervorming op dit gebied met protest en afscheiding, en fundeert haar pretentie, de gemeenschap met het ware geloof te zijn, door er op te wijzen, dat ze aan de afdwaling en da armee aan het verval van de moederkerk niet heeft meegedaan en dus gebleven is bij het oude geloof. De andere groep ondergaat de inkapseling van de Bijbelse boodschap en van het geloofsleven in liturgische vormen als iets benauwends en zoekt een uitweg naar de vrijheid, waarin ze b.v. ruimte verschaft aan de geestdrijverij, aan een ascetisch perfectionisme of wel aan het eenvoudige evangelische leven. Deze typeringen van de confessioneel bepaalde sekten omvatten natuurlijk niet het ganse terrein van deze afsplitsingen - de werkelijkheid is in het spel van krachten op het gebied der geestesgeschiedenis altijd bonter en rijker geschakeerd -, maar ze geven in ieder geval enkele grond- . lijnen aan, die in de verhouding tussen de moederconfessies en hun afscheidingen telkens weer naar voren komen.

We beperken ons in wat volgt tot de Protestantse sekten van vandaag. Er moet een seherp onderscheid gemaakt worden tussen sekte en vrije kerk. Beide hebben weliswaar gemeen, dat ze uit een en hetzelfde protest te gen de moederkerk ontsprongen zijn. Maar de vrije kerken houden zich bij alle kritiek aan dezelfde belijdenis en blijven daarin met de moederkerk in het geloof en in een oecumenische arbeidsgemeenschap verbonden. De sekten daarentegen hebben zich afgescheiden, omdat ze de door de kerk verkondigde waarheid niet meer als juist erkennen, maar een andere waarheid daartegenover plaatsen. Tenslotte is dus de tegenstelling in de waarheidsvraag beslissend voor de afscheiding. Daarom moet dan ook bij het onderzoek en de beoordeling van de sekten het theologisch gezichtspunt maatgevend zijn.

Het aantal Protestantse sekten is schier on overzichtelijk. Hun leerstellingen, hun vormen van gemeenschap en van eredienst vertonen een enorme rijkdom aan variaties. Hebben ze eigenlijk wel iets gemeen, dat hen in hun afwijzende houding tegenover de kerk der reformatie met elkaar verbindt en hen tegelijkertijd typerend van de sekten, die uit de Katholieke of Orthodoxe kerken ontstaan zijn, onderscheidt? Wat ze gemeen hebben kan men in ieder geval niet ontdekken, als men alleen maar hun leeruitspraken nagaat. Er bestaat geen gemeenschappelijke dogmatiek van de Protestantse sekten. Maar wanneer men zoekt naar hun herkomst en naar de bepalende krachten, dan ontdekt men zekere tendensen, die in de vormenrijkdom van heel deze wereld van Protestantse sekten werkzaam zijn. Al deze sekten zijn uit dezelfde negatie ontsproten, namelijk uit het .mee" te gen de reformatorische verkondiging. Deze negatie doet zich ook gelden op het gebied van hun positieve leerinhoud en bepaalt die in haar motieven en innerlijke betrekkingen. Er bestaat dus, van hun oorsprong uit, een verwantschap tussen de Protestantse sekten. Om een beeld te gebruiken: als een granaat explodeert, vindt men nadien de splinters terug, verstrooid over allerlei afstanden en richtingen. Maar ze wijzen allemaal terug naar dezelfde explosiehaard. Zo hebben ook de Protestantse sekten een en hetzelfde explosiecentrum. Onze taak is nu, de sekten bij deze oorsprong op te zoeken, dat wil zeggen: uit te vinden wat haar antithetisch is en het grondmotief te ontdekken, dat achter deze antithetisch steekt.

Daarmee verlaten we het terrein van de godsdienstgeschiedenis en ga an over tot een theologisch onderzoek. We vragen: Wat is het hart en de kern van de reformatorische boodschap? Waarin bestaat de sektarische antithetisch tegenover deze boodschap? Met de beantwoording van deze vraag krijgen we de draad van Ariadne in handen, met behulp waarvan we dan de weg hopen te vinden door het labyrinth der vele sekten en ze van binnenuit kunnen gaan verstaan.

 

Tweede Deel

DE GEESTELIJKE STRUCTUUR VAN DE PROTESTANTSE SEKTEN

Hoofdstuk 1

DE HAARD VAN DE AFSPLITSING

De kern van de reformatorische boodschap


Zoals bekend is, vertoonde de grote beweging, die zieh in de zestiende eeuw baanbrak onder het gemeenschappelijk begrip "reformatie", geen eenheid. Er is nooit zoiets geweest als een reformatorische eenheidstheologie. Reeds in de aanvang kwam het dikwijls tot bittere leergeschillen - b.v. in de avondmaals vraag, het finitum capax of non capax infiniti, de verhouding van wet en evangelie _ en deze tegenstellingen in de leer kregen al spoedig vaste vorm in eigen belijdeniskerken binnen de beweging van de reformatie.

Maar het was niet toevallig, dat er in het verdere verloop telkens ook over en weer unies tot stand kwamen, dat er zich op deze of gene boven confessionele basis allianties vorm den en dat de reformatorische confessies zieh aaneensloten in de oecumene. Ze bleven zich dus, bij alle scheiding, diep bewust van wat ze gemeen hadden. Waarin bestaat dat nu? Bestaat het soms in de gemeenschappelijke en exclusieve bin ding aan het Schriftgezag? Zeker ook daarin. Maar men kan de Schrift op heel wat verschillende manieren uitleggen, zoals het voorbeeld van jehova's Getuigen bewijst. Belangrijker is iets anders: de eenheid van de kerken der reformatie bestaat hierin, dat ze als eensgezind getuigenis der Schrift een gemeenschappelijk antwoord op de vraag naar het heil gevonden hebben. In de strijd tegen de Roomse kerk en met beroep op de Schrift hebben ze bij hun antwoord op de vraag: "Hoe krijg ik een genadige God?" iedere medewerking van de mens door goede werken en iedere heilsbemiddeling van de kerk door haar priesterheerschappij, haar sacramentele of jurisdictionele volmachten, afgewezen. Geen mens, geen kerk kan heil bewerken of zich bemiddelend inschakelen in het proces van de verwerkelijking van het heil.

Bestaat er eigenlijk wel een mogelijkheid om het heil te verkrijgen? Ja, maar zonder de mens en tegen de mens in. Heil is slechts te vinden als een mogelijkheid Gods: sola gratia. Met dit woord is de kern van de reformatorische boodschap aangeduid. Het heil is zuiver en alleen Gods daad. Het begrip "Gratia" spreekt zeer radicaal uit, dat het heil niet van enige menselijke of kerkelijke medewerking afhangt, maar dat het geschonken wordt, afgezien van alle condities, die de mens kan opbrengen of de kerk kan leveren; dat het niet door welke prestaties ook verdiend of ook maar op gang gebracht kan worden. Er is in deze zaak geen sprake van welke coöperatie ook tussen mens en God, maar God is de alleen werkende en schenkende "zonder enige verdienste of waardigheid mijnerzijds". Daarin wil Hij bewijzen en bewijst Hij zijn majesteit, die zich ontfermt waar zij zieh wil ontfermen, en die in haar ontferming alles schept en schenkt, zonder op de medewerking van de menselijke creatuur te zijn aangewezen.

Het is een sola gratia, dus totaal exclusief in de meest strikte zin van het woord. Ook datgene wat onder de inwerking van zijn genade in de mens geschiedt: het geloof, zijn bekering en heiliging, zijn werken en zijn wandel in het teken van boete en van liefde - is geen prestatie of verdienste, maar genade ! En omdat het genade, dus onverdiend geschenk is, kan het ook nooit een aanleiding vormeil tot vrome trots of ook maar tot een zeker recht tegenover God of tot een farizeïsche aanmatiging tegenover andere mensen, maar noopt het altijd tot deemoed en aanbiddende dank.

Tenslotte is de boodschap van het "door genade alleen", in Christus en zijn verlossingsdood verkondigd en bevestigd, de burcht tegen alle gewetensaanvechting. Want ze maakt het heil niet meer afhankelijk van de menselijke krachtsinspanning met haar onzekerheden en terugval. Ze stelt het geloof op een vaste grond, die niet meer zijn eigen grond is, maar de grond van de goddelijke heilsbelofte. Hier wordt de mens, los van alle ups en downs van zijn innerlijk leven, zekerheid gegeven; hier staat het "ja" van God. Het blijft staan, ook tegenover het eigen "nee" en tegenover de vertwijfelingen van het geweten. Het komt vanuit een andere dimensie en wordt daarom niet door menselijke aanvechtingen aan het wankelen gebracht.

Maar de genade is aan de greep van de mensen onttrokken. Dat is enerzijds het fundament van de heilszekerheid. Maar het is anderzijds ook een ergernis. Want da armee is uitgesproken, dat de mens op het punt, waar het voor hem om leven en dood gaat, als actief deelnemer uitgeschakeld is, Hij kan zijn heil niet zelf bewerken. Hij kan het niet eens bevorderen. Hij is teruggewezen naar de passiviteit, hij is niet meer eigenmachtig heer en soeverein subject, maar aan God uitgeleverd als object.

Natuurlijk, de Schrift, en de hervormers met haar, verwarren het werk van Gods genade niet met een automatisch aflopend apparaat. Ze spreken er van, dat de mens het heil, dat hem door God bereid is, moet aannemen, dat hij moet gaan "geloven". Ze kennen een verantwoordelijke beslissing van de mens voor en tegen het heil, en spreken van schuldige afwijzing van de nodiging Gods. En verder: het geloof moet zich omzetten in vruchten. Het sluit een menigte ethische eisen in zich, met aan de spits de liefde. Geloof zonder werken is dood, want geloof verplicht.

De mens heeft dus tegenover het aanbod van het heil de vrijheid om te kiezen en kan beslissen om te gehoorzamen of niet. Maar dat is slechts de ene kant. Aan de andere kant wordt het menselijke "ja" tegenover het heil, dat God aanbiedt, het geloof dus, direct weer herleid tot een gebeuren, dat de mens niet uit eigen kracht tot stand brengt, maar dat de Heilige Geest in hem heeft voltrokken. En de vervulling van het gebod der liefde is niet allereerst een ethische prestatie van de mens, maar een vrucht, die groeit uit het ontvangen van de liefde Gods. Gods indicatief gaat dus aan de imperatief aan de mens vooraf. En wat de mens tot aal onmogelijk is, dat is zelf in te grijpen in het proces van de genade. Hij moet het laten bij de constatering, dat hij hier zijn lot niet meer zelf in handen heeft.
 

Het sektarische oerprotest

Deze eis gaat lijnrecht tegen een grondtendens van de mens in.

Hij wil zijn eigen heer en meester zijn, wil over zijn lot zelf beschikken en zelf zijn geluk smeden. Hij doet dat in alle kleine en grote dingen van zijn leven. Hij bepaalt, wat hij wil eten, hoe hij zich wil kleden, en hoe hij zijn dagen wil doorbrengen. Hij kiest zich zijn beroep, beslist over de keuze van zijn levensgezel, zoekt zijn eigen gezelschap en zijn eigen geestelijke atmosfeer. In het feit dat hij dit alles kan doen, bevestigt hij zijn heer en meester zijn en zijn vrijheid. En alleen datgene, wat hij aan zichzelf te danken heeft, heeft hij in eigen hand. Hiervoor is hem een garantie gegeven. Voor al het andere, dat van andere mensen of machten afhangt, ontbreekt deze garantie. Dat moet hij vervangen door een erudiet. Elk crediet van dien aard is verbonden met een risico. Dit risico is te dragen, als het alleen .maar om een kleine inzet gaat. Maar als er meer op het speI staat, pleegt men het erudiet te dekken door een tegenverzekering.

Zo gaat het in het leven van alle dag en in het zakenleven. Maar hoe gaat dit bij de heilsbelofte Gods, dus ten aanzien van de vraag, waarmee het hele bestaan staat of valt? Hier moet de mens helemaal op "erudiet", d.w.z. uit het geloof, leven. Maar dit crediet kan hij niet meer bij enig aards heilsinstituut tegenverzekering. Geen enkel ander mens, geen dominee, geen kerk kan hem een garantie bieden. Hij wordt tot voor een afgrond geleid en men stelt hem de eis:

"Spring in de diepte! Ge kunt rustig springen, ge zult niet te pletter slaan, maar midden in de kloof wordt u een hand toegestoken, die u opvangt!" Kan hij op deze belofte de sprong wagen - zonder touw en zonder voorafgaande' verkenning? Neemt hij daarmee niet een vreselijk risico? Zeker, die hem de sprong gebiedt en van de toegestoken hand spreekt, is niet zo maar iemand, maar Christus zelf. Maar het kost niettemin een overwinning, voor men springt; want men bezit niets dan het blinde, vertrouwende geloof.

Velen huiveren voor deze sprong. Ze zien om naar een andere mogelijkheid om het geld te verkrijgen, zonder dit risico te moeten nemen. Is het angst? Is het gebrek aan geloof? Is het eenvoudig die grondtrek van de menselijke natuur, die het eigen lot zelf in handen zou willen houden en het niet wil uitleveren aan vreemde machten? Dit zal wel de doorslaggevende reden zijn. Deze grondtrek heeft nl. de machtigste en meest verscheiden schepping op het wijde gebied van de godsdienstgeschiedenis voortgebracht. Hij werkt in de wettische religies van joden en Mohammedanen evengoed als in de werkreligies van de Hindoeïstische Karma Marga of in de zelfverlossingsleer, die in de "heilspaden" van de Vedanta en van het Boeddhisme wordt verkondigd. Hij werkt in de drang naar bovenzinnelijke kennis en naar opklaring van het gevaarlijke donker aan de overzijde van de menselijke grenslijn, die te allen tijde wijzen en zieners, extatici en esoteriers, tovenaars en geestenkenners bezielde. Hij probeert op allerlei manieren een inzicht te krijgen in de heerschappij van de bovenaardse machten en de goddelijke macht ten gunste van de mens te beïnvloeden - door offers, verering, gehoorzaamheid en allerlei andere prestaties.

Deze oer drang naar heilsverzekerdheid en naar een heils weg, die de menselijke initiatieven niet negeert, maar aan deze tenminste het recht van meespreken inruimt, is ook in het Protestantse sektewezen werkzaam. Van hieruit gezien blijkt het de vrucht te zijn van een elementaire zielsbehoefte en mag het derhalve niet gebrandmerkt worden als religieuze ontaarding, maar is het een consequent antwoord op een menselijk grondmotief.

Het punt dus, waarop de sektarische antithetisch inzet, is de centrale boodschap van de reformatie: de rechtvaardiging sola gratia, sola fide, steunend op het getuigenis van de Schrift, sola scriptura. Om nog eens het beeld van de granaat te gebruiken: hier Ligt de explosiehaard. De splinters joegen na ar alle kanten. Maar ze liggen op diverse afstanden van de plaats van de explosie. Er zijn in de sektarische ontwikkeling verschillende trappen en graden. Er zijn gemeenschappen, wier geestelijk profiel nog te weinig vaststaat, zodat ze, zich bevindend in een tussenzöne tussen kerk en sekte, eerst nog een beslissing moeten nemen over de verder te volgen weg, of die na aanvankelijke afscheiding zieh alweer terug ontwikkeld hebben in de richting van de kerk, Men zou deze groepen beter "afzonderlijke godsdienstige gemeenschappen" dan "sekten" kunnen noemen. Daartoe behoren b.v. delen van de Pinksterbeweging en van de Perfectionisten, de Philadelphia-beweging rondom Chris- tian Röckle, de "Ecclesia" rondom Hermann Zaiss, de Rijksbroederschap van Jezus Christus rondom Abram Poljak, de kringen rondom Jacob Lorber en Swedenborg, en de Kathollek-Apostolische gemeenten. Er zijn echter anderzijds ook gemeenschappen, die zieh innerlijk en uiterlijk ver van de kerk hebben verwijderd en alle kenmerken dragen van een sektarisch denken, zoals jehova's Getuigen of de Hersteld-Apostolischen. En daar tussen in is dan een breed middenveld met een bonte mengeling en accentuering van verbindende en antithetische elementen. Het sektewezen is dus een uiterst gedifferentieerd verschijnsel. Het moet altijd vergrovend werken, als men er collectief over spreekt! 6)

Dit voorbehoud zij hier uitdrukkelijk vermeld. Daarom zullen we ook niet de sektegemeenschappen als zodanig, maar uitsluitend de motieven en symptomen van sektarisch denken, die daarin werkzaam zijn, tot voorwerp van onderzoek maken. En als er samenstellende groepsaanduidingen gebruikt worden (b.v. "de aanhangers van de Pinksterbeweging" of "de Perfectionisten"}, dan hebben deze slechts betrekking op die gemeenschappen, die zich enigszins duidelijk in de richting van het sekt Arische hebben ontwikkeld.

Maar ook tussen kerk en sektegemeenschappen is de grens niet star. Er werd reeds op gewezen, dat beide voortdurend in beweging zijn. Het zijn geen vers te ende producten, maar levende organismen. Er zijn gemeenschappen, die op hele trajecten van hun geschiedenis de typische trekken van het sektarische te zien gaven, maar zich later terug ontwikkelden, En er zijn aan de kerkelijke zijde kringen of richtingen, die gevaarlijk overhellen naar het sektarische en nog slechts door een dunne band met de kerk zijn verbonden. De grens tussen kerk en sekte loopt dus bepaald niet langs de uiterlijk zichtbare scheidingslijn, maar gaat in vaak wonderlijke bochten dwars door beide gebieden heen. Dat de kerk steeds door sektarische gevaren van binnen uit wordt bedreigd, toont haar geschiedenis duidelijk aan. Dat achter deze gevaren motieven schuilen, die hun zetel hebben in religieuze oer beslissingen, zal duidelijk worden uit het verdere verloop van ons onderzoek. In ieder geval: de verhouding kerk - sekte is al te ingewikkeld, dan dat men deze kan afdoen door de denominaties eenvoudigweg een stempel op te drukken en te sorteren. Wezenlijk is het zo, dat geen enkele kerk voor de sektarische heils weg immuun is en dat deze een steeds weer nieuwe verzoeking voor haar vormt,

Deze bedenkingen zijn van belang, omdat ze de kerk bewaren voor een eigengereide en zelfbewuste houding tegenover de sekten en haar in haar eigen midden oproepen tot waakzaamheid. Ze moet onophoudelijk de verzoeking van de sektarische heils weg afweren en haar boodschap in de confrontatie met deze dreigende mogelijkheid duidelijk afgrenzen en verkondigen. Alleen dan, als ze de "sekten" in zich zelf heeft overwonnen, heeft ze ook de kracht de sekten daarbuiten tegemoet te treden met de haar toevertrouwde waarheid.



Hoofdstuk 2

DE GREEP NAAR DE GENADE

Het verleggen van de plaats van beslissing naar de mens toe




De sekten hebben hetzelfde thema als de kerk. Ook bij hen gaat het om de vraag na ar het heil in Christus. Ook zij spreken van. genade. Vele sekten doen dit zelfs veel indringender dan de kerk. Maar wie scherper luistert, ontdekt, dat ze het "sola gratia" van allerlei merkwaardige toevoegsels voorzien. Ze laten de genade niet meer gelden als het vrije geschenk van God aan de onwaardige, zondige mens, maar binden die aan de meest uiteenlopende voorwaarden en veronderstellingen.

Zo zeggen b.v. de Perfectionisten: eerst moet ge tot uw bekering besloten hebben, als een duidelijk gefixeerde belevenis van omkeer, en de "totale overgave aan de Heer" hebben voltrokken; eerst dan wordt ge in genade aangenomen en verkrijgt ge de "volledige overwinning over de zonde".

De aanhangers van de Pinksterbeweging zeggen: op de wedergeboorte moet de geestesdoop volgen en deze moet zich uiten in tongentaal. Eerst als de Heilige geest woning in u gemaakt heeft, hebt ge de genade ontvangen en kunt ge "erkend worden als een werkelijk lid van de gemeente van het Nieuwe Verbond " .

De Hersteld-Apostolischen zeggen: het geloof aan het Bijbelwoord en aan Christus' vroegere heilsdaden helpt niet. Eerst als ge door het Hersteld-Apostolische "ambt der genade" de vergeving der zonden en door het Hersteld-Apostolische "ambt des geestes" de Heilige Geest hebt ontvangen, bent ge Gods kind en huisgenoot.

De Adventisten zeggen: ge moet de drievoudige engelboodschap

van Openb., 12,6-12 aannemen en in plaats van de zondag de sabbat heiligen, eerst dan bent ge in het godsvolk van de eindtijd opgenomen en wordt ge bij de parousie met Hem meegenomen naar het bruiloftsmaal des Lams.

jehova's Getuigen zeggen: ge moet u aansluiten bij de leer en de gemeenschap van Het Gezelschap van de Nieuwe Wereld, u uit de politieke, godsdienstige niet commerciële satansorganisaties Losmaken en ijverig "velddienst" doen, eerst dan hebt ge de garantie, dat ge aan het bloedbad van Armageddon ontkomt.

De Kerk van het Godsrijk zegt: ge moet de "wereldwet" met haar grondgebod van het altruïsme navolgen, u scharen bij het "leger van de Almachtige" of wel als lid van de "kleine kudde" uw leven dagelijks offeren, eerst dan zult ge burger worden in het aardse of in het hemelse deel van het komende Rijk Gods.

Christi an Röckle (Philadelphia- beweging) zegt: ge moet "de twaalf kenmerken als toetssteen van volledige overgave" vervullen, eerst dan hoort ge bij de Christenen van de "Allerheiligste" en wordt ge lid van de bruidsgemeente, die gered wordt van de komende nood.

De Christengemeenschap zegt: ge moet door meditatie en de zeven sacramenten, in het bijzonder door de handeling van de menswijding, de kosmische genezingskracht van Christus door u heen laten stromen en u daardoor laten "kerstenen", eerst dan verandert ge in een ho gere vorm van zijn.

De Christi an Sciëntisme zeggen: ge moet door een totale innerlijke ommekeer zover komen, dat God voor u de enige realiteit wordt en al het andere: materie, zonde, ziekte en dood als louter inbeelding wegvalt.

De aanhangers van Swedenborg en Lorber zeggen: ge moet u ernstig moeite geven een leven te leiden in de zin van de liefde tot God en de naaste, want dan zal God uw liefde met zijn liefde beantwoorden en u tot steeds ho gere volkomenheid doen geraken,

De Mormonen zeggen: ge moet de vier "wetten van het evangelie": geloof, boete, doop en handoplegging vervullen, dan zult ge gaandeweg voortschrijden tot in de hemelse heerlijkheid.

Dat zijn antwoorden van zeer verschillende aard. Ze laten zieh echter op een gemeenschappelijke noemer brengen: ze verleggen

allemaal de plaats, waar de beslissing over het heil valt, van God naar de mens toe - na ar zijn godsdienstige strevingen en ervaringen. En daarmee wordt aan de mens de mogelijkheid geschonken, door zijn gedragingen - of ze nu van zedelijke, godsdienstige of cultische aard zijn -, invloed te krijgen op het genadig hand elen Gods of dit zelfs beslissend om te buigen. Het heil wordt binnen het bereik van zijn greep gebracht. Hij is niet alleen meer object van God. Hij kan zichzelf normbepalend inschakelen.

Hier nu doet zich een typerend onderscheid voor tussen de reformatorische verkondiging en de leer van welke sekte ook. Het is de accentverschuiving van de goddelijke dimensie naar die van de mens: van Gods handelen naar dat van de mens; van Gods beloften naar de prestaties, inzettingen en vermogens van de mens. Voor de reformatie is deze verschuiving onmogelijk. Dat verbiedt haar de kennis van 's mensen zonde. De mens is van God gescheiden door de schuld. Hij kan deze schuld niet uit eigen kracht terzijde schuiven. Dat kan alleen God doen. Daarom blijft de mens geheel op Gods vergevende liefde aangewezen. Die kan hij niet afdwingen. Hij kan ze ook niet voor zich winnen door vrome inspanning of listige trucs. Maar hem is de belofte van Gods liefde aangezegd. Die kiemt niet als vermoeden in zijn hart. Ze wordt hem van buiten en van boven af toegesproken. Hij heeft de oorkonde van deze genade in de Schrift. Dus is hij in de eerste plaats een ho order. En de ho order wordt gelovige. Beide: horen en geloven, is in eerste instantie een ontvangende houding - er heeft een overweldiging van de mens door Gods Woord plaats.

De vroomheid van de sekten van alle schakeringen wijst deze weg van de hand. Want het is de weg van God naar de mens. Zij zoekt echter een weg, die de mens zelf kan inslaan, banen en afleggen. De reformatorische gelovige "handelt" niet, maar hem overkomt iets. De sektarische gelovige echter wil actief deel hebben aan zijn heil. Voor de reformatorische gelovige is dat onmogelijk, omdat de dimensie in haar ganse breedte en diepte een dimensie van de zonde is. De sektarische gelovige verdient deze stelling. Hij opponeert tegenover de reformatorische leer, dat er ook op het menselijk vlak een mogelijkheid van heilsverwerkelijking of tenminste van heils beïnvloeding is.
ledere sekte heeft weer haar eigen leer aangaande deze mogelijkheid, maar dat alle sekten aan een dergelijke mogelijkheid geloven, verbindt ze met elkaar in een gemeenschappelijke positie tegenover de reformatie. Men kan de heilsmogelijkheden, welke de sekten binnen de menselijke dimensie zien, in enige groepen samenvatten, waarbij het dikwijls gebeurt, dat een en dezelfde sektarische gemeenschap meerdere van deze mogelijkheden tegelijk in haar leer combineert.

De verwisseling van roepstem en antwoord


Naar de reformatorische leer is het alleen God, die de mens het heil toezegt en schenkt. Deze toezegging wil door de mens gehoord en geloofd worden. Gods heilsbelofte is de roepstem, en het geloofsleven van de mens in he el zijn ontvouwing is het antwoord dat door deze roepstem gewekt wordt in de mens. Dat antwoord is niet iets eigens. Het zou zonder de roepstem zelfs niet kunnen ontstaan. Het geloof en het handelen van hem, dien Gods roepstem treft, is weliswaar ook wel met een "ge zult" verbonden. Maar uiteindelijk zijn deze "werken" geen eigen prestatie van de mens, maar werking van de Heilige Geest en genadegave. Ze geven daarom ook volstrekt geen recht op beloning, en de vrome kan op geen enkel moment "tariefpartner" Gods worden. Daarom is heel dat terrein van de vrome ervaringen, belevenissen en handelingen beslist niet de plaats, waar de mens de beslissing over zijn heil teweeg kan brengen. Deze beslissing valt elders en op het menselijk vlak wordt alleen maar zichtbaar of God zich van de mens meester gemaakt heeft. De mens wordt ook in zijn "werken" niet ontslagen uit de afhankelijkheid van de genade.

De sektarische weg van de heilsverwerkelijking nu zet in bij de samenhang tussen Gods roepstem en het menselijk antwoord. In de sekte wordt dit antwoord uitgerust met een eigen waardigheid, terwijl het meer of minder sterk van de roepstem wordt losgemaakt en een bepaalde zelfstandigheid ontvangt. Daarmee wordt aan de mens de mogelijkheid gegeven tot een eigen initiatief. De verhouding van roepstem en antwoord wordt omgekeerd: de vrome is het, die met zijn "werken': een roepstem doet horen, en deze roepstem
beantwoordt God nu met de toe-eigening van het heil. De mens beslist er dus in de door hem bezette en beheerste voorruimte over, of in de ruimte Gods de belofte van genade gerealiseerd wordt,

Terwijl het reformatorisch geloof zich vastklampt aan het objectieve, aan de heilsfeiten. die God, hoog boven de dimensie van de mens met zijn ups en downs uit, als onwankelbare getuigenissen van zijn genadig handelen opgericht heeft, voorziet het sektarisch geloof de subjectieve sieer - de sfeer van de godsdienstige ervaringen, belevenissen en prestaties - van een eigen accent. De "werken" krijgen een constitutieve betekenis voor het heil. Ze krijgen zodoende een andere plaats en een andere kwaliteit dan in de reformatorische verkondiging.

Het gevolg is enerzijds, dat het persoonlijke geloofsleven veelszins een intensiteit bereikt, die respect en zelfs bewondering afdwingt. Anderzijds worden de zwaartepunten in het getuigenis van de Schrift verlegd. De sacramenten gelden niet meer als handelingen, waarin God de gevende en de mens de rechteloos ontvangende partij is, maar de mens schuift naar voren in de positie van een medespeler. Daarom wordt vooral de kinderdoop fel afgewezen, en het ligt in de aard der zaak, dat juist bij dit vraagstuk de tegenstelling tussen de kerk en de sekten van deze groepering duidelijk aan de dag treedt. Want in de praktijk van de kinderdoop wordt het objectieve karakter van het sacrament - en op de achtergrond daarvan het sola gratia, het heil als uitsluitend en alleen Gods daad - ondubbelzinnig betuigd. Als de mens zichzelf echter als medespeler in het heilsproces inschakelt, moet hij de kinderdoop vervangen door een "geloof doop", waartoe alleen volwassenen, die in staat zijn beslissingen te nemen, kunnen komen en waarvan de geldigheid afhankelijk is van de godsdienstig-zedelijke kwaliteit, die ze in hun bekering bereikten. En evenzo krijgt de deelname aan het avondmaal mede het karakter van een prestatie. Slechts "bekeerde" gelovigen worden toegelaten en het is niet toevallig, dat in talrijke gemeenschappen - bij de Adventisten, de "Gemeente Gods" (Anderson), de "Pinkstergemeente Gods" (Cleveland), de Pinkstergemeenschap "Apostolisch geloof" e.a. - met het avondmaal de voetwassing als symbool van voortgaande heiliging verbonden is. De wet krijgt voorrang op het evangelie. De "heiliging" als prestatie van de gelovigen wordt als tweede en ho gere trap gesteld naast de "rechtvaardiging" als de daad Gods, en de beslissing over de geldigheid van de rechtvaardiging valt eerst op de trap van de "heiliging". De genade wordt niet geloochend, maar ze wordt van het menselijk gedrag afhankelijk gemaakt. De mens krijgt ze in zijn greep: Hij kan zich er moeite voor geven.

Het kan beginnen met de vraag, onder welke voorwaarden hij waardig bevonden wordt de genade te ontvangen. Hij doet het dus voorkomen, alsof God aan de mens zekere voorwaarden stelt en het heil vooraf van bepaalde prestaties afhankelijk maakt. Als men deze voorwaarden kent, kan men bij zichzelf nagaan of men in de staat der genade is. Men is zodoende op de hoogte van zijn eigen situatie en uit deze onzekerheid verlost. In deze zin wil Röckle zijn "twaalf kenmerken als toetssteen van volledige overgave" verstaan zien.

Daar voegt zich een tweede stap bij: Als eenmaal erkend is, dat er een causaal verband bestaat tussen de "werken" van de mens en Gods heilsbesluit, wordt de Bijbelse indicatief overstemd en verslonden door de imperatief. Bekering en geestdoop gelden wel als daden Gods. Maar deze daden zijn nu geen soevereine handelingen van God meer, waarin Hij sola gratia met de mens bezig is, maar ze worden door een voorafgaande inspanning van de mens teweeg gebracht. Ze zijn dus niet meer roepstem van God wege, maar antwoord op een bepaald gedrag van de gelovige. Deze moet zich uitstrekken naar zijn "wedergeboorte", wil ze hem ten deel vallen, en het is zijn eigen schuld, als hij die niet beleeft. En hij kan de geestdoop naar zich toe halen door zekere nauwkeurig vastgelegde voorwaarden te vervullen. Als zulke voorwaarden worden b.v. genoemd: aanbidding; blijmoedig geloof; gespannen verwachting; lof - en dankzegging; onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; eendracht; volharding.")

Tegelijk heeft de mens het in zijn hand het hem beloofde heil door de mate van zijn godsdienstig-zedelijke prestaties zeker te stellen en te doen toenemen. Hij heeft invloed op de omvang van de goddelijke genade. Niet iedere Christen ontvangt hetzelfde loon. In tegenspraak met Matth. 20, 1 vv. wordt er gesproken van verschillende graden van heil. Daarom wordt de Christelijke gemeente dan ook in verschillende groepen ingedeeld. De Perfectionistische gemeenschappen maken onderscheid tussen "gewone" Christenen, die slechts gerechtvaardigden zijn en anderen, die tot volledige bekering zijn gekomen en de "overwinning over de zonde" hebben behaald. Sekten, die tot de Pinksterbeweging behoren, voegen aan deze twee groepen nog een derde .toe, nl. degenen, die boven de bekering uit ook nog de geestesdoop hebben ontvangen. De Pentecostal Holiness Church in de U.S.A. heeft ook in haar statistiek deze driedeling opgenomen en haar leden onderscheiden in de categorieën van de "geredden" , de "geheiligden" en degenen, "die de geestesdoop ontvangen hebben" . Een dergelijke classificering van de Christelijke gemeente, zoals Christi an Röckle die gemaakt heeft met zijn "driedeling van de tempel", ga at gepaard met heilsoordelen. De "gewone" Christenen moeten nog geoordeeld en gezift worden, want het zijn nog maar beginnelingen, mensen, die nog niet tot een beslissing kwamen of die halverwege bleven steken. Maar de "bekeerden" en zeker zij, die de geestesdoop ontvingen, behoren duidelijk en ondubbelzinnig tot de "ware gemeente".

Met deze classificering wordt dus op Gods besluit over 's mensen heil vooruitgelopen. Men veronderstelt, dat Gods oordeel deze dassificering zal dekken. Het ligt in dezelfde Iijn, dat men nu ook onheilsoordelen ga at uitspreken, Men stelt de heilsgrens vast en zegt degenen, die aan de andere kant van die grens staan, aan, dat hun de verdoemenis te wachten staat. Een verder gevolg is het sektarisch afzonderen van de "bekeerden", respectievelijk van degenen "die de geestesdoop ontvangen hebben" , van de kerk. Want deze omvat ook halve Christenen en onverschilligen. Men moet de gemeenschap met haar opzeggen, want anders zou het een gemeenschap zijn met de zondaars en een verontreiniging van de "ware gemeente" .

Kan in de kringen van het Perfectionisme en van de Pinksterbeweging de gelovige dus op het gebied van de godsdienstige ervaring (de bekering, respectievelijk geestesdoop) invloed doen gelden op het verkrijgen van het heil, andere gemeenschappen vertegenwoordigen een synergisme van ethisch karakter. De goede wil, de vrome dougdbetrachting wekt Gods welgevallen en geeft Hem aanleiding tot een genadige gezindheid. Hier staat dus Gods genade niet als de macht, die alles bewerkt, aan het begin, maar treedt eerst Iater op als vrucht en op grond van menselijke inspanning. Het heil wordt van een vrij, alles met zieh meebrengend geschenk Gods tot een prijs, die de mens voor zijn vroom streven deelachtig wordt. De gratia praeveniens wordt tot een gratia subveniens en postveniens.

Hoe meer nadruk gelegd wordt op de waarde en de kracht van de menselijke prestatie, des te meer komt de boodschap van de genade in het gedrang. In de grond van de zaak wordt dit proces veroorzaakt door een opvatting, die het bijbels getuigenis van 's mensen radicale verdorvenheid en verlorenheid niet meer ernstig neemt. De wereld van de zonde wordt beroofd van haar dieptedimensie en beperkt tot afzonderlijke daadzonden. God eist van de mens, dat hij deze daadzonden vermijdt, en de mens heeft de vrijheid en de wilskracht om deze eis te vervullen. Telkens weer worden hier bepaalde standaardgeboden genoemd: afzien van opschik en mode, alcohol en tabak, dans, bioscoop en allerlei "wereldse" genoegens en verleidingen. Het godsdienstig leven vernauwt zich tot een moralisme als de weg, waarop de vrome zich de gerechtigheid voor God verwerven kan.

In zijn laatste uitlopers mondt dit synergisme uit in de leer van de volkomen zelfverlossing van de mens. De boodschap van het sola gratia heeft zich vervluchtigd tot de voorstelling van een God, die de moeite, welke de mens zieh getroost, met welwillende, mogelijk ook actieve opmerkzaamheid gadeslaat en hem de verdiende beloning doet toekomen, maar overigens de initiatieven helemaal aan hem overlaat. Dit radicale synergisme vinden we b.v. bij de Christian-Scientisten of in de Mazdaznanbeweging 9) of bij jehova's Getuigen en de daar weer uit voortgekomen gemeenschappen.


De realisering van de goddelijke heilskrachten


Men erkent weliswaar, dat de menselijke dimensie in het teken van schuld en afval staat, maar leert nu, dat er midden in deze woestijn een oase ligt! In deze oase woont God of realiseert Hij Zich en laat er een bron van eeuwige heilskrachten stromen. In deze leer, dat men het goddelijke hier en nu in volheid beleven kan, is een diep-menselijke drang werkzaam: men wil zo graag Gods tegenwoordigheid en werkzaamheid zichtbaar, grijpbaar en concreet ervaren. Men wil niet slechts verwezen worden naar het gepredikte woord, dat alleen maar getuigenis van de zaak, maar nooit de zaak zelf kan zijn. Men zou de verre God dichtbij willen haIen en deel willen hebben aan zijn tegenwoordigheid in cultische handelingen, wonderlijke krachtsuitingen, genezingen en nieuwe openbaringen.

De realisering, respectievelijk concretisering, van het goddelijke kan op een drievoudige wijze plaats vinden: langs spiritistische, cultische of "enthousiaste" weg. De spiritistische weg vinden we in de talrijke godsdienstige gemeenschappen op magisch-spiritistische grondslag, die in de laatste honderd jaar overal in de wereld zijn opgekomen, zo b.v. in de U.S.A. de "National Spiritualist Association", de "Progressieve Spiritual Church", de "General Assembly of Spiritualists", in Engeland de "Christian Spiritual League", in Duitsland de "Evangelisch- Johannisehe Kirche nach der Offenbarung St. Johannis", ge sticht door joseph Weissenberg. Hier hangt men de overtuiging aan, dat bovenaardse autoriteiten door bemiddeling van een medium in trance tot de gelovigen spreken en hun leiding, troost, raad en genezende kracht schenken.

De cultische realisering van de heils krachten knoopt aan bij de Bijbelse sacramenten en maakt die door diverse middelen dienstig aan haar eigen doeleinden: ze worden in aantal vermeerderd en tegelijkertijd ondergaan ze een zo wezenlijke verandering, dat ze van heilige tekenen, waardoor God: met de mensen handelt, tot dragers van de goddelijke heilssubstantie worden. Hun voltrekking wordt gebonden aan een priesterlijk ambt, dat krachtens hogere wijding de volmacht bezit om de sacramentele genezingssubstantie te verwerkelijken en door te geven aan de gelovigen. We vinden deze cultische weg bij de Hersteld-Apostolischen, de Mormonen en de Christengemeenschap; ze hebben de genade sacramenteel gematerialiseerd en gekanaliseerd.

De weg van het .enthousiasme" tenslotte wordt in de Pinksterbeweging ingeslagen. In haar midden werd een heel systeem van geestelijke exercitiën ontwikkeld, aan het einde waarvan de geestdoop met tongentaal staat.

Voor de theologische motivering van deze wegen grijpt men gaarne terug naar het derde artikel uit de geloofsbelijdenis. Het is niet toevallig, dat de leer van de Heilige Geest voor een groot deel van
de sekten het dogmatisch lievelingskind is geworden. De Heilige Geest vormt binnen de triniteit de figuur, die de brug slaat van de eeuwigheid Gods na ar het hier en nu van de wereld der mensen. In Hem betreedt God het heden, om Zich hier te manifesteren en te realiseren. De Heilige Geest is de "trooster", dien Christus beloofd heeft. Hij is de nabije God, die de gemeente der gelovigen Leidt, het toekomende verkondigt en de wereld oordeelt (Joh. 16, 5-15).

De sektarische leer van de Heilige Geest heeft deze nabijheid onderstreept. Maar ze vergeet te gemakkelijk, dat ook de Heilige Geest de heiligheid Gods eigen is, dat Hij dus de souvereine Heer is, Zij heeft de Heilige Geest beroofd van zijn majesteit en Hem veranderd in een getemde en gedweeë macht, die zich begeeft in 's mensen hand. Dit aan banden leggen van de Heilige Geest wordt b.v. duidelijk aan de wijze, waarop men in bijeenkomsten van de Pinkstergemeenten met Hem omgaat. Als volkomen vanzelfsprekend wordt verondersteld, dat, als de evangelist X zondagmiddag in zaal Y zijn bijeenkomst houdt, ook de Heilige Geest prompt verschijnt en Zich in voorspellingen, tongentaal en bekeringen bekend maakt. Hij is de trouwe begeleider van de evangelist geworden, die hem nooit in de steek laat en aan zijn roepstem gehoorzaamt. Hij wordt door de evangelist "georganiseerd" of zelfs "erbij gesleurd". Ook bij de Hersteld-Apostolischen wordt Hij "beheerd". Als een apostel een gelovige bij de verzegeling de hand oplegt, is de Heilige Geest ter plaatse en laat zich "schenken". Hij heeft zieh dus begeven in de macht van de apostel, die over Hem beschikken kan; Hij is object van diens ambt geworden. En als jezus in Joh. 3, 8 over de soevereine vrijheid van de Heilige Geest spreekt, verbeteren de Hersteld-Apostolischen dat in deze zin, dat de Heilige Geest om zo te zeggen vrijwillig van het gebruik van zijn vrijheid afstand heeft gedaan, ten gunste van het apostelambt: "Als de Apostelen de Heilige Geest schenken, volvoeren ze de wil van de Heilige Geest en daarmee die van hun zender, aan wie alleen de macht in de hemel en op aarde overgedragen is. Hier wil de Heilige Geest waaien en Hij openbaart Zich dan ook daaraan overeenkomstig" .10)

In al deze opvattingen wordt de barrière, die tussen God en mens instaat, weggesehoven en matigt de mens zieh aan, macht te hebben over de Heilige Geest. Het is in de grond der zaak een proces van ontgoddelijking van de Heilige Geest, dat uiteindelijk hierop uitIoopt, dat de Heilige Geest herleid wordt tot een goddelijk fluïdum, een heilssubstantie, die men kan opvangen, verdelen en inlijven.
 


Het oprichten van een theophore autoriteit


1. Men roept nu een gevolmachtigd ambt in het leven, dat als tusseninstantie tussen God en mens in staat en van God de opdracht heeft ontvangen in zijn naam de genade te beheren en de gelovigen met zekerheid naar het heilsdoel te geleiden. Deze hebben nu niet meer met een verre God en een onzichtbare Christus te maken, maar kunnen zieh begeven onder de leiding, de bescherming en de garanties-verstrekkende macht van een in vlees en bloed voor hen staande ambtsdrager. Hier vindt men zekerheid en rust en is men aan ieder risico ontkomen.

Het behoort tot de innerlijke logica van heel deze constructie, dat de tendens bestaat, de theophore kracht van het ambt en van de ambtsdrager al maar hoger op te voeren. Want hoe hoger deze worden verheven, en met hoe groter volmachten zij worden uitgerust, des te zekerder kan de gelovige zich voelen onder hun bescherming. Voegt zich bij deze tendens dan nog van onder op een zucht tot heer sen van deze of gene ambtsdrager, dan kent de ontwikkeling van het ambt naar boven, naar al maar hogere krachten en autoriteiten, geen grenzen meer. De geschiedenis van de ontwikkeling van het Hersteld-Apostolisch ambt van stam-apostel toont deze tendens tot het al maar ophogen van de autoriteit overduidelijk aan. Oorspronkelijk slechts primus inter pares wierp de drager van dit ambt zich tenslotte op tot de absolute heerser over de apo stelen, en dat zowel godsdienstig als constitutioneel. Hij kan hen aanstellen en afzetten, hun hun volmacht verlenen en ontnemen. Slechts als ze zich tot gehoorzaamheid aan hem verbinden, kunnen ze werken. Ze zijn niet meer op zichzelf staande dragers van de Heilige Geest, maar zijn op zijn bemiddeling aangewezen. Hij is niet meer slechts de plaatsvervanger van Christus, maar heeft praktisch diens plaats in genomen en Hem in het geloofsleven van zijn aanhangers door zijn ambtsmacht en werkzaamheid verdrongen. Hij kan zeggen:

"Wie zich van mij afscheidt, scheidt zich van Jezus af". 11) Zonder hem is er dus geen heil. Hem alleen heeft Christus "volmacht gegeven om over zijn verdiensten te beschikken en rechtsgeldig voor God te binden en te ontbinden". 12) Hij is "de door God uitgestoken hand der liefde". 13) Hij betrekt uitspraken van Christus betreffende diens autoriteit op zichzelf: hij is het hoofd, en de apostelen zijn de leden; hij is de wijnstok, en de apostelen zijn de ranken; hij is de ene bron, die van de troon Gods uitgaat.") Daarom: "Wie zich aan mijn woord houdt, zal ik uitredden" .15)

2. Er bestaat een nog hogere trap van theatrale autoriteit. Er zijn sekten, die ervan overtuigd zijn, niet slechts een hoog boven het menselijk vlak uitstekend ambt te hebben, maar in hun midden een persoon te bezitten, in wie de godheid zichzelf gemarkeerd heeft. Tussen beide trappen in: de door God gevolmachtigde ambtsdrager en de vleeswording Gods in een persoon, bestaan vloeiende overgangen. De Hersteld-Apostolische stam-apostel Bischoff is in de ogen van zijn gelovigen reeds meer dan alleen iemand, die krachtens zijn ambt volmacht bezit; in hem is nl. de "trooster" vlees geworden. Nog duidelijker is de overgang voltrokken, als de apostel Lambertus Slok, leider van het Apostolisch Genootschap, een groep in Nederland die zich van de Hersteld-Apostolischen heeft afgescheiden, zich de "Christus-God van heden" laat noemen, voor wie men aanbiddend neerknielt.

Helemaal volledig is die hogere trap bereikt bij figuren, die met de pretentie optreden, dat ze vlees geworden goden zijn - of het nu incarnaties van God of van de Heilige Geest dan wel wedergekomen Christus sen zijn. Het aantal verschijningen van deze aard is in onze tijd niet gering. Friedrich August Hain (1884-1927), een wever in Meerane (Saksen), maakte op 23 november 1894 in de loop van een spiritistische seance bekend, dat in hem God weer vlees geworden was. Hij werd voortaan vereerd als de "Herder" en .Liefdevolle Vader", in wie Pred. 9, 13-15 tot vervulling was gekomen, Men stelde hem principieel op gelijke hoogte met Christus en zag het kenmerk van zijn goddelijkheid hierin, dat hij de waarheid van de Schrift juist en kosteloos uitlegde en wonderen deed, die getuigden van zijn alwetendheid en almacht.

De Sakser Oskar Ernst Bernhardt uit Bischofswerda (1875-1941)

gaf van 1928 af aan zijn gelovigen te kennen, dat hij "Abd-ru-shin", "Immanuel", de "mensenzoon" was, een broer van Christus, zoon Gods van gelijke orde, door God uitgezonden, om aan de in de tirannie van het verstand wegzakkende mensheid de graalboodschap te verkondigen en de omkeer naar het duizendjarige rijk toe te voltrekken.

De Franse postbeambte George ROllX (geboren in 1903) verklaarde Kerstmis 1947 aan zijn verbaasde familie: "Ik ben de wedergekomen Christus" en noemde jezus zijn voorloper, dien hij door grotere volmachten en opdrachten overtrof; nadat hij tot 1951 drie boeken gesehreven had, die hem werden "geopenbaard", kwam hij voor het voetlicht, verwierf zich binnen luttele jaren een als een lawine aangroeiende aanhang en verklaarde in februari 1954 ook openlijk, dat hij "Christus" was. De gemeenschap, die hij om zich heen verzamelde, de "Temoins du Christ Revenu" of "Eglise Chretienne Universelle", beschouwt de drie boeken van Roux als "heilige schrift" en wordt bediend door "jongeren", die van Roux de volmacht tot genezen ontvangen hebben.

De Hollandse haringvisser Lou Voorthuizen zou de mededeling van zijn zending als wedergekomen Christus ontvangen hebben in het jaar 1925 door een "stem" en een aan de hemel oplichtende ster, en in 1950 na een zwaar ziekbed zijn "opstanding" hebben beleefd. Sedertdien verkondigt hij aan zijn aanhangers: "lk ben de opstanding". "Ik ben de vervuller van Christus, en dat betekent:

God lichamelijk op aarde." Waarin onderscheidt hij zich nu van Christus? Wel, Christus Imam uit de hemel en bracht een verlossing mee uit de hemel. Hij overwon de satan geestelijk. Maar aangezien Hij zonder zonde was, bad Hij geen "satan in de stof", d.w.z. in zijn lichaam. Daarom kon Hij hem ook niet lichamelijk overwinnen. Door zijn geestelijke overwinning verloor de satan zijn macht in de hemel en werd hij op aarde geworpen. Hij is "mens geworden en kan op geen andere wijze te niet gedaan worden dan in de mens". Dat nu geschiedt door Lou. In hem is God in zijn eigen stof gekomen en heeft de macht van de satan binnen de stof gebroken. "Daarom nu is dit de verlossing van l.ou, dat Lou de kracht in de stof legt, waardoor de stof .zich tegen over de geest kan stellen, en satan van de stof uit overwonnen wordt door de kracht, die thans in iedereen gelegd wordt." 16) Met zijn komst is de eindtijd aangebroken. Degenen, die in hem geloven, ontvangen niet slechts genezing, maar zullen ook de verdrukking der laatste dagen overleven en priesters en koningen zijn in het duizendjarig rijk, dat in 1972 zal aanbreken.

De Amerikaanse neger George Baker (geboren in 1878), de Father Divine, laat zieh door een grote schare aanhangers huldigen als vleesgeworden God en maakt zieh op, om het rijk Gods op aarde op te richten - in de "King doms" of "Havens" als kleine cellen van de heerschappij Gods en in boodschappen aan politici en wetsvoorstellen tot herordening van de wereld. "Het is iets groots", zo schrijft hij, "als ge waarlijk geloven kunt, dat ik God ben! Ge moogt door allerlei beproevingen zijn heengegaan, om daardoor mij als God te ervaren. Maar hoeveel meer is het, als ge kunt erkennen, dat ik in u en gij in mij leeft; en als ge dit waarlijk ge- 100ft, zal ik gehe el en al door u kunnen werken en handelen. Ik ben niet slechts God in u - ik ben ook het geloof, de liefde, de vreugde, en ik ben waarlijk alles in u, omdat ik God ben."

De Silezier ]oseph Weissenberg (1855 - 1941) wordt vereerd als de incarnatie van de Heilige Geest. Aangaande hem belijden zijn aanhangers: Terwijl we voordien de meester als de profeet, de eindprofeet mochten kennen, die ons op de wederkomst des Heren moest voorbereiden, in hem dus de wedergeboren Johannes de Doper mochten zien, is het ons uit genade gegeven, ten laatste in onze meester de wedergekomen Christus te herkennen. En we zagen het gericht dat van hem uitging en zien het vandaag nog. "Het woord Gods werd vlees en bloed, en ge aanschouwt zijn heerlijkheid, ge aanschouwt hem van aangezicht tot aangezicht. Hij wees u de weg uit de duisternis naar het stralende licht." 17)

Weissenberg en Bernhardt zijn dood. Maar ze leven verder en zijn tegenwoordig.

Van het lijk van Bernhardt, dat op de Vomperberg in Tirol onder een pyramide is bijgezet, gaat nog dezelfde straling uit : als bij zijn leven, hetgeen bewijst, dat de ziel van Abd-ru-shin weer op de berg vertoeft.")

Weissenberg echter heeft reeds in 1932 zijn dochter Frieda Müller tot zijn opvolgster aangesteld en haar met zijn goddelijke volmachten begiftigd, zodat jezus' belofte: "Ik ben met u al de dagen" hier in vervulling gaat. "Uw herder en meester heeft bij zijn leven ervoor gezorgd, dat er voor altijd naar het testament van zijn heilige Geest geleefd wordt, dat het verder aan de mensheid wordt overgedragen. Hij heeft bij zijn leven zijn opvolgster aangesteld. En deze opvolgster is uit die geestelijke wereld van het licht afgedaald en heeft de hoge en heilige zen ding te vervullen, de mensheid op de eenmaal geopende en ingeslagen weg van de drie-eenheid verder te leiden tot behoud van haar ziel." 19)

In de rouwadvertenties van leden van de Evangelisch- Johanneische Kerk bedankt men regelmatig "onze geliefde meester en onze lieve Frieda" voor de zegen en de kracht, welke ze aan de achterblijvenden in hun leed hebben geschonken.

Deze theophore figuren komt goddelijke verering toe. Hun woord heeft absolute geldigheid. Ze hebben de wand tussen de eeuwigheid en de wereld der mensen doorbroken. Ze zijn niet slechts wegwijzers naar het doel, maar dragers, bemiddelaars en garanten van het heil. Op ieder van hen kan de gelovige het troostvolle psalmwoord toepassen: "Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Ik zeg tot de Here:

Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw."


De vorming van de gemeente des heils


Het is een Bijbelse gedachte, dat God Zich uit de naties een volk, uit de massa's der mensen een gemeente des heils verkiest. De sekte knoopt bij deze gedachten gang aan, maar eist de hoedanigheid van gemeente des heils geheel op voor zichzelf. Bij de motivering van deze pretentie ontmoet men de meest verscheidene elementen, die we tot nu toe reeds hebbenleren kennen. Men kwalificeert de eigen gemeenschap als de gemeente des heils, b.v. door er op te wijzen, dat ze alleen maar bestaat uit bekeerden of mensen, die met de Geest gedoopt zijn; of dat in haar alleen de bron des heils vloeit; of dat zij de volgelingen van de opnieuw geïncarneerde godheid zijn ; of dat in haar alleen de volle kennis van de waarheid en volkomen gehoorzaamheid aan Gods geboden voorhanden zijn. Men loidt dus uit bijzonder geestelijk bezit ook bijzondere voorrechten voor de gehele gemeenschap af, die haar het karakter van uitverkoren gemeente Gods verlenen.

Hier opent zich een wijd perspectief. De meeste sekten vereenzelvigd gen zich met de gemeente des heils. Sommige voltrekken deze gelijkstelling slechts in de zin van bevoorrechting, anderen echter exclusief. Maar het resultaat is bij beide de conclusie: wie een echt en gehoorzaam lid van onze gemeenschap wordt, wie dus de hier verkondigde waarheden gelooft, de hier gesteIde godsdienstig-zedelijke eisen vervult en van de hier bediende sacramenten het geboden gebruik maakt, heeft de garantie, dat hij het volle heil bereikt, dat God aan deze gemeenschap heeft toebedacht. Hij behoort tot de uitverkorenen, hij zal deeI hebben aan de ontrukking van het verderf ofwel aan de eerste opstanding, hij zal de

vernietiging .in de slag van Armageddon overleven en een burger of vorst in het duizendjarig rijk zijn. Kortom, het werk van Gods genade heeft zich in de sekte geconcentreerd. Binnen haar grenzen alleen voltrekt het zich en deelt het zich aan de mensen mee.


De grote kloof



We vatten samen: de antithetisch van de sekten zet in bij de leer van het sola gratia. Om de mens van zijn risico, zijn angst en onzekerheid te bevrijden en hem zelf een zeker recht van beslissing, controle of medewerking te verschaffen, zoekt ze de gen ade in eigen hand te krijgen, in haar midden te voltrekken of te bewerkstelligen.

Dat heeft enorme consequenties. Naar reformatorische leer is de gen ade een werk van de soevereine God, dat aan de greep van de mens eenvoudig absoluut onttrokken is. Wie zo'n greep doet, tast God zelf aan, zoekt Hem aan zich te onderwerpen. Hier vindt, zij het ook in heel sublieme en vrome vormen, een ingreep plaats in een gebied, dat God alleen Zichzelf heeft voorbehouden. Deze ingreep betekent een opstand van het schepsel mens tegen de majesteit van de Heer. Hier heeft de mens de hem betamende stand van de creatuurlijke deemoed verlaten en onderneemt iets, dat een aan banden leggen en een onttroning van God beduidt. ledere poging van welke aard ook, om zich van de genade meester te maken, is hybris. Dat blijft het, ook al staat achter deze sektarische hybris niet het verzet van een Prometheus, maar de angst. Ook deze angst is in laatste instantie een gevolg van ongeloof, dat ongeloof, dat niet vertrouwt, dat God zijn beloften nakomt en dat volgens Luther de zwaarste zonde is, omdat het God voor een leugenaar houdt.

Hier komt de diepe kloof voor de dag die er be staat tussen de reformatorische verkondiging en het sektewezen. Volgens de reformatie is de genade vrij en soeverein, omdat ze het werk is van de vrije en soevereine God. De sekte echter wil de genade binden. In hoeverre ze dat doen wil, is overal weer verschillend. Daarom zijn er vele trappen van ontwikkeling naar het sektarisme, Er zijn gemeenschappen, die zich in een soort zweeftoestand bevinden. Er zijn andere, die volkomen duidelijk het sektarische type vertegenwoordigen. Dat hangt telkens af van de mate, waarin een gemeenschap door haar leer, haar wetten en ordeningen, haar autoriteiten, ambten en cultische handelingen Gods vrije genade in haar greep tracht te krijgen. Onze taak is nu, na te gaan, hoe deze hybris t.a.v. de genade zich uitwerkt op de afzonderlijke gebieden van de leer en van het geloof. We zullen daarbij zien, dat de drijvende krachten vrijwel overal dezelfde zijn. We zullen ontdekken, dat deze hybris begeleid wordt door immanente gerichten, die de sekten in alle fasen van haar ontwikkeling bedreigen en tenslotte dodelijk voor haar zullen worden. We zullen ons echter ook voor het feit zien gesteid, dat het zieh afkeren van het "sola gratia" bij de sekten haar aanleiding vond in, mogelijk gemaakt of begunstigd werd door schuldige verzuimen van de kerk, Daarover moet in een afzonderlijk hoofdstuk worden gesproken,




Hoofdstuk 3

 THEOLOGIA GLORIAE SECTAE

De reformatorische theologia gloriae Dei




We betreden als eerste gebied de "theologie" in de engere zin van het woord - de leer aangaande God. Wie de gedachte van Calvijn over Gods eer en majesteit en de leer van de predestinatie of Luthers geweldige geschrift "De servo arbitrio" kent, weet, met welk een ernst de reformatoren de theologia gloria ontvouwd hebben. Alpha en Omega van al hun uitspraken was, dat God is - de Heer, die in absolute soevereiniteit een ontoegankelijk licht bewoont, die in ondoorgrondelijk willen en scheppen volgens eigen plannen regeert, wetten geeft en het lot der mensen bepaalt, die aan niemand rekenschap verschuldigd is, die het niemand vergunt Hem te doorzien, te binden of te verplichten, maar in soevereine majesteit zijn weg gaat en op al zijn wegen, ook de donkere, moeilijke, schijnbaar zinloze en verschrikkelijke wegen, Zich doet kennen als de heilige God en als zodanig door de mens geëerd en aanbeden wil zijn.

Eerst te gen deze achtergrond van de Deus absconditus krijgt het beeld van Deus revelatus, van de barmhartige Vader, die in liefde en grenzeloos geduld vecht om de verloren wereld, en zijn eniggeboren Zoon ten offer brengt, zijn grandioze lichtsterkte. Door deze polaire spanning tot de Deus abseonditus wordt voorkomen, dat dit beeld gaat vervlakken tot de familiaire voorstellingen van een .Lieve God" . Het blijft immers altijd omrand door een beven en sidderen en een aanbiddende verwondering. Deze majesteitelijke God blijft, ook en juist wanneer Hij Zich liefhebbend en zoekend na ar de mens neerbuigt en hem in Christus nabijkomt, altijd de Koning, die heerst en die Zich aan en door de mens verheerlijkt, hem kastijdt en hem tuchtigt. Voor Hem is de mens altijd degene, die geroepen en opgeroepen wordt, het werktuig, niet de partner, het kind uit genade, niet de zoon krachtens eigen waarde. De Gratia Dei is precies als elk ander handelen Gods een daad van zijn soevereiniteit, is uitvloeisel en bevestiging van de gloria Dei. Want ook in zijn Liefde, zijn vergeving en verzoening bewijst Hij zijn soevereiniteit en Hij laat Zich door niets van die plaats wegdringen. Er is op het menselijk vlak geen enkele mogelijkheid, min of meer te beslissen over het heil en de genade te bewerkstelligen of te beheren; er is alleen maar ruimte voor het ootmoedig gebed.



De glorie van de sekte


Wat de sekten nu ondernemen, is een ingreep in het werk van Cods genade. Ze betreden daarmee een terrein, dat geen mens mag betreden. Ze zijn vrome usurpators geworden. Daar, waar de kerk slechts heen wijzend kan en mag spreken van de glorie en het wonder van Gods genade, spreekt de sekte van haar eigen volmacht - van haar bevoegdheden, haar toerusting, haar prestaties en allerlei hoedanigheden, waardoor ze invloed heeft op het heil. Ze heeft daarmee op een centrale plaats de theologia gloriae Dei afgezworen en die vervangen door een theologia gloriae sectae. De gevolgen van deze stap zijn buitengewoon groot. Duidelijkheidshalve nemen we bij de nu volgende beschrijving slechts die sekten tot voorbeeld, die de theologia gloriae sectae volledig ontwikkeld hebben, en laten de andere, bij wie ze slechts in beginsel voor handen is, buiten beschouwing:

a) "Wij hebben macht over de genade!" Dat is het fundament van de theologia gloriae sectae. Wie macht heeft over de genade, hoeft macht over de mensen. Hij kan openen en toesluiten, binden en ontbinden. Wie enigszins op de hoogte is, weet welk een angstige, bezwerende macht menige leider of prediker van een sekte over zijn volgelingen uitoefent. Hier ligt een van de redenen voor de grenzeloze onderdanigheid, het offeren van geld en goed, de enorm sterke saamhorigheid, en het afstand doen van vrijheid, eigen inzicht en
eigen beslissingen, waarvan de aanhangers van een sekte altijd blijk geven. Hier woekert bij tijden een deels dogmatisch gefixeerde, deels feitelijk beoefende papisterij, die weliswaar van klein formaat is, maar in haar pretenties van volmacht het Roomse pausdom ver overtreft. De sekte heeft in haar voormannen en ambten een macht en majesteit van God aan zich getrokken en handhaaft die op autoritaire wijze.

b) In de mate, waarin de sekte zich meester maakt van de genade, trekt ze ook de macht aan zich om de grenzen van het heil vast te stellen. Jehova's Getuigen, de Hersteld-Apostolischen, vele Perfectionistische groepen en de Pinkstergemeenschappen, de Kerk van het Godsrijk, en in wat meer verzwakte vorm de Adventisten laten de grenzen van het heil samenvallen met de grenzen van hun sekte. Met deze vaststelling van de grenzen grijpt de sekte echter vooruit op het gericht Gods. Ze beweert en pretendeert de stem van de Rechter te zijn of tenminste zijn maatstaf te kennen en te kunnen aanwenden. Anders gezien: ze neemt God bij de arm, identificeert

• haar gerichtsoordeel met het zijne of eist van Hem, dat Hij Zich in zijn oordelen zal richten naar hun uitspraken. Ze meet zieh aldus een recht aan, dat alleen God toekomt.

c) Gods eer bestaat daarin, dat Hij de enige is. Hij duldt geen mededinger naast Zieh. Hij deelt zijn eer met niemand. Hem alleen komt aanbidding en gehoorzaamheid toe. Daarom staat aan de spits van alle geboden: "Ik ben de Here, uw God, gij zult geen andere goden naast Mij hebben." De sekte imiteert deze gloria Dei, door het monopolie van het bezit van de waarheid en van de heilsgenade voor zichzelf op te eisen. Ze kan niet verdragen en toelaten, dat er ook in andere gemeenschappen geloof is; dat ook daar naar de waarheid gestreefd wordt en mensen door de waarheid van Christus worden overweldigd; dat ook daar God aan het werk is als degene, die nabij is, oordeelt en begenadigt. Nee, in een exclusieve zin verkondigt de sekte: "Slechts in ons midden is de waarheid en vindt het heil plaats!" Niet alsof zij zelf God zou zijn. Maar zij alleen is Gods uitverkorene, Zij alleen bezit zijn beloften. Alleen in haar midden vliet de stroom van de Heilige Geest en wordt het verlossingswerk voltrokken, Het "Genootschap van de Nieuwe Wereld" is Gods enige "Theocratische Organisatie", en wie daarbuiten staat, staat onder de heerschappij van de satan. De Heilige Geest wordt alleen door de stamapostel over de apostelen naar de zielen der gelovigen geleid, en wie niet met hem in geloof en gehoorzaamheid verbonden is, heeft geen deel aan het heil. De leden van de "Kleine Kudde" en van het "Leger van de Almachtige" in de "Kerk van het Godsrijk" zijn de enigen, die de wet van het heelal vervullen en daarom het voorrecht hebben om het komende Godsrijk op te richten en te regeren. Menige Pinkstergemeenschap en de Perfectionistische groep identificeert zich met de bruidsgemeente, die aan het verderf ontrukt wordt. De Adventisten weten van zichzelf, dank zij hun vervulling van het sabbatsgebod en hun geloof aan de drievoudige engelboodschap, dat zij het volk Gods van de eindtijd zijn.

En de anderen, die daarbuiten staan? Die staan ook buiten het heil, behoren bij het gevolg van de antichrist of zijn op zijn best slechts stiefkinderen van God. Zij zijn afgesneden van de volle genade. Hun kerken en gemeenschappen zijn slechts de "voorhof", of ze zijn eenvoudig de massa perditionis, prijsgegeven aan afval en onheil. Alleen over het gebied van de eigen sekte straalt de zon der genade. Aansluiting bij haar en gehoorzaamheid aan haar leer on haar eisen staat gelijk met de keuze voor het heil. Daarachter staat de premisse, dat God Zich alleen van dit orgaan bedient on alle andere gemeenschappen verworpen heeft. In deze zelfverhoging is de godsdienstige hybris aan het werk. De sekte wil de enige zijn, zoals God de enige is. Ze sluit zichzelf bij het eerste gebod in. Ze hult zich in een pseudo-majesteit.

d) Een logisch gevolg hiervan is, dat uittreden uit de sekte als een doodzonde geldt. jehova's Getuigen briesen momenteel nog van wraak jegens hun vroegere kameraden, die in 1917 afvallig werden

11 versperren hun iedere toegang tot het duizendjarig rijk. Ze zullen geen plaats hebben in de hemelse stad, maar zullen na hun dood voor goed dood zijn en hun nagedachtenis zal vergeten zijn".") De Hersteld-Apostolischen stellen degenen, die de stamapostel ongehoorzaam zijn en zijn in 1951 uitgegane boodschap van de wederkomst van Christus tijdens zijn leven niet als goddelijke waarheid aannemen, de eeuwige verdoemenis in uitzicht. "Ze zijn uit het boek des levens geschrapt en - wat op dit ogenblik nog niet wordt ingezien - de gevolgen van hun dom gedrag zijn van eeuwige duur."21]



"Keizer Nero heeft zijn ziel door de christenvervolging niet zo belast als iemand, die op dit moment als afvallige tegen het werk Gods strijdt".") De Mormonen, die alle geesten tenslotte na lange perioden van gestadig vorderen tenminste nog de onderste trap van de heerlijkheid laten bereiken, zodat de hel leeg achterblijft, maken een uitzondering, nl. voor degenen, die vroeger tot hun gemeenschap behoorden, maar later afvallig werden. E. G. White deelde de Adventisten, die in de jaren 1844 vv. afvallig waren geworden, in bij de categorie van de "synagoge des satans" van Openbaring 3, 9. Abd-ru-shin gaf volgens berichten van vroegere aanhangers degenen, die hem afvallig waren geworden, in geheime plechtigheden over aan de "ontbinding" en verklaarde, dat ze da armee "uit het boek des levens geschrapt waren". Vanwaar deze onverzoenlijkheid? Is het slechts een kleinzielige wraaklust? Nee, het uittreden uit de sekte is een crimen laesae majestatis sectae en het ergste vergrijp, dat de theologica gloriae sectae kent.


De onttroning van God



Waar de gloria Dei niet meer beheersend in het middelpunt van het geloof staat, is de weg geopend na ar een geleidelijke onttroning van God. In de gedachtewereld van de Christengemeenschap is God vervluchtigd tot een persoonlijk, neutraal iets, tot alleen nog maar een soort stoffering van de achtergrond; de wereld is niet meer zijn schepping, maar nog slechts een emanatie van het "goddelijk wezen", en de geschiedenis is niet een soeverein handelen van God met de mensenwereld, maar een automatisch ontwikkelingsproces, Een persoonlijke ontmoeting God - mens is er niet meer. De Christian Scientisten leren een theopanisme, dat eveneens een onttroning van God ten gevolge heeft: doordat in dit theapanisme de realiteit van de wereld ontkend wordt, wordt God onttrokken aan het tegenover Hem staande gebied, waarop Hij kan handelen en handelend zijn heerlijkheid kan bewijzen. Daarom is er in het godsbeeld van Christi an Scientisten geen ruimte meer voor de predicaten van de Schepper, de Koning, de Levende. De "Kerk van het Godsrijk" heeft God als de rusteloos scheppende en regerende Heer der wereld buiten werking gesteld; in zijn plaats regeert de "wet van het heelal" mechanisch, onpersoonlijk en collectief de wereld en het lot der mensen. Bij de Mormonen is God een vergevorderd collega van de mens geworden: "Zoals de mens is, was God eenmaal; zoals God is, kan de mens eenmaal worden." Deze geworden God is een terugval in de voorstellingswereld van de oude religies van buiten de Bijbel en heeft niets van doen met de Oudtestamentische verkondiging: "Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van den aanvang heeft geroepen; Ik, de Heere, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde." (Jes. 41, 4)

Het sektarische denken wordt niet meer bepaald door de uitstralingen van de theologica gloriae Dei. Dit noodzakelijke, zelfs zonder meer beslissende stuk van de Bijbelse verkondiging is weggezonken. In plaats daarvan ontmoet men overal een gebonden God. Hij is de vertrouwde of gedweeë hemelse partner van de sekte geworden. Hij erkent uitsluitend haar als het werktuig, dat Hij Zich verkoren of geschapen heeft. Hij geeft zijn fiat op de nieuwe sacramenten en erediensten, welke zij ingesteld heeft. Hij autoriseert de ambten, welke zij met volmachten heeft bekleed, Hij trekt de grenzen van het heil precies zo, als de sekte wil, dat ze getrokken worden. De meest uiteenlopende sekten eisen de Heilige Geest uitsluitend voor zieh alleen op. Pinkstergemeenschappen annexeren Hem als hun speciaal bezit. De Hersteld-Apostolischen leren, dat Hij alleen h
ún stamapostel tot zijn orgaan heeft gemaakt en hem het "copyright" heeft gegeven van zijn "openbaringen". De Mormonen maken in gelijke mate aanspraak op Hem voor de hiërarchie van hun .Herstelde Kerk". De Evangelisch- johanneische Kerk laat Hem geincarneerd zijn in Joseph Weissenberg. Kortom, hier is God een god van de sekten geworden, als contractant, bondgenoot of uitdeler van het heil uitsluitend aan haar toegevoegd.

Dit sektarisch godsbeeld kent tenslotte uitsluitend nog een samenwerking tussen God en de sekte, Haar geldt zijn "ja", alle andere mensen en godsdienstige gemeenschappen zijn "nee". Dat God ook anders zou kunnen denken en handelen dan de sekte het leert, is ondenkbaar. En totaal ondenkbaar is het, dat de sekte onder zijn kritiek, laat staan onder zijn gericht, zou vallen. De gedachte alleen al, dat God eens niet, of niet uitsluitend, de Theocratische Organisatie van Jehova's Getuigen zou erkennen, is in de ogen van de leiding van de sekte zo'n zwaar vergrijp, dat het de eeuwige dood op zich laadt. En reeds de geringste twijfel aan de uitsluitende en volledige atorisering van Gods wege van stamapostel Bischoff wordt als een lastering van de Heilige Geest gebrandmerkt. waarvoor noch in deze, noch in de toekomende wereld vergeving te vinden is.

Zo wordt God onderdanig gemaakt - een gehoorzame God, een gelijkgeschakelde God. Is dat nog de God van de Heilige Schrift? Is het niet louter een projectie van de leer van de sekte? Eertijds heeft Israël op zijn verkiezing en op het verbond van de Sinai gepocht en zich gehouden voor het volk, waarvoor God voorkeur had on der de naties, zoals jehova's Getuigen en andere sekten dat ten aanzien van hun geloofsgemeenschappen precies zo doen. Maar God laat Zich niet door de mensen inpalmen. Fel sneed Amos die pretentie van Gods voorkeur voor Israël af: "Zijt gij voor Mij niet gelijk aan de Moren, 0 kinderen Israëls? luidt het woord des Heren." (Amos 9, 7)

Naarmate het Bijbelse godsbeeld wordt uitgehold, wordt ook de oer verhouding tussen God en mens verstoord. Deze oer verhouding wordt gekenmerkt door het feit, dat er tussen God en mens een dialoog gevoerd wordt, waarin God degene is, die hoort en antwoordt. Het spreken Gods is een handelen met de mens in oproep en gebod, terechtwijzing en gericht, begenadiging en troost. Het antwoord van de mens is de gehoorzaamheid en de aanbidding, de boete, de dank en de liefde. "Hoort het woord des Heren!" - deze roep klinkt door heel het Oude Testament. De bereidheid tot horen is de grondhouding van de vromen. Wie niet hoort, maar zich doof houdt en zich verhardt te gen de roepstem van God, onthoudt Hem de eer en is "ongehoorzaam".

De theologia gloriae sectae verkleint de mogelijkheid, om over alle mogelijke tusseninstanties heen naar Gods eigen stem te luisteren. Ze verdringt God als partner uit de dialoog. Op zijn plaats gaat de extatische voorman staan, de met goddelijke autoriteit begiftigde ambtsdrager, de profeet of, zoals bij Jehova's Getuigen, de leiding van de organisatie. Zij verkondigen nu de leer, geven bevelen, brengen het heil over en garanderen het. Natuurlijk doen ze dat niet uit willekeur. Ze geloven, dat God hun volmacht gaf. Maar is deze pretentie niet een hevig zelfbedrog? Haar juistheid zou moeten blijken uit een ootmoedig luisteren naar God. Dit horen is echter eerst dan echt, als de hoorder zieh niet alleen maar eenzijdige bevestigingen van zijn eigen stand punt laat geven door God, maar zich ook vragen laat stellen door God, meer nog: zichzelf discutabel laat stellen door Hem. En dat betekent, dat hij door Hem wordt opgejaagd, uit zijn vastheden weggesleurd wordt en zich in al zijn posities onzeker voelt. Hier vinden we nu echter iets, dat men voortdurend kan opmerken: hoe meer de gloria sectae in de plaats komt van de gloria Dei, des te meer versterft dit echte horen, des te minder laat de sekte zich in haar totale bestaan door God verontrusten. Ze verliest Hem als degene, die soeverein tegenover haar staat. De polaire spanning verlamt. De levende dialoog houdt op. De pure sekte, zoals ze zich b.v. in jehova's Getuigen of in de Hersteld - Apostolischen vertoont, draait alleen om haar eigen aso Hier nu voltrekt zich het gericht Gods. De theologica gloriae sectae sluit de genade van de ontmoeting met de levende God uit.
 


Hoofdstuk 4

THEOLOGIA POSSESSIONIS

De onteigening van Christus




De greep naar de genade en het afzweren van de theologia gloriae Dei hebben hun uitwerking op heeI het terrein van de Christelijke leer. Vooreerst treedt er een verkommering in op het gebied van de Christologie, die ernstige gevolgen heeft. Als de sekte zichzelf een toonaangevende functie in de bemiddeling en de verwerkelijking van het heil toekent, betekent dat een devaluatie van Christus als de enige middelaar en kan Hij zelfs wel helemaal gemist worden. Zodoende volgt op de onteigening van God ook een onteigening van Christus. Dat hoeft zich nog wel niet direct te uiten in een volkomen loochening van zijn zending en zijn werk. Het kan ook plaats vinden door een accentverschuiving. Zo wordt bij de leer van de Pinkstergemeenten de tendens zichtbaar, de christologie naar de achtergrond te verdringen door de pneumatologie. Veel sterker ontwikkeld is deze tendens bij de Hersteld-Apostolischen; voor hen is Christus in de grond van de zaak nog slechts belangrijk als degene, die eenmaal twaalf jongeren geroepen heeft en met volmacht bekleed en daarmee ook het fundament voor het nieuwe apostelambt gelegd heeft.

De Graalbeweging heeft Christus zijn waarde doen verliezen, door een nieuwe gelijkwaardige Heiland naast hem te zetten, de "mensenzoon" Abd-ru-shin, die bovendien door zijn moderniteit en een ho gere zending als de voortrekker van het eindgericht boven Christus uitsteekt. Evenzo heeft de Evangelisch- Johannelsche Kerk Hem de "meester" Joseph Weissenherg toegevoegd. Voor de "Christelijke Gemeenschap Herder en Kudde" is Christus slechts een mens, die zich door zijn ethische prestatie de inwoning van God waardig heeft gemaakt. Hij is niet de "eniggeboren zoon", maar slechts een figuur uit een ganse keten van gekwalificeerde mensen, die God als vaten van zijn incarnatie heeft gebruikt. En zijn betekenis beperkt zich ertoe, dat Hij leraar van de goddelijke waarheid en voorbeeld voor de wandel der mensen is. Jehova's Getuigen beperken de functie van Christus tot de heerschappij in het toekomstige duizendjarige rijk. De Christian-Scientisten erkennen Hem nog slechts als de ontdekker van de "mentale genezing", de Kerk van het Godsrijk als de verkondiger en vervuller van de wet van het heelal. Verder niet.

En het kruis? De Christian-Scientisten kennen geen plaatsvervangend lijden en sterven van Christus; het kruis betekent niet, dat er in de toestand tussen God en mens iets verandert, maar alleen dat de werkelijke feiten, die voordien verborgen waren, nu onthuld worden: nl. dat de mens met God een is en dat hij "door waarheid, leven en liefde", zoals deze door Christian-Scientisten worden verstaan, de verlossing, d.w.z. de eenheid met God, bewerkstelligen kan. 23) De Christengemeenschap berooft Galgotha van zijn karakter van ontzettende en zondige botsing van de mensenwereld met God, door er een centrale acte van te maken in het proces van de doordringing van de kosmos met de genezende kracht van Christus; het bloed van de gekruisigde droppelt in de aarde en daarmee voltrekt zich het mysterie van de kosmische verandering. Bij de Hersteld-Apostolischen zijn het kruis en de gestalte van de gekruisigde terechtgekomen in een bijzin van hun dogmatiek. In plaats daarvan staat allesbeheersend de triomferende zin: De Heilige Geest heeft opnieuw apostelen geroepen en met volmacht bekleedt Wel heeft Christus "met zijn bloed als onschuldig en onbevlekt lam de mensen uit dood en verderf gered" 24), maar het kruis is geen tastbare werkelijkheid meer, en Christus' zoendood zou van geen enkel nut zijn, als niet de nieuwe apostelen de daaruit voortgekomen heilsgaven zouden uitdelen. De Nieuwe Kerk van Swedenborg viert de voorbeeldige dapperheid en de solidariteit van de met ons medelijdende Christus, maar verzet zieh tegen de haars inzien door Paulus in zwang geraakte dwaalleer van de verlossingsdood. Ook de gemeenschap "Herder en Kudde" wil niets meer weten van het "voor ons" van de dood van Christus, maar waardeert GoI gotha alleen nog als voorbeeldige prestatie: "Het sterven aan het kruis op GoI gotha is de hoogste trap van gehoorzaamheid".") In de Evangelisch- johanneische Kerk staat het "grote heilige lijden" van joseph Weissenberg gelijkwaardig naast het kruis van Christus. Ook Weissenberg zou niet met vlees en bloed alleen te strijden hebben gehad, maar "met de overheden en machten, met de boze geesten in de hemelse gewesten" .26) De Graalboodschap noemt het kruis een symbool van het falen van Christus en is verontwaardigd over de priesters, die Hem, de weerloze, destijds uit louter boosheid en verdorvenheid hebben vermoord. De Mazdaznan-beweging laat, waarschijnlijk onder invloed van de Koran, Jezus aan het kruis slechts een schijndood sterven, waarvan Hij Zich nadien weer herstelde, en stelt voor de kruisiging enkel en alleen de joodse priesterkaste verantwoordelijk, die zich door Jezus in haar machtspositie bedreigd zag. jehova's Getuigen spreken met een stereotype formule van het "los geld" , waarmee Christus voor de mensen een tweede kans zou hebben verworven om in het duizendjarig rijk nog eenmaal tot het leven teruggeroepen en bij gebleken gehoorzaamheid eeuwig levende burgers van het Koninkrijk Gods te worden. Precies zo de Kerk van het Godsrijk. Evenzo de Mormonen, na ar wier mening Christus met zijn verlossingsdood aan de mensen een eerste stoot heeft gegeven, om vooruit te komen, door hen van de ballast van de erfzonde te bevrijden. Bij Perfectionisten en Pinkstergemeenten is wel veel sprake van het ;,bloed van Christus", en het wekt de schijn, alsof hier aan het kruis eenzelfde centrale plaats en betekenis wordt toegekend als in de reformatorische verkondiging, maar schijn bedriegt. Hier wordt nl, weer wat al te veel en al te gemakkelijk gesproken van het "bloed van Christus", waardoor men gereinigd wordt van zonden. Het wekt op zijn minst de verdenking, dat men niets meer weet of wil weten van het verbrijzelende gericht, dat op Golgotha werd voltrokken - aan alle mensen en ook aan het eigen godsdienstige bezit inclusief bekering en geestesdoop!

Concluderend kan men dus zeggen, dat de grondtrek, die kenmerkend is voor alle sekte gemeenschappen, deze is, dat ze het kruisgebeuren devalueren. Sommigen loochenen het. Anderen ontkennen, dat het gebeuren op Golgotha een handelen van God met de mens zou zijn. Weer anderen zijn van mening, dat men hier wel met een handelen van God te doen heeft, maar ze halveren het; ze laten alleen de tweede helft - het verlossings- en verzoeningswerk - gelden, gaan echter aan de eerste helft, de ontmaskering van de mens in zijn vijandschap tegenover God, achteloos voorbij en hebben daarmee het kruis van zijn scherpte ontdaan.

De theologia crucis van de reformatie


De devaluering van het kruis is niet toevallig. Ze komt hieruit voort, dat het sektarisch geloof het woord des kruises als een onverdraaglijke ergernis moet ervaren. Want dit geloof is er op uit de mens een mogelijkheid tot beïnvloeding of bewerkstelliging van het heil te verschaffen. Maar het woord des kruises verhindert iedere mogelijkheid van dien aard. Daarom moet het sekt Arisch geloof de theologia crucis, het hart van de reformatorische verkondiging, verwerpen en vervangen door iets anders. Om de theologia crucis in haar contrast met de tendens van het sektarisch geloof te verduidelijken, moge ik twee brieven citeren, die beide in verschrikkelijke ogenblikken werden geschreven. De eerste brief is afkomstig van een jonge Duitse soldaat in Stalingrad. Deze soldaat behoorde vroeger tot de Hitler- Jugend en was een vurig, overtuigd nationaalsocialist, De brief werd met de laatste postzak uit het omsingelde gebied verzonden en was dus een laatste schreeuw v66r de ondergang. Hij luidt aldus:

"Zo, nu weet je dus, dat ik niet meer terugkom. Vertel het voorzichtig aan onze ouders. Ik ben diep geschokt en twijfel hevig aan alles. Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik klein en ongelovig. Veel van wat zich hier afspeelt, zal ik niet ervaren, maar het weinige, dat ik meemaak, is al zo veel, dat lk het niet meer kan slikken. Mij kan men niet wijsmaken, dat de kameraden met het woord "Duitsland" of "Heil Hitler" op de lippen stierven. Er sterven er heel wat, dat kan niet ontkend worden, maar het laatste woord is voor moeder of voor de mens, die iemand het liefst is, of alleen maar een roepen om hulp. - De Führer heeft vast beloofd, ons hieruit te ontzetten, men heeft het ons voorgelezen en we geloofden dat ook beslist.
Ik geloof het op dit moment nog, omdat ik toch ergens aan moet geloven. Als dat niet waar is, waar moet ik dan nog wel aan geloven? Dan zou ik echt geen behoefte meer hebben aan de lente of aan de zomer of aan iets anders dat je nog plezier zou kunnen doen. Laat me dit geloof, lieve Greta, ik heb mijn hele leven of tenminste acht jaar daarvan altijd aan de Führer en zijn woord geloofd. Het is ontzettend, hoe ze hier aan 't twijfelen zijn, en beschamend om de woorden te horen, waar je niets tegen in kunt brengen, want de feiten spreken voor ze. - Als het niet waar is, wat men ons beloofde, zal Duitsland verloren zijn, want in dat geval kan niemand meer zijn woord houden. 0, die twijfel, die afschuwelijke twijfel, als die toch maar gauw voorbij mag zijn!"

Over het verdere lot van deze jonge man is niets bekend. Niemand weet, hoe hij leed en stierf. Zijn mond is verstomd, zijn lichaam allang vergaan. Maar dit is zeker: Zijn vertwijfelde vraag heeft een antwoord gevonden - het bestond in een verschrikkelijk .mee". Misschien heeft hij in zijn sterven nog vervloekt, wat hij een leven lang aangebeden had. In deze vlammenzee van die grote catastrofe is zijn geloof, zijn begeestering, zijn wereldbeschouwing, het hele bouwwerk van zijn innerlijk bezit gebarsten en tot stof geworden. Niets is hem gebleven. Niets - alles uit - punt!

Ook Golgotha is zo'n innerlijk Stalingrad voor de mens - ook voor de gelovige, vrome mens en zijn bestaan voor God. Golgotha is aanklacht en gericht Gods, meedogenloze ontmaskering van de mens, van zijn motieven, zijn zogenaamde vrome verworvenheden, zijn strevingen en prestaties. Want daar herkent hij zichzelf en wordt herkend als iemand, die aan de terechtstelling van de Zoon meedeed, medeschuldig is - een moordenaar, die de Zoon niet verdraagt en Hem daarom uit zijn midden uitstoot en die da armee zichzelf ontmaskert als een oproerling tegen God tot op de bodem van zijn wezen. Paul Gerhardt heeft het in eenvoudige woorden aldus gezegd: "Was ist die Ursach aller solcher Plagen? Ach, meine Sünden haben dich geschlagen; Ach, ich, Herr jesu, ich hab dies verschuldet, was du erduldet."

Daarom is Golgotha de radicale omverwerping van de mens, juist van de vrome mens, en de radicale vernietiging van zijn vermeend bezit en van zijn trots als bezitter. Hij kan op geen enkele creditpost bogen. Hij is een kale armoedzaaier, een miserabele bedelaar voor Gods aangezicht. En hij blijft een bedelaar, zijn leven lang, een ontmaskerde en geoordeelde. Dat geldt voor de enkeling, maar dat geldt evenzeer voor de gehele christelijke ge me ente en de kerk. Dat geldt in elke situatie en op ieder tijdstip.

Nu is dat echter niet het enige en het laatste antwoord van het kruis, Midden uit de rook en het stof van die innerlijke Stalingrad catastrofe klinkt een andere stem. Het is een jawoord. Het is het "ja" van de Zich ontfermende God tot de vuile veroordeelde bedelaar - het "ja" van de vergeving, van de rechtvaardiging. De bedelaar heeft het niet verdiend, het niet door werken verkregen, het niet door de ene of andere eigen waardigheid teweeggebracht en mogelijk gemaakt. Het is een grondeloos, wonderlijk, ongelofelijk "ja", te midden van de puinhoop. Maar het wil, hoe ongelofelijk het ook is, ernstig genomen worden. Het moet ernstig genomen worden. Want het is Gods "ja". En God la at niet met Zich spotten! Van de mens, die op de plaats van het gericht, van de dood en van het "nee" staat, wordt gevraagd, dat hij tegelijkertijd op de plaats van het "ja", van de gerechtigheid en het kindschap gaat staan. Tegen zijn geweten in! Tegen alle aanvechtingen en moedeloosheden in, alleen in roekeloos, vermetel geloof aan de ongelofelijke toezegging van die stem. "alle geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp!"

En hier moge nu een citaat uit de tweede brief volgen. Het is een afspiegeling van deze tweede situatie van de mens, die het "ja" van Golgotha heeft vernomen en nu tegen zijn eigen ongeloof in ge- 100ft. De brief is afkomstig van Graaf Helmuth von Moltke, die behoorde tot de tegen Hitlet gerichte zgn. Kreisauer Kring en op de l0e januari 1945 tot de dood aan de galg veroordeeld en de 23e januari d.o.v. terechtgesteld werd. Op de dag, dat hij het doodvonnis ontving, schreef hij aan zijn jonge vrouw:

"Mijn lieve hart, in de eerste plaats moet ik zeggen, dat de laatste vierentwintig uren van mijn leven kennelijk niet anders zijn dan welke andere ook. Ik had me steeds ingebeeld, dat je het werkelijk als een enorme schrik ondergaan zou, als je te gen jezelf zou moeten zeggen: nu gaat de zon voor de laatste keer voor je onder, nu ga at de klok nog maar twee keer tot twaalf, nu ga je voor de laatste keer na ar bed. Van dat alles is geen sprake. Of ik misschien wat geëxalteerd ben? Ik kan inderdaad niet ontkennen, dat ik me in een uitgesproken verheven stemming bevind. Ik bid slechts de Heer in de hemel, dat Hij mij hierin moge houden, want voor het vlees is het zeker gemakkelijker, om zo te sterven. Hoe genadig is de Heer mij geweest! Zelfs op gevaar af, dat dit hysterisch klinkt: Ik ben vol dank, eigenlijk is er voor niets anders meer plaats. Hij heeft mij die twee dagen zo vast en duidelijk geleid : Al had ook de hele zaal gebruld zoals de heer Freisler, en al hadden alle muren gewankeld, het zou me volstrekt niets gedaan hebben ; het was waarschijnlijk zo, zoals het in Jes. 43, 2 staat: "Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteerd worden en zal de vlam u niet verbranden." - Je ziel namelijk. Toen ik opgeroepen werd voor een laatste woord, was het me zo te moede, dat ik bijna gezegd had: Ik heb slechts een ding tot mijn verdediging aan te voeren:

Al rooft g ‘ons al ons goed, vrouw, kind en eer en bloed, ontneem 't hans alles vrij! Gij wint er toch niets bij: het Rijk blijft ons behouden!"

Hier hebben we de andere kant van de reformatorische vroomheid: de koninklijke vrijheid en geborgenheid, die wortelt in het "ja" van God. Dit staat vlak naast, zo niet midden in die vertwijfeling van de bedelaar in het gericht. De soldaat uit Stalingrad schreef: "Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik klein en ongelovig." De voor de galg staande graaf Moltke schreef: "lk geloof te weten, dat ik nu uit Gods genade en vergeving leef en niets uit me zelf heb of vermag." En hij jubelt: "God verleent mij de onuitsprekelijke genade, naar mij toe te komen en Zich met mij te bemoeien." Beide, de vertwijfeling van de verbrijzelde mens en de jubel van de begenadigde, zijn geen eigen emoties van de ziel, maar reflexen van een handelen, dat van God uit aan haar geschiedt. Daarin weerkaatsen zijn beslissingen. En de jubel van de verloste is met de twijfel van de geoordeelde verbonden door het: "lk geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp." De bedelaar heeft de sprong in de afgrond gedaan - sola fide - en de hand van God heeft hem opgevangen. Nu is hij iemand, die vastgehouden wordt in een lege ruimte en boven de afgrond van de hel. Hij leeft alleen uit genade. Die genade tilt hem nu over de afgrond heen, zodat hij daar aan de overzijde weer vaste bodem onder de voeten krijgt en zich voorgoed veilig kan voelen, maar houdt hem boven de afgrond. Hij Ieeft slechts door de genade. Er is niet een na-elkaar: eerst het gericht en dan de vergeving, eerst de vertwijfeling en dan de uitredding - maar alleen een gelijktijdigheid: simul iustus et peccator.

Aan dit in-elkaar en de daaruit voortkomende innerlijke situaties van de gelovige heeft Jochen Klepper in zijn dagboeken 27) op een prachtige wijze uiting gegeven, als hij daarin motiveert, waarom een Protestantse poëzie vrijwel onmogelijk is: "Ze kan van vergeving en genade als haar hoofdinhoud niets vertellen, omdat ze, met elk van haar woorden, de aanspraak op genade en vergeving behoeft. Ze is, scherp uitgedrukt, een artistieke zelfmoord, constant uitgevoerd en doorgezet. Ze heeft plaats onder boetedoening, zonder van boete te kunnen spreken, Ze is een lofprijzing Gods, waarvoor men Gods vergeving nodig heeft. Ze staat volledig aan de kant van de zonde, van de onvrede, van de schuld en van het kwaad, is "lijden van deze tijd" en beslist niet de Heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden". Ze is niet een schrede naar God toe, maar van God vandaan: leugen, ijdelheid, voorbarigheid, oppervlakkigheid, mooipraterij, dialectiek. Weliswaar kan God maken, dat Hij vanuit deze warboel van leugen en ijdelheid spreekt: maar degene, die deze warboel schrijft, zal nooit ook maar kunnen vermoeden, wanneer God daartoe zo'n dichtwerk gebruiken wil."

De gelovige komt nooit on der de stand van de rechtvaardiging uit. Hij is altijd tegelijk de zondaar en de door God vrijgesprokene, rol rebel en de door Christus verzoende. Luther vergelijkt hem met de bedelaar, aan wie een rijk heer bij testament duizend goudstukken vermaakt heeft. Andere lieden wijzen op het vuil en de vodden van de bedelaar en zeggen hem in zijn gezicht: je bent niet waard, dat je dit kapitaal ontvangt! Hij echter begint te pochen: "Wat gaat dit jullie aan? Ik weet, dat ik onwaardig ben. Wat ik echter wil hebben, wil ik hebben krachtens het recht van het testament." En deze situatie van de begenadigde bedelaar, met zijn trots vertrouwen

" zijn vermetel geloof in het aanbod van Gods genade, groeit nu uit tot een rijk geloofsleven, tot de "vruchten des geestes", onder welke de liefde en de deemoed aan de spits staan.


Nederzettingen bezijden het kruis


Alle sekten, hoe geschakeerd ze ook zijn, hebben een gemeenschappelijk kenmerk: Er bestaat namelijk geen enkele sekte, welke oorsprong als een Stalingrad van de ziel in de buurt van het kruis ligt. Laat ons de motieven, die tot het ontstaan van de afzonderlijke sekten geleid hebben, wat nader bezien: De Adventisten wilden met het oog op de spoedig te verwachten parousie de zekerheid hebben, dat zij van het gericht verschoond bleven. Bij Russell, de stichter van de "Vereniging van Ernstige Bijbelonderzoekers", was het de angst voor de eeuwige hellestraf, die voor hem aanleiding werd, de Schrift zo uit te leggen, dat deze grondig geëlimineerd werd. Bij Alexander Freytag, de stichter van de "Kerk van het Godsrijk", was het het hevig verlangen na ar een leven, dat door de dood niet meer bedreigd zou zijn. Bij de Hersteld-Apostolischen was het verlangen naar een nu tegenwoordige, zichtbare middelaar beslissend voor de ontwikkeling van hun ambten en hun derde sacrament. Bij de Christengemeenschap was het de drang van enige theologen, die door Steiners antroposofie geboeid waren, naar een diepere kennis en een rijker, uit de antroposofische kijk op de wereld opkomend sacramentalisme. Bij de Perfectionisten en Pinkstergemeenschappen was het de drang, uit de stand van de rechtvaardiging-zonder-meer en daarmee uit de zone van de aanvechting weg te komen en met de bekering en de geloofsdoop of geestesdoop "het volle heil" te bereiken. Bij Joseph Smith, de profeet van de Mormonen, was het de radeloosheid ten aanzien van de veelheid van denominaties, bij Mary Baker Eddy de afwijzing van de in haar congregationalistische kerk verkondigde leer van de dubbele predestinatie.

Dat zijn motieven van zeer uiteenlopende aard. Ze zouden, hoe ze er ook uitzagen, het uitgangspunt hebben kunnen vormen voor een weg naar binnen, die uitloopt op de theologia crucis, om daar antwoord en vervulling te vinden. Maar deze weg heeft de sekte zelf versperd. Het grondbeginsel van haar godsdienstig denken en streven laat niet toe, dat de mens zichzelf onbeschut uitlevert aan God en de sprong in de afgrond waagt sola fide. Ze heeft een andere weg ingeslagen. Die staat in het. teken van de eigen godsdienstige initiatieven tot zekerstelling van het heil, en wijst heen naar het storm- vrije terrein, de schuilplaats, die door de oordeel boodschap van het kruis niet meer getroffen wordt. Deze weg omvat tweeërlei:

1. Er wordt een geleidelijke afbraak van de theologia erucis ondernomen. Golgotha mag niet meer de totale en radicale bedreiging van de mens in zijn bestaan voor God betekenen. Er moet een ruimte gevonden worden, waar de mens zieh kan vestigen, zonder getroffen te worden door het kruis. De afbraak van de theologia crucis geschiedt op velerlei wijze. B.v. zo, dat men Golgotha beperkt tot een heilshistorische feit uit het verleden, waarvan men nu nog wel de vruchten plukt, maar dat beslist niet meer een gebeuren kan zijn, dat zieh uitstrekt tot hier en nu en tot ieder mens. Of zo, dat men de spanning uit het simul iustus et peccator wegneemt, door deze zuiver more el te verstaan en niet meer te zien als het gebied, waarop de mens voortdurend voor God zijn zekerheid kwijtraakt. Of zo, dat men het kruis beschouwt als een stadium, dat men wel passeert om het een en ander mee te nemen, maar dat in de grond der zaak toch niet anders is dan een doorgang naar een volgend, hoger stadium. Of zo, dat men het gebeuren op Golgotha weghaalt uit de categorie van schuld en gericht en het tot een kosmisch mysteriedrama neutraliseert.

Nergens is hier het kruis meer de plaats, waar de kennis van de totale verlorenheid de mens overvalt en hij zich tot in de laatste schuilhoeken van zijn ziel door God ontmaskerd ziet. Daarom loopt aan de geleidelijke afbraak van de theologia crucis parallel een dergolijke afbraak van het bijbels getuigenis aangaande de zonde. De verkorting van dit getuigenis is overal merkbaar, alleen de mate waarin verschilt. Perfeetionisten en Pinkstergemeenten spreken van rlc reöle mogelijkheid van een "overwinning over de zonde" of zelfs van de zondeloosheid als van een nieuwe bestaansvorm van de gelovige. Hoezeer ze daarbij ook met hun leer van bekering en wedergeboorte argumenteren, ze miskennen, dat de zondigheid de grondI rok van het menselijke wezen vormt. Tekent zich reeds bij hen het moralistische misverstand van de zonde af, dit wordt volkomen duidolijk bij de Hersteld-Apostolischen en de Mormonen of in de leer vnn Swedenborg en die van Lorber. Bij jehova's Getuigen wordt de zonde beperkt tot het verzet tegen de door Jehova geautoriseerde :Theocratische Organisatie en haar geboden. De "Kerk van het Godsrijk" verstaat onder "zonde" alleen de door egoistische motieven bepaalde handelingen. Qe Christengemeenschap spreekt met voorliefde over zonde als "ziekte" en bedoelt daarmee een terugval van het geestelijke en de slavernij van het stoffelijke. De Christian Scientisten delen de zonde samen met ziekte en dood in bij de groep van de menselijke "inbeelding". Overal wordt hier het bijbels getuigenis van de zonde vervlakt of veranderd. In dit bijbels getuigenis echter komt de innerlijke bedreigdheid van de mens tot uitdrukking. Hoe meer die diepte en de macht van de zondigheid wordt vervlakt, des te meer wordt deze bedreigdheid gebagatelliseerd. Ze wordt zo gebagatelliseerd, dat ze tenslotte de theologia crucis in het geheel niet meer nodig heeft - ze kan ook op andere wijze overwonnen worden.

2. Door de verkorting van het bijbels getuigenis van de zonde en de ontlediging van het woord des kruises wordt nu een afgeschermde ruimte verkregen, waarbinnen men een eigen godsdienstig gebouw kan optrekken, dat men voorzien kan van krachten en volmachten, die het heil verzekeren. Tegenover de bijbels-reformatorische theologia crucis stelt men nu een theologia possessionis. Dat is de hartkamer, waarin het geloofsleven van de sekte slaat. De substantie van de theologia possessionis wordt gevormd door haar zgn. speciale leer. In deze speciale leer komt ook het kruis wel voor. Maar ze staat niet meer onder het gericht van het kruis, Ze heeft het alleen op een of andere manier "verwelkt". Ze gebruikt het nog slechts als "middel" in het proces, dat het heil moet waarborgen. Maar in geen geval mag Golgotha dat "Stalingrad" zijn, waarin samen met alle godsdienstige strevingen, ook de erediensten, ambten, sacramenten, ervaringen en autoriteiten van de sekte als ondernemingen van de menselijke, zondige creatuur wegvallen. Dit is het neuralgische punt van de sekten: deze gedachte kunnen ze niet aanvaarden! Ze moeten haar ruwweg terugwijzen. Want daarmee zou hun bestaan aan het wankelen gebracht worden. Ze moeten een "bezit" hebben, dat niet on der de schaduw van het kruis valt, dat niet aangevochten wordt, maar volkomen zeker en voor God geldig is. En juist dit bezit maakt het hun mogelijk, langs het kruis heen te gaan. Het geeft hun de mogelijkheid uit eigen volmacht het heil te bewerkstelligen en zichzelf in het werk van Gods genade in te schakelen. Dit is het, wat aan de gelovigen dekking, bescherming en de garantie van het heil verschaft.

Daarom staat dit bezit in het middelpunt van de leer van de sekte.

Ze maakt het tot fundament van haar theologie. Het is bij iedere sekte weer anders. Het bestaat bij de Pinkstergemeenten in de leer van de ervaarbaarheid en grijpbaarheid van de Heilige Geest in de geestesdoop; bij de Perfectionisten in de handeling van de bekering, die bij hen als een plotselinge doorbraak naar het heil beleefd wordt; bij de Hersteld-Apostolischen in de leer van de volmachten van het opnieuw ingestelde apostelambt; bij de Adventisten in de drievoudige engelboodschap; bij jehova's Getuigen in de goddelijke autorisatie van de Theocratische Organisatie als orgaan van de heilsgeschiedenis; bij de Kerk van het Godsrijk in de leer van de wet van het heelal; bij de Christian Scientisten in de leer van de ilIusies en de mentale genezing; bij de Christengemeenschap in de mysterie leer en het daarop gebaseerde sacramentalieschme; bij de Evangelisch- Johannesche Kerk, de Graalbeweging, Peace Mission e.a. in de proclamatie van de vleeswording van de godheid in hun stichters. Een overzicht over de diverse sekten toont aan, dat zo ongeveer alles zich tot voorwerp van een theologia possessionis laat maken: van die perfecte gehoorzaamheid aan de letter af, die de Schrift van een goddelijk dynamiet tot een verzameling wetsparagraphen maakt en er zieh op boroemt, deze paragraphen in alle opzichten pijnlijk nauwgezet op lu volgen (Campbellieten), tot de plek toe, waarvan de Mormonen in Independence beweren, dat die hun bij openbaring is aangewezen voor het bouwen van de tempel, en uit welks bezit de afgescheiden 'hurch of Christ, Temple Lot, haar legitimiteit afleidt.

Do elementen van de theologia possessionis worden verabsoluteerd en treden in de plaats van de theologia crucis. Dat betekent een volkernen verschuiving van de structuur van de dogmatiek. De sekte heeft een ander coördinatiesysteem dan de kerk. Het nulpunt, waarop bij haar de X- en de Y-as elkaar kruisen, is niet meer het kruis Christus, maar haar eigen bezit. Daarom hebben dezelfde begrippen bij de sekte een andere betekenis en een andere rangorde dan in de kerk. Daarom is ook een wederzijds verstaan en een gesprek over en weer zo moeilijk, vaak zelfs onmogelijk.

Naar de mens gesproken, hebben de sekten het zonder theologia crucis gemakkelijker, En ze kunnen met hun theologia possessionis de ander geweldig overtroeven en doen dat dan ook, Maar anderzijds treft hen ook het noodlot, dat aan een ontwijken of een ontlediging van het kruis inherent is. Waarin dat. bestaat? Allereerst hierin, dat de boodschap van het kruis haar innerlijke draagkracht voor hen verliest. Ze heeft die draagkracht alleen daar, waar ze in haar dubbel poligheid als het van God wege door Christus volbrachte, tot factum geworden woord van gericht en verzoening gehoord en geloofd wordt en waar dit woord niet als een museumstuk uit het verleden door een ander woord van de een of andere nieuwlichterij verdrongen of in de schaduw gesteld wordt, maar als actuele tegenwoordigheid hier en nu de mens in zijn bestaan raakt. Waar echter de ene pool, het woord van het gericht, buiten zicht raakt, wordt ook de andere pool, het woord der verzoening, beroofd van zijn innerlijke kracht. Het kruis kan nu niet meer het door God gelegde fundament van de zekerheid des heils zijn. Des te meer wordt de sektarische vroomheid genoodzaakt, op andere fundamenten te gaan steunen. Ze wordt gedwongen de vlucht uit het machtsgebied van het kruis naar het terrein van de theologia possessionis te bevorderen. Maar kan het nieuwe fundament het achtergelatene vervangen?

Deze vlucht is ook hierom zo noodlottig, omdat de aanhangers van de sekte zieh daarmee beroven van de genade, door God verbrijzeld en weer opgericht te worden. Ze moeten ongebroken men- . sen blijven. Hun bedreigt de enorme verzoeking zieh boven anderen verheven te voelen, zeker, zelfbewust en star. Hoeveel sektariërs zijn helaas bezweken aan het gevaar alles te veroordelen en te verdoemen, wat niet hun theologia possessionis huldigt. De vrome superbia triomfeert.

Verder zullen we in dit hoofdstuk niet gaan. Het is niet de bedoeling een lastercatalogus van het sektewezen op te stellen. De kerk heeft geen reden zich eigengerechtig te gedragen. Maar deze aanduidingen waren nodig, omdat het om verschijnselen gaat, die typerend zijn voor de sektegeest. En ze zijn typerend, omdat hier een relatie blijkt te bestaan - en wel een relatie, die een oordeel inhoudt - tot haar theologia possessionis.



Hoofdstuk 5

DE VERABSOLUTERING VAN DE SEKTEGEMEENSCHAP

Kerk als gemeenschap van zondige heiligen



Het is vooral op het terrein van de ecclesiologie, dat de beide grondlijnen van de reformatorische en van de sektarische theologie hevig met elkaar slaags raken,

Wat is "kerk" naar reformatorisch in zicht? Het is niet nodig, hier deze veelomvattende vraag naar alle kanten te onderzoeken. Het is voor ons doel voldoende, als we enige beslissende punten naar voren halen.

Ten eerste: De kerk is geen mensenwerk. "Kerk" is volgens Luther daar, waar het evangelie zuiver gepredikt wordt en de sacramenten naar de inzettingen van Christus bediend worden. Evangelie en sacramenten als zodanig zijn woord en werk van God. De mens heeft er niet over te beschikken. Ze vertegenwoordigen de majesteit Gods. Dat komt hierin tot uiting, dat de mens het evangelie niet naar eigen behoefte of goeddunken mag of kan veranderen, maar slechts de mogelijkheid heeft, het te "verkondigen", d.w.z. het verder te vertellen; dat hij als prediker slechts werktuig, niet heer van het evangelie kan zijn; dat het verkondigde evangelie eigenmachtig werkt en dat het geen verdienste van de prediker, maar het werk van de Heilige Geest is, als de verkondiging geloof wekt.

"Kerk" is allereerst daar, waar het evangelie verkondigd wordt. “ Verkondigen" betekent: het evangelie treedt de wereld der mensen binnen. En daarmee schept het zich de kerk. De kerk is dus geen stichting van mensen, maar uitsluitend een schepping van het Woord Gods. De kerk ontstaat in de ruimte, waarbinnen het Woord Gods en de mensen elkaar ontmoeten. Deze ontmoeting is vol dramatiek en heeft een veelvoudige uitwerking. Het evangelie gelijkt op het zaad, dat op vruchtbare grond, op steenachtige bodem en tussen de doorns valt. De ruimte van de ontmoeting van evangelie en mens wordt tot een strijdperk. Het evangelie dringt zich in mensenharten binnen en overwint ze. Anderen sluiten zich toe in onverschilligheid of verharding. Weer anderen wankelen tussen twijfel en geloof. Krachten uit de diepte worden wakker en afgronden worden gemobiliseerd, als het Woord Gods tot de mens spreekt. Overwinning en nederlaag, doorbraak en terugval vindt men in de ruimte der kerk, Daarom kan men over haar in haar aardse historische bestaan alleen maar dialectisch spreken: ze is tegelijk kerk en niet-kerk, is altijd kerk in wording. Haar geschiedenis kent afdwalingen en verduisteringen van de waarheid. Geworpen in de branding van het tijdsgebeuren met al zijn machtige verleidingen, is ze niet onkwetsbaar, als ware ze een door rotsen omgeven eiland in de oceaan. Voortdurend bedreigt haar het gevaar, de ergernis van haar boodschap achterwege te laten, om zodoende de welwillendheid van de machthebbers, de bijval van de massa's, de instemming van politieke en ideologische bewegingen of ten minste het door hen geduld worden te winnen. En God verhoedt deze dwaalwegen niet! Hij gaat met de kerk niet om als met zijn oogappel. Hij waagt alles met haar. Ze moet wegen van knechtschap gaan. Ze moet ondervinden, wat het betekent, dat daar, waar het Woord van God gepredikt wordt, ook de macht van de satan in haar ganse omvang zich verheft. Ze moet perioden van steriliteit, van een innerlijke ban, en van geestelijke onmacht doormaken, waarin het levende Woord zich binnen de kringen van de "stillen in den lande" terugtrekt, terwijl op kansels en leerstoelen een dood en leeg woord verkondigd wordt. Ze heeft te lijden van de strijd van scholen en richtingen, die haar gereedschap dreigt te verscheuren. Haar wegen door de geschiedenis zijn kromme wegen, omzoomd door vernederende smaad. En het is niet 's mensen verdienste, maar een wonder Gods, als ze niet in de afgrond der geschiedenis te pletter valt of in het moeras verzinkt, maar haar weg ondanks alles ook een weg van zegen is, Als het Woord van God de mensenwereld binnentreedt, levert het zich ook uit aan mensenhanden. En deze handen zijn onheilige handen. Maar zoals de Zoon ter wille van de liefde een knechts gestalte aannam, zo ont ledigt Zich ook God met zijn Woord en levert het uit aan de mensen. En zo herhaalt zich a.h.w. het lijden van Christus. De kerk biedt dus niet bepaald een triomfantelijke aanblik. Haar geschiedenis is er een vol kwalen en wonden. Ze kan dit lot niet ontlopen. Ze kan zichzelf niet afdoende beschermen. Ook al tracht ze de haar toevertrouwde schat door een uitgebreide, machtige hiërarchie en door de proclamatie van een onfeilbaar hoogste leergezag te behoeden en verleent ze aan haar hoofd de volmachten van plaatsvervanger van Christus - dan nog bezit ze da armee geen garantie tegen dwalingen en ontaarding. God heeft haar niet toegestaan, van zichzelf uit zulke garanties te kunnen ontwikkelen. Want ze is dienstknecht van God. En de knecht is niets uit zichzelf. De kerk als menselijk maaksel dwaalt. Ze zondigt. Ze misbruikt, verminkt en vermengt het Woord. Of er dan geen zelfbescherming mogelijk is tegen zulke bedreigingen? Nee. Maar de Heer wil het doen. Hij stoort, verontrust, reinigt. Hij doet ontwaken uit traagheid en zet zijn waarheid door tegen vervalsing in. Hij staat dit ambt niet af aan enige kerkelijke instantie of autoriteit. Hij wil het zelf waarnemen, opdat duidelijk worde, dat Hij de Heer en de kerk zijn schepping is,

De kerk is dus het slagveld, waarop God soeverein zijn zaak leidt en zelfs nog de menselijke leugen dwingt om zijn waarheid te heerlijker te doen uitkomen (Rom. 3, 7). De kerk is steeds ecclesia militans - "militans" niet in de eerste plaats aan een uitwendig front tegen ongelovigen, maar v66r alles aan een inwendig front - in de gemeente der gelovigen, die zowel in haar geheel als in de leden afzonderlijk strijdgebied tussen Gods aanspraken en menselijke eigenzinnigheid is, slechts door de sola gratia het leven houdt en dagelijks de rechtvaardiging behoeft.

Als deze gemeente tegelijkertijd de gemeenschap der heiligen genoemd wordt, is dat niet omdat de gelovigen uit zichzelf heiligen zouden zijn geworden, maar omdat ze onder het kruis staan en hier - theologia crucis! - uit de dwaling tot de waarheid worden geroepen, hun eigengemaakte of gehuichelde bezit kwijtraken, als arm- zalige bedelaars door God aangenomen, door zijn vergeving gereinigd en door zijn "ja" geheiligd worden. Dus is de kerk een gemeenschap van zalige heiligen. Haar leden zijn zondaren en geoordeelde en tegelijk door God gerechtvaardigden en geheiligden. De kerk vertoont zich in knecht gestalte. Maar omdat het subject van de ecclesia militans het evangelie en daarmee de Heilige Geest is en Gods majesteit dus in haar werkt, daarom wordt te midden van zondaren en geoordeelden ook de ecclesia triomf als werkelijkheid, de zegepraal van het evangelie over de tegenspraak des harten, de doorbraak door de muur van superbia naar de deemoedige geloofsgehoorzaamheid en de liefde.

Deze triomfen zijn geen vruchten van menselijk-vrome strevingen, maar werken van God. Het zijn gebeurtenissen, waarin God Zich doet kennen als de Heer en overwinnaar over de boosheid en traagheid der harten. Daarom is het ook uitgesloten, dat mensen die kunnen afdwingen of conserveren. Ze kunnen niet statistisch worden vastgelegd - want ze vinden plaats in het verborgene - en evenmin organisatorisch naar zich toegehaald - want ze komen vanuit een hogere dimensie. De zichtbare kerk met haar orde, haar ambten en regels heeft geen zeggenschap over deze gebeurtenissen. Zij is er verantwoordelijk voor, dat het evangelie klaar en zuiver verkondigd wordt en dat de sacramenten overeenkomstig hun instelling bediend worden. Ze is daarin met al haar organen het werktuig van de Heer. Ze zaait en plant en begiet, maar of het woord kiemt en groeit en vrucht draagt, is haar niet in handen gegeven. Dat staat alleen in de macht van de Heer. Tot in het verborgene van het hart kan ze niet zien. Het is haar ontzegd de gemeente der waarlijk gelovigen te vormen. Ze moet het dulden, dat in deze  tarwe en onkruid dooreengemengd zijn.

De zichtbare kerk draagt dus de meest uiteenlopende trekken van nederigheid: ze is overgeleverd aan verleiding en dwaling, ze kan slechts werktuig en niet soevereine draagster van een geestelijke macht zijn. Ze kan de ongelovigen niet uitsorteren en de ware gemeente van Jezus representeren. En ze houdt haar eigen bestaansrecht slechts in zoverre en zo lang, als ze kerk on der het kruis is en zichzelf voortdurend door de theologia crucis ter verantwoording laat roepen.

De sektarische Kritiek op de kerk

Een kerk van dit karakter biedt naar buiten veel aanvalspunten.

En die worden dan ook door de sekten al naar hun krachten bestormd. De sektarische ecclesiologie ontspruit rechtlijnig aan de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis. De sekte heeft invloed op het heil of zelfs de sleutel daartoe. Wie zich bij haar aansluit en haar leer en geboden gehoorzaamt, is een geredde. De sektegemeenschap is identiek met de heilsgemeenschap.

Als zodanig kan de sekte veel voor zich doen gelden, wat haar pretentie geloofwaardig maakt en haar voordelig tegen de kerk doet afsteken. B.v. dat ze klein in aantal is. Is dus niet op haar van toepassing, wat in het Nieuwe Testament staat, dat velen geroepen, maar weinigen uitverkoren zijn? Hoe zou de massa-kerk met haar miljoenen willen beweren, de "kleine kudde" te zijn? Of: In haar rijen vindt men bijna uitsluitend bewust- en beslist-gelovigen. De kerk echter wemelt van lauwen en onverschilligen, Springt het dus niet duidelijk in het oog, dat hier de uitverkoren gemeente en bij de kerk de grote hoop is? Of: De sekten maken het hun leden niet gemakkelijk. Veelal moeten zij zich aan een volwassendoop of wederdoop onderwerpen en daarbij openlijk belijdenis afleggen. Ze moeten de tienden betalen, en er worden ook verder allerlei offers van hen verwacht. Ze moeten zich onthouden van wereldse genoegens, er wordt dikwijls streng op hen gelet in hun privéleven, ze worden opgeroepen om allerhande dienstverrichtingen in de gemeenschap en vooral voor de werving, die zware eisen stelt. Daarbij komen dan de velerlei moeilijkheden, die ze in de maatschappij ontmoeten: afwijzing in de familiekring, plagerijen onder vrienden en kennissen, achteruitzetting, b.v. bij de Adventisten wegens de sabbatsviering, kortom de hele isolering, welke iemand treft die bij een sekte hoort. En desondanks blijven ze trouw en brengen vaak werkelijk heldhaftige offers voor hun zaak!

Hoe is het daar en tegen in de kerk? Wat daar opvalt is de geestelijke lauwheid van haar gemeenten, het vervlochten zijn met staat en maatschappij, de verburgerlijking en verwereldlijking. De kerk riskeert het in vele gevallen niet eens op de vrijwillige offers van haar leden te steunen, maar laat zich uitbetalen door de staat. Ze verstrikt zich in wereldse zaken, streeft na ar publieke posities, begeeft zich in het gevaar van horigheid tegenover honderden belangen. Ze verlangt van haar leden geen beslissing, maar neemt hun ongevraagd door de kinderdoop op en neemt ook voor later genoegen met een minimum aan eisen. Haar predikanten zijn bezoldigde ambtsdragers met burgerlijk voorkomen en pensioenrechten. En bij hoevelen ontbreekt de geestelijke voorwaarde voor hun beroep!

Nog dieper graaft de kritiek van de sekten, Men spreekt van een ontrouw van de kerk aan de waarheid en de opdracht van Christus. Deze ontrouw wordt verschillend verklaard en gedateerd. De Perfectionistische "Gemeente Gods" (Anders on) ziet die in de confessionele opsplitsing van de oer-Christelijke gemeenschap door menselijke wetten en belijdenissen; de Perfectionistische "Gemeenten van Christus" (Thomas Camp bell) in de vervanging van de Nieuwtestamentische ordeningen voor godsdienstoefening en gemeente door eigenmachtige inzettingen zoals kerstfeest, bevestiging, instrumentale muziek en bovengemeentelijke organisatievormen; de Adventsgemeenschap in de overgang naar de Zondagviering; de Mormonenkerk in de afschaffing van de Nieuwtestamentische ambten met hun volmachten en in allerlei dwaalleer zoals predestinatie, afsluiting van de openbaringswerkzaamheid met Christus en transsubstantiatie. Vaak wordt in het verbond van kerk en staat sedert Constantijn de voornaamste bron van het geestelijk verval gezien. Eenstemmig wordt het pausdom veroordeeld, maar aan de reformatie verweten, dat ze halverwege is blijven staan en harerzijds tot letterknechterij en tot de instelling van staatskerken is vervallen en met de rechtvaardigingsleer het heiligingsgebod uit de weg is gegaan of het gebagatelliseerd heeft.

De kerken hebben zichzelf van de "vooruitgang in de ontwikkeling van de mensheid" afgesloten en zijn op een vroegere trap blijven staan, zegt de Christengemeenschap. Evenzo de groep van Lorber: "De kerken zijn sedert de tweede en derde eeuw retrospectief geworden" en Houden zich bezig met oude, reeds lang achterhaalde ontwikkelingsnormen uit het Bijbelse tijdperk, die voor het hedendaagse leven absoluut niet meer bruikbaar zijn en die alleen daarom reeds zowel wereldvreemd, alsook volslagen ongeschikt zijn om de mensheid werkelijk te leiden." 28)

Weer anderen bekritiseren een tegenovergestelde houding van de kerk, nl. dat ze een theologisch liberalisme huldigt en da armee de inhoud van de Schrift losweekt en ondermijnt. "In beroemde kerken loochenen duizenden kanselredenaars de maagdelijke geboorte, de Godheid van Christus, Zijn lichamelijke opstanding uit de doden en de in de Heilige Schrift opgetekende wonderen. Een groot percentage predikers van onze tijd zijn evolutionisten, en nog meer predikers zijn modernisten." "Hoe moeten Gods kinderen zieh houden tegenover dit gevaar? Paulus riep: Wendt u af van dezulken" 29) Verder verwijt men de kerk, dat ze in de eisen, die ze aan de gelovigen stelt, veel te ruimhartig is geworden; haar prediking dringt niet aan op volledige bekering; haar verkondiging is een half Christendom, en haar gemeenten bi eden het schouwspel van halve Christenen en onverschilligen, Waar echter "niet het volle heil wordt verkondigd, kan niet langer uw plaats zijn". 30)

De kerk heeft zich toegesloten voor de werking van de Heilige Geest, werpen de Pinkstergemeenten haar voor de voeten; haar geloofsleven is derhalve dor arm en vormelijk geworden. Dat ze het pinkstergebeuren van Hand. 2 als een onherhaalbaar eenmalig gebeuren beschouwt, dat haar "Schriftgeleerden en farizeeërs, de theologen, de goddelijke waarde en de heilsnoodzakelijkheid van de geestdoop betwijfelen, de wondergenezing en overige geestesuitingen van deze tijd niet als werkingen van de huidige "spade regen" erkennen, is haar zware zonde tegen de Heilige Geest. "De kerkenwereld is koud en lauw. In plaats van de wereid in verbazing te brengen, amuseren ze de wereld. In plaats van te vasten, feesten ze. De wekelijkse gebedsbijeenkomst is zeer zwak. In plaats van een vuurvlam te zijn, is de kerk een vriesinstallatie, de banken zijn wit uitgeslagen van de vorst, de kerkleden zijn koud en op veel kansels probeert een 1.80 m. hoge ijspegel te preken, De kerkenwereld heeft veel last van "dode" seminaries, die dode predikers voortbrengen, die weer aan een dood gehoor dode preken voorhouden.'31)
Ze is de "Kains-kerk", die de schijn van een godzalig wezen heeft, maar de kracht Gods verloochent en er een "godsdienstigheid van do mensen zonder wedergeboorte" op na houdt. Ze vervolgde altijd roods de levende, door de Geest voortgebrachte "Abel-kerk" die uitsluitend op de geestelijke openbaring van het woord Gods is op gebouwd." 32) Maar "God heeft zo'n kerk reeds lang afgehouwen en haar het leven ontnomen. Hij heeft geen gemeenschap met een naar zonde en ongeloof stinkende kerk of gemeenschap." 33)

De Hersteld-Apostolischen op hun beurt zien de doodzonde van de kerk in het verloren laten gaan van het apostelambt. Daarmee boette ze het met volmacht beklede ambt der genade in. Na de dood van de eerste apostelen "moest men met de herinnering aan het verleden genoegen nemen; het alleen leven-schenkende en leven-behoudende Woord uit de Heilige Geest ontbrak, omdat er niemand meer was, die de macht en de opdracht had gehad, in 's Heren plaats op te treden. Velerlei kwalen waren dan ook het gevolg: twijfel, ongehoorzaamheid, afval, terugval naar het leven in de zonde en tenslotte de geestelijke dood, zoals dat in Openb. 6, 4-8 nader beschreven staat." 34)

ledere sekte komt aandragen met haar eigen desideratum en zet dat om in een verwijt aan de kerk. Bij de Christian-Scientisten luidt het: De kerk heeft het door Christus verkondigde beginsel der genezing in vergetelheid doen geraken. Bij Abd-ru-shin: De kerk heeft de boodschap van Christus vervalst, en haar theologen hebben op het terrein van de godsdienst de tirannie van het verstand ingevoerd. Bij jehova's Getuigen: De kerk leert een drie-eenheid, een voortbestaan na de dood, een eeuwige hellepijn, en is een van de organisaties van de satan. Bij de "Mensenvrienden": De kerk leert, dat God toomt en straft, ze is afhankelijk van de staat en zegent de wapenen en symboliseert met haar drie voornaamste confessies het getal 666 van de ontrouwe Christenheid.

ledere sekte leidt uit haar aanklacht een meer of minder algemene veroordeling van de kerk af. Velen stellen zich tevreden met de constatering, dat de kerk geen toekomst meer heeft, maar onherroepelijke verkommering tegemoet gaat. Naar het oordeel van anderen is de kerk door God verworpen. Daarom wordt ze ondergebracht in de rij der antichristelijke machten en vijand van Gods zaak genoemd. Ze gaat door voor "Babel" en voor de "hoer" , die het aanlegt met de machten der wereld en in het apocalyptische gericht Gods vernietigende straf ontvangt. Met deze classificatie heeft het protest van de sekte tegen de kerk zich verdiept tot een definitieve en radicale scheur.



De sekte als "de ware gemeente"

De polemiek tegen de kerk is uiteenlopend van geluidssterkte en toon. Ze reikt van neerbuigende of betweterige ironie, zoals men die b.v. bij de Christengemeenschap aantreft, tot aan het onbeteugelde fanatisme bij vele radicale Pinkstergroepen of bij Jehova's Getuigen. Maar hoe verschillend de toonaarden ook mogen zijn, op de achtergrond trilt doorgaans de toornige smart en teleurstelling na, dat de kerk de kennis en de leer van de sekte aan zich voorbij heeft laten gaan. Dat ze desondanks de pretentie voert, de "kerk van Christus" te zijn, moet voor de sekten een uitdaging en een bron van voortdurende onrust zijn. Het doel van haar polemiek is derhalve de weerlegging van deze pretentie. Ze moet proberen aan te tonen, dat de kerk een ondeugdelijk werktuig van Christus is, zo niet een instrument van de duivel. Ze moet dus de kerk in het hart treffen, haar haar ambt en haar roeping ontzeggen. Eerst dan heeft de sekte haar eigen bestaansrecht bewezen en verzekerd. Haar polemiek tegen de kerk is dus slechts de keerzijde van haar eigen rechtvaardiging. En hoe absoluter ze zichzelf poneert, des te radicaler is haar antikerkelijke polemiek. Wat deze polemiek echter uiteindelijk wil bewijzen, is de stelling: Wij zijn de ware gemeente van Jezus Of tenminste: Wij alleen bezitten de volle geloofswaarheid en zijn de legitieme dragers van de christelijke boodschap, die de toekomst doen aanbreken.

Deze pretentie vindt haar neerslag in de meest verschillende zelf verabsoluteringen. De gemeenten van Swedenborg houden zichzelf, na de vier voorlopige kerken die de geschiedenis van de mensheid tot nu toe gekend heeft, voor de definitieve vijfde kerk, "de Nieuwe Kerk", terwijl de Roomse kerk en de kerken van de reformatie aan de ondergang zijn prijsgegeven. De Christengemeenschap wil "de derde kerk" boven Katholicisme en Protestantisme uit zijn. Ze baseert zich op de antroposofie, die volgens haar niet slechts een geestes stroming naast andere wil zijn, maar geldigheid voor de gehele mensheid voor zich opeist. Want bij haar gaat het volgens Rudolph Steiner om de "redding van de mensheid"; daarom kiest men voor haar "uit plichtsbesef en met het oog op de opdracht en de roeping Ion aanzien van de mensheid", Ook is alleen zij het, die de mensen
tot Christus brengt. "Het mysterie van Golgotha kan voor onze tegenwoordige tijd alleen door middel van antroposofie begrepen worden." 35) De Hersteld-Apostolische gemeenschap noemt zich het "opnieuw aangevangen verlossingswerk van onze God", waarbuiten geen verlossingsmogelijkheid is, "God kan de mensen in hun oude geloofsgemeenschappen niet tot de genade doen geraken, en ze zijn van het eeuwige leven buitengesloten, want genade en vergeving worden alleen da ar geschonken, waar Hij de troon der genade heeft opgericht." 30) jehova's Getuigen beweren van hun "Theocratische Organisatie", dat zij de enige geloofsgemeenschap ter wereld is, die aan God gehoorzaam is, en daarom door Hem erkend, beschermd en gezegend wordt en straks de nieuwe wereld onder de koningsheerschappij van God regeren zal. De "Kerk van het Godsrijk" eist dezelfde hoedanigheden en privileges voor zieh op als jehova's Getuigen. De Adventisten willen het volk Gods van de eindtijd zijn, dat in alle geboden aan God gehoorzaam is. De Mormonen beroemen zich erop, de ware kerkorde en het priesterschap van de Almachtige met inbegrip van alle volmachten direct uit de hemel te hebben ontvangen en daarom na vele eeuwen van verval eindelijk weer de herstelde kerk "van de heiligen der laatste dagen" te zijn. De Pinksterbeweging ziet zichzelf als "het laatste grote teken van genade voor een wereld, die het eindgericht tegemoet gaat". In haar "is onder alle volkeren een laatste grote ure van genade aangebroken, voordat de nacht komt, waarin niemand werken kan." 37) De Evangelisch- Johannetsche Kerk verkondigt, dat haar me ester Joseph Weissenberg "de ware genius" is, die de innerlijke spanningen van de wereId op kan lossen en de psychische koorts in een machtige en vrede brengende nieuwe vroomheid veranderen kan. "En het werken en heersen van de witte berg zal dan de wereld vervullen! Want deze berg is geweldig groot, in zijn afmeting ondoorgrondelijk. Ge kunt, als ge aan de voet van de berg staat, niet eens tot de top van deze berg omhoog zien." 38)

Soms staat de getalsterkte van een sektegemeenschap in een schreiende wanverhouding tot haar pretentie van absoluutheid. B.v. als de "Broederschap: de Koning komt!", een Pinkstergroep, zieh in een profetie door Christus laat aanzeggen: "Gij zijt de tweede Eva. En Ik heb u uw verlovingsring reeds lang aan de hand gedaan.
Blijf niet staan bij de verloving, Ik wil bruiloft met u vieren!" 39) Of wanne er een andere Pinkstergroep, de Holiness Church in Kentucky met haar achttien gemeenten en vierhonderd zielen, volgens haar statuten de alleen ware kerk wiI zijn: "Alle andere gemeenschappen worden noch als de ware kerk noch als loten daarvan erkend." Of wanneer een eind 1955 in een Zwabische stad gestichte "Rijk- Israël gemeente", een onbeduidende achteraf-sekte, zich door haar "gavendragers" Gods speciale en enige gemeente van de eindtijd la at noemen: "Ze zal in de hele wereld doordringen. Ze zal de vlam worden voor de wereld" . "Ik zal door mijn gemeente al deze gerichten, die over de aarde komen zullen, voorzeggen, en gij zult het van te voren weten." 40)

Overal straalt hier de theologia gloriae sectae. Dat komt in de wijze, waarop de sekte zichzelf beschouwt, volop tot uiting. Veelvoorkomende namen, die men zichzelf toekent, zijn b.v.: De gemeente der 144.000 - de uitverkoren gemeente - de bruidsgemeente - de geredde gerne ente - het volk Gods - de gemeente Gods - het huisgezin Gods - de ware kerk - de kleine kudde - de tweede Eva. Deze namen zijn ten dele Nieuwtestamentisch. Maar men moet er eens op letten, dat ze daar nooit door enig mens voor een concrete gemeenschap, b.v. door Paulus voor de gemeente van Corinthië, worden gebruikt. Hier echter zijn het de sekten en hun predikers, die ze op hun eigen gemeenschap toepassen.

In scherp contrast tegenover de kerk met haar symptomen van nederigheid als een gemeenschap van zondige heiligen staat hier dc sekte met haar pretentie van uitverkorenheid als de gemeenschap van zich breed makende heiligen. En terwijl de kerk weet heeft van haar dienstknechtgestalte, beroemt de sekte zich trots en zelfbewust op haar rijkdom en haar prestaties. Wat menig tijdschrift van de Pinksterbeweging in ieder nummer opnieuw publiceert, is een aaneengesloten reeks van luisterrijke successen door de Sterevangelisten behaald. ledere bijeenkomst is een massabijeenkomst. ledere massabijeenkomst eindigt met massabekeringen en massagenezingen. Het is een opeenstapeling van superlatieven: Steeds reusachtiger en succesvoller worden de evangelisatiecampagnes, steeds opzienbarender do genezingen, al maar groter de verbazing van het publiek, steeds frappanter de wonderen. Tegenover zulke overwinningen verbleken de wonderen van Christus. Zijn jongeren hebben Hem ver overtroffen. Hermann Zaiss becijferde het aantal van degenen, die in een twaalfjarige werkzaamheid door zijn dienst gene zen zijn, op tien tot twintig duizend. Tommy Hicks beweert, dat hij gedurende de evangelisatiecampagne van tweeënzestig dagen in Buenos Aires in 1954 rond zes miljoen mensen onder zijn gehoor heeft gehad, waarvan er zich drie en een half miljoen tot Christus zouden hebben bekeerd, Blijkbaar onbegrensd is de wonderkracht van William Branhams, die in Durban (Zuid-Afrika) in een slag 25.000 mensen door zijn gebed genezen zou hebben.

Dit betrof diverse groepen van de Pinksterbeweging. Maar ook andere gemeenschappen beroemen zieh op de luister, die ze bezitten. Jehova's Getuigen b.v. steken de loftrompet over hun vereniging: "Aan geestelijke spijzen heerst geen gebrek. Niemand hoort van een honger naar voedsel in jehova's organisatie 0, gelukkig volk van Jehova! Ge woont in de zonneschijn van zijn gunst. Onder de schutse van zijn liefde zijt ge werkzaam, en ge verheugt u over zijn rijke zorg! Gij zijt getuigen van Jehova, die het tegenbeeld van de Israëlieten zijt, wie is u gelijk op de ganse aarde?" 41) De Evangelisch- Johannersche Kerk prijst zichzelf aldus: "Groot en heilig, ja majesteitelijk werkt de Meester in onze kerk", Daarom is ze geen kerk, waarin slechts het woord des Heren verkondigd wordt". Ze is "de kerk van de Heilige Geest" . Want ze mocht de vleesgeworden Heilige Geest in haar midden hebben en mocht het beleven, hoe Hij "niet in trotse praal, maar in de deemoed van het goddelijk hart" zieh naar de mensen toeboog. "Hij heeft ons een geweldig testament nagelaten, dat we beslist nog niet kunnen overzien en waarvoor de mensen eeuwen en wellicht tientallen eeuwen nodig zullen hebben, om alles in zieh op te nemen." Deze kerk, zo rijk aan geestelijke macht, is dan ook bedoeld om in de eindtijd "een ark voor alle zielen, die gered willen worden" te zijn.")

De Hersteld-Apostolischen vormen, zo verklaarde de stamapostel J. G. Bischoff, onder de Christelijke kerken "de kerk van Christus", omdat ze "iets bezit", wat de anderen niet hebben.") Waarin bestaat haar "bezit" dan? Hierin, dat zij kan bogen op een uitzonderlijke verdienste: Toen Christus kwam, namen de zijnen Hem niet aan, en toen de Heilige Geest door de eerste apostelen het verlossingswerk wilde voortzetten, waardeerden de mensen ook deze gave niet. De Hersteld-Apostolischen echter vormden de enige uitzondering op deze eeuwenlang durende houding van de Christenheid - ze "herkenden de gave en wisten die ook naar waarde te schatten" _ 44) Daarom zijn ze dan ook Gods uitverkoren gemeente en worden met voorspoed gezegend. "Men bleef niet meer eenzijdig bij het verleden staan, maar greep het actuele woord uit de geest van Jezus aan, en een gezond, krachtig geloofsleven volgde op de vroegere ziekelijke toestand, waarin wijzelf ons ook nog bevonden hadden. Het apostelwoord werd brood des levens voor ons en heeft ons rijp gemaakt voor herschepping en eerste opstanding. Hoe het er bij die genen uitziet, die slechts op het verleden teren, kunnen we steeds opnieuw vaststellen. Daarom zijn wij de Heer dankbaar, die ons uit genade naar Zich toegetrokken heeft." 45)

Hier spreekt de trots van de bezitter - theologia possessionis.

Deze trots treft men aan in alle sektegemeenschappen, of het nu de Adventisten zijn, die prat gaan op hun gehoorzaamheid aan de sabbat, dan wel de Perfectionisten, die zieh op hun gemeenten van bekeerden na ar bijbels model beroemen, of de Mormonen met hun opuieuw geschonken priesterlijke volmachten, ofwel anderen, die op hun nieuwe openbaringen, hun diepere inzichten en hun machtige sacramenten wijzen. Deze trots kernt natuurlijk niet voort uit een soort verenigingsmanie. Ze kon - en moest - voor de dag komen, toen de sekte de theologia crucis ingeruild had voor de theologia possessionis en daarmee de mogelijkheid had verkregen, een onbedreigd platform voor de stichting van de "ware gemeente van jezus" te creëren. Ze wortelt in de overtuiging, dat juist haar aparte bezit de nieuwe, ongehoorde gave van God uitmaakt, die aan de sekte - en uitsluitend aan haar - geschonken werd en haar hoog boven de kerk verheft. Daarom is elke kritiek op dit bezit dan ook absoluut verboden. Wie kritiek oefent, vergrijpt zich niet aan de sekte, maar tast God zelf aan. Wie in ongunstige zin over de stamapostel spreekt, lastert de Heilige Geest. Wie aan de genezingswonderen van Branham twijfelt en die niet op de macht van Christus, maar op occulte krachten terugvoert, lastert evenzo de Heilige Geest.") Als tegenstanders van jehova's Getuigen de Theocratische Organisatie aanvallen, is het "alsof ze de zachte pupil van zijn - jehova's - oog aantasten. Ze zullen daar zwaar voor boeten!" 47)

"Z e trekken zee en land rond"


Het sektarische zendingsbewustzijn ontlaadt zich in een ongekende werfkracht. Men zou het zelfs een werf-woede kunnen noemen. - Niet bij alle sekten is dit het geval; er zijn ook gemeenschappen, die meer terughoudend zijn of die na een periode van activiteit door een resignatie overmand werden en rustig geworden zijn. Maar waar deze werf-woede heerst, komen alle beschikbare energieën samen om zielen te winnen, worden allerlei wegen uitgedacht en alle moderne technische middelen benut, om de leer van de sekten te propageren. En dan worden de sekten als scherpe bajonetten, die doorstoten in het lichaam van de kerk en het uiteenrukken,

1. Het kleine Zwitserland telt 43 sektegemeenschappen. In Duitsland zijn het er ongeveer 65 met wellicht 700.000 aanhangers, in de Verenigde Staten 290, waarbij evenwel de classificering voor een deel van de onze afwijken. Er is geen enkel zendingsgebied van de kerken, dat niet van het binnen dringen van de sekten te lijden heeft gehad, geen enkel diasporagebied, dat niet door hen geteisterd is, En er is geen enkele confessie, die menen kan immuun voor haar te zijn. Compacte kerkgebieden bestaan nauwelijks meer. De godsdienstige landkaart wordt steeds bonter. Een stad als Ulm herbergt 22 godsdienstige gemeenschappen. Zowel hier als in Stuttgart of in Berlijn vormen na de beide voornaamste kerken de Hersteld-Apostolischen wat getalsterkte betreft de derde gemeenschap. In Baden-Württemberg telden de 8 vrije kerken in 1950 samen 40775 leden, de Hersteld-Apostolischen alleen 59047. De sekten zijn in dit land van 2570 aanhangers in het jaar 1900 tot 73200 in het jaar 1950, dus tot ongeveer het achten twintigvoudige, aangegroeid. De commissie voor het pastoraat van de Katholieke Actie in het aartsbisdom München kwam tot de conclusie: "De propagandistische werkzaamheid van de sekten neemt vormen en afmetingen aan, die we onzerzijds niet meer met incidentele preken kunnen beantwoorden. De afweer vereist een uiterst grondige en hernieuwde planning." Een pastoor uit Wenen bericht, dat in zijn parochie met 3200 zielen tenminste 10 sekten werken. Het Franse episcopaat zag zich genoodzaakt in een gemeenschappelijke verklaring de Katholieken op te roepen, een dam op te werpen tegen de opdringende vloed van het sektewezen, De reeds eeuwen bestaande hechte eenheid van de Lutherse kerk in Groenland wordt bedreigd sedert in de laatste jaren Adventisten, [ehova's Getuigen en Pinkstergroepen met alle mogelijke middelen proberen, daar voet aan wal te krijgen. De zwarte "profeet" James jones in de U.S.A. kon in weinig jaren 6 miljoen gelovigen in de U.S.A., Canada, West-Indische en Afrika winnen voor zijn "Church of Universal Triumph" en zijn "goddelijke boodschap" van het aanbreken van het gouden tijdperk in het jaar 2000. In Alaska keerden 12 Protestantse denominaties zieh in een gemeenschappelijke verklaring tegen het "toenemen van het sektarisme, dat onenigheid en tweedracht zaait en het gemeenteleven in gevaar brengt". Op het eiland Puerto Rico met zijn 2,2 miljoen overwegend Katholieke bewoners zijn volgens een reisverslag van de Amerikaanse theoloog Dr Henry P. van Dusen 200.000 Protestanten; maar slechts 50.000 van hen behoren tot de historische Protestantse kerken, de anderen zijn leden van buitenkerkelijke gemeenschappen, die in de laatste twintig jaar verrassend snel gegroeid zijn. In Midden-Amerika stootte Van Dusen in elk land, elke stad en elk dorp op Adventisten, Pinkstergroepen en Perfectionisten en trof er menigmaal een heel dozijn van zulke sektegemeenschappen aan.

2. In de landen met een gekleurde bevolking vinden de sekten in de onderstromingen van het oude heidendom een welige voedingsbodem. Op Haïti verbreidde .een christelijk vermomd spiritisme onder de naam "Voodoo" zich gelijk een epidemie. De Katholieke bisschop stelde in 1949 zijn 550.000 diocesanen voor de keus: Breekt met de bijgelovige Voodoo ofwel verlaat de kerk; slechts 24757 van hun, dus 5 %, bleven in de kerk, de anderen gaven de voorkeur aan do Voodoo; tot 1954 zijn er nog 20.000 naar de kerk teruggekeerd, In Brazilië werden miljoenen negers en mulatten door de eveneens spiritistische Makumba-dienst gegrepen. De Protestanten op de Filippijnen noemden de grote activiteit van de Pinkstergroepen en fundamentalistische sekten als een van hun grootste zorgen. In de jonge staat Ghana (de vroegere Goudkust) voegen zich bij de meer dan 13000 Adventisten, die daar een eigen seminarie, een drukkerij en 58 scholen hebben opgericht, en bij de 6200 verkondigers van jehova's Getuigen specifiek Afrikaanse sekten, zoals de "Witte broederschapsloge" - "Ontwikkelt uw innerlijke krachten, dan zijt ge goden!" - of de "Kerk van het leger van jezus Christus", die een eigen heilige stad met de residentie van haar "profeet" of "opperkoning" heeft en ervan overtuigd is, dat zij alleen bij het naderend wereldeinde in het leven zal blijven. In Natal en Transvaals werken Pinkstergemeenschappen, zoals de ab-Apostoli-sekte, en christelijk-getinte groepen met geestenaanbidding, zoals de jdhlozi-cultus, naast de "Christelijke kerk in Zion" van de als vleesgeworden godheid vereerde neger Lekganyane in Pietersburg. "De mensen vallen bij haar binnen, zoals vliegen in de melk vallen." In Zuid-Afrika werden tot eind 1951, vooral bij de Bantus, 1286 verzocken van sektarische en separatistische gemeenten om overheidserkenning ingediend! Ze groeperen zieh veelal om inheemse profeten of extatische dwepers als Bebe. Sedert tientallen jaren hebben ook de Hersteld-Apostolischen in Zuid-Afrika talrijke gemeenten met momenteel 60.000 zielen en ze werken van hier uit ook tot in Rhodesië. In het zuiden van Dahomey zijn naast de Protestantse zending zeven sektemissies werkzaam. In Nigeria werken, afgezien van de kerkelijke missies, bijna 20.000 verkondigers van Jehova's Getuigen en meer dan 500 Pinkstergemeenten met een eigen bijbelschool. In de stad Lagos in Nigeria behoorden in 1950 van de 230.000 inwoners er 122.000 tot het Christendom, waarvan 19.000 tot de Afrikaanse sekten. In Ibada, de stad in Nigeria met de grootste inheemse bevolking, was in 1937 nog maar een sektegemeenschap tegen dertig sektarische groepen in 1952. Nationalistische dweepzieke en synkronistische elementen woekeren in deze Afrikaanse sekten door en verminken de christelijke substantie vaak tot onherkenbaar wordens toe. Het komt voor, dat een zendingswerk van tientallen jaren eenvoudig weggevreten en tot in storting gebracht wordt, omdat hele gemeenteverbanden met hun predikanten en leraren naar de sekte overlopen. En dat in een werelddeel, dat tegelijkertijd de stormaanval van de Islam en die van het communisme heeft te verduren!

3. Het is kenmerkend voor het parasitaire karakter van de sekten, dat ze zich met hun drang tot "redding van zielen" veel minder tot de ongelovigen en de heidenen wenden. Slechts enkelen - de Adventisten en een paar Pinkstergemeenschappen - hebben ook een heidenzending ontwikkeld, maar het zwaartepunt ligt bij hen in de werving onder de Christenen. Zo is dus niet het ongeloof of het buitenchristelijke geloof het eigenlijke mikpunt van hun propaganda, maar de kerk. Ze staan als te gen standers in de ruimte en in de ban van de kerk en leven van haar. Ze hebben het kerkelijk Christendom nodig als "voorvrueht". Want alleen hier kunnen hun leerstellingen de nodige contrastwerking ontwikkelen, alleen hier kan haar antithetisch worden verstaan. Hun propagandistische ijver wordt bovendien nog geprikkeld, doordat de sekten onbeduidende minderheden zijn. Hun aantal komt niet overeen met hun zendingsbewustzijn. Daarbij komt, dat zij als splintergroepen, die door de moederkerken het stempel van illegitimiteit opgedrukt krijgen, een gevoel van inferioriteit met zich meedragen. Zodoende waarderen ze elke toeloop en iedere aanwas als gewenst waarmerk door God en de wereld, leder succes wordt uitgelegd als een bewijs van echtheid en als een getuigenis van de gloria sectae. Het sektarische zendingswerk onderscheidt zieh aldus in zijn motieven typerend en diepgaand van de kerkelijke zending. Omdat in dit werk het zendingsbewustzijn van de sekte zich ontlaadt en het tegelijk zijn eigen bevestiging zoekt in het succes, heeft het voorrang op al het andere. Het zuigt het merendeel van de krachten en middelen naar zich toe, zodat voor andere diensten, b.v. de charitatieve arbeid, nauwelijks meer iets overblijft - loffelijke uitzonderingen vormen hier de Adventisten, de Mormonen en enkele Pinkstergemeenschappen. Enige voorbeelden: De Methodistenkerk in Duitsland telt rond 60.000 leden; ze beschikt over 1000 diaconessen voor haar liefdewerk. De arme, wijd en zijd verstrooide Waldenzenkerk in Italië met 30.000 leden onderhoudt een eigen diaconessenhuis, een ziekenhuis, een tehuis voor ouden van dagen en enige scholen. De Hersteld-Apostolischen hebben meer dan 500.000 leden en beschikken over aanzienlijke middelen. Maar er is geen Hersteld-Apostolisch diaconessenwerk. jehova's Getuigen zetten jaarlijks vele miljoenen om; ze hebben grote propaganda-instituten - drukkerijen, een vormingscentrum voor semi-beroepspropagandisten -, maar geen enkel ziekenhuis of tehuis voor ouden van dagen gesticht.

Waar vloeien al hun gelden dan naar toe? Naar de werving. Een bisschop van de Hersteld-Apostolischen zei in een kerkdienst: "Ge kunt twee grote zonden doen: 1. een kerkdienst verzuimen; 2. niet voor ons werven." Evenzo geldt bij Jehova's Getuigen de "velddienst" als het hoogste gebod en als de vervulling van de wet. "Eerst het koninkrijk Gods zoeken betekent, dat men te allen tijde in elk opzicht op de eerste plaats de belangen van het koninkrijk dient" en b.v. als huisvrouw iedere dag drie of vier uur benut, om anderen van de "zegeningen van het koninkrijk" te vertellen.")

4. Geen wonder dat menige sekte als een meteoor omhoog schoot.

De Hersteld-Apostolische gemeenschap is in 90 jaar tot meer dan een half miljoen leden aangegroeid, de Adventisten in 110 jaar tot meer dan 1 miljoen, de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen in 125 jaar tot 1,4 miljoen. jehova's Getuigen hebben het in 75 jaar tot bijna 600.000 verkondigers gebracht en rekenen per verkondiger op vijf of zes meelopers. Ze hebben in de tijd van 1942-1955 hun aantal verkondigers in Europa vertienvoudigd (van 22796 op 227374), evenzo in Afrika (van 10070 op 98146), in Noord-Amerika verdrievoudigd (van 75589 op 236124), in Zuid-Amerika zelfs tot meer dan het twintigvoudige doen stijgen (van 8070p 18800), in Midden-Amerika tot ongeveer het vijf tienvoudige (van 1297 op 19615), in Azië tot het veelvoudige (van 406 op 4541), en in Oceanië en Australië tot omstreeks het negenvoudige (van 4275 op 38325). De Pinksterbeweging is in de vijftig jaren van haar bestaan sedert 1906 tot drie miljoen aanhangers gegroeid; volgens haar eigen, zeker overdreven opgaven moeten het er vijf of wel tien miljoen zijn. Terwijl de oudste Pinkstergemeenschappen rustig zijn geworden - ook in hun zendingswerk -, hebben de nieuw-ontstane groepen ook een nieuwe energie in de werving ontwikkeld. En verschillende evangelisten, zoals Harvey McAlister, William Freeman, T. L. Osborn, Louise NankiveII, Tommy Hieks, hebben zieh tot rondtrekkende wereldpredikers ontwikkeld, die van stad tot stad, van land tot land, van massabijeenkomst tot massabijeenkomst reizen, deels om er als gast een kort en sensationeel optreden te verzorgen, deels om groots opgezette evangelisatiecampagnes tot "verovering" van hele landen te organiseren. Aan de top staat onbetwist William Branham, wiens actie gedragen wordt door de broederschap "FulI Gospel Business Men's Fellowship International". Oral Roberts, prediker en specialist in demonen -uitdrijving, reist in de U.S.A. met een eigen 175 ton zware tentuitrusting op 7 grote vrachtwagens met aanhangers van kust tot kust, Hij verkondigt zijn boodschap via meer dan 750 radio- en televisiestations; hij brengt daarvoor wekelijks f 120.000 bij elkaar en bereikt vele miljoenen mensen. T. 1. Osborn liet in 1956 een film van zijn "kruistocht" in Indonesië draaien, "De java-oogst", die aantoonde, hoe "een enorme zee van mensen", die tevoren het Christendom vijandig gezind waren, nu bij het zien van de wonderdaden van de evangelist op de knieën viel. Hij "schokte" het Boeddhisme in Kyoto met zijn genezingen, won vele duizenden met zijn evangelisatiecampagnes in Jamaica, Puerto Rico, Guatemala, San Salvador en stichtte een zendingsorganisatie met meer dan 550 inheemse zendelingen in ongeveer 70 landen. Aan de evangelisatiecampagnes, die Hermann Zaiss in 1956 hield, zouden 700.000 tot 1 miljoen mensen hebben deelgenomen. Zijn "Ecclesia-gemeente van Christenen" groeide van 28 lokale gemeenten in 1951 aan tot 168 in het jaar 1956. De Amerikaanse Pinkstergemeenschap "Apostolisch geloof (Portland) omvat slechts 17 gemeenten met 2200 zielen, is dus niet groter dan een dorpsgemeente ergens in Europa. Maar haar gelijknamig tijdschrift verschijnt in 12 talen en heeft alleen al in de Engelse uitgave een oplage van 90.000. Bovendien verspreidt ze traktaten in 55 talen - allemaal kosteloos, In Italië hebben de Pinkstergroepen wat getalsterkte betreft de Protestant se kerkgemeenschappen overvleugeld.

Terwijl de toestand tussen de Katholieke kerk en de kerken der reformatie in zoverre station air geworden is, dat hun over en weer geen doorbraken meer gelukken, voeren Protestantse sekten als de Pinkstergroepen, jehova's Getuigen en de Adventisten, een stormichtige en ook succesvolle aanval uit op van oudsher Katholieke gebioden, vooral in Zuid-Amerika. De Adventisten b.v. maar daar snelle vorderingen, terwijl de groei in Midden-Europa en Scandinavië stagneert. In Chili heeft de Pinksterbeweging in korte tijd :2OO.OOO zielen gewonnen, in Brazilië 200.000. Pinkstergemeenschappen hebben bijbelscholen opgericht zowel in Egypte en Zuid-Amerika, als Peru, India en Japan.


5. Verbazingwekkend is het aanbod van zendingskrachten. Een enkele Pinkstergemeente, de "Smyrna" -gemeente in Gothenburg, heeft bij een getal van 3400 leden 51 zendelingen in het buitenland in dienst. De Pinkstergemeenschap "Church of God" (Cleveland) met 230.000 leden onderhoudt 1525 predikers in 1592 zendingsgemeenten; de "Assemblers of God" leiden in 9 bijbelscholen gelijktijdig 2500 predikers en evangelisten op en verzorgen 66 zendingsvelden met 719 zendelingen. Voor de Mormonen zijn 4700 zendelingen in 44 missiegebieden werkzaam, en sedert 1830 hebben zij in totaal plm. 70.000 zendelingen uitgezonden. De Adventisten brengen jaarlijks 90 miljoen gulden voor zendingsdoeleinden bijeen.

Ter vergelijking geven we hier enige getaIlen uit het zendingswerk van de kerken. In 662 Katholieke missiegebieden, die afhankelijk zijn van de Propaganda Fide, werken 32.000 buitenlandse en inheemse missiepriesters (waarvan 784 uit Duitsland en meer dan 13.000 uit he el Europa), 10.000 missiebroeders en 60.000 missiezusters. Daar komt bij een leger van catecheten en leraren. De missie onderhoudt 40.000 lagere-, 4.000 middelbare- en 200 hoge-scholen, 3200 klinieken, 1200 hospitalen en ongeveer 2200 inrichtingen voor melaatsen, ouden van dagen en wezen. De Lutherse kerken, die in totaal ongeveer 70 miljoen leden teIlen, hebben 3379 zendingswerkers uitgezonden. Daarvan komen er 1478 uit de Verenigde Staten, 518 uit Noorwegen, 482 uit Duitsland, 374 uit Zweden. De Lutherse kerken brengen jaarlijks 14 ä 15 miljoen dollar voor zendingsdoeleinden bijeen. In de zendingsgebieden en jonge kerken van Azië en Afrika telt men een kleine 2,6 miljoen gedoopten. In hun dienst staan 1590 inheemse predikanten en 9974 hulpkrachten. In 5574 scholen worden 481.500 leerlingen onderwezen door 13.507 leraren. In de Verenigde Staten geeft in doorsnee iedere Protestantse Christen jaarlijks twee dollar voor de zending. Bij de Duits-Evangelische Christenheid is dat slechts een fractie van dit bedrag.

Reusachtig is soms de apparatuur, welke de sekten in dienst van de werving hebben gesteld. Kleine afgelegen groepjes schrapen al hun geld bij elkaar, om zendtijd bij de radiostations te kopen en via de Jutdeprekers-In-het-groot" hun leerstellingen wijd en zijd uit te bazuinen. Zo heeft b.v. de "Bijbelstudie-vereniging De Dageraad",

een niet bepaald belangrijke afsplitsing van jehova's Getuigen, die sedert 1950 ook in Duitsland vertegenwoordigd is, zendtijd gehuurd bij meer dan 300 radiostations in Noord-Amerika, Europa, Afrika en India. Andere groepen hebben eigen zenders gebouwd, b.v. de Pinksterbeweging in Tanger. De Christian-Scientisten verbreiden hun leerstellingen over 621 radiostations. De Adventisten roepen hun "stern der hoop" over 1145 radiostations en televisiezenders uit in de wereld; de geïnteresseerde hoorders binden ze met hun "Bijbelcorrespondentieschool" om hen in een schriftelijke radiocursus volledig voor hun gemeenschap te winnen.

In talloze talen komt een stroom van boeken, traktaten en vlugschriften van de pers. De Adventisten beheren 63 uitgeverijen, drukken geschriften in 198 talen en geven daar jaarlijks 15 miljoen dollar voor uit. Ze stellen zich er niet mee tevreden hun geschriften via de boekhandel te verkopen, maar brengen ze door speciaal daartoe opgeleide boek-evangelisten in de huizen. Ze hebben in hun 110- jarige geschiedenis ter waarde van ongeveer 1 miljard gulden aan literatuur verspreid. Jehova's Getuigen hebben in de jaren 1920- 1956 de wereld met ongeveer 1,2 miljard boeken en brochures overgoten. Alleen in West-Duitsland verkochten in 1956 hun 47.375 verkondigers en 765 pioniers 1.294.434 geschriften en organiseerden ze 33.533 openbare bijeenkomsten. Hun wereldpropaganda strekte zich uit over 162 landen. In hun dienst staan 78 bijkantoren, 8 drukkerijen en ongeveer 2000 speciaal opgeleide voltijdse zendelingen voor het buitenland, waarbij zich dan nog 591.556 "verkondigers" voegen, die deze functie als nevenberoep uitoefenen.

Zeer intensief is het kleinere werk van vele sekten, bestaande in de werving van de enkeling, huisbezoeken, Bijbelstudie thuis e.d. Op dit kleinere werk van mens tot mens concentreren zich de Hersteld-Apostolischen met een enorme vasthoudendheid. Jehova's Getuigen plegen colonnegewijs binnen te vallen in dorpen en kleine steden, om deze systematisch huis aan huis te bezoeken, en koppelen ieder streekcongres aan een intensieve wervingsactie. De leden van de Adventistische gemeenten worden ertoe aangezet, zendingsbrieven te schrijven, zendingsbezoeken af te leggen en mensen uit te nodigen en af te halen voor kerkdiensten. De wellicht 43000 Adventisten, die zich in Duitsland bevinden, hadden zich b.v. voor twee zondagen in de maand juni van het jaar 1952 voorgenomen 450.000 families te bezoeken ..

Men heeft het er voor over, dat de werving veel tijd en geld kost.

De Mormonen hebben uitgerekend, dat een enkele "bekering" in Duitsland een uitgave van ruim f 1500. - vergt. Dat is nog "goedkoop", want in heel Europa kost iedere "bekering" gemiddeld meer dan het dubbele! De kerkelijke gemeenten bespeuren tot in de meest afgelegen dorpen toe de invloed van de enorme activiteit van de sekten. Dikwijls gaat er geen zondag voorbij, zonder dat de propagandisten van deze of gene sekte hun vlugschriften uitdelen of aan de huisdeuren aanbellen en de bewoners op bijeenkomsten uitnodigen. Is het hun eenmaal gelukt, een kleine kring van aanhangers te vormen, dan verandert deze al heel spoedig in een nieuw zendingscentrum. En naast de kerken verrijzen de kapellen en vergaderruimten van de sekte. Het lichaam van de gemeente wordt uit elkaar gerukt. De tweespalt dringt het gezin binnen. De wirwar van stemmen groeit. De enkele Christen wordt radeloos en hulpeloos: Waar is de waarheid?

Maar dat zijn dan alleen nog de grotere sekten. Daarnaast staat een grote schare van kleine gemeenschappen, die regionaal begrensd zijn, maar daartegenover binnen de lokale ruimte een des te levendiger activiteit ontplooien. Een overzicht daarover is niet te geven. Ze zijn in ieder land weer verschillend. Vaak zijn het groepjes rondom enkele sektariërs, die op eigen houtje evangeliseren, beweren een bijzondere "boodschap" ontdekt te hebben of door hun wijze van optreden indruk maken. Of het zijn kringen van dwepers en zonderlinge heiligen, van esoterisch, magiërs en gezondbidder. Of men geeft een mengsel van christelijke en andere elementen - spiritisme, nieuwe openbaringen, oud heidendom - uit als heilsleer. Het is een ware wildernis van de meest verscheidene en vaak meest buitenissige geloofsartikelen.

Een globale statistiek over het totaal aantal aanhangers van alle sekten is niet voorhanden, is ook onmogelijk samen te stellen, omdat de afzonderlijke sekten zeer verschillend teIlen en dikwijls hun aanhangers-aantallentotaal verzwijgen. Ook is er een onoverzichtelijk leger van lieden, die alleen maar bijlopers zijn, zonder zich los te maken van de kerk. Volgens mijn schatting, die uiteraard met veel onzekere factoren belast is, moet men rekenen op een aantal van 20 miljoen sekt ariërs ter wereld. Dat is, gemeten aan de 800 miljoen Christenen, niet veel. Maar het beeld wijzigt zich, zodra men bedenkt, dat een groot deel van de leden van de kerken uit onverschilligen bestaat en dat deze 20 miljoen tot de meest actieven behoren. Ze hebben een enorm wervingspotentieel. En waar ze dit potentieel overwegend in dienst van hun inwendige "zending" -arbeid stellen, wordt duidelijk, in welke mate de kerk in de gehele wereld door de sekten bedreigd wordt.


Kiemen des doods


ledere sekte bejubelt zichzelf en verleent aan haar leer en gemeenschap, de een minder, de an der meer, een nimbus van absoluutheid. Deze zelfverheffing gaat in tegen de Schrift. Daarom valt ze onder de kritiek van het gericht Gods, dat zieh op een drievoudige wijze voltrekt:


1. De sekten hebben zichzelf tot een streng isolement veroordeeld.

Ze moeten zieh de broederlijke uitwisseling met andere christelijke gemeenschappen en de vruchtbaarheid van een dergelijke uitwisseling ontzeggen. Ze blijven, ook al binden ze een gevolg van miljoenen aan zich, afzijdige gemeenschappen. Ze kunnen niet geven en ze kunnen niet nemen, ze kunnen niets meer leren en niet over de enge omheining, die ze zelf hebben aangebracht, heenkijken.

Hun zelf cultivering maakt hen echter niet alleen ongeschikt voor een oecumenische houding, maar sluit hen ook af van de wereld rondom. Het lukt hun zelfs niet een vruchtbare relatie tot het tijdsgebeuren te vinden, om uit zijn ontwikkelingen en catastrofen Gods roepstem tot boete te vernemen en achter de gebeurtenissen in de volkerenwereld de verschrikkelijke en wonderlijke leiding Gods te herkennen. De enige manier, waarop ze op het tijdsgebeuren kunnen reageren, is de apocalyptische daarop zullen we later nog moelon terugkomen en dan zal blijken, dat ook hier geen echte dialoog tussen de sekte en de Heer der geschiedenis tot stand komt, maar zal de sekte blijft steken in de zelfcultivering. In Duitsland was het ontstellend om op te merken, hoe onberoerd de catastrofen van 1933-1945 de meeste sekten gelaten hebben. Ze zijn in 1945 precies op hetzelfde punt verder gegaan, waar ze in 1933, of toen ze in het Derde Rijk verboden werden, gebleven waren - alsof er in de tussentijd niets gebeurd was.

De sekte heeft zichzelf echter niet alleen buiten het tijdsgebeuren geplaatst, maar ook buiten de gehele geschiedenis van de Christenheid. Het is haar onmogelijk zichzelf organisch en deemoedig in te schakelen in de keten van de grote gerichts- en heilsdaden Gods, die Hij sedert Christus in en door de kerk verricht heeft. Ze moet zich ook hier buiten houden. Zodoende is ze afgesneden van heel die rijkdom aan getuigenissen en ervaringen, die in deze twintig eeuwen vergaard zijn. Volgens de sektarische visie is heel de lange geschiedenis tussen Christus en het aanvangsjaar van de eigen sekte een lege ruimte of een keten van dwalingen of alleen maar een soort voorspel, in ieder geval dus iets van geringe waarde of zelfs iets negatiefs, waar men niet op hoeft te letten en waarvan men niets behoeft te leren. Voor haar duikt de waarheid Gods, na een kortstondig oplichten ten tijde van Christus, eerst weer op in het geboorteuur van de eigen sekte. Dat was voor de Mormonen het jaar 1829, toen joseph Smith en Oliver Cowdery de volmachten van het priesterschap van Aäron en Melchizedek uit de hemel ontvingen. Dat was voor de Hersteld-Apostolischen het jaar 1832 en vooral 1860, toen de Heilige Geest eindelijk weer na 1800 jaren van donkerheid nieuwe apostelen aanstelde. Dat was voor de aanhangers van Swedenborg het jaar 1757, toen de vier tijdperken van de vervallen kerk ten einde liepen en met het jüngste gericht in de hemel de nieuwe kerk in het vijfde en laatste tijdperk der aarde aanving. Dat was voor de Adventisten het jaar 1905, toen na vele eeuwen van dorheid eindelijk de Heilige Geest weer begon te werken. Dat was voor Jehova's Getuigen het jaar 1874, toen Russell het "Plan Gods met de mensheid" publiceerde en de eindtijd inleidde. Dat was voor de "Kerk van het Godsrijk" het jaar 1918, toen de "zendbode" A. Freytag de opdracht voor de eindtijd accepteerde om het werk des oogstes te volvoeren. Dat was voor de aanhangers van Lorber het jaar 1840, toen met de aan Lorber ten deel gevallen nieuwe openbaringen de reiniging van de aarde begon, om haar in vier louteringsvuren toe te bereiden voor het duizendjarig rijk.

En wat was er voor al deze data? Daar gaapte het grote donkere gat; het was de tijd der duisternis. Waartoe die dan diende? Voor de Christengemeenschap is dit de tijd van een lager ontwikkelingsstadium, voor de Mormonen, Adventisten, Sweden borgianen en Hersteld-Apostolischen de tijd van de leegte en van de verdorvenheid, voor Jehova's Getuigen en de Kerk van het Godsrijk de wonderlijk verkwistende omweg van God, om uit de miljoenen Christenen van deze eeuwen een deel van de 144.000 uitverkorenen samen te brengen. Waar was Christus, de opgestane, eigenlijk in deze eeuwen? Zat Hij werkeloos ter rechterhand des Vaders? Of had Hij Zich te slapen gelegd? Dat weet men niet te vertellen. En waar was de Heilige Geest? Heeft Hij misschien om Zich te ontspannen een pauze ingevoegd en de Christenen en de kerken maar in het moeras laten zitten, om eerst in het geboorte-uur van de sekten weer wakker te worden? En waarom heeft God Zich zo van de kerk teruggetrokken en de Christenen van geslacht op geslacht aan hun dwalingen en hun ellende prijsgegeven(49) Ook daar kunnen de sekten geen antwoord op geven. Maar dat raakt hen ook niet. Zij pochen op hun eigen bijzonderheid. En iedere sekte laat de heilsgeschiedenis Gods na een lange onderbreking met haar eigen ontstaan weer opnieuw beginnen. Daarmee voltooien ze hun isolement, en dit isolement bevat de kiem van de dood. Want het draagt een geestelijke hoogmoed in zich mee en leidt tot geestelijke steriliteit.

2. De meeste sekten beroemen zich er op, in tegenstelling tot de kerk de gemeenschap van de reine heiligen te zijn. Inderdaad treffen we bij hen een ijverig en bewonderenswaardig streven aan, om deze reinheid te bewaren en de leden tot een ernstige, geheiligde levenswandel aan te sporen. Maar ook mensen, die de sabbat houden, bekeerde, met de geest gedoopte, weder gedoopte, verzegelde mensen blijven mensen. Ook in hen leven de machten van het vlees en van de zonde voort. Die zijn niet afgestorven; ze zijn alleen maar in een hoek gejaagd, Ze durven zich niet meer te vertonen, maar ze wroeten op een giftige manier verder, juist omdat ze, om de nimbus van de reine gemeenschap niet te beschadigen, in een schuilhoek gedreven zijn. Ze vermommen zieh achter vrome maskers. Daarbij komt, dat de theologia possessionis in de afzonderlijke sektepredikers gemakkelijk een geest van stijfhoofdigheid en van betweterij kweekt, die zich niet alleen naar buiten richt, maar ook in de eigen rijen grote schade aanricht.")

De oordelende en verootmoedigende macht van het kruis ontbreekt, die macht, die allen gelijkelijk in het vuur van het gericht tot boete roept en anderzijds in de vergeving altijd weer een nieuw begin mogelijk maakt.

Daardoor kan het gebeuren, dat de sekten door interne conflicten geteisterd worden, die met een vaak afschuwelijke onverbiddelijkheid worden uitgevochten. Machtsstrijd en rivaliteit, strijd om de letter van de leer, om de opvolging, om de inkomsten. Naar buiten wordt dit alles zorgvuldig afgeschermd. Maar des te hartstochtelijker woedt zo'n strijd in het inwendige van de sekte. Van broederlijke verzoening is dan geen sprake, Men vervloekt elkaar, la stert en verdoemt. Hier zij slechts herinnerd aan de hevige conflicten bij de Hersteld-Apostolischen sedert 1951, of aan de manier, waarop de Adventisten vijfentwintig jaar geleden met hun voormalige leider L. R. Conradi handelden, of aan de bittere vijandschap, die er tussen [ehova's Getuigen en de van hen afgescheiden leden bestaat of aan de wilde na-ijver, waarmee zoveel predikers uit de Pinksterbeweging ervoor waken, dat de concurrentie niet door nog indrukwekkender preken en nog grotere wonderdaden hun schapen afkaapt. Vrijwel iedere sekte heeft haar chronique scandaleuse. Natuurlijk heeft de kerk die ook. In dit opzicht is ze geen haar beter dan de sekten. Maar zij kan het openlijk toegeven. Ze kan zich door het Woord Gods doen terechtwijzen. Zij kan schuld erkennen en boete doen. Maar de sekte mag zoiets nooit laten blijken. Die moet altijd gelijk hebben. Ze is gedwongen een eigengerechtige en verstokte houding aan te nemen. Haar theologia gloriae sectae dwingt haar daartoe.

Hierin ligt dan ook een van de hoofdmotieven, waarom het in de geschiedenis van de sekten wemelt van splitsingen. Ze verteren eenvoudig elkaar. Onder de huidige sekten vindt men er maar een heel enkele, die geen splitsing gekend heeft. Een kleine statistiek ten bewijze: de Mormonen hebben vijf splitsingen beleefd, de Adventisten minstens een dozijn, de Hersteld-Apostolischen negen, de jehova's Getuigen ongeveer twintig, de Christengemeenschap een en de Kerk van het Godsrijk ook een. De geschiedenis van de Pink- sterbeweging is een lange keten van splitsingen, nieuwe aaneensluitingen in werkgemeenschappen en nieuwe scheuringen.

3. In het begin werd erop gewezen, dat een godsdienstige gemeenschap tot een sektebestaan gedoemd is, als ze in haar anti tactiek niet een kern heeft, die zo sterk en vruchtbaar is, dat ze een krachtig centrum voor een eigen, positief leven kan vormen. De sekten geven weliswaar hoog op van wat ze in de theologia possessionis bezitten, dat neemt echter niet weg, dat dit toch te arm is om het leven in al zijn volheid te omvatten, te doordringen en te beheersen. Het geestelijk tegoed van de sekten is zeer beperkt of eenzijdig van horizon, waarom dan ook grote gebieden van het zijn met zijn problematiek buiten beschouwing moeten blijven. Zodoende leven de sekten ook geestelijk in een uithoek. Er zijn sekten, die een ware schrijfwoede aan de dag leggen en die zeer woordenrijk in, hun publicaties zijn. Met de uitgaven van jehova's Getuigen b.v. laten zich hele boekenkasten vullen. Maar de geestelijke, armoede van hun producten is ontstellend. Aan degene, die zich de moeite geeft, hun literatuur door te werken, dringt zieh steeds weer opnieuw de indruk van een grote monotonie op. Uitzonderingen hierop vormen de Christengemeenschap, tot op zekere hoogte ook de gemeenschappen van de Adventisten, van de Graalbeweging, van de aanhangers van Swedenborg en Lorber en de ChristianScientisten. Maar wat de anderen betreft, kan men alleen maar constateren, dat ze niet in staat zijn om door de enge grenzen, welke hun leer hen stelt, heen te breken, Vraagt men hun om nu eens vanuit hun geloofsovertuiging een verhelderend antwoord te geven op vragen b.v. aangaande de politiek, de sociale verhoudingen, de technische ontwikkeling of het wetenschappelijk onderzoek, dan volgt 6f een volledig in gebreke blijven of een wegvluchten in de apocalyptiek of een negatief antwoord, dat uit verlegenheid of ongeïnteresseerdheid geboren is. Ze kunnen zich eenvoudig niet op het terrein van het volle leven begeven. Deden ze dat wel, dan zouden zc hun oriëntatiepunt verliezen, omdat hun leer hen buiten hun eigen wereldje niets meer weet te zeggen.

Het gevolg van deze bekrompenheid en onvruchtbaarheid is, dat rlc meeste sekten, zuiver sociologisch bezien, in hoofdzaak tot de "kleine luiden" beperkt blijven. In meer ontwikkelde kringen vinden ze nauwelijks ingang en geestelijk zelfstandige en veeleisende naturen gevoelen zich in hun midden niet thuis.

Dat alles bij elkaar genomen is de reden, waarom de Levensduur van de sekten beperkt is. Ze dragen de kiem van de dood in zich. De oudste onder de thans bestaande sekten is 125 jaar oud - die van de Mormonen. Enkele andere zien terug op een Levensduur van 50 - 110 jaar. De meeste zijn jonger dan 50 jaar. Maar wat zijn 50 ofwel 125 jaar in de geschiedenis van een godsdienstige gemeenschap? En hoeveel sekten zijn in de laatste 125 jaar ontstaan en weer weggekwijnd, terwijl nauwelijks iemand meer de grafsteen kent, waarop hun naam staat! In het feit, dat aan de meeste sekten slechts zo'n kort leven beschoren is, spreekt het gericht Gods een harde taal.

 

Hoofdstuk 6

DE APOCALYPTISCHE APOTHEOSE VAN DE SEKTE

 

1. Een gebied, waaraan de sekte bijzondere aandacht schenkt, is de eschatologie. Er zijn verschillende redenen, waarom dat een geliefkoosd onderwerp van het sektarische geloofsleven is geworden. Een van die redenen is, dat dit terrein door de kerk verwaarloosd en een stiefkind van haar verkondiging geworden is. Een andere reden is te vinden in het hedendaagse levensgevoel, dat met onze onveilige wereldsituatie geen weg meer weet, en in de angst voor blijkbaar onontkoombare catastrofen van ongekende dimensies. 'n Derde reden, waarop vaak nauwelijks gelet wordt, maar die wel eens de belangrijkste zou kunnen zijn, ligt in het wezen van de sekte zelf: in haar theologia gloriae sectae. In deze theologie Ligt nl, de overtuiging opgesloten, dat de sekte niet slechts ontstaan is, om een of andere leemte in de waarheid op te vullen, maar dat haar een bijzondere, exclusieve waarde toekomt. Ze steekt boven de veelheid van andere geloofsgemeenschappen uit met de rang van absoluutheid. Deze absoluutheid komt tot uitdrukking in de stelling, dat de sekte de beslissende rol in Gods heilsgeschiedenis speelt. Haar geboorte markeert het enige en laatste hoogtepunt van deze heilsgeschiedenis, dat trouwens na de verschijning van Christus nog mogelijk is, nl. het begin van de eindtijd. De sekte leidt de slotfase van de huidige wereldgeschiedenis in en heeft zelf in deze eindgeschiedenis de beslissende rol te spelen.

Zo wordt de apocalyptiek het terrein, waar de verheerlijking van de sekte zich voltooit. Ze is bode en wegbereider van de nabije parousio, ze is Gods partner in het drama van de eindtijd, ze is de hoeksteen, waarop het in de eindtijd zal aankomen, ze is de ark des behouds voor de geredden, ze is de voltrekker of althans het instrument van Gods gerichten over de ongelovigen en tenslotte zal ze voor de ogen van de ganse wereid triomferen als door God bevestigd en met haar leden geroepen tot koningen en burgers in het komende Godsrijk.

Ellen G. White plaatst de Adventsgemeenschap in het middelpunt van het eindgebeuren: bij het sabbatsgebod zullen de geesten van de gehele wereld zich in twee groepen scheiden; dat zal ze verdelen in volgelingen van de antichrist en de gemeente der gehoorzamen, der verzegelden. Deze gemeente zal door de antichristelijke machten vervolgd, maar door God wonderbaarlijk beschermd worden. En dan, na Christus' wederkomst, zullen zij, die aan de drievoudige engelboodschap geloof gehecht hebben, verhoogd en in Gods vredesverbond opgenomen worden; hun tegenstanders echter zullen moeten toezien hoe God zijn getrouwen eert, en vlak daarop zullen ze in de zevende plaag omkomen.

De Hersteld-Apostolische Gemeente, die geloof heeft geschonken aan de boodschap van haar stamapostel, dat nog tijdens zijn leven Christus zal wederkomen, zal door J. G. Bisehoff als "bruidsleider" de hemelse bruidegom tegemoet worden gevoerd, terwijl de twijfelaars en de afvalligen de eeuwige pijn te wachten staat. Als echter volgens Daniel 12 het "volk Gods" gered is, zullen miljoenen bij het gedenk van de laatste bazuin ontzet klagen: "Waarlijk, deze J. G. Bischoff was toch de grootste dienaar Gods van onze tijd, en wij hebben zijn woord niet geloofd!" Maar berouw en inzicht openen ook in dit geval niet meer de deur naar de bruiloftszaal en laten geen mogelijkheid meer voor redding.")

Evenzo jehova's Getuigen: Als de vernietigende slag van Armageddon nadert, zal Zach. 8, 20-23 in vervulling gaan, en tien mannen uit de heidenvolken (d.i. de naties) zullen de slip van de mantel van een getuige van Jehova vastgrijpen. Maar "Jehova zal al onze vijanden op de vlucht jagen" .52)

Evenzo de Graalbeweging: Abd-ru-shin is de rechter uit de eindtijd. Als de bange tijd van de grote benauwenis over de mensheid komt, "zullen alle handen zich naar hem uitstrekken, jammerend en smekend". Hij echter zal slechts diegenen aannemen, die de Graalboodschap vreugdevol prezen als hun verlossing.")
Evenzo de Evangelisch- johannetsche Kerk: De Christenen, die buiten staan, zijn als de duisternis, die het licht niet heeft begrepen. Dit licht is de meester Joseph Weissenberg, die "nieuwgeboren Christus, die in het licht van deze tijd de heerlijkheid van Christus moet openbaren" . Maar nu komt het in de Schrift aangekondigde strafgericht over de aarde. Het spaart degenen, die in Weissenberg geloven. Maar zij, die zieh verhard hebben, zullen moeten ondergaan, "om ontvankelijk te worden voor de blijde boodschap, die met onze meester in onze tijd is binnengebracht" .54)

2. Overal is hier de theologia gloriae sectae aan het werk. Wat er plaats vindt, is wat men zou kunnen noemen een versektarisering van de Bijbelse eschatologie. Het eindgebeuren is de laatste doorgang naar de definitieve verheerlijking van de sekte en haar machtsovername over de wereld, jehova's Getuigen hebben hun Theocratische Organisatie reeds omgedoopt in "Genootschap van de Nieuwe Wereld", om daarmee uit te drukken, dat dit genootschap ertoe bestemd is, corporatief de heerschappij in het duizendjarig rijk over te nemen. De Kerk van het Godsrijk ga at nog een stap verder: ze meent niet alleen, dat ze geroepen is om in het kom ende rijk voor opbouw en ordening te zorgen en voor de opvoeding van de meer dan twintig miljard mensen, die uit de doden opgewekt worden, maar ze bouwt nu reeds op haar "proefstations" modellen van de toekomstige wereld en bespoedigt door haar werkzaamheid de komst van het Godsrijk.

Het is altijd hetzelfde beeld: Waar een sekte een apocalyptiek ontwikkeld heeft, plaatst ze zichzelf in het middelpunt daarvan. Kenmerkend is b.v. het volgende: waar men een kerkhistorische verklaring van de zeven zendbrieven van Openb. 2 en 3 tracht te gevcn, wordt altijd de gemeente van Philadelphia, waarop niets valt aan te merken en die uitblinkt door Iouter beloften, op de eigen sekte betrokken, terwijl de toepassing van andere zendbrieven, respectievelijk gemeenten, op kerken of kerkhistorische tijdperken dan telkens z6 geconstrueerd wordt dat alles past in hot perspectief van de sekte. De sektegemeenschap wordt met de vijf wijze maagden geïdentificeerd. Afzonderlijke figuren, voor zover ze, zoals b.v. de twee getuigen of de engel met het evangelie of de vrouw met de zon bekleed, een positieve rol spelen in het Bijbelse einddrama, worden opgeeist voor de eigen sekte. Omgekeerd worden de negatieve figuren geïdentificeerd met de kerk. Uit haar midden komt de antiehrist voort.

De sekte beschouwt zich als het rechtlijnige verlengstuk en de afsluiting van de bijbelse openbaring. Zo is b.v. bij de Hersteld-Apostolischen Abraham de eerste en de stamapostel Bischoff de laatste in de keten van patriarchen en profeten. Hij noemde zich "de poort naar middernacht": "Ik ben de laatste; na mij komt niemand meer." 55) En aan de zgn. "openbaring", dat Christus tijdens zijn leven zou wederkomen, kende hij dezelfde betekenis toe als aan de beslissende hoogtepunten van de heilsgeschiedenis: "In de tijd, die achter ons ligt, heeft de Heer aan de mensen vier grote beloften gegeven. De eerste was de belofte aan het gevallen ouderpaar, dat Hij een verlosser zou zenden; de tweede was de verkondiging van de geboorte van deze verlosser; de derde de boodschap van zijn opstanding. De vierde boodschap, die speciaal voor ons is gegeven, bestond daarin, dat ik op Kerstmis 1951 bekend maakte, dat de Zoon Gods me had laten weten, dat Hij bij mijn leven zou wederkomen, om de bruid thuis te halen." 56)

Evenzo is joseph Weissenberg na Mozes en Christus de laatste profeet, die .Jiet derde testament" bracht en door wie het nieuwe Jeruzalem op aarde neerdaalde. In hem is de belofte van Mal. 4, 5v. in vervulling gegaan en het grote gericht is zowel in de wereld der mensen als in die der geesten ingeleid.

Een soortgelijke rol laat de gemeenschap "Kudde en Herder" haar leider Friedrich August Hain speIen. De zes scheppingsdagen zijn zes tijdvakken van elk tweeduizend jaren, In ieder tijdvak bezocht God de wereld, door Zich in een Hem waardig mens te incarneren. Dit gebeurde in Adam, Melchizedek, Elia, David, Christus en tenslotte in Hain. Hij is de zesde incarnatie. Nu volgt de zevende periode: De dag van de rust Gods, en alle mensen zullen een herder en een kudde zijn.

jehova's Getuigen laten de gehele wereldgeschiedenis en het heilsplan Gods direct op hun organisatie uitlopen: Eerst sedert 1914 is er een "hoofdorganisatie boven het gehele levende universum met Christus als het hoofd", en het aardse gedeelte van deze hoofdorganisatie is het "Genootschap der Nieuwe Wereld" . Alleen dit gezelschap bezit de "goede boodschap" van het koninkrijk, dat in 1914 in de hemel werd opgericht. De tegenstanders van [ehova's Getuigen tonen nu door hun afwijzing mensen te zijn, die tegen het koninkrijk zijn en bij de organisatie van de satan behoren. "Die echter de leer der Getuigen aannemen, blijken "mensen van goeden wille" te zijn, en het theocratische koninkrijk zal hen "door de vernietigende benauwenis van Armageddon heen redden en de nieuwe wereld doen binnengaan" .57)

De Pinkstergemeenten noemen de sedert 1905 in groeiende mate voorkomende en systematisch beoefende uitingen van extatische vroomheid "spade regen" en willen daarin de vervulling zien van de eschatologische belofte van Joel 3, 1-5.

Ontelbare gemeenschappen uit de Pinksterbeweging en van de Perfectionisten maken zieh als de "bruidsgemeente" gereed voor de ontrukking aan het verderf, die slechts hun als de bevoorrechte gelovigen ten deel zal vallen. Röckle heeft de drie groepen, waarin hij de Christenheid heeft opgedeeld, telkens haar eigen apocalyptisch lot toegemeten, en slechts de aanhangers van de "Allerheiligste" zullen uit de grote nood gered worden.

De Bijbelse eindprofetie wordt omgezet in een apocalyptische apotheose van de sekte. Hier ontvangt ze definitief van God de plaats, die haar toekomt, het loon voor haar trouw, het opzicht en de heerschappij over de wereld. Kortom, het geweldige slotdrama van de wereldgeschiedenis onthult zich als een apocalyptische zegepraal van de sekte, Het dualis me tussen God en satan, dat in het laatst der dagen een climax bereikt en tevens zijn einde vindt, wordt omgesmeed tot een dualis me tussen de sekten en de overige mensheid, met name de kerk.

 
3. Nu wordt ook duidelijk, waarom de sektarische eindverwachting vrijwel altijd verwachting van een zeer nabije toekomst is en veelal met concrete termijnen opereert. Want alleen in deze vorm kan de theologia gloriae sectae de tegenstelling tussen pretentie en werkelijkheid trotseren en zichzelf handhaven: we zijn nu nog maar een kleine, geminachte en vervolgde groep; maar weldra zullen we triomferen en onze vijanden zullen in het stof liggen! Maar dit "weldra" is tevens de Achilleshiel van de theologia gloriae sectae.


Ze kan niet wachten. Omdat ze de gloria Dei tekort heeft gedaan, kan ze zich niet meer naar "Gods geduld" voegen, Ze is gedwongen tot een houding van dringend ongeduld. Derhalve moet ze apocalyptische wissels uitgeven, die op korte termijn inwisselbaar zijn.

Dit ongeduld geeft aan de sektarische eindverwachting het karakter van verhitte opgewondenheid, De Bijbelse profetie is vervuld van een geestelijke terughoudendheid. En het bewustzijn, dat de eindtijd gekomen is, werkt niet als zenuwprikkel, maar zet zieh om in de roep om trouw te zijn in geloof en in dienstbetoon (1 Petrus 4, 7 vv.). In de sektarische apocalyptiek daarentegen ontmoet men een hectische onrust. Niet alleen bij jehova's Getuigen. Ook bij de Hersteld-Apostolischen, bij allerlei Pinkstergemeenschappen en andere sektarische groepen komen rondom de eindverwachting de meest wilde fantasieën voor de dag. Een koortsachtige opgewondenheid van de gelovigen is het gevolg. Als de boodschap van stamapostel Bischoff betreffende de wederkomst niet in vervulling zou gaan, dan heeft, zo verklaren vele Hersteld-Apostolischen, Jezus zelf gelogen; anderen willen dan zelfs ieder geloof over boord gooien of zichzelf ophangen.")

Over de tenhemelopneming worden allerlei griezelverhalen verteld. Zo zouden in de Sovjetunie dertig gelovige mannen naakt een ijsveld opgejaagd zijn, maar Jezus zou met een aantal begeleiders te hulp zijn gekomen en hen herschapen hebben en hen in witte klederen bijtijds in de hemel opgenomen hebben. Een vrouwelijk lid van een Pinkstergemeente zou in de trein reeds de Lijfelijke antichrist met de wereldbol en het getal 666 op zijn muts ontmoet hebben. Men ontdekt "profetische" wolkenbeelden, postzegels en potloden. Men publiceert "profetische" boodschappen met concrete termijnberekeningen en onheilsaankondigingen. Men ziet uit naar mensen, die geen merkteken aan het voorhoofd dragen en daarom koningen van het duizendjarig rijk zullen zijn. Men fluistert, dat de "twee getuigen" er reeds zijn en zich momenteel op hun zending voorbereiden, Een vrouw, die vroeger reeds deel uitmaakte van de kring van Abram Poljak. Hanna Faiss, noemde zich de "vrouw, die met de zon bekleed is" (Openb. 12, 1) en ging op zoek naar de "twee getuigen", die bij haar hoorden, om deze voor de strijd van de eindtijd te zalven. De "Broederschap: De Koning Komt" ,

Een Pinkstergroep, maakte in de stijl van een sensationele reportage als volgt een visioen wereldkundig: "Opgelet, opgelet! Hier spreekt de wereldzender "Zion"! Aangesloten zijn alle zenders van de aarde met inbegrip van de televisiestations. Halleluja! Ere zij het Lam! Extra-bericht van de Koning der koningen jezus Christus! De engel, die voor God staat, die de sleutels en de volmacht over de afgrond heeft, viel zojuist de draak aan, de oude slang, en bond hem met de ketenen van de duisternis en van de toorn Gods voor duizend jaren in de afgrond. Alle rijken der aarde staan van nu af aan on der de absolute macht en soevereine heerschappij van Emanuel, de Koning der koningen ... " 59)
 

4. De apocalyptiek van de sekten heeft met de Bijbelse boodschap aangaande de eindtijd nog wel de beelden en figuren gemeen, maar niet meer de geest. Want ook de Bijbelse eschatologie wordt door het sola gratia beheerst en ze wordt een creatuur, als het sektarisme vanuit zijn duistere verkiezingstheorie zich van haar meester maakt.

De sekte moet echter haar eenmaal aangevangen weg der wetsvolbrenging wel ten einde gaan. Wie Gods vrije genade van de aanvang af aan banden probeert te leggen, moet zieh ook in het slotdrama tot bezitter van deze genade opwerpen, moet zichzelf uitroepen tot deurwachter aan de poort van het komende rijk en van dit rijk - het koninkrijk Gods - een geperfectioneerd sekte rijk maken.

Het gericht over deze zelfoverschatting la at niet op zich wachten. De apocalyptische wissels van de sekte worden door God niet ingelost. Hij richt Zich niet naar hun geschiedenisprogramma's en eschatologische kalenderindelingen. Hij gaat soeverein zijn eigen gang en spot met hen, die in de waan verkeren in zijn kaarten tc hebben gekeken en Hem zijn geheimen ontfutseld te hebben. Derhalve voltrok zich zijn gericht over menselijke nieuwsgierigheid en aanmatiging reeds aan vele sekten van vroegere eeuwen, die zich aan hun eigenmachtige profetieën vertild hebben en daaraan gestorven zijn.

In onze tijd voltrekt het zich aan de Hersteld-Apostolischen. Het heeft de Katholiek-Apostolischen van hun aantrekkingskracht beroofd en hen terug geroepen tot de staat van een stille, gelouterde gemeenschap. Andere sekten heeft het in een slepende crisis gebracht, waaruit ze zich alleen nog door een wezenlijke herziening van hun stellingen kunnen redden. En ook die gemeenschappen zal het wel weten te vinden, die nog altijd met hun hel-glanzende verlokkingen de verwachtingen van hun leden op voorhand voeden en die het steeds moeilijker krijgen om de termijnen te prolongeren en het aangewakkerde ongeduld van hun gelovigen te stillen.


Hoofdstuk 7

CONCLUSIES EN CONSEQUENTIES

De bijbel in de linkerhand


Als in Swedenborgs "Nieuwe Kerk" een jong predikant bevestigd wordt, wordt hem de Bijbel in de rechterhand en Swedenborgs geschrift "Ware Christelijke Godsdienst" in de linkerhand gegeven. Dat is een zinnebeeldige handeling. Er wordt mee uitgedrukt, dat de "Nieuwe Kerk" haar geloof niet alleen op de Heilige Schrift baseert, maar daaraan een nevenbijbel heeft toegevoegd.

Ook alle andere sektegemeenschappen hebben zulke bijbels in de linkerhand. Kenmerkend voor de sekte is namelijk, dat ze zich met de Heilige Schrift alleen niet tevreden kan stellen. Waarom niet? Het motief daarvoor ligt niet direct aan de oppervlakte: het evangelie is de boodschap van de vrije genade in Christus. Wie die verwerpt, verloochent de kernwaarheid van de Schrift. Een theologia possessionis, zoals de sekten die vertegenwoordigen, wordt da ar reeds in de kiem gesmoord. De sekten zijn dus op dit punt in strijd . met de Schrift. Ze bevinden zich in een eigenaardige situatie. Enerzijds moeten ze, om hun leer te legitimeren, het gezag van de Schrift nadrukkelijk laten gelden. Anderzijds moeten ze de Schrift echter aan een correctie onderwerpen of desnoods andere autoriteiten er tegenover plaatsen. Zo is dus hun houding tegenover de Schrift bepaald door een mengsel van binding en eigenmachtigheid.

1. Bi] een deel van hen schijnt het weliswaar, alsof ze overtuigde fundamentalisten zijn, die de kerk juist verwijten, dat deze het met haar binding aan de Schrift niet zo nauw neemt. Het ga at hier vooral om de Perfectionisten, de Pinksterbeweging, de Adventisten CONCLUSIES EN CONSEQUENTlES tisten en jehova's Getuigen. Hun fundamentalisme vertoont echter bedenkelijke onvolkomenheden. De Pinksterbeweging en de Perfectionistische sekten kunnen b.v. de kern van het evangelie, de gelijkenis van de verloren zoon, niet zo laten staan en laten gelden, zoals die in Luc. 15 staat. Ze kunnen die slechts in eigen parafrasen weergeven en moeten haar in haar ruimheid en rijkdom door commentariërende invoeging van "voorwaarden" en "onderstellingen" begrenzen. Het woord, dat Jezus aan het kruis tot de moordenaar sprak, moet hun een ergernis zijn, evenals alle getuigenissen uit de Bijbel, waarin van de daad van Gods vrije genade sprake is, zonder dat deze aan een voorafgegane bekeringsacte, een volledige overgave een volk omen heiliging of aan een "geestesdoop" gebonden werd. Bovendien kennen beide groepen, afgezien van het Schriftwoord, n6g een woord, nl. een woord dat God in het heden spreekt en dat in de subjectieve sfeer tot de mens komt: het bestaat in de persoonlijke ervaring van de bekering, respectievelijk de geestesdoop. Daarbij komen dan nog, vooral bij de Pinkstergemeenten, de vele "openbaringen", visioenen, toezeggingen, tongentaal, persoonlijke roepingen, zgn. ontmoetingen met God of met Christus, de ontvoeringen in de geest naar de hemel, gepaard gaande met droomgezichten en profetieën, en wat dies meer zij, die als bovennatuurlijke bekendmakingen, als openbaringen van de Heilige Geest, zij het misschien ook van geringere waarde, een aanzienlijke rol spelen naast de waarheid van de Schrift en deze veelal overwoekeren. Niet zelden wordt aan de kerk verweten, dat ze aan "de dode letter" blijft hangen, in plaats van op de voortschrijdende openbaringen van de Heilige Geest te letten. "Die mensen, die louter bij de Bijbel zweren, houden wel het geschreven Woord hoog, maar als men goed op hen let, valt gewoonlijk een ding op: ze houden zich uitsluitend bezig met wat God gezegd heeft Als we echter door

Gods genade in ons hart ervoor gewonnen zijn, dat we geloven: Het Hoofd is in de tegenwoordige Geest werkelijk in ons midden, dan brandt er in ons een verlangen, nl.: Hoofd, spreek!" De theologen van "een verstard Christen dom" zijn echter pure Schriftgeleerden geworden en zijn de Geest kwijtgeraakt. "Daarom verwerpen ze ook de levende stenen van de tempel en zetten de vorm, de dode letter daarvoor in de plaats (Rom. 7, 6). Alles schijnt bij hen net zo onweerlegbaar, zo volkomen bijbels tot op het puntje van de i, als bij de Schriftgeleerden van weleer." 6O)

Hoe jehova's Getuigen met de Schrift omgaan, is bekend. Kernpunt van de Schrift is volgens hen een chiliastisch geschiedenisplan van jehova, dat ze echter eerst zelf construeerden. Hun "fundamentalisme" bestaat hierin, dat ze wel de letter ernstig nemen, maar willekeurig allerlei teksten uit hun verband rukken om ze dan weer bij stukjes en in andere rangschikking aan elkaar te lijmen, er een al naar behoefte symbolische, profetische of parallelliserende uitleg aan geven en zodoende de geest en de zin van de Schrift gruwelijk mishandelen. Minder bekend is, dat jehova's Getuigen naast de Schrift nog een aanvullende openbaringsbron erkennen: die vloeit in hun Theocratische Organisatie, of, om het nauwkeuriger te zeggen: in de leidende kring van deze gemeenschap in Brooklyn, die b.v. in het jaar 1935 van jehova het verrassende bericht kreeg, dat er behalve de 144.000 uitverkorenen ook nog een "grote volksmenigte" is, die het aardse toekomstparadijs zal gaan bevolken, of die in 1950 de Getuigen, die bijeen waren op het wereldcongres in New- York, gelukwenste met de nieuwe openbaring van Jehova, dat er zich onder de deelnemers "waarschijnlijk een aantal vorsten van de nieuwe aarde" bevond.")

Hetzelfde geval doet zich voor bij de Adventisten, die ervan overtuigd zijn in de geschriften en apocalyptische visioenen van E. G. White een aanvullende openbaringsbron te bezitten. Zij heeft het zwaartepunt van de Bijbelse waarheid van het sola gratia, sola fide naar de drievoudige engelboodschap van Openb. 14, 9-14 verschoven. De stoot daartoe kreeg ze niet vanuit een nieuw en beter inzicht in de Schrift, maar door een visioen. Hierin werd haar een uitleg van Openb. 14, 9-14 gegeven, die echter met de tekstinhoud weinig gemeen heeft. Maar toen haar gedurende dit gezicht de drie engelboodschappen getoond werden, wees de begeleidende engel haar op de heilsbeslissende, absolute waarde ervan met de woorden:

"Wee degene, die ook maar het geringste aan deze boodschappen verandert, Het juiste inzicht in deze boodschappen is van het grootste belang. Het lot van de zielen hangt af van de aard en de wijze, waarop ze worden aanvaard." 62) De derde engelboodschap bevat in de verklaring van E. G. White het gebod de wereld te waarschuwen voor de zondag als het kenmerk van de antichrist. Ook deze vervloeking en het verheffen van de sabbatsviering tot het centrale gebod gaat niet terug op de Schrift, maar op een visioen. E. G. White "zag" het sabbatsgebod boven alle andere uitsteken, doordat het door een lichtende ring omgeven was. "Ik zag, dat de heilige sabbat de scheidsmuur tussen het ware Israël Gods en de ongelovigen is en zijn zal en dat de sabbat de grote opdracht is, die de harten van Gods geliefde, wachtende heiligen zal verenigen." 63)

Op dezelfde manier heeft Röckle essen ti öle punten van de leer aangaande de tenhemelopneming - een leer, die zijn Philadelphiagemeente typeert - niet uit de Schrift, maar uit visionaire bronnen geput. Zijn "twaalf kenmerken als toetssteen van volk omen overgave" zou hij direct van God ontvangen hebben. En zijn boekje "De voleinding van de Philadelphia-gemeente van de eindtijd, en haar opneming ten hemel" met de daarin ter sprake komende "driedeling van de tempel", d.w.z. de onderscheiding van de Christenheid in drie klassen, zou Johannes hem gedicteerd hebben.

2. Het is dus zeer de vraag of bij deze fundamentalisten het geloof in de Schrift wel zo diep zit, als beweerd wordt. Het grootste deel van de sekten echter heeft de uitsluitende binding aan de Schrift met zoveel woorden opgezegd. Wat is de Schrift voor de Hersteld-Apostolischen? Een verouderde openbaring, geen viva vox, maar een verzameling dode letters, die het geloof niet kunnen doen ontvonken, "Ik had ook een bijbel, zo vertelde de latere stamapostel Niehaus, die ik ergens boven op een kast had neergelegd, maar na een poosje ontdekte ik, dat de muizen Jezus en de apostelen hadden opgevreten. Dat is nu uw [ezus, dat zijn dus uw apostelen, waarvoor een muis niet eens respect heeft; sedert ik echter de levende God (gereïncarneerd in de stamapostel Krebs) dien, is dat allemaal heel anders geworden, want nu lopen zelfs de honden voor me weg" (naar een alleen voor de "ambten" uitgegeven bericht van 15 april 1904, pag. 4). In onze tegenwoordige tijd hebben de Hersteld-Apostolischen het "actuele" woord Gods, voor het huidige geslacht geopenbaard door de stamapostel en verder uitgedragen door de apostelen. "We moeten naar een openbaringsplaats gaan, niet naar een plaats van herdenken! Het is immers satans grootste triomf, ons te doen rondsnuffelen in een verleden tijd, zodat we vergeten, wat ons in deze tijd kan helpen, wat nu nodig is Niet conserven met fleurige etiketten, maar fris, vitaminerijk fruit - dat is het, waar het op aan komt!" 64)

Anderen verbreken de eenheid van de Schrift. Pol jak komt tot een tweedeling: een deel heeft alleen geldigheid voor "de gemeente als lichaam", een ander deel alleen voor "de gemeente van het koninkrijk". De Swedenborgianen moeten niets hebben van de brieven van Paulus. Anderen volgen hen daarin. De Christengemeenschap houdt zowel rekening met de Schrift als met de antroposofie van R. Steiner, en wel zo, dat niet de antroposofie wordt uitgelegd aan de hand van de Schrift, maar de Schrift aan de hand van de antroposofie.

Weer anderen hebben naast de Schrift nieuwe heilige boeken aangenomen, waaraan ze canonieke geldigheid en dezelfde openbaringswaarde toekennen. Zo bezitten de Mormonen het boek Mormon, "De leer en de verbonden" en "De kostbare parel" van Joseph Smith als heilige schriften. In artikel 8 en 9 van hun geloofsbelijdenis staat: "Wij geloven aan de bijbel als Woord Gods, in zoverre hij juist vertaald is; we geloven ook aan het boek Mormon als Woord Gods. We geloven aan alles, wat God geopenbaard heeft en alles, wat Hij thans openbaart, en we geloven, dat Hij nog vele en belangrijke dingen openbaren zal met betrekking tot het Rijk Gods."

 

 

 

 


De Christian-Scientisten hebben het boek van Mary Baker Eddy:

"Wetenschap en Gezondheid met sleutels tot de Heilige Schrift" canoniek verklaard. Het is geen gewoon boek, maar goddelijk geïnspireerd en bevat daarom onvoorwaardelijke, onfeilbare waarheid. Mary Baker Eddy zelf was "slechts de schrijfster, die de hemelse harmonieën in goddelijke natuurleer weergaf". Over haar boek oordeelde ze later: "Eeuwen zullen voorbijgaan, eer de verklaring van de onuitputtelijke grondgedachten van "Wetenschap en Gezondheid" voldoende begrepen zal zijn, om gans en al bewezen te kunnen worden." 65) In de diensten van de Christian-Sclentisten worden dan ook regelmatig naast pericopen uit de Schrift tevens stukken uit .Wetenschap en Gezondheid" voorgelezen.

De "Kerk van het Godsrijk" teert op de drie boodschappen van haar .zendbode" F. 1. Alexandre Freytag: De goddelijke openbaring - De boodschap aan de mensheid - Het eeuwige leven. De tweede band noemde hij zelf "het belangrijkste werk, dat op aarde be staat" . Het is "een door de Geest Gods ingegeven getuigenis" en "de boodschap van het eeuwige leven." 66) Voor zijn aanhangers hebben deze boeken dezelfde waarde als de Bijbel. Aan de hand daarvan wordt de Bijbel gelezen en uitgelegd en de "Boodschap aan de mensheid" overtreft zelfs nog de Heilige Schrift, omdat ze "veel duidelijker is en nooit voor tweeërlei uitleg vatbaar" .67)

De Evangelisch- Johannetsche Kerk zweert bij de Lutherbijbel en maakt er de kerk zelfs een verwijt van, dat ze de Luthertekst aan een revisie onderwierp. Maar daarnaast bezit ze de geschriften van Joseph Weissenberg, waaruit telkens weer de teksten gekozen worden voor hun preken, Daarenboven laten ze in hun godsdienstoefeningen de "geestvrienden" uit heilige hoogten tot de toehoorders spreken.

De aanhangers van Lorber hebben evenals De Nieuwe Kerk van Swedenborg een hele verzameling van boeken, die gezaghebbend zijn, omdat ze "nieuwe openbaringen" bevatten. Deze nieuwe openbaringen van Jacob Lorber staan als gelijkwaardig naast de oude openbaringsgeschriften, zoals ze immers ook uit een en dezelfde hemelse bron afkomstig zijn. Aangezien ze vragen beantwoorden, die in de Bijbel opengelaten of helemaal niet aangeroerd zijn, gaan ze de geestelijke inhoud van de Schrift zelfs nog te boven. Lorbers hoofdwerk: "Het grote evangelie van Johannes" geeft in zijn tien banden de lezer "in alle vragen over God, schepping, levenszin en eeuwigheid een opheldering, die diep gelukkig maakt. Hier wordt het geheim van de persoon van jezus Christus volkomen doorzichtig en verrijst uit dogmatische verstarring en menselijke misvorming met nieuwe kracht en macht de ware Heilandsleer." 68)

Voor de Graalbeweging is de graalboodschap van Abd-ru-shin "In het licht der waarheid" heilige schrift geworden. Ook hier wordt de volheid van de antwoorden geroemd: De "mensenzoon" , die het geschreven heeft, geeft in dit boek alle inlichtingen, die maar nodig zijn, over het vanwaar, waarheen en waarom, roert alle vragen van het zijn aan, zorgt ervoor, dat men lichamelijk, psychisch of geestelijk gezond wordt en biedt alles om het leven op aarde waardevol en gelukkig te doen zijn. "Dit boek is uniek. Het ontsluiert ons de diepe zin van alle dingen, laat ons hun wezen verstaan, en de wereld, waarin wij leven, volledig begrijpen. Het onthult de sferen van de schepping van hun oorsprong af en verheldert daarbij alle gebeurtenissen, die voor ons eigen denken belangrijk zijn. Het verwijdt de horizon van onze blik en van ons weten. We zien plotseling helderder om ons heen. We worden vrijer en gelukkiger. We krijgen een vermoeden van de grootheid van de Schepper bij het zien van zijn wonderbare scheppingswerk. Dit uitzonderlijke boek verduidelijkt de innerlijke samenhang tussen al het bestaande, zowel in het groot als in het klein, in de geheie schepping alsook in ons individuele leven, en laat ons de binding van de mens aan het geheel zien." 69)

3. Allemaal nevenbijbels! Voor het feit, dat men ze aan de Heilige Schrift toevoegt, worden diverse redenen opgesomd. De Bijbel is onvolledig overgeleverd, zeggen sommigen, en heeft daarom een aanvulling nodig. Hij is gebrekkig vertaald en heeft een correctie nodig, zeggen anderen. Weer anderen wijzen op de voortgaande openbaringswerkzaamheden van de Heilige Geest en aangezien ze zelf deze Heilige Geest in hun midden hebben, zijn ze gemachtigd deze openbaringswerkzaamheid voort te zetten. Of men merkt op, dat de Bijbel zelf haar eigen onvolledigheid toegeeft (Joh. 21, 25) en dus om een aanvulling vraagt. Of men wijst op de wonderbaarlijke gebeurtenissen, waarmee de nieuwe openbaringen b.v. bij Swedenborg of Lorber of E. G. White of Christi an Röckle of bij profeten uit de Pinksterbeweging omgeven zijn.

De motieven zijn dus veelvoudig. Maar het resultaat is altijd hetzelfde. De nevenbijbels vertegenwoordigen zonder uitzondering de magna charta van de betreffende theo1ogie possessoir. Daarom zijn ze, gekoppeld als ze worden aan de Heilige Schrift, geen onschuldige aanhangsels, maar overmeesteren en overschaduwen ze de waarheid van de Schrift. Dat betekent: Waar een sekte vanuit haar midden een boek tot heilige schrift verheft, doet ze het W oord Gods geweld aan. Met haar eigen boek is ze bezig God te bevoogden. Hij mag nu niet meer zo spreken, zoals Hij in de Schrift gesproken heeft, maar moet spreken, zoals de sekte het voor juist houdt. Het Woord Gods is in zijn majesteit onder het juk gebracht, besnoeid en gelijkgeschakeld. Alweer worden we hier gewaar, hoe de gloria sectae triomfeert over de gloria Dei.

Op het terrein der vraagtekens

Wie zich eenmaal van de Schrift heeft afgewend, is op weg de Schrift helemaal de rug toe te keren. Deels gebeurt dat aarzelend, deels doelbewust. In welke richting dat nu gaat? Het antwoord op deze vraag vinden we, als we teruggrijpen op de antithetisch van de sekten. Wat men zoekt, is een heilsfundament, dat steviger is dan het sola gratia. Daartoe heeft men een theologia possessionis ontwikkeld, waarin dit nieuwe heils fundament nu wordt ingebouwd en verankerd. En dan begint eerst recht de uittocht naar deze gedachtenconstructies, ambten, sacramenten en erediensten, waarin naar hun overtuiging het heil gevangen, gecontroleerd en bewerkstelligd kan worden.

Maar of dat nog wel de genade van God is, die men daar meent gevangen te hebben? Heeft men hier zichzelf niet op een afschuwelijke manier om de tuin geleid? Werkelijk, hier voltrekt zich nu het gericht, dat met de ontrouw aan het sola gratia gepaard gaat. Deze mensen zochten naar zekerheid en huiverden derhalve terug voor de sprong om enkel als een door God gegrepene te leven. Doch ze vinden niet alleen geen zekerheid, maar komen terecht in een zee van onzekerheden. Tezamen vormen al hun leerstellingen, die de inhoud van de theologia possessionis vormen, een aaneen Schaling van onzekerheden.

Zo zouden de apostelen van de Hersteld-Apostolischen van de Heilige Geest hun aanstelling en volmacht ontvangen hebben. Maar men leze eens na, hoe na twee voorafgaande scheuringen de eerste garde van apostelen op het concilie van Braunschweig in 1878 tot stand kwam: "Men vroeg aan God, of  Güldner een apostel was, en toen er na driemaal herhaald vragen geen antwoord kwam, schreeuwde men God uitdrukkelijk toe, waarom Hij geen antwoord gaf. Dat ging een poosje zo door, tot de hele menigte zo in extase geraakte, dat aanstelling op aanstelling volgde, de een dit schreeuwde en de ander dat. De een riep deze naam, de ander schreeuwde:

"Nee, die moet het zijn!" 70) Zou dit lawaai en geschreeuw de stem van de Heilige Geest zijn geweest?

Hoe kwam de eigenlijke leer van de Adventisten tot stand? Het begon met een eigengereide berekening van de parousie en een fout uitgevallen eindverwachting. .Daarop volgden onenigheden en scheuringen. Vervolgens zocht men koortsachtig naar uitwegen uit deze vastgelopen situatie. Men greep nu eens naar deze, dan weer naar die leer, en geloofde en verwierp ze beurtelings, tot men uitvond, dat Christus in 1844 op de eerste oktober het allerheiligste was binnengegaan. Dat was een nogal fantastische en niet bepaald vernuftige uitvlucht, waarmee men de tegenstelling tussen profetie en vervulling wegmoffelde. Tenslotte eigende men zich van de Zevendedags-Baptisten de sabbatsgedachte toe, en een zieneres met een grote geldingsdrang, E. G. White, die als gevolg van een verwonding door een steenworp in haar kinderjaren ziekelijk was geweest, gaf daaraan prompt met een gezicht de nodige goddelijke bekrachtiging. Haar visioenen uit een vroeger stadium, die niet meer zo best in de leerontwikkeling van een later stadium pasten, werden kortweg veranderd. Andere visioenen behelsden onmogelijke beweringen (b.v. dat v66r de zondvloed uit tegennatuurlijke paringen tussen mens en dier nieuwe soorten zouden zijn ontsprongen) of hielden aanwijzingen in, die wegens hun onhoudbaarheid door Latere visioenen herroepen moesten worden (b.v. het vrijgeven van varkensvlees voor consumptie of de invoering van vrouwelijke reformkleding). Bovendien werd haar plagiaat ten laste gelegd. Nogmaals: zou bij dit soort leervorming de Geest Gods aan het werk zijn geweest?

Of wat te denken van het boek Mormon, van de verschijningen van de engel Moroni aan de farmerszoon uit de binnenlanden Joseph Smith, van het uitgraven van de gouden platen en van de profetenbril op de heuvel Cumorah, van die hele geschiedenis van de uittocht van de Israëlitische stammen naar Amerika en het tweede opI roden van Christus in dit werelddeel?

Of wat van de Christengemeenschap, wanne er deze de hogere kennis van Steiner als onomstotelijke autoriteit behandelt: Reeds In 1922 heeft de indoIoog J. W. Hauer aangetoond, uit welke brennen Steiner zijn .Jiogere kennis" geput had - niet uit kennisname van de "Akascha-kroniek", maar uit manieheische elementen en overleveringen van de Mithra-cultus, uit de geschriften vun Blavatsky en Besant, uit "Die Gnosis" van E. H. Schmitt en "Allantis, naar occulte bronnen" van Scott-Elliott. "De aanhangers van Steiner hebben het zo vaak over de buitengewone nieuwe openbaringen van Steiner. Ik vraag me af: waar zijn die dan? Ik zie alleen maar gezichten die ik al eens eerder ontmoet heb en die volgens mijn onderzoekingen ook Dr Steiner wel eens ergens op deze aarde ontmoet moet hebben." 71)

En hoe is het gesteld met de "openbaringen", welke Swedenborg en Lorber uit de andere wereld ontvingen? Zender aan de subjectieve eerlijkheld van deze zeer achtenswaardige en vrome mannen ook maar iets af te doen, moet toch worden gezegd, dat het in de wereld wemelt van openbaringen van deze aard, en dat die van Swedenborg en Lorber zieh alleen door een grotere omvang en een hoger niveau daarvan onderscheiden. Maar ook zij droegen het stempel van de tijdgeest en het valt een psychologie, die de enorme wereld van het onbewuste heeft ontdekt, niet moeilijk, niet alleen de herkomst van deze openbaringen te verklaren, maar ook de eigenaardige begeleidende verschijnselen, waarmee ze waren verbonden. De stille, introverte Lorber mocht dan al een inwendige stem gehoord hebben, welke dictaten hij opschreef, ook de Franse mystica Jeanne Marie Bournier de la Motte-Guyon (1648-1717) schreef onder deze de innerlijke drang haar traktaten, welke veertig banden vulden. En de uiterlijke begeleidende verschijnselen waren even "wonderbaarlijk" als bij Lorber. In haar autobiografie vertelt ze daarover: "Ik schreef niet vanuit mijn eigen geest, maar door de inwendige Geest. Als ik de pen ter hand nam, wist ik van wat ik zou gaan schrijven, nog geen woord; en later ook niet, wat ik geschreven had. Het vloeide - in stromen van inwendig licht - als het ware uit de diepte naar buiten en nam niet de weg via mijn hoofd. Mijn hoofd was zo vrij van ledere medewerking, dat het als leeg ge goten was. De snelheid waarmee ik schreef, was zo groot, dat mijn arm opzwol en helemaal stijf werd Ik schreef ononderbroken dag en nacht door, waarbij de hand nauwelijks gelijke tred kon houden met de dicterende Geest. Gedurende deze arbeid gebruikte ik nooit een boek. Een schrijver kon in vijf dagen nauwelijks opschrijven, wat ik in een enkel uur had neergeschreven." Eenzelfde verschijnsel vinden we bij Jacob Böhme. Ook hij gevoelde zich als een instrument Gods en schreef eveneens zo snel, dat zijn armen vanwege de inspanning trilden. De manier, waarop Lorbers "nieuwe openbaringen" tot stand kwamen, staat dus niet op zichzelf. Rechtvaardigt alleen dit het toekennen van goddelijke waarde aan deze geschriften? Dan zou men die aan alle boeken van de Bijbel beslist moeten ontzeggen, want hun auteurs schreven zeker niet in trance, maar bij volledig bewustzijn.

En hoe staat het met al die bekeringen, die volledige overgave en volkomen heiliging van de Perfectionistische sekten? Hebben ze werkelijk de macht van de zonde gebroken? Maar al zouden ze ook alle duivelen uit hun harten hebben verjaagd, een is gebleven: de duivel van de superbia, die hun verbood, de weg van deemoed en broederlijkheid te gaan en hen ertoe dreef, zichzelf voor betere Christenen te houden dan de anderen en zich van hen af te zonderen. Zou zo'n "bekering" werkelijk een betrouwbare grondslag zijn voor de heilszekerheid?

En hoe is het met de geestesdoop en de geestesgaven bij de Pinkstergemeenten? Daarin zou dus de Heilige Geest Zich bekend maken! Toegegeven zij, dat er in de Pinksterbeweging charisma's voorkomen, zoals overigens ook wel in de kerk: gaven van profetie, van genezing, van onderscheiding der geesten. Waar ze als onverdiende gaven sola gratia worden ontvangen en in ootmoed gebruikt, betekenen ze een verrijking voor de bezitters van die gave en voor de gemeente. Maar in grote delen van de Pinksterbeweging is deze grens overschreden. Daar wordt van de charisma's een sensatie gemaakt, en met een aantal figuren, die een dergelijke gave bezitten, wordt een propaganda bedreven, die pijnlijk dicht in de buurt komt van het lawaai rondom filmsterren, sporthelden e.a. in allerlei geïllustreerde weekbladen. Maar de Heilige Geest leent Zich nooit voor sensaties. Hij maakt geen spektakel. Alle reclame, die men met de Godsmannen maakt, staat Hem tegen. Het is onbetwist zeker, dat de Heilige Geest bij een tamtam om een zgn. grote man nooit aanwezig is." 72) En hoe klein denkt men van de Heilige Geest, als men Hem verantwoordelijk maakt voor al die banaliteiten en trivialiteiten en heel dat godsdienstig-sentimentele gedoe - en dikwijls ook minderwaardig gedoe -, dat bij het tongenspreken enz. voor de dag komt Reeds in 1907 heeft een leider van een Duitse gemeenschap, lour) rnet hem enthousiast op de vele wonderen en tekenen in Los Angelos wees, er de aandacht op gevestigd, dat deze wonderen ook in Duitsland schering en inslag, ja dat ze er a.h.w. voor het oprapen waren.

Men moet deze fenomenen met de visioenen en massagenezingen eens nader onderzoeken en dan eerst daarvan aftrekken, wat er bij kwam door vrome suggestie, massapsychose en opgezweepte hartstochten, door propaganda, occulte beïnvloeding, labiele zenuwen enz. - om van de nog troebeler motieven van vrome vervalsing, geldingsdrang of zelfs demonische bezetenheid nu maar te zwijgen.

Men trekke dat alles ervan af en beoordeeld dan de overblijvende rest, of en in hoeverre hier de Heilige Geest aan het werk was. Men verwisselde echter niet psychische extases met de uitingen van de Heilige Geest! Als iemand, die enigermate ontvankelijk is, zich in de Pinksterbeweging aan het trommelvuur van zo'n ster-evangelist en aan de bedwelmende atmosfeer, die in deze bijeenkomsten aangekweekt wordt, uitlevert, dan kan hij na korte of lange tijd zelf ook zijn "geestesdoop met tongentaal" tegemoet zien! De vraag is maar, of het dan een doop met de Heilige Geest of met de eigen geest is, Als de Pinksterbeweging van de aanvang af de onderscheiding der geesten - en dat is immers ook een geestesgave - nuchter en welbewust had toegepast, zou haar veel verwarring en verwildering bespaard gebleven zijn. Maar zelfs deze verwarring zou niet zo dodelijk gevaarlijk hebben kunnen worden, als men de geestesgaven maar in hun Bijbelse zin als geschenken van de Heilige Geest gezien en aanvaard had, en de heilsvraag op generlei wijze aan de geestesdoop had gekoppeld, doch strikt aan het sola gratia en de rechtvaardiging door Gods jawoord had gebonden.

En wat te denken van de ontdekking van de mentale genezing door Mary Baker Eddy? De offleiöle geschiedschrijving van de Christi an Science houdt vol, dat ze door inspiratie tot dit inzicht zou zijn gekomen. De onbevangen onderzoeker weet echter beter. Ze heeft haar systeem in zijn grondtrekken overgenomen van Dr Quimby. Haar eigen ziekte heeft ze met haar geestelijke genezingsmethode bedwongen, omdat die psychische oorzaken had. Dat ze ook de zonde zou hebben bedwongen en daaraan afgestorven zou zijn, zal men wel niet durven beweren. En dat ze de dood niet overwon, moeten zelfs haar aanhangers wel toegeven. Wat juist is aan haar genezings-
methoden, was reeds voor haar door de New-Thought-beweging in praktijk gebracht en wordt tegenwoordig ook door psychotherapeuten en artsen toegepast. Maar met Christus heeft dit alles niets te maken.

En hoe staat het met de waarheidsbronnen van Jehova's Getuigen en de Kerk van het Godsrijk? Russell ging vroeger voor een goddelijk geïnspireerde profeet door. Maar zijn berekeningen en profetieën zijn veertig jaar geleden al in elkaar gestort. Tegenwoordig is er geen enkele "getuige" meer te vinden, die nog over hem spreekt. Daarna verscheen zijn opvolger Rutherford, die het zwaar gehavende gebouw van de termijnberekeningen weer zo goed en zo kwaad als dat ging repareerde. Maar ook hij raadde er met zijn nieuwe termijnen naast. Ook over hem spreekt tegenwoordig niet een "getuige" meer. De sekte kan alleen leven, als ze haar eigen geschiedenis vergeet. Ze schuift haar apocalyptische rekenliniaal verder. Maar wat heeft dat met Gods Woord te maken? En Alexandre Freytag? Hij zocht hevig na ar een middel om de dood om de tuin te leiden en reeds nu eeuwig te kunnen leven of tenminste honderdvijftig of driehonderd jaar oud te kunnen worden. Maar toen hij zeventig was, stierf hij. En zijn aanhangers moeten ook sterven. Het Rijk Gods, waarvoor hij reeds de grondwet ontwierp, wil maar niet komen. En da "modellen" van het Koninkrijk op de "proefstations" zijn altijd nog maar kleine oasen, en zowel hier als in de kringen van de "Kleine Kudde" en het "Leger des Almachtige" moet tegen het egoïsme een heldhaftige, maar tevens moeizame strijd gevoerd worden, die met voortdurende tegenslagen en vermoeidheden gepaard gaat.

Dat is de Consequentie van het verlaten van de Bijbel en het terechtkomen in het onafzienbare gebied der onzekerheden. De sekten bobben het sola gratia onder protest de rug toegekeerd en wilden iets zekers hebben. Maar God kan zijn genade niet indrukwekkender en geloofwaardiger garanderen dan in zijn Woord en in de offerdood van zijn Zoon. Wie het sola gratia afwijst, stort zich in vrome eigenmachtigheid. En hij eindigt in zelfbedrog. Hij zoekt en schept  zich een zekerheid, die evenwel stuk breekt onder de last van de vraagtekens. Dat is het lot van de sekten - menselijk beschouwd een  tragedie, van God uit gezien een gericht.

 

 

Derde deel

DE KERK EN DE SEKTEN

Vragen van de sekten aan de kerk

De sekten, waarop ons onderzoek betrekking had, zijn ontstaan binnen het Protestantisme. De verhouding tussen hen en de kerk staat in het teken van vijandschap, van aanval en verdediging. De band is verbroken. Voor zover er tussen beide een dialoog gevoerd wordt, wordt deze bepaald door de wederzijdse verwerping. Maar da ar bovenuit vindt een andere dialoog plaats op een hoger vlak. Hier zijn het niet meer mensen, die in de naam van hun geloofsovertuigingen met elkaar twisten. Hier is veeleer de Heer zelf de gespreksleider, die de beide tegenstanders aan een tafel zet en hen ertoe dwingt, dat hun wo orden en antwoorden niet sleehts in aanval en tegenaanval blijven steken, maar dat ze daarbij zelfs meedogenloos in hun trouweloosheid en armoede en in hun afvalligheid ontmaskerd worden.

We hebben de ontmaskering van het sektewezen nu nader leren kennen. We hebben gezien, hoe de hybris, waarmee men ingreep in het werk van Gods genade, gepaard gaat met immanente gerichten. De sektarische heils weg loopt consequent uit op deze gerichten. Ze zijn dan ook onvermijdelijk. Maar nu moeten we ons bezig houden met het feit, dat de sekten niet in een luchtledige ruimte als het ware uit het niets ontstaan zijn. Hun stichters en leden hebben grotendeels voordien in een kerk geleefd, waarin de boodschap van het sola gratia werd verkondigd. Deze boodschap maakt alle menselijke heilswegen en heilsgaranties onmogelijk en onnodig. En desondanks hebben de sekten zich van haar afgekeerd! Ligt de schuld
daarvan - we stellen deze vraag met diepe verontrusting - niet ook bij de kerk: dat ze het getuigenis van de Schrift in zijn ernst, maar ook met zijn zekerheid en met zijn troost niet klaar en duidelijk genoeg verkondigd heeft( 73) De sekten zijn immers niet zomaar bij toeval ontstaan, maar in het midden van de kerk. Het zijn dochters van de kerk. Er heerst weliswaar een slechtte verstandhouding tussen de moeder en deze dochters. De dochters geven op hun moeder af, omdat ze huns inziens helernaal afgedwaald is en een slechtte moeder geworden is. En de moeder is boos op de dochters, omdat deze haars inziens ontaardden. Maar als echte moeder moet ze zich afvragen, of ze er zelf geen aanleiding toe gaf, dat haar dochters zo ontaardden.

Ze mag deze vraag niet ontwijken. En hoe pijnlijk dit ook is, een ernstig gewetensonderzoek kan voor de kerk alleen maar heilzaam zijn. Men zegt vaak, dat de sekten de onbetaalde rekeningen van de kerk zijn. Deze stelling is onjuist, als ze zou moeten dienen voor een afdoende verklaring van het sektewezen. Maar er schuilt een kern van waarheid in. Tot de krachten, die aan de sekten leven en voedsel gaven, behoren ook de ver mimen van de kerk, Dat behoeven niet aItijd verzuimen van nu te zijnl De kerkgeschiedenis heeft een lange adem. Het kan gebeuren, dat bepaalde aanklachten en wantrouwige stemmingen, die honderd of tweehonderd jaar geleden door dwalingen van de kerk te voorschijn werden geroepen, zich in ondergrondse complexen omzetten, die zich van geslacht op geslacht voortplanten en steeds weer de voedingsbodem voor sektarische afscheidingen vormen.

Als we nog eenmaal de afzonderlijke punten nagaan, waaraan bij de sekten het zich losmaken van de bijbels-reformatorische waarheid zichtbaar is geworden, zullen we overal ontdekken, dat de kerk zelf hiervoor de weg bereid heeft. Reeds een vluchtige blik in haar interne geschiedenis toont aan, dat de theologia gloriae Dei dikwijls op gevaarlijke wijze op de achtergrond is geraakt. Telkens opnieuw is in de verkondiging van de kerk de majesteit en de ere Gods geschonden en verraden. In plaats van God koning te laten, legde men beslag op God. Men legde beslag op Hem in zijn macht en majesteit, zijn plannen en bedoelingen, zijn geboden en gerichten - voor de kruistochten ("God wil het!"), voor de dogma's, de zendings- aanspraken en de veroveringsdoeleinden van een bepaalde confessie, voor de christelijke beschaving van het Westen, voor stromingen en cultuurwaarden van de tijdgeest (de evolutiegedachte van de verlichting, de sociaal-revolutionaire en nationalistische ideologieön van de negentiende en twintigste eeuw). Men legde beslag op Hem voor vaderlandse oorlogen, politieke bewegingen en omwentelingen. Zijn Woord werd ondergeschikt gemaakt aan menselijk-aardse belangen en gebruikt als begeleidende muziek voor patriottische feesten en overwinningen. Hij werd geneutraliseerd, geïdentificeerd met een God van de rede, tot lievelingsgod van een ras, klasse of natie verklaard. En van deze in-beslag-genomen-God naar de God van de sekte is slechts een stap. Een kerk, die zieh tegenover de theologia gloriae sectae teweer wil stellen, moet eerst met de theologia gloriae Dei in haar eigen verkondiging radicaal ernst maken. Hiermee heeft ze een opdracht meegekregen, die reikt tot in de verste vertakkingen van haar denken, spreken en handelen.

En hoe is het mogelijk, dat het bij de sekten tot die vervlakking of terzijdestelling van het woord des kruises kon komen? Is dat niet mede voorbereid, doordat de kerkelijke verkondiging zelf deze haar opgedragen boodschap van tijd tot tijd verloren liet gaan? Men heeft haar door een moralistisch misverstaan geneutraliseerd, haar door theologisch-filosofische speculaties uitgehold of in een poel van vrome stichtelijkheid verdronken. Men is met het gebeuren van Golgotha, kostbaar als het is, omgesprongen als ware het goedkope pasmunt. Men heeft getracht het door verstandelijke verklaringen begrijpelijk en aannemelijk te maken, zodat het niet meer voor de een een ergernis en voor de ander een dwaasheid zou zijn. Men heeft van de gekruisigde een heldhaftige blonde Ariër gemaakt, die het slachtoffer werd van de verdorven Joden. Kortom, men heeft op verschillende manieren geprobeerd met het kruis klaar te komen en het ergens in de wereld en in het eigen bestaan ingekapseld. Het kruis werd van zijn scherpte ontdaan en zodoende ongevaarlijk. Of - en dat is de subliemste verzoeking in de interne geschiedenis van de kerk - het kruis werd zelf tot een .Bezit" gemaakt en tot object van een theologia possessionis, waarin de gelovige niet meer als een geoordeelde onder het kruis staat, maar zich van het kruis meester maakt, om het als wapen te gebruiken - tegen anderen. In
de verkondiging en in de gedragingen van de kerk werd maar al te vaak en in allerlei perioden verzwegen, dat het kruis de dynamisch steun is, die eenvoudig door geen enkel mens is te handhaven", maar die harerzijds de mens handhaaft, d.w.z. hem tot op de bodem van zijn bestaan schokt en aan het wankelen brengt. Men vergat, dat in een kerk, die "kerk onder het kruis" wil zijn, het dynamiet van Gods Woord werkzaam moet blijven, dat zijn explosieve kracht telkens weer opnieuw elke poging van de mens om zichzelf gerust te stellen, elk begin van godsdienstige bezitsvorming, van eigen gemaakte zekerheid en eigengerechtigheid volslagen verijdelt. Als de kerk zelf altijd maar van meet af aan deze tendensen de kop had ingedrukt, zouden ze niet zo gemakkelijk hebben kunnen voortwoekeren en uitgroeien tot de theologia possessionis van de sekten,

Hoe is het mogelijk geweest, dat de sektarische vroomheid zieh bijna onbestreden meester heeft kunnen maken van de Christelijke toekomstverwachting? Is niet een van de voornaamste redenen daarvan deze, dat juist op dit gebied de kerk zich aan een wel uitermate ernstig verzuim schuldig heeft gemaakt? Ze is over lange perioden van haar geschiedenis een kerk zonder hoop geworden. Ze heeft "de eschatologische deugd" van het geduld verloren en is verslapt in haar verwachtingen van en uitzien naar de Heer. Ze heeft de bestaande wereld aanvaard als een situatie, die voorlopig tenminste nog wel zo zal voortduren en heeft er zich huiselijk ingericht. Dat bracht met zich mee, dat de heilige ontevredenheid en het heilig verlangen verloren gingen, dat het bewustzijn hier vreemdeling te zijn verdween, dat de roep om waakzaam te blijven verstomde, en dat men die hele rijkdom aan troost, die ons in de Bijbelse verwachting geloven is, eenvoudig liet vallen. In plaats daarvan heeft het geloof zich mede tevreden gesteld een bijbels secundaire hoop op een Hiernamaals te koesteren. En de theologie heeft, waar ze zich bezig hield met de geschiedenis en de toekomst, de eschatologische uitspraken verdund of geëlimineerd of ingeruild voor bepaalde seculaire evolutie-ideeën. De kerk heeft het veelal nagelaten, om in haar verkondiging het geloofsleven van haar leden in de wisselvalligheden van de geschiedenis te voeden vanuit de Bijbelse profetie, hen in tijden van voorspoed en zekerheid vanuit het eschatologisch perspectief te waarschuwen en hen in tijden van tegenspoed en neergang met het zicht op Gods overwinning en koninkrijk te vertroosten. Kortom, ze heeft de Bijbelse boodschap van de hoop verwaarloosd. Heel dit gratie, wijde gebied werd een onbeheerd niemandsland, en de theologie, die er verlegen mee was, schoof het weg naar het laatste hoofdstuk van de dogmatiek, Zodoende kon het gebeuren, dat vreemde machten zich van dit onbeheerde land meester maakten - allerlei op hol geslagen politieke, sociale of technische evolutietheorieën en toekomst utopieën die op velen een sterke chiliastische aantrekkingskracht uitoefenden - en dat vele leden van de kerk, die eschatologisch ondervoed bleven en "zonder hoop" werden gelaten, zich in hun honger openstelden voor de apocalyptische voorstellingen en beloften van de sekten, die zich dank zij het in gebreke blijven van de kerk in groten getale op het terrein van de toekomstverwachting konden vestigen en er welig tierden. Mag men hun daar een verwijt van maken, dat ze de boodschap van de hoop, die door de kerk - niet nu, maar sedert eeuwen - naar de achtergrond is gedrongen, als buit opheffen en hun wilde apocalyptisch dweepzieke dromen daaruit spinnen? De kerkelijke theologie kan en mag zich niet onttrekken aan de opdracht om te komen tot een doorwrochte eschatologie, die stoelt op het sola gratia en die de uitspraken van de Schrift over geschiedenis en eindgeschiedenis au serieus neemt. Men make zich van deze opdracht niet te goedkoop af! Met de juist op dit gebied zo bijzonder geliefde ontmythologisering redt men het niet. En het is ook niet afdoende, eenvoudig de Confessio Augustana in zijn veroordeling van het chiliasme nog eens te citeren. Het thema van het duizendjarig rijk evenals de vragen aangaande de ten hemelopneming, de tweede opstanding en de algemene verzoening moeten grondig doordacht worden. En de verkondiging moet doordrenkt zijn van de hoop op het komende koninkrijk Gods.

Mogen de sekten zich ter toelichting van hun leer genoodzaakt hebben gezien, aan de Heilige Schrift nevenbijbels toe te voegen, de kerken van de reformatie kunnen zich erop laten voorstaan, dat ze zover niet zijn gegaan. Hun ingeworteld respect voor het beginsel van de sola scriptura, heeft hen daarvoor bewaard. Dat heeft hen echter niet verhinderd, zich op een andere manier aan de Schrift te bezondigen. We zullen hier niet de lange historie weergeven van het martelaarschap, dat de Schrift onder de mensen ondergaan heeft en momenteel nog ondergaat, Voldoende zij er aan te herinneren, hoe de Schrift door een oneerbiedige kritiek uiteengerafeld en ongeloofwaardig gemaakt werd; hoe geleerde betweters hun vondsten op haar toepasten, hoe menselijke nieuwsgierigheid in haar geheimen rond wroette; hoe haar boodschap bijna steeds met de heersende tijdgeest gelijkgeschakeld werd - met het geloof aan de rede of met een evolutie-ideologie, met een socialistische of nationalistische wereldbeschouwing of met een rassentheorie. En dat gebeurde niet alleen in eenzame studeerkamers, het werd ook op de kansel gebracht, werd inhoud van de verkondiging.

Nee, het kwam in de kerk van de reformatie niet tot de invoering van nevenbijbels. Maar de Bijbel zelf werd een speelbal der meningen en als echo of versterking gebruikt van de meest uiteenlopende menselijke inzichten. Mag men het de sekten dan euvel duiden, dat ze nog een stap verder gingen?

Een van de meest efficiënte en meest gebruikte propagandaleuzen, waarmee vooral de fundamentalistische sekten tegenwoordig tegen de kerk opereren, is de verwijzing naar de ontmythologiseringstheologie. Natuurlijk spreken ze daarover niet alleen tamelijk grof, maar eveneens zonder veel kennis van zaken. Maar zou men daaruit niet tenminste deze les moeten trekken, dat de theologie en de verkondiging van de kerk, zij moge dan kritisch staan t.a.v. de verbale inspiratie, alleen dan aan de zaak, die haar zozeer verplicht, trouw is, als begin en einde van al haar denken en preken de eerbied van de Schrift ademen? Het gaat immers om "heilige" Schrift. Wie trouwens de geschiedenis van de theologie van de laatste twee eeuwen kent, weet, hoe de majesteit van de Schrift zich zelf steeds weer bewezen en gehandhaafd heeft - ook tegenover de III{lost scherpzinnige critici of de lawaaierige lieden van de "Bijbel-stijl. God zorgt er zelf wel voor, dat zijn Woord niet zomaar geliquideerd en weggegooid kan worden. Hij heeft zijn Woord toevertrouwd aan de kerk. Maar is de kerk zich wel volkomen bewust van de heilige verantwoordelijkheid die zulks meebrengt? Immers, als zij slordig omgaat met de Schrift, is dat koren op de molen van de sekten Naast de liquidatie van de waarheid van de Schrift staat de ineenschrompelen van de horizon van de Schrift. De Bijbel beperkt zieh niet tot het thema: het zielenheil van de enkele mens, maar grijpt daar ver boven uit. Naast de mens staat het volk en de geschiedenis. Naast de ziel staat het lichaam en de wereld van het geschapene en de kosmos, Gods Woord gaat over alles. Maar de geschiedenis van de Christelijke vroomheid toont aan, dat het binnendringende Hellenisme hierop reeds vroeg een noodlottige inbreuk maakte, Het lichamelijk-zinnelijke werd in de ban gedaan. Het werd van een negatieve aanduiding voorzien en veroordeeld tot een proletarische rol in Gods schepping. Een spiritualistisch-ascetische vroomheid, die zich richtte op het hiernamaals en eigen werd aan alle confessies en perioden van de geschiedenis van het Christendom, liet de categorieën van de natuur en de geschiedenis buiten beschouwing en beperkte zich tot de beoefening van het vrome innerlijke leven. Daardoor bleven, evenals bij de toekomstverwachting, opnieuw grote gebieden van de werkelijkheid onbeheerd achter. Het geloof, respectievelijk de kerkelijke verkondiging, had hier "niets meer te vertellen". De ,betreffende Bijbelse getuigenissen werden terzijde geschoven. Hoe rijk de vruchten, die een geheel naar binnen gekeerde vergeestelijkte vroomheid droeg ook waren - ze moesten duur betaald worden. Men trok zich uit de wereld terug, maar sloot zich daarmee op in een zelfgekozen getto. En heel het wijde gebied, waarvoor het geloof geen interesse meer had, werd bezet door een geseculariseerd denken, dat nu zijnerzijds tot de aanval overging en onder de vlag van een totalitaire wereldbeschouwing zelfs ook de laatste ruimte, waarop het geloof nog aanspraak maakte, voor zich in beslag nam. ,,........." de hemel voor de fantasten." 0 zeker, steeds weer hebben individuele theologen of groepen van Christenen een poging gewaagd het verloren gebied te heroveren en de bijbelse boodschap te ontvouwen in zijn realisme en universalisme. Maar de breuk tussen de wereld van het innerlijke en de buitenwereld kon tot nu toe nog steeds niet volledig geheeld worden Hier ligt een taak, die met inspanning van alle krachten zal moeten worden aangevat.") Het zou he el erg zijn, als b.v. de kosmische wijdheid van het bijbels getuigenis, waar de kerk geen oog voor had, alleen nog maar aan de orde kwam in de Christengemeenschap of in de gemeenschappen rondom Swedenborg en Lorber met hun onderschikking van de wereldgeschiedenis aan een hogere geschiedenis en hun merkwaardige voorstellingen van het universum als de kosmische Jiomo maximus" ofwel grote scheppingsmens.

Onbarmhartig brengen de sekten met hun polemiek de gebreken van de kerk aan het licht en plaatsen haar voor vele problemen. Om slechts enige van de vragen te noemen, die vanuit de sekten aan de kerk gesteld worden: Hoe staat het met de kerkelijke tucht? Een groot gedeelte van de kerkelijke gemeenten bestaat uit louter doopleden, die nog wel in de kerkelijke registers vermeld staan, maar zich in de kerkdiensten nooit meer laten zien. Leden, die duidelijk van onverschilligheid tegenover de verkondiging van de kerk en het leven der gemeente blijk geven of het evangelie zelfs openlijk minachten, zouden, nadat een voorafgaand pastoraal gesprek negatief zou zijn verlopen, uit de kerkelijke registers geschrapt moeten worden. De toediening van de doop zou aan veel ernstiger voorwaarden gebonden moeten worden. En het is een groot nadeel, dat de jeugd op hetzelfde ogenblik, waarop ze bij de bevestiging opgenomen wordt in de gemeente der volwassenen, weer vrijblijvend aan haar lot wordt overgelaten. ledere vereniging legt zijn leden bepaalde verplichtingen op, die in de statuten zijn aangegeven. De Chinese communistische partij - en zo zal het ook wel bij de anderen zijn - stoot leder lid uit, dat zijn bijdrage niet betaalt of zich zes maanden lang niet actief betoont. Zou de kerk haar leden niet tenminste tot bepaalde minimumprestaties moeten verplichten, afgezien van de financiële bijdrage? Ze zou hun een massa mogelijkheden van dienstbetoon ter keuze kunnen voorleggen: b.v. dat zij medewerken op een van de vele terreinen van het gemeenteleven; een inrichting op het gebied van de Christelijk-filantropische arbeid mee helpen dragen of met regelmatige bijdragen het werk van de zen ding steunen. Aan werk geen gebrek. Bovendien is het een bekende ervaring, dat van zo'n taak een stimulerende werking uitgaat op degenen, die er zich aan geven. Wie echter uit volslagen onverschilligheid welbewust in zljn passieve houding wil blijven volharden, zal de kerk vanzelf de rug toe keren, als deze het lidmaatschap afhankelijk maakt van de een of andere vorm van medewerking.

Men mene niet, dat hiermee inzake de afvalligheid van de volkskerk het verlossende woord gesproken is. Onze "volkskerk" is echter in feite een massakerk geworden. Ze sleept een massa mensen met zich mee, die afzijdig staan. Haar krachten zijn veel te zwak om deze massa's te doordringen. Ze gelijkt op een machine, die verstopt is en nog slechts moeizaam op gang gehouden kan worden. De predikanten zijn overbelast en de gemeenten veel te groot, Het zou voor beide winst zijn, als de schare van onverschilligen uittrad. Dan zouden de kerkelijke ambtsdragers hun werk kunnen concentreren. De gemeenten zouden kleiner en overzichtelijker worden, maar hun geloofsleven en hun innerlijke verbondenheid zouden erbij winnen. Het zou zichtbaar worden, dat ze in de haar omringende wereld slechts een minderheid vormt. Generaties lang was ze dat alreeds. Maar tot nu toe was dit feit achter een sluier verborgen. Betekent verwijdering van deze sluier, dat men nu de volkskerk vaarwel zegt? In genen dele. Het publieke karakter van het evangelie wordt daarmee allerminst aangetast. Eerst als dat zou worden prijsgegeven, als de verkondiging van de kerk haar innerlijke wijdheid zou verliezen en de Christelijke gemeente zich zou onttrekken aan de opdrachten, die haar van "de wereld" uit worden gesteld, eerst dan zou de kerk op weg zijn naar het conventikel. Uitzifting van deze massale ledenaantallen is zonder meer voorwaarde voor de gemeenten om weer een "zout" te kunnen zijn en een nieuwe missionaire kracht te kunnen ontplooien.

Een zeer ernstig punt is de financiering. De sekten zijn vrijwel zonder uitzondering verstoken van staatssubsidies. Ze zijn evenmin in de gelegenheid, hun leden via de belastingdiensten een aanslag op te leggen. Ze zijn geheel en al op vrijwillige bijdragen aangewezen. En desondanks beschikken ze over de middelen, die ze nodig hebben. Het is hun gelukt, hun leden offerbereid te maken. In de motieven, waarvan ze zich daarbij bedienen, kan de kerk hen niet volgen. Zij zal andere wegen moeten gaan, die aangepast zijn aan haar eigen boodschap. Maar zij zal er vastbesloten naar moeten streven, niet op andermans krukken te steunen, maar op eigen benen te staan. De geldvraag behoort niet tot de uiterlijkheden. De manier, waarop ze opgelost wordt, is een graadmeter voor de geestelijke kracht en de eerlijkheid van de kerk. Daarom mag men daar niet gemakkelijk over heen lopen.

In onze tijd van massificering en vertechnisering, met zijn verval van vertrouwde gemeenschapsvormen dreigt de mens zijn geestelijk tehuis kwijt te raken. Hij is op zoek na ar nieuwe gemeenschapskernen, die hem opnemen, hem geborgenheid, broederschap en warmte geven en hem van zijn eenzaamheid verlossen. Is de kerkelijke gemeente aan deze dringende behoefte tegemoet gekomen? Is ze in haar huidige situatie eigenlijk wel in staat om deze opdracht te vervullen?

In het Nieuwe Testament wordt de gemeente vergeleken met het lichaam van Christus: ieder is een lid van dat lichaam en verricht de diensten van een lid en met elkaar zijn ze samengevoegd tot de gemeenschap, waarvan Christus het hoofd is. Hoever staan onze gemeenten van dit voorbeeld af! Daarom mag men er niets van zeggen, als zoveel eenzame mensen een onderkomen zoeken bij de sekten. Velen, die van de kerk naar een sekte overlopen, doen dat niet op grond van een duidelijke godsdienstige keuze - de diepe togenstelling, die er tussen de reformatorische verkondiging en de leer van de sekte bestaat, is hun onbekend, Maar waar deze mensen vurig naar verlangen en wat ze in de kerkelijke gemeente niet vonden. biedt de sekte hun: de broederlijke gemeenschap van een huisgezin des geloofs.

In menige buitenkerkelijke gemeenschap wordt het hartstochtelijk verlangen naar een levende nabijheid van jezus, naar een persoonlijk innige verbondenheid van de gelovige met zijn Heer, beantwoord en vervuld. Is dit ook in de kerkelijke verkondiging het geval? Wordt dit verlangen daar niet vaak door een koud verstandelijke dogmatische of alleen maar moraliserende prediking en schriftuitlegging teruggestoten? Een jonge man die voordien Christus haatte werd door een eenvoudige smid bekeerd. In zijn geest drift stortte  hij zich op de Bijbel, die hij bijna Letterlijk verslond. Dagelijks las hij dertig tot veertig hoofstukken. Zijn moeder stuurde  hem naar de dominee. Deze probeerde hem echter met  verstandelijke redeneringen het geloof aan het volledige Woord te ontnemen! Je moet in de bijbel niet alles zo letterlijk nemen! Het jongmens was eenvoudig verpletterd. Hij bedankte voor de kerk, die het 1evende geloof in hem wilde verstikken. Tegenwoordig is hij een van meest bekend predikers van de Pinksterbeweging in Europa. Hij heet Hermann Zaiss!

De godsdienstoefeningen van de sekten vertonen wat de leer aangaat veel bedenkelijks, Maar ze spreken de mensen meer aan. Om verschillende redenen. B.v. omdat eenvoudige lekenpredikers vaak populair, naar het leven van alle dag en persoonlijk weten te spreken. Of omdat in deze diensten een dramatisch samenwerken van prediker en gemeente zichtbaar wordt. Of omdat er een mysterieuze eredienst ontwikkeld wordt, die de behoefte aan representatie van het goddelijke bevredigt. In onze kerkdiensten kunnen we de sektarische vormen niet na gaan doen. Ze zijn aan een andere wereld ontsproten. Maar men zou alles moeten doen om de kerkdiensten aantrekkelijk te maken. Ze zijn vaak zo koel, docerend, vormelijk en vervelend. Liturgisch is alles goed geordend. En op de preken valt theologisch niets aan te merken. En de gemeente zit stil in de banken en luistert toe. Maar de spontaniteit en de gloed ontbreken. Dat was in de gemeenten van de apostolische tijd anders. Hoe kunnen we onze kerkdiensten levendiger maken? Met de liturgie te verrijken en te verfijnen komen we er niet. Met verbetering van de prediking ook niet. Uiteindelijk brengt deze vraag een geestelijke armoede aan het licht. Meer dan de helft is reeds gewonnen, als deze armoede erkend wordt en deze erkenning zich omzet in een vurig, onophoudelijk gebed, dat de Heilige Geest ons daarvan afhelpt.

Verder en dieper voert ons de vraag, waar in de verkondiging en in het geloofsleven van de kerk de geestesgaven nog een plaats vinden. In de Nieuwtestamentische gemeente hadden ze een grote betekenis. Paulus spoorde de Corinthiërs aan er naar te "streven". Wordt er in de kerk nog naar gestreefd? Deze vraag wordt haar ook van uit de Pinksterbeweging gesteld. Ze mag die niet onbeantwoord laten. Zeker, ze heeft gelijk, als ze de "geestesgaven", die in de Pinksterbeweging optreden, kritisch beoordeelt. Maar dat ontslaat haar niet van de verplichting, de geestesgaven in haar verkondiging te betrekken en ze tenminste weer in het gezichtsveld van de gemeente te brengen. Ze beschikt niet over de macht, ze op te wekken - dat heeft de Heilige Geest alleen Zichzelf voorbehouden. Maar er mag en er moet om gebeden worden.

Een van deze geestesgaven is "de gave der gezondmaking" (1 Cor. 12, 9). De dienst der genezing is daarenboven aan de gehele Christelijke gemeente opgedragen en behoort tot de volmacht van het geloof (Mare. 16, 16-18). De wijze, waarop de gemeente deze opdracht heeft te vervullen, is in Jac. 5, 14-16 beschreven. Hoe is het in de kerk gesteld met de Bijbelse genezing van zieken? Op enkele sporadische resten na is ze verloren gegaan. Mag ze zich erover beklagen, als deze dienst nu door seculaire genezingsbewegingen en sektarische wondergenezers ter hand wordt genomen en op een niet altijd even heilzame manier wordt uitgeoefend? Eerst in de laatste decennia is de Bijbelse opdracht tot genezen ook binnen de kerk weer ontdekt en aangegrepen, bevrucht door de psychosomatische geneeskunde en gestimuleerd door de massale toeloop, die genezers en genezingsbijeenkomsten zowel op werelds terrein alsook in de Pinksterbeweging vonden. Het zou goed zijn, als het werk van de oecumenische St. Lukas-rede diep in het bewustzijn en het geloofsleven van de gemeenten door zou dringen.

Al met al leeft de kerk niet meer in een geestelijke volheid. En het beste, dat ze ziehzelf toewensen kan, is een heilige ontevredenheid, die met het oog op deze armoede en dorheid niet tot rust komt. Deze ontevredenheid kan voor haar nooit een aanleiding zijn, om de sekten bepaalde concessies te doen. Maar ze zal achter de sektarische bewegingen een vermanende roepstem Gods horen. Hij gebiedt haar niet alleen de dwaalleer te weren, maar voor alles tot zichzelf in te keren en terug te keren tot de waarheid, waaruit ze leeft en waardoor ze gedragen wordt.



De wereld der sekten tussen Protestantisme en Katholicisme


I. Beide grote confessies worden door een schare sektarische acolieten begeleid. Bij het Protestantisme is dit aantal belangrijk groter dan bij de Roomse kerk. Niet alsof deze Laatste hier immuun voor zou zijn. Als de Katholieke "sekten", tenminste in wijdere zin, zijn volgens de definitie van Alge missen te noemen: de Oudkatholieke kerk (gesticht in 1871), de Liberaal-Katholieke kerk in Engeland(gesticht gedurende de eerste wereldoorlog), de Mariavieten in Polen (ontstaan in 1906), de sekte van Heroldsbach (sedert 1949/ (50). de Polish National Catholic Church in de Verenigde Staten ( 1897) en de Iglesia Filippina Independiente op de Philippijnen ( 1902). Maar daarenboven is van oorspronkelijk Katholieke zijde ook nog menige bijdrage gekomen tot versterking van het Protestantse sektewezen. Niet weinig figuren van Katholieke herkomst zijn stichters of leiders van aparte religieuze gemeenschappen en sekten geworden. Zo was b.v. de stamapostel J. G. Bisehoff van origine Katholiek. Uit de Katholieke wereld komen Jacob Lorber, Rudolf Steiner, [oh. E. Keller (stichter van de Perfectionistische Kellergemeenschap) en joseph Weissenberg voort. Protestantse sekten als Jehova's Getuigen, de Kerk van het Godsrijk, de Adventisten en menige Pinkstergemeenschap hebben vele leden gewonnen uit de Katholieke kerk,

Over het algemeen genomen is het Protestantisme veel "productiever" in het verwekken van sekten, Hoe komt dat? De motieven zijn verschillend van aard. De Katholieke kerk kent een autoritaire binding en leiding van de gelovigen. De Katholieke dissenter heeft he el wat sterke innerlijke remmingen te overwinnen, voor hij bereid is in tegenspraak tot zijn kerk een eigen geloofswaarheid aan te hangen of zieh bij een sekte aan te sluiten. De Protestant daarentegen mist niet alleen een uiterlijke en innerlijke autoriteit, die met het pausdom te vergelijken is, maar loopt gemakkelijk gevaar in de uitlegging van de Schrift een dilettantisme of subjectivisme te huldigen, dat de tekst van de Schrift ervoor gebruikt eigen vondsten en lieveling ideeën bevestigd te willen zien en uit te geven voor goddelijke waarheid.

Daar komt bij: De Katholieke kerk is zo ruim gebouwd, dat ze binnen haar muren aan vele vromen en graden van vroomheid onderdak verleent. Daarom heeft ze rijke mogelijkheden om allerlei uiteenlopende opvattingen op te vangen, hun woonruimte toe te staan en hen zodoende voor afsplitsing te bewaren. Het Protestantse geloof is veel minder soepel. Daarbij komt, dat de Protestantse vroomheid in de grond van de zaak naar binnen gekeerd is en ook aan de kerk het kenmerk van eenvoud of wel nuchterheid verleent. Ze is karig in haar cultische vormen. Afgezien van de musica sacra kwam ze in beeldend vermogen ver ten achter bij de Katholieke kerk. Daarom is ze ook niet in staat op gelijke wijze als deze de mens in zijn veelheid van gemoedsgesteldheden en noden aan te spreken. Ze kan hem ook niet, vooral in tijden van levenscrises of historische catastrofen, het gevoel van geborgenheid schenken, zoals de Roomse kerk dat vermag in haar imposante, wereldwijde eenheid, haar geestelijke macht en autoriteit en haar zichtbare vertegenwoordiging van het goddelijke.

2. Er is nog een diepere grond, waarom er binnen de ruimte van de reformatorische kerken zoveel meer sekten werden geboren. Maar alvorens daarop in te gaan, moeten we een andere overweging vooraf doen gaan. We hebben vastgesteld, dat de sekte een antithetisch aan de dag legt tegenover de moedergemeenschap. Maar staan de Protestantse sekten met hun protest tegen Wittenberg en Geneve dan niet in hetzelfde kamp als de Roomse kerk? Inderdaad, als men het sektewezen in al zijn schakeringen overziet, ontmoet men overal .Katholieke" elementen. In de wereld van de Protestantse sekten zijn ze fragmentarisch over de afzonderlijke gemeenschappen uitgestrooid, in de Katholieke kerk zijn ze in een indrukwekkende eenheid samengevat. De autoriteit van de pauselijke stoel koert terug in de volmachtsaanspraken van goddelijke incarnaties of autoritaire ambtsdragers bij talrijke sektegemeenschappen. De exclusieve waarheidspretentie en de gelijkstelling van de eigen gemeenschap met de heilsgemeente heeft een analogie in de vereenzelviging van de Katholieke kerk met het mystieke lichaam van Christus en in de grondstelling: Extra ecclesiam nulla salus. De rijke eredienst en het sacramentalisme vindt men terug in de Christengemeenschap en in de Mormonenkerk. De onderscheiding van de Christenen in de grote massa en de meergevorderden, zoals die bij du Perfectionisten en de Pinksterbeweging aangebracht wordt, keert In dc Katholieke kerk, zij het onder een zeer knappe, wijze ordening, terug in de groeperingen van lekenstand en clerus, van profane lieden en ordebroeders. Zoals de sekten het principe van du sola scriptura vaarwel hebben gezegd, zo heeft de Roomse kerk aan de autoriteit van de Schrift nog de traditie en het onfeilbare leergezag toegevoegd. Horen de Protestantse sekten dus principieel niet aan de kant van de Roomse kerk? Zijn ze niet beide verbonden door het feit dat ze de theologia crucis verdrongen hebben door de theologia possessionis? Moet men derhalve niet ook de Katholieke kerk een sekte noemen?

inderdaad zou men daarvoor heel wat argumenten kunnen aan voeren Maar ik zou het des ondanks met deze indeling toch niet eens zijn. Zij doet aan de volheid van de Katholieke kerk geen recht.


Deze volheid bevat niet alleen de motieven, die aan de sekte wereld inherent zijn, maar ook evangelische elementen. Deze verschaffen aan de individuele Katholiek de mogelijkheid om zich onder het kruis te stellen en niet slechts zijn eigen geloofsleven daaraan te oriënteren, maar ook de dogma's, verordeningen en cultische regels van zijn kerk te verinnerlijken, met een evangelische geest te vullen en onderscheid te maken tussen wat essentieel is en wat niet.

En nu dan de vraag, waarom binnen het bereik van het Protestantisme de sekten zoveel weliger tieren. De diepste reden daarvan is, dat de reformatie met haar sola gratia, sola fide de machtige boom van de Katholieke heilsleer en heilsverwerkelijking geveld heeft. Ze heeft daarmee enerzijds het geloof van het twijfelachtige van alle menselijke strevingen bevrijd en het op de vaste bodem van de goddelijke beloften geplaatst. Maar anderzijds vergt ze van de gelovige, dat hij afziet van iedere beveiliging en garantie door eigen activiteit of door een kerkelijke autoriteit. Dat is een last, welke de Kathollek niet heeft te dragen. Het is geen wonder, dat er op Protestants erf steeds weer pogingen worden ondernomen, om deze last van zich af te schudden. De sektevormingen, die daarbij ontstaan, zijn in de grond van de zaak niets anders dan wild-woekerende zijloten aan de stronk van de door de reformatie afgehouwen boom van de Katholieke heilsleer. Ze nemen de principes en structuurelementen van deze heilsleer weer op, zij het ook in velerlei vermommingen en in fragmentarische vormen. In hun protest tegen de Protestantse kerk keert postuum de antithetisch tussen Rome en reformatie terug, slechts met dit verschil, dat de sekten een protest tegen de reformatie vertegenwoordigen, dat van binnen uit komt.

3. Ons onderzoek heeft aangetoond, wat de notae sectae, de kenmerken van de sekte zijn, te weten: het zieh meester maken van de genade en als gevolg daarvan de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis. In het zich meester maken van de genade zijn veel graderingen. Hoe sterker de sekte de genade in haar greep tracht te krijgen en monopoliseert, des te ondubbelzinniger is ook de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis ontwikkeld, Het omgekeerde geldt insgelijks. Het sektarisme is derhalve geen homogeen verschijnsel, maar vertoont vele overgangen en nuances.

Het is ook geen star verschijnsel. De geschiedenis van de sekten kent naast verwijdering ook een toenadering tot de kerk, Deze zet telkens daar in, waar de theologia possessionis twijfel gaat oproepen. Van hieruit worden dan ook de andere posities onzeker. Er ontstaat een zeker vacuüm. En in dit vacuüm stromen elementen van de Bijbelse waarheid na ar binnen. Er bestaat een intieme correlatie tussen de theologia possessionis en de theologia crucis: hoe sterker de ene wordt uitgebouwd, des te meer verliest de andere aan geldigheid.")

Samenvattende kan men zeggen: De Protestant se sekten nemen een bijzondere plaats in tussen Rome en de reformatie. Ze zijn met Rome verbonden door de gemeenschappelijke antithetiek tegenover de reformatie, bereiken echter in hun thetiek niet de volheid van de Roomse kerk, maar nemen er genoegen mee, bepaalde motieven van de Katholieke leer en vroomheid verder uit te werken. Aangezien zc vanuit hun Protestantse herkernst de afwijzing van Rome als erfgoed hebben meegenomen, zullen ze zieh bij een bredere ontplooiing van hun sektarisch karakter nooit ontwikkelen in de richting von de Katholieke kerk, maar zieh van haar verre houden en tegenover haar "extra ecclesiam nulla salus" hun rivaliserend "extra Huctam nulla salus" zetten. Tegenover de reformatie staan de sekten weliswaar in een protesthouding, maar ze zijn door een so ort "communtcerend vat" met haar verbonden. Afhankelijk van de mate, wuurin ze de theologia possessionis verder uitbouwen, neemt ook dn vorwijdering van de Protestantse kerk toe of af. De mate, waarin do thoologia crucis al of niet haar invloed doet gelden, bepaalt ook de mate van hun sekte-zijn en daarmee van de verwijdering van de kerk


Enige regels voor het gesprek met de sekten


Het gesprek tussen kerk en sekte vindt veelal plaats in een atmosfeer van bitterheid. Daaraan werken verschillende motieven mee, die bepaald niet uit het Nieuwe Testament stammen. Voor zover de kerk in zulke motieven gevangen zit, is ze het aan de zaak die ze voorstaat, verplicht, zich daarvan vrij te maken en het gesprek zo te voeren, dat het voor haar Heer bestaan kan. De volgende regels zijn bedoeld als een hulp in deze zin.

1. Wat betekent "gesprek" met de sekten? Het is niet een bijzondere kunst van discussiëren of argumenteren met de bedoeling de tegenstander te weerleggen, zijn bewijzen te ontzenuwen en hem van zijn motieven te beroven. Het is beslist niet zoiets als het poneren en handhaven van een theologisch "stootblok", dat men speciaal voor de bestrijding van de sekten in elkaar timmert. "Gesprek" is eerst dan en in zoverre geoorloofd en geboden, als het onverkorte verkondiging is - betuiging van de waarheid van de Schrift midden in de wereld van de sekten en actualisering van deze waarheid ten overstaan van de sektarische leer. Die actualisering heeft een positieve en een polemische kant. Daarbij moet de nadruk vallen op de positieve ontvouwing van de Schriftwaarheid en niet op de polemiek. Want als uitsluitend de polemiek aan het woord komt, kan ze alleen weerleggen en niet overtuigen. Het gesprek moet de hoogste mate van zakelijkheid paren aan die deemoedige, evangelische geesteshouding, die tot het wezen van het Christen-zijn behoort. Want het gaat er om de dwalende te winnen, niet om hen te kwetsen. Waar liefdeloos en hoogmoedig geoordeeld wordt, schiet men het doel voorbij. In laatste instantie is niet de kwaliteit van de bewijsgronden en de logica van de weerleggingen beslissend, maar de deemoed van het geloof. Alleen deze deemoed verleent aan het getuigenis van de kerk en, waar dit nodig is, ook aan haar zwijgen kracht, omdat ze een weerschijn is van de zaak, waaruit ze leeft, namelijk van de genade.

2. Het gesprek wordt van kerkelijke zijde vaak vergiftigd door de omstandigheid, dat het gepaard gaat met een dergelijk complex, dat eigen is aan degene, die zich van oudsher de bezitter voelt en die de werving door de sekten als een ongeoorloofde en boosaardige aanval op een kerkelijke bezitting ondergaat en de sektariërs beschouwt als provocerende indringers in een gebied, dat sedert eeuwen eigendom is van de kerk. Achter dit standpunt zullen wel motieven schuil gaan, die uit gemakzucht, traditionele gebondenheid of een egotistisch kerkelijk denken voortkomen, maar voor de Schrift is dit nooit te rechtvaardigen. De kerk heeft niet zoiets als een haar door God voor alle tijden gewaarborgde "staat van bezit". De zielen, die haar zijn toevertrouwd, zijn voortdurend aan allerlei gevaren blootgesteld, zodat ze werkelijk om hen moet vechten. Ze mag geen ogenblik haar waakzaamheid laten verslappen - en waarlijk niet alleen tegenover sektarische dwaalleringen!

3. Het pastoraat, dat aan de kerk is opgedragen, verbiedt haar naar niet geestelijke middelen te grijpen - b.v. de hulp van de overheid in te roepen - om de gemeenten voor de propaganda van de sekten te beschermen. Het zou een bewijs van klein geloof zijn, als men het Woord van God niet zelf in staat achtte, om aan de verleiding weerstand te bieden. En het zou een erkenning van eigen zwakheid zijn, als men zou menen een sterk toenemende werving van de zijde van de sekten alleen te kunnen tegengaan, door met behulp van overheidsmaatregelen een verdedigingsmuur om de gemeenten op te bouwen. Wie meent, dat het de opdracht van het pastoraat is, de gemeente om zo te zeggen in de watten te leggen en haar tegen ieder tochtje te beschermen, ziet het verkeerd. Men bewijst de gemeente daarmee geen dienst. Integendeel, men berooft haar, zodoende van de geestelijke winst, die in ieder "gesprek", dat zuiver en juist gevoerd wordt, besloten ie. Vanouds heeft de ervaring bewezen, dat het Woord Gods juist in de aanvechting door een vreemde leer leven wekt, omdat het de gemeente voor de keuze stelt en haar dwingt zich te bezinnen op het fundament en de juistheid van haar geloof en de waarheid daarvan te belijden. Het pastoraat vraagt daarentegen van de kerk, dat zij - en dat zijn niet alleen de ambtsdragers, maar alle levende leden van de gemeente tegenover de dwaalleraars getuigt van de waarheid van de Schrift, de aangevochtenen bijstaat en de afvalligen verontrust.

4.De sekten opereren in hun polemiek tegen de kerk graag met de comparatief: "Bij ons vindt men meer geloof, meer echte vroomheid, een zuiverder gemeente, een diepere kennis van de waarheid en een grotere trouw aan de letter van de Bijbel dan in de kerk!" Dit argument verdoezelt het feitelijke onderscheid. Bij de tegenstelling tussen kerk en sekte gaat het niet om meer of minder, maar om de tegenstelling tussen tweeerlei waarheidsleer. Omdat deze tegenstelling tot aan de wortel reikt, is ze niet partieel, maar totaal. De kennis van de waarheid verloopt bij de reformatie van haar uitgangspunt af in een andere richting en langs een andere weg dan de waarheidsleer van de sekten. De sekten gebruiken weliswaar de zelfde Bijbelse elementen en begrippen, maar deze hebben bij hen een andere plaats en een ander accent, en krijgen bij hen ook een andere inhoud en toepassing. Het gesprek met de sekten mag zich derhalve niet tot enkele aparte Leerstukken beperken, en het overige van de leer in de mening, dat men het daarover wel samen eens is, terzijde laten, maar moet het geheel van de sektarische geloofsposities in ogenschouw nemen en daaraan de waarheidsvraag stellen.

5. De waarheid welke aan de kerk is toevertrouwd en waarvan ze tegenover de sekten getuigen moet, is een waarheid van bijzonder karakter. Ze is niet een product van de menselijke geest, maar het "Woord Gods". Gods majesteit leeft in haar. Daarom heeft ze een souverein recht over de kerk. Dat betekent, dat ze aan de kerk is toevertrouwd, maar haar niet ter beschikking is gesteld. Veeleer andersom: de kerk is aan de waarheid ter beschikking gesteld. De waarheid kan nooit een "werktuig" en een instrument van de kerk zijn. Wel echter moet de kerk er alles op zetten een bruikbaar werktuig van Gods waarheid te worden. Dat zal ze vooral ook bij haar gesprek met de sekten moeten bewijzen.

6. Omdat de waarheid Gods boven de kerk staat en soeverein is, is ze niet aangewezen op menselijke verdediging. Ze verdedigt zichzelf. Alle kerkelijke apologetiek kan niet anders dan handlangersdienst zijn. Ze moet zieh de begrensdheid van haar opdracht bewust blijven en werken in het vertrouwen, dat het Woord zijn zaak zelf behartigt. Dan moet ze ook niet op snelle en zichtbare successen bedacht zijn, maar mag ze alles aan God overlaten. Hij zal ervoor zorg dragen, dat het Woord, in gehoorzaamheid verkondigd, niet ledig weerkeert. God heeft een lange adem en Hij wacht de uitwerking van zijn Woord geduldig af. Daarom mogen nervositeit en geprikkeldheid in het gesprek met de sekten nooit voorkomen, evenmin als matte berusting. Dat zijn gevolgen van klein geloof of van verloochening van de rol van handlanger, die de mens toebedeeld is. Wie weet heeft van de macht van het Woord Gods, zal onversaagd en blijmoedig blijven, ook al dreigen de golven der verleiding hem te overspoelen.

7. Het Woord heeft, omdat het het Woord Gods is, een heilige waardigheid aan zich. Deze waardigheid mag in de strijd der overtuigingen niet gekrenkt worden. Wie haar schaadt, maakt zich schuldig voor God en tast de geloofwaardigheid van het Woord aan. aan. Men schaadt de waardigheid van het Woord, als men er op een onwaardige, d.w.z. niet geestelijke wijze, mee optreedt tegen de dwaalleraars. Daarom geldt de stelregel, dat wie van dit Woord in het gesprek met de sekten getuigen wil, zich allereerst zelf door de waardigheid van het Woord verplicht moet weten. Hij zal dan van alle onwaardige strijdmiddelen afzien, ook al zouden ze van menselijk oogpunt uit "efficiënt" zijn. Hij zal - om enige voorbeelden te noemen - tegenover de sektariërs de ernst van hun overtuiging niet in twijfel trekken, Hij zal hen niet als kwaadwillige of minderwaardige lieden behandelen. Hij zal over hun leer of hun gedrag geen vals getuigenis geven. Hij zal hen niet op de een of andere wijze persoonlijk in diskrediet brengen, lasteren of krenken. Hij zal integendeel zijn best doen, om binnen het bereik van het menselijk mogelijke alles ten goede te keren. Daarom zal hij tegen kwalijke vooroordelen, die met de waarheid in strijd zijn en zoals ze maar al te veel over de sektarische gemeenschappen in omloop zijn, opkomen. Hij zal vrijmoedig het goede, dat er bij hen gevonden wordt, erkennen - en er is veel, dat deze erkenning verdient: de grote overtuigingskracht, de offerbereidheid, de trouw aan het belijden, de ernst van hun zedelijk streven, de broederlijke band met elkaar, de bereidwilligheid om spot en maatschappelijke discriminaties te aanvaarden. Hierin geven de sekten voorbeelden, waarmee ze de kerkelijke gemeenten veelszins beschamen. Wie zich door de waardigheid van het Woord Gods verplicht weet, heeft geen enkele neiging meer tot kleinzielig geruzie. Hij heeft ook de vrijheid de dingen, waarin de sekte een voorbeeld is, te waarderen en daaruit de vermaning te vernemen, die zich tot de kerk zelf richt. Anderzijds zal hij betweterij, waar hij die van de kant van de sekten tegenkomt, met geduld tegemoet treden, fanatisme met rustige vastberadenheid, en aanmatiging met de belijdenis van de gekruisigde, Hij zal alles, wat naar demagogie zweemt, tot het uiterste vermijden, Als het tot openlijke discussies komt, zal hij van zijn kant alles doen om te verhinderen, dat deze in paradegevechten ontaarden, Waarbij ieder onder alle omstandigheden het laatste woord wil hebben en als "overwinnaar" het slagveld verlaten wil. Hij zal zich ook bij zulke discussies eraan laten herinneren, dat hij niet anders heeft te zijn  dan handlanger van het Woord en dat zijn opdracht niet is, de tegenstander uit het veld te slaan, maar om in alle eenvoud te getuigen van de waarheid.

8. De kern van deze waarheid is het Woord van de heilige majesteit Gods en de boodschap van het kruis. Het is geen academisch vrijblijvende waarheid, maar een die eisen stelt. De eis richt zich allereerst tot degene, die haar verkondigt, en houdt in, dat hij zich door haar laat overwinnen. Alleen wie zelf een overwonnene is, kan geloofwaardig van haar getuigen. Wie deze waarheid wil verkondigen, zonder overwonnen te zijn, kan haar wel trachten te handhaven, maar zonder zijnerzijds haar werktuig te zijn. En daarmee vervalst hij haar grondig. Want hij keert de verhouding, waarin de mens staat tot Gods waarheid, om in haar tegendeel: hij werpt zich op als heer en meester over haar en vernedert haar tot zijn werktuig, dat hij zo efficiënt mogelijk en met theologisch, tactisch, retorisch, psychologisch raffinement etc. gebruikt om de dwalende te weerleggen. Dat is een ernstig misbruik. Het veroorzaakt bij de tegenstander misschien verlegenheid of bitterheid, maar geen gewetensonrust en geen bekering. En het richt zich ook te gen de dader zelf. Men ver gisse zich niet: Het Woord Gods is een tweesnijdend zwaard. Het wordt ook degene, die het alleen maar gebruikt als een wapen om anderen mee te wonden, tot een oordeel.

9. Het Woord Gods staat boven de kerk. De opdracht tot het gesprek met de sekten houdt in, deze terug te roepen tot de gehoorzaamheid onder het Woord. De kerk zou haar doel missen, als ze het louter als haar opdracht zag, zichzelf in haar concrete gestalte te verdedigen en er voor te zorgen, dat de gemeenten in zichzelf gerust en van zichzelf zeker zouden zijn. De zichtbare kerk is niet identiek met het Woord. Ze is veeleer - evenals de sekten ook zijn - vanuit het Woord geroepen om te horen en te gehoorzamen. Ze mag zich geen ogenblik uit deze creatuurlijke positie ontslagen achten. Daarom zou het gesprek met de sekten in een poel van zelfvoldaanheid eindigen, als het de sekten zou willen confronteren met de kerk en hun uit deze vergelijking de veelvuldige voordelen van de kerk zou willen bewijzen. Het is alleen dan legitiem, als het zich moeite geeft de sekteleer te confronteren met het W oord. Deze confrontatie sluit echter in, dat de kerk tegelijkertijd ook zichzelf door het Woord ter verantwoording en tot de orde laat roepen. Als ze zichzelf zou elimineren, zou het gesprek verworden tot een farizeïsche aangelegenheid. Waar echter de kerk zichzelf erbij betrekt en met de roep tot gehoorzaamheid, zoals die vanuit het Woord tot de sekten uitgaat, allereerst zelf ernst maakt, komt het gesprek op een hoger plan. In dit vlak krijgt het getuigenis van de kerk zijn vereiste geloofwaardigheid, omdat ze het voor zichzelf laat gelden. En het gesprek met de dwaalleer wordt haar tot heil, omdat ze zichzelf met nieuwe ernst door het Woord terecht laat wijzen. En tenslotte kan het in dit vlak gebeuren, dat een diepe solidariteit zichtbaar wordt, waarin beide, kerk en sekte, samen onder het Woord staan - de solidariteit van degenen, die God roept, die voor Hem schuldig staan en alleen uit zijn genade kunnen leven. Het ligt in de macht van de Heilige Geest, on der de zegenende werking van het Woord uit dit gebeuren zowel een geestelijke overwinning van de dwaalleer als een hereniging in de gemeenschap van het geloof van hen, die nu gescheiden zijn, te laten ontkiemen.






 

 

 

 

 

 

 

 

 

AANTEKENINGEN

1. H. Mulert - E. Schott, Konfessionskunde. Berlin 19563. Pag. 12 v.

 

2. Dr Walt er Schulte, "Sektierer und Schwarmgeister - psychiatrisch ge-

 

sehen". Deutsches Pfarrerblatt 1953, 13.

 

3. Hans Heimann, Prophetie und Geisteskrankheit. Bern 1956. Pag. 24.

 

4. Nathan Söderblom, Einigung der Christenheit. 1925. Pag. 121.

 

5. Konrad Algermissen, Konfessionskunde, 19506• Pag. 79. Volledigheidshalve dient nog wel te worden opgemerkt, dat Algermissen daarnaast nog een enger sektebegrip kent, door bij de niet-Katholieke gemeenschappen te onderscheiden tussen "volkskerken en vrije kerken" enerzijds en "sekten" anderzijds. Van laatstgenoemden geeft hij de volgende definitie: "Sekte is een, niet slechts tegenover de ene ware Wereldkerk van Christus, doch ook ten opzichte van de overige christelijke kerken antithetisch staande, individualistisch gerichte christelijke gemeenschap, die als kerk-van-vrijwilligen aan haar donatistisch kerkbegrip en ethisch rigorisme een willekeurige Schriftexegese, religieuse geestdrijverij en proselietenmakerij verbindt, met hoogmoedig fanatisme aan bepaalde bijzondere leerstukken vasthoudt en in haar verwachting van Christus' spoedige wederkomst chiliastisch en cultuurvijandig ingesteld is." (Pag. 84)

 

6. Hoe zeer men hier onderscheiden moet, blijkt b.v. uit het feit, dat grote Pinkstergemeenschappen als de "Assemblies of God" of "der Christliche Gemeinschaftsverband Mülheim/Ruhr" ieder verband met andere Pinkstergroepen, die een ongebreidelde geestdrijverij beoefenen, afwijzen. Ze zijn van mening, dat deze groepen geen twijgen zijn aan de stam van de Pinksterbeweging, maar ontaardingen en "sekten". De superintendent van de "Assemblies of God", Arthur G. Osterberg, uitte bij een terugblik op de vijftigjarige geschiedenis van de Pinksterbeweging de klacht: "Wij hebben ook reeds onze problemen - vooral t.a.v. de zgn. gezondbidders. Tegenwoordig zijn geloofsgenezingen vaak niets anders dan psychologische effecten of zonder meer zwendel; toen de Pinksterbeweging nog aan het begin stond, vonden ze werkelijk uit de kracht Gods plaats." De echte Pinksterbeweging is volgens hem Protestants en moet met de andere Protestanten samenwerken. "We weten, dat we ,halsstarrige' sekten onder ons hebben. Die hebben met ons weliswaar de naam gemeen, maar niet de doelstelling." In dezelfde geest uitte zich de vooraanstaande Engelse Pinksterprediker Donald Gee: De uitdrukking "Pinkstergroep" is zo'n breed scherm geworden, dat ze moet dienen om sekten en praetijken te dekken, die geen enkele werkelijke aanhanger van de Pinksterbeweging, die zich zijn verantwoordelijkheid bewust is, ook maar een ogenblik voor zijn rekening kan nemen. "Wij, die in onze eigen beweging opkomen en vechten voor een oprecht, bijbels en zuiver getuigenis, zouden ons eerlijk schamen, ons, al was het alleen maar in naam, te verenigen met bepaalde dingen, die ons voor de voeten geworpen worden."

7. "Unsere Ziele und Richtlinien für die Erbauung und Vollendung des Leibes Christ", uitgegeven door de "Hauptbrüdertag" van de Duitse Pinkster beweging te Berlijn, 1917. Pag. 16.

 

8. Werner Skibstedt, Die Geistestaufe im Licht der Bibel, Pag. 104 vv,

 

9. Mazdaznan leert aangaande de verlossing: "De mens kan door een uiterlijk en innerlijk reine levenswijze komen tot zelfverlossing. Individueel streven en inspanning leiden langzamerhand tot het vrij worden van begeerten en hartstochten. Door ons hier met alle macht voor in te zetten, verwerven we een steeds grotere reinheid, en Gods genade zal ons tegemoet treden 'zoals de Vader de verloren zoon'. De arbeid aan onszelf is dus beslissend voor de verlossing." (Mazdaznan-Mitteilungen, 8 april 1957)

 

10. Wächterstimme 1951, 9.

 

11. Stamapostel J. G. Bischoff in "Christi Jugend" 12, 15 juni 1956.

 

12. Jugendfreund 1956, 4.

 

13. Wächterstimme 21, 1 november 1950.

 

14. Deze autoritaire uitspraken tonen duidelijk aan, hoever de stamapostel zich van de grondslag van de Schrift verwijderd heeft. Volgens de leer van de Hersteld-Apostolischen is Petrus de eerste "stamapostel" geweest. Maar er is geen enkele overeenkomst te vinden tussen hem en de ambtsopvatting, zoals b.v. J. G. Bischoff die vertegenwoordigt. Wie de handelingen, woorden en brieven van Petrus nagaat, zal nergens ook maar een spoor kunnen ontdekken van iets, dat lijkt op een absolute heerschappij in de apostelkring of op een godsdienstig middelaarschap of op een monopolistisch recht op de Heilige Geest. Petrus maakte het heil niet afhankelijk van de gehoorzame onderwerping aan zijn persoon. Hij was er zich niet van bewust, Gods uitgestoken hand der liefde te zijn. Hij wilde niet anders dan de getuige zijn, wiens uitgestoken hand wees naar de gekruisigde als de bron des heils. Hij was zich er al evenmin van bewust, dat in hem krachtens zijn ambt de uitsluitende bron van de Heilige Geest vloeide, en hij heeft de Geest in geen geval met een zekere routine en middels een voor het heil onmisbaar genoemde "verzegeling" uitgedeeld.

 

15. Wächterstimme 23, 1 december 1951.

 

16. "De Herstelde Mens", een uitgave van de Lou-groep, Amsterdam z.j.

 

17. Weg und Ziel 51, 16 december 1956.

 

18. Dr Rauber in Gralswelt, mei 1951.

 

19. Weg und Ziel 8, 24 februari 1957.

 

20. Wachtturm, 1 oktober 1950.

 

21. Wächterstimme 17, 1 september 1955.

 

22. Wächterstimme 9, 1956.

 

23. Vergelijk bovendien de uitspraak van Mary Baker Eddy: "De verzoening van Christus verzoent de mens met God, niet God met de mens; want het goddelijk beginsel van Christus is God, en hoe kan God Zich met Zichzelf verzoenen?" (Wetenschap en Gezondheid). Waarom een "verzoening" van de mens met God door Christus eigenlijk nog nodig is, is echter niet duidelijk; want de zonde is volgens de Christian Science geen tegen

God gerichte daad van ongehoorzaamheid, maar louter een misverstand, dat op onjuiste inbeeldingen berust en alleen door het laten varen van deze inbeeldingen uit de weg geruimd kan worden.

 

24. Wächterstimme 7, 1956.

 

25. Joachim Jentzsch, Die Christliche Gemeinschaft "Hirt und Herde", 1956

 

Pag. 47.

 

26. Weg und Ziel 12, 24 maart 1957.

 

27. joehen Klepper, Unter dem Schatten deiner Flügel. Stuttgart 1956. Pag 87.

 

28. Das Wort, januari 1957.

 

29. Evangeliumsposaune 4, 15 februari 1957.

 

30. Philipp Täffler, Der Schlüssel zum lebendigen biblischen Glauben, Pag. 6.

 

31. Bote der Gemeinde Gottes, augustus 1955.

 

32. Bote der Gemeinde Gottes, april 1956.

 

33. Bote der Gemeinde Gottes, mei 1956.

 

34. Wächterstimme 17, 1 september 1956.

 

35. Rudolf Steiner, Das johannes-Evangelium im Verhältnis zu den drei anderen Evangelien, besonders zu den Lukas-Evangelium. Dornach 1928. Pag. 197.

 

36. Jugendfreund 1955, 11.

 

37. Leonhard Steiner, Mit folgenden Zeichen. Basel. 1954. Pag. 187.

 

38. Weg und Ziel 3, 20 januari 1957.

 

39. Bericht von der Jahrestagung 1947.

 

40. Uit een protocollair verslag van de "Reichs-Israël-Gemeinde".

 

41. Wachtturm 2, 15 januari 1957.

 

42. Weg und Ziel 10, 10 maart 1957 en 12, 24 maart 1957.

 

43. Der Jugendfreund 10, 1 oktober 1956.

 

44. Wächterstimme 24, 24 december 1956.

 

45. Wächterstimme 17, 1 september 1956.

 

46. In een geschrift "Antwort auf die Angriffe gegen William Branham", dat door Zwitserse Pinkstergroepen is uitgegeven, heet het zelfs: "Naar het woord van Jezus in Marc. 3, 28v is deze bewuste verdraaiïng van het werk van de Heilige Geest tot een werk der duisternis de zonde van de lastering van de Heilige Geest, die degenen, die het Woord Gods kennen, niet vergeven kan worden, noch in deze, noch in de toekomende eeuw."

 

47. Wachtturm, 15 mei 1951.

 

48. Wachtturm, 15 mei 1950.

 

49. Onverbloemd verklaarde b.v. stamapostel J. G. Bischoff, dat het in de vele eeuwen van het "apostelloze" tijdvak "niet mogelijk is geweest, de witte klederen te ontvangen" (Openb. 16, 15). En zijn zoon, apostel Fritz Bischoff, voegde daaraan toe, "dat dit kennelijk een tijd geweest is, waarin de akker der mensheid verdord en verdroogd; was en niet in staat om goddelijk zaad te ontvangen en het tot ontwikkeling en rijpheid te brengen." (Unsere Familie 3 5 februari 1957)

 

50. Dr W. Shulte meent onder de leidende figuren van de sekten veelvuldig het type van de fanatieke mens met een Ziekelijke geldingsdrang aan te treffen. Wat de aantrekkingskracht van dit type is, is "de hoge mate van subjectieve zekerheid, waarmee hij de heilsleer in samenhang met onwaardige ideeën voordraagt." Vele fanatici beschikken over bijzondere suggestieve krachten en lopen het gevaar, "dat deze krachten tot doel in zichzelf verheven worden, hun remmen verliezen en tenslotte er alleen nog maar op afgestemd raken, voornamelijk de eigen persoon in het middelpunt te plaatsen". De mens met de ziekelijke geldingsdrang kan deze behoeften in het raam van het normale leven niet bevredigen en meent nu in de kring van de sekte "zo mogelijk onder de dekmantel van een diepere vroomheid" dit doel wel te kunnen bereiken (Deutsches Pfarrerblatt 1953, 13). Zou het niet mogelijk zijn, dat er toch een ondergrondse betrekking bestaat tussen de theologia gloriae sectae en het hier getekende type van de sekteleider?

 

51. Wächterstimme 20, 1955.

 

52. Wachtturm 2, 15 januari 1957.

 

53. Abd-ru-shin, lm Lichte der Wahrheit, pag. 147.

 

54. Weg und Ziel 4, 27 januari 1957.

 

55. Uit de "Botschaft" van J. G. Bischoff, Kerstmis 1951.

 

56. Wächterstimme 22, 15 november 1956.

 

57. Wachtturm 3, 1 februari 1957.

 

58. Naar mededelingen in "Herold" 7, 1 december 1954 en 8, 15 december 1955.

 

59. Verslag van het paascongres in 1950 van de "Bruderschaft: Der König

 

Kommt!" mei 1950.

 

60. Der Köning Kommt! Nr 8, augustus 1950.

 

61. Wachtturm, 15 november 1950.

 

62. E. G. White, Ervaringen en Visioenen.

 

63. E. G. White, Ervaringen en Visioenen.

 

64. Unsere Familie 18, 20 september 1956.

 

65. Mary Baker Eddy, Retrospection and Introspection.

 

66. Freytag, Botschaft an die Menschheit, pag. 63 en 261.

 

67. Anzeiger des Reiches der Gerechtigkeit 1952, 6.

 

68. Uit een prospectus van Lorber- Verlag in Bietigheim.

 

69. Uit een prospectus van de uitgeverij van de stichting "Gralsbotschaft" in Gmünd.

 

70. Karl Schmidt, Jenseits der Kirchenmauern. Berlijn 1909. Pag. 96.

 

71. Or J. W. Hauer, Werden und Wesen der Anthroposophie. Stuttgart 1922.

 

Pag. 97.

 

72. GottIob Schrenk, Vom Geist bewegte Gemeinde. Zürich 1956. Pag. 17.

 

73. Natuurlijk mag men deze zin niet generaliseren. De motieven, die bijdragen tot de afwijzing van de geloofsweg, welke de reformatie verkondigde, zijn van zeer complexe aard. Men moet hier ook psychologische aspecten laten gelden. Dr W. Schulte wijst er b.v. op, dat mensen, die ontvankelijk zijn voor een sektarische leer, zich veelal onderscheiden door een bijzondere mate van suggestibiliteit. "Het zijn grotendeels weinig zelfstandige figuren, ja zelfs mensen, die zeer onzeker zijn van zichzelf, en verlangen naar  een vast fundament, en wel een zodanig, dat tastbaar is en dat hun nu in de kring van de sekten geboden schijnt te worden."

 

Deutsches Pfarrerblatt 1953, 13.

 

74. In dit opzicht worden momenteel reeds een aantal veelbelovende pogingen ondernomen. Hier worde slechts herinnerd aan het levenswerk van Karl Heim; of aan de taak, welke de "Evangelische Akademien" in Duitsland en andere instellingen (o.a. "Kerk en Wereld" en de Vrije Universiteit ten onzent) op zich genomen hebben, om de problemen van de politiek, de sociale orde, de techniek, de handel, de kunst, het wetenschappelijk onderzoek, van de atoomphysica af tot aan de parapsychologie toe, te doordenken en van de Schrift uit te beantwoorden. Een voortreffelijk voorbeeld van deze poging om verloren gebied weer onder het heslag van het Woord Gods te krijgen, biedt Adolf Köberle in zijn boek "Der Herr über alles", Furche-Verlag, Hamburg 1957.

 

75. Men kan dit verschijnsel duidelijk waarnemen bij de laatste afsplitsing van de Hersteld-Apostolischen, de "Apostolische Gemeente": Aanleiding tot deze splitsing waren al te hoog opgevoerde autoriteitsaanspraken van de stamapostel. Een aantal apostelen, die zich in de zelfstandigheid van hun ambtsmacht bedreigd, voelden en zich tot ondergeschikte functionarissen van de stamapostel gedegradeerd zagen, kwamen daartegen in opstand. Daar kwam dan nog allerlei persoonlijke wrok bij over de autoritaire manier van regeren van Bischoff. De brand sloeg erin, toen de stamapostel zijn "boodschap" van de wederkomst van Christus nog tijdens zijn leven in 1951 tot bindend geloofsartikel verhief. Het protest tegen de dogmaverklaring van deze boodschap tastte de autoriteitsaanspraken van Bischoff aan. Het fundament van de Hersteld-Apostolische theologia possessionis raakte aan het wankelen. Openlijk werd in twijfel getrokken, of het eigenlijk wel juist was, dat de stamapostel deze heerschappij over de apostelen en de macht over het zielenheil der gelovigen uitoefende. Men ging in de Bijbel na, hoe het stond met de voorrangspositie van de eerste "stamapostel" Petrus. Het resultaat weersprak de huidige practijk. Men verweet nu de stam apostel, dat hij Christus had verdrongen en zelf diens plaats had ingenomen. Zijn positie werd ondergraven. Daarvoor in de plaats kreeg het Schriftwoord weer een sterkere geldigheid. Men zwoer de Hersteld-Apostolische stelling, dat het "actuele woord" van het huidige apostelambt de voorrang heeft op de "oude" godsopenbaring, af. Met het wegvallen van de massieve Hersteld-Apostolische heilsgarantie begon ook het besef van zonde en verlorenheid! weer sterker naar voren te komen, en tegelijk kreeg men weer oog voor het heil Gods, dat in Christus is toegezegd: "Ons doen en laten is bij God bekend. Daarom willen we er niet gemakkelijk over heen lopen. In het algemeen denkt men er veel te gemakkelijk over. leder van ons is daar ontvankelijk voor. Maar we willen de ernst niet uit het oog verliezen en ons leven zo inrichten, dat Gods welgevallen erop rusten kan. Iemand, die zich een zondaar weet, smeekt om genade. De genade bewerkt, dat we niet te licht bevonden worden, maar dat de weegschaal in evenwicht komt. Op een andere manier is het juiste gewicht niet te bereiken. Welke waarde heeft de verdienste van Christus voor iemand, die meent, dat hij het al ver gebracht heeft? Christus' verdienste bezit de grote waarde en is groot genoeg om de weegschaal van alle zonde weer in evenwicht te brengen. De genade is groter dan de zonde." In deze woorden van apostel Kamphuis (Herold 14 van 15 maart 1957) is niet meer sprake van de "genade stoel" van de stamapostel, van de "macht tot binden en ontbinden" van de "wijnstok des Heren". Deze hele instantie is uitgevallen. De mens ziet zich onmiddellijk voor God geplaatst. En reeds begint de theologia cru cis zich in haar eerste omtrekken af te tekenen. Tegelijkertijd wordt de theologia gloriae sectae afgebroken. De Apostolische Gemeente houdt zichzelf niet meer voor het enige "verlossingswerk Gods op aarde". Zij kent zichzelf nog wel bepaalde voorrechten boven andere Christelijke gemeenschappen toe, maar ze leidt daar geen exclusief heilsbezit meer uit af.

_____________________________________________________________________________

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VERKLARING VAN DE MEEST VOORKOMENDE LATIJNSE EN GRIEKSE WOORDEN EN UITDRUKKINGEN

apocalyptisch

wat betrekking heeft op hetgeen in de eindtijd en bij het laatste oordeel gebeuren gaat

 

 

crimen laesae majestatis sectae

majesteitsschennis tegenover de sekte

 

 

Deus absconditus

de verborgen God

 

 

Deus revelatus

de geopenbaarde God

 

 

ecclesia militans

de strijdende- kerk

 

 

ecclesia triumphans

de triumferende kerk

 

 

extra ecclesiam nulla salus

buiten de kerk geen heil

 

 

extra sectam nulla salus

buiten de sekte geen heil

 

 

gloria Dei

de ere Gods

 

 

gloria sectae

de glorie van de sekte

 

 

Gratia

genade, door genade

 

gratia Dei

(door) de genade Gods

 

 

 

gratia praeveniens

 

genade, die vooraf gaat, voorkomt

 

 

 

gratia subveniens

 

genade, die begeleidt, er onderwijl bij komt

 

 

gratia postveniens

 

genade, die volgt

 

 

hybris

overmoedige trots

 

 

parousie

 

de wederkomst van Christus

 

 

 

 

 

 

sela gratia

 

(door) genade alleen

 

sola fide

 

door het geloof alleen

 

 

sola scriptura

 

de Schrift alleen

 

superbia

 

zelfverheffing, trots

 

 

theologia crucis

 

een theologie, die steunt op het kruis

 

 

theologia possessionis

 

een theologie, die steunt op het eigen bezit

 

 

theologia gloriae Dei

 

een theologie, welker uitgangspunt en doel de ere Gods is

 

theologia gloriae sectae

 

een theologie, welker uitgangspunt en doel de glorie van de sekte is

 

 

theopanisme

 

een spiritualistische vorm van pantheïsme

 

theophore autoriteit

een autoriteit, die met goddelijk gezag bekleed is, of die het goddelijke in zich draagt

 

 

vlva vox

 

de levende stem

 

 

 

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoud

Woord vooraf

 

 

EERSTE DEEL: HET WEZEN VAN DE SEKTE

 

3

"Sekte" is een verschijnsel, dat zo oud is als de kerk

3

Wat is een "sekte"? - Definitiemoeilijkheden

6

Het antithetisch karakter van de sekte

9

De confessionele bepaaldheid van de sekten

11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TWEEDE DEEL: DE GEESTELIJKE STRUCTUUR VAN DE PROTESTANTSE SEKTEN

 

Hoofdstuk 1: De haard van de afsplitsing

 

13

De kern van de reformatorische boodschap

13

Het sektarische oer protest

 

 

 

15

Hoofdstuk 2: De greep naar de genade

 

17

Het verleggen van de plaats van beslissing naar de mens toe

17

De verwisseling van roepstem en antwoord

19

De realisering van de goddelijke heilskrachten

22

Het oprichten van een theophore autoriteit

23

De vorming van de gemeente des heils

26

Oe grote kloof

27

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 3: Theologia gloriae sectae

 

28

De reformatorische theologia  gloriae Dei

28

De glorie van de sekte

29

De onttroning van God

31

 

 

Hoofdstuk 4: Theologia possessienis

 

32

De onteigening van Christus

32

De theologia crucis van de reformatie

34

Nederzettingen bezijden het kruis

37

 

Hoofdstuk 5: De verabsolutering van de sektegemeenschap

 

40

Kerk als gemeenschap van zondige heiligen

40

De sektarische kritiek op de kerk

42

De sekte als "de ware gemeente"

45

"Ze trekken zee en land rond"

48

Kiemen des doods

53

 

 

 

 

 

Hoofdstuk 6: De apocalyptische apotheose van de sekte

56/57

 

 

 

Hoofdstuk 7: Conclusies en consequenties

 

61

De Bijbel in de linkerhand

61

Op het terrein der vraagtekens

65

 

DERDE DEEL: DE KERK EN DE SEKTEN                          69

Vragen van de sekten aan de kerk

69

De wereld der sekten tussen Protestantisme en Katholicisme

76

Enige regels voor het gesprek met de sekten

78

 

 

Aantekeningen

 

Verklaringen

 

Register

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij  citeren een gedeelte uit:

 

Kurt Hutten

GELOOF EN SEKTE

Het sektarisme als anti-reformatorisch geloofsverschijnsel Zijn doelstelling en zijn tragiek

Vertaald door Ds J. J. Poort

 



~

T. WEVER - FRANEKER

Oorspronkelijke eitel: "Die Glaubenswelt des Sektierers" Das Sektenturn als antireformatorische Konfession Sein Anspruch und seine Tragödie

Copyright 1957 by Furche-Verlag, Harnburg

________________________________________________________________________________________

OPGEDRAGEN AAN DE

THEOLOGISCHE FAKULTEIT VAN DE UNIVERSITEIl' TE TÜBINGEN ALS DANK VOOR HET MI] VERLEENDE ERE-DOCTORAAT IN DE THEOLOGIE

 

 

 

Woord vooraf

Dit boek is de vrucht van een jarenlange en intensieve bestudering van de sekten. Wat me ertoe dreef, me met deze bonte wereid van christelijke gemeenschappen buiten de kerk bezig te houden, was niet alleen en zeker niet in de eerste plaats een apologetische interesse. Veeleer begon het met een zekere nieuwsgierigheid: ik wilde weten en ervaren, wat men nu eigenlijk in deze gemeenschappen gelooft en in welke vorm zij dit geloof beleven en belijden. De vaak avontuurlijke wegen van de geest, die ik da ar ontdekte, trokken me aan. In de Ioop van de tijd leerde ik daarbij steeds meer mensen uit deze gemeenschappen - eenvoudige leden, maar ook leidinggevende figuren - ook persoonlijk kennen, zodat de wereid van de sekten een levende werkelijkheid voor me werd. De indrukken, die ik uit deze menselijke ontmoetingen opdeed, waren verschille nd van aard. Er was natuurlijk ook veel, dat me tegenstond - geldingsdrang, heerszucht en verwrongen, agressief fanatisme. Maar daarnaast vond ik een overgave aan de geloofde waarheid, die me verraste en dikwijls beschaamde. Ik trof er mensen aan, die zieh volkomen gegeven hadden aan hun heilsleer en daaruit voor hun leven alle consequenties getrokken hadden, met name wat hun bereidheid tot getuigen en offeren betrof. Hun volledige inzet en hun afwijzing van elk compromis maakten diepe indruk op me. Ik zocht naar de bron, waaruit de kracht voor deze levenshouding stroomde, Hoe meer ik de geloofswereld van de sekten leerde kennen, des te mcor werd ze me ook tot een vraag. Ze dwong me mijn eigen over tuigingen steeds weer opnieuw op de proef te stellen. lk werd gedwongen antwoord te geven. Wat zich in me afspeelde, was bepaald niet een proces van eenzijdig verweer. Er kwamen vele verzuimen, leemten en zwakke punten van de kerk voor de dag. Maar wat in de waarheidsvraag - en dat is in de ruimte van het Protestantisme altijd de vraag naar het hart van de Schrift - 66k aan de dag kwam, is: de enorm diepe tegenstelIing tussen de kerk en de sekten,

Deze tegenstelIing kwam ik bij diverse sektengemeenschappen in allerlei gedaanten tegen. lk heb in eerste instantie in mijn boek:

"Seher, Grübler, Enthusiasten" (Quellverlag, Stuttgart 1954) een critische beschrijving van de afzonderlijke sekten gegeven. Maar de pluralistische kijk op de sekten, zoaIs die tot nu toe gebruikelijk was, bevredigde me evenmin als de gangbare definities van "sekte" in tegenstelIing tot de kerk. Het kwam me voor, dat deze diverse sekten teveel aan enkele op zichzelf wel belangrijke symptomen ophangen, maar hen toch niet raken in hun kern. Hoe langer hoe minder liet me de vraag met rust, of heeI deze verscheidenheid van sektarische geloofsleer en de daarin tot uiting komende protesten te gen de reformatie niet terug te brengen zijn tot een gemeenschappelijk grondthema; of het dus niet mogelijk zou zijn deze wereId der sekten, hoe disparaat ook in haar verschijningsvormen, in wezen als een eenheid te zien.

Voor de terzake kundige is het duidelijk, dat dit een sleutelvraag is. lmmers, als hierop een positief antwoord te vinden is, is men in staat het geheIe gebied van de sekten van binnen uit te verstaan. Het wordt dan mogelijk om duidelijk en ondubbelzinnig vast te stellen, waarin het wezen van de sekten be staat. Men kan haar bouwwetten en drijfveren nagaan en nauwkeuriger de grenzen bepalen tussen kerk en sekte, Maar ook t.a.v. het gesprek tussen deze beide heeft de beantwoording van deze sleutelvraag zeer belangrijke consequenties. Dit gesprek zou dan niet meer behoeven te blijven steken in een aantal uiterlijkheden en ontaarden in eigengereide betweterij. Het zou veel meer een zoeken zijn na ar het punt, waarop de beslissing genoopt wordt.

De beantwoording van deze sleutelvraag vormt het thema van dit boek. Ik heb het opzettelijk de enkelvoudige titel "Geloof en Sekte" meegegeven, en niet b.v. "De leerstelseIs van de sektariers", om daarmee tot uitdrukking te brengen, dat het er om te doen is het godsdienstig fundament bloot te leggen, dat alle leerstelseIs van de diverse sekten gemeen hebben. De bedoeling, die me bij dit geh eIe onderzoek voorzat, was niet om de strijdlusten aan te wakkeren, maar om zo mogelijk een verduidelijking te geven. Veel is reeds gewonnen, als al die misverstanden, troebele oordeelvellingen en bittere ressentimenten, die tussen kerk en sekte instaan, uit de weg geruimd worden en de eigenlijke tegenstellingen aan de dag kunnen komen. Want eerst daarmee is de voorwaarde geschapen voor een gesprek, dat niet meer blijft steken in vooroordelen, maar aan de eigenlijke zaak toekomt.

Stuttgart, augustus 1957                                                                                                                                                                                                                  Kurt Hutten


 

Invoegsel redactie apostolischeobserver.nl

In het boekwerk is meermalen te lezen over de HERSTELD APOSTOLISCHEN, In Duitsland was de naam echter Nieuw Apostolische gemeente, en in Nederland Hersteld Apostolische Gemeente  later  (1961)werd dat Nieuw Apostolische Kerk.

We willen er wel op wijzen dat er in Nederland meerdere Hersteld Apostolische Kerk richtingen bestaan.

Redactie

 

Eerste Deel

HET WEZEN VAN DE SEKTE

"Sekte" is een verschijnsel, dat zo oud is als de kerk

De geschiedenis van de sekten is zo oud als de geschiedenis van de kerk en heeft nooit een pauze gekend. Ze dateert reeds van de apostolische tijd. Paulus klaagt over scheuring in de gemeente van Corinthiö (1 Cor. 1, 10 vv.). In de Colossenzenbrief gaat het te gen de "filosofie", die zieh baseert op speculaties over de "elementen" (waarschijnlijk engelmachten) en die met Christus niets van doen heeft. De beide Timotheüsbrieven en de brief aan Titus (1 Tim. 1, 3-11; 4,1-11; 6, 3-10; 2 Tim. 2, 14-18; Tit. 1, 10-16) richten zieh te gen een joods-gnostische dwaalleer; aangeraden wordt de omgang met aanhangers van zo'n dwaalleer te vermijden (Tit. 3, 10). De tweede Petrusbrief waarschuwt voor "verderfelijke sekten", die de Heer verloochenen (2, 1) en brandmerkt in felle woorden het vleselijk drijven van deze libertijnse gnostici (2, 12 vv.). De waarschuwing voor de dwaalleraars vormt ook het thema van de Judasbrief (7-11). De eerste Johannesbrief (2, 18 vv.) ziet in het optreden van de gnostische dwaalleraars een teken, dat het de Iaatste ure is en dat de antiehrist komt; ze loochenen, dat Jezus Christus werkelijk in het vlees verschenen is, en zien in Hem een geestelijk wezen, dat zieh slechts van de doop af tot aan het lijden met [ezus heeft verbonden (2 [oh. 7 vv.).

De jonge kerk werd geteisterd door veeIsoortige en deeIs wijdverbreide bewegingen, die met hun afwijkende leer de eenheid der geme ente in gevaar brachten. Van de Marcionieten berichtte Tertullianus, omstreeks 200, dat ze de hele wereid vervulden. De gnosis legde voor haar verleidelijke speculaties beslag op christelijke geloofselementen, en gnostische sekten als de Basilidianen en de Valentinianen schiepen in de tweede eeuw veel verwarring. De enthousiast-apocalyptische beweging van het Montanisme won terze1fder tijd sterke aanhang in Klein-Azie en Noord-Afrika. In protest tegen de verslapping van de kerkelijke boetepraktijk en tegen het bisschoppelijke regeerambt wilde het Novitianisme de zuivere gemeente handhaven en schiep, in het jaar 251 geexcommuniceerd, een eigen "kathaarse" nevenkerk, die eeuwenlang is blijven bestaan. Hevige strijd ontbrandde in de vierde eeuw in Afrika om het Donatisme, waarin naast een oerchristelijk rigorisme ook allerlei nationale en sociaal-revolutionaire motieven meespeelden.

Toen met Constantijn het verbond tussen kerk en staat gesioten werd, stelde de staat zijn sterke arm aan de kerk ter beschikking ter bestrijding van de tegenstanders en de kerk nam die graag aan. Constantijn werkte reeds met verbanningen van heterodoxe elementen, en voortaan werd tot grondbeginsel verheven, dat iedere uitsluiting uit de kerk door een bisschop ook maatschappelijke consequenties met zieh meebracht. Sedert Valentinianus I, en eerst recht sedert Theodosius I (379 - 95) werden de wetten tegen de ketters aI maar strenger. Theodosius verbood iedere andere godsverering dan de Nieeense en zijn maatregelen richtten zieh evenzeer tegen het heidendom als tegen Christenen met een afwijkend geloof. De geringste afwijking van de orthodoxe leer werd als misdrijf tegen de staat met alle mogelijke reehtsbeperkingen gestraft.

Voortaan was het gevaarlijk een sektarier te zijn. De verdere geschiedenis van de sekten stond dan ook tot diep in de moderne tijd en deels tot op heden toe in het teken van vervolging en lijden. Dat de kerk zieh tegenover groepen met afwijkende overtuigingen niet tot zuiver pastorale .middelen beperkte, maar het ingrijpen van het staatsgeweld duldde, ja zelfs eiste, is een donkere schaduw in haar beeld. In de twintigste eeuw hegen de sekten te doen met een nieuwe vijand in de gestalte van de totalitaire dictaturen. In het Derde Rijk werden bijna alle sektarische gemeensehappen verboden en deels bloedig vervolgd. In de communistiseh geregeerde landen vergaat het hun weinig beter. Een enkele sekte, zoals die van Jehova's Getuigen, heeft wegens haar negatieve instelling tegenover staat en krijgsdienst ook in de westelijke democratieen zo nu en dan te lijden van onderdrukking.

Hoe streng de leertucht in de kerk van de middeleeuwen ook was en hoever haar machtsmiddelen ook reikten, ze kon toch niet verhin deren, dat allerwege sektarische bewegingen opkwamen, die in protest te gen het verval van kerk en paus dom het ideaal van de armoede aanprezen (Katharen, Amoldisten, Lombarden, Waldenzen, Humillaten), vervuld waren van apocalyptische verwachtingen (Joachimieten, Spiritualen, Fraticelliers, Apostolischen), als voorboden van de reformatie aan de grondpeilers van de kerkelijke leer en hiörarchie schudden (Wicleff, Huss) of een revolution air chiliasme predikten (Taborieten, opstand van de paukenist van Niklashausen Hans Böhm in 1476).

Ook de Orthodoxie had sektarische afsplitsingen te melden. In innerlijk en uiterlijk verband met de Katharen stonden de Bogomielen van de twaalfde eeuw in Bulgarije. De tegenstand tegen cultische hervormingen en westelijke vernieuwingen riep in de zeventiende eeuw de Russische Oud-Gelovigen, de Raskolnikers, te voorschijn. De Starovjerzy's veroordeelden de geringste verandering in cultus of zede als prijsgave van de heiligste goederen en zagen in Peter de Grote de antiehrist en in alles, wat uit het buitenland kwam, zonde en onheil, Een deel van hen, de Bezpopovzy's, dat wil zeggen "priesterlozen", zag na het verlies van de gewijde clerus af van iedere vorm van eredienst, voltrok de doop zelf, Iiet het avondmaal uiteenvaIIen, ontdeed het huwelijk van zijn sacramenteel karakter en verving het sacrament van de biecht door een openlijke boetedoening voor de gemeente. Gnostische elementen werkten in de sekten van de Duchoborzy's (geestelijken) en Molokany's (melketers), die in het midden van de achttiende respectievelijk negenti ende eeuw opkwamen. Mystiek-ascetische motieven leidden in de zeventiende eeuw tot het ontstaan van de Chlysty's (geselaars) met hun extatische dans bij de cultus, hun volledige geslachtelijke onthouding en hun geloof aan voortgezette goddeliike openbaring en steeds nieuwe vleeswordingen van Christus. De Skopzy's of gesnedenen (sedert de tweede helft van de achttiende eeuw) dreven de ascetische eisen van de Chlysty's op tot zelfontmanning, amputatie van de borsten van de vrouwen en zelfverbranding en wilden het getal van de 144.000 "maagden" van Openb. 14 : 1 en 4 volmaken, opdat het duizendjarig rijk zou kunnen aanvangen. De judaiserende Subbotnikers, die sedert het midden van de achttiende eeuw sterker naar voren traden, gingen over tot sabbatsviering en stelden de wet van Mozes boven die van Christus.

Een vruchtbare voedingsbodem voor het ontstaan van sektarische bewegingen bleek het Protestantisme te zijn. De reformatie had zieh in moeizame strijd te verweren te gen de dweepzieke en doperse bewegingen, die de "papieren Paus" van de Bijbel en een kerk, die zieh zo nauw met de overheid verbond, afwezen, kritiek hadden op de rechtvaardigingsleer en de beklemtoning van de uiterlijke sacramenten, zieh door het inwendige woord lieten leiden en bij tijd en wijle in het teken van diepe apocalyptische verontrusting een

. militant karakter aannamen (Thomas Münzer, de Dwepers van Münster). Het Piötisme had menigerlei sektarische verschijning ten gevolge waarin een antikerkelijk separatisme zieh verenigde met de chiliastische motieven van geestdrijvers (de Philadelphische Societeiten, de "ware inspiratiegemeenten" van Gruber en Rock uit 1716, de Ronsdorfer sekte uit 1716, de Buttlarse schare uit 1702, de Bordelumse schare uit 1739). Tijden van historische rampen brachten met de geestelijke en religieuze schok, die ze veroorzaakten, ook altijd een opleving van de sekten met zich mee. Zo bleken de decennia van de Franse Revolutie en Napoleon bijzonder vruchtba ar te zijn voor het sektarisme. De omwentelingen van die tijd vormden de geestelijke ondergrond, waaruit b.v. de Katholiek-Apostolische gemeenten, de Adventisten en de Tempeliers opkwamen. De toenemende welstand en ook de veruiterlijking van de Amerikaanse kerken, die samenhing met de economische vooruitgang na de burgeroorlog, riep talloze sektarische protestbewegingen te voorschijn: Perfectionistische, apocalyptische en Pinkstergemeenschappen ontstonden in die jaren voor en na de eeuwwisseling in groten getale. Vele van hen, geladen door een enorme activiteit, grepen ver boven het moederland uit en vonden internationale verbreiding. De beide wereldoorlogen en de series revoluties en dictaturen, waarvan de wereld in de twintigste eeuw te lijden had, gaven samen met toekomstvertwijfeling en levensangst, aan het sektarisme nieuw voedsel. De psychische, sociale en religieuze verwoestingen tenge-

volge van de oorlogen, het lamleggen van kerkelijke arbeid door de totalitaire regeringen, de opeenhoping en dooreenmenging van ontwortelde of verjaagde mensenmassa's, waar de kerkelijke gemeenten niet meer tegen op kunnen, de met de technisering en industrialisering gepaard gaande omwentelingen, de nationalistische beroeringen in de wereId van de kleurlingen - dit alles en nog veel meer droeg er toe bij, dat de sekten zowel wat aantal en verscheidenheid van gemeenschappen betreft als in omvang en uitbreiding, momente el een stand hebben bereikt als nooit tevoren. Er zijn grote sekten, die in zielenaantal menige kerk overtreffen, meer geld bijeenbrengen dan deze, een veel omvangrijker zendingswerk verzorgen dan de kerken, zieh ook in de publieke mening een vooraanstaande plaats heb ben verworven en een goed eind op weg zijn, tenminste naar buiten, zieh te ontdoen van het karakter van conventikel en gelijkwaardige .Jcerken" te worden.

Vorenstaand overzicht geeft slechts een aanduiding van de bonte verscheidenheid van de geschiedenis van de sekten. Het wilde aantonen, dat er in alle perioden van de kerk sektarische afsplitsingen geweest zijn en dat geen enkele confessie daarvan vrij bleef. Het wijst vervolgens aan, dat de sekte in al haar schakeringen wezenlijk als protestbeweging verstaan moet worden. In dit protest zijn niet alleen maar bijbels-christelijke motieven werkzaam. Dikwijls wordt het ook gevoed door nationale en sociaaI-revolutionaire motieven, door bepaaldheden van ras, door traditionalistisehe rassensentimenten of door buitenehristelijke religieuze invloeden. Tenslotte maakt dit overzieht duidelijk, dat het begrip "sekte" bepaald niet uniform omgrensd is, maar een zeer gevarieerde verseheidenheid in zieh bergt, al na ar gelang van de tijd en de eonfessie, waarin ze ontstaat. Hier doemt een probleem op, dat om opheldering vraagt en waarmee ons verdere onderzoek moet beginnen.

Wat is een "sekte"? - Definitiemoeilijkheden

De christelijke gemeensehappen worden onderseheiden in de typen "kerk" en "sekte". Maar reeds hier beginnen de moeilijkheden. Als men de sekte als contrastbegrip wil verstaan en dus afgrenzen wil van de kerk, moet men eerst een duidelijke definitie hebben van wat een .Kerk" is. Maar zo'n definitie ontbreekt. De Christenheid valt uiteen in drie grote confessies, die in hun structuren streng van elkaar zijn gescheiden en zieh daarenboven deels weer in talrijke, onderling verschillende kerken opdelen. Is er een eenheid, die ze allemaal in gelijke mate overkoepelt en door allen in gelijke mate erkend wordt als een band, die hen verenigt? Ligt deze eenheid in Christus? In de heilige Schrift? In een gemeenschappelijke opvatting van zonde, verzoening, genade, van de sacramenten? Nee, de scheur loopt door al deze fundamentele gebieden heen. Een bepa alde eenheid in de kerk bestaat niet.

Het is daarom niet te verwonderen, dat de vraag naar het wezen van de sekte en naar wat haar onderscheidt van de kerk in de loop van de geschiedenis op de meest verschillende manieren is beantwoord.

Voorzover deze antwoorden in hun tijd als juist hebben gegolden, zullen we hebben na te gaan, in hoeverre ze ook vandaag nog deze geldigheid hebben.

Men heeft de sekte als de kleine gemeenschap gesteid tegenover de grote kerk. Daaruit leidde men dan graag een negatieve beoordeling af: de sekte is een lastige storende factor in het publieke leven, een schare van rustverstoorders en zonderlingen, een terzijde staand conventikel. Men trok uit het aantal harer volgelingen concIusies betreffende de kwaliteit van de zaak, die ze voorstond. Men deprecieerde de sekte, omdat ze niet paste bij de "common sense", niet de goedkeuring had van de geestelijke autoriteiten van die tijd en bij de massa van het volk niet in aanzien stond. - Maar dat is een onbruikbaar antwoord. Want principieel zegt het aantal aanhangers niets aangaande de waarheid. Die is souverein en hangt niet af van veel of weinig instemming.

Men heeft het kenmerk van de sekte gezien in het feit, dat ze een door de staat niet erkende en wettelijk niet bevoorrechte gemeenschap is (b.v. bij de vrede van Westfalen). Maar ook deze definitie is onbruikbaar. Want dan zou de staat hebben te bepalen, wat "kerk" en wat "sekte" is. Daartoe echter voelt zeker de moderne wereldse staat zieh niet competent.

Men heeft de "sekte" wel gedefinieerd als een zuiver vrijwillige gemeenschap in tegenstelling tot de volkskerk, Zij zou zich dan van de kerk, waarin men nu eenmaal als leden van het volk geboren wordt, onderscheiden, doordat ze slechts die mensen omvat, die een eigen religieuze beslissing genomen hebben en derhalve vastbesloten zijn om de "ware gemeente van Christus" te vormen en daartoe ook in de gelegenheid zijn. De kerk is volgens Troeltsch het vaste, objectieve; haar leer en haar ordeningen bestaan reeds v66rdat haar leden ertoe behoren. "De enkeling, in zoverre hij Christen is, geldt als door haar voortgebracht, de kerk is de moeder der gelovigen. Men noemt de sekte daarentegen niet moeder. Bij haar is het veeleer zo, dat de gemeenschap telkens opnieuw door haar leden wordt voortgebracht." 1) Het onderscheid tussen kerk en sekte concretiseert zieh bijgevolg het duidelijkst in de dooporde: bij de kerk kinderdoop, bij de sekte volwassendoop. Maar ook deze tegenstelling voldoet niet. Want ze houdt geen rekening met de leerinhoud. En afgezien van het feit, dat de volkskerk bezig is te gaan verdwijnen, zouden in dit geval ook de vrije kerken - Methodisten, Baptisten enz. - als vrijwillige gemeenschappen tot de sekten moeten worden gerekend.

Men heeft de geloofsbelijdenis tot kenmerkend onderscheid gemaakt: sekten zouden al die gemeenschappen zijn, die het apostolicum niet belijden, Maar ook daarmee komt men er niet. Want het apostolicum draagt zijn betiteling als "oecumenisch symbool" in zoverre ten onrechte, dat het slechts in de Westerse Christenheld (Rooms-Katholicisme en de kerken der reformatie) als belijdenis erkend werd, maar daarentegen bij de kerken van de Orthodoxie geen ingang vond. Bovendien zijn er gemeenschappen, b.v. de Hersteld-Apostolischen, die het apostolicum in hun belijdenis hebben opgenomen, maar desondanks duidelijk onder de sekten moeten worden gerekend.

Men heeft de sekte wel vanuit sociale achtergronden willen verklaren als een godsdienstig en dogmatisch vastgelegd protest van armere gemeentegroepen tegen de verwereldlijking van een rijke en verburgerlijkte kerk. Deze motivering treft men inderdaad dikwijls aan, vooral in de Amerikaanse geschiedschrijving van de sekten. Maar hieronder kunnen bij lange na niet alle sekten vallen. Er zijn godsdienstige afsplitsingen, waaraan burgerlijke en ontwikkelde kringen leidinggevend hebben deelgenomen (b.v. Christi an Science en Christengemeenschap) en bij wie geen enkel sociaal affect valt aan te wijzen.

Men heeft het verschijnsel van de sekten 'trachten te verklaren met psychologische middelen: hier zou het psychisch afwijkende, ziekelijke, zieh breed maken. Inderdaad, de sekten zijn heel vaak het toneel van geöxalteerde en zonderlinge gedragingen, een invalspoort voor magische en spiritistische krachten en veelsoortig bijgeloof. De hoofdredacteur van het Katholieke tijdschrift "Arzt und Christ", Dr Gottfried Roth uit Wenen, deelde op het internationale Katholieke congres van zielszorgers voor zieken, in Freiburg in 1956, mede, dat het aantal psychopaten onder hen, die tot een sekte behoorden, veel groter was dan bij de doorsnee van de bevolking. Dr med. Walter Schulte, docent te Bethel, karakteriseerde het leven van de sekten door te zeggen, dat het uitmuntte door "onwaardige ideeen", d.w.z. door gedachten, die ingevolge een sterke gevoelsnadruk de voorrang krijgen boven alle andere en de persoonlijkheid na verloop van tijd steeds uitsluitender ga an beheersen. "Deze onwaardige ideeen worden gedragen door persoonlijkheden, die weliswaar zeker niet in eigenlijke zin ziele zijn, maar onder omstandigheden wat hun karakter betreft toch wat abnormaal aandoen. Het zijn soms min of meer zonderlinge naturen. Onder de leiders vindt men naar verhouding veel fanatieke naturen, die zieh bij voorkeur doen gelden, en on der de volgelingen van zichzelf onzekere, suggestibele naturen." 2) De privaatdocent voor psychiatrie in Bern, Dr Hans Heimann, stelde bij drie geestelijke vaders van bijzondere godsdienstige gemeenschappen: Emanuel Swedenborg, Jacob Lorber en Anton Unternährer (geboren in 1759, stichter van de Zwitserse sekte van de Antonianen), een schizophrene psychose vast, "die vooral door hallucinaties gekarakteriseerd wordt, een zgn. paranoide hallucinose". 3) Maar zijn diagnose schijnt me niet in ieder opzicht zeker. Laten de visioenen en inwendige stemmen van Lorber en Swedenborg met de rijke en vaak diepe inhoud van hun bekendmakingen, zieh werkelijk als hallucinaties zonder meer verklaren? Heimann zelf ziet er terecht van af, uit zijn verklaring gevolgtrekkingen betreffende het waarheidsgehalte te maken. En Ernst Benz rangschikt een man als Swedenborg bij de groep van de visionairen en noemt hem zelfs een "echte christelijke profeet" . In ieder geval zou het onjuist zijn en grove laster, als men eenvoudigweg alle stichters en aanhangers van een sekte onderbracht bij de categorie van psychisch defecte of met het occultisme besmette lieden.

Men heeft de tegenstelling tussen kerk en sekte wel hierin gezien, dat de sekte bekrompen en fanatiek zou zijn en met de pretentie, dat het heil alleen in haar midden te vinden is, zieh botweg afzondert van alle andere christelijke gemeenschappen, terwijl de kerk juist een oecumenische houding aanneemt. Ook hier toont zieh inderdaad een kenmerkende karaktertrek, die we later weer zullen ontmoeten. Maar ook deze komt voort uit diepere worteIs; ze is dus niet primair, maar secundair. En bovendien, is de geschiedenis van de kerken vrij van fanatieke bekrompenheid? Eu vindt men die exclusieve pretentie van het heil niet ook bij de Katholieke kerk? "Als men on der sekte een religieuze gemeenschap verstaat, die in haar programma het principe heeft staan, zieh van de overige Christenheid af te grenzen, dan is er geen enkel deel van de kerk, waarop deze definitie beter zou passen dan Rome." 4)

Men heeft getracht het onderscheid tussen kerk en sekte theologisch aldus te formuleren: Terwijl de kerk de nadruk legt op het "alleen" - Christus alleen, de Schrift alleen, het geloof alleen -, zou voor de sekte het "en" kenmerkend zijn. Zij zou naast Christus nog een andere, menselijke autoriteit zetten, zou dus aan haar geloofsleven behalve de Schrift nog andere wijsheden, openbaringen of inzichten ten grondslag leggen als normerende waarheden en zou aan het geloof nog zedelijke of cultische werken willen toevoegen van heilsbeslissende waarde. Of men zegt, dat de sekte naast de algemeen-Christelijke geloofswaarheid nog een aparte leer ontwikkeld heeft, deze overbeklemtoond en daardoor de breuk veroorzaakt heeft. Deze theologische verklaringen van het wezen der sekte raken ongetwijfeld een wezenlijk feit, maar zijn toch niet afdoende. Want onder de bovenstaande tegenstelling van "alleen" en "en" kan men slechts die kerken en sekten vangen, die binnen de ruimte van de reformatie zijn ontstaan; ze is echter niet te gebruiken voor de Katholieke en Orthodoxe kerken en de sekten, die daaruit voortkwamen. Bovendien geeft ze slechts enkele, weliswaar zeer belangrijke symptomen aan, maar stoot toch niet tot de wortel door. Dat zelfde geldt voor de verwijzing naar de aparte sektarische leerstellingen. Zeker, de Hersteld-Apostolischen hebben een eigen leer ingevoerd betreffende de wederinstelling van het apostelambt en de Adventisten betreffende de sabbat, en ze onderscheiden zieh daardoor van de kerk. Maar is dat nu het hele onderscheid? Moet men niet vragen: Hoe komen ze er eigenlijk toe, deze aparte leer te ontwikkelen? Hier moeten toch nog wel diepere drijfveren voorhanden zijn. Misschien reiken de worteis van deze leerstellingen wel tot de bodem! Misschien veranderde door de uitwerking daarvan wel de hele structuur van die "algemeen-Christelijke waarheid"! Misschien, ja waarschijnlijk is het dus helemaal niet zo, dat men die aparte leerstellingen als een soort kankerwoekering beschouwen moet, die zich heeft vastgehecht aan het lichaam van deze algemeen-ChristeIijke waarheid. Als dat juist was, dan was de situatie eenvoudig. Dan zou men kunnen volstaan met aan de sekten voor te stellen deze woekeringen te amputeren of ten minste ze langzamerhand te doen slinken, terwijl anderzijds de kerk ze dan zou moeten tolereren, omdat ze immers slechts woekeringen zijn en de eigenlijke "gemeenschappelijke" kern van de Christelijke waarheid niet beroeren. Dan zou het ook mogelijk moeten zijn, door Bijbelonderzoek opheldering te verkrijgen over recht of onrecht, belang of noodzaak van die aparte leringen, om op deze wijze totovereenstemming te geraken. Maar de ervaring leert, dat deze wegen niet begaanbaar zijn. Er moet dus iets diepers, iets elementairs in deze woekering schuilen. In feite zijn dit juist de ziehtbare tekenen ervan, dat de leer van de sekte zieh in haar gehe el onderscheidt van de verkondiging van de kerk en dat er niet zo iets bestaat als een grondverdieping van een gemeenschappelijke Christelijke waarheid, die kerk en sekten ondanks alle aparte leerstellingen toch nog met elkaar verbindt, Waar ligt echter dit onderscheid?

Wat is dus een sekte? Ook het teruggrijpen op de philologie helpt ons niet verder. De afleiding van het woord van sequor = iemand volgen, iemands partij kiezen, of van sec are = afsnijden, bezorgt ons op z'n best een formeie, maar geen inhoudelijke begripsbepaling. Helemaal moeilijk wordt de vraag, als men het volgende bedenkt: volgens een definitie van "sekte in de meest algemene betekenis van het woord" van Konrad Aigermissen, geldt b.v. de Oud-Katholieke kerk voor de Katholieken als sekte; want sekte is principieeI .Jedere godsdienstige gemeenschap, die onder erkenning van de BijbeI als de door God geopenbaarde waarheidsbron en in het geloof aan Christus als Gods Zoon christelijk kan worden genoemd, maar in haar levenstrekken van het begrip van de ware kerk afwijkt" .5) Daarom rangschikt Rome ook de kerken van de reformatie altijd weer onder de "sekten". Anderzijds wordt de Oud-Katholieke kerk in Protestantse kring zonder meer als kerk erkend, terwijl zo nu en dan de Roomse kerk wordt aangeduid als een "sekte" van reusachtig formaat. Voor jehova's Getuigen, de Kerk van het Godsrijk of de Mormonen gelden weer alle christelijke gemeenschappen en kerken als sekten met uitzondering van hun eigen geloofsgemeenschap. Het gebruik van het woord "sekte" is dus blijkbaar gebonden aan het standpunt, dat men inneemt. Dit woord is een relatie-begrip. Het gebruik ervan verstrekt geen helder beeld. Is het dus onbruikbaar?



Het antithetisch karakter van de sekte


Als we met de beide begrippen "kerk" en "sekte" toch op de een of andere manier willen werken - en we kunnen daar nu eenmaal niet onderuit -, dan moeten we ze nauwer begrenzen. Daarom willen we, om van wat een sekte heet een nauwkeuriger bepaling te vinden, eerst eens te rade gaan bij de godsdienstgeschiedenis.

1. Het sekte-wezen is een verschijnsel, dat in alle godsdiensten, tenminste in alle grote godsdiensten, terugkeert. Het betekent de afscheiding van een moedergodsdienst of van een moedergemeenschap - een afscheiding, die teruggaat op een verschil in opvatting van de waarheid of in godsdienstige praktijk. Deze afscheiding behoeft niet noodzakelijkerwijs onder een polemisch voorteken te staan. Het is he el goed mogelijk, dat de nieuwe gemeenschap zichzelf cenvoudig als een variant van de moedergodsdienst ziet, en alleen maar de pretentie heeft de daar aangehangen waarheid aan te vullen of scherper te preciseren. Dit soort onpolemische sekte-vorming treft men b.v. aan in de omgeving van het Hindoeisme en Boeddhisnie. Juister is het, om hier te spreken van een "vertakking", niet van sekte.



Anders is het bij de godsdiensten die beweren uit te ga an van een exclusieve openbaring, die hun leer dogmatisch duidelijk hebben gefixeerd en zo mogelijk ook georganiseerd zijn in een straffe hierarchische gemeenschap. Hier heeft iedere afsplitsing een antithetisch karakter: vanuit het gezichtspunt van de moedergemeenschap wordt ze als afval gezien, vanuit het gezichtspunt van de afgescheiden gemeenschap als het terugkeren of het voortschrijden na ar een beter, zuiverder geloofsleven.

Met het woord "afsplitsing" is in eerste instantie nog geen oordeel uitgesproken over de wezenlijke legitimiteit of het waarheidsgehalte van de nieuwe gemeenschap. Het zegt ook nog niets over de verdere ontwikkeling van deze nieuwe gemeenschap, b.v. dat ze altijd zou zijn veroordeeld tot een leven in een uithoek. Het heeft louter betrekking op een afstammingsrelatie, die tegelijk in het teken van verwantschap en tegenspraak staat. In deze zin werd b.v. de oer-Christelijke gemeente eerst als joodse sekte aangeduid en de kerk der reformatie als Katholieke sekte.

2. De ontwikkeling van de zojuist genoemde afsplitsing is echter snel en ver uitgestegen boven datgene wat we ons plegen voor te stellen bij een "sekte". Los van de moedergemeenschap kwamen ze tot een geheel eigen bestaan en groeiden uit tot nieuwe zelfstandige gemeenschappen. Dat konden ze doen, omdat in de diepte van hun verzet tegen de moedergemeenschap een sterke positieve kern aanwezig was, een nieuwe boodschap met eigen volmacht, die nu in haar innerlijke draagkracht, haar vruchtbaarheid en haar aantrekkingskracht een eigen leven ontplooien kon. Ze verbraken de grenzen van een alleen maar antithetisch bestaan en waren nu niet meer "sekten", maar godsdienstgemeenschappen met een eigen middelpunt en een vanwege dit middelpunt verkregen eigen stempel.

3. De godsdienstgeschiedenis kent dus een ontwikkeling van afscheiding naar "kerk" of nieuwe religie. Ze kent daarnaast echter ook afscheidingen, die steeds "sekten" bleven. Hun kenmerk bestaat hierin, dat hun eigen leer, die ze tegenover die van de moedergemeenschap stelden, maar een geringe mate van vruchtbaarheid bleek te bevatten. Aan een fragmentarische Ieeruitspraak wordt een centrale rol toebedeeld, waar deze niet te gen opgewassen is. Ze is belangrijk genoeg om het antithetisch protest te gen de moedergemeen schap te motiveren, maar is niet toereikend om een Ievenskrachtige en veelomvattende geloofswaarheid te ontwikkelen. Daardoor is de gemeenschap, die zieh om haar heen verzamelt, altijd veroordeeld tot een bestaan in de schaduw van de moedergemeenschap. Ze kan zieh niet voldoende uit de ban van de antithese losmaken en de vrijheid vinden om zieh te bewegen naar een eigen middelpunt toe. Wat de al te zwakke positieve kern van haar leer aan godsdienstige levenskracht te kort komt, moet ze vervangen door een overbeklemtoning van haar protest tegen de moedergemeenschap. Zodoende behoort het tot het wezen van de sekte, dat ze zieh niet met een eigen leven van dat van de moedergemeenschap kan losmaken en dat naast haar bijzondere leer het pathos van haar protest, dat gemakkelijk tot fanatisme kan aangroeien, een bron van levensbelang is voor haar kracht.

Nog op een tweede samenhang moet worden gewezen: de positieve kern van de afwijkende leer is niet toereikend om het geh ele gebied van het menselijk zijn te doordringen. Tot dit gebied behoort niet alleen de vraag naar het heil, maar ook het wijde vlak van de menselijke existentie in de wereid en de veelheid van de daarmee verbonden problemen. De eigen leer van de sekte heeft een al te gering volume om deze problemen op te nemen en te beantwoorden; of ze knoopt hun beantwoording vast aan allerlei "esoterische" veronderstellingen, zodat ze het kenmerk van klaarheid en begrijpelijkheid verliest. Deze beperktheid van de geestelijk-godsdienstige horizon deelt zieh ook mee aan de gemeenschap, die rondom deze leer is gevormd. De aard en de draagwijdte van deze leer werkt als Elen sorteerprincipe ten aanzien van de mensen, die ze vermag aan te spreken en die bij haar gaan horen. Van hieruit is het begrijpelijk, dat de sekte, omdat de horizon van haar leer nauw is of donker of fragmentarisch, dus slechts enkele groepen mensen van een bepaald geestelijk type vermag te bereiken. Ook is het te begrijpen, dat ze neiging vertoont zieh af te scheiden van de "wereid" , die ze godsdienstig niet aan kan, of zieh als een gezelschap esoteriörs van haar afsluit, omdat ze geen toegang tot haar vindt. Om met een bijbelwoord te spreken: ze ziet het niet als haar opdracht, een "licht der wereld" en een "zout der aarde" te zijn, maar haalt haar aanhungere uit de wereId terug, om hun in de gemeenschap van de sekte een ommuurd toevluchtsoord te bieden van mensen die daaruit gered zijn. Dit na ar binnen gerichte leven in een hoekje van de wereld heeft ook uiterlijke gevolgen. Er be staat een nauwe samenhang tussen de innerlijke expansiedrang van een godsdienstige boodschap en de uiterlijke expansiedrang van de gemeenschap, die de draagster is van die boodschap. Uit een fragmentarische geloofsinhoud kan slechts een fragmentarische geloofsgemeenschap ontstaan.

De conjessionele bepaaldheid van de sekten

 

Bij de sekten, die ontstaan zijn binnen de ruimte van het Christendom, moet men bedenken, dat men, zoals reeds werd opgemerkt, niet kan spreken van "de Christelijke kerk" als zodanig. We hebben te maken met de drie grote confessies. leder van die confessies heeft haar eigen geestelijke structuur en haar eigen centrum. En iedere confessie heeft in de loop van de geschiedenis sekten voortgebracht. Deze zijn in haar antithetiek bepaald door de thetiek van hun moedergemeenschap. De sekten binnen het Christendom dragen dus evenzeer, zij het ook in afgeleide vorm, een confessioneel stempel en wel in reciproque zin, aangezien de tegenspraak, waaruit ze ontstaan zijn, in de ruimte van een bepaalde confessie thuishoort en ' daarop een antwoord wil zijn. Zodoende mag men strikt genomen niet in het algemeen spreken van "christelijke" sekten, maar slechts van Katholieke, Orthodoxe en Protestantse sektegemeenschappen. Nu zijn de drie confessies echter geen starre scheppingen. Ze waren in de 100p van hUH geschiedenis onderworpen aan een gestadige ontwikkeling. Het vroeg-Katholicisme draagt andere trekken dan het middeleeuwse, en de na-reformatorische pauskerk onderscheidt zieh wezenlijk van de voor-reformatorische. Nog veel disparater zijn de verschijningsvormen van het Protestantisme, dat zieh steeds meer vertakte en b.v. in Duitsland ten tijde van de orthodoxie van het rationalisme en van het pietisme, invloeden onderging van zeer uiteenlopende aard. Deze gedaanteverandering van de kerken brengt een gedaanteverandering van de bij haar behorende sekten met zieh mee. De antithetiek van de sekten is gebonden aan de verschijningsvorm van hun moederkerk op dat ogenblik. Ze is dus bepaald door omgeving en tijd van ontstaan. Uit iedere kerk komen in elk tijdvak
van haar geschiedenis sekten voort, die typisch bij dit tijdvak horen. Zodoende is er dus niet een vaststaand begrip "sekte" dat op alle confessies en tijdvakken van de geschiedenis van het Christendom van toepassing 'is. Het is veeleer een correlaat begrip, dat in zijn inhoud en afgrenzing van de kerk afhankelijk is van de gedaanteverandering van de moedergemeenschap. Van hieruit gezien is het dus zeer wel mogelijk, dat bij de steeds meer doorgaande stroom van ontwikkelingen van de kerkgeschiedenis een afsplitsing uit de 13de eeuw, die toentertijd als "sekte" gold, door een latere tijd of in het oog van een andere confessie niet meer wordt gerangschikt onder deze categorie.

Nu heeft elk der drie confessies, hoezeer ze ook in de loop der eeuwen aan verandering onderhevig waren, toch een godsdienstige kernsubstantie, die niet verandert en die bepalend is voor de structuur van haar wezen.

Zo zijn het in de grond van de zaak bij elke confessie altijd weer dezelfde "critische punten", waaraan een tot sektevomring leidend protest ontvlamt. Dat betekent, dat de sekten van een bepaalde confessie door een verwantschap van hun "nee" met elkaar zijn verbonden en afgegrensd van de sekten van de andere confessies. Ook het antithetische "ja" van deze groepen van sekten is tot op zekere hoogte voorbestemddoor het critische "nee"; hier is dus allerminst willekeur in het spel.

Zo kan men uit het type van de moederconfessie conclusies trekken betreffende het type van de sekten, die uit haar ontsproten zijn. De Katholieke sekten van de negentiende en twintigste eeuw ontstonden uit het verzet tegen de centrale heerschappij en de pretentie van onfeilbaarheid van de Paus, uit nationale hartstochten met een anti-Roomse inslag, uit rebellie te gen een in jurisdictie vastgelopen dogmatisch systeem, waardoor men de geestelijke vrijheid of de rede of de waarheid van de Schrift bedreigd meende. Het antithetisch "ja" van deze sekten ontving zijn prikkels en zijn inhoud uit de confrontatie van het charisma, dat zijn vrije loop neemt, met het ambtsmonopolie, van het algemeen priesterschap met de hierarchische autoriteit, uit liberale en rationalistische gedachtengangen, uit nationale motieven en - niet in delaatste plaats - uit het teruggrijpen naar de Schrift.

De Orthodoxe sekten vormden zieh in de strijd om de eredienst en de liturgie als de kern van de Orthodoxe kerk. Daarbij kan men twee groepen onderscheiden. De ene groep beschouwt de cultische vormen en alle godsdienstige gebruiken van de kerk als iets, dat nu eenmaal geheiligd en onaantastbaar is, beantwoordt kerkelijke hervorming op dit gebied met protest en afscheiding, en fundeert haar pretentie, de gemeenschap met het ware geloof te zijn, door er op te wijzen, dat ze aan de afdwaling en da armee aan het verval van de moederkerk niet heeft meegedaan en dus gebleven is bij het oude geloof. De andere groep ondergaat de inkapseling van de bijbelse boodschap en van het geloofsleven in liturgische vormen als iets benauwends en zoekt een uitweg naar de vrijheid, waarin ze b.v. ruimte verschaft aan de geestdrijverij, aan een ascetisch perfectionisme of wel aan het eenvoudige evangelische leven. Deze typeringen van de eonfessioneel bepaalde sekten omvatten natuurlijk niet het ganse terrein van deze afsplitsingen - de werkelijkheid is in het speI van krachten op het gebied der geestesgesehiedenis altijd bonter en rijker geschakeerd -, maar ze geven in ieder geval enkele grond- . lijnen aan, die in de verhouding tussen de moederconfessies en hun afscheidingen telkens weer naar voren komen.

We beperken ons in wat volgt tot de Protestantse sekten van vandaag. Er moet een seherp onderscheid gemaakt worden tussen sekte en vrije kerk. Beide hebben weliswaar gemeen, dat ze uit een en hetzelfde protest te gen de moederkerk ontsprongen zijn. Maar de vrije kerken houden zieh bij alle kritiek aan dezelfde belijdenis en blijven daarin met de moederkerk in het geloof en in een oeeumenische arbeidsgemeenschap verbonden. De sekten daarentegen hebben zieh afgescheiden, omdat ze de door de kerk verkondigde waarheid niet meer als juist erkennen, maar een andere waarheid daartegenover plaatsen. Tenslotte is dus de tegenstelling in de waarheidsvraag beslissend voor de afseheiding. Daarom moet dan ook bij het onderzoek en de beoordeling van de sekten het theologisch gezichtspunt maatgevend zijn.

Het aantal Protestantse sekten is schier onoverzienlijk. Hun leerstellingen, hun vormen van gemeenschap en van eredienst vertonen een enorme rijkdom aan variaties. Hebben ze eigenlijk wel iets gemeen, dat hen in hun afwijzende houding tegenover de kerk der reformatie met elkaar verbindt en hen tegelijkertijd typerend van de sekten, die uit de Katholieke of Orthodoxe kerken ontstaan zijn, onderscheidt? Wat ze gemeen hebben kan men in ieder geval niet ontdekken, als men alleen maar hun Ieeruitspraken nagaat. Er bestaat geen gemeenschappelijke dogmatiek van de Protestantse sekten. Maar wanneer men zoekt naar hun herkomst en naar de bepalende krachten, dan ontdekt men zekere tendenzen, die in de vormenrijkdom van heel deze wereid van Protestantse sekten werkzaam zijn. Al deze sekten zijn uit dezelfde negatie ontsproten, namelijk uit het .mee" te gen de reformatorische verkondiging. Deze negatie doet zieh ook gelden op het gebied van hun positieve leerinhoud en bepaalt die in haar motieven en innerlijke betrekkingen. Er bestaat dus, van hun oorsprong uit, een verwantschap tussen de Protestantse sekten. Om een beeld te gebruiken: als een granaat explodeert, vindt men nadien de splinters terug, verstrooid over allerlei afstanden en richtingen. Maar ze wijzen allemaal terug naar dezelfde explosiehaard. Zo hebben ook de Protestantse sekten een en hetzelfde explosiecentrum. Onze taak is nu, de sekten bij deze oorsprong op te zoeken, dat wil zeggen: uit te vinden wat haar antithetiek is en het grondmotief te ontdekken, dat achter deze antithetiek steekt.

Daarmee verlaten we het terrein van de godsdienstgeschiedenis en ga an over tot een theologisch onderzoek. We vragen: Wat is het hart en de kern van de reformatorische boodschap? Waarin bestaat de sektarische antithetiek tegenover deze boodschap? Met de beantwoording van deze vraag krijgen we de draad van Ariadne in handen, met behulp waarvan we dan de weg hopen te vinden door het labyrinth der vele sekten en ze van binnenuit kunnen gaan verstaan.

 

Tweede Deel

DE GEESTELIJKE STRUCTUUR VAN DE PROTESTANTSE SEKTEN

Hoofdstuk 1

DE HAARD VAN DE AFSPLITSING

De kern van de reformatorische boodschap


Zoals bekend is, vertoonde de grote beweging, die zieh in de zestiende eeuw baanbrak onder het gemeenschappelijk begrip "reformatie", geen eenheid. Er is nooit zoiets geweest als een reformatorische eenheidstheologie. Reeds in de aanvang kwam het dikwijls tot bittere leergeschillen - b.v. in de avondmaaIsvraag, het finitum capax of non capax infiniti, de verhouding van wet en evangelie _ en deze tegenstellingen in de leer kregen al spoedig vaste vorm in eigen belijdeniskerken binnen de beweging van de reformatie.

Maar het was niet toevaIlig, dat er in het verdere verloop telkens ook over en weer unies tot stand kwamen, dat er zieh op deze of gene bovenoonfessionele basis allianties vorm den en dat de reformatorische confessies zieh aaneensloten in de oecumene. Ze bleven zich dus, bij alle scheiding, diep bewust van wat ze gemeen hadden. Waarin bestaat dat nu? Bestaat het soms in de gemeenschappelijke en exclusieve bin ding aan het Schriftgezag? Zeker ook daarin. Maar men kan de Schrift op heel wat verschillende manieren uitleggen, zoals het voorbeeld van jehova's Getuigen bewijst. Belangrijker is iets anders: de eenheid van de kerken der reformatie bestaat hierin, dat ze als eensgezind getuigenis der Schrift een gemeenschappelijk antwoord op de vraag naar het heil gevonden hebben. In de strijd tegen de Roomse kerk en met beroep op de Schrift hebben ze bij hun antwoord op de vraag: "Hoe krijg ik een genadige God?" iedere medewerking van de mens door goede werken en iedere heilsbemiddeling van de kerk door haar priesterheerschappij, haar sacramentele of jurisdictionele volmachten, afgewezen. Geen mens, geen kerk kan heil bewerken of zich bemiddelend inschakelen in het proces van de verwerkelijking van het heil.

Bestaat er eigenlijk wel een mogelijkheid om het heil te verkrijgen? Ja, maar zonder de mens en tegen de mens in. Heil is slechts te vinden als een mogelijkheid Gods: sola gratia. Met dit woord is de kern van de reformatorische boodschap aangeduid. Het heil is zuiver en alleen Gods daad. Het begrip "gratia" spreekt zeer radicaal uit, dat het heil niet van enige menselijke of kerkelijke medewerking afhangt, maar dat het geschonken wordt, afgezien van alle condities, die de mens kan opbrengen of de kerk kan leveren; dat het niet door welke prestaties ook verdiend of ook maar op gang gebracht kan worden. Er is in deze zaak geen sprake van welke ooöperatie ook tussen mens en God, maar God is de alleen werkende en schenkende "zonder enige verdienste of waardigheid mijnerzijds". Daarin wil Hij bewijzen en bewijst Hij zijn majesteit, die zieh ontfermt waar zij zieh wil ontfermen, en die in haar ontferming alles schept en schenkt, zonder op de medewerking van de menselijke creatuur te zijn aangewezen.

Het is een sola gratia, dus totaal exclusief in de meest strikte zin van het woord. Ook datgene wat onder de inwerking van zijn genade in de mens geschiedt: het geloof, zijn bekering en heiliging, zijn werken en zijn wandel in het teken van boete en van liefde - is geen prestatie of verdienste, maar genade ! En omdat het genade, dus onverdiend geschenk is, kan het ook nooit een aanleiding vormeil tot vrome trots of ook maar tot een zeker recht tegenover God of tot een farizeische aanmatiging tegenover andere mensen, maar noopt het altijd tot deemoed en aanbiddende dank.

Tenslotte is de boodschap van het "door genade alleen", in Christus en zijn verlossingsdood verkondigd en bevestigd, de burcht tegen alle gewetensaanvechting. Want ze maakt het heil niet meer afhankelijk van de menselijke krachtsinspanning met haar onzekerheden en terugval. Ze stelt het geloof op een vaste grond, die niet meer zijn eigen grond is, maar de grond van de goddelijke heilsbe- lofte. Hier wordt de mens, los van alle ups en downs van zijn innerlijk leven, zekerheid gegeven; hier staat het "ja" van God. Het blijft staan, ook tegenover het eigen "nee" en tegenover de vertwijfelingen van het geweten. Het komt vanuit een andere dirnen sie en wordt daarom niet door menselijke aanvechtingen aan het wankelen gebracht.

Maar de genade is aan de greep van de mensen onttrokken. Dat is enerzijds het fundament van de heilszekerheid. Maar het is anderzijds ook een ergernis. Want da armee is uitgesproken, dat de mens op het punt, waar het voor hem om leven en dood gaat, als actief deelnemer uitgeschakeld is, Hij kan zijn heil niet zelf bewerken. Hij kan het niet eens bevorderen. Hij is teruggewezen naar de passiviteit, hij is niet meer eigenmachtig heer en souverein subject, maar aan God uitgeleverd als object.

Natuurlijk, de Schrift, en de hervormers met haar, verwarren het werk van Gods genade niet met een automatisch aflopend apparaat. Ze spreken er van, dat de mens het heil, dat hem door God bereid is, moet aannemen, dat hij moet gaan "geloven". Ze kennen een verantwoordelijke beslissing van de mens voor en tegen het heil, en spreken van schuldige afwijzing van de nodiging Gods. En verder: het geloof moet zieh omzetten in vruchten. Het sluit een menigte ethische eisen in zieh, met aan de spits de liefde. Geloof zonder werken is dood, want geloof verplicht.

De mens heeft dus tegenover het aanbod van het heil de vrijheid om te kiezen en kan beslissen om te gehoorzamen of niet. Maar dat is slechts de ene kant. Aan de andere kant wordt het menselijke "ja" tegenover het heil, dat God aanbiedt, het geloof dus, direct weer herleid tot een gebeuren, dat de mens niet uit eigen kracht tot stand brengt, maar dat de Heilige Geest in hem heeft voltrokken. En de vervulling van het gebod der liefde is niet allereerst een ethische prestatie van de mens, maar een vrucht, die groeit uit het ontvangen van de liefde Gods. Gods indicatief gaat dus aan de imperatief aan de mens vooraf. En wat de mens tot aal onmogelijk is, dat is zelf in te grijpen in het proces van de genade. Hij moet het laten bij de constatering, dat hij hier zijn lot niet meer zelf in handen heeft.
 

Deze eis gaat lijnrecht tegen een grondtendens van de mens in.

Hij wil zijn eigen heer en meester zijn, wil over zijn lot zelf besehikken en zelf zijn geluk smeden. Hij doet dat in alle kleine en grote dingen van zijn leven. Hij bepaalt, wat hij wil eten, hoe hij zieh wil kleden, en hoe hij zijn dagen wil doorbrengen. Hij kiest zieh zijn beroep, beslist over de keuze van zijn levensgezel, zoekt zijn eigen gezelsehap en zijn eigen geestelijke atmosfeer. In het feit dat hij dit alles kan doen, bevestigt hij zijn heer en meester zijn en zijn vrijheid. En alleen datgene, wat hij aan ziehzelf te danken heeft, heeft hij in eigen hand. Hiervoor is hem een garantie gegeven. Voor al het andere, dat van andere mensen of machten afhangt, ontbreekt deze garantie. Dat moet hij vervangen door een erediet. EIk crediet van dien aard is verbonden met een risieo. Dit risieo is te dragen, als het alleen .maar om een kleine inzet gaat. Maar als er meer op het speI staat, pleegt men het erediet te dekken door een tegenverzekering.

Zo gaat het in het leven van alle dag en in het zakenleven.Maar hoe gaat dit bij de heilsbelofte Gods, dus ten aanzien van de vraag, waarmee het hele bestaan staat of valt? Hier moet de mens helemaal op "erediet", d.w.z. uit het geloof, leven. Maar dit crediet kan hij niet meer bij enig aards heilsinstituut tegenverzekeren. Geen enkel ander mens, geen dominee, geen kerk kan hem een garantie bieden. Hij wordt tot voor een afgrond geleid en men stelt hem de eis:

"Spring in de diepte! Ge kunt rustig springen, ge zult niet te pletter slaan, maar midden in de kloof wordt u een hand toegestoken, die u opvangt!" Kan hij op deze belofte de sprong wagen - zonder touw en zonder voorafgaande' verkenning? Neemt hij daarmee niet een vreselijk risico? Zeker, die hem de sprong gebiedt en van de toegestoken hand spreekt, is niet zo maar iemand, maar Christus zelf. Maar het kost niettemin een overwinning,voor men springt; want men bezit niets dan het blinde, vertrouwende geloof.

Velen huiveren voor deze sprong. Ze zien om naar een andere mogelijkheid om het geld te verkrijgen, zonder dit risico te moeten nemen. Is het angst? Is het gebrek aan geloof? Is het eenvoudig die grondtrek van de menselijke natuur, die het eigen lot zelf in handen zou willen houden en het niet wil uitleveren aan vreemde machten? Dit zal wel de doorslaggevende reden zijn. Deze grondtrek heeft nl. de machtigste en meest verscheiden schepping op het wijde gebied van de godsdienstgeschiedenis voortgebracht. Hij werkt in de wettische religies van joden en Mohammedanen evengoed als in de werkreligies van de Hindoetstische Karmamarga of in de zelfverlossingsleer, die in de "heilspaden" van de Vedanta en van het Boeddhisme wordt verkondigd. Hij werkt in de drang naar bovenzinnelijke kennis en naar opklaring van het gevaarlijke donker aan de overzijde van de menselijke grenslijn, die te allen tijde wijzen en zieners, extatici en esoteriers, tovenaars en geestenkenners bezielde. Hij probeert op allerlei manieren een inzicht te krijgen in de heerschappij van de bovenaardse machten en de goddelijke macht ten gunste van de mens te beinvloeden - door offers, verering, gehoorzaamheid en allerlei andere prestaties.

Deze oerdrang naar heilsverzekerdheid en naar een heilsweg, die de menselijke initiatieven niet negeert, maar aan deze tenminste het recht van meespreken inruimt, is ook in het Protestantse sektewezen werkzaam. Van hieruit gezien blijkt het de vrucht te zijn van een eIementaire zielsbehoefte en mag het derhalve niet gebrandmerkt worden als religieuze ontaarding, maar is het een consequent antwoord op een menselijk grondmotief.

Het punt dus, waarop de sektarische antithetiek inzet, is de centrale boodschap van de reformatie: de rechtvaardiging sola gratia, sola fide, steunend op het getuigenis van de Schrift, sola scriptura. Om nog eens het beeld van de granaat te gebruiken: hier Iigt de explosiehaard. De splinters joegen na ar alle kanten. Maar ze liggen op diverse afstanden van de plaats van de explosie. Er zijn in de sektarische ontwikkeling verschillende trappen en graden. Er zijn gemeensehappen, wier geestelijk profiel nog te weinig vaststaat, zodat ze, zieh bevindend in een tussenzöne tussen kerk en sekte, eerst nog een beslissing moeten nemen over de verder te volgen weg, of die na aanvankelijke afseheiding zieh alweer terug ontwikkeld hebben in de riehting van de kerk, Men zou deze groepen beter "afzonderlijke godsdienstige gemeenschappen" dan "sekten" kunnen noemen. Daartoe behoren b.v. delen van de Pinksterbeweging en van de Perfeetionisten, de Philadelphia-beweging rondom Chris- tian Röckle, de "Ecclesia" rondom Hermann Zaiss, de Rijksbroederschap van Jezus Christus rondom Abram Poljak, de kringen rondom [acob Lorber en Swedenborg, en de Kathollek-Apostolische gemeenten. Er zijn echter anderzijds ook gemeenschappen, die zieh innerlijk en uiterlijk ver van de kerk hebben verwijderd en alle kenmerken dragen van een sektarisch denken, zoals jehova's Getuigen of de Hersteld-Apostolischen. En daar tussen in is dan een breed middenveld met een bonte mengeling en accentuering van verbindende en antithetische elementen. Het sektewezen is dus een uiterst gedifferentieerd verschijnsel. Het moet altijd vergrovend werken, als men er collectief over spreekt! 6)

Dit voorbehoud zij hier uitdrukkelijk vermeId. Daarom zullen we ook niet de sektegemeenschappen als zodanig, maar uitsluitend de motieven en symptornen van sektarisch denken, die daarin werkzaam zijn, tot voorwerp van onderzoek maken. En als er samensteIlende groepsaanduidingen gebruikt worden (b.v. "de aanhangers van de Pinksterbeweglng" of "de Perfectionisten"}, dan hebben deze slechts betrekking op die gemeenschappen, die zieh enigszins duidelijk in de richting van het sekt arische hebben ontwikkeld.

Maar ook tussen kerk en sektegemeenschappen is de grens niet star. Er werd reeds op gewezen, dat beide voortdurend in beweging zijn. Het zijn geen vers te ende producten, maar levende organismen. Er zijn gemeenschappen, die op hele trajecten van hun geschiedenis de typische trekken van het sektarische te zien gaven, maar zieh later terug ontwikkelden, En er zijn aan de kerkelijke zijde kringen of richtingen, die gevaarlijk overhellen naar het sektarische en nog slechts door een dunne band met de kerk zijn verbünden. De grens tussen kerk en sekte loopt dus bepaald niet langs de uiterlijk ziehtbare scheidingslijn, maar gaat in vaak wonderlijke bochten dwars door beide gebieden heen. Dat de kerk steeds door sektarische gevaren van binnen uit wordt bedreigd, toont haar geschiedenis duidelijk aan. Dat achter deze gevaren motieven schuilen, die hun zetel hebben in religieuze oerbeslissingen, zal duidelijk würden uit het verdere verloop van IOns onderzoek. In ieder geval: de verhouding kerk - sekte is al te ingewikkeld, dan dat men deze kan afdoen door de denominaties eenvoudigweg een stempel op te drukken en te sorteren. Wezenlijk is het zo, dat geen enkele kerk voor de sektarische heils weg immuun is en dat deze een steeds weer nieuwe verzoeking voor haar vormt,

Deze bedenkingen zijn van belang, omdat ze de kerk be waren voor een eigengereide en zelfbewuste houding tegenover de sekten en haar in haar eigen midden oproepen tot waakzaamheid. Ze moet onophoudelijk de verzoeking van de sektarische heilsweg afweren en haar boodschap in de confrontatie met deze dreigende mogelijkheid duidelijk afgrenzen en verkondigen. Alleen dan, als ze de "sekten" in zieh zelf heeft overwonnen, heeft ze ook de kracht de sekten daarbuiten tegemoet te treden met de haar toevertrouwde waarheid.



Hoofdstuk 2

DE GREEP NAAR DE GENADE

Het verleggen van de plaats van beslissing naar de mens toe




De sekten hebben hetzelfde thema als de kerk. Ook bij hen gaat het om de vraag na ar het heil in Christus. Ook zij spreken van. genade. Vele sekten doen dit zelfs veel indringender dan de kerk. Maar wie scherper luistert, ontdekt, dat ze het "sola gratia" van allerlei merkwaardige toevoegsels voorzien. Ze laten de genade niet meer gelden als het vrije geschenk van God aan de onwaardige, zondige mens, maar binden die aan de meest uiteenlopende voorwaarden en veronderstellingen.

Zo zeggen b.v. de Perfectionisten: eerst moet ge tot uw bekering besloten hebben, als een duidelijk gefixeerde belevenis van omkeer, en de "totale overgave aan de Heer" hebben voltrokken; eerst dan wordt ge in gen ade aangenomen en verkrijgt ge de "volledige overwinning over de zonde".

De aanhangers van de Pinksterbeweging zeggen: op de wedergeboorte moet de geestesdoop volgen en deze moet zieh uiten in tongentaal. Eerst als de Heilige geest woning in u gema akt heeft, hebt ge de genade ontvangen en kunt ge "erkend worden als een werkeIijk lid van de gemeente van het Nieuwe Verbond " .

De Hersteld-Apostolischen zeggen: het geloof aan het bijbelwoord en aan Christus' vroegere heilsdaden helpt niet. Eerst als ge door het Hersteld-Apostollsche "ambt der genade" de vergeving der zonden en door het Hersteld-Apostollsche "ambt des geestes" de Heilige Geest hebt ontvangen, bent ge Gods kind en huisgenoot.

De Adventisten zeggen: ge moet de drievoudige engelboodschap

van Openb, 12,6-12 aannemen en in plaats van de zondag de sabbath heiligen, eerst dan bent ge in het godsvolk van de eindtijd opgenomen en wordt ge bij de parousie met Hem meegenomen naar het bruiloftsmaal des Lams.

jehova's Getuigen zeggen: ge moet u aansluiten bij de leer en de gemeenschap van Het Gezelschap van de Nieuwe Wereld, u uit de politieke, godsdienstige encommerciele satansorganisaties Iosmaken en ijverig "velddienst" doen, eerst dan hebt ge de garantie, dat ge aan het bloedbad van Harmagedon ontkomt.

De Kerk van het Godsrijk zegt: ge moet de "wereldwet" met haar grondgebod van het altruisme navolgen, u scharen bij het "leger van de Almachtige" of wel als lid van de "kleine kudde" uw leven dagelijks offeren, eerst dan zult ge burger worden in het aardse of in het hemelse deel van het komende Rijk Gods.

Christi an Röckle (Philadelphia- beweging) zegt: ge moet "de twaalf kenmerken als toetssteen van volledige overgave" vervullen, eerst dan ho ort ge bij de Christenen van de "Allerheiligste" en wordt ge lid van de bruidsgemeente, die gered wordt van de komende nood.

De Christengemeenschap zegt: ge moet door meditatie en de zeven sacramenten, in het bijzonder door de handeling van de menswijding, de kosmische genezingskracht van Christus door u heen laten stromen en u daardoor laten "kerstenen", eerst dan verandert ge in een ho gere vorm van zijn.

De Christi an Scientisten zeggen: ge moet door een totale innerlijke ommekeer zover komen, dat God voor u de enige realiteit wordt en al het andere: materie, zonde, ziekte en dood als louter inbeelding wegvalt.

De aanhangers van Swedenborg en Lorber zeggen: ge moet u ernstig moeite geven een leven te leiden in de zin van de liefde tot God en de naaste, want dan zal God uw liefde met zijn liefde beantwoorden en u tot steeds ho gere volkomenheid doen geraken,

De Mormonen zeggen: ge moet de vier "wetten van het evangelie": geloof, boete, doop en handoplegging vervullen, dan zult ge gaandeweg voortschrijden tot in de hemelse heerlijkheid.

Dat zijn antwoorden van zeer verschillende aard. Ze laten zieh echter op een gemeenschappelijke noemer brengen: ze verleggen

allemaal de plaats, waar de beslissing over het heil valt, van God naar de mens toe - na ar zijn godsdienstige strevingen en ervaringen. En daarmee wordt aan de mens de mogelijkheid geschonken, door zijn gedragingen - of ze nu van zedelijke, godsdienstige of cultische aard zijn -, invloed te krijgen op het genadig hand elen Gods of dit zelfs beslissend om te buigen. Het heil wordt binnen het bereik van zijn greep gebracht. Hij is niet alleen meer object van God. Hij kan zichzelf normbepalend inschakelen.

Hier nu doet zieh een typerend onderscheid voor tussen de reformatorische verkondiging en de leer van welke sekte ook. Het is de accentverschuiving van de goddelijke dimensie naar die van de mens: van Gods handelen naar dat van de mens; van Gods beloften naar de prestaties, inzettingen en vermogens van de mens. Voor de reformatie is deze verschuiving onmogelijk. Dat verbiedt haar de kennis van 's mensen zonde. De mens is van God gescheiden door de schuld. Hij kan deze schuld niet uit eigen kracht terzijde schuiven. Dat kan alleen God doen. Daarom blijft de mens geheel op Gods vergevende liefde aangewezen. Die kan hij niet afdwingen. Hij kan ze ook niet voor zieh winnen door vrome inspanning of listige trucs. Maar hem is de belofte van Gods liefde aangezegd. Die kiemt niet als vermoeden in zijn hart. Ze wordt hem van buiten en van boven af toegesproken. Hij heeft de oorkonde van deze genade in de Schrift. Dus is hij in de eerste plaats een ho order. En de ho order wordt gelovige. Beide: horen en geloven, is in eerste instantie een ontvangende houding - er heeft een overweldiging van de mens door Gods Woord plaats.

De vroomheid van de sekten van alle schakeringen wijst deze weg van de hand. Want het is de weg van God naar de mens. Zij zoekt echter een weg, die de mens zelf kan inslaan, banen en afleggen. De reformatorische gelovige "handelt" niet, maar hem overkomt iets. De sektarische gelovige echter wil actief deel hebben aan zijn heil. Voor de reformatorische gelovige is dat onmogelijk, omdat de dimensie in haar ganse breedte en diepte een dimensie van de zonde is. De sektarische gelovige verldeint deze stelling. Hij opponeert tcgenover de reformatorische leer, dat er ook op het menselijk vlak cen mogelijkheid van heilsverwerkelijking of tenminste van heils beinvloeding is.
ledere sekte heeft weer haar eigen leer aangaande deze mogelijkheid, maar dat alle sekten aan een dergelijke mogelijkheid geloven, verbindt ze met elkaar in een gemeenschappelijke positie tegenover de reformatie. Men kan de heilsmogelijkheden, welke de sekten binnen de menselijke dimensie zien, in enige groepen samenvatten, waarbij het dikwijls gebeurt, dat een en dezelfde sektarische gemeenschap meerdere van deze mogelijkheden tegelijk in haar leer combineert.

De verwisseling van roepstem en antwoord


Naar de reformatorische leer is het alleen God, die de mens het heil toezegt en schenkt. Deze toezegging wli door de mens gehoord en geloofd worden. Gods heilsbelofte is de roepstem, en het geloofsleven van de mens in he el zijn ontvouwing is het antwoord dat door deze roepstem gewekt wordt in de mens. Dat antwoord is niet iets eigens. Het zou zonder de roepstem zelfs niet kunnen ontstaan. Het geloof en het handelen van hem, dien Gods roepstem treft, is weliswaar ook wel met een "ge zult" verbonden. Maar uiteindelijk zijn deze "werken" geen eigen prestatie van de mens, maar werking van de Heilige Geest en genadegave. Ze geven daarom ook volstrekt geen recht op beloning, en de vrome kan op geen enkel moment "tariefpartner" Gods worden. Daarom is heel dat terrein van de vrome ervaringen, belevenissen en handelingen beslist niet de plaats, waar de mens de beslissing over zijn heil teweeg kan brengen. Deze beslissing valt elders en op het menselijk vlak wordt alleen maar zichtbaar of God zieh van de mens meester gema akt heeft. De mens wordt ook in zijn "werken" niet ontslagen uit de afhankelijkheid van de genade.

De sektarische weg van de heilsverwerkelijking nu zet in bij de samenhang tussen Gods roepstem en het menselijk antwoord. In de sekte wordt dit antwoord uitgerust met een eigen waardigheid, terwijl het meer of minder sterk van de roepstem wordt losgemaakt en een bepaalde zelfstandigheid ontvangt. Daarmee wordt aan de mens de mogelijkheid gegeven tot een eigen initiatief. De verhouding van roepstem en antwoord wordt omgekeerd: de vrome is het, die met zijn "werken': een roepstem doet horen, en deze roepstem
beantwoordt God nu met de toe-eigening van het heil. De mens beslist er dus in de door hem bezette en beheerste voorruimte over, of in de mimte Gods de belofte van genade gerealiseerd wordt,

Terwijl het reformatorisch geloof zich vastklampt aan het objectieve, aan de heilsfeiten. die God, hoog boven de dirnen sie van de mens met zijn ups en downs uit, als onwankelbare getuigenissen van zijn genadig handelen opgericht heeft, voorziet het sektarisch geloof de subjectieve sieer - de sfeer van de godsdienstige ervaringen, belevenissen en prestaties - van een eigen accent. De "werken" krijgen een constitutieve betekenis voor het heil. Ze krijgen zodoende een andere plaats en een andere kwaliteit dan in de reformatorische verkondiging.

Het gevolg is enerzijds, dat het persconlijke geloofsleven veelszins een intensiteit bereikt, die respect en zelfs bewondering afdwingt. Anderzijds worden de zwaartepunten in het getuigenis van de Schrift verlegd. De sacramenten gelden niet meer als handelingen, waarin God de gevende en de mens de restloos ontvangende partij is, maar de mens schuift naar voren in de positie van een medespeIer. Daarom wordt vooral de kinderdoop fel afgewezen, en het ligt in de aard der zaak, dat juist bij dit vraagstuk de tegenstelling tussen de kerk en de sekten van deze groepering duidelijk aan de dag treedt. Want in de practijk van de kinderdoop wordt het objectieve karakter van het sacrament - en op de achtergrond daarvan het sola gratia, het heil als uitsluitend en alleen Gods daad - ondubbelzinnig betuigd. Als de mens zichzelf echter als medespeler in het heilsproces inschakelt, moet hij de kinderdoop vervangen door een "geloofdoop", waartoe alleen volwassenen, die in staat zijn beslissingen te nemen, kunnen komen en waarvan de geldigheid afhankelijk is van de godsdienstig-zedelijke kwaliteit, die ze in hun bekering bereikten. En evenzo krijgt de deelname aan het avondmaal mede het karakter van een prestatie. Siechts "bekeerde" gelovigen worden toegelaten en het is niet toevallig, dat in talrijke gemeenschappen - bij de Adventisten, de "Gemeente Gods" (Anderson), de "Pinkstergcmeente Gods" (Cleveland), de Pinkstergemeenschap "Apostolisch geloof" e.a. - met het avondmaal de voetwassing als symbool van voortgaande heiliging verbonden is. De wet krijgt voorrang op het rvangelie. De "heiliging" als prestatie van de gelovigen wordt als tweede en ho gere trap gesteld naast de "rechtvaardiging" als de daad Gods, en de beslissing over de geldigheid van de rechtvaardiging valt eerst op de trap van de "heiliging". De genade wordt niet geloochend, maar ze wordt van het menselijk gedrag afhankelijk gemaakt. De mens krijgt ze in zijn greep: Hij kan zieh er moeite voor geven.

Het kan beginnen met de vraag, onder welke voorwaarden hij waardig bevonden wordt de genade te ontvangen. Hij doet het dus voorkomen, alsof God aan de mens zekere voorwaarden stelt en het heil vooraf van bepaalde prestaties afhankelijk maakt. Als men deze voorwaarden kent, kan men bij zichzelf nagaan of men in de staat der gen ade is. Men is zodoende op de hoogte van zijn eigen situatie en uit deze onzekerheid verlost. In deze zin wil Röckle zijn "twaalf kenmerken als toetssteen van volledige overgave" verstaan zien.

Daar voegt zieh een tweede stap bij: Als eenmaal erkend is, dat er een causaal verband bestaat tussen de "werken" van de mens en Gods heilsbesluit, wordt de bijbelse indicatief overstemd en versIonden door de imperatief. Bekering en geestdoop gelden wel als daden Gods. Maar deze daden zijn nu geen souvereine handelingen van God meer, waarin Hij sola gratia met de mens bezig is, maar ze worden door een voorafgaande inspanning van de mens teweeg gebracht. Ze zijn dus niet meer roepstem van Godswege, maar antwoord op een bepaald gedrag van de gelovige. Deze moet zieh uitstrekken naar zijn "wedergeboorte", wil ze hem ten deel vallen, en het is zijn eigen schuld, als hij die niet beleeft. En hij kan de geestdoop naar zieh toe halen door zekere nauwkeurig vastgelegde voorwaarden te vervullen. Als zulke voorwaarden worden b.v. genoemd: aanbidding; blijmoedig geloof; gespannen verwachting; lof - en dankzegging; onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; eendracht; volharding.")

Tegelijk heeft de mens het in zijn hand het hem beloofde heil door de mate van zijn godsdienstig-zedelijke prestaties zeker te stellen en te doen toenemen. Hij heeft invloed op de omvang van de goddelijke genade. Niet iedere Christen ontvangt hetzelfde loon. In tegenspraak met Matth. 20, 1 vv. wordt er gesproken van verschillende graden van heil. Daarom wordt de Christelijke gemeente dan ook in verschillende groepen ingedeeld. De Perfectionistische gemeenchappen maken onderscheid tussen "gewone" Christenen, die slechts gerechtvaardigden zijn en anderen, die tot volledige bekering zijn gekomen en de "overwinning over de zonde" hebben behaald. Sekten, die tot de Pinksterbeweging behoren, voegen aan deze twee groepen nog een derde .toe, nl. degenen, die boven de bekering uit ook nog de geestesdoop hebben ontvangen. De Pentecostal Holiness Church in de U.S.A. heeft ook in haar statistiek deze driedeling opgenomen en haar leden onderscheiden in de categorieen van de "geredden" , de "geheiligden" en degenen, "die de geestesdoop ontvangen hebben" . Een dergelijke classificering van de Christelijke gemeente, zoals Christi an Röckle die gemaakt heeft met zijn "driedeling van de tempel", ga at gepaard met heilsoordelen. De "gewone" Christenen moeten nog geoordeeld en gezift worden, want het zijn nog maar beginnelingen, mensen, die nog niet tot een beslissing kwamen of die halverwege bleven steken. Maar de "bekeerden" en zeker zij, die de geestesdoop ontvingen, behoren duidelijk en ondubbelzinnig tot de "ware gemeente".

Met deze classificering wordt dus op Gods besluit over 's mensen heil vooruitgelopen. Men veronderstelt, dat Gods oordeel deze dassificering zal dekken. Het ligt in dezelfde Iijn, dat men nu ook onheilsoordelen ga at uitspreken, Men stelt de heilsgrens vast en zegt degenen, die aan de andere kant van die grens staan, aan, dat hun de verdoemenis te wachten staat. Een verder gevolg is het sektarisch afzonderen van de "bekeerden", respectievelijk van degenen "die de geestesdoop ontvangen hebben" , van de kerk. Want deze omvat ook halve Christenen en onverschilligen. Men moet de gemeenschap met haar opzeggen, want anders zou het een gemeenschap zijn met de zondaars en een verontreiniging van de "ware gemeente" .

Kan in de kringen van het Perfectionisme en van de Pinksterbeweging de gelovige dus op het gebied van de godsdienstige ervaring (de bekering, respectievelijk geestesdoop) invloed doen gelden op het verkrijgen van het heil, andere gemeenschappen vertegenwoordigen een synergisme van ethisch karakter. De goede wil, de vrorne dougdbetrachting wekt Gods welgevallen en geeft Hem aanleiding tot een genadige gezindheid. Hier staat dus Gods genade niet als de macht, die alles bewerkt, aan het begin, maar treedt eerst Iater op als vrucht en op grond van menselijke inspanning. Het heil wordt van een vrij, alles met zieh meebrengend geschenk Gods tot een prijs, die de mens voor zijn vroom streven deelachtig wordt. De gratia praeveniens wordt tot een gratia subveniens en postveniens.

Hoe meer nadruk gelegd wordt op de waarde en de kracht van de menselijke prestatie, des te meer komt de boodschap van de genade in het gedrang. In de grond van de zaak wordt dit proees veroorzaakt door een opvatting, die het bijbels getuigenis van 's mensen radicale verdorvenheid en verlorcnheid niet meer ernstig neemt. De wereid van de zonde wordt beroofd van haar dieptedirnensie en beperkt tot afzonderlijke daadzonden. God eist van de mens, dat hij deze daadzonden vermijdt, en de mens heeft de vrijheid en de wilskraeht om deze eis te vervullen. Telkens weer worden hier bepaalde standaardgeboden genoemd: afzien van opschik en mode, alcohol en tabak, dans, bioscoop en allerlei "wereldse" genoegens en verleidingen. Het godsdienstig leven vernauwt zieh tot een moralisme als de weg, waarop de vrome zieh de gerechtigheid voor God verwerven kan.

In zijn laatste uitlopers mondt dit synergisme uit in de leer van de volkomen zelfverlossing van de mens. De boodschap van het sola gratia heeft zieh vervluehtigd tot de voorstelling van een God, die de moeite, welke de mens zieh getroost, met welwillende, mogelijk ook actieve opmerkzaamheid gadeslaat en hem de verdiende beloning doet toekomen, maar overigens de initiatieven helemaal aan hem overlaat. Dit radicale synergisme vinden we b.v. bij de Christian-Scientisten of in de Mazdaznanbeweging 9) of bij jehova's Getuigen en de daar weer uit voortgekomen gemeensehappen.


De realisering van de goddelijke heilskrachten


Men erkent weliswaar, dat de menselijke dimensie in het teken van schuld en afval staat, maar leert nu, dat er midden in deze woestijn een oase ligt! In deze oase woont God of realiseert Hij Zich en laat er een bron van eeuwige heilskrachten stromen. In deze leer, dat men het goddelijke hier en nu in volheid beleven kan, is een diep-menselijke drang werkzaam: men wil zo graag Gods tegenwoordigheid en werkzaamheid zichtbaar, grijpbaar en concreet ervaren. Men wil niet slechts verwezen worden naar het gepredikte woord, dat alleen maar getuigenis van de zaak, maar nooit de zaak zelf kan zijn. Men zou de verre God dichtbij willen haIen en deel willen hebben aan zijn tegenwoordigheid in cultische handelingen, wonderlijke krachtsuitingen, genezingen en nieuwe openbaringen.

De realisering, respectievelijk concretisering, van het goddelijke kan op een drievoudige wijze plaats vinden: langs spiritistische, cultische of "enthousiaste" weg. De spiritistische weg vinden we in de talrijke godsdienstige gemeenschappen op magisch-spiritistische grondslag, die in de laatste honderd jaar overal in de wereid zijn opgekomen, zo b.v. in de U.S.A. de "National Spiritualist Association", de "Progressive Spiritual Church", de "General Assembly of Spiritualists", in Engeland de "Christian Spiritual League", in Duitsland de "Evangelisch- Johannisehe Kirche nach der Offenbarung St. Johannis", ge sticht door joseph Weissenberg. Hier hangt men de overtuiging aan, dat bovenaardse autoriteiten door bemiddeling van een medium in trance tot de gelovigen spreken en hun leiding, troost, raad en genezende kracht schenken.

De cultische realisering van de heils krachten knoopt aan bij de bijbelse sacramenten en maakt die door diverse middelen dienstig aan haar eigen doeleinden: ze worden in aantal vermeerderd en tegelijkertijd ondergaan ze een zo wezenlijke verandering, dat ze van heilige tekenen, waardoor God: met de mensen handelt, tot dragers van de goddelijke heilssubstantie worden. Hun voltrekking wordt gebonden aan een priesterlijk ambt, dat krachtens hogere wijding de volmacht bezit om de sacramentele genezingssubstantie te verwerkelijken en door te geven aan de gelovigen. We vinden deze cultische weg bij de Hersteld-Apostolischen, de Mormonen en de Christengemeenschap; ze hebben de genade sacramenteel vermaterialiseerd en gekanaliseerd.

De weg van het .enthoueiasme" tenslotte wordt in de Pinksterbeweging ingeslagen. In haar midden werd een heel systeem van geestelijke exercitien ontwikkeld, aan het einde waarvan de geestdoop met ton gent aal staat.

Voor de theologische motivering van deze wegen grijpt men gaarnc terug naar het derde artikel uit de geloofsbelijdenis. Het is niet toevallig, dat de leer van de Heilige Geest voor een groot deel van
de sekten het dogmatisch lievelingskind is geworden. De Heilige Geest vormt binnen de triniteit de figuur, die de brug slaat van de eeuwigheid Gods na ar het hier en nu van de wereld der mensen. In Hem betreedt God het heden, om Zieh hier te manifesteren en te realiseren. De Heilige Geest is de "trooster", dien Christus beloofd heeft. Hij is de nabije God, die de gemeente der gelovigen Ieidt, het toekomende verkondigt en de wereld oordeelt (Joh. 16, 5-15).

De sektarische leer van de Heilige Geest heeft deze nabijheid onderstreept. Maar ze vergeet te gemakkelijk, dat ook de Heilige Geest de heiligheid Gods eigen is, dat Hij dus de souvereine Heer is, Zij heeft de Heilige Geest beroofd van zijn majesteit en Hem veranderd in een getemde en gedweee macht, die zieh begeeft in 's mensen hand. Dit aan banden leggen van de Heilige Geest wordt b.v. duidelijk aan de wijze, waarop men in bijeenkomsten van de Pinkstergemeenten met Hem omgaat. Als volkomen vanzelfsprekend wordt verondersteld, dat, als de evangelist X zondagmiddag in zaal Y zijn bijeenkomst houdt, ook de Heilige Geest prompt versehijnt en Zieh in voorspellingen, tongentaal en bekeringen bekend maakt. Hij is de trouwe begeleider van de evangelist geworden, die hem nooit in de steek laat en aan zijn roepstem gehoorzaamt. Hij wordt door de evangelist "georganiseerd" of zelfs "erbij gesleurd". Ook bij de Hersteld-Apostolischen wordt Hij "beheerd". Als een apostel een gelovige bij de verzegeling de hand oplegt, is de Heilige Geest ter plaatse en laat zieh "schenken". Hij heeft zieh dus begeven in de macht van de apostel, die over Hem beschikken kan; Hij is objeet van diens ambt geworden. En als jezus in Joh. 3, 8 over de sou vereine vrijheid van de Heilige Geest spreekt, verbeteren de Hersteld-Apostolischen dat in deze zin, dat de Heilige Geest om zo te zeggen vrijwilIig van het gebruik van zijn vrijheid afstand heeft gedaan, ten gunste van het apostelambt: "Als de Apostelen de Heilige Geest schenken, volvoeren ze de wil van de Heilige Geest en daarmee die van hun zender, aan wien alleen de macht in de hemel en op aarde overgedragen is. Hier wil de Heilige Geest waaien en Hij openbaart Zieh dan ook daaraan overeenkomstig" .10)

In al deze opvattingen wordt de barriere, die tussen God en mens instaat, weggesehoven en matigt de mens zieh aan, macht te hebben over de Heilige Geest. Het is in de grond der zaak een proces van ontgoddelijking van de Heilige Geest, dat uiteindelijk hierop uitIoopt, dat de Heilige Geest herleid wordt tot een goddelijk fluidum, een heilssubstantie, die men kan opvangen, verdelen en inlijven.
 


Het oprichten van een theophore autoriteit


1. Men roept nu een gevolmachtigd ambt in het leven, dat als tusseninstantie tussen God en mens in staat en van God de opdracht heeft ontvangen in zijn naam de genade te beheren en de gelovigen met zekerheid naar het heilsdoel te geleiden. Deze hebben nu niet meer met een verre God en een onzichtbare Christus te maken, maar kunnen zieh begeven onder de leiding, de bescherming en de garanties-verstrekkende macht van een in vlees en bloed voor hen staande ambtsdrager. Hier vindt men zekerheid en rust en is men aan ieder risico ontkomen.

Het behoort tot de innerlijke logica van heel deze constructie, dat de tendens bestaat, de theophore kracht van het ambt en van de ambtsdrager al maar ho ger op te voeren. Want hoe hoger deze worden verheven, en met hoe groter volmachten zij worden uitgerust, des te zekerder kan de gelovige zieh voelen onder hun bescherming. Voegt zieh bij deze tendens dan nog van onder op een zucht tot heer sen van deze of gene ambtsdrager, dan kent de ontwikkeling van het ambt naar boven, naar al maar ho gere krachten en autoriteiten, geen grenzen meer. De geschiedenis van de ontwikkeling van het Hersteld-Apostolisch ambt van stam-apostel toont deze tendens tot het al maar ophogen van de autoriteit overduidelijk aan. Oorspronkelijk slechts primus inter pares wierp de drager van dit ambt zieh tenslotte op tot de absolute heerser over de apo stelen, en dat zowel godsdienstig als constitutioneel. Hij kan hen aanstellen en afzetten, hun hun volmacht verlenen en ontnemen. Slechts als ze zich tot gehoorzaamheid aan hem verbinden, kunnen ze werken. Ze zijn niet meer op zichzelf staande dragers van de Heilige Geest, maar zijn op zijn bemiddeling aangewezen. Hij is niet meer slechts de plaatsvervanger van Christus, maar heeft practisch diens plaats in genomen en Hem in het geloofsleven van zijn aanhangers door zijn ambtsmacht en werkzaamheid verdrongen. Hij kan zeggen:

"Wie zieh van mij afscheidt, scheidt zieh van [ezus af". 11) Zonder hem is er dus geen heil. Hem alleen heeft Christus "volmacht gegeven om over zijn verdiensten te beschikken en rechtsgeldig voor God te binden en te entbinden". 12) Hij is "de door God uitgestoken hand der liefde". 13) Hij betrekt uitspraken van Christus betreffende diens autoriteit op zichzelf: hij is het hoofd, en de apostelen zijn de leden; hij is de wijnstok, en de apo stelen zijn de ranken; hij is de ene bron, die van de troon Gods uitgaat.") Daarom: "Wie zieh aan mijn woord houdt, zal ik uitredden" .15)

2. Er bestaat een nog hogere trap van theophore autoriteit. Er zijn sekten, die ervan overfuigd zijn, niet slechts een hoog boven het menselijk vlak uitstekend ambt te hebben, maar in hun midden een persoon te bezitten, in wie de godheid zichzelf gemcarneerd heeft. Tussen beide trappen in: de door God gevolmachtigde ambtsdrager en de vleeswording Gods in een persoon, bestaan vloeiende overgangen. De Hersteld-Apostolische stam-apostel Bisehoff is in de ogen van zijn gelovigen reeds meer dan alleen iemand, die krachtens zijn ambt volmacht bezit; in hem is nl. de "trooster" vlees geworden. Nog duidelijker is de overgang voltrokken, als de apostel Lambertus Slok, leider van het Apostolisch Genootschap, een groep in Nederland die zieh van de Hersteld-Apostolischen heeft afgescheiden, zieh de "Christus-God van heden" laat noemen, voor wien men aanbiddend neerknielt.

Helemaal volIedig is die ho gere trap bereikt bij figuren, die met de pretentie optreden, dat ze vlees geworden goden zijn - of het nu incarnaties van God of van de Heilige Geest dan wel wedergekomen Christus sen zijn. Het aantal verschijningen van deze aard is in onze tijd niet gering. Friedrich August Hain (1884-1927), een wever in Meerane (Saksen), maakte op 23 november 1894 in de loop van een spiritistische seance bekend, dat in hem God weer vlees geworden was. Hij werd voortaan vereerd als de "Herder" en .Jiefdevolle Vader", in wien Pred. 9, 13-15 tot vervulling was gekomen, Men stelde hem principieel op gelijke hoogte met Christus en zag het kenmerk van zijn goddelijkheid hierin, dat hij de waarheid van de Schrift juist en kosteloos uitlegde en wonderen deed, die getuigden van zijn alwetendheid en almacht.

De Sakser Oskar Ernst Bernhardt uit Bischofswerda (1875-1941)

gaf van 1928 af aan zijn gelovigen te kennen, dat hij "Abd-ru-shin", "Immanuel", de "mensenzoon" was, een broer van Christus, zoon Gods van gelijke orde, door God uitgezonden, om aan de in de tyrannie van het verstand wegzakkende mensheid de graalboodsehap te verkondigen en de omkeer naar het duizendjarige rijk toe te voltrekken.

De Franse postbeambte George ROllX (geboren in 1903) verklaarde Kerstmis 1947 aan zijn verbaasde familie: "Ik ben de wedergekomen Christus" en noemde jezus zijn voorloper, dien hij door grotere volmaehten en opdraehten overtrof; nadat hij tot 1951 drie boeken gesehreven had, die hem werden "geopenbaard", kwam hij voor het voetlicht, verwierf zich binnen luttele jaren een als een lawine aangroeiende aanhang en verklaarde in februari 1954 ook openlijk, dat hij "Christus" was. De gemeensehap, die hij om zich heen verzamelde, de "Temoins du Christ Revenu" of "Eglise Chretienne Universelle", beschouwt de drie boeken van Roux als "heilige schrift" en wordt bediend door "jongeren", die van Roux de volmacht tot genezen ontvangen hebben.

De Hollandse haringvisser Lou Voorthuizen zou de mededeling van zijn zending als wedergekomen Christus ontvangen hebben in het jaar 1925 door een "stem" en een aan de hemel oplichtende ster, en in 1950 na een zwaar ziekbed zijn "opstanding" hebben beleefd. Sedertdien verkondigt hij aan zijn aanhangers: "lk ben de opstanding". "Ik ben de vervuller van Christus, en dat betekent:

God lichamelijk op aarde." Waarin onderscheidt hij zieh nu van Christus? Wel, Christus Imam uit de hemel en bracht een verlossing mee uit de hemel. Hij overwon de satan geestelijk. Maar aangozien Hij zonder zonde was, bad Hij geen "satan in de stof", d.w.z. in zijn lichaam. Daarom kon Hij hem ook niet liehamelijk ovorwinnen. Door zijn geestelijke overwinning verloor de satan zljn macht in de hemel en werd hij op aarde geworpen. Hij is "mens geworden en kan op geen andere wijze te niet gedaan worden dan in de mens". Dat nu gesehiedt door Lou. In hem is Cod in zijn eigen stof gekomen en heeft de macht van de satan binnen de stof gebroken. "Daarom nu is dit de verlossing van l.ou, dat Lou de kracht in de stof legt, waardoor de stof .zich tegen over de geest kan stellen, en satan van de stof uit overwonnen wordt door de kracht, die thans in iedereen gelegdwordt." 16) Met zijn komst is de eindtijd aangebroken. Degenen, die in hem geloven, ontvangen niet slechts genezing, maar zullen ook de verdrukking der laatste dagen overleven en priesters en koningen zijn in het duizendjarig rijk, dat in 1972 zal aanbreken.

De Amerikaanse neger George Baker (geboren in 1878), de Father Divine, laat zieh door een grote schare aanhangers huldigen als vleesgeworden God en maakt zieh op, om het rijk Gods op aarde op te richten - in de "Kingdoms" of "Heavens" als kleine cellen van de heerschappij Gods en in boodschappen aan politici en wetsvoorstellen tot herordening van de wereid. "Het is iets groots", zo schrijft hij, "als ge waarlijk geloven kunt, d'at ik God ben! Ge moogt door allerlei beproevingen zijn heengegaan, om daardoor mij als God te ervaren. Maar hoeveel meer is het, als ge kunt erkennen, dat ik in u en gij in mij leeft; en als ge dit waarlijk ge- 100ft, zal ik gehe el en al door u kunnen werken en handelen. Ik ben niet slechts God in u - ik ben ook het geloof, de liefde, de vreugde, en ik ben waarlijk alles in u, omdat ik God ben."

De Silezier ]oseph Weissenberg (1855 - 1941) wordt vereerd als de incarnatie van de Heilige Geest. Aangaande hem belijden zijn aanhangers: Terwijl we voordien de meester als de profeet, de eindprofeet mochten kennen, die ons op de wederkomst des Heren moest voorbereiden, in hem dus de wedergeboren Johannes de Doper mochten zien, is het ons uit genade gegeven, ten laatste in onze meester de wedergekomen Christus te herkennen. En we zagen het gericht dat van hem uitging en zien het vandaag nog. "Het woord Gods werd vlees en bloed, en ge aanschouwt zijn heerlijkheid, ge aanschouwt hem van aangezicht tot aangezicht. Hij wees u de weg uit de duisternis naar het stralende licht." 17)

Weissenberg en Bernhardt zijn dood. Maar ze leven verder en zijn tegenwoordig.

Van het lijk van Bernhardt, dat op de Vomperberg in Tirol onder een pyramide is bijgezet, gaat nog dezelfde straling uit : als bij zijn leven, hetgeen bewijst, dat de ziel van Abd-ru-shin weer op de berg vertoeft.")

Weissenberg echter heeft reeds in 1932 zijn dochter Frieda Müller tot zijn opvolgster aangesteld en haar met zijn goddelijke volmachten begiftigd, zodat jezus' belofte: "Ik ben met u al de dagen" hier in vervulling gaat. "Uw herder en meester heeft bij zijn leven ervoor gezorgd, dat er voor altijd naar het testament van zijn heilige Geest geleefd wordt, dat het verder aan de mensheid wordt overgedragen. Hij heeft bij zijn leven zijn opvolgster aangesteld. En deze opvolgster is uit die geestelijke wereld van het licht af'gedaald en heeft de hoge en heilige zen ding te vervullen, de mensheid op de eenmaal geopende en ingeslagen weg van de drieeenheld verder te leiden tot behoud van haar ziel." 19)

In de rouwadvertenties van leden van de Evangelisch- [ohanneische Kerk bedankt men regelmatig "onze geliefde meester en onze lieve Frieda" voor de zegen en de kracht, welke ze aan de achterblijvenden in hun leed hebben geschonken.

Deze theophore figuren komt goddelijke verering toe. Hun woord heeft absolute geldigheid. Ze hebben de wand tussen de eeuwigheid en de wereld der mensen doorbroken. Ze zijn niet slechts wegwijzers naar het doel, maar dragers, bemiddelaars en garanten van het heil. Op ieder van hen kan de gelovige het troostvolle psalmwoord toepassen: "Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Ik zeg tot de Here:

Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wien ik vertrouw."


De vorming van de gemeente des heils


Het is een bijbelse gedachte, dat God Zieh uit de naties een volk, uit de massa's der mensen een gemeente des heils verkiest. De sekte knoopt bij deze gedachten gang aan, maar eist de hoedanigheid van gemeente des heils geheel op voor zichzelf. Bij de motivering van deze pretentie ontmoet men de meest verscheidene elementen, die we tot nu toe reeds hebbenleren kennen. Men kwalificeert de eigen gemeenschap als de gemeente des heils, b.v. door er op te wijzen, dat ze alleen maar bestaatuit belwerden of mensen, die met de Geest gedoopt zijn; of dat in haar alleen de bron des heils vloeit; of dat zij de volgelingen van de opnieuw ge'incarneerde godheid zijn ; of dat in haar alleen de volle kennis van de waarheid en volkomen gehoorzaamheid aan Gods geboden voorhanden zijn. Men loidt dus uit bijzonder geestelijk bezit ook bijzondere voorrechten voor de geheIe gemeensehap af, die haar het karakter van uitverkoren gemeente Gods verlenen.

Hier opent zieh een wijd perspeetief. De meeste sekten vereenzelvi gen zieh met de gemeente des heils. Sommige voltrekken deze gelijkstelling sleehts in de zin van bevoorreehting, anderen echter exclusief. Maar het resultaat is bij beide de conclusie: wie een echt en gehoorzaam lid van onze gemeensehap wordt, wie dus de hier verkondigde waarheden gelooft, de hier gesteIde godsdienstig-zedelijke eisen vervult en van de hier bediende saeramenten het geboden gebruik maakt, heeft de garantie, dat hij het volle heil bereikt, dat God aan deze gemeensehap heeft toebedaeht. Hij behoort tot de uitverkorenen, hij zal deeI hebben aan de ontrukking van het verderf ofwel aan de eerste opstanding, hij zal de vernieti ging .in de slag van Harmagedon overleven en een burger of vorst in het duizendjarig rijk zijn. Kortom, het werk van Gods genade heeft zieh in de sekte geeoneentreerd. Binnen haar grenzen alleen voltrekt het zieh en deelt het zieh aan de mensen mee.


De grote kloof



We vatten samen: de antithetiek van de sekten zet in bij de leer van het sola gratia. Om de mens van zijn risico, zijn angst en onzekerheid te bevrijden en hem zelf een zeker recht van beslissing, controle of medewerking te verschaffen, zoekt ze de gen ade in eigen hand te krijgen, in haar midden te voltrekken of te bewerkstelligen.

Dat heeft enorme consequenties. Naar reformatorische leer is de gen ade een werk van de souvereine God, dat aan de greep van de mens eenvoudig absoluut onttrokken is. Wie zo'n greep doet, tast God zelf aan, zoekt Hem aan zieh te onderwerpen. Hier vindt, zij het ook in heel sublieme en vrome vormen, een ingreep plaats in een gebied, dat God alleen Zichzelf heeft voorbehouden. Deze ingreep betekent een opstand van het schepsel mens tegen de majesteit van de Heer. Hier heeft de mens de hem betamende stand van de creatuurlijke deemoed verlaten en onderneemt iets, dat een aan banden leggen en een onttroning van God beduidt. ledere poging van welke aard ook, om zieh van de genade meester te maken, is hybris. Dat blijft het, ook al staat achter deze sektarische hybris niet het verzet van een Prometheus, maar de angst. Ook deze angst is in laatste instantie een gevolg van ongeloof, dat ongeloof, dat niet vertrouwt, dat God zijn beloften nakomt en dat volgens Luther de zwaarste zonde is, omdat het God voor een leu gen aar houdt.

Hier komt de diepe kloof voor de dag die er be staat tussen de reformatorische verkondiging en het sektewezen. Voigens de reformatie is de gen ade vrij en souverein, omdat ze het werk is van de vrije en souvereine God. De sekte echter wil de genade binden. In hoeverre ze dat doen wil, is overal weer verschillend. Daarom zijn er vele trappen van ontwikkeling naar het sektarisme, Er zijn gemeenschappen, die zieh in een soort zweeftoestand bevinden. Er zijn andere, die volkomen duidelijk het sektarische type vertegenwoordigen. Dat hangt telkens af van de mate, waarin een gemeenschap doorhaar leer, haar wetten en ordeningen, haar autoriteiten, ambten en cultische handelingen Gods vrije genade in haar greep tracht te krijgen. Onze taak is nu, na te gaan, hoe deze hybris t.a.v. de gen ade zich uitwerkt op de afzonderlijke gebieden van de leer en van het geloof. We zullen daarbij zien, dat de drijvende krachten vrijwel overal dezelfde zijn. We zullen ontdekken, dat deze hybris begeleid wordt door immanente gerichten, die de sekten in alle fasen van haar ontwikkeling bedreigen en tenslotte dodelijk voor haar zullen worden. We zullen ons echter ook voor het feit zien gesteid, dat het zieh afkeren van het "sola gratia" bij de sekten haar aanleiding vond in, mogelijk gemaakt of begunstigd werd door schuldige verzuimen van de kerk, Daarover moet in een afzonderlijk hoofdstuk worden gesproken,




Hoofdstuk 3

 THEOLOGIA GLORIAE SECTAE

De reformatorische theologia gloriae Dei




We betreden als eerste gebied de "theologie" in de engere zin van het woord - de leer aangaande God. Wie de gedachte van Calvijn over Gods eer en majesteit en de leer van de praedestinatie of Luthers geweldige geschrift "De servo arbitrio" kent, weet, met welk een ernst de reformatoren de theologia gloriae ontvouwd hebben. Alpha en Omega van al hun uitspraken was, dat God God is - de Heer, die in absolute souvereiniteit een ontoegankelijk licht bewoont, die in ondoorgrondelijk willen en scheppen volgens eigen plannen regeert, wetten geeft en het lot der mensen bepaalt, die aan niemand rekenschap verschuldigd is, die het niemand vergunt Hem te doorzien, te binden of te verplichten, maar in souvereine majesteit zijn weg gaat en op al zijn wegen, ook de donkere, moeilijke, sehijnbaar zinloze en verschrikkelijke wegen, Zieh doet kennen als de heilige God en als zodanig door de mens geeerd en aanbeden wil zijn.

Eerst te gen deze aehtergrond van de Deus absconditus krijgt het beeld van Deus revelatus, van de barmhartige Vader, die in liefde en grenzeloos geduld vecht om de verloren wereId, en zijn eniggeboren Zoon ten offer brengt, zijn grandioze liehtsterkte. Door deze polaire spanning tot de Deus abseonditus wordt voorkomen, dat dit beeld gaat vervlakken tot de familiaire voorstellingen van een .Lieve God" . Het blijft immers altijd omrand door een beven en sidderen en een aanbiddende verwendering. Deze majesteitelijke God blijft, ook en juist wanneer Hij Zich liefhebbend en zoekend na ar de mens neerbuigt en hem in Christus nabijkomt, altijd de Koning, die heerst en die Zich aan en door de mens verheerlijkt, hem kastijdt en hem tuehtigt. Voor Hem is de mens altijd degene, die geroepen en opgeroepen wordt, het werktuig, niet de partner, het kind uit genade, niet de zoon krachtens eigen waarde. De gratia Dei is precies als elk ander handelen Gods een daad van zijn souvereiniteit, is uitvloeisel en bevestiging van de gloria Dei. Want ook in zijn Iiefde, zijn vergeving en verzoening bewijst Hij zijn souvereiniteit en Hij Iaat Zich door niets van die plaats wegdringen. Er is op het menselijk vlak geen enkele mogelijkheid, min of meer te beslissen over het heil en de genade te bewerkstelligen of te beheren; er is alleen maar ruimte voor het ootmoedig gebed.



De glorie van de sekte


Wat de sekten nu ondernemen, is een ingreep in het werk van Cods genade. Ze betreden daarmee een terrein, dat geen mens mag betreden. Ze zijn vrome usurpators geworden. Daar, waar de kerk slechts heenwijzend kan en mag spreken van de glorie en het wonder van Cods genade, spreekt de sekte van haar eigen volmacht - van haar bevoegdheden, haar toerusting, haar prestaties en allerlei hoedanigheden, waardoor ze invloed heeft op het heil. Ze heeft daarmee op een centrale plaats de theologia gloriae Dei afgezworen cn die vervangen door een theologia gloriae sectae. De gevolgen van deze stap zijn buitengewoon groot. Duidelijkheidshalve nemen we bij de nu volgende beschrijving slechts die sekten tot voorbeeld, die de theologia gloriae sectae volledig ontwikkeld hebben, en laten de andere, bij wie ze slechts in beginsel voor handen is, buiten beschouwing:

a) "Wij heb ben macht over de genade!" Dat is het fundament van de theologia gloriae sectae. Wie macht heeft over de genade, hoeft macht over de mensen. Hij kan openen en toesluiten, binden en ontbinden. Wie enigszins op de hoogte is, weet welk een angstige, bezwerende macht menige leider of prediker van een sekte over zijn volgelingen uitoefent. Hier ligt een van de redenen voor de grenzeloze onderdanigheid, het offeren van geld en goed, de enorm sterke saamhorigheid, en het afstand doen van vrijheid, eigen inzicht en
eigen beslissingen, waarvan de aanhangers van een sekte altijd blijk geven. Hier woekert bij tijden een deels dogmatisch gefixeerde, deels feitelijk beoefende papisterij, die weliswaar van klein formaat is, maar in haar pretenties van volmacht het Roomse pausdom ver overtreft. De sekte heeft in haar voormannen en ambten een macht en majesteit van God aan zich getrokken en handhaaft die op autoritaire wijze.

b) In de mate, waarin de sekte zieh meester maakt van de genade, trekt ze ook de macht aan zieh om de grenzen van het heil vast te stellen. Jehova's Getuigen, de Hersteld-Apostolischen, vele Perfectionistische groepen en de Pinkstergemeenschappen, de Kerk van het Godsrijk, en in wat meer verzwakte vorm de Adventisten laten de grenzen van het heil samenvallen met de grenzen van hun sekte. Met deze vaststelling van de grenzen grijpt de sekte echter vooruit op het gericht Gods. Ze beweert en pretendeert de stem van de Rechter te zijn of tenminste zijn maatstaf te kennen en te kunnen aanwenden. Anders gezien: ze neemt God bij de arm, identificeert

• haar gerichtsoordeel met het zijne of eist van Hem, dat Hij Zich in zijn oordelen zal richten naar hun uitspraken. Ze meet zieh aldus een recht aan, dat alleen God toekomt.

c) Gods eer bestaat daarin, dat Hij de enige is. Hij duldt geen mededinger naast Zieh. Hij deelt zijn eer met niemand. Hem alleen komt aanbidding en gehoorzaamheid toe. Daarom staat aan de spits van alle geboden: "Ik ben de Here, uw God, gij zult geen andere goden naast Mij hebben." De sekte imiteert deze gloria Dei, door het monopolie van het bezit van de waarheid en van de heilsgenade voor zichzelf op te eisen. Ze kan niet verdragen en toelaten, dat er ook in andere gemeenschappen geloof is; dat ook daar naar de waarheid gestreefd wordt en mensen door de waarheid van Christus worden overweldigd; dat ook daar God aan het werk is als degene, die nabij is, oordeelt en begenadigt. Nee, in een exclusieve zin verkondigt de sekte: "Slechts in ons midden is de waarheid en vindt het heil plaats!" Niet alsof zij zelf God zou zijn. Maar zij alleen is Gods uitverkorene, Zij alleen bezit zijn beloften. Alleen in haar midden vliet de stroom van de Heilige Geest en wordt het verlossingswerk voltrokken, Het "Genootschap van de Nieuwe Wereid" is Gods enige "Theocratische Organisatie", en wie daarbuiten staat, staat onder de heerschappij van de satan. De Heilige Geest wordt alleen door de stamapostel over de apostelen naar de zielen der gelovigen geleid, en wie niet met hem in geloof en gehoorzaamheid verbonden is, heeft geen deel aan het heil. De leden van de "Kleine Kudde" en van het "Leger van de Almachtige" in de "Kerk van het Godsrijk" zijn de enigen, die de wet van het heelal vervullen en daarom het voorrecht hebben om het komende Godsrijk op te richten en te regeren. Menige Pinkstergemeenschap en de Perfectionistische groep identificeert zich met de bruidsgemeente, die aan het verderf ontrukt wordt. De Adventisten weten van zichzelf, dank zij hun vervulling van het sabbatsgebod en hun geloof aan de drievoudige engelboodschap, dat zij het volk Gods van de eindtijd zijn.

En de anderen, die daarbuiten staan? Die staan ook buiten het heil, behoren bij het gevolg van de antiehrist of zijn op zijn best slechts stiefkinderen van God. Zij zijn afgesneden van de volle genade. Hun kerken en gemeenschappen zijn slechts de "voorhof", of ze zijn eenvoudig de massa perditionis, prijsgegeven aan afval en onheil. Alleen over het gebied van de eigen sekte straalt de zon der genade. Aansluiting bij haar en gehoorzaamheid aan haar leer on haar eisen staat gelijk met de keuze voor het heil. Daarachter staat de praemisse, dat God Zich alleen van dit orgaan bedient on alle andere gemeenschappen verworpen heeft. In deze zelfverhoging is de godsdienstige hybris aan het werk. De sekte wil de enige zijn, zoals God de enige is. Ze sluit zichzelf bij het eerste gebod in. Ze hult zich in een pseudo-majesteit.

d) Een logisch gevolg hiervan is, dat uittreden uit de sekte als een doodzonde geldt. jehova's Getuigen briesen momenteel nog van wraak jegens hun vroegere kameraden, die in 1917 afvallig werden

11 versperren hun iedere toegang tot het duizendjarig rijk. Ze "zulIen geen plaats hebben in de hemelse stad, maar zullen na hun dood voor goed dood zijn en hun nagedachtenis zal vergeten zijn".") De Hersteld-Apostolischen stellen degenen, die de stamaposteI ongehoorzaam zijn en zijn in 1951 uitgegane boodschap van de wederkomst van Christus tijdens zijn leven niet als goddelijke waarheid aannernen, de eeuwige verdoemenis in uitzicht. "Ze zijn uit het boek des lovens geschrapt en - wat op dit ogenblik nog niet wordt ingezien - de gevolgen van hun dom gedrag zijn van eeuwige duur."21]



"Keizer Nero heeft zijn ziel door de christenvervolging niet zo belast als iemand, die op dit moment als afvallige tegen het werk Gods strijdt".") De Mormonen, die alle geesten tenslotte na lange perioden van gestadig vorderen tenminste nog de onderste trap van de heerlijkheid laten bereiken, zodat de hel leeg achterblijft, maken een uitzondering, nl. voor degenen, die vroeger tot hun gemeenschap behoorden, maar later afvallig werden. E. G. White deeIde de Adventisten, die in de jaren 1844 vv. afvallig waren geworden, in bij de categorie van de "synagoge des satans" van Openbaring 3, 9. Abd-ru-shin gaf volgens berichten van vroegere aanhangers degenen, die hem afvallig waren geworden, in geheime plechtigheden over aan de "onthinding" en verkIaarde, dat ze da armee "uit het boek des levens geschrapt waren". Vanwaar deze onverzoenlijkheid? Is het slechts een kleinzielige wraaklust? Nee, het uittreden uit de sekte is een crimen laesae majestatis sectae en het ergste vergrijp, dat de theologia gloriae sectae kent.


De onttroning van God



Waar de gloria Dei niet meer beheersend in het middelpunt van het geloof staat, is de weg geopend na ar een geleidelijke onttroning van God. In de gedachtenwereid van de Christengemeenschap is God vervluchtigd tot een persoonlijk, neutraal iets, tot alleen nog maar een soort stoffering van de achtergrond; de wereid is niet meer zijn schepping, maar nog slechts een emanatie van het "goddelijk wezen", en de geschiedenis is niet een souverein handelen van God met de mensenwereId, maar een automatisch ontwikkelingsproces, Een persoonlijke ontmoeting God - mens is er niet meer. De Christian Scientisten leren een theopanisme, dat eveneens een onttroning van God ten gevolge heeft: doordat in dit theapanisme de realiteit van de wereid ontkend wordt, wordt God onttrokken aan het tegenover Hem staande gebied, waarop Hij kan hand elen en handelend zijn heerlijkheid kan bewijzen. Daarom is er in het godsbeeld van Christi an Scientisten geen ruimte meer voor de praedicaten van de Schepper, de Koning, de Levende. De "Kerk van het Godsrijk" heeft God als de rusteloos scheppende en regerende Heer der wereid buiten werking gesteld; in zijn plaats regeert de "wet van het heelal" mechanisch, onpersoonlijk en collectief de wereld en het lot der mensen. Bij de Mormonen is God een vergevorderd collega van de mens geworden: "Zoals de mens is, was God eenmaal; zoals God is, kan de mens eenmaal worden." Deze geworden God is een terugval in de voorstellingswereld van de oude religies van buiten de Bijbel en heeft niets van doen met de Oudtestamentische verkondiging: "Wie heeft dit bewerkt en tot stand gebracht? Hij, die de geslachten van den aanvang heeft geroepen; Ik, de Here, die de eerste ben, en bij de laatsten ben Ik dezelfde." (Jes. 41, 4)

Het sektarische denken wordt niet meer bepaald door de uitstralingen van de theologia gloriae Dei. Dit noodzakelijke, zelfs zonder meer beslissende stuk van de bijbelse verkondiging is weggezonken. Inplaats daarvan ontmoet men overal een gebonden God. Hij is de vertrouwde of gedweee he melse partner van de sekte geworden. Hij erkent uitsluitend haar als het werktuig, dat Hij Zieh verkoren of geschapen heeft. Hij geeft zijn fiat op de nieuwe sacramenten en erediensten, welke zij ingesteld heeft. Hij autoriseert de ambten, welke zij met volmachten heeft bekleed, Hij trekt de grenzen van het heil precies zo, als de sekte wil, dat ze getrokken worden. De meest uiteenlopende sekten eisen de Heilige Geest uitsluitend voor zieh alleen op. Pinkstergemeenschappen annexeren Hem als hun speciaal bezit. De Hersteld-Apostolischen leren, dat Hij alleen hún stamapostel tot zijn orgaan heeft gemaakt en hem het "copyright" heeft gegeven van zijn "openbaringen". De Mormonen maken in gelijke mate aanspraak op Hem voor de hierarchie van hun .Herstelde Kerk". De Evangelisch- johanneische Kerk laat Hem geincarneerd zijn in Joseph Weissenberg. Kortom, hier is God een god van de sekten geworden, als contraetant, bondgenoot of uitdeler van het heil uitsluitend aan haar toegevoegd.

Dit sektarisch godsbeeld kent tenslotte uitsluitend nog een samenworking tussen God en de sekte, Haar geldt zijn "ja", alle andere monsen en godsdienstige gemeenschappen zijn "nee". Dat God ook anders zou kunnen denken en handelen dan de sekte het leert, is ondenkbaar. En totaal ondenkbaar is het, dat de sekte onder zijn critick, laat staan onder zijn gericht, zou vallen. De gedachte alleen al, dat God eens niet, of niet uitsluitend, de Theocratische Organisatie van Jehova's Getuigen zou erkennen, is in de ogen van de leiding van de sekte zo'n zwaar vergrijp, dat het de eeuwige dood op zieh laadt. En reeds de geringste twijfel aan de uitsluitende en volledige autorisering van Godswege van stamapostel Bischoff wordt als een lastering van de Heilige Geest gebrandmerkt. waarvoor noch in deze, noch in de teekomende wereld vergeving te vinden is.

Zo wordt God onderdanig gemaakt - een gehoorzame God, een gelijkgeschakelde God. Is dat nog de God van de Heilige Schrift? Is het niet louter een projectie van de leer van de sekte? Eertijds heeft Israel op zijn verkiezing en op het verbond van de Sinai gepocht en zieh gehouden voor het volk, waarvoor God voorkeur had on der de naties, zoals jehova's Getuigen en andere sekten dat ten aanzien van hun geloofsgemeenschappen precies zo doen. Maar God laat Zieh niet door de mensen inpalmen. Fel sneed Amos die pretentie van Gods voorkeur voor Irael af: "Zijt gij voor Mij niet gelijk aan de Moren, 0 kinderen Israels? luidt het woord des Heren." (Amos 9, 7)

Naarmate het bijbelse godsbeeld wordt uitgehold, wordt ook de oerverhouding tussen God en mens verstoord. Deze oerverhouding wordt gekenmerkt door het feit, dat er tussen God en mens een dialoog gevoerd wordt, waarin God degene is, die hoort en antwoordt. Het spreken Gods is een handelen met de mens in oproep en gebod, terechtwijzing en gericht, begenadiging en troost. Het antwoord van de mens is de gehoorzaamheid en de aanbidding, de boete, de dank en de liefde. "Hoort het woord des Heren!" - deze roep klinkt door heel het Oude Testament. De bereidheid tot horen is de grondhouding van de vromen. Wie niet hoort, maar zieh doof houdt en zich verhardt te gen de roepstem van God, onthoudt Hem de eer en is "ongehoorzaam".

De theologia gloriae sectae verkleint de mogelijkheid, om over alle mogelijke tusseninstanties heen naar Gods eigen stern te luisteren. Ze verdringt God als partner uit de dialoog. Op zijn plaats gaat de extatische voorman staan, de met goddelijke autoriteit begiftigde ambtsdrager, de profeet of, zoals bij [ehova's Getuigen, de leiding van de organisatie. Zij verkondigen nu de leer, geven bevelen, brengen het heil over en garanderen het. Natuurlijk doen ze dat niet uit willekeur. Ze geloven, dat God hun volmacht gaf. Maar is deze pretentie niet een hevig zelfbedrog? Haar juistheid zou moeten blijken uit een ootmoedig luisteren naar God. Dit horen is echter eerst dan echt, als de hoorder zieh niet alleen maar eenzijdige bevestigingen van zijn eigen stand pu nt laat geven door God, maar zieh ook vragen laat stellen door God, meer nog: zichzelf discutabellaat stellen door Hem. En dat betekent, dat hij door Hem wordt opgejaagd, uit zijn vastheden weggesleurd wordt en zieh in al zijn posities onzeker voelt. Hier vinden we nu echter iets, dat men voortdurend kan opmerken: hoe meer de gloria sectae in de plaats komt van de gloria Dei, des te meer versterft dit echte horen, des te minder laat de sekte zieh in haar totale bestaan door God verontrusten. Ze verliest Hem als degene, die souverein tegenover haar staat. De polaire spanning verlamt. De levende dialoog houdt op. De pure sekte, zoals ze zieh b.v. in jehova's Getuigen of in de Hersteld - Apostolischen vertoont, draait alleen om haar eigen aso Hier nu voltrekt zich het gericht Gods. De theologia gloriae sectae sluit de genade van de ontmoeting met de levende God uit.
 


Hoofdstuk 4

THEOLOGIA POSSESSIONIS

De onteigening van Christus




De greep naar de genade en het afzweren van de theologia gloriae Dei hebben hun uitwerking op heeI het terrein van de Christelijke leer. Vooreerst treedt er een verkommering in op het gebied van de Christologie, die ernstige gevolgen heeft. Als de sekte ziehzeIf een toonaangevende functie in de bemiddeling en de verwerkelijking van het heil toekent, betekent dat een devaluatie van Christus als de enige middelaar en kan Hij zelfs wel helemaal gemist worden. Zodoende volgt op de onteigening van God ook een onteigening van Christus. Dat hoeft zieh nog wel niet direet te uiten in een volkomen looehening van zijn zending en zijn werk. Het kan ook plaats vinden door een accentverschuiving. Zo wordt bij de leer van de Pinkstergemeenten de tendens ziehtbaar, de christologie naar de achtergrond te verdringen door de pneumatologie. Veel sterker ontwikkeld is deze tendens bij de Hersteld-Apostolischen; voor hen is Christus in de grond van de zaak nog slechts belangrijk als degene, die eenmaal twaaf jongeren geroepen heeft en met volmacht bekleed en daarmee ook het fundament voor het nieuwe apostelambt gelegd heeft.

De Graalbeweging heeft Christus zijn waarde doen verliezen, door een nieuwe gelijkwaardige Heiland naast hem te zetten, de "mensenzoon" Abd-ru-shin, die bovendien door zijn moderniteit en een ho gere zending als de voortrekker van het eindgericht boven Christus uitsteekt. Evenzo heeft de Evangelisch- Johannelsehe Kerk Hem de "meester" Joseph Weissenherg toegevoegd. Voor de "Christelijke Gemeenschap Herder en Kudde" is Christus slechts een mens, die zieh door zijn ethische prestatie de inwoning van God waardig heeft gemaakt. Hij is niet de "eniggeboren zoon", maar slechts een figuur uit een ganse keten van gekwalificeerde mensen, die God als vaten van zijn incarnatie heeft gebruikt. En zijn betekenis beperkt zieh ertoe, dat Hij leraar van de goddelijke waarheid en voorbeeld voor de wandel der mensen is. Jehova's Getuigen beperken de functie van Christus tot de heerschappij in het toekomstige duizendjarige rijk. De Christian-Scientisten erkennen Hem nog slechts als de ontdekker van de "mentale genezing", de Kerk van het Godsrijk als de verkondiger en vervuller van de wet van het heelal. Verder niet.

En het kruis? De Christian-Scientisten kennen geen plaatsvervangend lijden en sterven van Christus; het kruis betekent niet, dat er in de toestand tussen God en mens iets verandert, maar alleen dat de werkelijke feiten, die voordien verborgen waren, nu onthuld worden: nl. dat de mens met God een is en dat hij "door waarheid, leven en liefde", zoals deze door Christian-Scientisten worden verstaan, de verlossing, d.w.z. de eenheid met God, bewerkstelligen kan. 23) De Christengemeenschap berooft Golgotha van zijn karakter van ontzettende en zondige botsing van de mensenwereId met God, door er een centrale acte van te maken in het proces van de doordringing van de kosmos met de genezende kracht van Christus; het bloed van de gekruisigde droppelt in de aarde en daarmee voltrekt zieh het mysterie van de kosmische verandering. Bij de Hersteld-Apostolischen zijn het kruis en de gestalte van de gekruisigde terechtgekomen in een bijzin van hun dogmatiek. In plaats daarvan staat allesbeheersend de triumferende zin: De Heilige Geest heeft opnieuw apostelen geroepen en met volmacht bekleedl Wel heeft Christus "met zijn bloed als on schuldig en onbevlekt lam de mensen uit dood en verderf gered" 24), maar het kruis is geen tastbare werkelijkheid meer, en Christus' zoendood zou vangeen enkel nut zijn, als niet de nieuwe apostelen de daaruit voortgekomen heilsgaven zouden uitdelen. De Nieuwe Kerk van Swedenborg viert de voorbeeIdige dapperheid en de solidariteit van de met ons mede-lijdende Christus, maar verzet zieh tegen de haars inziens door Paulus in zwang geraakte dwaalleer van de verlossingsdood. Ook de gemeenschap "Herder en Kudde" wil niets meer weten van het "voor ons" van de dood van Christus, maar waardeert GoI gotha alleen nog als voorbeeldige prestatie: "Het sterven aan het kruis op GoI gotha is de hoogste trap van gehoorzaamheid".") In de Evangelisch- johanneische Kerk staat het "grote heilige lijden" van joseph Weissenberg gelijkwaardig naast het kruis van Christus. Ook Weissenberg zou niet met vlees en bloed alleen te strijden hebben gehad, maar "met de overheden en machten, met de boze geesten in de hemelse gewesten" .26) De Graalboodschap noemt het kruis een symbool van het falen van Christus en is verontwaardigd over de priesters, die Hem, de weerloze, destijds uit louter boosheid en verdorvenheid hebben vermoord. De Mazdaznan-beweging laat, waarschijnlijk onder invloed van de Koran, [ezus aan het kruis slechts een schijndood sterven, waarvan Hij Zich nadien weer herstelde, en stelt voor de kruisiging enkel en alleen de joodse priesterkaste verantwoordelijk, die zieh door Jezus in haar machtspositie bedreigd zag. jehova's Getuigen spreken met een stereotype formule van het "los geld" , waarmee Christus voor de mensen een tweede kans zou hebben verworven om in het duizendjarig rijk nog eenmaal tot het leven teruggeroepen en bij gebleken gehoorzaamheid eeuwig levende burgers van het Koninknjk Gods te worden. Precies zo de Kerk van het Godsrijk. Evenzo de Mormonen, na ar wier mening Christus met zijn verlossingsdood aan de mensen een eerste stoot heeft gegeven, om vooruit te komen, door hen van de ballast van de erfzonde te bevrijden. Bij Perfectionisten en Pinkstergemeenten is wel veel sprake van het ;,bloed van Christus", en het wekt de schijn, alsof hier aan het kruis eenzelfde centrale plaats en betekenis wordt toegekend als in de reformatorische verkondiging, maar schijn bedriegt. Hier wordt nl, weer wat al te veel en al te gemakkelijk gesproken van het "bloed van Christus", waardoor men gereinigd wordt van zonden. Het wekt op zijn minst de verdenking, dat men niets meer weet of wil weten van het verbrijzelende gericht, dat op Golgotha werd voltrokken - aan alle mensen en ook aan het eigen godsdienstige bezit inclusief bekering en geestesdoop!

Concluderend kan men dus zeggen, dat de grondtrek, die kenmerkend is voor alle sektengemeenschappen, deze is, dat ze het kruisgebeuren devalueren. Sommigen loochenen het. Anderen ontkennen, dat het gebeuren op Golgotha een hand elen van God met de mens zou zijn. Weer anderen zijn van mening, dat men hier wel met een handelen van God te doen heeft, maar ze halveren het; ze laten alleen de tweede helft - het verlossings- en verzoeningswerk - gelden, gaan echter aan de eerste helft, de ontmaskering van de mens in zijn vijandschap tegenover God, achteloos voorbij en hebben daarmee het kruis van zijn scherpte ontdaan.

De theologia crucis van de reformatie


De devaluering van het kruis is niet toevallig. Ze komt hieruit voort, dat het sektarisch geloof het woord des kruises als een onverdragelijke ergenis moet ervaren. Want dit geloof is er op uit de mens een mogelijkheid tot beinvloeding of bewerkstelliging van het heil te verschaffen. Maar het woord des kruises verhindert iedere mogelijkheid van dien aard. Daarom moet het sekt arisch geloof de theologia crucis, het hart van de reformatorische verkondiging, verwerpen en vervangen door iets anders. Om de theologia crucis in haar contrast met de tendens van het sektarisch geloof te verduldeIijken, mo ge ik twee brieven citeren, die beide in verschrikkelijke ogenblikken werden geschreven. De eerste brief is afkomstig van ocn jonge Duitse soldaat in Stalingrad. Deze soldaat behoorde vroeger tot de Hitler- Jugend en was een vurig, overtuigd nationaal-socialist, De brief werd met de laatste postzak uit het omsingelde gebied verzonden en was dus een laatste schreeuw v66r de ondergang. Hij luidt aldus:

"Zo, nu weet je dus, dat ik niet meer terugkom. Vertel het voorzichtig aan onze ouders. Ik ben diep geschokt en twijfel hevig aan alles. Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik klein en ongelovig. Veel van wat zich hier afspeelt, zal ik niet ervaren, maar het weinige, dat ik meemaak, is al zo veel, dat lk het niet meer kan slikken. Mij kan men niet wijsmaken, dat de kameraden met het woord "Duitsland" of "Heil Hitler" op de lippen stierven. Er sterven er heel wat, dat kan niet ontkend worden, maar het laatste woord is voor moeder of voor de mens, die iemand het liefst is, of alleen maar een roepen om hulp. - De Führer heeft vast beloofd, ons hieruit te ontzetten, men heeft het ons voorgelezen en we geloofden dat ook beslist.
Ik geloof het op dit moment nog, omdat ik toch ergens aan moet geloven. Als dat niet waar is, waar moet ik dan nog wel aan geloven? Dan zou ik echt geen behoefte meer hebben aan de lente of aan de zomer of aan iets anders dat je nog plezier zou kunnen doen. Laat me dit geloof, lieve Greta, ik heb mijn hele leven of tenminste acht jaar daarvan altijd aan de Führer en zijn woord geloofd. Het is ontzettend, hoe ze hier aan 't twijfelen zijn, en beschamend om de woorden te horen, waar je niets tegen in kunt brengen, want de feiten spreken voor ze. - Als het niet waar is, wat men ons beloofde, zal Duitsland verloren zijn, want in dat geval kan niemand meer zijn woord houden. 0, die twijfel, die afschuwelijke twijfel, als die toch maar gauw voorbij mag zijn!"

Over het verdere lot van deze jonge man is niets bekend. Niemand weet, hoe hij leed en stierf. Zijn mond is verstomd, zijn lichaam allang vergaan. Maar dit is zeker: Zijn vertwijfelde vraag heeft een antwoord gevonden - het bestond in een verschrikkelijk .mee". Misschien heeft hij in zijn sterven nog vervloekt, wat hij een leven lang aangebeden had. In deze vlammenzee van die grote catastrophe is zijn geloof, zijn begeestering, zijn wereldbeschouwing, het hele bouwwerk van zijn innerlijk bezit gebarsten en tot stof geworden. Niets is hem gebleven. Niets - alles uit - punt!

Ook Golgotha is zo'n innerlijk Stalingrad voor de mens - ook voor de gelovige, vrome mens en zijn bestaan voor God. Golgotha is aanklacht en gericht Gods, meedogenloze ontmaskering van de mens, van zijn motieven, zijn zogenaamde vrome verworvenheden, zijn strevingen en prestaties. Want daar herkent hij zichzelf en wordt herkend als iemand, die aan de terechtstelling van de Zoon meedeed, medeschuldig is - een moordenaar, die de Zoon niet verdraagt en Hem daarom uit zijn midden uitstoot en die da armee zichzelf ontmaskert als een oproerling tegen God tot op de bodem van zijn wezen. Paul Gerhardt heeft het in eenvoudige woorden aldus gezegd: "Was ist die Ursach aller solcher Plagen? Ach, meine Sünden haben dich geschlagen; Ach, ich, Herr jesu, ich hab dies verschuldet, was du erduldet."

Daarom is Golgotha de radicale omverwerping van de mens, juist van de vrome mens, en de radicale vernietiging van zijn vermeend bezit en van zijn trots als bezitter. Hij kan op geen enkele creditpost bogen. Hij is een kaIe armoedzaaier, een miserabele bedelaar voor Gods aangezicht. En hij blijft een bedelaar, zijn leven lang, een ontmaskerde en geoordeelde. Dat geldt voor de enkeling, maar dat geldt evenzeer voor de gehele christelijke ge me ente en de kerk. Dat geldt in elke situatie en op ieder tijdstip.

Nu is dat echter niet het enige en het laatste antwoord van het kruis, Midden uit de rook en het stof van die innerlijke Stalingradcatastrophe klinkt een andere stem. Het is een jawoord. Het is het "ja" van de Zieh ontfermende God tot de vuile veroordeelde bedelaar - het "ja" van de vergeving, van de rechtvaardiging. De bedelaar heeft het niet verdiend, het niet door werken verkregen, het niet door de ene of andere eigen waardigheid teweeggebracht en mogelijk gema akt. Het is een grondeloos, wonderlijk, ongelofelijk "ja", temidden van de puinhoop. Maar het wil, hoe ongelofelijk het ook is, ernstig genomen worden. Het moet ernstig genomen worden. Want het is Gods "ja". En God la at niet met Zieh spotten! Van de mens, die op de plaats van het gericht, van de dood en van het "nee" staat, wordt gevraagd, dat hij tegelijkertijd op de plaats van het "ja", van de gerechtigheid en het kindschap gaat staan. Tegen zijn geweten in! Tegen alle aanvechtingen en moedeloosheden in, alleen in roekeloos, vermetel geloof aan de ongelofelijke toezegging van die stem. "lle geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp!"

En hier mo ge nu een citaat uit de tweede brief volgen. Het is een afspiegeling van deze tweede situatie van de mens, die het "ja" van Golgotha heeft vernomen en nu tegen zijn eigen ongeloof in ge- 100ft. De brief is afkomstig van Graaf Helmuth von Moltke, die behoorde tot de tegen Hitlet gerichte zgn. Kreisauer Kring en op de lOe januari 1945 tot de dood aan de galg veroordeeld en de 23e januari d.o.v. terechtgesteld werd. Op de dag, dat hij het doodvonnis ontving, schreef hij aan zijn jonge vrouw:

"Mijn lieve hart, in de eerste plaats moet ik zeggen, dat de laatste vierentwintig uren van mijn leven kennelijk niet anders zijn dan welke andere ook. Ik had me steeds ingebeeld, dat je het werkelijk als een enorme schrik ondergaan zou, als je te gen jezelf zou moeten zeggen: nu gaat de zon voor de laatste keer voor je onder, nu ga at de klok nog maar twee keer tot twaalf, nu ga je voor de laatste keer na ar bed. Van dat alles is geen sprake. Of ik misschien wat geexal- teerd ben? Ik kan inderdaad niet ontkennen, dat ik me in een uitgesproken verheven stemming bevind. Ik bid slechts de Heer in de hemel, dat Hij mij hierin mo ge houden, want voor het vlees is het zeker gemakkelijker, om zo te sterven. Hoe genadig is de Heer mij geweest! Zelfs op gevaar af, dat dit hysterisch klinkt: Ik ben vol dank, eigenlijk is er voor niets anders meer plaats. Hij heeft mij die twee dagen zo vast en duidelijk geleid : Al had ook de hele zaal gebruld zoals de heer Freisler, en al hadden alle muren gewankeld, het zou me volstrekt niets gedaan hebben ; het was waarschijnlijk zo, zoals het in Jes. 43, 2 staat: "Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteerd worden en zal de vlam u niet verbranden." - Je ziel namelijk. Toen ik opgeroepen werd voor een laatste woord, was het me zo te moede, dat ik bijna gezegd had: Ik heb slechts een ding tot mijn verdediging aan te voeren:

Al rooft g'ons al ons goed, vrouw, kind en eer en bloed, ontneem 't ans alles vrij! Gij wint er toch niets bij: het Rijk blijft ons behouden!"

Hier hebben we de andere kant van de reformatorische vroomheid: de koninklijke vrijheid en geborgenheid, die wortelt in het "ja" van God. Dit staat vlak naast, zo niet midden in die vertwijfeling van de bedelaar in het gericht. De soldaat uit Stalingrad schreef: "Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik klein en ongelovig." De voor de galg staande graaf Moltke schreef: "lk geloof te weten, dat ik nu uit Gods genade en vergeving leef en niets uit me zelf heb of vermag." En hij jubelt: "God verleent mij de onuitsprekelijke genade, naar mij toe te komen en Zieh met mij te bemoeien." Beide, de vertwijfeling van de verbrijzelde mens en de jubel van de begenadigde, zijn geen eigen emoties van de ziel, maar reflexen van een handelen, dat van God uit aan haar geschiedt. Daarin weerkaatsen zijn beslissingen. En de jubel van de verloste is met de twijfel van de geoordeelde verbonden door het: "lk geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp." De bedelaar heeft de sprong in de afgrond gedaan - sola fide - en de hand van God heeft hem opgevangen. Nu is hij iemand, die vastgehouden wordt in een lege mimte en boven de afgrond van de hel. Hij leeft alleen uit genade. Die genade tilt hem nu over de afgrond heen, zodat hij daar aan de overzijde weer vaste bodem onder de voeten krijgt en zich voorgoed veilig kan voelen, maar houdt hem boven de afgrond. Hij Ieeft siechts door de genade. Er is niet een na-elkaar: eerst het gericht en dan de vergeving, eerst de vertwijfeling en dan de uitredding - maar alleen een gelijktijdigheid: simul iustus et peccator.

Aan dit in-elkaar en de daaruit voortkomende innerlijke situaties van de gelovige heeft Jochen Klepper in zijn dagboeken 27) op een prachtige wijze uiting gegeven, als hij daarin motiveert, waarom een Protestantse poezie vrijwel onmogelijk is: "Ze kan van vergeving en genade als haar hoofdinhoud niets verteIlen, omdat ze, met elk van haar woorden, de aanspraak op genade en vergeving behoeft. Ze is, scherp uitgedrukt, een artistieke zelfmoord, constant uitgevoerd en doorgezet. Ze heeft plaats onder boetedoening, zonder van boete te kunnen spreken, Ze is een lofprijzing Gods, waarvoor men Gods vergeving nodig heeft. Ze staat volledig aan de kant van de zonde, van de onvrede, van de schuld en van het kwaad, is "lijden van deze tijd" en beslist niet de .Jieerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden". Ze is niet een schrede naar God toe, maar van God vandaan: leugen, ijdelheid, voorbarigheid, oppervlakkigheid, mooipraterij, dialeetick. Weliswaar kan God maken, dat Hij vanuit deze warboel van leugen en ijdelheid spreekt: maar dcgene, die deze warboel schrijft, zal nooit ook maar kunnen vermocden, wanne er God daartoe zo'n dichtwerk gebruiken wil."

De gelovige komt nooit on der de stand van de rechtvaardiging uit. Hij is altijd tegelijk de zondaar en de door God vrijgesprokene, rlo rebel en de door Christus verzoende. Luther vergelijkt hem met do bedelaar, aan wie een rijk heer bij testament duizend goudstukkon vermaakt heeft. Andere lieden wijzen op het vuil en de vodden vnn de bedelaar en zeggen hem in zijn gezicht: je bent niet waard, dat je dit kapitaal ontvangt! Hij echter begint te pochen: "Wat gaat dit jullie aan? Ik weet, dat ik onwaardig ben. Wat ik echter wil hebben, wil ik hebben krachtens het recht van het testament." En dezo situatie van de begenadigde bedelaar, met zijn trots vertrouwen

" zijn vermetel geloof in het aanbod van Gods genade, groeit nu uit tot een rijk geloofsleven, tot de "vruchten des geestes", onder welke de liefde en de deemoed aan de spits staan.


Nederzettingen bezijden het kruis


Alle sekten, hoe geschakeerd ze ook zijn, hebben een gemeenschappelijk kenmerk: Er bestaat namelijk geen enkele sekte, welker oorsprong als een Stalingrad van de ziel in de buurt van het kruis ligt. Laat ons de motieven, die tot het ontstaan van de afzonderlijke sekten geleid hebben, wat nader bezien: De Adventisten wilden met het oog op de spoedig te verwachten parousie de zekerheid hebben, dat zij van het gericht verschoond bleven. Bij Russell, de stichter van de "Vereniging van Ernstige Bijbelonderzoekers", was het de angst voor de eeuwige hellestraf, die voor hem aanleiding werd, de Schrift zo uit te leggen, dat deze grondig geelimineerd werd. Bij Alexander Freytag, de stichter van de "Kerk van het Godsrijk", was het het hevig verlangen na ar een leven, dat door de dood niet meer bedreigd zou zijn. Bij de Hersteld-Apostolischen was het verlangen naar een nu tegenwoordige, ziehtbare middelaar beslissend voor de ontwikkeling van hun ambten en hun derde sacrament. Bij de Christengemeenschap was het de drang van enige theologen, die door Steiners anthroposophie geboeid waren, naar een diepere kennis en een rijker, uit de anthroposophische kijk op de wereld opkomend sacramentalisme. Bij de Perfectionisten en Pinkstergemeenschappen was het de drang, uit de stand van de rechtvaardiging-zonder-meer en daarmee uit de zöne van de aanvechting weg te komen en met de bekering en de geloofsdoop of geestesdoop "het volle heil" te bereiken. Bij [oseph Smith, de profeet van de Mormonen, was het de radeloosheid ten aanzien van de veelheid van denominaties, bij Mary Baker Eddy de afwijzing van de in haar congregationalistische kerk verkondigde leer van de dubbele praedestinatie.

Dat zijn motieven van zeer uiteenlopende aard. Ze zouden, hoe ze er ook uitzagen, het uitgangspunt hebben kunnen vormen voor een weg naar binnen, die uitloopt op de theologia crucis, om daar antwoord en vervulling te vinden. Maar deze weg heeft de sekte zelf versperd. Het grondbeginsel van haar godsdienstig denken en streven laat niet toe, dat de mens zichzelf onbeschut uitlevert aan God en de sprong in de afgrond waagt sola fide. Ze heeft een andere weg ingeslagen. Die staat in het. teken van de eigen godsdienstige initiatieven tot zekerstelling van het heil, en wijst heen naar het storm- vrije terrein, de sehuilplaats, die door de oordeelsboodschap van het kruis niet meer getroffen wordt. Deze weg omvat tweeerlei:

1. Er wordt een geleidelijke afbraak van de theologia erucis ondernomen. Golgotha mag niet meer de totale en radicale bedreiging van de mens in zijn bestaan voor God betekenen. Er moet een ruimte gevonden worden, waar de mens zieh kan vestigen, zonder getroffen te worden door het kruis. De afbraak van de theologia crucis gesehiedt op velerlei wijze. B.v. zo, dat men Golgotha beperkt tot een heilshistoriseh feit uit het verleden, waarvan men nu nog wel de vruchten plukt, maar dat beslist niet meer een gebeuren kan zijn, dat zieh uitstrekt tot hier en nu en tot ieder mens. Of zo, dat men de spanning uit het simul iustus et peccator wegneemt, door deze zuiver more el te verstaan en niet meer te zien als het gebied, waarop de mens voortdurend voor God zijn zekerheid kwijtraakt. Of zo, dat men het kruis beschouwt als een stadium, dat men wel passeert om het een en ander mee te nemen, maar dat in de grond der zaak toch niet anders is dan een doorgang naar een volgend, hoger stadium. Of zo, dat men het gebeuren op Golgotha weghaalt uit de categorie van schuld en gericht en het tot een kosmisch mysteriedrama neutraliseert.

Nergens is hier het kruis meer de plaats, waar de kennis van de totale verlorenheid de mens overvalt en hij zieh tot in de laatste schuilhoeken van zijn ziel door God ontmaskerd ziet. Daarom loopt aan de geleidelijke afbraak van de theologia crucis parallel een dergolijke afbraak van het bijbels getuigenis aangaande de zonde. De verkorring van dit getuigenis is overal merkbaar, alleen de mate waarin verschilt. Perfeetionisten en Pinkstergemeenten spreken van rlc re öle mogelijkheid van een "overwinning over de zonde" of zelfs van de zondeloosheid als van een nieuwe bestaansvorm van de gelovlgc. Hoezeer ze daarbij ook met hun leer van bekering en wedergoboorte argumenteren, ze miskennen, dat de zondigheid de grondI rok van het menselijke wezen vormt. Tekent zieh reeds bij hen het moralistische misverstand van de zonde af, dit wordt volkomen duidolijk bij de Hersteld-Apostolischen en de Mormonen of in de leer vnn Swedenborg en die van Lorber. Bij jehova's Getuigen wordt de zonde beperkt tot het verzet tegen de door Jehova geautoriseerde : 1'1 ieocra tische Organisatie en haar geboden. De "Kerk van het Godsrijk" verstaat onder "zonde" alleen de door egoistische motieven bepaalde handelingen. Qe Christengemeenschap spreekt met voorliefde over zonde als "ziekte" en bedoelt daarmee een terugval van het geestelijke en de sIavernij van het stoffelijke. De ChristianScientisten delen de zonde samen met ziekte en dood in bij de groep van de menselijke "inbeelding". Overal wordt hier het bijbels getuigenis van de zonde vervlakt of veranderd. In dit bijbels getuigenis echter komt de innerlijke bedreigdheid van de mens tot uitdrukking. Hoe meer die diepte en de macht van de zondigheid wordt vervlakt, des te meer wordt deze bedreigdheid gebagatelliseerd. Ze wordt zo gebagatelliseerd, dat ze tenslotte de theologia crucis in het geheel niet meer nodig heeft - ze kan ook op andere wijze overwonnen worden.

2. Door de verkorting van het bijbels getuigenis van de zonde en de ontlediging van het woord des kruises wordt nu een afgeschermde ruimte verkregen, waarbinnen men een eigen godsdienstig gebouw kan optrekken, dat men voorzien kan van krachten en volmachten, die het heil verzekeren. Tegenover de bijbels-reformatorisehe theologia crucis stelt men nu een theologia possessionis. Dat is de hartkamer, waarin het geloofsleven van de sekte slaat. De substantie van de theologia possessionis wordt gevormd door haar zgn. speciale leer. In deze speciale leer komt ook het kruis wel voor. Maar ze staat niet meer onder het gericht van het kruis, Ze heeft het alleen op een of andere manier "verwelkt". Ze gebruikt het nog slechts als "middel" in het proces, dat het heil moet waarborgen. Maar in geen geval mag Golgotha dat "Stalingrad" zijn, waarin samen met alle godsdienstige strevingen, ook de erediensten, ambten, sacramenten, ervaringen en autoriteiten van de sekte als ondernemingen van de menselijke, zondige creatuur wegvallen. Dit is het neuralgische punt van de sekten: deze gedachte kunnen ze niet aanvaarden! Ze moeten haar ruwweg terugwijzen. Want daarmee zou hun bestaan aan het wankelen gebracht worden. Ze moeten een "bezit" hebben, dat niet on der de schaduw van het kruis valt, dat niet aangevochten wordt, maar volkomen zeker en voor God geldig is. En juist dit bezit maakt het hun mogelijk, langs het kruis heen te gaan. Het geeft hun de mogelijkheid uit eigen volmacht het heil te bewerkstelligen en zichzelf in het werk van Gods genade in te schakelen. Dit is het, wat aan de gelovigen dekking, bescherming en de garantie van het heil verschaft.

Daarom staat dit bezit in het middelpunt van de leer van de sekte.

Ze maakt het tot fundament van haar theologie. Het is bij iedere sekte weer anders. Het bestaat bij de Pinkstergemeenten in de leer van de ervaarbaarheid en grijpbaarheid van de Heilige Geest in de geestesdoop; bij de Perfectionisten in de handeling van de bekering, die bij hen als een plotselinge doorbraak naar het heil beleefd wordt; bij de Hersteld-Apostolischen in de leer van de volmachten van het opnieuw ingestelde apostelambt; bij de Adventisten in de drievoudige engelboodschap; bij jehova's Getuigen in de goddelijke autorisatie van de Theocratische Organisatie als orgaan van de heilsgeschiedenis; bij de Kerk van het Godsrijk in de leer van de wet van het heelal; bij de Christian Scientisten in de leer van de ilIusies en de mentale genezing; bij de Christengemeenschap in de mysterienleer en het daarop gebaseerde sacramentalisme; bij de Evangelisch- [ohanne~sche Kerk, de Graalbeweging, Peace Mission e.a. in de proclamatie van de vleeswording van de godheid in hun stichters. Een overzicht over de diverse sekten toont aan, dat zo ongeveer alles zich tot voorwerp van een theologia possessionis laat maken: van die perfecte gehoorzaamheid aan de letter af, die de Schrift van een goddelijk dynamiet tot een verzameling wetsparagraphen maakt en er zieh op boroemt, deze paragraphen in alle opzichten pijnlijk nauwgezet op lu volgen (Campbellieten), tot de plek toe, waarvan de Mormonen in Independance beweren, dat die hun bij openbaring is aangewezen voor het bouwen van de tempel, en uit welks bezit de afgescheiden 'hurch of Christ, Temple Lot, haar legitimiteit afleidt.

Do elementen van de theologia possessionis worden verabsoluteed en treden in de plaats van de theologia crucis. Dat betekent een volkernen verschuiving van de structuur van de dogmatiek. De sekte heeft een ander coördinatiesysteem dan de kerk. Het nulpunt, waarop bij haar de X- en de Y-as elkaar kruisen, is niet meer het kruis Christus, maar haar eigen bezit. Daarom hebben dezelfde begrippen bij de sekte een andere betekenis en een andere rangorde dan in de kerk. Daarom is ook een wederzijds verstaan en een geprek over en weer zo moeilijk, vaak zelfs onmogelijk.

Naar de mens gesproken, hebben de sekten het zonder theologia crucis gemakkelijker, En ze kunnen met hun theologia possessionis de ander geweldig overtroeven en doen dat dan ook, Maar anderzijds treft hen ook het noodlot, dat aan een ontwijken of een ontlediging van het kruis inhaerent is. Waarin dat. bestaat? Allereerst hierin, dat de bodschap van het kruis haar innerlijke draagkracht voor hen verliest. Ze heeft die draagkracht alleen daar, waar ze in haar dubbelpoligheid als het van Godswege door Christus volbrachte, tot factum geworden woord van gericht en verzoening gehoord en geloofd wordt en waar dit woord niet als een museumstuk uit het verleden door een ander woord van de een of andere nieuwlichterij verdrongen of in de schaduw gesteld wordt, maar als actuele tegenwoordigheid hier en nu de mens in zijn bestaan raakt. Waar echter de ene pool, het woord van het gericht, buiten zieht raakt, wordt ook de andere pool, het woord der verzoening, beroofd van zijn innerlijke kracht. Het kruis kan nu niet meer het door God gelegde fundament van de zekerheid des heils zijn. Des te meer wordt de sektarische vroomheid genoodzaakt, op andere fundamenten te gaan steunen. Ze wordt gedwongen de vlucht uit het machtsgebied van het kruis naar het terrein van de theologia possessionis te bevorderen. Maar kan het nieuwe fundament het achtergelatene vervangen?

Deze vlucht is ook hierom zo noodlottig, omdat de aanhangers van de sekte zieh daarmee beroven van de genade, door God verbrijzeld en weer opgericht te worden. Ze moeten ongebroken men- . sen blijven. Hun bedreigt de enorme verzoeking zieh boven anderen verheven te voelen, zeker, zelfbewust en star. Hoeveel sektariörs zijn helaas bezweken aan het gevaar alles te veroordelen en te verdoemen, wat niet hun theologia possessionis huldigt. De vrome superbia triumpheert.

Verder zullen we in dit hoofdstuk niet gaan. Het is niet de bedoeling een lastercatalogus van het sektewezen op te stellen. De kerk heeft geen reden zieh eigengerechtig te gedragen. Maar deze aanduidingen waren nodig, omdat het om verschijnselen gaat, die typerend zijn voor de sektegeest. En ze zijn typerend, omdat hier een relatie blijkt te bestaan - en wel een relatie, die een oordeel inhoudt - tot haar theologia possessionis.



Hoofdstuk 5

DE VERABSOLUTERING VAN DE SEKTEGEMEENSCHAP

Kerk als gemeenschap van zondige heiligen



Het is vooral op het terrein van de ecclesiologie, dat de beide grondlijnen van de reformatorische en van de sektarische theologie hevig met elkaar slaags raken,

Wat is "kerk" naar reformatorisch in zicht? Het is niet nodig, hier deze veelomvattende vraag naar alle kanten te onderzoeken. Het is voor ons doel voldoende, als we enige beslissende punten naar voren haIen.

Ten eerste: De kerk is geen mensenwerk. "Kerk" is volgens Luther däär, waar het evangelie zuiver gepredikt wordt en de sacramenten naar de inzettingen van Christus bediend worden. Evangelie en saeramenten als zodanig zijn woord en werk van God. De mens heeft er niet over te beschikken. Ze vertegenwoordigen de majesteit Gods. Dat komt hierin tot uiting, dat de mens het evangolie niet naar eigen behoefte of goeddunken mag of kan verandercn, maar slechts de mogelijkheid heeft, het te "verkondigen", d.w.z. het verder te verteIlen; dat hij als prediker sleehts werktuig, niet heer van het evangelie kan zijn; dat het verkondigde evangelie oigenmaehtig werkt en dat het geen verdienste van de prediker, maar het werk van de Heilige Geest is, als de verkondiging geloof wokt.

"Kerk" is allereerst daar, waar het evangelie verkondigd wordt. •• Verkondigen" betekent: het evangelie treedt de wereld der mensen binnen. En daarmee schept het zich de kerk. De kerk is dus geen stichting van mensen, maar uitsluitend een schepping van het Woord Gods. De kerk ontstaat in de ruimte, waarbinnen het Woord Gods en de mensen elkaar ontmoeten. Deze ontmoeting is vol dramatiek en heeft een veelvoudige uitwerking. Het evangelie gelijkt op het zaad, dat op vruchtbare grond, op steenachtige bodem en tussen de doorns valt. De ruimte van de ontmoeting van evangelie en mens wordt tot een strijdperk. Het evangelie dringt zieh in mensenharten binnen en overwint ze. Anderen sluiten zich toe in onverschilligheid of verharding. Weer anderen wank elen tussen twijfel en geloof. Krachten uit de diepte worden wakker en afgronden worden gemobiliseerd, als het Woord Gods tot de mens spreekt. Overwinning en nederlaag, doorbraak en terugval vindt men in de ruimte der kerk, Daarom kan men over haar in haar aardse historische bestaan alleen maar dialectisch spreken: ze is tegelijk kerk en niet-kerk, is altijd kerk in wording. Haar geschiedenis kent afdwalingen en verduisteringen van de waarheid. Geworpen in de branding van het tijdsgebeuren met al zijn machtige verleidingen, is ze niet onkwetsbaar, als ware ze een door rotsen omgeven eiland in de oceaan. Voortdurend bedreigt haar het gevaar, de ergernis van haar boodschap achterwege te laten, om zodoende de welwillendheid van de machthebbers, de bijval van de massa's, de instemming van politieke en ideologische bewegingen of ten minste het door hen geduld worden te winnen. En God verhoedt deze dwaalwegen niet! Hij gaat met de kerk niet om als met zijn oogappel. Hij waagt alles met haar. Ze moet wegen van knechtschap gaan. Ze moet ondervinden, wat het betekent, dat daar, waar het Woord van God gepredikt wordt, ook de macht van de satan in haar ganse omvang zieh verheft. Ze moet perioden van steriliteit, van een innerlijlee ban, en van geesteIijke onmacht doormaken, waarin het levende Woord zieh binnen de kringen van de "stillen in den lande" terugtrekt, terwijl op kansels en leerstoelen een dood en leeg woord verkondigd wordt. Ze heeft te lijden van de strijd van scholen en richtingen, die haar gerneenschap dreigt te verscheuren. Haar wegen door de geschiedenis zijn kromme wegen, omzoomd door vernederende smaad. En het is niet 's mensen verdienste, maar een wonder Gods, als ze niet in de afgrond der geschiedenis te pletter valt of in het moeras verzinkt, maar haar weg ondanks alles ook een weg van zegen is, Als het Woord van God de mensenwereId binnentreedt, levert het zieh ook uit aan mensenhanden. En deze handen zijn onheilige handen. Maar zoals de Zoon ter wille van de liefde een knechts gestalte aannam, zo ontledigt Zich ook God met zijn W oord en levert het uit aan de mensen. En zo herhaalt zieh a.h.w. het lijden van Christus. De kerk biedt dus niet bepaald een triomfantelijke aanblik. Haar geschiedenis is er een vol kwalen en wonden. Ze kan dit lot niet ontlopen. Ze kan zichzelf niet afdoende beschermen. Ook al tracht ze de haar toevertrouwde schat door een uitgebreide, machtige hierarchie en door de proclamatie van een onfeilbaar hoogste leergezag te behoeden en verleent ze aan haar hoofd de volmachten van plaatsvervanger van Christus - dan nog bezit ze da armee geen garantie tegen dwalingen en ontaarding. God heeft haar niet toegestaan, van zichzelf uit zulke garanties te kunnen ontwikkelen. Want ze is dienstknecht van God. En de knecht is niets uit zichzelf. De kerk als menselijk maaksel dwaalt. Ze zondigt. Ze misbruikt, verminkt en vermengt het Woord. Of er dan geen zelfbescherming mogelijk is tegen zulke bedreigingen? Nee. Maar de Heer wil het doen. Hij stoort, verontrust, reinigt. Hij doet ontwaken uit traagheid en zet zijn waarheid door tegen vervalsing in. Hij staat dit ambt niet af aan enige kerkelijke instantie of autoriteit. Hij wil het zelf waarnemen, opdat duidelijk worde, dat Hij de Heer en de kerk zijn schepping is,

De kerk is dus het slagveld, waarop God souverein zijn zaak leidt en zelfs nog de menselijke leugen dwingt om zijn waarheid te heerlijker te doen uitkomen (Rom. 3, 7). De kerk is steeds ecclesia militans - "militans" niet in de eerste plaats aan een uitwendig front tegen ongelovigen, maar v66r alles aan een inwendig front - in de gemeente der gelovigen, die zowel in haar gehe el als in de leden afzonderlijk strijdgebied tussen Gods aanspraken en menselijke eigenzinnigheid is, slechts door de sola gratia het leven houdt en dagelijks de rechtvaardiging behoeft.

Als deze gerne ente tegelijkertijd de gemeenschap der heiligen genoemd wordt, is dat niet omdat de gelovigen uit zichzelf heiligen zouden zijn geworden, maar omdat ze onder het kruis staan en hier - theologia crucis! - uit de dwaling tot de waarheid worden geroepen, hun eigengemaakte of gehuichelde bezit kwijtraken, als arm- zalige bedelaars door God aangenomen, door zijn vergeving gereinigd en door zijn "ja" geheiligd worden. Dus is de kerk een gemeenschap oan zorulige heiligen. Haar leden zijn zondaren en geoordeelden en tegelijk door God gerechtvaardigden en geheiligden. De kerk vertoont zieh in knechtsgestalte. Maar omdat het subject van de ecclesia militans het evangelie en daarmee de Heilige Geest is en Gods majesteit dus in haar werkt, daarom wordt temidden van zondaren en geoordeelden ook de ecclesia triumph ans werkelijkheid, de zegepraal van het evangelie over de tegenspraak des harten, de doorbraak door de muur van superbia naar de deemoedige geloofsgehoorzaamheid en de liefde.

Deze triomfen zijn geen vruchten van menselijk-vrorne strevingen, maar werken van God. Het zijn gebeurtenissen, waarin God Zich doet kennen als de Heer en overwinnaar over de boosheid en traagheid der harten. Daarom is het ook uitgesloten, dat mensen die kunnen afdwingen of conserveren. Ze kunnen niet statistisch worden vastgelegd - want ze vinden plaats in het verborgene - en evenmin organisatorisch naar zieh toegehaald - want ze komen vanuit een ho gere dimensie. De ziehtbare kerk met haar orde, haar ambten en regels heeft geen zeggenschap over deze gebeurtenissen. Zij is er verantwoordelijk voor, dat het evangelie klaar en zuiver verkondigd wordt en dat de sacramenten overeenkomstig hun instelling bediend worden. Ze is daarin met al haar organen het werktuig van de Heer. Ze zaait en plant en begiet, maar of het woord kiemt en groeit en vrucht draagt, is haar niet in handen gegeven. Dat staat alleen in de macht van de Heer. Tot in het verborgene van het hart kan ze niet zien. Het is haar ontzegd de gemeente der waarlijk gelovigen te vormen. Ze moet het dulden, dat in deze aeon tarwe en onkruid dooreengemengd zijn.

De ziehtbare kerk draagt dus de meest uiteenlopende trekken van nederigheid: ze is overgeleverd aan verleiding en dwaling, ze kan slechts werktuig en niet sou vereine draagster van een geestelijke macht zijn. Ze kan de ongelovigen niet uitsorteren en de ware gemeente van Jezus representeren. En ze houdt haar eigen bestaansrecht slechts in zoverre en zo lang, als ze kerk on der het kruis is en zichzelf voortdurend door de theologia crucis ter verantwoording la at roepen.

Een kerk van dit karakter biedt naar buiten veel aanvalspunten.

En die worden dan ook door de sekten al naar hun krachten bestormd. De sektarische ecclesiologie ontspruit rechtlijnig aan de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis. De sekte heeft invloed op het heil of zelfs de sleutel daartoe. Wie zieh bij haar aansluit en haar leer en geboden gehoorzaamt, is een geredde. De sektegemeenschap is identiek met de heilsgemeenschap.

Als zodanig kan de sekte veel voor zieh doen gelden, wat haar pretentie geloofwaardig maakt en haar voordelig tegen de kerk doet afsteken. B.v. dat ze klein in aantal is. Is dus niet op haar van toepassing, wat in het Nieuwe Testament staat, dat velen geroepen, maar weinigen uitverkoren zijn? Hoe zou de massa-kerk met haar miljoenen willen beweren, de "kleine kudde" te zijn? Of: In haar rijen vindt men bijna uitsluitend bewust- en beslist-gelovigen. De kerk echter wemelt van lauwen en onverschilligen, Springt het dus niet duidelijk in het oog, dat hier de uitverkoren ge me ente en bij de kerk de grote hoop is? Of: De sekten maken het hun leden niet gemakkeliik. Veelal moeten zij zieh aan een volwassendoop of wederdoop onderwerpen en daarbij openlijk belijdenis afleggen. Ze mceten de tienden betalen, en er worden ook verder allerlei offers van hen verwacht. Ze moeten zieh onthouden van wereldse genoegens, er wordt dikwijls streng op hen geIet in hun priveleven, ze worden opgeroepen om allerhande dienstverrichtingen in de gemeenschap en vooral voor de werving, die zware eisen steIt. Daarbij komen dan de velerlei moeilijkheden, die ze in de maatsehappij ontmoeten: afwijzing in de familiekring, plagc:rijen onder vrienden en kennissen, achteruitzetting, b.v. bij de Adventisten wegens de sabbatsviering, kortom de hele isolering, welke iemand treft die bij een sekte hoort. En desondanks blijven ze trouw en brengen vaak werkelijk heldhaftige offers voor hun zaak!

Hoe is het daaren tegen in de kerk? Wat daar opvalt is de geestelijke lauwheid van haar gemeenten, het vervlochten zijn met staat en maatschappij, de verburgerlijking en verwereldlijking. De kerk riskeert het in vele gevallen niet eens op de vrijwillige offers van haar leden te steunen, maar laat zieh uitbetalen door de staat. Ze verstrikt zieh in wereldse zaken, streeft na ar publieke posities, begeeft zieh in het gevaar van horigheid tegenover honderden belangen. Ze verlangt van haar leden geen beslissing, maar neemt hun ongevraagd door de kinderdoop op en neemt ook voor later genoegen met een minimum aan eisen. Haar predikanten zijn bezoldigde ambtsdragers met burgerlijk voorkomen en pensioenrechten. En bij hoevelen ontbreekt de geestelijke voorwaarde vom hun beroep!

Nog dieper graaft de critiek van de sekten, Men spreekt van een ontrouw van de kerk aan de waarheid en de opdracht van Christus. Deze ontrouw wordt verschillend verklaard en gedateerd. De Perfectionistische "Gemeellte Gods" (Anders on) ziet die in de confessionele opsplitsing van de oer-Christelijke gemeenschap door menseIijke wetten en belijdenissen; de Perfectionistische "Gemeenten van Christus" (Thomas Camp bell) in de vervanging van de Nieuwtestamentische ordeningen VOOI godsdienstoefening en gemeente door eigenmachtige inzettingen zoals kerstfeest, bevestiging, instrumentale muziek en bovengemeentelijke organisatievormen; de Adventsgemeenschap in de overgang naar de Zondagviering; de Mormonenkerle in de afschaffing van de Nieuwtestamentische ambten met hun volmachten en in allerlei dwaalleer zoals praedestinatie, afsluiting van de openbaringswerkzaamheid met Christus en transsubstantiatie. Vaak wordt in het verbond van kerk en staat sedert Constantijn de voornaamste bron van het geestelijk verval gezien. Eenstemmig wordt het pausdom veroordeeld, maar aan de reformatie verweten, dat ze halverwege is blijven staan en harerzijds tot letterknechterij en tot de instelling van staatskerken is vervallen en met de rechtvaardigingsleer het heiligingsgebod uit de weg is ge ga an of het gebagatelliseerd heeft.

De kerken hebben zichzelf van de "vooruitgang in de ontwikkeling van de mensheid" afgesloten en zijn op een vroegere trap blijyen staan, zegt de Christengemeenschap. Evenzo de groep van Lorber: "De kerken zijn sedert de tweede en derde eeuw retrospectief geworden" en Houden zieh bezig met oude, reeds lang achterhaaIde ontwikkelingsnormen uit het bijbelse tijdperk, die voor het hedendaagse leven absoluut niet meer bruikbaar zijn en die alleen daarom reeds zowel wereldvreemd, alsook volslagen ongeschikt zijn om de mensheid werkelijk te leiden." 28)

Weer anderen becritiseren een tegenovergestelde houding van de kerk, nl. dat ze een theologisch liberalisme huldigt en da armee de inhoud van de Schrift losweekt en ondermijnt. "In beroemde kerken loochenen duizenden kanselredenaars de maagdelijke geboorte, de Godheid van Christus, Zijn lichamelijke opstanding uit de doden en de in de Heilige Schrift opgetekende wonderen. Een groot percentage predikers van onze tijd zijn evolutionisten, en nog meer predikers zijn modernisten." "Hoe moeten Gods kinderen zieh houden tegenover dit gevaar? Paulus riep: Wendt u af van dezulkenI" 29) Verder verwijt men de kerk, dat ze in de eisen, die ze aan de gelovigen stelt, veel te ruimhartig is geworden; haar prediking dringt niet aan op volledige bekering; haar verkondiging is een half Christendom, en haar gemeenten bi eden het schouwspel van halve Christenen en onverschilligen, Waar echter "niet het volle heil wordt verkondigd, kan niet langer uw plaats zijn". 30)

De kerk heeft zieh toegesloten voor de werking van de Heilige Geest, werpen de Pinkstergemeenten haar voor de voeten; haar geloofsleven is derhalve dor, arm en vormelijk geworden. Dat ze het pinkstergebeuren van Hand. 2 als een onherhaalbaar eenmalig gebsuren beschouwt, dat haar "schriftgeleerden en farizeeörs, de theologen, de goddelijke waarde en de heilsnoodzakelijkheid van de geestdoop betwijfelen, de wondergenezing en overige geestesuitingen van deze tijd niet als werkingen van de huidige "spade regen" erkennen, is haar zware zonde tegen de Heilige Geest. "De kerkenwereld is koud en lauw. In plaats van de wereid in verbazing te brengon, amuseren ze de wereid. In plaats van te vasten, fe esten ze. De wekelijkse gebedsbijeenkomst is zeer zwak. In plaats van een vuurvlam te zijn, is de kerk een vriesinstallatie, de banken zijn wit uitgoslagen van de vorst, de kerkleden zijn koud en op veel kansels probeert een 1.80 m. ho ge ijspegel te preken, De kerkenwereld heeft veel last van "dode" seminaries, die dode predikers voortbrengen, die weer aan een dood gehoor dode preken voorhouden.'31)
Ze is de "Kains-kerk", die de schijn van een godzalig wezen heeft, maar de kracht Gods verloochent en er een "godsdienstigheid van do mensen zonder wedergeboorte" op na houdt. Ze vervolgde altijd roods de levende, door de Geest voortgebrachte "Abel-kerk" die uitsluitend op de geestelijke openbaring van het woord Gods is op gebouwd." 32) Maar "God heeft zo'n kerk reeds lang afgehouwen en haar het leven ontnomen. Hij heeft geen gemeenschap met een naar zonde en ongeloof stinkende kerk of gemeenschap." 33)

De Hersteld-Apostolischen op hun beurt zien de doodzonde van de kerk in het verloren laten ga an van het apostelambt. Daarmee boette ze het met volmacht beklede ambt der genade in. Na de dood van de eerste apo stelen "moest men met de herinnering aan het verleden genoegen nemen; het alleen leven-schenkende en leven-behoudende Woord uit de Heilige Geest ontbrak, omdat er niemand meer was, die de macht en de opdracht had gehad, in 's Heren plaats op te treden. Velerlei kwalen waren dan ook het gevolg: twijfel, ongehoorzaamheid, afval, terugval naar het leven in de zonde en tenslotte de geestelijke dood, zoals dat in Openb. 6, 4-8 nader beschreven staat." 34)

ledere sekte komt aandragen met haar eigen desideratum en zet dat om in een verwijt aan de kerk. Bij de Christian-Scientisten luidt het: De kerk heeft het door Christus verkondigde beginsel der genezing in vergetelheid doen geraken. Bij Abd-ru-shin: De kerk heeft de boodschap van Christus vervalst, en haar theologen hebben op het terrein van de godsdienst de tyrannie van het verstand ingevoerd. Bij jehova's Getuigen: De kerk leert een drieöenheid, een voortbestaan na de dood, een eeuwige hellepijn, en is een van de organisaties van de satan. Bij de "Mensenvrienden": De kerk leert, dat God toomt en straft, ze is afhankelijk van de staat en zegent de wapenen en symboliseert met haar drie voomaamste confessies het getal 666 van de ontrouwe Christenheid.

ledere sekte leidt uit haar aanklacht een meer of minder algemene veroordeling van de kerk af. Velen stellen zieh tevreden met de constatering, dat de kerk geen toekomst meer heeft, maar onherroepelijke verkommering tegemoet gaat. Naar het oordeel van anderen is de kerk door God verworpen. Daarom wordt ze ondergebracht in de rij der antichristelijke machten en vijand van Gods zaak genoemd. Ze gaat door voor "Babel" en voor de "hoer" , die het aanlegt met de machten der wereid en in het apocalyptische gericht Gods vernietigende straf ontvangt. Met deze classificatie heeft het protest van de sekte tegende kerk zieh verdiept tot een definitieve en radicale scheur.



De sekte als "de ware gemeente"

De polemiek tegen de kerk is uiteenlopend van geluidssterkte en toon. Ze reikt van neerbuigende of betweterige ironie, zoals men die b.v. bij de Christengemeenschap aantreft, tot aan het onbeteugelde fanatisme bij vele radicale Pinkstergroepen of bij jehova's Getuigen. Maar hoe verschillend de toonaarden ook mogen zijn, op de achtergrond trilt doorgaans de toornige smart en teleurstelling na, dat de kerk de kennis en de leer van de sekte aan zieh voorbij heeft laten gaan. Dat ze desondanks de pretentie voert, de "kerk van Christus" te zijn, moet voor de sekten een uitdaging en een bron van voortdurende onrust zijn. Het doel van haar polemiek is derhalve de weerlegging van deze pretentie. Ze moet proberen aan te tonen, dat de kerk een ondeugdelijk werktuig van Christus is, zo niet een instrument van de duivel. Ze moet dus de kerk in het hart treffen, haar haar ambt en haar roeping ontzeggen. Eerst dan heeft de sekte haar eigen bestaansrecht bewezen en verzekerd. Haar polemiek tegen de kerk is dus slechts de keerzijde van haar eigen rechtvaardiging. En hoe absoluter ze zichzelf poneert, des te radicaler is haar antikerkelijke polemiek. Wat deze polemiek echter uiteindelijk wil bewijzen, is de stelling: Wij zijn de ware gemeente van jezusl Of tenminste: Wij alleen bezitten de volle geloofswaarheid en zijn de legitieme dragers van de christelijke boodschap, die de toekomst doen aanbreken.

Deze pretentie vindt haar neerslag in de meest verschillende zelf verabsoluteringen. De gemeenten van Swedenborg houden zichzelf, na de vier voorlopige kerken die de geschiedenis van de mensheid tot nu toe gekend heeft, voor de definitieve vijfde kerk, "de Nieuwe Kerk", terwijl de Roomse kerk en de kerken van de reformatie aan de ondergang zijn prijsgegeven. De Christengemeenschap wil "de derde kerk" boven Katholieisme en Protestantisme uit zijn. Ze baseert zieh op de anthroposophie, die volgens haar niet sleehts een geestesstrorning naast andere wil zijn, maar geldigheid voor de gehele menshoid voor zieh opeist. Want bij haar gaat het volgens Rudolph Steiner om de "redding van de mensheid"; daarom kiest men voor haar "uit plichtsbesef en met het oog op de opdracht en de roeping Ion aanzien van de mensheid", Ook is alleen zij het, die de mensen
tot Christus brengt. "Het mysterie van Golgotha kan voor onze tegenwoordige tijd alleen door middel van anthroposophie begrepen worden." 35) De Hersteld-Apostolische gemeenschap noemt zieh het "opnieuw aangevangen verlossingswerk van onze God", waarbuiten geen verlossingsmogelijkheid is, "God kan de mensen in hun oude geloofsgemeenschappen niet tot de genade doen geraken, en ze zijn van het eeuwige leven buitengesloten, want genade en vergeving worden alleen da ar geschonken, waar Hij de troon der genade heeft opgericht." 30) jehova's Getuigen beweren van hun "Theocratische Organisatie", dat zij de enige geloofsgemeenschap ter wereId is, die aan God gehoorzaam is, en daarom door Hem erkend, beschermd en gezegend wordt en straks de nieuwe wereId onder de koningsheerschappij van God regeren zal. De "Kerk van het Godsrijk" eist dezelfde hoedanigheden en privileges voor zieh op als jehova's Getuigen. De Adventisten willen het volk Gods van de eindtijd zijn, dat in alle geboden aan God gehoorzaam is. De Mormonen beroemen zieh erop, de ware kerkorde en het priesterschap van de Almachtige met inbegrip van alle volmachten direct uit de hemel te hebben ontvangen en daarom na vele eeuwen van verval eindelijk weer de herstelde kerk "van de heiligen der laatste dagen" te zijn. De Pinksterbeweging ziet zichzelf als "het laatste grote teken van genade voor een wereld, die het eindgericht tegemoet gaat". In haar "is onder alle volkeren een laatste grote ure van genade aangebroken, voordat de nacht komt, waarin niemand werken kan." 37) De Evangelisch- [ohannetsche Kerk verkondigt, dat haar me ester Joseph Weissenberg "de ware genius" is, die de innerlijke spanningen van de wereId op kan lossen en de psychische koorts in een machtige en vredebrengende nieuwe vroomheid veranderen kan. "En het werken en heersen van de witte berg zal dan de wereid vervullen! Want deze berg is geweldig groot, in zijn afmeting ondoorgrondelijk. Ge kunt, als ge aan de voet van de berg staat, niet eens tot de top van deze berg omhoog zien." 38)

Soms staat de getalsterkte van een sektegemeenschap in een schreiende wanverhouding tot haar pretentie van absoluutheid. B.v. als de "Broederschap: de Koning komt!", een Pinkstergroep, zieh in een profetie door Christus laat aanzeggen: "Gij zijt de tweede Eva. En Ik heb u uw verlovingsring reeds lang aan de hand gedaan.
Blijf niet staan bij de verloving, Ik wil bruiloft met u vieren!" 39) Of wanne er een andere Pinkstergroep, de Holiness Church in Kentucky met haar achttien gemeenten en vierhonderd zielen, volgens haar statuten de alleen ware kerk wiI zijn: "Alle andere gemeenschappen worden noch als de ware kerk noch als loten daarvan erkend." Of wanneer een eind 1955 in een Zwabische stad gestichte "Rijk-Israelgemeente", een onbeduidende achteraf-sekte, zieh door haar "gavendragers" Gods speciale en enige gemeente van de eindtijd la at noemen: "Ze zal in de hele wereld doordringen. Ze zal de vlam worden voor de wereld" . "Ik zal door mijn gerne ente al deze gerichten, die over de aarde Immen zullen, voorzeggen, en gij zult het van te voren weten." 40)

Overal straalt hier de theologia gloriae sectae. Dat komt in de wijze, waarop de sekte zichzelf beschouwt, volop tot uiting. Veelvoorkomende namen, die men zichzelf toekent, zijn b.v.: De gerne ente der 144.000 - de uitverkoren gerne ente - de bruidsgemeente - de geredde gerne ente - het volk Gods - de gemeente Gods - het huisgezin Gods - de ware kerk - de kleine kudde - de tweede Eva. Deze namen zijn ten dele Nieuwtestamentisch. Maar men moet ereens op letten, dat ze daar nooit door enig mens voor een concrete gemeenschap, b.v. door Paulus voor de gemeente van Corinthie, worden gebruikt. Hier echter zijn het de sekten en hun predikers, die ze op hun eigen gemeenschap toepassen.

In scherp oontrast tegenover de kerk met haar symptomen van nederigheid als een gemeenschap van zondige heiligen staat hier dc sekte met haar pretentie van uitverkorenheid als de gemeenschap van zieh breed makende heiligen. En terwijl de kerk weet heeft van haar dienstknechtgestalte, beroemt de sekte zieh trots en zelfbewust op haar rijkdom en haar prestaties. Wat menig tijdschrift van de Pinksterbeweging in ieder nummer opnieuw publiceert, is een aaneengesloten reeks van luisterrijke successen door de Sterevangelisten behaald. ledere bijeenkomst is een massabijeenkomst. ledere massabijeenkomst eindigt met massabekeringen en massagenezingen. Het is een opeenstapeling van superlatieven: Steeds reusachtiger en auecesvoller worden de evangelisatiecampagnes, steeds opzienbarender do genezingen, al maar groter de verbazing van het publiek, steeds frappanter de wonderen. Tegenover zulke overwinningen verbleken de wonderen van Christus. Zijn jongeren hebben Hem ver overtroffen. Hermann Zaiss becijferde het aantal van degenen, die in een twaalfjarige werkzaamheid door zijn dienst gene zen zijn, op tien tot twintig duizend. Tommy Hicks beweert, dat hij gedurende de evangelisatiecampagne van tweeenzestig dagen in Buenos Aires in 1954 rond zes miljoen mensen onder zijn gehoor heeft gehad, waarvan er zich drie en een half miljoen tot Christus zouden hebben bekeerd, Blijkbaar onbegrensd is de wonderkracht van William Branhams, die in Durban (Zuid-Afrika) in een slag 25.000 mensen door zijn gebed genezen zou hebben.

Dit betrof diverse groepen van de Pinksterbeweging. Maar ook andere gemeenschappen beroemen zieh op de luister, die ze bezitten. Jehova's Getuigen b.v. steken de loftrompet over hun vereniging: "Aan geestelijke spijze heerst geen gebrek. Niemand hoort van een honger naar voedsel in jehova's organisatie 0, gelukkig volk van Jehova! Ge woont in de zonneschijn van zijn gunst. Onder de schutse van zijn liefde zijt ge werkzaam, en ge verheugt u over zijn rijke zorg! Gij zijt getuigen van Jehova, die het tegenbeeld van de Israölieten zijt, wie is u gelijk op de ganse aarde?" 41) De Evangelisch- Johannersche Kerk prijst zichzelf aldus: "Groot en heilig, ja majesteitelijk werkt de Meester in onze kerk", Daarom is ze geen .Jcerk, waarin slechts het woord des Heren verkondigd wordt". Ze is "de kerk van de Heilige Geest" . Want ze mocht de vleesgeworden Heilige Geest in haar midden hebben en mocht het beleven, hoe Hij "niet in trotse praal, maar in de deemoed van het goddelijk hart" zieh naar de mensen toeboog. "Hij heeft ons een geweldig testament nagelaten, dat we beslist nog niet kunnen overzien en waarvoor de mensen eeuwen en wellicht tientallen eeuwen nodig zullen hebben, om alles in zieh op te nemen." Deze kerk, zo rijk aan geestelijke macht, is dan ook bedoeld om in de eindtijd "een ark voor alle zielen, die gered willen worden" te zijn.")

De Hersteld-Apostolischen vormen, zo verklaarde de stamapostel J. G. Bischoff, onder de Christelijke kerken "de kerk van Christus", omdat ze "iets bezit", wat de anderen niet hebben.") Waarin bestaat haar "bezit" dan? Hierin, dat zij kan bogen op een uitzonderlijke verdienste: Toen Christus kwam, namen de zijnen Hem niet aan, en toen de Heilige Geest door de eerste apostelen het verlossingswerk wilde voortzetten, waardeerden de mensen ook deze gave niet. De Hersteld-Apostolischen echter vormden de enige uitzondering op deze eeuwenlang durende houding van de Christenheid - ze "herkenden de gave en wisten die ook naar waarde te schatten" _ 44) Daarom zijn ze dan ook Gods uitverkoren gemeente en worden met voorspoed gezegend. "Men bleef niet meer eenzijdig bij het verleden staan, maar greep het actuele woord uit de geest van Jezus aan, en een gezond, krachtig geloofsleven volgde op de vroegere ziekelijke toestand, waarin wijzelf ons ook nog bevonden hadden. Het apostelwoord werd brood des levens voor ons en heeft ons rijp gemaakt voor herschepping en eerste opstanding. Hoe het er bij die genen uitziet, die slechts op het verleden teren, kunnen we steeds opnieuw vaststellen. Daarom zijn wij de Heer dankbaar, die ons uit genade naar Zich toegetrokken heeft." 45)

Hier spreekt de trots van de bezitter - theologia possessionis.

Deze trots treft men aan in alle sektegemeenschappen, of het nu de Adventisten zijn, die prat gaan op hun gehoorzaamheid aan de sabbat, dan wel de Perfectionisten, die zieh op hun gemeenten van bekeerden na ar bijbels model beroemen, of de Mormonen met hun opuieuw geschonken priesterlijke volmachten, ofwel anderen, die op hun nieuwe openbaringen, hun diepere inzichten en hun machtige sacramenten wijzen. Deze trots kernt natuurlijk niet voort uit een soort verenigingsmanie. Ze kon - en moest - voor de dag komen, toen de sekte de theologia crucis ingeruild had voor de theologia possessionis en daarmee de mogelijkheid had verkregen, ccn onbedreigd platform voor de stichting van de "ware gemeente van jezus" te creeren. Ze wortelt in de overtuiging, dat juist haar aparte bezit de nieuwe, ongehoorde gave van God uitmaakt, die aan de sekte - en uitsluitend aan haar - geschonken werd en haar hoog boven de kerk verheft. Daarom is elke critiek op dit bezit dan ook absoluut verboden. Wie critiek oefent, vergrijpt zieh niet nan de sekte, maar tast .God zelf aan. Wie in ongunstige zin over do stamapostel spreekt, la stert de Heilige Geest. Wie aan de genezingswonderen van Branham twijfelt en die niet op de macht van Cristus, maar op occulte krachten terugvoert, lasterd evenzo de Heilige Geest.") Als tegenstanders van jehova's Getuigen de Theocratische Organisatie aanvallen, is het "alsof ze de zachte pupil van zijn - jehova's - oog aantasten. Ze zullen daar zwaar voor boeten!" 47)

"Z e trekken zee en land rond"


Het sektarische zendingsbewustzijn ontlaadt zich in een ongekende werfkracht. Men zou het zelfs een werf-woede kunnen noemen. - Niet bij alle sekten is dit het geval; er zijn ook gemeenschappen, die meer terughoudend zijn of die na een periode van activiteit door een resignatie overmand werden en rustig geworden zijn. Maar waar deze werf-woede heerst, komen alle beschikbare energieen samen om zielen te winnen, worden allerlei wegen uitgedacht en alle moderne technische middelen benut, om de leer van de sekten te propageren. En dan worden de sekten als scherpe bajonetten, die doorstoten in het lichaam van de kerk en het uiteenrukken,

1. Het kleine Zwitserland telt 43 sektegemeenschappen. In Duitsland zijn het er ongeveer 65 met wellicht 700.000 aanhangers, in de Verenigde Staten 290, waarbij evenwel de classificeringen voor een deel van de onze afwijken. Er is geen enkel zendingsgebied van de kerken, dat niet van het binnen dringen van de sekten te lijden heeft gehad, geen enkel diasporagebied, dat niet door hen geteisterd is, En er is geen. enkele conjessie, die menen kan immuun voor haar te zijn. Compacte kerkgebieden bestaan nauwelijks meer. De godsdienstige landkaart wordt steeds bonter. Een stad als Ulm herbergt 22 godsdienstige gemeenschappen. Zowel hier als in Stuttgart of in Berlijn vormen na de beide voornaamste kerken de Hersteld-Apostolischen wat getalsterkte betreft de derde gemeenschap. In Baden-Württemberg telden de 8 vrije kerken in 1950 samen 40775 leden, de Hersteld-Apostolischen alleen 59047. De sekten zijn in dit land van 2570 aanhangers in het jaar 1900 tot 73200 in het jaar 1950, dus tot ongeveer het achtentwintigvoudige, aangegroeid. De commissie VOOf het pastoraat van de Katholieke Actie in het aartsbisdom München kwam tot de conclusie: "De propagandistische werkzaamheid van de sekten neemt vormen en afmetingen aan, die we onzerzijds niet meer met incidentele preken kunnen beantwoorden. De afweer vereist een uiterst grondige en hernieuwde planning." Een pastoor uit Wenen bericht, dat in zijn parochie met 3200 zielen tenminste 10 sekten werken. Het Franse episcopaat zag zich genoodzaakt in een gemeenschappelijke verklaring de Katholieken op te roepen, een dam op te werpen tegen de opdringende vloed van het sektewezen, De reeds eeuwen bestaande hechte eenheid van de Lutherse kerk in Groenland wordt bedreigd sedert in de laatste jaren Adventisten, [ehova's Getuigen en Pinkstergreepen met alle mogelijke middelen proberen, daar voet aan wal te krijgen. De zwarte "profeet" James jenes in de U.S.A. kon in weinig jaren 6 miljoen gelovigen in de U.S.A., Canada, West-Indis en Afrika winnen voor zijn "Church of Universal Triumph" en zijn "goddelijke boodschap" van het aanbreken van het gouden tijdperk in het jaar 2000. In Alaska keerden 12 Protestantse denominaties zieh in een gemeenschappelijke verklaring tegen het "toenemen van het sektarisme, dat onenigheid en tweedracht zaait en het gemeenteleven in gevaar brengt". Op het eiland Puerto Rico met zijn 2,2 miljoen overwegend Katholieke bewoners zijn volgens een reisverslag van de Amerikaanse theoloog Dr Henry P. van Dusen 200.000 Protestanten; maar slechts 50.000 van hen behoren tot de historische Protestantse kerken,de anderen zijn leden van buitenkerkelijke gemeenschappen, die in de laatste twintig jaar verrassend snel gegroeid zijn. In Midden-Amerika stootte Van Dusen in elk land, elke stad en elk dorp op Adventisten, Pinkstergreepen en Perfectionisten en trof er menigmaal een heel dozijn van zulke sektegemeenschappen aan.

2. In de landen met een gekleurde bevolking vinden de sekten in de onderstromingen van het oude heidendom een welige voedingsbodem. Op Halti verbreidde .een christelijk vermomd spiritisme onder de naam "Vodou" zich gelijk een epidemie. De Katholieke bisschop stelde in 1949 zijn 550.000 diocesanen voor de keus: Breekt met de bijgelovige Vodou ofwel verlaat de kerk; slechts 24757 van hun, dus 5 %, bleven in de kerk, de anderen gaven de voorkeur aan do Vodou; tot 1954 zijn er nog 20.000 naar de kerk teruggekeerd, In Brazilie werden miljoenen negers en mulatten door de eveneens spiritistische Makumba-dienst gegrepen. De Protestanten op de Philippijnen noemden de grote activiteit van de Pinkstergroepen en fundamentalistische sekten als een van hun grootste zorgen. In de jonge staat Ghana (de vroegere Goudkust) voegen zich bij de meer dan 13000 Adventisten, die daar een eigen seminarie, een drukkerij en 58 scholen hebben opgericht, en bij de 6200 verkondigers van jehova's Getuigen specifiek Afrikaanse sekten, zoals de "Witte broederschapsloge" - "Ontwikkelt uw innerlijke krachten, dan zijt ge goden!" - of de "Kerk van het leger van jezus Christus", die een eigen heilige stad met de residentie van haar "profeet" of "opperkoning" heeft en ervan overtuigd is, dat zij alleen bij het naderend wereldeinde in het leven zal blijven. In Natal en Transvaal werken Pinkstergemeenschappen, zoals de ab-Apostoli-sekte, en christelijk-getinte groepen met geestenaanbidding, zoals de jdhlozi-cultus, naast de "Christelijke kerk in Zion" van de als vleesgeworden godheid vereerde neger Lekganyane in Pietersburg. "De mensen vallen bij haar binnen, zoals vliegen in de melk vallen." In Zuid-Afrika werden tot eind 1951, vooral bij de Bantus, 1286 verzocken van sektarische en separatistische gemeenten om overheidserkenning ingediend! Ze groeperen zieh veelal om inheemse profeten of extatische dwepers als Bebe. Sedert tientallen jaren hebben ook de Hersteld-Apostolischen in Zuid-Afrika talrijke gemeenten met momenteel 60.000 zielen en ze werken van hier uit ook tot in Rhodesia. In het zuiden van Dahomey zijn naast de Protestantse zending zeven sektemissies werkzaam. In Nigeria werken, afgezien van de kerkelijke missies, bijna 20.000 verkondigers van [ehova's Getuigen en meer dan 500 Pinkstergemeenten met een eigen bijbelschool. In de stad Lagos in Nigeria behoorden in 1950 van de 230.000 inwoners er 122.000 tot het Christendom, waarvan 19.000 tot de Afrikaanse sekten. In Ibada, de stad in Nigeria met de grootste inheemse bevolking, was in 1937 nog maar een sektegemeenschap tegen dertig sektarische groepen in 1952. Nationalistische dweepzieke en syncretistische elementen woekeren in deze Afrikaanse sekten door en verminken de christelijke substantie vaak tot onherkenbaar wordens toe. Het komt voor, dat een zendingswerk van tientallen jaren eenvoudig weggevreten en tot in storting gebracht wordt, omdat hele gemeenteverbanden met hun predikanten en leraren naar de sekte overlopen. En dat in een werelddeel,dat tegelijkertijd de stormaanval van de Islam en die van het communisme heeft te verduren!

3. Het is kenmerkend voor het parasitaire karakter van de sekten, dat ze zich met hun drang tot "redding van zielen" veel minder tot de ongelovigen en de heidenen wenden. Slechts enkelen - de Adventisten en een paar Pinkstergemeensehappen - hebben ook een heidenzending ontwikkeld, maar het zwaartepunt ligt bij hen in de werving onder de Christenen. Zo is dus niet het ongeloof of het buitenchristelijke geloof het eigenlijke mikpunt van hun propaganda, maar de kerk. Ze staan als te gen standers in de ruimte en in de ban van de kerk en leven van haar. Ze hebben het kerkelijk Christendom nodig als "voorvrueht". Want alleen hier kunnen hun leerstellingen de nodige contrastwerking ontwikkelen, alleen hier kan haar antithetiek worden verstaan. Hun propagandistische ijver wordt bovendien nog geprikkeld, doordat de sekten onbeduidende minderheden zijn. Hun aantal komt niet overeen met hun zendingsbewustzijn. Daarbij komt, dat zij als splintergroepen, die door de moederkerken het stempel van illegitimiteit opgedrukt krijgen, een gevoel van inferioriteit met zieh meedragen. Zodoende waarderen ze elke toeloop en iedere aanwas als gewenst waarmerk door God en de wereld, leder succes wordt uitgelegd als een bewijs van echtheid en als een getuigenis van de gloria sectae. Het sektarische zendingswerk onderscheidt zieh aldus in zijn motieven typerend en diepgaand van de kerkelijke zending. Omdat in dit werkhet zendingsbewustzijn van de sekte zieh ontlaadt en het tegelijk zijn eigen bevestiging zoekt in het sueees, heeft het voorrang op al het andere. Het zuigt het meretuleel van de krachten en middelen naar zich toe, zodat voor andere diensten, b.v. de eharitatieve arbeid, nauwelijks meer iets overblijft - loffelijke uitzonderingen vormen hier de Adventisten, de Mormonen en enkele Pinkstergemeenschappen. Enige voorbeelden: De Methodistenkerk in Duitsland telt rond 60.000 leden; ze beschikt over 1000 diaconessen voor haar liefdewerk. De arme, wijd en zijd verstrooide Waldenzenkerk in Italie rnct 30.000 leden onderhoudt een eigen diaeonessenhuis, een ziekonhuis, een tehuis voor ouden van dagen en enige seholen. De Hersteld-Apostolischen hebben meer dan 500.000 leden en beschikkon over aanzienlijke middelen. Maar er is geen Hersteld-Apostollsch diaconessenwerk. jehova's Getuigen zetten jaarlijks vele miljoenen om; ze hebben grote propaganda-instituten - drukkerijen, een vormingscentrum voor semi-beroepspropagandisten -, maar geen enkel ziekenhuis of tehuis voor ouden van dagen gesticht.

Waar vloeien al hun gelden dan naar toe? Naar de werving. Een bisschop van de Hersteld-Apostolischen zei in een kerkdienst: "Ge kunt twee grote zenden doen: 1. een kerkdienst verzuimen; 2. niet voor ons werven." Evenzo geldt bij Jehova's Getuigen de "velddienst" als het hoogste gebod en als de vervulling van de wet. "Eerst het koninkrijk Gods zoeken betekent, dat men te allen tijde in elk opzicht op de eerste plaats de belangen van het koninkrijk dient" en b.v. als huisvrouw iedere dag drie of vier um benut, om anderen van de "zegeningen van het koninkrijk" te vertellen.")

4. Geen wonder dat menige sekte als een meteoor omhoog schoot.

De Hersteld-Apostolische gemeenschap is in 90 jaar tot meer dan een half miljoen leden aangegroeid, de Adventisten in 110 jaar tot meer dan 1 miljoen, de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen in 125 jaar tot 1,4 miljoen. jehova's Getuigen hebben het in 75 jaar tot bijna 600.000 verkondigers gebracht en rekenen per verkondiger op vijf of zes meelopers. Ze hebben in de tijd van 1942-1955 hun aantal verkondigers in Europa vertienvoudigd (van 22796 op 227374), evenzo in Afrika (van 10070 op 98146), in Noord-Amerika verdrievoudigd (van 75589 op 236124), in ZuidAmerika zelfs tot meer dan het twintigvoudige doen stijgen (van 8070p 18800), in Midden-Amerika tot ongeveer het vijftienvoudige (van 1297 op 19615), in Azie tot het veelvoudige (van 406 op 4541), en in Oceaniö en Australie tot omstreeks het negenvoudige (van 4275 op 38325). De Pinksterbeweging is in de vijftig jaren van haar bestaan sedert 1906 tot drie miljoen aanhangers gegroeid; volgens haar eigen, zeker overdreven opgaven moeten het er vijf of wel tien miljoen zijn. Terwijl de oudste Pinkstergemeenschappen rustig zijn geworden - ook in hun zendingswerk -, hebben de nieuw-ontstane groepen ook een nieuwe energie in de werving ontwikkeld. En verschillende evangelisten, zoals Harvey McAlister, William Freeman, T. L. Osborn, Louise NankiveII, Tommy Hieks, hebben zieh tot rondtrekkende wereldpredikers ontwikkeld, die van stad tot stad, van land tot land, van massabijeenkomst tot massabijeenkomst reizen, deels om er als gast een kort en sensationeel optreden te verzorgen, deels om groots opgezette evangelisatiecampagnes tot "verovering" van hele landen te organiseren. Aan de top staat onbetwist William Branham, wiens actie gedragen wordt door de broederschap "FulI Gospel Business Men's Fellowship International". Oral Roberts, prediker en specialist in daemonen -uitdrijving, reist in de U.S.A. met een eigen 175 ton zware tentuitrusting op 7 grote vrachtwagens met aanhangers van kust tot kust, Hij verkondigt zijn boodschap via meer dan 750 radio- en televisiestations; hij brengt daarvoor wekelijks f 120.000 bij elkaar en bereikt vele miljoenen mensen. T. 1. Osborn liet in 1956 een film van zijn "kruistocht" in Indonesie draaien, "De java-oogst", die aantoonde, hoe "een enorme zee van mensen", die tevoren het Christendom vijandig gezind waren, nu bij het zien van de wonderdaden van de evangelist op de knieen viel. Hij "schokte" het Boeddhisme in Kyoto met zijn genezingen, won vele duizenden met zijn evangelisatiecampagnes in jamaica, Puorto Rico, Guatemala, San Salvador en stichtte een zendingsorganisatie met meer dan 550 inheemse zendelingen in ongeveer 70 landen. Aan de evangelisatiecampagnes, die Hermann Zaiss in 1956 hield, zouden 700.000 tot 1 miljoen mensen hebben deelgenomen. Zijn "Ecclesia-gemeente van Christenen" groeide van 28 locale gemeenten in 1951 aan tot 168 in het jaar 1956. De Amerikaanse Pinkstergemeenschap "Apostolisch geloof (Portland) omvat slechts 17 gemeenten met 2200 zielen, is dus niet groter dan een dorpsgemeente ergens in Europa. Maar haar gelijknamig tijdschrift verschijnt in 12 talen en heeft alleen al in de Engelse uitgave een oplage van 90.000. Bovendien verspreidt ze tractaten in 55 talen - allemaal kosteloos, In Italie hebben de Pinkstergroepen wat getalsterkte betreft de Protestant se kerkgemeenschappen overvleugeld.

Terwijl de teestand tussen de Katholieke kerk en de kerken der reformatie in zoverre station air geworden is, dat hun over en weer gcen doorbraken meer gelukken, voeren Protestantse sekten als de Pinkstergroepen, jehova's Getuigen en de Adventisten, een stormichtige en ook succesvolle aanval uit op van oudsher Katholieke gebioden, vooral in Zuid-Amerika. De Adventisten b.v. mahn daar snolle vorderingen, terwijl de groei in Midden-Europa en Scandinaviü stagneert. In Chili heeft de Pinksterbeweging in korte tijd :2OO.OOO zielen gewonnen, in Brazilie 200.000. Pinkstergemeenchappen hebben bijbelscholen opgericht zowel in Egypte en ZuidAmerika, als Peru, India en Japan.


5. Verbazingwekkend is het aanbod van zendingskrachten. Een enkele Pinkstergemeente, de "Smyrna" -gemeente in Gothenburg, heeft bij een getal van 3400 leden 51 zendelingen in het buitenland in dienst. De Pinkstergemeensehap "Church of God" (Cleveland) met 230.000 Ieden onderhoudt 1525 predikers in 1592 zendingsgemeenten; de "Assemblies of God" leiden in 9 bijbelscholen gelijktijdig 2500 predikers en evangelisten op en verzorgen 66 zendingsvelden met 719 zendelingen. Voor de Mormonen zijn 4700 zendelingen in 44 missiegebieden werkzaam, en sedert 1830 hebben zij in totaal plm. 70.000 zendelingen uitgezonden. De Adventisten brengen jaarlijks 90 miljoen gulden voor zendingsdoeleinden bijeen.

Ter vergelijking geven we hier enige getaIlen uit het zendingswerk van de kerken. In 662 Katholieke missiegebieden, die afhankelijk zijn van de Propaganda Fide, werken 32.000 buitenlandse en inheemse missiepriesters (waarvan 784 uit Duitsland en meer dan 13.000 uit he el Europa), 10.000 missiebroeders en 60.000 missiezusters. Daar komt bij een leger van catecheten en leraren. De missie onderhoudt 40.000 lagere-, 4.000 middelbare- en 200 hoge-scholen, 3200 klinieken, 1200 hospitalen en ongeveer 2200 inrichtingen voor melaatsen, ouden van dagen en wezen. De Lutherse kerken, die in totaal ongeveer 70 miljoen leden teIlen, hebben 3379 zendingswerkers uitgezonden. Daarvan komen er 1478 uit de Verenigde Staten, 518 uit Noorwegen, 482 uit Duitsland, 374 uit Zweden. De Lutherse kerken brengen jaarlijks 14 ä 15 miljoen dollar vom zendingsdoeleinden bijeen. In de zendingsgebieden en jonge kerken van Aziö en Afrika teIt men een kleine 2,6 miljoen gedoopten. In hun dienst staan 1590 inheemse predikanten en 9974 hulpkrachten. In 5574 scholen worden 481.500 leerlingen onderwezen door 13.507 leraren. In de Verenigde Staten geeft in doorsnee iedere Protestantse Christen jaarlijks twee dollar voor de zending. Bij de Duits-Evangelische Christenheid is dat slechts een fractie van dit bedrag.

Reusachtig is soms de apparatuur, welke de sekten in dienst van de werving hebben gesteld. Kleine af'gelegen groepjes schrapen al hun geld bij elkaar, om zendtijd bij de radiostations te kopen en via de .Jutdeprekers-In-het-groot" hun leerstellingen wijd en zijd uit te bazuinen. Zo heeft b.v. de "Bijbelstudie-vereniging De Dageraad",

een niet bepaald belangrijke afsplitsing van jehova's Getuigen, die sedert 1950 ook in Duitsland vertegenwoordigd is, zendtijd gehuurd bij meer dan 300 radiostations in Noord-Amerika, Europa, Afrika en India. Andere groepen hebben eigen zenders gebouwd, b.v. de Pinksterbeweging in Tanger. De Christian-Scientisten verbreiden hun leerstellingen over 621 radiostations. De Adventisten roepen hun "stern der hoop" over 1145 radiostations en televisiezenders uit in de wereld; de geinteresseerde hoorders binden ze met hun "Bijbelcorrespondentieschool" om hen in een schriftelijke radiocursus volledig voor hun gemeenschap te winnen.

In talloze talen komt een stroom van boeken, tractaten en vlugschriften van de pers. De Adventisten beheren 63 uitgeverijen, drukken gesehriften in 198 talen en geven daar jaarlijks 15 miljoen dollar voor uit. Ze stellen zich er niet mee tevreden hun geschriften via de boekhandel te verkopen, maar brengen ze door speeiaal daartoe opgeleide boek-evangelisten in de huizen. Ze hebben in hun 110- jarige geschiedenis ter waarde van ongeveer 1 miljard gulden aan literatuur verspreid. [ehova's Getuigen hebben in de jaren 1920- 1956 de wereld met ongeveer 1,2 miljard boeken en brochures overgoten. Alleen in West-Duitsland verkochten in 1956 hun 47.375 verkondigers en 765 pioniers 1.294.434 geschriften en organiseerden ze 33.533 openbare bijeenkomsten. Hun wereldpropaganda strekte zieh uit over 162 landen. In hun dienst staan 78 bijkantoren, 8 drukkerijen en ongeveer 2000 speciaal opgeleide voItijdse zendelingen voor het buitenland, waarbij zich dan nog 591.556 "verkondigers" voegen, die deze functie als nevenberoep uitoefenen.

Zeer intensief is het kleinere werk van vele sekten, bestaande in de werving van de enkeling, huisbezoeken, bijbelstudie thuis e.d. Op dit kleinere werk van mens tot mens concentreren zich de Hersteld-Apostolischen met een enorme vasthoudendheid. Jehova's Getuigen plegen colonnegewijs binnen te vaIIen in dorpen en kleine steden, om deze systematisch huis aan huis te bezoeken, en koppelen ieder streekcongres aan een intensieve wervingsactie. De leden van de Adventistische gemeenten worden ertoe aangezet, zendingsbrieven te schrijven, zendingsbezoeken af te leggen en mensen uit te nodigen en af te halen voor kerkdiensten. De wellicht 43000 Adventisten, die zich in Duitsland

bevinden, hadden zieh b.v. voor twee zondagen in de maand juni van het jaar 1952 voorgenomen 450.000 families te bezoeken ..

Men heeft het er voor over, dat de werving veel tijd en geld kost.

De Mormonen hebben uitgerekend, dat een enkele "bekering" in Duitsland een uitgave van ruim f 1500. - vergt. Dat is nog "goedkoop", want in heel Europa kost iedere "bekering" gemiddeld meer dan het dubbele! De kerkelijke gemeenten bespeuren tot in de meest afgelegen dorpen toe de invloed van de enorme aetiviteit van de sekten. Dikwijls gaat er geen zondag voorbij, zonder dat de propagandisten van deze of gene sekte hun vlugsehriften uitdelen of aan de huisdeuren aanbellen en de bewoners op bijeenkomsten uitnodigen. Is het hun eenmaal gelukt, een kleine kring van aanhangers te vormen, dan verandert deze al heel spoedig in een nieuw zendingscentrum. En naast de kerken verrijzen de kapellen en vergaderruimten van de sekte. Het liehaam van de gemeente wordt uit elkaar gerukt. De tweespalt dringt het gezin binnen. De wirwar van stemmen groeit. De enkele Christen wordt radeloos en hulpeloos: Waar is de waarheid?

Maar dat zijn dan alleen nog de grotere sekten. Daarnaast staat een grote schare van kleine gemeenschappen, die regionaal begrensd zijn, maar daartegenover binnen de loeale ruimte een des te levendiger aetiviteit ontplooien. Een overzieht daarover is niet te geven. Ze zijn in ieder land weer verschillend. Vaak zijn het groepjes rondom enkele sektariers, die op eigen houtje evangeliseren, beweren een bijzondere "boodsehap" ontdekt te hebben of door hun wijze van optreden indruk maken. Of het zijn kringen van dwepers en zonderlinge heiligen, van esoteriers, magiers en gezondbidders. Of men geeft een mengsel van ehristelijke en andere elementen - spiritisme, nieuwe openbaringen, oud heidendom - uit als heilsleer. Het is een ware wildernis van de meest verseheidene en vaak meest buitenisslge geloofsartikelen.

Een globale statistiek over het totaal aantal aanhangers van alle sekten is niet voorhanden, is ook onmogelijk samen te stellen, omdat de afzonderlijke sekten zeer versehillend teIlen en dikwijls hun aanhangers-aantallentotaal verzwijgen. Ook is er een onoverziehtelijk leger van lieden, die alleen maar bijlopers zijn, zonder zieh los te maken van de kerk. Voigens mijn sehatting, die uiteraard met veel onzekere factoren belast is, moet men rekenen op een aantal van 20 miljoen sekt ariers ter wereId. Dat is, gemeten aan de 800 miljoen Christenen, niet veeI. Maar het be eId wijzigt zieh, zodra men bedenkt, dat een groot deel van de Ieden van de kerken uit onverschilligen bestaat en dat deze 20 miljoen tot de meest actieven behoren. Ze hebben een enorm wervingspotentieel. En waar ze dit potentieel overwegend in dienst van hun inwendige "zendings" -arbeid stellen, wordt duidelijk, in welke mate de kerk in de geheIe wereId door de sekten bedreigd wordt.


Kiemen des doods


ledere sekte bejubelt zichzelf en verleent aan haar leer en gemeenschap, de een minder, de an der meer, een nimbus van absoluutheid. Deze zelfverheffing gaat in tegen de Schrift. Daarom valt ze onder de critiek van het gericht Gods, dat zieh op een drievoudige wijze voltrekt:


1. De sekten hebben zichzelf tot een streng isolement veroordeeld.

Ze moeten zieh de broederlijke uitwisseling met andere christelijke gemeenschappen en de vruchtbaarheid van een dergelijke uitwisseling ontzeggen. Ze blijven, ook al binden ze een gevolg van miljoenen aan zieh, afzijdige gemeenschappen. Ze kunnen niet geven en ze kunnen niet nemen, ze kunnen niets meer leren en niet over de enge omheining, die ze zelf hebben aangebracht, heenkijken.

Hun zelf cultivering maakt hen echter niet alleen ongeschikt voor een oecumenische houding, maar sluit hen ook af van de wereid rondom. Het lukt hun zelfs niet een vruchtbare relatie tot het tijdsgobeuren te vinden, om uit zijn ontwikkelingen en catastrophen Gods roepstem tot boete te vernemen en achter de gebeurtenissen in de volkerenwereld de verschrikkelijke en wonderlijke leiding Gods te hcrkennen. De enige manier, waarop ze op het tijdsgebeuren kunncn reageren, is de apocalyptische; daarop zullen we later nog moeIon terugkomen en dan zal blijken, dat ook hier geen echte dialoog tuasen de sekte en de Heer der geschiedenis tot stand komt, maar eint de sekte blijft steken in de zelfcultivering. In Duitsland was het ontstellend om op te merken, hoe onberoerd de catastrophen van 1933-1945 de meeste sekten gelaten hebben. Ze zijn in 1945 precies üp hetzelfde punt verder gegaan, waar ze in 1933, of toen ze in het Derde Rijk verboden werden, gebleven waren - alsof er in de tussentijd niets gebeurd was.

De sekte heeft zichzelf echter niet alleen buiten het tijdsgebeuren geplaatst, maar ook buiten de geheie geschiedenis van de Christenheid. Het is haar onmogelijk zichzelf organisch en deemoedig in te schakelen in de keten van de grote gerichts- en heilsdaden Gods, die Hij sedert Christus in en door de kerk verrieht heeft. Ze moet zieh ook hier buiten houden. Zodoende is ze afgesneden van heel die rijkdom aan getuigenissen en ervaringen, die in deze twintig eeuwen vergaard zijn. Volgens de sektarische visie is heel de lange geschiedenis tussen Christus en het aanvangsjaar van de eigen sekte een lege mimte of een keten van dwalingen of alleen maar een soort voorspel, in ieder geval dus iets van geringe waarde of zelfs iets negatiefs, waar men niet op hoeft te letten en waarvan men niets behoeft te leren. Voor haar duikt de waarheid Cods, na een kortstondig üplichten ten tijde van Christus, eerst weer op in het geboorteuur van de eigen sekte. Dat was voor de Mormonen het jaar 1829, toen joseph Smith en Oliver Cowdery de volmachten van het priesterschap van Aäron en Melchizedek uit de hemel ontvingen. Dat was voor de Hersteld-Apostolischen het jaar 1832 en vooral 1860, toen de Heilige Geest eindelijk weer na 1800 jaren van donkerheid nieuwe apostelen aanstelde. Dat was voor de aanhangers van Swedenborg het jaar 1757, toen de vier tijdperken van de vervallen kerk ten einde liepen en met het jüngste gericht in de hemel de nieuwe kerk in het vijfde en laatste tijdperk der aarde aanving. Dat was voor de Adventisten het jaar 1905, toen na vele eeuwen van dorheid eindelijk de Heilige Geest weer begon te werken. Dat was voor Jehova's Getuigen het jaar 1874, toen Russell het "Plan Gods met de mensheid" publiceerde en de eindtijd inleidde. Dat was voor de "Kerk van het Godsrijk" het jaar 1918, toen de "zendbode" A. Freytag de opdracht voor de eindtijd accepteerde om het werk des oogstes te volvoeren. Dat was voor de aanhangers van Lorber het jaar 1840, toen met de aan Lorber ten deel gevallen nieuwe openbaringen de reiniging van de aarde begon, om haar in vier louteringsvuren toe te bereiden voor het duizendjarig rijk.

En wat was er v66r al deze data? Daar gaapte het grote donkere gat; het was de tijd der duisternis. Waartoe die dan diende? Voor de Christengemeenschap is dit de tijd van een lager ontwikkelingsstadium, voor de Mormonen, Adventisten, Swedenborgianen en Hersteld-Apostolischen de tijd van de leegte en van de verdorvenheid, voor Jehova's Getuigen en de Kerk van het Godsrijk de wonderlijk verkwistende omweg van God, om uit de miljoenen Christenen van deze eeuwen een deel van de 144.000 uitverkorenen samen te brengen. Waar was Christus, de opgestane, eigenlijk in deze eeuwen? Zat Hij werkeloos ter rechterhand des Vaders? Of had Hij Zich te slapen gelegd? Dat weet men niet te verteIlen. En waar was de Heilige Geest? Heeft Hij misschien om Zich te ontspannen een pauze ingevoegd en de Christenen en de kerken maar in het moeras laten zitten, om eerst in het geboorte-uur van de sekten weer wakker te worden? En waarom heeft God Zich zo van de kerk teruggetrokken en de Christenen van geslacht op geslacht aan hun dwalingen en hun ellende prijsgegeven? 49) Ook daar kunnen de sekten geen antwoord op geven. Maar dat raakt hen ook niet. Zij pochen op hun eigen bijzonderheid. En iedere sekte laat de heilsgeschiedenis Gods na een lange onderbreking met haar eigen ontstaan weer opnieuw beginnen. Daarmee voltooien ze hun isolernent, en dit isolement bevat de kiem van de dood. Want het draagt een geestelijke hoogmoed in zieh mee en leidt tot geestelijke steriliteit.

2. De meeste sekten beroemen zich er op, in tegenstelling tot de kerk de gemeenschap van de reine heiligen te zijn. Inderdaad treffen we bij hen een ijverig en bewonderenswaardig streven aan, om deze reinheid te bewaren en de leden tot een ernstige, geheiligde levenswandel aan te sporen. Maar ook mensen, die de sabbat houden, bekeerde, met de geest gedoopte, wedergedoopte, verzegelde mensen blijven mensen. Ook in hen leven de machten van het vlees en van de zonde voort. Die zijn niet afgestorven; ze zijn alleen maar in een hoek gejaagd, Ze durven zich niet meer te vertonen, maar ze wroeten op een giftige manier verder, juist omdat ze, om de nimbus van de reine gemeenschap niet te beschadigen, in een schuilhoek gedreven zijn. Ze vermommen zieh achter vrome maskers. Daarbij komt, dat de theologia possessionis in de afzonderlijke sektepredikers gemakkelijk een geest van stijfhoofdigheid en van betweterij kweekt, die zieh niet alleen naar buiten richt, maar ook in de eigen rijen grote schade aanricht.")

De oordelende en verootmoedigende macht van het kruis ontbreekt, die macht, die allen gelijkelijk in het vuur van het gericht tot boete roept en anderzijds in de vergeving altijd weer een nieuw begin mogelijk maakt.

Daardoor kan het gebeuren, dat de sekten door interne conflicten geteisterd worden, die met een vaak afschuwelijke onverbiddelijkheid worden uitgevochten. Machtsstrijd en rivaliteit, strijd om de letter van de leer, om de opvolging, om de inkomsten. Naar buiten wordt dit alles zorgvuldig afgeschermd. Maar des te hartstochtelijker woedt zo'n strijd in het inwendige van de sekte. Van broederlijke verzoening is dan geen sprake, Men vervloekt elkaar, la stert en verdoemt. Hier zij slechts herinnerd aan de hevige conflicten bij de Hersteld-Apostolischen sedert 1951, of aan de manier, waarop de Adventisten vijfentwintig jaar geleden met hun voormalige leider L. R. Conradi handelden, of aan de bittere vijandschap, die er tussen [ehova's Getuigen en de van hen afgescheiden leden bestaat of aan de wilde naijver, waarmee zoveel predikers uit de Pinksterbeweging ervoor waken, dat de concurrentie niet door nog indrukwekkender preken en nog grotere wonderdaden hun schapen afkaapt. Vrijwel iedere sekte heeft haar chronique scandaleuse. Natuurlijk heeft de kerk die ook. In dit opzicht is ze geen haar beter dan de sekten. Maar zij kan het openlijk toegeven. Ze kan zieh door het Woord Gods doen terechtwijzen. Zij kan schuld erkennen en boete doen. Maar de sekte mag zoiets nooit laten blijken. Die moet altijd gelijk hebben. Ze is gedwongen een eigengerechtige en verstokte houding aan te nemen. Haar theologia gloriae sectae dwingt haar daartoe.

Hierin ligt dan ook een van de hoofdmotieven, waarom het in de geschiedenis van de sekten wemelt van splitsingen. Ze verteren eenvoudig elkaar. Onder de huidige sekten vindt men er maar een heel enkele, die geen splitsing gekend heeft. Een kleine statistiek ten bewijze: de Mormonen hebben vijf splitsingen beleefd, de Adventisten minstens een dozijn, de Hersteld-Apostolischen negen, de jehova's Getuigen ongeveer twintig, de Christengemeenschap een en de Kerk van het Godsrijk ook een. De geschiedenis van de Pink- sterbeweging is een lange keten van splitsingen, nieuwe aaneensluitingen in werkgemeenschappen en nieuwe scheuringen.

3. In het begin werd erop gewezen, dat een godsdienstige gemeenschap tot een sektebestaan gedoemd is, als ze in haar antithetiek niet een kern heeft, die zo sterk en vruchtbaar is, dat ze een krachtig centrum voor een eigen, positief leven kan vormen. De sekten geven weliswaar hoog op van wat ze in de theologia possessionis bezitten, dat neemt echter niet weg, dat dit toch te arm is om het leven in al zijn volheid te omvatten, te doordringen en te beheersen. Het geestelijk tegoed van de sekten is zeer beperkt of eenzijdig van horizon, waarom dan ook grote gebieden van het zijn met zijn problematiek buiten beschouwing moeten blijven. Zodoende leven de sekten ook geestelijk in een uithoek. Er zijn sekten, die een ware schrijfwoede aan de dag leggen en die zeer woordenrijk in, hun publicaties zijn. Met de uitgaven van jehova's Getuigen b.v. laten zieh hele boekenkasten vullen. Maar de geestelijke, armoede van hun producten is ontstellend. Aan degene, die zieh de moeite geeft, hun literatuur door te werken, dringt zieh steeds weer opnieuw de indruk van een grote monotonie op. Uitzonderingen hierop vormen de Christengemeenschap, tot op zekere hoogte ook de gemeenschappen van de Adventisten, van de Graalbeweging, van de aanhangers van Swedenborg en Lorber en de ChristianScientisten. Maar wat de anderen betreft, kan men alleen maar constateren, dat ze niet in staat zijn om door de enge grenzen, welke hun leer hen stelt, heen te breken, Vraagt men hun om nu eens vanuit hun geloofsovertuiging een verhelderend antwoord te geven op vragen b.v. aangaande de politiek, de sociale verhoudingen, de technische ontwikkeling of het wetenschappelijk onderzoek, dan volgt 6f een volledig in gebreke blijven öf een wegvluchten in de apocalyptiek 6f een negatief antwoord, dat uit verlegenheid of onge'interesseerdheid geboren is. Ze künnen zieh eenvoudig niet op het terrein van het volle leven begeven. Deden ze dat wel, dan zouden zc hun orientatiepunt verliezen, omdat hun leer hen buiten hun eigen wereldje niets meer weet te zeggen.

Het gevolg van deze bekrompenheid en onvruchtbaarheid is, dat rlc meeste sekten, zuiver sociologisch bezien, in hoofdzaak tot de "kleine luiden" beperkt blijven. In meer ontwikkelde kringen vinden ze nauwelijks ingang en geestelijk zelfstandige en veeleisende naturen gevoelen zieh in hun midden niet thuis.

Dat alles bij elkaar genomen is de reden, waarom de Ievensduur van de sekten beperkt is. Ze dragen de kiem van de dood in zieh. De oudste onder de thans bestaande sekten is 125 jaar oud - die van de Mormonen. Enkele andere zien terug op een Ievensduur van 50 - 110 jaar. De meeste zijn jonger dan 50 jaar. Maar wat zijn 50 ofwel 125 jaar in de gesehiedenis van een godsdienstige gemeenschap? En hoeveel sekten zijn in de laatste 125 jaar ontstaan en weer weggekwijnd, terwijl nauwelijks iemand meer de grafsteen kent, waarop hun naam staat! In het feit, dat aan de meeste sekten sleehts zo'n kort Ieven besehoren is, spreekt het gericht Gods een harde taal.

 

Hoofdstuk 6

DE APOCALYPTISCHE APOTHEOSE VAN DE SEKTE

 

1. Een gebied, waaraan de sekte bijzondere aandacht schenkt, is de eschatologie. Er zijn verschillende redenen, waarom dat een geliefkoosd onderwerp van het sektarische geloofsleven is geworden. Een van die redenen is, dat dit terrein door de kerk verwaarloosd en een stiefkind van haar verkondiging geworden is. Een andere reden is te vinden in het hedendaagse levensgevoel, dat met onze onveilige wereldsituatie geen weg meer weet, en in de angst voor blijkbaar onontkoombare catastrophen van ongekende dimensies. 'n Derde reden, waarop vaak nauwelijks geIet wordt, maar die wel eens de belangrijkste zou kunnen zijn, ligt in het wezen van de sekte zelf: in haar theologia gloriae sectae. In deze theologie Iigt nl, de overtuiging opgesloten, dat de sekte niet slechts ontstaan is, om een of andere leemte in de waarheid op te vullen, maar dat haar een bijzondere, exclusieve waarde toekomt. Ze steekt boven de veelheid van andere geloofsgemeenschappen uit met de rang van absoluutheid. Deze absoluutheid komt tot uitdrukking in de stelling, dat de sekte de beslissende rol in Gods heilsgeschiedenis speelt. Haar geboorte markeert het enige en laatste hoogtepunt van deze heilsgesehiedenis, dat trouwens na de verschijning van Christus nog mogelijk is, nl. het begin van de eindtijd. De sekte leidt de sIotfase van de huidige wereldgeschiedenis in en heeft zelf in deze eindgeschiedenis de beslissende roI te speIen.

Zo wordt de apocalyptiek het terrein, waar de verheerlijking van de sekte zieh voltooit. Ze is bode en wegbereidster van de nabije parousio, ze is Gods partner in het drama van de eindtijd, ze is de hoeksteen, waarop het in de eindtijd zaI aankomen, ze is de ark des behouds voor de geredden, ze is de voltrekker of althans het instrument van Gods gerichten over de ongelovigen en tenslotte zal ze voor de ogen van de ganse wereid triomferen als door God bevestigd en met haar leden geroepen tot koningen en burgers in het komende Godsrijk.

Ellen G. White plaatst de Adventsgemeenschap in het middelpunt van het eindgebeuren: bij het sabbatsgebod zullen de geesten van de geheIe wereld zieh in twee groepen scheiden; dat zal ze verdelen in volgelingen van de antiehrist en de gemeente der gehoorzamen, der verzegelden. Deze gerne ente zal door de antichristelijke machten vervolgd, maar door God wonderbaarlijk beschermd worden. En dan, na Christus' wederkomst, zullen zij, die aan de drievoudige engelboodschap geloof gehecht hebben, verhoogd en in Gods vredesverbond opgenomen worden; hun tegenstanders echter zullen moeten toezien hoe God zijn getrouwen eert, en vlak daarop zullen ze in de zevende plaag omkomen.

De Hersteld-Apostolische Gemeente, die geloof heeft geschonken aan de boodschap van haar stamapostel, dat nog tijdens zijn leven Christus zal wederkomen, zal door J. G. Bisehoff als "bruidsleider" de hemelse bruidegom tegemoet worden gevoerd, terwijl de twijfelaars en de afvalligen de eeuwige pijn te wachten staat. Als echter volgens Daniel 12 het "volk Gods" gered is, zullen miljoenen bij het geldank van de laatste bazuin ontzet klagen: "Waarlijk, deze J. G. Bisehoff was toch de grootste dienaar Gods van onze tijd, en wij hebben zijn woord niet geloofd!" Maar berouw en inzicht openen ook in dit geval niet meer de deur na ar de bruiloftszaal en laten geen mogelijkheid meer voor redding.")

Evenzo jehova's Getuigen: Als de vernietigende slag van Harmagedon nadert, zal Zach. 8, 20-23 in vervulling gaan, en tien mannen uit de heidenvolken (d.i. de naties) zullen de slip van de mantel van een getuige van Jehova vastgrijpen. Maar "Jehova zal al onze vijanden op de vlucht jagen" .52)

Evenzo de Graalbeweging: Abd-ru-shin is de rechter uit de eindtijd. Als de bange tijd van de grote benauwenis over de mensheid komt, "zullen alle handen zich naar hem uitstrekken, jammerend en smekend". Hij echter zal slechts diegenen aannemen, die de Graalboodschap vreugdevol prezen als hun verlossing.")
Evenzo de Evangelisch- johannetsche Kerk: De Christenen, die buiten staan, zijn als de duisternis, die het licht niet heeft begrepen. Dit licht is de meester Joseph Weissenberg, die "nieuwgeboren Christus, die in hetlicht van deze tijd de heerlijkheid van Christus moet openbaren" . Maar nu komt het in de Schrift aangekondigde strafgericht over de aarde. Het spaart degenen, die in Weissenberg geloven. Maar zij, die zieh verhard hebben, zullen moeten ondergaan, "om ontvankelijk te worden voor de blijde boodschap, die met onze meester in onze tijd is binnengebracht" .54)

2. Overal is hier de theologia gloriae sectae aan het werk. Wat er plaats vindt, is wat men zou kunnen noemen een versektarisering van de bijbelse eschatologie. Het eindgebeuren is de laatste doorgang naar de definitieve verheerlijking van de sekte en haar machtsovername over de wereld, jehova's Getuigen hebben hun Theocratische Organisatie reeds omgedoopt in "Genootschap van de Nieuwe Wereld", om daarmee uit te drukken, dat dit genootschap ertoe bestemd is, corporatief de heerschappij in het duizendjarig rijk over te nemen. De Kerk van het Godsrijk ga at nog een stap verder: ze meent niet alleen, dat ze geroepen is om in het kom ende rijk voor opbouw en ordening te zorgen en voor de opvoeding van de meer dan twintig miljard mensen, die uit de doden opgewekt worden, maar ze bouwt nu reeds op haar "proefstations" modellen van de toekomstige wereld en bespoedigt door haar werkzaamheid de komst van het Godsrijk.

Het is altijd hetzelfde beeld: Waar een sekte een apocalyptiek ontwikkeld heeft, plaatst ze zichzelf in het middelpunt daarvan. Kenmerkend is b.v. het volgende: waar men een kerkhistorische verklaring van de zeven zendbrieven van Openb. 2 en 3 tracht te gevcn, wordt altijd de gemeente van Philadelphia, waarop niets valt aan te merken en die uitblinkt door Iouter beloften, op de eigen sckte betrokken, terwijl de toepassing van andere zendbrieven, rospectievelijk gemeenten, op kerken of kerkhistorische tijdperkcn dan telkens z6 geconstrueerd wordt dat alles past in hot perspectief van de sekte. De sektegemeenschap wordt met de vijf wijze maagden geidentificeerd. Afzonderlijke figuren, voorzover ze, zoals b.v. de twee getuigen of de engel met het evangelie of de vrouw met de zon bekleed, een positieve rol spelen in het bijbelse einddrama, worden opgeeist voor de eigen sekte. Omgekeerd worden de negatieve figuren geidentificeerd met de kerk. Uit haar midden komt de antiehrist voort.

De sekte beschouwt zich als het rechtlijnige verlengstuk en de afsluiting van de bijbelse openbaring. Zo is b.v. bij de Hersteld-Apostolischen Abraham de eerste en de stamapostel Bisehoff de laatste in de keten van patriarchen en profeten. Hij noemde zich "de poort naar middernacht": "Ik ben de laatste; na mij komt niemand meer." 55) En aan de zgn. "openbaring", dat Christus tijdens zijn leven zou wederkomen, kende hij dezelfde betekenis toe als aan de beslissende hoogtepunten van de heilsgeschiedenis: "In de tijd, die achter ons ligt, heeft de Heer aan de mensen vier grote beloften gegeven. De eerste was de belofte aan het gevallen ouderpaar, dat Hij een verlosser zou zenden; de tweede was de verkondiging van de gebeorte van deze verlosser; de derde de boodschap van zijn opstanding. De vierde boodschap, die speciaal voor ons is gegeven, bestond daarin, dat ik op Kerstmis 1951 bekend maakte, dat de Zoon Gods me had laten weten, dat Hij bij mijn leven zou wederkomen, om de bruid thuis te halen." 56)

Evenzo is joseph Weissenberg na Mozes en Christus de laatste profeet, die .Jiet derde testament" bracht en door wie het nieuwe Jeruzalem op aarde neerdaalde. In hem is de belofte van Mal. 4, 5v. in vervulling gegaan en het grote gericht is zowel in de wereid der mensen als in die der geesten ingeleid.

Een soortgelijke rol laat de gemeenschap "Kudde en Herder" haar leider Friedrich August Hain speIen. De zes scheppingsdagen zijn zes tijdvakken van elk tweeduizend jaren, In ieder tijdvak bezocht God de wereid, door Zich in een Hem waardig mens te incarneren. Dit gebeurde in Adam, Melchizedek, Elia, David, Christus en tenslotte in Hain. Hij is de zesde incarnatie. Nu volgt de zevende periode: De dag van de rust Gods, en alle mensen zullen een herder en een kudde zijn.

jehova's Getuigen laten de gehele wereldgeschiedenis en het heilsplan Gods direct op hun organisatie uitlopen: Eerst sedert 1914 is er een "hoofdorganisatie boven het gehele levende universum met Christus als het hoofd", en het aardse gedeelte van deze hoofdorganisatie is het "Genootschap der Nieuwe Wereld" . Alleen dit gezelschap bezit de "goede boodschap" van het koninkrijk, dat in 1914 in de hemel werd opgericht. De tegenstanders van [ehova's Getuigen tonen nu door hun afwijzing mensen te zijn, die tegen het koninkrijk zijn en bij de organisatie van de satan behoren. "Die echter de leer der Getuigen aannemen, blijken "mensen van goeden wille" te zijn, en het theocratische koninkrijk zal hen "door de vernietigende benauwenis van Harmageddon heen red den en de nieuwe wereld doen binnengaan" .57)

De Pinkstergemeenten noemen de sedert 1905 in groeiende mate voorkomende en systematisch beoefende uitingen van extatische vroomheid "spade regen" en willen daarin de vervulling zien van de eschatologische belofte van Joel 3, 1-5.

Ontelbare gemeenschappen uit de Pinksterbeweging en van de Perfectionisten maken zieh als de "bruidsgemeente" gereed voor de ontrukking aan het verderf, die slechts hun als de bevoorrechte gelovigen ten deel zal vallen. Röckle heeft de drie groepen, waarin hij de Christenheid heeft opgedeeld, telkens haar eigen apocalyptisch lot toegemeten, en slechts de aanhangers van de "Allerheiligste" zullen uit de grote nood gered worden.

De bijbelse eindprofetie wordt omgezet in een apocalyptische apotheose van de sekte. Hier ontvangt ze definitief van God de plaats, die haar toekomt, het loon voor haar trouw, het opzicht en de heerschappij over de wereId. Kortom, het geweldige slotdrama van de wereldgeschiedenis onthult zieh als een apocalyptische zegepraal van de sekte, Het dualis me tussen God en satan, dat in het laatst der dagen een climax bereikt en tevens zijn einde vindt, wordt omgesmeed tot een dualis me tussen de sekten en de overige menshcid, met name de kerk.

 
3. Nu wordt ook duidelijk, waarom de sektarische eindverwachting vrijwel altijd verwachting van een zeer nabije toekomst is en veelal met concrete termijnen opereert. Want alleen in deze vorm knn de theologia gloriae sectae de tegenstelling tussen pretentie en wcrkolljkheid trotseren en zichzelf handhaven: we zijn nu nog maar U!1 kleine, geminachte en vervolgde groep; maar weldra zullen we triomferen en onze vijanden zullen in het stof liggen! Maar dit "weldra" is tevens de Achilleshiel van de theologia gloriae sectae.


Ze kan niet wachten. Omdat ze de gloriae Dei tekort heeft gedaan, kan ze zieh niet meer naar "Gods geduld" voegen, Ze is gedwongen tot een houding van dringend ongeduld. Derhalve moet ze apocalyptische wissels uitgeven, die op korte termijn inwisselbaar zijn.

Dit ongeduld geeft aan de sektarische eindverwachting het karakter van verhitte opgewondenheid, De bijbelse profetie is vervuld van een geestelijke terughoudendheid. En het bewustzijn, dat de eindtijd gekomen is, werkt niet als zenuwprikkel, maar zet zieh om in de roep om trouw te zijn in geloof en in dienstbetoon (1 Petrus 4, 7 vv.). In de sektarische apocalyptiek daarentegen ontmoet men een hectische onrust. Niet alleen bij jehova's Getuigen. Ook bij de Hersteld-Apostolischen, bij allerlei Pinkstergemeenschappen en andere sektarische groepen komen rondom de eindverwachting de meest wilde fantasieen voor de dag. Een koortsachtige opgewondenheid van de gelovigen is het gevolg. Als de boodschap van stamapostel Bisehoff betreffende de wederkernst niet in vervulling zou gaan, dan heeft, zo verklaren vele Hersteld-Apostolischen, jezus zelf gelogen; anderen willen dan zelfs ieder geloof üver boord gooien of zichzelf ophangen.")

Over de tenhemelopneming worden allerlei griezelverhalen verteld. Zo zouden in de Sowjetunie dertig gelovige mannen naakt een ijsveld opgejaagd zijn, maar Jezus zou met een aantal begeleiders te hulp zijn gekomen en hen herschapen hebben en hen in witte klederen bijtijds in de hemel opgenomen hebben. Een vrouwelijk lid van een Pinkstergemeente zou in de trein reeds de Iijfelijke antiehrist met de wereldbol en het getal 666 op zijn muts ontmoet hebben. Men ontdekt "profetische" wolkenbeelden, postzegels en potloden. Men publiceert "profetische" boodschappen met concrete termijnberekeningen en onheilsaankondigtngen. Men ziet uit naar mensen, die geen merkteken aan het voorhoofd dragen en daarom koningen van het duizendjarig rijk zullen zijn. Men fluistert, dat de "twee getuigen" er reeds zijn en zich momenteel op hun zending voorbereiden, Een vrouw, die vroeger reeds deel uitmaakte van de kring van Abram Poljak. Hanna Faiss, noemde zieh de "vrouw, die met de zon bekleed is" (Openb. 12, 1) en ging op zoek naar de "twee getuigen", die bij haar hoorden, om deze voor de strijd van de eindtijd te zalven. De "Broederschap: De Koning Komt" ,

Een Pinkstergroep, maakte in de stijl van een sensationeIe reportage als volgt een visioen wereldkundig: "Opgelet, opgelet! Hier spreekt de wereldzender "Zion"! Aangesloten zijn alle zenders van de aarde met inbegrip van de televisiestations. Halleluja! Ere zij het Lam! Extra-bericht van de Koning der koningen jezus Christus! De engel, die voor God staat, die de sleutels en de volmacht over de afgrond heeft, viel zojuist de draak aan, de oude slang, en bond hem met de ketenen van de duisternis en van de toorn Gods voor duizend jaren in de afgrond. Alle rijken der aarde staan van nu af aan on der de absolute macht en souvereine heerschappij van Immanuel, de Koning der koningen ... " 59)
 

4. De apocalyptiek van de sekten heeft met de bijbelse boodschap aangaande de eindtijd nog wel de beelden en figuren gemeen, maar niet meer de geest. Want ook de bijbelse eschatologie wordt door het sola gratia beheerst en ze wordt een carieatuur, als het sektarisme vanuit zijn duistere verkiezingstheorie zieh van haar me ester maakt.

De sekte moet echter haar eenmaal aangevangen weg der wetsvolbrenging wel ten einde gaan. Wie Gods vrije gen ade van de aanvang af aan banden probeert te leggen, moet zieh ook in het slotdrama tot bezitter van deze gen ade opwerpen, moet zichzelf uitroepen tot deurwaehter aan de poort van het komende rijk en van dit rijk - het koninkrijk Gods - een geperfeetioneerd sektenrijk maken.

Het gericht over deze zelfoverschatting la at niet op zieh wachten. De apocalyptisehe wissels van de sekte worden door God niet irrgelost. Hij richt Zieh niet naar hun geschiedenisprogramma's en eschatologische kalenderindelingen. Hij gaat souverein zijn eigen gang en spot met hen, die in de waan verkeren in zijn kaarten tc hebben gekeken en Hem zijn geheimen ontfutseld te hebben. Derhalve voltrok zieh zijn gericht over menselijke nieuwsgierigheid en aanmatiging reeds aan vele sekten van vroegere eeuwen, die zich aan hun eigenmaehtige profetieen vertild hebben en daaraan gestorven zijn.

In onze tijd voltrekt het zich aan de Hersteld-Apostolischen. Het heeft de Katholiek-Apostolischen van hun aantrekkingskracht beroofd en hen terug geroepen tot de staat van een stille, gelouterde gemeenschap. Andere sekten heeft het in een slepende crisis gebracht, waaruit ze zich alleen nog door een wezenlijke herziening van hun stellingen kunnen redden. En ook die gemeenschappen zaI het wel weten te vinden, die nog altijd met hun hel-glanzende verlokkingen de verwachtingen van hun leden op voorhand voeden en die het steeds moeilijker krijgen om de termijnen te prolongeren en het aangewakkerde ongeduld van hun gelovigen te stillen


Hoofdstuk 7

CONCLUSIES EN CONSEQUENTIES

De bijbel in de linkerhand


Als in Swedenborgs "Nieuwe Kerk" een jong predikant bevestigd wordt, wordt hem de Bijbel in de rechterhand en Swedenborgs geschrift "Ware Christelijke Godsdienst" in de linkerhand gegeven. Dat is een zinnebeeidige handeling. Er wordt mee uitgedrukt, dat de "Nieuwe Kerk" haar geloof niet alleen op de Heilige Schrift baseert, maar daaraan een nevenbijbel heeft toegevoegd.

Ook alle andere sektegemeenschappen hebben zulke bijbels in de linkerhand. Kenmerkend voor de sekte is namelijk, dat ze zieh met de Heilige Schrift alleen niet tevreden kan stellen. Waarom niet? Het motief daarvoor ligt niet direct aan de oppervlakte: het evangelie is de boodschap van de vrije genade in Christus. Wie die verwerpt, verloochent de kernwaarheid van de Schrift. Een theologia possessionis, zoals de sekten die vertegenwoordigen, wordt da ar reeds in de kiem gesmoord. De sekten zijn dus op dit punt in strijd . met de Schrift. Ze bevinden zieh in een eigenaardige situatie. Enerzijds moeten ze, om hun leer te legitimeren, het gezag van de Schrift nadrukkelijk laten gelden. Anderzijds moeten ze de Schrift echter aan een correctie onderwerpen of desnoods andere autoriteiten er tegenover plaatsen. Zo is dus hun houding tegenover de Schrift bepaald door een mengsel van binding en eigenmachtigheid.

1. Bi] een deel van hen schijnt het weliswaar, alsof ze overtuigde fundamentalisten zijn, die de kerk juist verwijten, dat deze het met haar binding aan de Schrift niet zo nauw neemt. Het ga at hier vooral om de Perfectionisten, de Pinksterbeweging, de Adven- 110 CONCLUSIES EN CONSEQUENTlES tisten en jehova's Getuigen. Hun fundamentalisme vertoont echter bedenkelijke onvolkomenheden. De Pinksterbeweging en de Perfectionistische sekten kunnen b.v. de kern van het evangelie, de gelijkenis van de verloren zoon, niet zo laten staan en laten gelden, zoals die in Luc. 15 staat. Ze kunnen die slechts in eigen paraphrasen weergeven en moeten haar in haar ruimheid en rijkdom door commentariörende invoeging van "voorwaarden" en "onderstellingen" begrenzen. Het woord, dat [ezus aan het kruis tot de moordenaar sprak, moet hun een ergernis zijn, evenals alle getuigenissen uit de Bijbel, waarin van de daad van Gods vrije genade sprake is, zonder dat deze aan een voorafgegane bekeringsacte, een volledige overgave een volk omen heiliging of aan een "geestesdoop" gebonden werd. Bovendien kennen beide groepen, afgezien van het Schriftwoord, n6g een woord, nl. een woord dat God in het heden spreekt en dat in de subjectieve sfeer tot de mens komt: het bestaat in de persoonlijke ervaring van de bekering, respectievelijk de geestesdoop. Daarbij komen dan nog, vooral bij de Pinkstergemeenten, de vele "openbaringen", visioenen, toezeggingen, tongentaal, persoonlijke roepingen, zgn. ontmoetingen met God of met Christus, de ontvoeringen in de geest naar de hemel, gepaard gaande met droomgezichten en profetieen, en wat dies meer zij, die als bovennatuurlijke bekendmakingen, als openbaringen van de Heilige Geest, zij het misschien ook van geringere waarde, een aanzienlijke rol speIen naast de waarheid van de Schrift en deze veelal overwoekeren. Niet zelden wordt aan de kerk verweten, dat ze aan "de dode letter" blijft hangen, inplaats van op de voortschrijdende openbaringen van de Heilige Geest te letten. "Die mensen, die louter bij de Bijbel zweren, houden wel het geschreven Woord hoog, maar als men goed op hen let, valt gewoonlijk een ding op: ze houden zich uitsluitend bezig met wat God gezegd heeft Als we echter door

Gods genade in ons hart ervoor gewonnen zijn, dat we geloven: Het Hoofd is in de tegenwoordige Geest werkelijk in ons midden, dan brandt er in ons een verlangen, nl.: Hoofd, spreek!" De theologen van "een verstard Christen dom" zijn echter pure schriftgeleerden geworden en zijn de Geest kwijtgeraakt. "Daarom verwerpen ze ook de levende stenen van de tempel en zetten de vorm, de dode Ietter daarvoor in de plaats (Rom. 7, 6). Alles schijnt bij hen net zo onwederlegbaar, zo volkomen bijbels tot op het puntje van de i, als bij de schriftgeleerden van weleer." 6O)

Hoe jehova's Getuigen met de Schrift omgaan, is bekend. Kernpunt van de Schrift is volgens hen een chiliastisch geschiedenisplan van jehova, dat ze echter eerst zeIf construeerden. Hun "fundamentalisme" bestaat hierin, dat ze wel de letter ernstig nemen, maar willekeurig allerlei teksten uit hun verband rukken om ze dan weer bij stukjes en in andere rangschikking aan elkaar te lijmen, er een al naar behoefte symbolische, pro fetische of paralleIliserende uitleg aan geven en zodoende de geest en de zin van de Schrift gruwelijk mishandelen. Minder bekend is, dat jehova's Getuigen naast de Schrift nog een aanvullende openbaringsbron erkennen: die vloeit in hun Theocratische Organisatie, of, om het nauwkeuriger te zeggen: in de leidende kring van deze gemeenschap in Brooklyn, die b.v. in het jaar 1935 van jehova het verrassende bericht kreeg, dat er behalve de 144.000 uitverkorenen ook nog een "grote volksmenigte" is, die het aardse toekomstparadijs zal gaan bevolken, of die in 1950 de Getuigen, die bijeen waren üp het wereldcongres in New- York, gelukwenste met de nieuwe openbaring van Jehova, dat er zieh onder de deelnemers "waarschijnlijk een aantal vorsten van de nieuwe aarde" bevond.")

HetzeIfde geval doet zieh voor bij de Adventisten, die ervan overtuigd zijn in de geschriften en apocalyptische visioenen van E. G. White een aanvullende openbaringsbron te bezitten. Zij heeft het zwaartepunt van de bijbeIse waarheid van het sola gratia, sola fide naar de drievoudige engelboodschap van Openb. 14, 9-14 verschoven. De stoot daartoe kreeg ze niet vanuit een nieuw en beter inzicht in de Schrift, maar door een visioen. Hierin werd haar een uitleg van Openb. 14, 9-14 gegeven, die echter met de tekstinhoud weinig gemeen heeft. Maar toen haar gedurende dit gezicht de drie engelboodschappen getoond werden, wees de begeleidende engel haar op de heilsbeslissende, absolute waarde ervan met de woorden:

"Wee degene, die ook maar het geringste aan deze boodschappen verandert, Het juiste inzicht in deze boodschappen is van het grootste belang. Het lot van de zielen hangt af van de aard en de wijze, waarop ze würden aanvaard." 62) De derde engelboodschap bevat in de verklaring van E. G. White het gebod de wereId te waarschuwen voor de zondag als het kenmerk van de antichrist. Ook deze vervloeking en het verheffen van de sabbatsviering tot het centrale gebod gaat niet terug op de Schrift, maar op een visioen. E. G. White "zag" het sabbatsgebod boven alle andere uitsteken, doordat het door een lichtende ring omgeven was. "Ik zag, dat de heilige sabbat de scheidsmuur tussen het ware Israel Gods en de ongelovigen is en zijn zal en dat de sabbat de grote opdracht is, die de harten van Gods geliefde, wachtende heiligen zal verenigen." 63)

Op dezelfde manier heeft Röckle essen ti öle punten van de leer aangaande de tenhemelopneming - een leer, die zijn Philadelphiagemeente typeert - niet uit de Schrift, maar uit visionaire bronnen geput. Zijn "twaalf kenmerken als toetssteen van volk omen overgave" zou hij direct van God ontvangen hebben. En zijn boekje "De voleinding van de Philadelphia-gemeente van de eindtijd, en haar opneming ten hemel" met de daarin ter sprake komende "driedeling van de tempel", d.w.z. de onderscheiding van de Christenheid in drie klassen, zou johannes hem gedicteerd hebben.

2. Het is dus zeer de vraag of bij deze fundamentalisten het geloof in de Schrift wel zo diep zit, als beweerd wordt. Het grootste deel van de sekten echter heeft de uitsluitende binding aan de Schrift met zoveel woorden opgezegd. Wat is de Schrift voor de HersteldApostolischen? Een verouderde openbaring, geen viva vox, maar een verzameling dode letters, die het geloof niet kunnen doen ontvonken, "Ik had ook een bijbel, zo vertelde de latere stamapostel Niehaus, die ik ergens boven op een kast had neergelegd, maar na een poosje ontdekte ik, dat de muizen Jezus en de apostelen hadden opgevreten. Dat is nu uw [ezus, dat zijn dus uw apostelen, waarvoor een muis niet eens respect heeft; sedert ik echter de levende God (gemcarneerd in de stamapostel Krebs) dien, is dat allemaal heel anders geworden, want nu lopen zelfs de honden voor me weg" (naar een alleen voor de "ambten" uitgegeven bericht van 15 april 1904, pag. 4). In onze tegenwoordige tijd hebben de Hersteld-Apostolischen het "actuele" woord Gods, voor het huidige geslacht geopenbaard door de stamapostel en verder uitgedragen door de apostelen. "We moeten naar een openbaringsplaats gaan, niet naar een plaats van herdenken! Het is immers satans grootste triomf, ons te doen rondsnuffelen in een verleden tijd, zodat we vergeten, wat ons in deze tijd kan helpen, wat nu nodig is Niet conserven

met fleurige etiketten, maar fris, vitaminenrijk fruit - dat is het, waar het op aan komt!" 64)

Anderen verbreken de eenheid van de Schrift. Pol jak komt tot een tweedeling: een deel heeft alleen geldigheid voor "de gemeente als lichaam", een ander deel alleen voor "de gemeente van het koninkrijk". De Swedenborgianen moeten niets hebben van de brieven van Paulus. Anderen volgen hen daarin. De Christengemeenschap houdt zowel rekening met de Schrift als met de anthroposophie van R. Steiner, en wel zo, dat niet de anthroposophie wordt uitgelegd aan de hand van de Schrift, maar de Schrift aan de hand van de anthroposophie.

Weer anderen hebben naast de Schrift nieuwe heilige boeken aangenomen, waaraan ze canonieke geldigheid en dezelfde openbaringswaarde toekennen. Zo bezitten de Mormonen het boek Mormon, "De leer en de verbonden" en "De kostbare parel" van [oseph Smith als heilige schriften. In artikel 8 en 9 van hun geloofsbelijdenis staat: "Wij geloven aan de bijbel als Woord Gods, in zoverre hij juist vertaald is; we geloven ook aan het boek Mormon als W oord Gods. We geloven aan alles, wat God geopenbaard heeft en alles, wat Hij thans openbaart, en we geloven, dat Hij nog vele en belangrijke dingen openbaren zal met betrekking tot het Rijk Gods."

De Christian-Scientisten hebben het boek van Mary Baker Eddy:

"Wetenschap en Gezondheid met sleutels tot de Heilige Schrift" canoniek verklaard. Het is geen gewoon boek, maar goddelijk geinspireerd en bevat daarom onvoorwaardelijke, onfeilbare waarheid. Mary Baker Eddy zelf was "slechts de schrijfster, die de hemelse harmonieen in goddelijke natuurleer weergaf". Over haar boek oordeelde ze later: "Eeuwen zullen voorbijgaan, eer de verklaring van de onuitputtelijke grondgedachten van "Wetenschap en Gezondheid" voldoende begrepen zal zijn, om gans en al bewezen te kunnen worden." 65) In de diensten van de Christian-Sclentisten worden dan ook regelmatig naast pericopen uit de Schrift tevens stukken uit .Wetenschap en Gezondheid" voorgelezen.

De "Kerk van het Godsrijk" teert op de drie boodschappen van haar .zendbode" F. 1. Alexandre Freytag: De goddelijke openbaring - De boodschap aan de mensheid - Het eeuwige leven. De tweede band noemde hij zelf "het belangrijkste werk, dat op aarde be staat" . Het is "een door de Geest Gods ingegeven getuigenis" en "de boodschap van het eeuwige leven." 66) Voor zijn aanhangers hebben deze boeken dezelfde waarde als de Bijbel. Aan de hand daarvan wordt de Bijbel gelezen en uitgelegd en de "Boodschap aan de mensheid" overtreft zelfs nog de Heilige Schrift, omdat ze "veel duidelijker is en nooit voor tweeerlei uitleg vatbaar" .67)

De Evangelisch- [ohannetsche Kerk zweert bij de Lutherbijbel en maakt er de kerk zelfs een verwijt van, dat ze de Luthertekst aan een revisie onderwierp. Maar daarnaast bezit ze de geschriften van [oseph Weissenberg, waaruit telkens weer de teksten gekozen worden voor hun preken, Daarenboven laten ze in hun godsdienstoefeningen de "geestvrienden" uit heilige hoogten tot de toehoorders spreken.

De aanhangers van Lorber hebben evenals De Nieuwe Kerk van Swedenborg een hele verzameling van boeken, die gezaghebbend zijn, omdat ze "nieuwe openbaringen" bevatten. Deze nieuwe openbaringen van Jacob Lorber staan als gelijkwaardig naast de oude openbaringsgeschriften, zoals ze immers ook uit een en dezelfde hemelse bron afkomstig zijn. Aangezien ze vragen beantwoorden, die in de Bijbel opengelaten of helemaal niet aangeroerd zijn, gaan ze de geestelijke inhoud van de Schrift zelfs nog te boven. Lorbers hoofdwerk: "Het grote evangelie van [ohannes" geeft in zijn tien banden de lezer "in alle vragen over God, schepping, levenszin en eeuwigheid een opheldering, die diep gelukkig maakt. Hier wordt het geheim van de persoon van jezus Christus volkomen doorzichtig en verrijst uit dogmatische verstarring en menselijke misvorming met nieuwe kracht en macht de ware Heilandsleer." 68)

Voor de Graalbeweging is de graalboodschap van Abd-ru-shin "In het licht der waarheid" heilige schrift geworden. Ook hier wordt de volheid van de antwoorden geroemd: De "mensenzoon" , die het geschreven heeft, geeft in dit boek alle inlichtingen, die maar nodig zijn, over het vanwaar, waarheen en waarom, roert alle vragen van het zijn aan, zorgt ervoor, dat men lichamelijk, psychisch of geestelijk gezond wordt en biedt alles om het leven op aarde waardevol en gelukkig te doen zijn. "Dit boek is uniek. Het ontsluiert ons de diepe zin van alle dingen, laat ons hun wezen verstaan, en de wereld, waarin wij leven, volledig begrijpen. Het onthult de sferen van de schepping van hun oorsprong af en verheldert daarbij alle gebeurtenissen, die voor ons eigen denken belangrijk zijn. Het verwijdt de horizon van onze blik en van ons weten. We zien plotseling helderder om ons heen. We worden vrijer en gelukkiger. We krijgen een vermoeden van de grootheid van de Schepper bij het zien van zijn wonderbare scheppingswerk. Dit uitzonderlijke boek verduidelijkt de innerlijke samenhang tussen al het bestaande, zowel in het groot als in het klein, in de geheie schepping alsook in ons individuele leven, en laat ons de binding van de mens aan het geheel zien." 69)

3. Allemaal nevenbijbels! Voor het feit, dat men ze aan de Heilige Schrift toevoegt, worden diverse redenen opgesomd. De Bijbel is onvolledig overgeleverd, zeggen sommigen, en heeft daarom een aanvulling nodig. Hij is gebrekkig vertaald en heeft een correctie nodig, zeggen anderen. Weer anderen wijzen op de voortgaande openbaringswerkzaamheden van de Heilige Geest en aangezien ze zelf deze Heilige Geest in hun midden hebben, zijn ze gemachtigd deze openbaringswerkzaamheid voort te zetten. Of men merkt op, dat de Bijbel zelf haar eigen onvolledigheid toegeeft (Joh. 21, 25) en dus om een aanvulling vraagt. Of men wijst op de wonderbaarlijke gebeurtenissen, waarmee de nieuwe openbarigen b.v. bij Swedenborg of Lorber of E. G. White of Christi an Röckle of bij profeten uit de Pinksterbeweging omgeven zijn.

De motieven zijn dus veelvoudig. Maar het resultaat is altijd hetzelfde. De nevenbijbels vertegenwoordigen zonder uitzondering de magna charta van de betreffende theo1ogie possessionis. Daarom zijn ze, gekoppeld als ze worden aan de Heilige Schrift, geen onschuldige aanhangsels, maar overmeesteren en overschaduwen ze de waarheid van de Schrift. Dat betekent: Waar een sekte vanuit haar midden een boek tot heilige schrift verheft, doet ze het W oord Gods geweld aan. Met haar eigen boek is ze bezig God te bevoogden. Hij mag nu niet meer zo spreken, zoals Hij in de Schrift gesproken heeft, maar moet spreken, zoals de sekte het voor juist houdt. Het Woord Gods is in zijn majesteit onder het juk gebracht, besnoeid en gelijkgeschakeld. Alweer worden we hier gewaar, hoe de gloria sectae triomfeert over de gloria Dei.

Op het terrein der vraagtekens

Wie zieh eenmaal van de Schrift heeft af'gewend, is op weg de Schrift helemaal de rug toe te keren. Deels gebeurt dat aarzelend, deels doelbewust. In welke richting dat nu gaat? Het antwoord op deze vraag vinden we, als we teruggrijpen op de antithetiek van de sekten. Wat men zoekt, is een heilsfundament, dat steviger is dan het sola gratia. Daartoe heeft men een theologia possessionis ontwikkeld, waarin dit nieuwe heils fundament nu wordt ingebouwd en verankerd. En dan begint eerst recht de uittocht naar deze gedachtenconstructies, ambten, sacramenten en erediensten, waarin naar hun overtuiging het heil gevangen, gecontroleerd en bewerkstelligd kan worden.

Maar of dat nog wel de genade van God is, die men daar meent gevangen te hebben? Heeft men hier zichzeIf niet op een afschuweIijke manier om de tuin geleid? Werkelijk, hier voltrekt zieh nu het gericht, dat met de ontrouw aan het sola gratia gepaard gaat. Deze mensen zochten naar zekerheid en huiverden derhalve terug voor de sprong om enkel als een door God gegrepene te leven. Doch ze vinden niet alleen geen zekerheid, maar komen terecht in een zee van onzekerheden. Tezamen vormen al hun leerstellingen, die de inhoud van de theologia possessionis vormen, een aaneenschaling van onzekerheden.

Zo zouden de apostelen van de Hersteld-Apostolischen van de Heilige Geest hun aanstelling en volmacht ontvangen hebben. Maar men leze eens na, hoe na twee voorafgaande scheuringen de eerste garde van apostelen op het concilie van Braunschweig in 1878 tot stand kwam: "Men vroeg aan God, of Güldner een apostel was, en toen er na driemaal herhaald vragen geen antwoord kwam, schreeuwde men God uitdrukkelijk toe, waarom Hij geen antwoord gaf. Dat ging een poosje zo door, tot de hele menigte zo in extase geraakte, dat aanstelling op aanstelling volgde, de een dit schreeuwde en de ander dat. De een riep deze naam, de ander schreeuwde:

"Nee, die moet het zijn!" 70) Zou dit lawaai en geschreeuw de stem van de Heilige Geest zijn geweest?

Hoe kwam de eigenlijke leer van de Adventisten tot stand? Het begon met een eigengereide berekening van de parousie en een fout uitgevallen eindverwachting. .Daarop volgden onenigheden en scheuringen. Vervolgens zocht men koortsachtig naar uitwegen uit deze vastgeIopen situatie. Men greep nu eens naar deze, dan weer naar die leer, en geloofde en verwierp ze beurtelings, tot men uitvond, dat Christus in 1844 op de eerste oktober het allerheiligste was binnengegaan. Dat was een nogal fantastische en niet bepaald vernuftige uitvlucht, waarmee men de tegenstelling tussen profetie en vervulling wegmoffeIde. Tenslotte eigende men zieh van de Zevendedags-Baptisten de sabbathsgedachte toe, en een zieneres met een grote geldingsdrang, E. G. White, die als gevolg van een verwonding door een steenworp in haar kinderjaren ziekelijk was geweest, gaf daaraan prompt met een gezicht de nodige goddelijke bekrachtiging. Haar visioenen uit een vroeger stadium, die niet meer zo best in de leerontwikkeling van een later stadium pasten, werden kortweg veranderd. Andere visioenen behelsden onmogelijke beweringen (b.v. dat v66r de zondvloed uit tegennatuurlijke paringen tussen mens en dier nieuwe soorten zouden zijn ontsprongen) of hielden aanwijzingen in, die wegens hun onhoudbaarheid door Jatere visoenen herroepen moesten worden (b.v. het vrijgeven van varkensvlees voor consumptie of de invoering van vrouwelijke reforrnkleding). Bovendien werd haar plagiaat ten laste gelegd. Nogmaals: zou bij dit soort Ieervorming de Geest Gods aan het werk zijn geweest?

Of wat te denken van het boek Mormon, van de verschijningen van de engel Moroni aan de farmerszoon uit de binnenlanden joseph Smith, van het uitgraven van de gouden platen en van de profetenbril op de heuveI Cumorah, van die hele geschiedenis van de uitLocht van de Israelitische stammen naar Amerika en het tweede opI roden van Christus in dit wereIddeeI?

Of wat van de Christengemeenschap, wanne er deze de hogere konnis van Steiner als onomstotelijke autoriteit behandelt: Reeds In 1922 heeft de indoIoog J. W. Hauer aangetoond, uit welke brennen Steiner zijn .Jiogere kennis" geput had - niet uit kenuisname van de "Akascha-kroniek", maar uit manieheische elemontcn en overIeveringen van de Mithra-cultus, uit de geschriften vun Blavatsky en Besant, uit "Die Gnosis" van E. H. Schmitt en "Allantis, naar occulte brennen" van Scott-Elliott. "De aanhangers van Steiner hebben het zo vaak over de buitengewone nieuwe openbaringen van Steiner. Ik vraag me af: waar zijn die dan? Ik zie alleen maar gezichten die ik al eens eerder ontmoet heb en die volgens mijn onderzoekingen ook Dr Steiner wel eens ergens op deze aarde ontmoet moet hebben." 71)

En hoe is het gesteld met de "openbaringen", welke Swedenborg en Lorber uit de andere wereld ontvingen? Zender aan de subjectieve eerlijkheld van deze zeer achtenswaardige en vrome mannen ook maar iets af te doen, moet toch worden gezegd, dat het in de wereid wemelt van openbaringen van deze aard, en dat die van Swedenborg en Lorber zieh alleen door een grotere omvang en een ho ger niveau daarvan onderscheiden. Maar ook zij droegen het stempel van de tijdgeest en het valt een psychologie, die de enorme wereld van het onbewuste heeft ontdekt, niet moeilijk, niet alleen de herkomst van deze openbaringen te verklaren, maar ook de eigenaardige begeleidende verschijnselen, waarmee ze waren verbonden. De stille, introverte Lorber mocht dan al een inwendige stern gehoord hebben, welker dietaten hij opschreef, ook de Franse mystica Jeanne Marie Bournier de la Motte-Guyon (1648-1717) schreef onder dezeHde innerlijke drang haar tractaten, welke veertig banden vulden. En de uiterlijke begeleidende verschijnselen waren even "wonderbaarlijk" als bij Lorber. In haar autobiographie vertelt ze daarover: "Ik schreef niet vanuit mijn eigen geest, maar door de inwendige Geest. Als ik de pen ter hand nam, wist ik van wat ik zou ga an schrijven, nog geen woord; en later ook niet, wat ik geschreven had. Het vloeide - in stromen van inwendig licht - als het ware uit de diepte na ar buiten en nam niet de weg via mijn hoofd. Mijn hoofd was zo vrij van ledere medewerking, dat het als leeg ge goten was. De snelheid waarmee ik schreef, was zo groot, dat mijn arm opzwol en helemaal stijf werd Ik schreef ononderbroken dag en nacht door, waarbij de hand nauwelijks gelijke tred kon houden met de dicterende Geest. Gedurende deze arbeid gebruikte ik nooit een boek. Een schrijver kon in vijf dagen nauwelijks opschrijven, wat ik in een enkel uur had neergeschreven." Eenzelfde verschijnsel vinden we bij Jacob Böhme. Ook hij gevoelde zieh als een instrument Gods en schreef eveneens zo snel, dat zijn armen vanwege de inspanning trilden. De manier, waarop Lorbers "nieuwe openbaringen" tot stand kwamen, staat dus niet op zichzelf. Rechtvaardigt alleen dit het toekennen van goddelijke waarde aan deze geschriften? Dan zou men die aan alle boeken van de Bijbel beslist moeten ontzeggen, want hun auteurs schreven zeker niet in trance, maar bij volledig bewustzijn.

En hoe staat het met al die bekeringen, die volledige overgave en volkomen heiliging van de Perfectionistische sekten? Hebben ze werkelijk de macht van de zonde gebroken? Maar al zouden ze ook alle duivelen uit hun harten hebben verjaagd, een is gebleven: de duivel van de superbia, die hun verbood, de weg van deemoed en broederlijkheid te gaan en hen ertoe dreef, zichzelf voor betere Christenen te houden dan de anderen en zieh van hen af te zonderen. Zou zo'n "bekering" werkelijk een betrouwbare grondslag zijn voor de heilszekerheid?

En hoe is het met de geestesdoop en de geestesgaven bij de Pinkstergemeenten? Daarin zou dus de Heilige Geest Zieh bekend maken! Toegegeven zij, dat er in de Pinksterbeweging charisma's voorkomen, zoals overigens ook wel in de kerk: gaven van profetie, van genezing, van onderscheiding der geesten. Waar ze als onverdiende gaven sola gratia worden ontvangen en in ootmoed gebruikt, betekenen ze een verrijking voor de bezitters van die gave en vom de gemeente. Maar in grote delen van de Pinksterbeweging is deze grens overschreden. Daar wordt van de charisma's een sensatie gegemaakt, en met een aantal figuren, die een dergelijke gave bezitten, wordt een propaganda bedreven, die pijnlijk dicht in de buurt komt van het lawaai rondom filmsterren, sporthelden e.a. in allerlei gelllustreerde weekbladen. Maar de Heilige Geest .Jeent Zich nooit VOOI sensaties. Hij maakt geen spektakel. Alle reclame, die men met l./{u. Godsmannen maakt, staat Hem tegen. Het is onbetwist zeker, dnt de Heilige Geest bij een tamtam om een zgn. grote man nooit uuiwezig is." 72) En hoe klein denkt men van de Heilige Geest, als men Hem verantwoordelijk maakt voor al die banaliteiten en trivialteiten en heel dat godsdienstig-sentimentele gedoe - en dikwijls ook mluderwaardig gedoe -, dat bij het tongenspreken enz. voor de dag kumtl Reeds in 1907 heeft een leider van een Duitse gemeenschap, lour) rnen hem enthousiast op de vele wonderen en tekenen in Los Angelos wees, er de aandacht op gevestigd, dat deze wonderen ook in Duitsland sehering en inslag, ja dat ze er a.h.w. voor het oprapen waren.

Men moet deze fenomenen met de visioenen en massagenezingen eens nader onderzoeken en dan eerst daarvan aftrekken, wat er bij kwam door vrome suggestie, massa-psychose en opgezweepte hartstochten, door propaganda, occulte beinvloeding, labiele zenuwen enz. - om van de nog troebeler motieven van vrome vervalsing, geldingsdrang of zelfs daemonische bezetenheid nu maar te zwijgen.

Men trekke dat alles ervan af en beoordele dan de overblijvende rest, of en in hoeverre hier de Heilige Geest aan het werk was. Men verwissele echter niet psychische extasen met de uitingen van de Heilige Geest! Als iemand, die enigermate ontvankelijk is, zieh in de Pinksterbeweging aan het trommelvuur van zo'n ster-evangelist en aan de bedwelmende atmosfeer, die in deze bijeenkomsten aangekweekt wordt, uitlevert, dan kan hij na korte of lange tijd zelf ook zijn "geestesdoop met tongentaal" tegemoet zien! De vraag is maar, of het dan een doop met de Heilige Geest of met de eigen geest is, Als de Pinksterbeweging van de aanvang af de onderscheiding der geesten - en dat is immers ook een geestesgave - nuchter en welbewust had toegepast, zou haar veel verwarring en verwildering bespaard gebleven zijn. Maar zelfs deze verwarring zou niet zo dodelijk gevaarlijk hebben kunnen worden, als men de geestesgaven maar in hun bijbelse zin als geschenken van de Heilige Geest gezien en aanvaard had, en de heilsvraag op generlei wijze aan de geestesdoop had gekoppeld, doch strikt aan het sola gratia en de rechtvaardiging door Gods jawoord had gebonden.

En wat te denken van de ontdekking van de mentale genezing door Mary Baker Eddy? De offleiöle geschiedschrijving van de Christi an Science houdt vol, dat ze door inspiratie tot dit inzicht zou zijn gekomen. De onbevangen onderzoeker weet echter beter. Ze heeft haar systeem in zijn grondtrekken overgenomen van Dr Quimby. Haar eigen ziekte heeft ze met haar geestelijke genezingsmethode bedwongen, omdat die psychische oorzaken had. Dat ze ook de zonde zou hebben bedwongen en daaraan afgestorven zou zijn, zal men wel niet durven beweren. En dat ze de dood niet overwon, moeten zelfs haar aanhangers wel toegeven. Wat juist is aan haar genezings-
methoden, was reeds vöör haar door de New-Thought-beweging in practijk gebracht en wordt tegenwoordig ook door psychotherapeuten en artsen toegepast. Maar met Christus heeft dit alles niets te maken.

En hoe staat het met de waarheidsbronnen van Jehova's Getuigen en de Kerk van het Godsrijk? Russell ging vroeger voor een goddelijk geinspireerde profeet door. Maar zijn berekeningen en profetieen zijn veertig jaar geleden al in elkaar gestort. Tegenwoordig is er geen enkele "getuige" meer te vinden, die nog over hem spreekt. Daarna verscheen zijn opvolger Rutherford, die het zwaar gehavende gebouw van de termijnberekeningen weer zo goed en zo kwaad als dat ging repareerde. Maar ook hij raadde er met zijn nieuwe termijnen naast. Ook over hem spreekt tegenwoordig niet een "getuige" meer. De sekte kan alleen leven, als ze haar eigen geschiedenis vergeet. Ze schuift haar apocalyptische rekenliniaal verder. Maar wat heeft dat met Gods Woord te maken? En Alexandre Freytag? Hij zocht hevig na ar een middel om de dood om de tuin te leiden en reeds nu eeuwig te kunnen leven of tenminste honderdvijftig of driehonderd jaar oud te kunnen worden. Maar toen hij zeventig was, stierf hij. En zijn aanhangers moeten ook sterven. Het Rijk Gods, waarvoor hij reeds de grondwet ontwierp, wil maar niet komen. En da "modellen" van het Koninkrijk op de "proefstations" zijn altijd nog maar kleine oasen, en zowel hier als in de kringen van de "Kleine Kudde"en het "Leger des Almachtigen" moet tegen het egoisme een holdhaftige, maar tevens moeizame strijd gevoerd worden, die met voortdurende tegenslagen en vermoeidheden gepaard gaat.

Dat is de Consequentie van het verlaten van de Bijbel en het terechtkomen in het onafzienbare gebied der onzekerheden. De sekten bobben het sola gratia onder protest de rug toegekeerd en wilden iets zekers hebben. Maar God kan zijn genade niet indrukwekkender en geloofwaardiger garanderen dan in zijn Woord en in de offerdood van zijn Zoon. Wie het sola gratia afwijst, stort zich in vrome eigenmachtigheid. En hij eindigt in zelfbedrog. Hij zoekt en schept  zich een zekerheid, die evenwel stuk breekt onder de last van de vraagtekens. Dat is het lot van de sekten - menselijk beschouwd een  tragedie, van God uit gezien een gericht.

 

Derde deel

DE KERK EN DE SEKTEN

Vragen van de sekten aan de kerk

De sekten, waarop ons onderzoek betrekking had, zijn ontstaan binnen het Protestantisme. De verhouding tussen hen en de kerk staat in het teken van vijandsehap, van aanval en verdediging. De band is verbroken. Voorzover er tussen beide een dialoog gevoerd wordt, wordt deze bepaald door de wederzijdse verwerping. Maar da ar bovenuit vindt een andere dialeeg plaats op een hoger vlak. Hier zijn het niet meer mensen, die in de naam van hun geloofsovertuigingen met elkaar twisten. Hier is veeleer de Heer zelf de gespreksleider, die de beide tegenstanders aan een tafel zet en hen ertoe dwingt, dat hun wo orden en antwoorden niet sleehts in aanval en tegenaanval blijven steken, maar dat ze daarbij zelfs meedogenloos in hun trouweloosheid en armoede en in hun afvalligheid ontmaskerd worden.

We hebben de ontmaskering van het sektewezen nu nader leren kennen. We hebben gezien, hoe de hybris, waarmee men ingreep in het werk van Gods genade, gepaard gaat met immanente gerichten. De sektarische heilsweg loopt consequent uit op deze gerichten. Ze zijn dan ook onvermijdelijk. Maar nu moeten we ons bezig houden met het feit, dat de sekten niet in een luehtledige ruimte als het ware uit het niets ontstaan zijn. Hun stichters en leden hebben grotendeels voordien in een kerk geleefd, waarin de boodschap van het sola gratia werd verkondigd. Deze boodschap maakt alle menseIijke heilswegen en heilsgaranties onmogelijk en onnodig. En desondanks hebben de sekten zich van haar afgekeerd! Ligt de schuld
daarvan - we stellen deze vraag met diepe verontrusting - niet ook bij de kerk: dat ze het getuigenis van de Schrift in zijn ernst, maar ook met zijn zekerheid en met zijn troost niet klaar en duidelijk genoeg verkondigd heeft? 73) De sekten zijn immers niet zomaar bij toeval ontstaan, maar in het midden van de kerk. Het zijn dochters van de kerk. Er heerst weliswaar een sIechte verstandhouding tussen de moeder en deze dochters. De dochters geven op hun moeder af, omdat ze huns inziens helernaal afgedwaald is en een sIechte moeder geworden is. En de moeder is boos op de dochters, omdat deze haars inziens ontaardden. Maar als echte moeder moet ze zich afvragen, of ze er zelf geen aanleiding toe gaf, dat haar dochters zo ontaardden.

Ze mag deze vraag niet ontwijken. En hoe pijnlijk dit ook is, een ernstig gewetensonderzoek kan voor de kerk alleen maar heilzaam zijn. Men zegt vaak, dat de sekten de onbetaalde rekeningen van de kerk zijn. Deze stelling is onjuist, als ze zou moeten dienen voor een afdoende verklaring van het sektewezen. Maar er schuilt een kern van waarheid in. Tot de krachten, die aan de sekten leven en voedsel gaven, behoren ook de ver mimen van de kerk, Dat behoeven niet aItijd verzuimen van nu te zijnl De kerkgeschiedenis heeft een lange adem.Het kan gebeuren, dat bepaalde aanklachten en wantrouwige stemmingen, die honderd of tweehonderd jaar geleden door dwalingen van de kerk te voorschijn werden geroepen, zieh in ondergrondse complexen omzetten, die zich van geslacht op geslacht voortplanten en steeds weer de voedingsbodem vom sektarische afscheidingen vormen.

Als we nog eenmaal de afzonderlijke punten nagaan, waaraan bij de sekten het zich losmaken van de bijbels-reformatorische waarheid zichtbaar is geworden, zullen we overal ontdekken, dat de kerk zelf hiervoor de weg bereid heeft. Reeds een vluchtige blik in haar interne geschiedenis toont aan, dat de theologia gloriae Dei dikwijls op gevaarlijke wijze op de achtergrond is geraakt. Telkens opnieuw is in de verkondiging van de kerk de majesteit en de ere Gods geschonden en verraden. In plaats van God koning te laten, legde mcn beslag op God. Men legde beslag op Hem in zijn macht en majesteit, zijn plannen en bedoelingen, zijn geboden en gerichten - voor de kruistochten ("God wil het!"), voor de dogma's, de zendings- aanspraken en de veroveringsdoeleinden van een bepaalde confessie, voor de christelijke beschaving van het Westen, voor stromingen en cultuurwaarden van de tijdgeest (de evolutiegedachte van de verlichting, de sociaal-revolutionaire en nationalistische ideologieön van de negentiende en twintigste eeuw). Men legde beslag op Hem voor vaderlandse oorlogen, politieke bewegingen en omwentelingen. Zijn Woord werd ondergeschikt gemaakt aan menselijk-aardse belangen en gebruikt als begeleidende muziek voor patriottische feesten en overwinningen. Hij werd geneutraliseerd, geindentificeerd met een God van de rede, tot lievelingsgod van een ras, klasse of natie verklaard. En van deze in-beslag-genomen-God naar de God van de sekte is slechts een stap. Een kerk, die zieh tegenover de theologia gloriae sectae teweer wil stellen, moet eerst met de theologia gloriae Dei in haar eigen verkondiging radioaal ernst maken. Hiermee heeft ze een opdracht meegekregen, die reikt tot in de verste vertakkingen van haar denken, spreken en handelen.

En hoe is het mogelijk, dat het bij de sekten tot die vervlakking of terzijdestelling van het uioord des kruises kon komen? Is dat niet mede voorbereid, doordat de kerkelijke verkondiging zelf deze haar opgedragen boodschap van tijd tot tijd verloren liet gaan? Men heeft haar door een moralistisch misverstaan geneutraliseerd,haar door theologisch-philosophische speculaties uitgehold of in een po el van vrome stichtelijkheid verdronken. Men is met het gebeuren van Golgotha, kostbaar als het is, omgesprongen als ware het goedkope pasmunt. Men heeft getracht het door verstandelijke verklaringen begrijpelijk en aannemelijk te maken, zodat het niet meer voor de een een ergernis en voor de ander een dwaasheid zou zijn. Men heeft van de gekruisigde een heldhaftige blonde Arier gemaakt, die het slachtoffer werd van de verdorven Joden. Kortom, men heeft op verschillende manieren geprobeerd met het kruis klaar te komen en het ergens in de wereld en in het eigen bestaan ingekapseld. Het kruis werd van zijn scherpte ontdaan en zodoende ongevaarlijk. Of - en dat is de subliemste verzoeking in de interne geschiedenis van de kerk - het kruis werd zelf tot een .Bezit" gemaakt en tot object van een theologia possessionis, waarin de gelovige niet meer als een geoordeelde onder het kruis staat, maar zich van het kruis meester maakt, om het als wapen te gebruiken - tegen anderen. In
de verkondiging en in de gedragingen van de kerk werd maar al te vaak en in allerlei perioden verzwegen, dat het kruis de dynamis theou is, die eenvoudig door geen enkel mens is te .Jrandhaven", maar die harerzijds de mens handhaaft, d.w.z. hem tot op de bodem van zijn bestaan schokt en aan het wank elen brengt. Men vergat, dat in een kerk, die "kerk onder het kruis" wil zijn, het dynamiet van Gods Woord werkzaam moet blijven, dat zijn explosieve kracht telkens weer opnieuw elke poging van de mens om zichzelf gerust te stellen, elk begin van godsdienstige bezitsvorming, van eigen gemaakte zekerheid en eigengerechtigheid volslagen verijdelt. Als de kerk zelf altijd maar van meet af aan deze tendenzen de kop had ingedrukt, zouden ze niet zo gemakkelijk hebben kunnen voortwoekeren en uitgroeien tot de theologia possessionis van de sekten,

Hoe is het mogelijk geweest, dat de sektarische vroomheid zieh bijna onbestreden meester heeft kunnen maken van de Christelijke toekomstverwachting? Is niet een van de voornaamste re denen daarvan deze, dat juist op dit gebied de kerk zich aan een wel uitermate ernstig verzuim schuldig heeft gemaakt? Ze is over lange perioden van haar geschiedenis een kerk zonder hoop geworden. Ze heeft "de eschatologische deugd" van het geduld verloren en is verslapt in haar verwachtingen van en uitzien naar de Heer. Ze heeft de bestaande wer eId aanvaard als een situatie, die voorlopig tenminste nog wel zo zal voortduren en heeft er zieh huiselijk ingericht. Dat br:acht met zieh mee, dat de heilige ontevredenheid en het heilig verlaugen verloren gingen, dat het bewustzijn hier vreemdeling te zijn verdween, dat de roep om waakzaam te blijven verstomde, en dat men die hele rijkdom aan troost, die ons in de bijbelse verwachting ge~oven is, eenvoudig liet vallen. In plaats daarvan heeft het geloof (: r zieh mede tevreden gesteid een bijbels secundaire hoop op een Hiernamaals te koesteren. En de theologie heeft, waar ze zich bezig hield met de geschiedenis en de toekomst, de eschatologische uitpraken verdund of geelimineerd of ingeruild voor bepaalde seculaire evolutie-ideeen. De kerk heeft het veelal nagelaten, om in haar verkondtging het geloofsleven van haar leden in de wisselvalligheden van de geschiedenis te voeden vanuit de bijbelse profetie, hen in tijden van voorspoed en zekerheid vanuit het eschatologisch perspectief te waarschuwen en hen in tijden van tegenspoed en neergang met het zicht op Gods overwinning en koninkrijk te vertroosten. Kortom, ze heeft de bijbelse boodschap van de hoop verwaarloosd. Heel dit grate, wijde gebied werd een onbeheerd niemandsland, en de theologie, die er verlegen mee was, schoof het weg naar het laatste hoofdstuk van de dogmatiek, Zodoende kon het gebeuren, dat vreemde machten zieh van dit onbeheerde land meester maakten - allerlei op hol geslagen politieke, sociale of technische evolutietheorieän en toekomstutopieen die op velen een sterke chiliastische aantrekkingskracht uitoefenden - en dat vele leden van de kerk, die eschatologisch ondervoed bleven en "zonder hoop" werden gelaten, zieh in hun honger openstelden voor de apocalyptische voorstellingen en beloften van de sekten, die zieh dank zij het in gebreke blijven van de kerk in groten getale op het terrein van de toekomstverwachting konden vestigen en er welig tierden. Mag men hun daar een verwijt van maken, dat ze de boodschap van de hoop, die door de kerk - niet nu, maar sedert eeuwen - naar de achtergrand is gedrongen, als buit opheffen en hun wilde apocalyptischdweepzieke dromen daaruit spinnen? De kerkelijke theologie kan en mag zieh niet onttrekken aan de opdracht om te komen tot een doorwrochte eschatologie, die stoelt op het sola gratia en die de uitspraken van de Schrift over geschiedenis en eindgeschiedenis au serieux neemt. Men make zieh van deze opdracht niet te goedkoop af! Met de juist op dit gebied zo bijzonder geliefde ontmythologisering redt men het niet. En het is ook niet afdoende, eenvoudig de Confessio Augustana in zijn veraordeling van het chiliasme nog eens te citeren. Het thema van het duizendjarig rijk evenals de vragen aangaande de ten hemelopneming, de tweede opstanding en de algemene verzoening rnoeten grondig doordacht worden. En de verkondiging moet doordrenkt zijn van de hoop op het komende koninkrijk Gods.

Mogen de sekten zich ter toelichting van hun leer genoodzaakt hebben gezien, aan de Heilige Schrift nevenbijbels toe te voegen, de kerken van de reformatie kunnen zieh erop laten voorstaan, dat ze zover niet zijn gegaan. Hun ingeworteld respect voor het beginsel van de sola scriptura, heeft hen daarvoor bewaard. Dat heeft hen echter niet verhinderd, zich op een andere manier aan de Schrift te bezondigen. We zullen hier niet de lange historie weergeven van het martelaarschap, dat de Schrift on der de mensen ondergaan heeft en momenteel nögondergaat, Voldoende zij er aan te herinneren, hoe de Schrift door een oneerbiedige critiek uiteengerafeld en ongeloofwaardig gema akt werd; hoe geleerde betweters hun vondsten op haar toepasten, hoe menselijke nieuwsgierigheid in haar geheimen rondwroette; hoe haar boodschap bijna steeds met de heersende tijdgeest gelijkgeschakeld werd - met het geloof aan de rede of met een evolutie-ideologie, met een socialistische of nationalistische wereldbeschouwing of met een rassentheorie. En dat gebeurde niet alleen in eenzame studeerkamers, het werd ook op de kansel gebracht, werd inhoud van de verkondiging.

Nee, het kwam in de kerk van de reformatie niet tot de invoering van nevenbijbels. Maar de Bijbel zelf werd een speelbal der meningen en als echo of versterking gebruikt van de meest uiteenlopende menselijke inzichten. Mag men het de sekten dan euvel duiden, dat ze nog een stap verder gingen?

Een van de meest efficiente en meest gebruikte propagandaleuzen, waarmee vooral de fundamentalistische sekten tegenwoordig tegen de kerk opereren, is de verwijzing naar de ontmythologiseringstheologie. Natuurlijk spreken ze daarover niet alleen tamelijk grof, maar eveneens zonder veel kennis van zaken. Maar zou men daaruit niet tenminste deze les moeten trekken, dat de theologie en de verkondiging van de kerk, zij moge dan critisch staan t.a.v. de verbale inspiratie, alleen dan aan de zaak, die haar zozcer verplicht, trouw is, als begin en einde van al haar denken en preken de erbied van de Schrift ademen? Het gaat immers om "heilige" Schrift. Wie trouwens de geschiedenis van de theologie van de laatste twee eeuwen kent, weet, hoe de majesteit van de Schrift zich zelf steeds weer bewezen en gehandhaafd heeft - ook tegenover de III{lost scherpzinnige critici of de lawaaierige lieden van de "BijbelIlllbol"-stijl. God zergt er zelf wel voor, dat zijn Woord niet zomaar geliquideerd en weggegooid kan worden. Hij heeft zijn Woord toevertrouwd aan de kerk. Maar is de kerk zich wel volkomen bewust van de heilige verantwoordelijkheid die zulks meebrengt? Immers, als zij slordtg omgaat met de Schrift, is dat koren op de molen van de sekten Naast de liquidatie van de waarheid van de Schrift staat de ineenschrompeling van de horizon van de Schrift. De Bijbel beperkt zieh niet tot het thema: het zieleheil van de enkele mens, maar grijpt daar ver boven uit. Naast de mens staat het volk en de geschiedenis. Naast de ziel staat het lichaam en de wereid van het geschapene en de kosmos, Gods Woord gaat over alles. Maar de geschiedenis van de Christelijke vroomheid toont aan, dat het binnendringende Hellenisme hierop reeds vroeg een noodlottige inbreuk maakte, Het lichamelijk-zinnelijke werd in de ban gedaan. Het werd van een negatieve aanduiding voorzien en veroordeeld tot een proletarische rol in Gods schepping. Een spiritualistisch-ascetische vroomheid, die zieh richtte op het hiernamaals en eigen werd aan alle confessies en perioden van de geschiedenis van het Christendom, liet de categorieön van de natuur en de geschiedenis buiten beschouwing en beperkte zich tot de beoefening van het vrome innerlijke leven. Daardoor bleven, evenals bij de toekomstverwachting, opnieuw grote gebieden van de werkelijkheid onbeheerd achter. Het geloof, respectievelijk de kerkelijke verkoudiging, had hier "niets meer te vertellen". De ,betreffende bijbelse getuigenissen werden terzijde geschoven. Hoe rijk de vruchten, die een geheel naar binnen gekeerde vergeestelijkte vroomheid droeg ook waren - ze moesten duur betaald worden. Men trok zieh uit de wereid terug, maar sloot zich daarmee op in een zelfgekozen ghetto. En heel het wijde gebied, waarvoor het geloof geen interesse meer had, werd bezet door een gesaeculariseerd denken, dat nu zijnerzijds tot de aanval overging en onder de vlag van een totalitaire wereldbeschouwing zelfs ook de laatste ruimte, waarop het geloof nog aanspraak maakte, voor zich in beslag nam. ,,........." de hemel voor de fantasten." 0 zeker, steeds weer hebben individuele theologen of groepen van Christenen een poging gewaagd het verloren gebied te heroveren en de bijbelse boodschap te ontvouwen in zijn realisme en universalisme. Maar de breuk tussen de wereld van het innerlijke en de buitenwereld kon tot nu toe nog steeds niet volledig geheeld worden Hier ligt een taak, die met inspanning van alle krachten zal moeten worden aangevat.") Het zou he el erg zijn, als b.v. de kosmische wijdheid van het bijbels getuigenis, waar de kerk geen oog voor had, alleen nog maar aan de orde kwam in de Christengemeenschap of in de gemeenschappen rondom Swedenborg en Lorber met hun onder-schikking van de wereldgeschiedenis aan een hogere geschiedenis en hun merkwaardige voorstelIingen van het universum als de kosmische .Jiomo maximus" ofwel grote scheppingsmens.

Onbarmhartig brengen de sekten met hun polemiek de gebreken van de kerk aan het licht en plaatsen haar voor vele problemen. Om siechts enige van de vragen te noemen, die vanuit de sekten aan de kerk gesteld worden: Hoe staat het met de kerkelijke tucht? Een groot gedeelte van de kerkelijke gemeenten bestaat uit louter doopleden, die nog wel in de kerkelijke registers vermeId staan, maar zieh in de kerkdiensten nooit meer laten zien. Leden, die duidelijk van onverschilligheid tegenover de verkondiging van de kerk en het leven der gemeente blijk geven of het evangelie zelfs openlijk minachten, zouden, nadat een voorafgaand pastoraal gesprek negatief zou zijn verlopen, uit de kerkelijke registers geschrapt moeten worden. De toediening van de doop zou aan veel ernstiger voorwaarden gebonden moeten worden. En het is een groot nadeeI, dat de jeugd op hetzelfde ogenblik, waarop ze bij de bevestiging opgenomen wordt in de gemeente der volwassenen, weer vrijblijvend aan haar lot wordt overgelaten. ledere vereniging legt zijn Ieden bepaalde verplichtingen op, die in de statuten zijn aangegeven. De Chinese communistische partij - en zo zal het ook wel bij de anderen zijn - stoot loder lid uit, dat zijn bijdrage niet betaalt of zieh zes maanden lang nict actief betoont. Zou de kerk haar leden niet tenminste tot bepaalde minimumprestaties moeten verplichten, afgezien van de financiöle bijdrage? Ze zou hun een massa mogelijkheden van dienstbetoon ter keuze kunnen voorleggen: b.v. dat zij medewerken op een van de vele terreinen van het gemeenteleven; een inrichting op het gobied van de Christelijk-philantropische arbeid mee helpen dragen of met regelmatige bijdragen het werk van de zen ding steunen. Aan werk geen gebrek. Bovendien is het een bekende ervaring, dat van zo'n taak een stimulerende werking uitgaat op degenen, die er zieh nan geven. Wie echter uit volslagen onverschilligheid weibewust in zljn passieve houding wil blijven volharden, zal de kerk vanzelf de I'ug toe keren, als deze het lidmaatschap afhankelijk maakt van de een of andere vorm van medewerking.

Men mene niet, dat hiermee inzake de afvalIigheid van de volkskerk het verlossende woord gesproken is. Onze "volkskerk" is echter in feite een massakerk geworden. Ze sleept een massa mensen met zich mee, die afzijdig staan. Haar krachten zijn veel te zwak om deze massa's te doordringen. Ze gelijkt op een machine, die verstopt is en nog slechts moeizaam op gang gehouden kan worden. De predikanten zijn overbelast en de gemeenten veel te groot, Het zou voor beide winst zijn, als de schare van onverschilligen uittrad. Dan zouden de kerkelijke ambtsdragers hun werk kunnen concentreren. De gemeenten zouden kleiner en overzichtelijker worden, maar hun geloofsleven en hun innerlijke verbondenheid zouden erbij winnen. Het zou zichtbaar worden, dat ze in de haar omringende wereid slechts een minderheid vormt. Generaties lang was ze dat alreeds. Maar tot nu toe was dit feit achter een sluier verborgen. Betekent verwijdering van deze sluier, dat men nu de volkskerk vaarwel zegt? In genen dele. Het publieke karaider van het evangelie wordt daarmee allerminst aangetast. Eerst als dat zou worden prijsgegeven, als de verkondiging van de kerk haar innerlijke wijdheid zou verIiezen en de Christelijke gemeente zieh zou onttrekken aan de opdrachten, die haar van "de wereid" uit worden gesteid, eerst dan zou de kerk op weg zijn naar het conventikel. Uitzifting van deze massale ledenaantallen is zonder meer voorwaarde voor de gemeenten om weer een "zout" te kunnen zijn en een nieuwe missionaire kracht te kunnen ontplooien.

Een zeer ernstig puntis de jinanciering. De sekten zijn vrijwel zonder uitzondering verstoken van staats-subsidies. Ze zijn evenmin in de gelegenheid, hun leden via de belastingdiensten een aanslag op te leggen. Ze zijn geheel en al op vrijwillige bijdragen aangewezen. En desondanks beschikken ze over de middelen, die ze nodig hebben. Het is hun gelukt, hun leden offerbereid te maken. In de motieven, waarvan ze zieh daarbij bedienen, kan de kerk hen niet volgen. Zij zal andere wegen moeten gaan, die aangepast zijn aan haar eigen boodschap. Maar zij zal er vastbesloten naar moeten streven, niet op andermans krukken te steunen, maar op eigen benen te staan. De geldvraag behoort niet tot de uiterlijkheden. De manier, waarop ze opgelost wordt, is een graadmeter voor de geestelijke kracht en de eerlijkheid van de kerk. Daarom mag men daar niet gemakkelijk over heen lopen.

In onze tijd van massificering en vertechnisering, met zijn verval van vertrouwde gemeenschapsvormen dreigt de mens zijn geestelijk tehuis kwijt te raken. Hij is op zoek na ar nieuwe gemeenschapskernen, die hem opnemen, hem geborgenheid, broederschap en warmte geven en hem van zijn eenzaamheid verlossen. Is de kerkelijke gemeente aan deze dringende behoefte tegemoet gekomen? Is ze in haar huidige situatie eigenlijk wel in staat om deze opdracht te vervullen?

In het Nieuwe Testament wordt de gerne ente vergeleken met het lichaam van Christus: ieder is een lid van dat lichaam en verricht de diensten van een lid en met elkaar zijn ze samengevoegd tot de gemeenschap, waarvan Christus het hoofd is. Hoever staan onze gemeenten van dit voorbeeld af! Daarom mag men er niets van zeggen, als zoveel eenzame mensen een onderkomen zoeken bij de sekten. Velen, die van de kerk naar een sekte overlopen, doen dat niot op grond van een duidelijke godsdienstige keuze - de diepe togenstelling, die er tussen de reformatorische verkondiging en de leer van de sekte bestaat, is hun onbekend, Maar waar deze mensen vurig naar verlangen en wat ze in de kerkelijke gerne ente niet vonden. biedt de sekte hun: de broederlijke gemeenschap van een huisgezin des geloofs.

In menige buitenkerkelijke gemeenschap wordt het hartstochtelijk verlangen naar een levende nabijheid van jezus, naar een persoonlijkr innige verbondenheid van de gelovige met zijn Heer, beantwoord en vervuld. Is dit ook in de kerkelijke verkondiging het geval? Wordt dit verlangen daar niet vaak door een koud verstandelijke dogmatiche of alleen maar moraliserende prediking en schriftuitlegging teruggestoten? Een jonge man die voordien Christus haatte werd door een eenvoudige smid bekeerd. In zijn geest drift storte  hij zich op de Bijbel, die hij bijna Ietterlijk verlond. Dagelijks las hij dertig tot veertig hoofstukken. Zijn moeder stuurde  hem naar de dominee. Deze probeerde hem echter met  verstandelijke redeneringen het geloof aan het volledige Woord te ontnemen! Je moet in de bijbel niet alles zo letterlijk nemen! Het jongmens was eenvoudig verpletterd. Hij bedankte voor de kerk, die het 1evende geloof in hem wilde verstikken. Tegenwoordig is hij een van meest bekend predikers van de Pinksterbeweging in Europa. Hij heet Hermann Zaiss!

De godsdienstoefeningen van de sekten vertonen wat de leer aangaat veel bedenkelijks, Maar ze spreken de mensen meer aan. Om verschillende redenen. B.v. omdat eenvoudige Iekenpredikers vaak populair, naar het leven van alle dag en persoonlijk weten te spreken. Of omdat in deze diensten een dramatisch samenwerken van prediker en gemeente zichtbaar wordt. Of omdat er een mysterieuze eredienst ontwikkeld wordt, die de behoefte aan representatie van het goddelijke bevredigt. In onze kerkdiensten kunnen we de sektarische vormen niet na gaan doen. Ze zijn aan een andere wereld ontsproten. Maar men zou alles moeten doen om de kerkdiensten aantrekkelijk te maken. Ze zijn vaak zo koel, docerend, vormelijk en vervelend. Liturgisch is alles goed geordend. En op de preken valt theologisch niets aan te merken. En de gerne ente zit stil in de banken en luistert toe. Maar de spontaniteit en de gloed ontbreken. Dat was in de gemeenten van de apostolische tijd anders. Hoe kunnen we onze kerkdiensten levendiger maken? Met de liturgie te verrijken en te verfijnen komen we er niet. Met verbetering van de prediking ook niet. Uiteindelijk brengt deze vraag een geestelijke armoede aan het licht. Meer dan de helft is reeds gewonnen, als deze armoede erkend wordt en deze erkenning zieh omzet in een vurig, onophoudelijk gebed, dat de Heilige Geest ons daarvan afhelpe.

Verder en dieper voert ons de vraag, waar in de verkondiging en in het geloofsleven van de kerk de geestesgaven nog een plaats vinden. In de Nieuwtestamentische gerne ente hadden ze een grote betekenis. Paulus spoorde de Corinthiers aan er naar te "streven". Wordt er in de kerk nog naar gestreefd? Deze vraag wordt haar ook van uit de Pinksterbeweging gesteld. Ze mag die niet onbeantwoord laten. Zeker, ze heeft gelijk, als ze de "geestesgaven", die in de Pinksterbeweging optreden, critisch beoordeelt. Maar dat ontslaat haar niet van de verplichting, de geestesgaven in haar verkondiging te betrekken en ze tenminste weer in het gezichtsveld van de gemeente te brengen. Ze beschikt niet over de macht, ze op te wekken - dat heeft de Heilige Geest alleen Zichzelf voorbehouden. Maar er mag en er moet om gebeden worden.

Een van deze geestesgaven is "de gave der gezondmaking" (1 Cor. 12, 9). De dienst der genezing is daarenboven aan de gehele Christelijke gemeente opgedragen en behoort tot de volmacht van het geloof (Mare. 16, 16-18). De wijze, waarop de gemeente deze opdracht heeft te vervullen, is in Jae. 5, 14-16 beschreven. Hoe is het in de kerk gesteid met de bijbelse genezing van zieken? Op enkele sporadische resten na is ze verloren gegaan. Mag ze zieh erover beklagen, als deze dienst nu door seeulaire genezingsbewegingen en sekt arische wondergenezers ter hand wordt genomen en op een niet altijd even heilzame manier wordt uitgeoefend? Eerst in de laatste decennia is de bijbelse opdracht tot genezen ook binnen de kerk weer ontdekt en aangegrepen, bevrueht door de psychosomatische geneeskunde en gestimuleerd door de massale toeloop, die genezers en genezingsbijeenkomsten zowel op wereids terrein alsook in de Pinksterbeweging vonden. Het zou goed zijn, als het werk van de oecumenisehe St. Lukas-erde diep in het bewustzijn en het geloofsleven van de gemeenten door zou dringen.

AI met al leeft de kerk niet meer in een geestelijke volheid. En het beste, dat ze ziehzelf toewensen kan, is een heilige ontevredenheid, die met het oog op deze armoede en dorheid niet tot rust komt. Deze ontevredenheid kan vom haar nooit een aanleiding zijn, um de sekten bepaalde concessies te doen. Maar ze zal achter de sektarische beweg in gen een vermanende roepstem Gods horen. Hij gobiedt haar niet alleen de dwaalleer te weren, maar vöör alles tot zichzelf in te keren en terug te keren tot de waarheid, waaruit ze leoft en waardoor ze gedragen wordt.



De wereld der sekten tussen Protestantisme en Katholicisme


I. Beide grote confessies worden door een scha;e sektarische ucllieten begeleid. Bij het Protestantisme is dit aantal belangrijk groter dan bij de Roomse kerk. Niet alsof deze Iaatste hier immuun voor zou zijn. Als de Katholieke "sekten", tenminste in wijdere zin, zijn volgens de definitie van Algermissen te noemen: de OudKatholieke kerk (gesticht in 1871), de Liberaal-Katholieke kerk in Engeland(gesticht gedurende de eerste wereldoorlog), de Mariavieten in Polen (ontstaan in 1906), de sekte van Heroldsbach (sedert 1949/ (50). de Polish National Catholic Church in de Verenigde Staten ( 1897) en de Iglesia Filippina Independiente op de Philippijnen ( 1902). Maar daarenboven is van oorspronkelijk Katholieke zijde ook nog menige bijdrage gekomen tot versterking van het Protostantse sektewezen. Niet weinig figuren van Katholieke herkomst zijn stichters of leiders van aparte religieuze gemeenschappen en sekten geworden. Zo was b.v. de stamapostel J. G. Bisehoff van origine Katholiek. Uit de Katholieke wereId komen Jacob Lorber, Rudolf Steiner, [oh. E. Keller (stichter van de Perfectionistische Kellergemeenschap) en joseph Weissenberg voort. Protestantse sekten als [ehova's Getuigen, de Kerk van het Godsrijk, de Adventisten en menige Pinkstergemeenschap hebben vele leden gewonnen uit de Katholieke kerk,

Over het algemeen genomen is het Protestantisme veel "productiever" in het verwekken van sekten, Hoe komt dat? De motieven zijn verschillend van aard. De Katholieke kerk kent een autoritaire binding en leiding van de gelovigen. De Katholieke dissenter heeft he el wat sterke innerlijke remmingen te overwinnen, voor hij bereid is in tegenspraak tot zijn kerk een eigen geloofswaarheid aan te hangen of zieh bij een sekte aan te sluiten. De Protestant daarentegen mist niet alleen een uiterlijke en innerlijke autoriteit, die met het pausdom te vergelijken is, maar loopt gemakkelijk gevaar in de uitlegging van de Schrift een dilettantisme of subjectivisme te huldigen, dat de text van de Schrift ervoor gebruikt eigen vondsten en lievelingsideeen bevestigd te willen zien en uit te geven voor goddelijke waarheid.

Daar komt bij: De Katholieke kerk is zo ruim gebouwd, dat ze binnen haar muren aan vele vromen en graden van vroomheid onderdak verleent. Daarom heeft ze rijke mogelijkheden om allerlei uiteenlopende opvattingen op te vangen, hun woonruimte toe te staan en hen zodoende voor afsplitsing te bewaren. Het Protestantse geloof is veel minder soepel. Daarby komt, dat de Protestantse vroomheid in de grond van de zaak naar binnen gekeerd is en ook aan de kerk het kenmerk van eenvoud of wel nuchterheid verleent. Ze is karig in haar cultische vormen. Afgezien van de musica sacra kwam ze in beeldend vermogen ver ten achter bij de Katholieke kerk. Daarom is ze ook niet in staat op gelijke wijze als deze de mens in zijn veelheid van gemoedsgesteldheden en noden aan te spreken. Ze kan hem ook niet, vooral in tijden van levenscrises of historische catastrophen, het gevoel van geborgenheid schenken, zoals de Roomse kerk dat vermag in haar imposante, wereldwijde eenheid, haar geestelijke macht en autoriteit en haar ziehtbare vertegenwoordiging van het goddelijke.

2. Er is nog een diepere grond, waarom er binnen de ruimte van de reformatorische kerken zoveel meer sekten werden geboren. Maar alvorens daarop in te gaan, moeten we een andere overweging vooraf doen gaan. We hebben vastgesteld, dat de sekte een antithetiek aan de dag legt tegenover de moedergemeenschap. Maar staan de Protestantse sekten met hun protest tegen Wittenberg en Geneve dan niet in hetzelfde kamp als de Roomse kerk? Inderdaad, als men het sektewezen in al zijn schakeringen overziet, ontmoet men overal .Katholieke" elementen. In de wereId van de Protestantse sekten zijn ze fragmentarisch over de afzonderlijke gemeenschappen uitgestrooid, in de Katholieke kerk zijn ze in een indrukwekkende eenheid samengevat. De autoriteit van de pauselijke stoel koert terug in de volmachtsaanspraken van goddelijke incarnaties of uutoritaire arnbtsdragers bij talrijke sektegemeenschappen. De exclusieve waarheidspretentie en de gelijkstelling van de eigen gemeenschap met de heilsgemeente heeft een analogie in de vereenzelviging van de Katholieke kerk met het mystieke lichaam van Christus en in de grondstelling: Extra ecclesiam nulla salus. De rijke eredienst en het sacramentalisme vindt men terug in de Christengemeenschap en in de Mormonenkerk. De onderscheiding van de Christenen in de grote massa en de meergevorderden, zoals die bij du Perfectionisten en de Pinksterbeweging aangebracht wordt, keert In dc Katholieke kerk, zij het onder een zeer knappe, wijze ordoning, terug in de groeperingen van lekenstand en clerus, van profane lieden en ordebroeders. Zoals de sekten het principe van du sola scriptura vaarwel hebben gezegd, zo heeft de Roomse kerk aan de autoriteit van de Schrift nog de traditie en het onfeilbare leergezag toegevoegd. Horen de Protestantse sekten dus principieel niet aan de kant van de Roomse kerk? Zijn ze niet beide verbonden door het feit dat ze de theologia crucis verdrongen hebben door de theologia possessionis? Moet men derhalve niet ook de Katholieke kerk een sekte noemen?

lnderdaad zou men daarvoor heel wat argumenten kunnen aan voeren Maar ik zou het des ondanks met deze indeling toch niet eens zijn. Zij doet aan de volheid van de Katholieke kerk geen recht.


Deze volheid bevat niet alleen de motieven, die aan de sektenwereld inhaerent zijn, maar ook evangelische elementen. Deze verschaffen aan de individuele Katholiek de mogelijkheid om zieh onder het kruis te stellen en niet slechts zijn eigen geIoofsleven daaraan te orienteren, maar ook de dogma's, verordeningen en cultische regels van zijn kerk te verinnerlijken, met een evangelische geest te vullen en onderscheid te maken tussen wat essentieel is en wat niet.

En nu dan de vraag, waarom binnen het bereik van het Protestantisme de sekten zoveel weliger tieren. De diepste reden daarvan is, dat de reformatie met haar sola gratia, sola fide de machtige boom van de Katholieke heilsleer en heilsverwerkelijking geveld heeft. Ze heeft daarmee enerzijds het geloof van het twijfelachtige van alle menselijke strevingen bevrijd en het op de vaste bodem van de goddelijke beloften geplaatst. Maar anderzijds vergt ze van de gelovige, dat hij afziet van iedere beveiliging en garantie door eigen activiteit of door een kerkelijke autoriteit. Dat is een last, welke de Kathollek niet heeft te dragen. Het is geen wonder, dat er op Protestants erf steeds weer pogingen worden ondernomen, om deze last van zieh af te schudden. De sektenvormingen, die daarbij ontstaan, zijn in de grond van de zaak niets anders dan wild-woekerende zijloten aan de stronk van de door de reformatie afgehouwen boom van de Katholieke heilsleer. Ze nemen de principes en structuurelementen van deze heilsleer weer op, zij het ook in velerlei vermommingen en in fragmentarische vormen. In hun protest tegen de Protestantse kerk keert posthuum de antithetiek tussen Rome en reformatie terug, slechts met dit verschil, dat de sekten een protest tegen de reformatie vertegenwoordigen, dat van binnen uit komt.

3. Ons onderzoek heeft aangetoond, wat de notae sectae, de kenmerken van de sekte zijn, te weten: het zieh meester maken van de genade en als gevolg daarvan de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis. In het zieh meester maken van de genade zijn veel graderingen. Hoe sterker de sekte de genade in haar greep tracht te krijgen en monopoliseert, des te ondubbelzinniger is ook de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis ontwikkeld, Het omgekeerde geldt insgelijks. Het sektarisme is derhalve geen homogeen verschijnsel, maar vertoont vele overgangen en nuances.

Het is ook geen star verschijnsel. De geschiedenis van de sekten kent naast verwijderingook een teenadering tot de kerk, Deze zet telkens daar in, waar de theologia possessionis twijfel gaat oproepen. Van hieruit worden dan ook de andere posities onzeker. Er ontstaat een zeker vacuum. En in dit vacuum stromen elementen van de bijbelse waarheid na ar binnen. Er bestaat een intieme correlatie tussen de theologia possessionis en de theologia crucis: hoe sterker de ene wordt uitgebouwd, des te meer verliest de andere aan geldigbeid.")

Samenvattende kan men zeggen: De Protestant se sekten nemen cen bijzondere plaats in tussen Rome en de reformatie. Ze zijn met Rome verbonden door de gemeenschappelijke antithetiek tegenover de reformatie, bereiken echter in hun thetiek niet de volheid van de Roomse kerk, maar nemen er genoegen mee, bepaalde motieven van de Katholieke leer en vroomheid verder uit te werken. Aangezien zc vanuit hun Protestantse herkernst de afwijzing van Rome als erfgoed hebben meegenomen, zullen ze zieh bij een bredere ontplooiing van hun sektarisch karakter nooit ontwikkelen in de richting von de Katholieke kerk, maar zieh van haar verre houden en tegenover haar "extra ecclesiam nulla salus" hun rivaliserend "extra Huctam nulla salus" zetten. Tegenover de reformatie staan de sekten weliswaar in een protesthouding, maar ze zijn door een so ort "communtcerend vat" met haar verbonden. Afhankelijk van de mate, wuurin ze de theologia possessionis verder uitbouwen, neemt ook dn vorwijdering van de Protestantse kerk toe of af. De mate, waarin do thoologia crucis al of niet haar invloed doet gelden, bepaalt ook de mate van hun sekte-zijn en daarmee van de verwijdering van de kerk


Enige regels voor het gesprek met de sekten


Het gesprek tussen kerk en sekte vindt veelal plaats in een atmosfeer van bitterheid. Daaraan werken versehillende motieven mee, die bepaald niet uit het Nieuwe Testament stammen.Voorzover de kerk in zulke motieven gevangen zit, is ze het aan de zaak die ze voorstaat, verplicht, zieh daarvan vrij te maken en het gesprek zo te voeren, dat het voor haar Heer bestaan kan.De volgende regels zijn bedoeld als een hulp in deze zin.

1. Wat betekent "gesprek" met de sekten? Het is niet een bijzondere kunst van discussieren of argumenteren met de bedoeling de tegenstander te weerleggen, zijn bewijzen te ontzenuwen en hem van zijn motieven te beroven. Het is beslist niet zoiets als het poneren en handhaven van een theologisch "stootblok", dat men speciaal voor de bestrijding van de sekten in elkaar timmert. "Gesprek" is eerst dan en in zoverre geoorloofd en geboden, als het onverkorte verkondiging is - betuiging van de waarheid van de Schrift midden in de wereld van de sekten en actualisering van deze waarheid ten overstaan van de sektarische leer. Die actualisering heeft een positieve en een polemische kant. Daarbij moet de nadruk vallen op de positieve ontvouwing van de Schriftwaarheid en niet op de polemiek. Want als uitsluitend de polemiek aan het woord komt, kan ze alleen weerleggen en niet overtuigen. Het gesprek moet de hoogste mate van zakelijkheid paren aan die deemoedige, evangelische geesteshouding, die tot het wezen van het Christen-zijn behoort. Want het gaat er om de dwalenden te winnen, niet om hen te kwetsen. Waar liefdeloos en hoogmoedig geoordeeld wordt, schiet men het doel voorbij. In laatste instantie is niet de kwaliteit van de bewijsgronden en de logica van de weerleggingen beslissend, maar de deemoed van het geloof. Alleen deze deemoed verleent aan het getuigenis van de kerk en, waar dit nodig is, ook aan haar zwijgen kracht, omdat ze een weerschijn is van de zaak, waaruit ze leeft, namelijk van de genade.

2. Het gesprek wordt van kerkelijke zijde vaak vergiftigd door de omstandigheid, dat het gepaard gaat met een dergelijk complex, dat eigen is aan degene, die zieh van oudsher de bezitter voelt en die de werving door de sekten als een ongeoorloofde en boosaardige aanval op een kerkelijke bezitting ondergaat en de sektariörs beschouwt als provocerende indringers in een gebied, dat sedert eeuwen eigendom is van de kerk. Achter dit standpunt zullen wel motieven schuil gaan, die uit gemakzucht, traditioneie gebondenheid of een egoistisch kerkelijk denken voortkomen, maar voor de Schrift is dit nooit te rechtvaardigen. De kerk heeft niet zoiets als een haar door God voor alle tijden gewaarborgde "staat van bezit". De zielen, die haar zijn toevertrouwd, zijn voortdurend aan allerlei gevaren blootgesteld, zodat ze werkelijk om hen moet vechten. Ze mag geen ogenblik haar waakzaamheid laten verslappen - en waarlijk niet alleen tegenover sektarische dwaalleringen!

3. Het pastoraat, dat aan de kerk is opgedragen, verbiedt haar naar ongeestelijke middelen te grijpen - b.v. de hulp van de overheid in te roepen - om de gemeenten voor de propaganda van de sekten te beschermen. Het zou een bewijs van kleingeloof zijn, als men het Woord van God niet zelf in staat achtte, om aan de verleiding weerstand te bieden. En het zou een erkenning van eigen zwakheid zijn, als men zou menen een sterk toenemende werving van de zijde van de sekten alleen te kunnen tegengaan, door met behulp van overheidsmaatregelen een verdedigingsmuur om de gemeenten op te bouwen. Wie meent, dat het de opdracht van het pastoraat is, de gemeente om zo te zeggen in de watten te leggen cn haar tegen ieder tochtje te beschermen, ziet het verkeerd. Men bewijst de gemeente daarmee geen dienst. Integendeel, men berooft haar, zodoende van de geestelijke winst, die in ieder "gesprek", dat zuiver en juist gevoerd wordt, besloten ie. Vanouds heeft de ervaring bewezen, dat het Woord Gods juist in de aanvechting door een vreemde leer leven wekt, omdat het de gemeente voor de keuze stelt en haar dwingt zich te bezinnen op het fundament en de juistheid van haar geloof en de waarheid daarvan te belijden. Het pastoraat vraagt daarentegen van de kerk, dat zij - en dat zijn niet .llocn de ambtsdragers, maar alle levende leden van de gemeente tegenover de dwaalleraars getuigt van de waarheid van de Schrift, de aangevochtenen bijstaat en de afvalligen verontrust.

4.De sekten opereren in hun polemiek tegen de kerk graag met de comparatief: "Bij ons vindt men meer geloof, meer echte vroomheid, een zuiverder gemeente, een diepere kennis van de waarheid en een grotere trouw aan de letter van de Bijbel dan in de kerk!" Dit argument verdoezelt het feitelijke onderscheid. Bij de tegenstelling tussen kerk en sekte gaat het niet om meer of minder, maar om de tegenstelling tussen tweeerlei waarheidsleer. Omdat deze tegenstelling tot aan de wortel reikt, is ze niet partieel, maar totaal. De kennis van de waarheid verloopt bij de reformatie van haar uitgangspunt af in een andere richting en Iangs een andere weg dan de waarheidsleer van de sekten. De sekten gebruiken weliswaar de zelfde bijbelse elementen en begrippen, maar deze hebben bij hen een andere plaats en een ander aceent, en krijgen bij hen ook een andere inhoud en toepassing. Het gesprek met de sekten mag zieh derhalve niet tot enkele aparte Ieerstukken beperken, en het overige van de leer in de mening, dat men het daarover wel samen eens is, terzijde laten, maar moet het geheel van de sektarische geloofsposities in ogenschouw nemen en daaraan de waarheidsvraag stellen.

5. De waarheid welke aan de kerk is toevertrouwd en waarvan ze tegenover de sekten getuigen moet, is een waarheid van bijzonder karakter. Ze is niet een product van de menselijke geest, maar het "Woord Gods". Gods majesteit leeft in haar. Daarom heeft ze een souverein recht over de kerk. Dat betekent, dat ze aan de kerk is toevertrouwd, maar haar niet ter beschikking is gesteld. Veeleer andersom: de kerk is aan de waarheid ter beschikking gesteld. De waarheid kan nooit een "werktuig" en een instrument van de kerk zijn. Wel echter moet de kerk er alles op zetten een bruikbaar werktuig van Gods waarheid te worden. Dat zal ze vooral ook bij haar gesprek met de sekten moeten bewijzen.

6. Omdat de waarheid Gods boven de kerk staat en souverein is, is ze niet aangewezen op menselijke verdediging. Ze verdedigt zichzelf. Alle kerkelijke apologetiek kan niet anders dan handlangersdienst zijn. Ze moet zieh de begrensdheid van haar opdraeht bewust blijven en werken in het vertrouwen, dat het Woord zijn zaak zelf behartigt. Dan moet ze ook niet op snelle en ziehtbare suecessen bedacht zijn, maar mag ze alles aan God overlaten. Hij zal ervoor zorg dragen, dat het Woord, in gehoorzaamheid verkondigd, niet ledig weerkeert. God heeft een lange adem en Hij wacht de uitwerking van zijn Woord geduldig af. Daarom mogen nerveusiteit en geprikkeldheid in het gesprek met de sekten nooit voorkomen, evenmin als matte berusting. Dat zijn gevolgen van kleingeloof of van verlooehening van de rol van handlanger, die de mens toebedeeld is. Wie weet heeft van de macht van het Woord Gods, zal onversaagd en blijmoedig blijven, ook al dreigen de golven der verleiding hem te overspoelen.

7. Het Woord heeft, omdat het het Woord Gods is, een heilige waardigheid aan zich. Deze waardigheid mag in de strijd der overtuigingen niet gekrenkt worden. Wie haar schaadt, maakt zieh schuldig voor God en tast de geloofwaardigheid van het Woord aan. aan. Men sehaadt de waardigheid van het Woord, als men er op een onwaardige, d.w.z. ongeestelijke wijze, mee optreedt tegen de dwaalleraars. Daarom geldt de stelregel, dat wie van dit Woord in het gesprek met de sekten getuigen wil, zich allereerst zelf door de waardigheid van het Woord verplicht moet weten. Hij zal dan van alle onwaardige strijdmiddelen afzien, ook al zouden ze van menselijk oogpunt uit "efficient" zijn. Hij zal - om enige voorbeelden te noemen - tegenover de sektariers de ernst van hun overtuiging niet in twijfel trekken, Hij zal hen niet als kwaadwillige of minderwaardige lieden behandelen. Hij zal over hun leer of hun gedrag geen vals getuigenis geven. Hij zal hen niet op de een of andere wijze persoonlijk in discrediet brengen, lasteren of krenken. Hij zal integendeel zijn best doen, om binnen het bereik van het menselijk mogelijke alles ten goede te keren. Daarom zal hij tegen kwalijke vooroordelen, die met de waarheid in strijd zijn en zoals ze maar al te veel over de sektarisehe gemeensehappen in omloop zijn, opkomen. Hij zal vrijmoedig het goede, dat er bij hen gevonden wordt, erkennen - en er is veel, dat deze erkenning verdient: de grote overtuigingskracht, de offerbereidheid, de trouw aan het belijden, de ernst van hun zedelijk streven, de broederlijke band met elkaar, de bereidwilligheid om spot en maatschappelijke discriminaties te aanvaarden. Hierin geven de sekten voorbeelden, waarrnee ze de kerkelijke gemeenten veelszins beschamen. Wie zich door de waardigheid van het Woord Gods verplicht weet, heeft geen enkele neiging meer tot kleinzielig geruzie. Hij heeft ook de vrijheid de dingen, waarin de sekte een voorbeeld is, te waarderen en daaruit de vermaning te vernemen, die zich tot de kerk zelf richt. Anderzijds zal hij betweterij, waar hij die van de kant van de sekten tegenkomt, met geduld tegemoet treden, fanatisme met rustige vastberadenheid, en aanmatiging met de belijdenis van de gekruisigde, Hij zal alles, wat naar demagogie zweemt, tot het uiterste vermijden, Als het tot openlijke discussies komt, zal hij van zijn kant alles doen om te verhinderen, dat deze in paradegevechten ontaarden, Waarbij ieder onder alle omstandigheden het laatste woord wil hebben en als "overwinnaar" het slagveld verlaten wil. Hij zal zich ookk bij zulke discussies eraan laten herinneren, dat hij niet anders heeft te zijn  dan handlanger van het Woord en dat zijn opdracht niet is, de tegenstander uit het veld te slaan, maar om in alle eenvoud te getuigen van de waarheid.

8. De kern van deze waarheid is het Woord van de heilige majesteit Gods en de boodschap van het kruis. Het is geen academischvrijblijvende waarheid, maar een die eisen stelt. De eis richt zich allereerst tot degene, die haar verkondigt, en houdt in, dat hij zich door haar laat overwinnen. Alleen wie zelf een overwonnene is, kan geloofwaardig van haar getuigen. Wie deze waarheid wil verkondigen, zonder overwonnen te zijn, kan haar wel trachten te handhaven, maar zonder zijnerzijds haar werktuig te zijn. En daaarmee vervalst hij haar grondig. Want hij keert de verhouding, waarin de mens staat tot Gods waarheid, om in haar tegendeel: hij werpt zieh op als heer en meester over haar en vernedert haar tot zijn werktuig, dat hij zo efficient mogelijk en met theologisch, tactisch, rhetorisch, psychologisch raffinement etc. gebruikt om de dwalenden te weerleggen. Dat is een ernstig misbruik. Het veroorzaakt bij de tegenstander misschien verlegenheid of bitterheid, maar geen gewetensonrust en geen bekering. En het richt zieh ook te gen de dader zelf. Men ver gisse zich niet: Het Woord Gods is een tweesnijdend zwaard. Het wordt ook degene, die het alleen maar gebruikt als een wapen om anderen mee te wonden, tot een oordeel.

9. Het Woord Gods staat boven de kerk. De opdracht tot het gesprek met de sekten houdt in, deze terug te roepen tot de gehoorzaamheid onder het Woord. De kerk zou haar doel missen, als ze het louter als haar opdracht zag, zichzelf in haar concrete gestalte te verdedigen en er voor te zorgen, dat de gemeenten in zichzelf gerust en van zichzeIf zeker zouden zijn. De zichtbare kerk is niet identiek met het Woord. Ze is veeleer - evenals de sekten ook zijn - vanuit het Woord geroepen om te horen en te gehoorzamen. Ze mag zieh geen ogenblik uit deze creatuurlijke positie ontslagen achten. Daarom zou het gesprek met de sekten in een poel van zeIfvoldaanheid eindigen, als het de sekten zou willen confronteren met de kerk en hun uit deze vergelijking de veelvuldige voordelen van de kerk zou willen bewijzen. Het is alleen dan legitiem, als het zich moeite geeft de sekteleer te confronteren met het W oord. Deze confrontatie sluit echter in, dat de kerk tegelijkertijd ook zichzelf doorhet Woord ter verantwoording en tot de orde laat roepen. Als ze zichzeH zou elimineren, zou het gesprek verworden tot een farizeische aangelegenheid. Waar echter de kerk zichzelf erbij betrekt en met de roep tot gehoorzaamheid, zoals die vanuit het Woord tot de sekten uitgaat, aIIereerst zelf ernst maakt, komt het gesprek op een hoger plan. In dit vlak krijgt het getuigenis van de kerk zijn vereiste geloofwaardigheid, omdat ze het voor zichzelf laat gelden. Enhet gesprek met de dwaalleer wordt haar tot heil, omdat ze zichzelf met nieuwe ernst door het Woord terecht laat wijzen. En tenslotte kan het in dit vlak gebeuren, dat een diepe solidariteit zichtbaar wordt, waarin beide, kerk en sekte, samen onder het Woord staan - de solidariteit van degenen, die God roept, die vom Hem schuldig staan en aIIeen uit zijn genade kunnen leven. Het ligt in de macht van de Heilige Geest, on der de zegenende werking van het Woord uit dit gebeuren zowel een geestelijke overwinning van de dwaalleer als een hereniging in de gemeenschap van het geloof van hen, die nu gescheiden zijn, te laten ontkiemen.
































 





 

Geplaatst op: 14-12-2012      De redactie apostolischeobserver.nl