| |

Met de BIJBEL in de linkerhand...en de
Nieuw Apostolische Kerk
Catechismus
in
de rechterhand verkrijgt men de
Nieuw Apostolische 'BIJBEL'
_____________________________________________________________________________________________________
Wij citeren een gedeelte uit:
Kurt Hutten
GELOOF EN SEKTE
Het sektarisme als anti-reformatorisch geloofsverschijnsel Zijn
doelstelling en zijn tragiek
Vertaald door Ds J. J. Poort
~
T. WEVER - FRANEKER
Oorspronkelijke titel: "Die Glaubenswelt des Sektierers" Das
Sektenturn als antireformatorische Konfession Sein Anspruch und
seine Tragedie
Copyright 1957 by Furche-Verlag, Hamburg
________________________________________________________________________________________
OPGEDRAGEN AAN DE
THEOLOGISCHE FAKULTEIT VAN DE UNIVERSITEIT TE TÜBINGEN ALS DANK
VOOR HET MIJ VERLEENDE ERE-DOCTORAAT IN DE THEOLOGIE
Woord vooraf
Dit boek is de vrucht van een jarenlange en intensieve
bestudering van de sekten. Wat me ertoe dreef, me met deze bonte
wereld van christelijke gemeenschappen buiten de kerk bezig te
houden, was niet alleen en zeker niet in de eerste plaats een
apologetische interesse. Veeleer begon het met een zekere
nieuwsgierigheid: ik wilde weten en ervaren, wat men nu
eigenlijk in deze gemeenschappen gelooft en in welke vorm zij
dit geloof beleven en belijden. De vaak avontuurlijke wegen van
de geest, die ik da ar ontdekte, trokken me aan. In de loop van
de tijd leerde ik daarbij steeds meer mensen uit deze
gemeenschappen - eenvoudige leden, maar ook leidinggevende
figuren - ook persoonlijk kennen, zodat de wereld van de sekten
een levende werkelijkheid voor me werd. De indrukken, die ik uit
deze menselijke ontmoetingen opdeed, waren verschillend nd van
aard. Er was natuurlijk ook veel, dat me tegenstond -
geldingsdrang, heerszucht en verwrongen, agressief fanatisme.
Maar daarnaast vond ik een overgave aan de geloofde waarheid,
die me verraste en dikwijls beschaamde. Ik trof er mensen aan,
die zieh volkomen gegeven hadden aan hun heilsleer en daaruit
voor hun leven alle consequenties getrokken hadden, met name wat
hun bereidheid tot getuigen en offeren betrof. Hun volledige
inzet en hun afwijzing van elk compromis maakten diepe indruk op
me. Ik zocht naar de bron, waaruit de kracht voor deze
levenshouding stroomde, Hoe meer ik de geloofswereld van de
sekten leerde kennen, des te meer werd ze me ook tot een vraag.
Ze dwong me mijn eigen over tuigingen steeds weer opnieuw op de
proef te stellen. lk werd gedwongen antwoord te geven. Wat zich
in me afspeelde, was bepaald niet een proces van eenzijdig
verweer. Er kwamen vele verzuimen, leemten en zwakke punten van
de kerk voor de dag. Maar wat in de waarheidsvraag - en dat is
in de ruimte van het Protestantisme altijd de vraag naar het
hart van de Schrift - ook aan de dag kwam, is: de enorm diepe
tegenstelling tussen de kerk en de sekten,
Deze tegenstelling kwam ik bij diverse sekte gemeenschappen in
allerlei gedaanten tegen. lk heb in eerste instantie in mijn
boek:
"Seher, Grübler, Enthousiasten" (Quellverlag, Stuttgart 1954)
een kritische beschrijving van de afzonderlijke sekten gegeven.
Maar de pluralistische kijk op de sekten, zoals die tot nu toe
gebruikelijk was, bevredigde me evenmin als de gangbare
definities van "sekte" in tegenstelling tot de kerk. Het kwam me
voor, dat deze diverse sekten teveel aan enkele op zichzelf wel
belangrijke symptomen ophangen, maar hen toch niet raken in hun
kern. Hoe langer hoe minder liet me de vraag met rust, of heeI
deze verscheidenheid van sektarische geloofsleer en de daarin
tot uiting komende protesten te gen de reformatie niet terug te
brengen zijn tot een gemeenschappelijk grondthema; of het dus
niet mogelijk zou zijn deze wereId der sekten, hoe disparaat ook
in haar verschijningsvormen, in wezen als een eenheid te zien.
Voor de te zake kundige is het duidelijk, dat dit een
sleutelvraag is. immers, als hierop een positief antwoord te
vinden is, is men in staat het geheIe gebied van de sekten van
binnen uit te verstaan. Het wordt dan mogelijk om duidelijk en
ondubbelzinnig vast te stellen, waarin het wezen van de sekten
be staat. Men kan haar bouwwetten en drijfveren nagaan en
nauwkeuriger de grenzen bepalen tussen kerk en sekte, Maar ook
t.a.v. het gesprek tussen deze beide heeft de beantwoording van
deze sleutelvraag zeer belangrijke consequenties. Dit gesprek
zou dan niet meer behoeven te blijven steken in een aantal
uiterlijkheden en ontaarden in eigengereide betweterij. Het zou
veel meer een zoeken zijn na ar het punt, waarop de beslissing
genoopt wordt.
De beantwoording van deze sleutelvraag vormt het thema van dit
boek. Ik heb het opzettelijk de enkelvoudige titel "Geloof en
Sekte" meegegeven, en niet b.v. "De leerstelsels van de
sektariërs", om daarmee tot uitdrukking te brengen, dat het er
om te doen is het godsdienstig fundament bloot te leggen, dat
alle leerstelsels van de diverse sekten gemeen hebben. De
bedoeling, die me bij dit gehele onderzoek voorzat, was niet om
de strijdlusten aan te wakkeren, maar om zo mogelijk een
verduidelijking te geven. Veel is reeds gewonnen, als al die
misverstanden, troebele oordeelvellingen en bittere
ressentimenten, die tussen kerk en sekte instaan, uit de weg
geruimd worden en de eigenlijke tegenstellingen aan de dag
kunnen komen. Want eerst daarmee is de voorwaarde geschapen voor
een gesprek, dat niet meer blijft steken in vooroordelen, maar
aan de eigenlijke zaak toekomt.
Stuttgart, augustus
1957
Kurt Hutten
|
Invoegsel redactie apostolischeobserver.nl
In het boekwerk is meermalen te lezen over de HERSTELD
APOSTOLISCHEN, In Duitsland was de naam echter Nieuw
Apostolische gemeente, en in Nederland Hersteld
Apostolische Gemeente ( in de eenheid der Apostelen)
later (1961)werd dat Nieuw Apostolische Kerk.
We willen er wel op wijzen dat er in Nederland meerdere
Hersteld Apostolische Kerk richtingen bestaan. Maar ook
is daar het Apostolisch genootschap.
Maar,…. Hoe dan ook, het is belangrijk dat we blijven in
de ordeningen Gods, en die zijn verordineerd door de
drie-enige God…De Vader de Zoon en de Heilige geest, hij
die was, die is en zijn zal. De ordeningen Gods kunnen
niet aangevuld worden met menselijke inzichten. Ook is
de Heilige geest= geest der waarheid, de
voortschrijdende inzichten des mensen niet van node! God
gaf de mensheid zijn woorden gebonden in de Heilige
schrift. Deze schrift kan niet worden vervangen door
menselijke inzichten, ook al heeft men deze inzichten
gebundeld in een zogeheten Catechismus, deze behoort
niet tot de ordeningen GODS.
Redactie |
Eerste Deel
HET WEZEN VAN DE SEKTE
"Sekte" is een verschijnsel, dat zo oud is als de kerk
De geschiedenis van de sekten is zo oud als de geschiedenis van
de kerk en heeft nooit een pauze gekend. Ze dateert reeds van de
apostolische tijd. Paulus klaagt over scheuring in de gemeente
van Corinthiërs (1 Cor. 1, 10 vv.). In de Colossenzenbrief gaat
het te gen de "filosofie", die zieh baseert op speculaties over
de "elementen" (waarschijnlijk engelmachten) en die met Christus
niets van doen heeft. De beide Timotheüsbrieven en de brief aan
Titus (1 Tim. 1, 3-11; 4,1-11; 6, 3-10; 2 Tim. 2, 14-18; Tit. 1,
10-16) richten zich te gen een joods-gnostische dwaalleer;
aangeraden wordt de omgang met aanhangers van zo'n dwaalleer te
vermijden (Tit. 3, 10). De tweede Petrusbrief waarschuwt voor "verderfelijke
sekten", die de Heer verloochenen (2, 1) en brandmerkt in felle
woorden het vleselijk drijven van deze libertijnse gnostici (2,
12 vv.). De waarschuwing voor de dwaalleraars vormt ook het
thema van de Judasbrief (7-11). De eerste Johannesbrief (2, 18
vv.) ziet in het optreden van de gnostische dwaalleraars een
teken, dat het de laatste ure is en dat de antichrist komt; ze
loochenen, dat Jezus Christus werkelijk in het vlees verschenen
is, en zien in Hem een geestelijk wezen, dat zieh slechts van de
doop af tot aan het lijden met [ezus heeft verbonden (2 [oh. 7
vv.).
De jonge kerk werd geteisterd door veelsoortige en deeIs
wijdverbreide bewegingen, die met hun afwijkende leer de eenheid
der gemeente in gevaar brachten. Van de Maronieten berichtte
Tertullianus, omstreeks 200, dat ze de hele wereid vervulden. De
gnosis legde voor haar verleidelijke speculaties beslag op
christelijke geloofselementen, en gnostische sekten als de
Basilidianen en de Valentinianen schiepen in de tweede eeuw veel
verwarring. De enthousiast-apocalyptische beweging van het
Monetarisme won terze1fder tijd sterke aanhang in Klein-Azië en
Noord-Afrika. In protest tegen de verslapping van de kerkelijke
boetepraktijk en tegen het bisschoppelijke regeerambt wilde het
Novitia isme de zuivere gemeente handhaven en schiep, in het
jaar 251 geëxcommuniceerd, een eigen "kathaarse" nevenkerk, die
eeuwenlang is blijven bestaan. Hevige strijd ontbrandde in de
vierde eeuw in Afrika om het Donatisme, waarin naast een oer
christelijk rigorisme ook allerlei nationale en
sociaal-revolutionaire motieven meespeelden.
Toen met Constantijn het verbond tussen kerk en staat gesioten
werd, stelde de staat zijn sterke arm aan de kerk ter
beschikking ter bestrijding van de tegenstanders en de kerk nam
die graag aan. Constantijn werkte reeds met verbanningen van
heterodoxe elementen, en voortaan werd tot grondbeginsel
verheven, dat iedere uitsluiting uit de kerk door een bisschop
ook maatschappelijke consequenties met zieh meebracht. Sedert
Valentinianus I, en eerst recht sedert Theodosius I (379 - 95)
werden de wetten tegen de ketters al maar strenger. Theodosius
verbood iedere andere godsverering dan de Nieeense en zijn
maatregelen richtten zich evenzeer tegen het heidendom als tegen
Christenen met een afwijkend geloof. De geringste afwijking van
de orthodoxe leer werd als misdrijf tegen de staat met alle
mogelijke rechtsbeperkingen gestraft.
Voortaan was het gevaarlijk een sektariër te zijn. De verdere
geschiedenis van de sekten stond dan ook tot diep in de moderne
tijd en deels tot op heden toe in het teken van vervolging en
lijden. Dat de kerk zich tegenover groepen met afwijkende
overtuigingen niet tot zuiver pastorale .middelen beperkte, maar
het ingrijpen van het staatsgeweld duldde, ja zelfs eiste, is
een donkere schaduw in haar beeld. In de twintigste eeuw tegen
de sekten te doen met een nieuwe vijand in de gestalte van de
totalitaire dictaturen. In het Derde Rijk werden bijna alle
sektarische gemeenschappen verboden en deels bloedig vervolgd.
In de communistisch geregeerde landen vergaat het hun weinig
beter. Een enkele sekte, zoals die van Jehova's Getuigen, heeft
wegens haar negatieve instelling tegenover staat en krijgsdienst
ook in de westelijke democratieën zo nu en dan te lijden van
onderdrukking.
Hoe streng de leertucht in de kerk van de middeleeuwen ook was
en hoever haar machtsmiddelen ook reikten, ze kon toch niet
verhinderen, dat allerwege sektarische bewegingen opkwamen, die
in protest te gen het verval van kerk en paus dom het ideaal van
de armoede aanprezen (Katharen, Amoldisten, Lombarden, Walden
zen, Humillaten), vervuld waren van apocalyptische verwachtingen
(Joachimieten, Spiritualen, Fraticelliers, Apostolischen), als
voorboden van de reformatie aan de grondpeilers van de
kerkelijke leer en hiörarchie schudden (Wicleff, Huss) of een
revolution air chiliasme predikten (Taborieten, opstand van de
paukenist van Niklashausen Hans Böhm in 1476).
Ook de Orthodoxie had sektarische afsplitsingen te melden. In
innerlijk en uiterlijk verband met de Katharen stonden de
Bogomielen van de twaalfde eeuw in Bulgarije. De tegenstand
tegen cultische hervormingen en westelijke vernieuwingen riep in
de zeventiende eeuw de Russische Oud-Gelovigen, de Raskolnikers,
te voorschijn. De Starovjerzy's veroordeelden de geringste
verandering in cultus of zede als prijsgave van de heiligste
goederen en zagen in Peter de Grote de antichrist en in alles,
wat uit het buitenland kwam, zonde en onheil, Een deel van hen,
de Bezpopovzy's, dat wil zeggen "priesterlozen", zag na het
verlies van de gewijde clerus af van iedere vorm van eredienst,
voltrok de doop zelf, Iiet het avondmaal uiteenvaIIen, ontdeed
het huwelijk van zijn sacramenteel karakter en verving het
sacrament van de biecht door een openlijke boetedoening voor de
gemeente. Gnostische elementen werkten in de sekten van de
Duchoborzy's (geestelijken) en Molokany's (melketers), die in
het midden van de achttiende respectievelijk negenti ende eeuw
opkwamen. Mystiek-ascetische motieven leidden in de zeventiende
eeuw tot het ontstaan van de Chlysty's (geselaars) met hun
extatische dans bij de cultus, hun volledige geslachtelijke
onthouding en hun geloof aan voortgezette goddelijke openbaring
en steeds nieuwe vleeswordingen van Christus. De Skopzy's of
gesnedenen (sedert de tweede helft van de achttiende eeuw)
dreven de ascetische eisen van de Chlysty's op tot
zelfontmanning, amputatie van de borsten van de vrouwen en
zelfverbranding en wilden het getal van de 144.000 "maagden" van
Openb. 14 : 1 en 4 volmaken, opdat het duizendjarig rijk zou
kunnen aanvangen. De judicerende Subbotnikers, die sedert het
midden van de achttiende eeuw sterker naar voren traden, gingen
over tot sabbatsviering en stelden de wet van Mozes boven die
van Christus.
Een vruchtbare voedingsbodem voor het ontstaan van sektarische
bewegingen bleek het Protestantisme te zijn. De reformatie had
zich in moeizame strijd te verweren te gen de dweepzieke en
doperse bewegingen, die de "papieren Paus" van de Bijbel en een
kerk, die zieh zo nauw met de overheid verbond, afwezen, kritiek
hadden op de rechtvaardigingsleer en de beklemtoning van de
uiterlijke sacramenten, zieh door het inwendige woord lieten
leiden en bij tijd en wijle in het teken van diepe
apocalyptische verontrusting een
. militant karakter aannamen (Thomas Münzer, de Dwepers van
Münster). Het Piëtisme had menigerlei sektarische verschijning
ten gevolge waarin een antikerkelijk separatisme zich verenigde
met de chiliastische motieven van geestdrijvers (de
Philadelphische Sociëteiten, de "ware inspiratiegemeenten" van
Gruber en Rock uit 1716, de Ronsdorfer sekte uit 1716, de
Buttlarse schare uit 1702, de Bordelumse schare uit 1739).
Tijden van historische rampen brachten met de geestelijke en
religieuze schok, die ze veroorzaakten, ook altijd een opleving
van de sekten met zich mee. Zo bleken de decennia van de Franse
Revolutie en Napoleon bijzonder vruchtbaar te zijn voor het
sektarisme. De omwentelingen van die tijd vormden de geestelijke
ondergrond, waaruit b.v. de Katholiek-Apostolische gemeenten, de
Adventisten en de Tempeliers opkwamen. De toenemende welstand en
ook de veruiterlijking van de Amerikaanse kerken, die samenhing
met de economische vooruitgang na de burgeroorlog, riep talloze
sektarische protestbewegingen te voorschijn: Perfectionistische,
apocalyptische en Pinkstergemeenschappen ontstonden in die jaren
voor en na de eeuwwisseling in groten getale. Vele van hen,
geladen door een enorme activiteit, grepen ver boven het
moederland uit en vonden internationale verbreiding. De beide
wereldoorlogen en de series revoluties en dictaturen, waarvan de
wereld in de twintigste eeuw te lijden had, gaven samen met
toekomstvertwijfeling en levensangst, aan het sektarisme nieuw
voedsel. De psychische, sociale en religieuze verwoestingen ten
gevolge van de oorlogen, het lamleggen van kerkelijke arbeid
door de totalitaire regeringen, de opeenhoping en dooreenmengen
van ontwortelde of verjaagde mensenmassa's, waar de kerkelijke
gemeenten niet meer tegen op kunnen, de met de mechanisering en
industrialisering gepaard gaande omwentelingen, de
nationalistische beroeringen in de wereld van de kleurlingen -
dit alles en nog veel meer droeg er toe bij, dat de sekten zowel
wat aantal en verscheidenheid van gemeenschappen betreft als in
omvang en uitbreiding, momente el een stand hebben bereikt als
nooit tevoren. Er zijn grote sekten, die in zielenaantal menige
kerk overtreffen, meer geld bijeenbrengen dan deze, een veel
omvangrijker zendingswerk verzorgen dan de kerken, zich ook in
de publieke mening een vooraanstaande plaats heb ben verworven
en een goed eind op weg zijn, tenminste naar buiten, zich te
ontdoen van het karakter van conventikel en gelijkwaardige
Kerken" te worden.
Vorenstaand overzicht geeft slechts een aanduiding van de bonte
verscheidenheid van de geschiedenis van de sekten. Het wilde
aantonen, dat er in alle perioden van de kerk sektarische
afsplitsingen geweest zijn en dat geen enkele confessie daarvan
vrij bleef. Het wijst vervolgens aan, dat de sekte in al haar
schakeringen wezenlijk als protestbeweging verstaan moet worden.
In dit protest zijn niet alleen maar bijbels-christelijke
motieven werkzaam. Dikwijls wordt het ook gevoed door nationale
en sociaal-revolutionaire motieven, door bepaaldheden van ras,
door traditionalistische rassensentimenten of door
buitenchristelijke religieuze invloeden. Tenslotte maakt dit
overzicht duidelijk, dat het begrip "sekte" bepaald niet uniform
omgrensd is, maar een zeer gevarieerde verscheidenheid in zich
bergt, al naar gelang van de tijd en de confessie, waarin ze
ontstaat. Hier doemt een probleem op, dat om opheldering vraagt
en waarmee ons verdere onderzoek moet beginnen.
Wat is een "sekte"? - Definitiemoeilijkheden
De christelijke gemeenschappen worden onderscheiden in de typen
"kerk" en "sekte". Maar reeds hier beginnen de moeilijkheden.
Als men de sekte als contrastbegrip wil verstaan en dus
afgrenzen wil van de kerk, moet men eerst een duidelijke
definitie hebben van wat een .Kerk" is. Maar zo'n definitie
ontbreekt. De Christenheid valt uiteen in drie grote confessies,
die in hun structuren streng van elkaar zijn gescheiden en zieh
daarenboven deels weer in talrijke, onderling verschillende
kerken opdelen. Is er een eenheid, die ze allemaal in gelijke
mate overkoepelt en door allen in gelijke mate erkend wordt als
een band, die hen verenigt? Ligt deze eenheid in Christus? In de
heilige Schrift? In een gemeenschappelijke opvatting van zonde,
verzoening, genade, van de sacramenten? Nee, de scheur loopt
door al deze fundamentele gebieden heen. Een bepa alde eenheid
in de kerk bestaat niet.
Het is daarom niet te verwonderen, dat de vraag naar het wezen
van de sekte en naar wat haar onderscheidt van de kerk in de
loop van de geschiedenis op de meest verschillende manieren is
beantwoord.
Voor zover deze antwoorden in hun tijd als juist hebben gegolden,
zullen we hebben na te gaan, in hoeverre ze ook vandaag nog deze
geldigheid hebben.
Men heeft de sekte als de kleine gemeenschap gesteld tegenover
de grote kerk. Daaruit leidde men dan graag een negatieve
beoordeling af: de sekte is een lastige storende factor in het
publieke leven, een schare van rustverstoorders en zonderlingen,
een terzijde staand conventikel. Men trok uit het aantal harer
volgelingen conclusies betreffende de kwaliteit van de zaak, die
ze voorstond. Men deprecieerde de sekte, omdat ze niet paste bij
de "common sense", niet de goedkeuring had van de geestelijke
autoriteiten van die tijd en bij de massa van het volk niet in
aanzien stond. - Maar dat is een onbruikbaar antwoord. Want
principieel zegt het aantal aanhangers niets aangaande de
waarheid. Die is soeverein en hangt niet af van veel of weinig
instemming.
Men heeft het kenmerk van de sekte gezien in het feit, dat ze
een door de staat niet erkende en wettelijk niet bevoorrechte
gemeenschap is (b.v. bij de vrede van Westfalen). Maar ook deze
definitie is onbruikbaar. Want dan zou de staat hebben te
bepalen, wat "kerk" en wat "sekte" is. Daartoe echter voelt
zeker de moderne wereldse staat zich niet competent.
Men heeft de "sekte" wel gedefinieerd als een zuiver vrijwillige
gemeenschap in tegenstelling tot de volkskerk, Zij zou zich dan
van de kerk, waarin men nu eenmaal als leden van het volk
geboren wordt, onderscheiden, doordat ze slechts die mensen
omvat, die een eigen religieuze beslissing genomen hebben en
derhalve vastbesloten zijn om de "ware gemeente van Christus" te
vormen en daartoe ook in de gelegenheid zijn. De kerk is volgens
Troeltsch het vaste, objectieve; haar leer en haar ordeningen
bestaan reeds v66rdat haar leden ertoe behoren. "De enkeling, in
zoverre hij Christen is, geldt als door haar voortgebracht, de
kerk is de moeder der gelovigen. Men noemt de sekte daarentegen
niet moeder. Bij haar is het veeleer zo, dat de gemeenschap
telkens opnieuw door haar leden wordt voortgebracht." 1) Het
onderscheid tussen kerk en sekte concretiseert zich bijgevolg
het duidelijkst in de dooporde: bij de kerk kinderdoop, bij de
sekte volwassendoop. Maar ook deze tegenstelling voldoet niet.
Want ze houdt geen rekening met de leerinhoud. En afgezien van
het feit, dat de volkskerk bezig is te gaan verdwijnen, zouden
in dit geval ook de vrije kerken - Methodisten, Baptisten enz. -
als vrijwillige gemeenschappen tot de sekten moeten worden
gerekend.
Men heeft de geloofsbelijdenis tot kenmerkend onderscheid
gemaakt: sekten zouden al die gemeenschappen zijn, die het
apostolische niet belijden, Maar ook daarmee komt men er niet.
Want het apostolische draagt zijn betiteling als "oecumenisch
symbool" in zoverre ten onrechte, dat het slechts in de Westerse
Christenheld (Rooms-Katholicisme en de kerken der reformatie)
als belijdenis erkend werd, maar daarentegen bij de kerken van
de Orthodoxie geen ingang vond. Bovendien zijn er gemeenschappen,
b.v. de Hersteld-Apostolischen, die het apostolicum in hun
belijdenis hebben opgenomen, maar desondanks duidelijk onder de
sekten moeten worden gerekend.
Men heeft de sekte wel vanuit sociale achtergronden willen
verklaren als een godsdienstig en dogmatisch vastgelegd protest
van armere gemeentegroepen tegen de verwereldlijking van een
rijke en verburgerlijkte kerk. Deze motivering treft men
inderdaad dikwijls aan, vooral in de Amerikaanse
geschiedschrijving van de sekten. Maar hieronder kunnen bij
lange na niet alle sekten vallen. Er zijn godsdienstige
afsplitsingen, waaraan burgerlijke en ontwikkelde kringen
leidinggevend hebben deelgenomen (b.v. Christi an Science en
Christengemeenschap) en bij wie geen enkel sociaal affect valt
aan te wijzen.
Men heeft het verschijnsel van de sekten 'trachten te verklaren
met psychologische middelen: hier zou het psychisch afwijkende,
ziekelijke, zieh breed maken. Inderdaad, de sekten zijn heel
vaak het toneel van geöxalteerde en zonderlinge gedragingen, een
invalspoort voor magische en spiritistische krachten en
veelsoortig bijgeloof. De hoofdredacteur van het Katholieke
tijdschrift "Arzt und Christ", Dr Gottfried Roth uit Wenen,
deelde op het internationale Katholieke congres van zielzorgers
voor zieken, in Freiburg in 1956, mede, dat het aantal
psychopaten onder hen, die tot een sekte behoorden, veel groter
was dan bij de doorsnee van de bevolking. Dr. med. Walter
Schulte, docent te Bethel, karakteriseerde het leven van de
sekten door te zeggen, dat het uitmuntte door "onwaardige ideeën",
d.w.z. door gedachten, die ingevolge een sterke gevoelsnadruk de
voorrang krijgen boven alle andere en de persoonlijkheid na
verloop van tijd steeds uitsluitender gaan beheersen. "Deze
onwaardige ideeen worden gedragen door persoonlijkheden, die
weliswaar zeker niet in eigenlijke zin ziele zijn, maar onder
omstandigheden wat hun karakter betreft toch wat abnormaal
aandoen. Het zijn soms min of meer zonderlinge naturen. Onder de
leiders vindt men naar verhouding veel fanatieke naturen, die
zieh bij voorkeur doen gelden, en on der de volgelingen van
zichzelf onzekere, suggestibele naturen." 2) De privaatdocent
voor psychiatrie in Bern, Dr Hans Heimann, stelde bij drie
geestelijke vaders van bijzondere godsdienstige gemeenschappen:
Emanuel Swedenborg, Jacob Lorber en Anton Unternährer (geboren
in 1759, stichter van de Zwitserse sekte van de Antonianen), een
schizophrene psychose vast, "die vooral door hallucinaties
gekarakteriseerd wordt, een zgn. paranoide hallucinose". 3) Maar
zijn diagnose schijnt me niet in ieder opzicht zeker. Laten de
visioenen en inwendige stemmen van Lorber en Swedenborg met de
rijke en vaak diepe inhoud van hun bekendmakingen, zieh
werkelijk als hallucinaties zonder meer verklaren? Heimann zelf
ziet er terecht van af, uit zijn verklaring gevolgtrekkingen
betreffende het waarheidsgehalte te maken. En Ernst Benz
rangschikt een man als Swedenborg bij de groep van de
visionairen en noemt hem zelfs een "echte christelijke profeet"
. In ieder geval zou het onjuist zijn en grove laster, als men
eenvoudigweg alle stichters en aanhangers van een sekte
onderbracht bij de categorie van psychisch defecte of met het
occultisme besmette lieden.
Men heeft de tegenstelling tussen kerk en sekte wel hierin
gezien, dat de sekte bekrompen en fanatiek zou zijn en met de
pretentie, dat het heil alleen in haar midden te vinden is, zich
botweg afzondert van alle andere christelijke gemeenschappen,
terwijl de kerk juist een oecumenische houding aanneemt. Ook
hier toont zich inderdaad een kenmerkende karaktertrek, die we
later weer zullen ontmoeten. Maar ook deze komt voort uit
diepere wortels ze is dus niet primair, maar secundair. En
bovendien, is de geschiedenis van de kerken vrij van fanatieke
bekrompenheid? Eu vindt men die exclusieve pretentie van het
heil niet ook bij de Katholieke kerk? "Als men on der sekte een
religieuze gemeenschap verstaat, die in haar programma het
principe heeft staan, zich van de overige Christenheid af te
grenzen, dan is er geen enkel deel van de kerk, waarop deze
definitie beter zou passen dan Rome." 4)
Men heeft getracht het onderscheid tussen kerk en sekte
theologisch aldus te formuleren: Terwijl de kerk de nadruk legt
op het "alleen" - Christus alleen, de Schrift alleen, het geloof
alleen -, zou voor de sekte het "en" kenmerkend zijn. Zij zou
naast Christus nog een andere, menselijke autoriteit zetten, zou
dus aan haar geloofsleven behalve de Schrift nog andere
wijsheden, openbaringen of inzichten ten grondslag leggen als
normerende waarheden en zou aan het geloof nog zedelijke of
cultische werken willen toevoegen van heilsbeslissende waarde.
Of men zegt, dat de sekte naast de algemeen-Christelijke
geloofswaarheid nog een aparte leer ontwikkeld heeft, deze over
beklemtoond en daardoor de breuk veroorzaakt heeft. Deze
theologische verklaringen van het wezen der sekte raken
ongetwijfeld een wezenlijk feit, maar zijn toch niet afdoende.
Want onder de bovenstaande tegenstelling van "alleen" en "en"
kan men slechts die kerken en sekten vangen, die binnen de
ruimte van de reformatie zijn ontstaan; ze is echter niet te
gebruiken voor de Katholieke en Orthodoxe kerken en de sekten,
die daaruit voortkwamen. Bovendien geeft ze slechts enkele,
weliswaar zeer belangrijke symptomen aan, maar stoot toch niet
tot de wortel door. Dat zelfde geldt voor de verwijzing naar de
aparte sektarische leerstellingen. Zeker, de
Hersteld-Apostolischen hebben een eigen leer ingevoerd
betreffende de weder instelling van het apostelambt en de
Adventisten betreffende de sabbat, en ze onderscheiden zich
daardoor van de kerk. Maar is dat nu het hele onderscheid? Moet
men niet vragen: Hoe komen ze er eigenlijk toe, deze aparte leer
te ontwikkelen? Hier moeten toch nog wel diepere drijfveren
voorhanden zijn. Misschien reiken de worteis van deze
leerstellingen wel tot de bodem! Misschien veranderde door de
uitwerking daarvan wel de hele structuur van die "algemeen-Christelijke
waarheid"! Misschien, ja waarschijnlijk is het dus helemaal niet
zo, dat men die aparte leerstellingen als een soort
kankerwoekering beschouwen moet, die zich heeft vastgehecht aan
het lichaam van deze algemeen-Christelijke waarheid. Als dat
juist was, dan was de situatie eenvoudig. Dan zou men kunnen
volstaan met aan de sekten voor te stellen deze woekeringen te
amputeren of ten minste ze langzamerhand te doen slinken,
terwijl anderzijds de kerk ze dan zou moeten tolereren, omdat ze
immers slechts woekeringen zijn en de eigenlijke "gemeenschappelijke"
kern van de Christelijke waarheid niet beroeren. Dan zou het ook
mogelijk moeten zijn, door Bijbelonderzoek opheldering te
verkrijgen over recht of onrecht, belang of noodzaak van die
aparte leringen, om op deze wijze tot overeenstemming te geraken.
Maar de ervaring leert, dat deze wegen niet begaanbaar zijn. Er
moet dus iets diepers, iets elementairs in deze woekering
schuilen. In feite zijn dit juist de zichtbare tekenen ervan,
dat de leer van de sekte zieh in haar gehe el onderscheidt van
de verkondiging van de kerk en dat er niet zo iets bestaat als
een grondverdieping van een gemeenschappelijke Christelijke
waarheid, die kerk en sekten ondanks alle aparte leerstellingen
toch nog met elkaar verbindt, Waar ligt echter dit onderscheid?
Wat is dus een sekte? Ook het teruggrijpen op de filologie helpt
ons niet verder. De afleiding van het woord van sequor = iemand
volgen, iemands partij kiezen, of van sec are = afsnijden,
bezorgt ons op z'n best een formele, maar geen inhoudelijke
begripsbepaling. Helemaal moeilijk wordt de vraag, als men het
volgende bedenkt: volgens een definitie van "sekte in de meest
algemene betekenis van het woord" van Konrad Aigermissen, geldt
b.v. de Oud-Katholieke kerk voor de Katholieken als sekte; want
sekte is principieel .Iedere godsdienstige gemeenschap, die
onder erkenning van de BijbeI als de door God geopenbaarde
waarheidsbron en in het geloof aan Christus als Gods Zoon
christelijk kan worden genoemd, maar in haar levenstrekken van
het begrip van de ware kerk afwijkt" .5) Daarom rangschikt Rome
ook de kerken van de reformatie altijd weer onder de "sekten".
Anderzijds wordt de Oudkatholieke kerk in Protestantse kring
zonder meer als kerk erkend, terwijl zo nu en dan de Roomse kerk
wordt aangeduid als een "sekte" van reusachtig formaat. Voor
jehova's Getuigen, de Kerk van het Godsrijk of de Mormonen
gelden weer alle christelijke gemeenschappen en kerken als
sekten met uitzondering van hun eigen geloofsgemeenschap. Het
gebruik van het woord "sekte" is dus blijkbaar gebonden aan het
standpunt, dat men inneemt. Dit woord is een relatie-begrip. Het
gebruik ervan verstrekt geen helder beeld. Is het dus
onbruikbaar?
Het antithetisch karakter van de sekte
Als we met de beide begrippen "kerk" en "sekte" toch op de een
of andere manier willen werken - en we kunnen daar nu eenmaal
niet onderuit -, dan moeten we ze nauwer begrenzen. Daarom
willen we, om van wat een sekte heet een nauwkeuriger bepaling
te vinden, eerst eens te rade gaan bij de
godsdienstgeschiedenis.
1. Het sekte-wezen is een verschijnsel, dat in alle
godsdiensten, tenminste in alle grote godsdiensten, terugkeert.
Het betekent de afscheiding van een moedergodsdienst of van een
moedergemeenschap - een afscheiding, die teruggaat op een
verschil in opvatting van de waarheid of in godsdienstige
praktijk. Deze afscheiding behoeft niet noodzakelijkerwijs onder
een polemisch voorteken te staan. Het is he el goed mogelijk,
dat de nieuwe gemeenschap zichzelf eenvoudig als een variant van
de moedergodsdienst ziet, en alleen maar de pretentie heeft de
daar aangehangen waarheid aan te vullen of scherper te
preciseren. Dit soort onpolemische sektevorming treft men b.v.
aan in de omgeving van het Hindoeïsme en Boeddhisnie. Juister is
het, om hier te spreken van een "vertakking", niet van sekte.
Anders is het bij de godsdiensten die beweren uit te ga an van
een exclusieve openbaring, die hun leer dogmatisch duidelijk
hebben gefixeerd en zo mogelijk ook georganiseerd zijn in een
straffe hierarchische gemeenschap. Hier heeft iedere afsplitsing
een antithetisch karakter: vanuit het gezichtspunt van de
moedergemeenschap wordt ze als afval gezien, vanuit het
gezichtspunt van de afgescheiden gemeenschap als het terugkeren
of het voortschrijden na ar een beter, zuiverder geloofsleven.
Met het woord "afsplitsing" is in eerste instantie nog geen
oordeel uitgesproken over de wezenlijke legitimiteit of het
waarheidsgehalte van de nieuwe gemeenschap. Het zegt ook nog
niets over de verdere ontwikkeling van deze nieuwe gemeenschap,
b.v. dat ze altijd zou zijn veroordeeld tot een leven in een
uithoek. Het heeft louter betrekking op een afstammingsrelatie,
die tegelijk in het teken van verwantschap en tegenspraak staat.
In deze zin werd b.v. de oer-Christelijke gemeente eerst als
joodse sekte aangeduid en de kerk der reformatie als Katholieke
sekte.
2. De ontwikkeling van de zojuist genoemde afsplitsing is echter
snel en ver uitgestegen boven datgene wat we ons plegen voor te
stellen bij een "sekte". Los van de moedergemeenschap kwamen ze
tot een geheel eigen bestaan en groeiden uit tot nieuwe
zelfstandige gemeenschappen. Dat konden ze doen, omdat in de
diepte van hun verzet tegen de moedergemeenschap een sterke
positieve kern aanwezig was, een nieuwe boodschap met eigen
volmacht, die nu in haar innerlijke draagkracht, haar
vruchtbaarheid en haar aantrekkingskracht een eigen leven
ontplooien kon. Ze verbraken de grenzen van een alleen maar
antithetisch bestaan en waren nu niet meer "sekten", maar
godsdienstgemeenschappen met een eigen middelpunt en een vanwege
dit middelpunt verkregen eigen stempel.
3. De godsdienstgeschiedenis kent dus een ontwikkeling van
afscheiding naar "kerk" of nieuwe religie. Ze kent daarnaast
echter ook afscheidingen, die steeds "sekten" bleven. Hun
kenmerk bestaat hierin, dat hun eigen leer, die ze tegenover die
van de moedergemeenschap stelden, maar een geringe mate van
vruchtbaarheid bleek te bevatten. Aan een fragmentarische
leeruitspraak wordt een centrale rol toebedeeld, waar deze niet
te gen opgewassen is. Ze is belangrijk genoeg om het
antithetisch protest te gen de moedergemeen schap te motiveren,
maar is niet toereikend om een Levenskrachtige en veelomvattende
geloofswaarheid te ontwikkelen. Daardoor is de gemeenschap, die
zich om haar heen verzamelt, altijd veroordeeld tot een bestaan
in de schaduw van de moedergemeenschap. Ze kan zieh niet
voldoende uit de ban van de antithese losmaken en de vrijheid
vinden om zieh te bewegen naar een eigen middelpunt toe. Wat de
al te zwakke positieve kern van haar leer aan godsdienstige
levenskracht te kort komt, moet ze vervangen door een over
beklemtoning van haar protest tegen de moedergemeenschap.
Zodoende behoort het tot het wezen van de sekte, dat ze zieh
niet met een eigen leven van dat van de moedergemeenschap kan
losmaken en dat naast haar bijzondere leer het pathos van haar
protest, dat gemakkelijk tot fanatisme kan aangroeien, een bron
van levensbelang is voor haar kracht.
Nog op een tweede samenhang moet worden gewezen: de positieve
kern van de afwijkende leer is niet toereikend om het gehele
gebied van het menselijk zijn te doordringen. Tot dit gebied
behoort niet alleen de vraag naar het heil, maar ook het wijde
vlak van de menselijke existentie in de wereld en de veelheid
van de daarmee verbonden problemen. De eigen leer van de sekte
heeft een al te gering volume om deze problemen op te nemen en
te beantwoorden; of ze knoopt hun beantwoording vast aan
allerlei "esoterische" veronderstellingen, zodat ze het kenmerk
van klaarheid en begrijpelijkheid verliest. Deze beperktheid van
de geestelijk-godsdienstige horizon deelt zich ook mee aan de
gemeenschap, die rondom deze leer is gevormd. De aard en de
draagwijdte van deze leer werkt als een sorteerprincipe ten
aanzien van de mensen, die ze vermag aan te spreken en die bij
haar gaan horen. Van hieruit is het begrijpelijk, dat de sekte,
omdat de horizon van haar leer nauw is of donker of
fragmentarisch, dus slechts enkele groepen mensen van een
bepaald geestelijk type vermag te bereiken. Ook is het te
begrijpen, dat ze neiging vertoont zich af te scheiden van de
"wereid" , die ze godsdienstig niet aan kan, of zich als een
gezelschap esoterisch van haar afsluit, omdat ze geen toegang
tot haar vindt. Om met een Bijbelwoord te spreken: ze ziet het
niet als haar opdracht, een "licht der wereld" en een "zout der
aarde" te zijn, maar haalt haar aanhangers uit de wereld terug,
om hun in de gemeenschap van de sekte een ommuurd toevluchtsoord
te bieden van mensen die daaruit gered zijn. Dit na ar binnen
gerichte leven in een hoekje van de wereld heeft ook uiterlijke
gevolgen. Er bestaat een nauwe samenhang tussen de innerlijke
expansiedrang van een godsdienstige boodschap en de uiterlijke
expansiedrang van de gemeenschap, die de draagster is van die
boodschap. Uit een fragmentarische geloofsinhoud kan slechts een
fragmentarische geloofsgemeenschap ontstaan.
De confessionele bepaaldheid van de sekten
Bij de sekten, die ontstaan zijn binnen de ruimte van het
Christendom, moet men bedenken, dat men, zoals reeds werd
opgemerkt, niet kan spreken van "de Christelijke kerk" als
zodanig. We hebben te maken met de drie grote confessies. leder
van die confessies heeft haar eigen geestelijke structuur en
haar eigen centrum. En iedere confessie heeft in de loop van de
geschiedenis sekten voortgebracht. Deze zijn in haar
antithetisch bepaald door de thetisch van hun moedergemeenschap.
De sekten binnen het Christendom dragen dus evenzeer, zij het
ook in afgeleide vorm, een confessioneel stempel en wel in
reciproque zin, aangezien de tegenspraak, waaruit ze ontstaan
zijn, in de ruimte van een bepaalde confessie thuishoort en '
daarop een antwoord wil zijn. Zodoende mag men strikt genomen
niet in het algemeen spreken van "christelijke" sekten, maar
slechts van Katholieke, Orthodoxe en Protestantse
sektegemeenschappen. Nu zijn de drie confessies echter geen
starre scheppingen. Ze waren in de 100p van hun geschiedenis
onderworpen aan een gestadige ontwikkeling. Het
vroeg-Katholicisme draagt andere trekken dan het middeleeuwse,
en de na-reformatorische paus kerk onderscheidt zich wezenlijk
van de voor-reformatorische. Nog veel disparate zijn de
verschijningsvormen van het Protestantisme, dat zich steeds meer
vertakte en b.v. in Duitsland ten tijde van de orthodoxie van
het rationalisme en van het piëtisme, invloeden onderging van
zeer uiteenlopende aard. Deze gedaanteverandering van de kerken
brengt een gedaanteverandering van de bij haar behorende sekten
met zieh mee. De antithetiek van de sekten is gebonden aan de
verschijningsvorm van hun moederkerk op dat ogenblik. Ze is dus
bepaald door omgeving en tijd van ontstaan. Uit iedere kerk
komen in elk tijdvak
van haar geschiedenis sekten voort, die typisch bij dit tijdvak
horen. Zodoende is er dus niet een vaststaand begrip "sekte" dat
op alle confessies en tijdvakken van de geschiedenis van het
Christendom van toepassing 'is. Het is veeleer een correlaat
begrip, dat in zijn inhoud en afgrenzing van de kerk afhankelijk
is van de gedaanteverandering van de moedergemeenschap. Van
hieruit gezien is het dus zeer wel mogelijk, dat bij de steeds
meer doorgaande stroom van ontwikkelingen van de
kerkgeschiedenis een afsplitsing uit de 13de eeuw, die
toentertijd als "sekte" gold, door een latere tijd of in het oog
van een andere confessie niet meer wordt gerangschikt onder deze
categorie.
Nu heeft elk der drie confessies, hoezeer ze ook in de loop der
eeuwen aan verandering onderhevig waren, toch een godsdienstige
kernsubstantie, die niet verandert en die bepalend is voor de
structuur van haar wezen.
Zo zijn het in de grond van de zaak bij elke confessie altijd
weer dezelfde "kritische punten", waaraan een tot sektevorming
leidend protest ontvlamt. Dat betekent, dat de sekten van een
bepaalde confessie door een verwantschap van hun "nee" met
elkaar zijn verbonden en afgegrensd van de sekten van de andere
confessies. Ook het antithetische "ja" van deze groepen van
sekten is tot op zekere hoogte voorbestemd door het kritische
"nee"; hier is dus allerminst willekeur in het spel.
Zo kan men uit het type van de moederconfessie conclusies
trekken betreffende het type van de sekten, die uit haar
ontsproten zijn. De Katholieke sekten van de negentiende en
twintigste eeuw ontstonden uit het verzet tegen de centrale
heerschappij en de pretentie van onfeilbaarheid van de Paus, uit
nationale hartstochten met een anti-Roomse inslag, uit rebellie
te gen een in jurisdictie vastgelopen dogmatisch systeem,
waardoor men de geestelijke vrijheid of de rede of de waarheid
van de Schrift bedreigd meende. Het antithetisch "ja" van deze
sekten ontving zijn prikkels en zijn inhoud uit de confrontatie
van het charisma, dat zijn vrije loop neemt, met het
ambtsmonopolie, van het algemeen priesterschap met de
hiërarchische autoriteit, uit liberale en rationalistische
gedachtegangen, uit nationale motieven en - niet in de laatste
plaats - uit het teruggrijpen naar de Schrift.
De Orthodoxe sekten vormden zich in de strijd om de eredienst en
de liturgie als de kern van de Orthodoxe kerk. Daarbij kan men
twee groepen onderscheiden. De ene groep beschouwt de cultische
vormen en alle godsdienstige gebruiken van de kerk als iets, dat
nu eenmaal geheiligd en onaantastbaar is, beantwoordt kerkelijke
hervorming op dit gebied met protest en afscheiding, en fundeert
haar pretentie, de gemeenschap met het ware geloof te zijn, door
er op te wijzen, dat ze aan de afdwaling en da armee aan het
verval van de moederkerk niet heeft meegedaan en dus gebleven is
bij het oude geloof. De andere groep ondergaat de inkapseling
van de Bijbelse boodschap en van het geloofsleven in liturgische
vormen als iets benauwends en zoekt een uitweg naar de vrijheid,
waarin ze b.v. ruimte verschaft aan de geestdrijverij, aan een
ascetisch perfectionisme of wel aan het eenvoudige evangelische
leven. Deze typeringen van de confessioneel bepaalde sekten
omvatten natuurlijk niet het ganse terrein van deze
afsplitsingen - de werkelijkheid is in het spel van krachten op
het gebied der geestesgeschiedenis altijd bonter en rijker
geschakeerd -, maar ze geven in ieder geval enkele grond- .
lijnen aan, die in de verhouding tussen de moederconfessies en
hun afscheidingen telkens weer naar voren komen.
We beperken ons in wat volgt tot de Protestantse sekten van
vandaag. Er moet een seherp onderscheid gemaakt worden tussen
sekte en vrije kerk. Beide hebben weliswaar gemeen, dat ze uit
een en hetzelfde protest te gen de moederkerk ontsprongen zijn.
Maar de vrije kerken houden zich bij alle kritiek aan dezelfde
belijdenis en blijven daarin met de moederkerk in het geloof en
in een oecumenische arbeidsgemeenschap verbonden. De sekten
daarentegen hebben zich afgescheiden, omdat ze de door de kerk
verkondigde waarheid niet meer als juist erkennen, maar een
andere waarheid daartegenover plaatsen. Tenslotte is dus de
tegenstelling in de waarheidsvraag beslissend voor de
afscheiding. Daarom moet dan ook bij het onderzoek en de
beoordeling van de sekten het theologisch gezichtspunt
maatgevend zijn.
Het aantal Protestantse sekten is schier on overzichtelijk. Hun
leerstellingen, hun vormen van gemeenschap en van eredienst
vertonen een enorme rijkdom aan variaties. Hebben ze eigenlijk
wel iets gemeen, dat hen in hun afwijzende houding tegenover de
kerk der reformatie met elkaar verbindt en hen tegelijkertijd
typerend van de sekten, die uit de Katholieke of Orthodoxe
kerken ontstaan zijn, onderscheidt? Wat ze gemeen hebben kan men
in ieder geval niet ontdekken, als men alleen maar hun
leeruitspraken nagaat. Er bestaat geen gemeenschappelijke
dogmatiek van de Protestantse sekten. Maar wanneer men zoekt
naar hun herkomst en naar de bepalende krachten, dan ontdekt men
zekere tendensen, die in de vormenrijkdom van heel deze wereld
van Protestantse sekten werkzaam zijn. Al deze sekten zijn uit
dezelfde negatie ontsproten, namelijk uit het .mee" te gen de
reformatorische verkondiging. Deze negatie doet zich ook gelden
op het gebied van hun positieve leerinhoud en bepaalt die in
haar motieven en innerlijke betrekkingen. Er bestaat dus, van
hun oorsprong uit, een verwantschap tussen de Protestantse
sekten. Om een beeld te gebruiken: als een granaat explodeert,
vindt men nadien de splinters terug, verstrooid over allerlei
afstanden en richtingen. Maar ze wijzen allemaal terug naar
dezelfde explosiehaard. Zo hebben ook de Protestantse sekten een
en hetzelfde explosiecentrum. Onze taak is nu, de sekten bij
deze oorsprong op te zoeken, dat wil zeggen: uit te vinden wat
haar antithetisch is en het grondmotief te ontdekken, dat achter
deze antithetisch steekt.
Daarmee verlaten we het terrein van de godsdienstgeschiedenis en
ga an over tot een theologisch onderzoek. We vragen: Wat is het
hart en de kern van de reformatorische boodschap? Waarin bestaat
de sektarische antithetisch tegenover deze boodschap? Met de
beantwoording van deze vraag krijgen we de draad van Ariadne in
handen, met behulp waarvan we dan de weg hopen te vinden door
het labyrinth der vele sekten en ze van binnenuit kunnen gaan
verstaan.
Tweede Deel
DE GEESTELIJKE STRUCTUUR VAN DE PROTESTANTSE SEKTEN
Hoofdstuk 1
DE HAARD VAN DE AFSPLITSING
De kern van de reformatorische boodschap
Zoals bekend is, vertoonde de grote beweging, die zieh in de
zestiende eeuw baanbrak onder het gemeenschappelijk begrip
"reformatie", geen eenheid. Er is nooit zoiets geweest als een
reformatorische eenheidstheologie. Reeds in de aanvang kwam het
dikwijls tot bittere leergeschillen - b.v. in de avondmaals
vraag, het finitum capax of non capax infiniti, de verhouding
van wet en evangelie _ en deze tegenstellingen in de leer kregen
al spoedig vaste vorm in eigen belijdeniskerken binnen de
beweging van de reformatie.
Maar het was niet toevallig, dat er in het verdere verloop
telkens ook over en weer unies tot stand kwamen, dat er zich op
deze of gene boven confessionele basis allianties vorm den en
dat de reformatorische confessies zieh aaneensloten in de
oecumene. Ze bleven zich dus, bij alle scheiding, diep bewust
van wat ze gemeen hadden. Waarin bestaat dat nu? Bestaat het
soms in de gemeenschappelijke en exclusieve bin ding aan het
Schriftgezag? Zeker ook daarin. Maar men kan de Schrift op heel
wat verschillende manieren uitleggen, zoals het voorbeeld van
jehova's Getuigen bewijst. Belangrijker is iets anders: de
eenheid van de kerken der reformatie bestaat hierin, dat ze als
eensgezind getuigenis der Schrift een gemeenschappelijk antwoord
op de vraag naar het heil gevonden hebben. In de strijd tegen de
Roomse kerk en met beroep op de Schrift hebben ze bij hun
antwoord op de vraag: "Hoe krijg ik een genadige God?" iedere
medewerking van de mens door goede werken en iedere
heilsbemiddeling van de kerk door haar priesterheerschappij,
haar sacramentele of jurisdictionele volmachten, afgewezen. Geen
mens, geen kerk kan heil bewerken of zich bemiddelend
inschakelen in het proces van de verwerkelijking van het heil.
Bestaat er eigenlijk wel een mogelijkheid om het heil te
verkrijgen? Ja, maar zonder de mens en tegen de mens in. Heil is
slechts te vinden als een mogelijkheid Gods: sola gratia. Met
dit woord is de kern van de reformatorische boodschap aangeduid.
Het heil is zuiver en alleen Gods daad. Het begrip "Gratia"
spreekt zeer radicaal uit, dat het heil niet van enige
menselijke of kerkelijke medewerking afhangt, maar dat het
geschonken wordt, afgezien van alle condities, die de mens kan
opbrengen of de kerk kan leveren; dat het niet door welke
prestaties ook verdiend of ook maar op gang gebracht kan worden.
Er is in deze zaak geen sprake van welke coöperatie ook tussen
mens en God, maar God is de alleen werkende en schenkende
"zonder enige verdienste of waardigheid mijnerzijds". Daarin wil
Hij bewijzen en bewijst Hij zijn majesteit, die zich ontfermt
waar zij zieh wil ontfermen, en die in haar ontferming alles
schept en schenkt, zonder op de medewerking van de menselijke
creatuur te zijn aangewezen.
Het is een sola gratia, dus totaal exclusief in de meest strikte
zin van het woord. Ook datgene wat onder de inwerking van zijn
genade in de mens geschiedt: het geloof, zijn bekering en
heiliging, zijn werken en zijn wandel in het teken van boete en
van liefde - is geen prestatie of verdienste, maar genade ! En
omdat het genade, dus onverdiend geschenk is, kan het ook nooit
een aanleiding vormeil tot vrome trots of ook maar tot een zeker
recht tegenover God of tot een farizeïsche aanmatiging tegenover
andere mensen, maar noopt het altijd tot deemoed en aanbiddende
dank.
Tenslotte is de boodschap van het "door genade alleen", in
Christus en zijn verlossingsdood verkondigd en bevestigd, de
burcht tegen alle gewetensaanvechting. Want ze maakt het heil
niet meer afhankelijk van de menselijke krachtsinspanning met
haar onzekerheden en terugval. Ze stelt het geloof op een vaste
grond, die niet meer zijn eigen grond is, maar de grond van de
goddelijke heilsbelofte. Hier wordt de mens, los van alle ups en
downs van zijn innerlijk leven, zekerheid gegeven; hier staat
het "ja" van God. Het blijft staan, ook tegenover het eigen
"nee" en tegenover de vertwijfelingen van het geweten. Het komt
vanuit een andere dimensie en wordt daarom niet door menselijke
aanvechtingen aan het wankelen gebracht.
Maar de genade is aan de greep van de mensen onttrokken. Dat is
enerzijds het fundament van de heilszekerheid. Maar het is
anderzijds ook een ergernis. Want da armee is uitgesproken, dat
de mens op het punt, waar het voor hem om leven en dood gaat,
als actief deelnemer uitgeschakeld is, Hij kan zijn heil niet
zelf bewerken. Hij kan het niet eens bevorderen. Hij is
teruggewezen naar de passiviteit, hij is niet meer eigenmachtig
heer en soeverein subject, maar aan God uitgeleverd als object.
Natuurlijk, de Schrift, en de hervormers met haar, verwarren het
werk van Gods genade niet met een automatisch aflopend apparaat.
Ze spreken er van, dat de mens het heil, dat hem door God bereid
is, moet aannemen, dat hij moet gaan "geloven". Ze kennen een
verantwoordelijke beslissing van de mens voor en tegen het heil,
en spreken van schuldige afwijzing van de nodiging Gods. En
verder: het geloof moet zich omzetten in vruchten. Het sluit een
menigte ethische eisen in zich, met aan de spits de liefde.
Geloof zonder werken is dood, want geloof verplicht.
De mens heeft dus tegenover het aanbod van het heil de vrijheid
om te kiezen en kan beslissen om te gehoorzamen of niet. Maar
dat is slechts de ene kant. Aan de andere kant wordt het
menselijke "ja" tegenover het heil, dat God aanbiedt, het geloof
dus, direct weer herleid tot een gebeuren, dat de mens niet uit
eigen kracht tot stand brengt, maar dat de Heilige Geest in hem
heeft voltrokken. En de vervulling van het gebod der liefde is
niet allereerst een ethische prestatie van de mens, maar een
vrucht, die groeit uit het ontvangen van de liefde Gods. Gods
indicatief gaat dus aan de imperatief aan de mens vooraf. En wat
de mens tot aal onmogelijk is, dat is zelf in te grijpen in het
proces van de genade. Hij moet het laten bij de constatering,
dat hij hier zijn lot niet meer zelf in handen heeft.
Het sektarische oerprotest
Deze eis gaat lijnrecht tegen een grondtendens van de mens in.
Hij wil zijn eigen heer en meester zijn, wil over zijn lot zelf
beschikken en zelf zijn geluk smeden. Hij doet dat in alle
kleine en grote dingen van zijn leven. Hij bepaalt, wat hij wil
eten, hoe hij zich wil kleden, en hoe hij zijn dagen wil
doorbrengen. Hij kiest zich zijn beroep, beslist over de keuze
van zijn levensgezel, zoekt zijn eigen gezelschap en zijn eigen
geestelijke atmosfeer. In het feit dat hij dit alles kan doen,
bevestigt hij zijn heer en meester zijn en zijn vrijheid. En
alleen datgene, wat hij aan zichzelf te danken heeft, heeft hij
in eigen hand. Hiervoor is hem een garantie gegeven. Voor al het
andere, dat van andere mensen of machten afhangt, ontbreekt deze
garantie. Dat moet hij vervangen door een erudiet. Elk crediet
van dien aard is verbonden met een risico. Dit risico is te
dragen, als het alleen .maar om een kleine inzet gaat. Maar als
er meer op het speI staat, pleegt men het erudiet te dekken door
een tegenverzekering.
Zo gaat het in het leven van alle dag en in het zakenleven. Maar
hoe gaat dit bij de heilsbelofte Gods, dus ten aanzien van de
vraag, waarmee het hele bestaan staat of valt? Hier moet de mens
helemaal op "erudiet", d.w.z. uit het geloof, leven. Maar dit
crediet kan hij niet meer bij enig aards heilsinstituut
tegenverzekering. Geen enkel ander mens, geen dominee, geen kerk
kan hem een garantie bieden. Hij wordt tot voor een afgrond
geleid en men stelt hem de eis:
"Spring in de diepte! Ge kunt rustig springen, ge zult niet te
pletter slaan, maar midden in de kloof wordt u een hand
toegestoken, die u opvangt!" Kan hij op deze belofte de sprong
wagen - zonder touw en zonder voorafgaande' verkenning? Neemt
hij daarmee niet een vreselijk risico? Zeker, die hem de sprong
gebiedt en van de toegestoken hand spreekt, is niet zo maar
iemand, maar Christus zelf. Maar het kost niettemin een
overwinning, voor men springt; want men bezit niets dan het
blinde, vertrouwende geloof.
Velen huiveren voor deze sprong. Ze zien om naar een andere
mogelijkheid om het geld te verkrijgen, zonder dit risico te
moeten nemen. Is het angst? Is het gebrek aan geloof? Is het
eenvoudig die grondtrek van de menselijke natuur, die het eigen
lot zelf in handen zou willen houden en het niet wil uitleveren
aan vreemde machten? Dit zal wel de doorslaggevende reden zijn.
Deze grondtrek heeft nl. de machtigste en meest verscheiden
schepping op het wijde gebied van de godsdienstgeschiedenis
voortgebracht. Hij werkt in de wettische religies van joden en
Mohammedanen evengoed als in de werkreligies van de
Hindoeïstische Karma Marga of in de zelfverlossingsleer, die in
de "heilspaden" van de Vedanta en van het Boeddhisme wordt
verkondigd. Hij werkt in de drang naar bovenzinnelijke kennis en
naar opklaring van het gevaarlijke donker aan de overzijde van
de menselijke grenslijn, die te allen tijde wijzen en zieners,
extatici en esoteriers, tovenaars en geestenkenners bezielde.
Hij probeert op allerlei manieren een inzicht te krijgen in de
heerschappij van de bovenaardse machten en de goddelijke macht
ten gunste van de mens te beïnvloeden - door offers, verering,
gehoorzaamheid en allerlei andere prestaties.
Deze oer drang naar heilsverzekerdheid en naar een heils weg,
die de menselijke initiatieven niet negeert, maar aan deze
tenminste het recht van meespreken inruimt, is ook in het
Protestantse sektewezen werkzaam. Van hieruit gezien blijkt het
de vrucht te zijn van een elementaire zielsbehoefte en mag het
derhalve niet gebrandmerkt worden als religieuze ontaarding,
maar is het een consequent antwoord op een menselijk
grondmotief.
Het punt dus, waarop de sektarische antithetisch inzet, is de
centrale boodschap van de reformatie: de rechtvaardiging sola
gratia, sola fide, steunend op het getuigenis van de Schrift,
sola scriptura. Om nog eens het beeld van de granaat te
gebruiken: hier Ligt de explosiehaard. De splinters joegen na ar
alle kanten. Maar ze liggen op diverse afstanden van de plaats
van de explosie. Er zijn in de sektarische ontwikkeling
verschillende trappen en graden. Er zijn gemeenschappen, wier
geestelijk profiel nog te weinig vaststaat, zodat ze, zich
bevindend in een tussenzöne tussen kerk en sekte, eerst nog een
beslissing moeten nemen over de verder te volgen weg, of die na
aanvankelijke afscheiding zieh alweer terug ontwikkeld hebben in
de richting van de kerk, Men zou deze groepen beter
"afzonderlijke godsdienstige gemeenschappen" dan "sekten" kunnen
noemen. Daartoe behoren b.v. delen van de Pinksterbeweging en
van de Perfectionisten, de Philadelphia-beweging rondom Chris-
tian Röckle, de "Ecclesia" rondom Hermann Zaiss, de
Rijksbroederschap van Jezus Christus rondom Abram Poljak, de
kringen rondom Jacob Lorber en Swedenborg, en de
Kathollek-Apostolische gemeenten. Er zijn echter anderzijds ook
gemeenschappen, die zieh innerlijk en uiterlijk ver van de kerk
hebben verwijderd en alle kenmerken dragen van een sektarisch
denken, zoals jehova's Getuigen of de Hersteld-Apostolischen. En
daar tussen in is dan een breed middenveld met een bonte
mengeling en accentuering van verbindende en antithetische
elementen. Het sektewezen is dus een uiterst gedifferentieerd
verschijnsel. Het moet altijd vergrovend werken, als men er
collectief over spreekt! 6)
Dit voorbehoud zij hier uitdrukkelijk vermeld. Daarom zullen we
ook niet de sektegemeenschappen als zodanig, maar uitsluitend de
motieven en symptomen van sektarisch denken, die daarin werkzaam
zijn, tot voorwerp van onderzoek maken. En als er samenstellende
groepsaanduidingen gebruikt worden (b.v. "de aanhangers van de
Pinksterbeweging" of "de Perfectionisten"}, dan hebben deze
slechts betrekking op die gemeenschappen, die zich enigszins
duidelijk in de richting van het sekt Arische hebben ontwikkeld.
Maar ook tussen kerk en sektegemeenschappen is de grens niet
star. Er werd reeds op gewezen, dat beide voortdurend in
beweging zijn. Het zijn geen vers te ende producten, maar
levende organismen. Er zijn gemeenschappen, die op hele
trajecten van hun geschiedenis de typische trekken van het
sektarische te zien gaven, maar zich later terug ontwikkelden,
En er zijn aan de kerkelijke zijde kringen of richtingen, die
gevaarlijk overhellen naar het sektarische en nog slechts door
een dunne band met de kerk zijn verbonden. De grens tussen kerk
en sekte loopt dus bepaald niet langs de uiterlijk zichtbare
scheidingslijn, maar gaat in vaak wonderlijke bochten dwars door
beide gebieden heen. Dat de kerk steeds door sektarische gevaren
van binnen uit wordt bedreigd, toont haar geschiedenis duidelijk
aan. Dat achter deze gevaren motieven schuilen, die hun zetel
hebben in religieuze oer beslissingen, zal duidelijk worden uit
het verdere verloop van ons onderzoek. In ieder geval: de
verhouding kerk - sekte is al te ingewikkeld, dan dat men deze
kan afdoen door de denominaties eenvoudigweg een stempel op te
drukken en te sorteren. Wezenlijk is het zo, dat geen enkele
kerk voor de sektarische heils weg immuun is en dat deze een
steeds weer nieuwe verzoeking voor haar vormt,
Deze bedenkingen zijn van belang, omdat ze de kerk bewaren voor
een eigengereide en zelfbewuste houding tegenover de sekten en
haar in haar eigen midden oproepen tot waakzaamheid. Ze moet
onophoudelijk de verzoeking van de sektarische heils weg afweren
en haar boodschap in de confrontatie met deze dreigende
mogelijkheid duidelijk afgrenzen en verkondigen. Alleen dan, als
ze de "sekten" in zich zelf heeft overwonnen, heeft ze ook de
kracht de sekten daarbuiten tegemoet te treden met de haar
toevertrouwde waarheid.
Hoofdstuk 2
DE GREEP NAAR DE GENADE
Het verleggen van de plaats van beslissing naar de mens toe
De sekten hebben hetzelfde thema als de kerk. Ook bij hen gaat
het om de vraag na ar het heil in Christus. Ook zij spreken van.
genade. Vele sekten doen dit zelfs veel indringender dan de
kerk. Maar wie scherper luistert, ontdekt, dat ze het "sola
gratia" van allerlei merkwaardige toevoegsels voorzien. Ze laten
de genade niet meer gelden als het vrije geschenk van God aan de
onwaardige, zondige mens, maar binden die aan de meest
uiteenlopende voorwaarden en veronderstellingen.
Zo zeggen b.v. de Perfectionisten: eerst moet ge tot uw bekering
besloten hebben, als een duidelijk gefixeerde belevenis van
omkeer, en de "totale overgave aan de Heer" hebben voltrokken;
eerst dan wordt ge in genade aangenomen en verkrijgt ge de
"volledige overwinning over de zonde".
De aanhangers van de Pinksterbeweging zeggen: op de
wedergeboorte moet de geestesdoop volgen en deze moet zich uiten
in tongentaal. Eerst als de Heilige geest woning in u gemaakt
heeft, hebt ge de genade ontvangen en kunt ge "erkend worden als
een werkelijk lid van de gemeente van het Nieuwe Verbond " .
De Hersteld-Apostolischen zeggen: het geloof aan het Bijbelwoord
en aan Christus' vroegere heilsdaden helpt niet. Eerst als ge
door het Hersteld-Apostolische "ambt der genade" de vergeving
der zonden en door het Hersteld-Apostolische "ambt des geestes"
de Heilige Geest hebt ontvangen, bent ge Gods kind en
huisgenoot.
De Adventisten zeggen: ge moet de drievoudige engelboodschap
van Openb., 12,6-12 aannemen en in plaats van de zondag de
sabbat heiligen, eerst dan bent ge in het godsvolk van de
eindtijd opgenomen en wordt ge bij de parousie met Hem
meegenomen naar het bruiloftsmaal des Lams.
jehova's Getuigen zeggen: ge moet u aansluiten bij de leer en de
gemeenschap van Het Gezelschap van de Nieuwe Wereld, u uit de
politieke, godsdienstige niet commerciële satansorganisaties
Losmaken en ijverig "velddienst" doen, eerst dan hebt ge de
garantie, dat ge aan het bloedbad van Armageddon ontkomt.
De Kerk van het Godsrijk zegt: ge moet de "wereldwet" met haar
grondgebod van het altruïsme navolgen, u scharen bij het "leger
van de Almachtige" of wel als lid van de "kleine kudde" uw leven
dagelijks offeren, eerst dan zult ge burger worden in het aardse
of in het hemelse deel van het komende Rijk Gods.
Christi an Röckle (Philadelphia- beweging) zegt: ge moet "de
twaalf kenmerken als toetssteen van volledige overgave"
vervullen, eerst dan hoort ge bij de Christenen van de
"Allerheiligste" en wordt ge lid van de bruidsgemeente, die
gered wordt van de komende nood.
De Christengemeenschap zegt: ge moet door meditatie en de zeven
sacramenten, in het bijzonder door de handeling van de
menswijding, de kosmische genezingskracht van Christus door u
heen laten stromen en u daardoor laten "kerstenen", eerst dan
verandert ge in een ho gere vorm van zijn.
De Christi an Sciëntisme zeggen: ge moet door een totale
innerlijke ommekeer zover komen, dat God voor u de enige
realiteit wordt en al het andere: materie, zonde, ziekte en dood
als louter inbeelding wegvalt.
De aanhangers van Swedenborg en Lorber zeggen: ge moet u ernstig
moeite geven een leven te leiden in de zin van de liefde tot God
en de naaste, want dan zal God uw liefde met zijn liefde
beantwoorden en u tot steeds ho gere volkomenheid doen geraken,
De Mormonen zeggen: ge moet de vier "wetten van het evangelie":
geloof, boete, doop en handoplegging vervullen, dan zult ge
gaandeweg voortschrijden tot in de hemelse heerlijkheid.
Dat zijn antwoorden van zeer verschillende aard. Ze laten zieh
echter op een gemeenschappelijke noemer brengen: ze verleggen
allemaal de plaats, waar de beslissing over het heil valt, van
God naar de mens toe - na ar zijn godsdienstige strevingen en
ervaringen. En daarmee wordt aan de mens de mogelijkheid
geschonken, door zijn gedragingen - of ze nu van zedelijke,
godsdienstige of cultische aard zijn -, invloed te krijgen op
het genadig hand elen Gods of dit zelfs beslissend om te buigen.
Het heil wordt binnen het bereik van zijn greep gebracht. Hij is
niet alleen meer object van God. Hij kan zichzelf normbepalend
inschakelen.
Hier nu doet zich een typerend onderscheid voor tussen de
reformatorische verkondiging en de leer van welke sekte ook. Het
is de accentverschuiving van de goddelijke dimensie naar die van
de mens: van Gods handelen naar dat van de mens; van Gods
beloften naar de prestaties, inzettingen en vermogens van de
mens. Voor de reformatie is deze verschuiving onmogelijk. Dat
verbiedt haar de kennis van 's mensen zonde. De mens is van God
gescheiden door de schuld. Hij kan deze schuld niet uit eigen
kracht terzijde schuiven. Dat kan alleen God doen. Daarom blijft
de mens geheel op Gods vergevende liefde aangewezen. Die kan hij
niet afdwingen. Hij kan ze ook niet voor zich winnen door vrome
inspanning of listige trucs. Maar hem is de belofte van Gods
liefde aangezegd. Die kiemt niet als vermoeden in zijn hart. Ze
wordt hem van buiten en van boven af toegesproken. Hij heeft de
oorkonde van deze genade in de Schrift. Dus is hij in de eerste
plaats een ho order. En de ho order wordt gelovige. Beide: horen
en geloven, is in eerste instantie een ontvangende houding - er
heeft een overweldiging van de mens door Gods Woord plaats.
De vroomheid van de sekten van alle schakeringen wijst deze weg
van de hand. Want het is de weg van God naar de mens. Zij zoekt
echter een weg, die de mens zelf kan inslaan, banen en afleggen.
De reformatorische gelovige "handelt" niet, maar hem overkomt
iets. De sektarische gelovige echter wil actief deel hebben aan
zijn heil. Voor de reformatorische gelovige is dat onmogelijk,
omdat de dimensie in haar ganse breedte en diepte een dimensie
van de zonde is. De sektarische gelovige verdient deze stelling.
Hij opponeert tegenover de reformatorische leer, dat er ook op
het menselijk vlak een mogelijkheid van heilsverwerkelijking of
tenminste van heils beïnvloeding is.
ledere sekte heeft weer haar eigen leer aangaande deze
mogelijkheid, maar dat alle sekten aan een dergelijke
mogelijkheid geloven, verbindt ze met elkaar in een
gemeenschappelijke positie tegenover de reformatie. Men kan de
heilsmogelijkheden, welke de sekten binnen de menselijke
dimensie zien, in enige groepen samenvatten, waarbij het
dikwijls gebeurt, dat een en dezelfde sektarische gemeenschap
meerdere van deze mogelijkheden tegelijk in haar leer
combineert.
De verwisseling van roepstem en antwoord
Naar de reformatorische leer is het alleen God, die de mens het
heil toezegt en schenkt. Deze toezegging wil door de mens
gehoord en geloofd worden. Gods heilsbelofte is de roepstem, en
het geloofsleven van de mens in he el zijn ontvouwing is het
antwoord dat door deze roepstem gewekt wordt in de mens. Dat
antwoord is niet iets eigens. Het zou zonder de roepstem zelfs
niet kunnen ontstaan. Het geloof en het handelen van hem, dien
Gods roepstem treft, is weliswaar ook wel met een "ge zult"
verbonden. Maar uiteindelijk zijn deze "werken" geen eigen
prestatie van de mens, maar werking van de Heilige Geest en
genadegave. Ze geven daarom ook volstrekt geen recht op
beloning, en de vrome kan op geen enkel moment "tariefpartner"
Gods worden. Daarom is heel dat terrein van de vrome ervaringen,
belevenissen en handelingen beslist niet de plaats, waar de mens
de beslissing over zijn heil teweeg kan brengen. Deze beslissing
valt elders en op het menselijk vlak wordt alleen maar zichtbaar
of God zich van de mens meester gemaakt heeft. De mens wordt ook
in zijn "werken" niet ontslagen uit de afhankelijkheid van de
genade.
De sektarische weg van de heilsverwerkelijking nu zet in bij de
samenhang tussen Gods roepstem en het menselijk antwoord. In de
sekte wordt dit antwoord uitgerust met een eigen waardigheid,
terwijl het meer of minder sterk van de roepstem wordt
losgemaakt en een bepaalde zelfstandigheid ontvangt. Daarmee
wordt aan de mens de mogelijkheid gegeven tot een eigen
initiatief. De verhouding van roepstem en antwoord wordt
omgekeerd: de vrome is het, die met zijn "werken': een roepstem
doet horen, en deze roepstem
beantwoordt God nu met de toe-eigening van het heil. De mens
beslist er dus in de door hem bezette en beheerste voorruimte
over, of in de ruimte Gods de belofte van genade gerealiseerd
wordt,
Terwijl het reformatorisch geloof zich vastklampt aan het
objectieve, aan de heilsfeiten. die God, hoog boven de dimensie
van de mens met zijn ups en downs uit, als onwankelbare
getuigenissen van zijn genadig handelen opgericht heeft,
voorziet het sektarisch geloof de subjectieve sieer - de sfeer
van de godsdienstige ervaringen, belevenissen en prestaties -
van een eigen accent. De "werken" krijgen een constitutieve
betekenis voor het heil. Ze krijgen zodoende een andere plaats
en een andere kwaliteit dan in de reformatorische verkondiging.
Het gevolg is enerzijds, dat het persoonlijke geloofsleven
veelszins een intensiteit bereikt, die respect en zelfs
bewondering afdwingt. Anderzijds worden de zwaartepunten in het
getuigenis van de Schrift verlegd. De sacramenten gelden niet
meer als handelingen, waarin God de gevende en de mens de
rechteloos ontvangende partij is, maar de mens schuift naar
voren in de positie van een medespeler. Daarom wordt vooral de
kinderdoop fel afgewezen, en het ligt in de aard der zaak, dat
juist bij dit vraagstuk de tegenstelling tussen de kerk en de
sekten van deze groepering duidelijk aan de dag treedt. Want in
de praktijk van de kinderdoop wordt het objectieve karakter van
het sacrament - en op de achtergrond daarvan het sola gratia,
het heil als uitsluitend en alleen Gods daad - ondubbelzinnig
betuigd. Als de mens zichzelf echter als medespeler in het
heilsproces inschakelt, moet hij de kinderdoop vervangen door
een "geloof doop", waartoe alleen volwassenen, die in staat zijn
beslissingen te nemen, kunnen komen en waarvan de geldigheid
afhankelijk is van de godsdienstig-zedelijke kwaliteit, die ze
in hun bekering bereikten. En evenzo krijgt de deelname aan het
avondmaal mede het karakter van een prestatie. Slechts
"bekeerde" gelovigen worden toegelaten en het is niet toevallig,
dat in talrijke gemeenschappen - bij de Adventisten, de
"Gemeente Gods" (Anderson), de "Pinkstergemeente Gods"
(Cleveland), de Pinkstergemeenschap "Apostolisch geloof" e.a. -
met het avondmaal de voetwassing als symbool van voortgaande
heiliging verbonden is. De wet krijgt voorrang op het evangelie.
De "heiliging" als prestatie van de gelovigen wordt als tweede
en ho gere trap gesteld naast de "rechtvaardiging" als de daad
Gods, en de beslissing over de geldigheid van de rechtvaardiging
valt eerst op de trap van de "heiliging". De genade wordt niet
geloochend, maar ze wordt van het menselijk gedrag afhankelijk
gemaakt. De mens krijgt ze in zijn greep: Hij kan zich er moeite
voor geven.
Het kan beginnen met de vraag, onder welke voorwaarden hij
waardig bevonden wordt de genade te ontvangen. Hij doet het dus
voorkomen, alsof God aan de mens zekere voorwaarden stelt en het
heil vooraf van bepaalde prestaties afhankelijk maakt. Als men
deze voorwaarden kent, kan men bij zichzelf nagaan of men in de
staat der genade is. Men is zodoende op de hoogte van zijn eigen
situatie en uit deze onzekerheid verlost. In deze zin wil Röckle
zijn "twaalf kenmerken als toetssteen van volledige overgave"
verstaan zien.
Daar voegt zich een tweede stap bij: Als eenmaal erkend is, dat
er een causaal verband bestaat tussen de "werken" van de mens en
Gods heilsbesluit, wordt de Bijbelse indicatief overstemd en
verslonden door de imperatief. Bekering en geestdoop gelden wel
als daden Gods. Maar deze daden zijn nu geen soevereine
handelingen van God meer, waarin Hij sola gratia met de mens
bezig is, maar ze worden door een voorafgaande inspanning van de
mens teweeg gebracht. Ze zijn dus niet meer roepstem van God
wege, maar antwoord op een bepaald gedrag van de gelovige. Deze
moet zich uitstrekken naar zijn "wedergeboorte", wil ze hem ten
deel vallen, en het is zijn eigen schuld, als hij die niet
beleeft. En hij kan de geestdoop naar zich toe halen door zekere
nauwkeurig vastgelegde voorwaarden te vervullen. Als zulke
voorwaarden worden b.v. genoemd: aanbidding; blijmoedig geloof;
gespannen verwachting; lof - en dankzegging; onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid; eendracht; volharding.")
Tegelijk heeft de mens het in zijn hand het hem beloofde heil
door de mate van zijn godsdienstig-zedelijke prestaties zeker te
stellen en te doen toenemen. Hij heeft invloed op de omvang van
de goddelijke genade. Niet iedere Christen ontvangt hetzelfde
loon. In tegenspraak met Matth. 20, 1 vv. wordt er gesproken van
verschillende graden van heil. Daarom wordt de Christelijke
gemeente dan ook in verschillende groepen ingedeeld. De
Perfectionistische gemeenschappen maken onderscheid tussen
"gewone" Christenen, die slechts gerechtvaardigden zijn en
anderen, die tot volledige bekering zijn gekomen en de
"overwinning over de zonde" hebben behaald. Sekten, die tot de
Pinksterbeweging behoren, voegen aan deze twee groepen nog een
derde .toe, nl. degenen, die boven de bekering uit ook nog de
geestesdoop hebben ontvangen. De Pentecostal Holiness Church in
de U.S.A. heeft ook in haar statistiek deze driedeling opgenomen
en haar leden onderscheiden in de categorieën van de "geredden"
, de "geheiligden" en degenen, "die de geestesdoop ontvangen
hebben" . Een dergelijke classificering van de Christelijke
gemeente, zoals Christi an Röckle die gemaakt heeft met zijn
"driedeling van de tempel", ga at gepaard met heilsoordelen. De
"gewone" Christenen moeten nog geoordeeld en gezift worden, want
het zijn nog maar beginnelingen, mensen, die nog niet tot een
beslissing kwamen of die halverwege bleven steken. Maar de
"bekeerden" en zeker zij, die de geestesdoop ontvingen, behoren
duidelijk en ondubbelzinnig tot de "ware gemeente".
Met deze classificering wordt dus op Gods besluit over 's mensen
heil vooruitgelopen. Men veronderstelt, dat Gods oordeel deze
dassificering zal dekken. Het ligt in dezelfde Iijn, dat men nu
ook onheilsoordelen ga at uitspreken, Men stelt de heilsgrens
vast en zegt degenen, die aan de andere kant van die grens
staan, aan, dat hun de verdoemenis te wachten staat. Een verder
gevolg is het sektarisch afzonderen van de "bekeerden",
respectievelijk van degenen "die de geestesdoop ontvangen
hebben" , van de kerk. Want deze omvat ook halve Christenen en
onverschilligen. Men moet de gemeenschap met haar opzeggen, want
anders zou het een gemeenschap zijn met de zondaars en een
verontreiniging van de "ware gemeente" .
Kan in de kringen van het Perfectionisme en van de
Pinksterbeweging de gelovige dus op het gebied van de
godsdienstige ervaring (de bekering, respectievelijk
geestesdoop) invloed doen gelden op het verkrijgen van het heil,
andere gemeenschappen vertegenwoordigen een synergisme van
ethisch karakter. De goede wil, de vrome dougdbetrachting wekt
Gods welgevallen en geeft Hem aanleiding tot een genadige
gezindheid. Hier staat dus Gods genade niet als de macht, die
alles bewerkt, aan het begin, maar treedt eerst Iater op als
vrucht en op grond van menselijke inspanning. Het heil wordt van
een vrij, alles met zieh meebrengend geschenk Gods tot een
prijs, die de mens voor zijn vroom streven deelachtig wordt. De
gratia praeveniens wordt tot een gratia subveniens en
postveniens.
Hoe meer nadruk gelegd wordt op de waarde en de kracht van de
menselijke prestatie, des te meer komt de boodschap van de
genade in het gedrang. In de grond van de zaak wordt dit proces
veroorzaakt door een opvatting, die het bijbels getuigenis van
's mensen radicale verdorvenheid en verlorenheid niet meer
ernstig neemt. De wereld van de zonde wordt beroofd van haar
dieptedimensie en beperkt tot afzonderlijke daadzonden. God eist
van de mens, dat hij deze daadzonden vermijdt, en de mens heeft
de vrijheid en de wilskracht om deze eis te vervullen. Telkens
weer worden hier bepaalde standaardgeboden genoemd: afzien van
opschik en mode, alcohol en tabak, dans, bioscoop en allerlei
"wereldse" genoegens en verleidingen. Het godsdienstig leven
vernauwt zich tot een moralisme als de weg, waarop de vrome zich
de gerechtigheid voor God verwerven kan.
In zijn laatste uitlopers mondt dit synergisme uit in de leer
van de volkomen zelfverlossing van de mens. De boodschap van het
sola gratia heeft zich vervluchtigd tot de voorstelling van een
God, die de moeite, welke de mens zieh getroost, met
welwillende, mogelijk ook actieve opmerkzaamheid gadeslaat en
hem de verdiende beloning doet toekomen, maar overigens de
initiatieven helemaal aan hem overlaat. Dit radicale synergisme
vinden we b.v. bij de Christian-Scientisten of in de
Mazdaznanbeweging 9) of bij jehova's Getuigen en de daar weer
uit voortgekomen gemeenschappen.
De realisering van de goddelijke heilskrachten
Men erkent weliswaar, dat de menselijke dimensie in het teken
van schuld en afval staat, maar leert nu, dat er midden in deze
woestijn een oase ligt! In deze oase woont God of realiseert Hij
Zich en laat er een bron van eeuwige heilskrachten stromen. In
deze leer, dat men het goddelijke hier en nu in volheid beleven
kan, is een diep-menselijke drang werkzaam: men wil zo graag
Gods tegenwoordigheid en werkzaamheid zichtbaar, grijpbaar en
concreet ervaren. Men wil niet slechts verwezen worden naar het
gepredikte woord, dat alleen maar getuigenis van de zaak, maar
nooit de zaak zelf kan zijn. Men zou de verre God dichtbij
willen haIen en deel willen hebben aan zijn tegenwoordigheid in
cultische handelingen, wonderlijke krachtsuitingen, genezingen
en nieuwe openbaringen.
De realisering, respectievelijk concretisering, van het
goddelijke kan op een drievoudige wijze plaats vinden: langs
spiritistische, cultische of "enthousiaste" weg. De
spiritistische weg vinden we in de talrijke godsdienstige
gemeenschappen op magisch-spiritistische grondslag, die in de
laatste honderd jaar overal in de wereld zijn opgekomen, zo b.v.
in de U.S.A. de "National Spiritualist Association", de
"Progressieve Spiritual Church", de "General Assembly of
Spiritualists", in Engeland de "Christian Spiritual League", in
Duitsland de "Evangelisch- Johannisehe Kirche nach der
Offenbarung St. Johannis", ge sticht door joseph Weissenberg.
Hier hangt men de overtuiging aan, dat bovenaardse autoriteiten
door bemiddeling van een medium in trance tot de gelovigen
spreken en hun leiding, troost, raad en genezende kracht
schenken.
De cultische realisering van de heils krachten knoopt aan bij de
Bijbelse sacramenten en maakt die door diverse middelen dienstig
aan haar eigen doeleinden: ze worden in aantal vermeerderd en
tegelijkertijd ondergaan ze een zo wezenlijke verandering, dat
ze van heilige tekenen, waardoor God: met de mensen handelt, tot
dragers van de goddelijke heilssubstantie worden. Hun
voltrekking wordt gebonden aan een priesterlijk ambt, dat
krachtens hogere wijding de volmacht bezit om de sacramentele
genezingssubstantie te verwerkelijken en door te geven aan de
gelovigen. We vinden deze cultische weg bij de
Hersteld-Apostolischen, de Mormonen en de Christengemeenschap;
ze hebben de genade sacramenteel gematerialiseerd en
gekanaliseerd.
De weg van het .enthousiasme" tenslotte wordt in de
Pinksterbeweging ingeslagen. In haar midden werd een heel
systeem van geestelijke exercitiën ontwikkeld, aan het einde
waarvan de geestdoop met tongentaal staat.
Voor de theologische motivering van deze wegen grijpt men gaarne
terug naar het derde artikel uit de geloofsbelijdenis. Het is
niet toevallig, dat de leer van de Heilige Geest voor een groot
deel van
de sekten het dogmatisch lievelingskind is geworden. De Heilige
Geest vormt binnen de triniteit de figuur, die de brug slaat van
de eeuwigheid Gods na ar het hier en nu van de wereld der
mensen. In Hem betreedt God het heden, om Zich hier te
manifesteren en te realiseren. De Heilige Geest is de
"trooster", dien Christus beloofd heeft. Hij is de nabije God,
die de gemeente der gelovigen Leidt, het toekomende verkondigt
en de wereld oordeelt (Joh. 16, 5-15).
De sektarische leer van de Heilige Geest heeft deze nabijheid
onderstreept. Maar ze vergeet te gemakkelijk, dat ook de Heilige
Geest de heiligheid Gods eigen is, dat Hij dus de souvereine
Heer is, Zij heeft de Heilige Geest beroofd van zijn majesteit
en Hem veranderd in een getemde en gedweeë macht, die zich
begeeft in 's mensen hand. Dit aan banden leggen van de Heilige
Geest wordt b.v. duidelijk aan de wijze, waarop men in
bijeenkomsten van de Pinkstergemeenten met Hem omgaat. Als
volkomen vanzelfsprekend wordt verondersteld, dat, als de
evangelist X zondagmiddag in zaal Y zijn bijeenkomst houdt, ook
de Heilige Geest prompt verschijnt en Zich in voorspellingen,
tongentaal en bekeringen bekend maakt. Hij is de trouwe
begeleider van de evangelist geworden, die hem nooit in de steek
laat en aan zijn roepstem gehoorzaamt. Hij wordt door de
evangelist "georganiseerd" of zelfs "erbij gesleurd". Ook bij de
Hersteld-Apostolischen wordt Hij "beheerd". Als een apostel een
gelovige bij de verzegeling de hand oplegt, is de Heilige Geest
ter plaatse en laat zich "schenken". Hij heeft zieh dus begeven
in de macht van de apostel, die over Hem beschikken kan; Hij is
object van diens ambt geworden. En als jezus in Joh. 3, 8 over
de soevereine vrijheid van de Heilige Geest spreekt, verbeteren
de Hersteld-Apostolischen dat in deze zin, dat de Heilige Geest
om zo te zeggen vrijwillig van het gebruik van zijn vrijheid
afstand heeft gedaan, ten gunste van het apostelambt: "Als de
Apostelen de Heilige Geest schenken, volvoeren ze de wil van de
Heilige Geest en daarmee die van hun zender, aan wie alleen de
macht in de hemel en op aarde overgedragen is. Hier wil de
Heilige Geest waaien en Hij openbaart Zich dan ook daaraan
overeenkomstig" .10)
In al deze opvattingen wordt de barrière, die tussen God en mens
instaat, weggesehoven en matigt de mens zieh aan, macht te
hebben over de Heilige Geest. Het is in de grond der zaak een
proces van ontgoddelijking van de Heilige Geest, dat
uiteindelijk hierop uitIoopt, dat de Heilige Geest herleid wordt
tot een goddelijk fluïdum, een heilssubstantie, die men kan
opvangen, verdelen en inlijven.
Het oprichten van een theophore autoriteit
1. Men roept nu een gevolmachtigd ambt in het leven, dat als
tusseninstantie tussen God en mens in staat en van God de
opdracht heeft ontvangen in zijn naam de genade te beheren en de
gelovigen met zekerheid naar het heilsdoel te geleiden. Deze
hebben nu niet meer met een verre God en een onzichtbare
Christus te maken, maar kunnen zieh begeven onder de leiding, de
bescherming en de garanties-verstrekkende macht van een in vlees
en bloed voor hen staande ambtsdrager. Hier vindt men zekerheid
en rust en is men aan ieder risico ontkomen.
Het behoort tot de innerlijke logica van heel deze constructie,
dat de tendens bestaat, de theophore kracht van het ambt en van
de ambtsdrager al maar hoger op te voeren. Want hoe hoger deze
worden verheven, en met hoe groter volmachten zij worden
uitgerust, des te zekerder kan de gelovige zich voelen onder hun
bescherming. Voegt zich bij deze tendens dan nog van onder op
een zucht tot heer sen van deze of gene ambtsdrager, dan kent de
ontwikkeling van het ambt naar boven, naar al maar hogere
krachten en autoriteiten, geen grenzen meer. De geschiedenis van
de ontwikkeling van het Hersteld-Apostolisch ambt van
stam-apostel toont deze tendens tot het al maar ophogen van de
autoriteit overduidelijk aan. Oorspronkelijk slechts primus
inter pares wierp de drager van dit ambt zich tenslotte op tot
de absolute heerser over de apo stelen, en dat zowel
godsdienstig als constitutioneel. Hij kan hen aanstellen en
afzetten, hun hun volmacht verlenen en ontnemen. Slechts als ze
zich tot gehoorzaamheid aan hem verbinden, kunnen ze werken. Ze
zijn niet meer op zichzelf staande dragers van de Heilige Geest,
maar zijn op zijn bemiddeling aangewezen. Hij is niet meer
slechts de plaatsvervanger van Christus, maar heeft praktisch
diens plaats in genomen en Hem in het geloofsleven van zijn
aanhangers door zijn ambtsmacht en werkzaamheid verdrongen. Hij
kan zeggen:
"Wie zich van mij afscheidt, scheidt zich van Jezus af". 11)
Zonder hem is er dus geen heil. Hem alleen heeft Christus
"volmacht gegeven om over zijn verdiensten te beschikken en
rechtsgeldig voor God te binden en te ontbinden". 12) Hij is "de
door God uitgestoken hand der liefde". 13) Hij betrekt
uitspraken van Christus betreffende diens autoriteit op
zichzelf: hij is het hoofd, en de apostelen zijn de leden; hij
is de wijnstok, en de apostelen zijn de ranken; hij is de ene
bron, die van de troon Gods uitgaat.") Daarom: "Wie zich aan
mijn woord houdt, zal ik uitredden" .15)
2. Er bestaat een nog hogere trap van theatrale autoriteit. Er
zijn sekten, die ervan overtuigd zijn, niet slechts een hoog
boven het menselijk vlak uitstekend ambt te hebben, maar in hun
midden een persoon te bezitten, in wie de godheid zichzelf
gemarkeerd heeft. Tussen beide trappen in: de door God
gevolmachtigde ambtsdrager en de vleeswording Gods in een
persoon, bestaan vloeiende overgangen. De Hersteld-Apostolische
stam-apostel Bischoff is in de ogen van zijn gelovigen reeds
meer dan alleen iemand, die krachtens zijn ambt volmacht bezit;
in hem is nl. de "trooster" vlees geworden. Nog duidelijker is
de overgang voltrokken, als de apostel Lambertus Slok, leider
van het Apostolisch Genootschap, een groep in Nederland die zich
van de Hersteld-Apostolischen heeft afgescheiden, zich de
"Christus-God van heden" laat noemen, voor wie men aanbiddend
neerknielt.
Helemaal volledig is die hogere trap bereikt bij figuren, die
met de pretentie optreden, dat ze vlees geworden goden zijn - of
het nu incarnaties van God of van de Heilige Geest dan wel
wedergekomen Christus sen zijn. Het aantal verschijningen van
deze aard is in onze tijd niet gering. Friedrich August Hain
(1884-1927), een wever in Meerane (Saksen), maakte op 23
november 1894 in de loop van een spiritistische seance bekend,
dat in hem God weer vlees geworden was. Hij werd voortaan
vereerd als de "Herder" en .Liefdevolle Vader", in wie Pred. 9,
13-15 tot vervulling was gekomen, Men stelde hem principieel op
gelijke hoogte met Christus en zag het kenmerk van zijn
goddelijkheid hierin, dat hij de waarheid van de Schrift juist
en kosteloos uitlegde en wonderen deed, die getuigden van zijn
alwetendheid en almacht.
De Sakser Oskar Ernst Bernhardt uit Bischofswerda (1875-1941)
gaf van 1928 af aan zijn gelovigen te kennen, dat hij
"Abd-ru-shin", "Immanuel", de "mensenzoon" was, een broer van
Christus, zoon Gods van gelijke orde, door God uitgezonden, om
aan de in de tirannie van het verstand wegzakkende mensheid de
graalboodschap te verkondigen en de omkeer naar het
duizendjarige rijk toe te voltrekken.
De Franse postbeambte George ROllX (geboren in 1903) verklaarde
Kerstmis 1947 aan zijn verbaasde familie: "Ik ben de
wedergekomen Christus" en noemde jezus zijn voorloper, dien hij
door grotere volmachten en opdrachten overtrof; nadat hij tot
1951 drie boeken gesehreven had, die hem werden "geopenbaard",
kwam hij voor het voetlicht, verwierf zich binnen luttele jaren
een als een lawine aangroeiende aanhang en verklaarde in
februari 1954 ook openlijk, dat hij "Christus" was. De
gemeenschap, die hij om zich heen verzamelde, de "Temoins du
Christ Revenu" of "Eglise Chretienne Universelle", beschouwt de
drie boeken van Roux als "heilige schrift" en wordt bediend door
"jongeren", die van Roux de volmacht tot genezen ontvangen
hebben.
De Hollandse haringvisser Lou Voorthuizen zou de mededeling van
zijn zending als wedergekomen Christus ontvangen hebben in het
jaar 1925 door een "stem" en een aan de hemel oplichtende ster,
en in 1950 na een zwaar ziekbed zijn "opstanding" hebben
beleefd. Sedertdien verkondigt hij aan zijn aanhangers: "lk ben
de opstanding". "Ik ben de vervuller van Christus, en dat
betekent:
God lichamelijk op aarde." Waarin onderscheidt hij zich nu van
Christus? Wel, Christus Imam uit de hemel en bracht een
verlossing mee uit de hemel. Hij overwon de satan geestelijk.
Maar aangezien Hij zonder zonde was, bad Hij geen "satan in de
stof", d.w.z. in zijn lichaam. Daarom kon Hij hem ook niet
lichamelijk overwinnen. Door zijn geestelijke overwinning
verloor de satan zijn macht in de hemel en werd hij op aarde
geworpen. Hij is "mens geworden en kan op geen andere wijze te
niet gedaan worden dan in de mens". Dat nu geschiedt door Lou.
In hem is God in zijn eigen stof gekomen en heeft de macht van
de satan binnen de stof gebroken. "Daarom nu is dit de
verlossing van l.ou, dat Lou de kracht in de stof legt, waardoor
de stof .zich tegen over de geest kan stellen, en satan van de
stof uit overwonnen wordt door de kracht, die thans in iedereen
gelegd wordt." 16) Met zijn komst is de eindtijd aangebroken.
Degenen, die in hem geloven, ontvangen niet slechts genezing,
maar zullen ook de verdrukking der laatste dagen overleven en
priesters en koningen zijn in het duizendjarig rijk, dat in 1972
zal aanbreken.
De Amerikaanse neger George Baker (geboren in 1878), de Father
Divine, laat zieh door een grote schare aanhangers huldigen als
vleesgeworden God en maakt zieh op, om het rijk Gods op aarde op
te richten - in de "King doms" of "Havens" als kleine cellen van
de heerschappij Gods en in boodschappen aan politici en
wetsvoorstellen tot herordening van de wereld. "Het is iets
groots", zo schrijft hij, "als ge waarlijk geloven kunt, dat ik
God ben! Ge moogt door allerlei beproevingen zijn heengegaan, om
daardoor mij als God te ervaren. Maar hoeveel meer is het, als
ge kunt erkennen, dat ik in u en gij in mij leeft; en als ge dit
waarlijk ge- 100ft, zal ik gehe el en al door u kunnen werken en
handelen. Ik ben niet slechts God in u - ik ben ook het geloof,
de liefde, de vreugde, en ik ben waarlijk alles in u, omdat ik
God ben."
De Silezier ]oseph Weissenberg (1855 - 1941) wordt vereerd als
de incarnatie van de Heilige Geest. Aangaande hem belijden zijn
aanhangers: Terwijl we voordien de meester als de profeet, de
eindprofeet mochten kennen, die ons op de wederkomst des Heren
moest voorbereiden, in hem dus de wedergeboren Johannes de Doper
mochten zien, is het ons uit genade gegeven, ten laatste in onze
meester de wedergekomen Christus te herkennen. En we zagen het
gericht dat van hem uitging en zien het vandaag nog. "Het woord
Gods werd vlees en bloed, en ge aanschouwt zijn heerlijkheid, ge
aanschouwt hem van aangezicht tot aangezicht. Hij wees u de weg
uit de duisternis naar het stralende licht." 17)
Weissenberg en Bernhardt zijn dood. Maar ze leven verder en zijn
tegenwoordig.
Van het lijk van Bernhardt, dat op de Vomperberg in Tirol onder
een pyramide is bijgezet, gaat nog dezelfde straling uit : als
bij zijn leven, hetgeen bewijst, dat de ziel van Abd-ru-shin
weer op de berg vertoeft.")
Weissenberg echter heeft reeds in 1932 zijn dochter Frieda
Müller tot zijn opvolgster aangesteld en haar met zijn
goddelijke volmachten begiftigd, zodat jezus' belofte: "Ik ben
met u al de dagen" hier in vervulling gaat. "Uw herder en
meester heeft bij zijn leven ervoor gezorgd, dat er voor altijd
naar het testament van zijn heilige Geest geleefd wordt, dat het
verder aan de mensheid wordt overgedragen. Hij heeft bij zijn
leven zijn opvolgster aangesteld. En deze opvolgster is uit die
geestelijke wereld van het licht afgedaald en heeft de hoge en
heilige zen ding te vervullen, de mensheid op de eenmaal
geopende en ingeslagen weg van de drie-eenheid verder te leiden
tot behoud van haar ziel." 19)
In de rouwadvertenties van leden van de Evangelisch-
Johanneische Kerk bedankt men regelmatig "onze geliefde meester
en onze lieve Frieda" voor de zegen en de kracht, welke ze aan
de achterblijvenden in hun leed hebben geschonken.
Deze theophore figuren komt goddelijke verering toe. Hun woord
heeft absolute geldigheid. Ze hebben de wand tussen de
eeuwigheid en de wereld der mensen doorbroken. Ze zijn niet
slechts wegwijzers naar het doel, maar dragers, bemiddelaars en
garanten van het heil. Op ieder van hen kan de gelovige het
troostvolle psalmwoord toepassen: "Wie in de schuilplaats des
Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des
Almachtigen. Ik zeg tot de Here:
Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw."
De vorming van de gemeente des heils
Het is een Bijbelse gedachte, dat God Zich uit de naties een
volk, uit de massa's der mensen een gemeente des heils verkiest.
De sekte knoopt bij deze gedachten gang aan, maar eist de
hoedanigheid van gemeente des heils geheel op voor zichzelf. Bij
de motivering van deze pretentie ontmoet men de meest
verscheidene elementen, die we tot nu toe reeds hebbenleren
kennen. Men kwalificeert de eigen gemeenschap als de gemeente
des heils, b.v. door er op te wijzen, dat ze alleen maar bestaat
uit bekeerden of mensen, die met de Geest gedoopt zijn; of dat
in haar alleen de bron des heils vloeit; of dat zij de
volgelingen van de opnieuw geïncarneerde godheid zijn ; of dat
in haar alleen de volle kennis van de waarheid en volkomen
gehoorzaamheid aan Gods geboden voorhanden zijn. Men loidt dus
uit bijzonder geestelijk bezit ook bijzondere voorrechten voor
de gehele gemeenschap af, die haar het karakter van uitverkoren
gemeente Gods verlenen.
Hier opent zich een wijd perspectief. De meeste sekten
vereenzelvigd gen zich met de gemeente des heils. Sommige
voltrekken deze gelijkstelling slechts in de zin van
bevoorrechting, anderen echter exclusief. Maar het resultaat is
bij beide de conclusie: wie een echt en gehoorzaam lid van onze
gemeenschap wordt, wie dus de hier verkondigde waarheden
gelooft, de hier gesteIde godsdienstig-zedelijke eisen vervult
en van de hier bediende sacramenten het geboden gebruik maakt,
heeft de garantie, dat hij het volle heil bereikt, dat God aan
deze gemeenschap heeft toebedacht. Hij behoort tot de
uitverkorenen, hij zal deeI hebben aan de ontrukking van het
verderf ofwel aan de eerste opstanding, hij zal de
vernietiging .in de slag van Armageddon overleven en een burger
of vorst in het duizendjarig rijk zijn. Kortom, het werk van
Gods genade heeft zich in de sekte geconcentreerd. Binnen haar
grenzen alleen voltrekt het zich en deelt het zich aan de mensen
mee.
De grote kloof
We vatten samen: de antithetisch van de sekten zet in bij de
leer van het sola gratia. Om de mens van zijn risico, zijn angst
en onzekerheid te bevrijden en hem zelf een zeker recht van
beslissing, controle of medewerking te verschaffen, zoekt ze de
gen ade in eigen hand te krijgen, in haar midden te voltrekken
of te bewerkstelligen.
Dat heeft enorme consequenties. Naar reformatorische leer is de
gen ade een werk van de soevereine God, dat aan de greep van de
mens eenvoudig absoluut onttrokken is. Wie zo'n greep doet, tast
God zelf aan, zoekt Hem aan zich te onderwerpen. Hier vindt, zij
het ook in heel sublieme en vrome vormen, een ingreep plaats in
een gebied, dat God alleen Zichzelf heeft voorbehouden. Deze
ingreep betekent een opstand van het schepsel mens tegen de
majesteit van de Heer. Hier heeft de mens de hem betamende stand
van de creatuurlijke deemoed verlaten en onderneemt iets, dat
een aan banden leggen en een onttroning van God beduidt. ledere
poging van welke aard ook, om zich van de genade meester te
maken, is hybris. Dat blijft het, ook al staat achter deze
sektarische hybris niet het verzet van een Prometheus, maar de
angst. Ook deze angst is in laatste instantie een gevolg van
ongeloof, dat ongeloof, dat niet vertrouwt, dat God zijn
beloften nakomt en dat volgens Luther de zwaarste zonde is,
omdat het God voor een leugenaar houdt.
Hier komt de diepe kloof voor de dag die er be staat tussen de
reformatorische verkondiging en het sektewezen. Volgens de
reformatie is de genade vrij en soeverein, omdat ze het werk is
van de vrije en soevereine God. De sekte echter wil de genade
binden. In hoeverre ze dat doen wil, is overal weer
verschillend. Daarom zijn er vele trappen van ontwikkeling naar
het sektarisme, Er zijn gemeenschappen, die zich in een soort
zweeftoestand bevinden. Er zijn andere, die volkomen duidelijk
het sektarische type vertegenwoordigen. Dat hangt telkens af van
de mate, waarin een gemeenschap door haar leer, haar wetten en
ordeningen, haar autoriteiten, ambten en cultische handelingen
Gods vrije genade in haar greep tracht te krijgen. Onze taak is
nu, na te gaan, hoe deze hybris t.a.v. de genade zich uitwerkt
op de afzonderlijke gebieden van de leer en van het geloof. We
zullen daarbij zien, dat de drijvende krachten vrijwel overal
dezelfde zijn. We zullen ontdekken, dat deze hybris begeleid
wordt door immanente gerichten, die de sekten in alle fasen van
haar ontwikkeling bedreigen en tenslotte dodelijk voor haar
zullen worden. We zullen ons echter ook voor het feit zien
gesteid, dat het zieh afkeren van het "sola gratia" bij de
sekten haar aanleiding vond in, mogelijk gemaakt of begunstigd
werd door schuldige verzuimen van de kerk, Daarover moet in een
afzonderlijk hoofdstuk worden gesproken,
Hoofdstuk 3
THEOLOGIA GLORIAE SECTAE
De reformatorische theologia gloriae Dei
We betreden als eerste gebied de "theologie" in de engere zin
van het woord - de leer aangaande God. Wie de gedachte van
Calvijn over Gods eer en majesteit en de leer van de
predestinatie of Luthers geweldige geschrift "De servo arbitrio"
kent, weet, met welk een ernst de reformatoren de theologia
gloria ontvouwd hebben. Alpha en Omega van al hun uitspraken
was, dat God is - de Heer, die in absolute soevereiniteit een
ontoegankelijk licht bewoont, die in ondoorgrondelijk willen en
scheppen volgens eigen plannen regeert, wetten geeft en het lot
der mensen bepaalt, die aan niemand rekenschap verschuldigd is,
die het niemand vergunt Hem te doorzien, te binden of te
verplichten, maar in soevereine majesteit zijn weg gaat en op al
zijn wegen, ook de donkere, moeilijke, schijnbaar zinloze en
verschrikkelijke wegen, Zich doet kennen als de heilige God en
als zodanig door de mens geëerd en aanbeden wil zijn.
Eerst te gen deze achtergrond van de Deus absconditus krijgt het
beeld van Deus revelatus, van de barmhartige Vader, die in
liefde en grenzeloos geduld vecht om de verloren wereld, en zijn
eniggeboren Zoon ten offer brengt, zijn grandioze lichtsterkte.
Door deze polaire spanning tot de Deus abseonditus wordt
voorkomen, dat dit beeld gaat vervlakken tot de familiaire
voorstellingen van een .Lieve God" . Het blijft immers altijd
omrand door een beven en sidderen en een aanbiddende
verwondering. Deze majesteitelijke God blijft, ook en juist
wanneer Hij Zich liefhebbend en zoekend na ar de mens neerbuigt
en hem in Christus nabijkomt, altijd de Koning, die heerst en
die Zich aan en door de mens verheerlijkt, hem kastijdt en hem
tuchtigt. Voor Hem is de mens altijd degene, die geroepen en
opgeroepen wordt, het werktuig, niet de partner, het kind uit
genade, niet de zoon krachtens eigen waarde. De Gratia Dei is
precies als elk ander handelen Gods een daad van zijn
soevereiniteit, is uitvloeisel en bevestiging van de gloria Dei.
Want ook in zijn Liefde, zijn vergeving en verzoening bewijst
Hij zijn soevereiniteit en Hij laat Zich door niets van die
plaats wegdringen. Er is op het menselijk vlak geen enkele
mogelijkheid, min of meer te beslissen over het heil en de
genade te bewerkstelligen of te beheren; er is alleen maar
ruimte voor het ootmoedig gebed.
De glorie van de sekte
Wat de sekten nu ondernemen, is een ingreep in het werk van Cods
genade. Ze betreden daarmee een terrein, dat geen mens mag
betreden. Ze zijn vrome usurpators geworden. Daar, waar de kerk
slechts heen wijzend kan en mag spreken van de glorie en het
wonder van Gods genade, spreekt de sekte van haar eigen volmacht
- van haar bevoegdheden, haar toerusting, haar prestaties en
allerlei hoedanigheden, waardoor ze invloed heeft op het heil.
Ze heeft daarmee op een centrale plaats de theologia gloriae Dei
afgezworen en die vervangen door een theologia gloriae sectae.
De gevolgen van deze stap zijn buitengewoon groot.
Duidelijkheidshalve nemen we bij de nu volgende beschrijving
slechts die sekten tot voorbeeld, die de theologia gloriae
sectae volledig ontwikkeld hebben, en laten de andere, bij wie
ze slechts in beginsel voor handen is, buiten beschouwing:
a) "Wij hebben macht over de genade!" Dat is het fundament van
de theologia gloriae sectae. Wie macht heeft over de genade,
hoeft macht over de mensen. Hij kan openen en toesluiten, binden
en ontbinden. Wie enigszins op de hoogte is, weet welk een
angstige, bezwerende macht menige leider of prediker van een
sekte over zijn volgelingen uitoefent. Hier ligt een van de
redenen voor de grenzeloze onderdanigheid, het offeren van geld
en goed, de enorm sterke saamhorigheid, en het afstand doen van
vrijheid, eigen inzicht en
eigen beslissingen, waarvan de aanhangers van een sekte altijd
blijk geven. Hier woekert bij tijden een deels dogmatisch
gefixeerde, deels feitelijk beoefende papisterij, die weliswaar
van klein formaat is, maar in haar pretenties van volmacht het
Roomse pausdom ver overtreft. De sekte heeft in haar voormannen
en ambten een macht en majesteit van God aan zich getrokken en
handhaaft die op autoritaire wijze.
b) In de mate, waarin de sekte zich meester maakt van de genade,
trekt ze ook de macht aan zich om de grenzen van het heil vast
te stellen. Jehova's Getuigen, de Hersteld-Apostolischen, vele
Perfectionistische groepen en de Pinkstergemeenschappen, de Kerk
van het Godsrijk, en in wat meer verzwakte vorm de Adventisten
laten de grenzen van het heil samenvallen met de grenzen van hun
sekte. Met deze vaststelling van de grenzen grijpt de sekte
echter vooruit op het gericht Gods. Ze beweert en pretendeert de
stem van de Rechter te zijn of tenminste zijn maatstaf te kennen
en te kunnen aanwenden. Anders gezien: ze neemt God bij de arm,
identificeert
• haar gerichtsoordeel met het zijne of eist van Hem, dat Hij
Zich in zijn oordelen zal richten naar hun uitspraken. Ze meet
zieh aldus een recht aan, dat alleen God toekomt.
c) Gods eer bestaat daarin, dat Hij de enige is. Hij duldt geen
mededinger naast Zieh. Hij deelt zijn eer met niemand. Hem
alleen komt aanbidding en gehoorzaamheid toe. Daarom staat aan
de spits van alle geboden: "Ik ben de Here, uw God, gij zult
geen andere goden naast Mij hebben." De sekte imiteert deze
gloria Dei, door het monopolie van het bezit van de waarheid en
van de heilsgenade voor zichzelf op te eisen. Ze kan niet
verdragen en toelaten, dat er ook in andere gemeenschappen
geloof is; dat ook daar naar de waarheid gestreefd wordt en
mensen door de waarheid van Christus worden overweldigd; dat ook
daar God aan het werk is als degene, die nabij is, oordeelt en
begenadigt. Nee, in een exclusieve zin verkondigt de sekte:
"Slechts in ons midden is de waarheid en vindt het heil plaats!"
Niet alsof zij zelf God zou zijn. Maar zij alleen is Gods
uitverkorene, Zij alleen bezit zijn beloften. Alleen in haar
midden vliet de stroom van de Heilige Geest en wordt het
verlossingswerk voltrokken, Het "Genootschap van de Nieuwe
Wereld" is Gods enige "Theocratische Organisatie", en wie
daarbuiten staat, staat onder de heerschappij van de satan.
De Heilige Geest wordt alleen door de stamapostel over de
apostelen naar de zielen der gelovigen geleid, en wie niet met
hem in geloof en gehoorzaamheid verbonden is, heeft geen deel
aan het heil. De leden van de "Kleine Kudde" en van het
"Leger van de Almachtige" in de "Kerk van het Godsrijk" zijn de
enigen, die de wet van het heelal vervullen en daarom het
voorrecht hebben om het komende Godsrijk op te richten en te
regeren. Menige Pinkstergemeenschap en de Perfectionistische
groep identificeert zich met de bruidsgemeente, die aan het
verderf ontrukt wordt. De Adventisten weten van zichzelf, dank
zij hun vervulling van het sabbatsgebod en hun geloof aan de
drievoudige engelboodschap, dat zij het volk Gods van de
eindtijd zijn.
En de anderen, die daarbuiten staan? Die staan ook buiten het
heil, behoren bij het gevolg van de antichrist of zijn op zijn
best slechts stiefkinderen van God. Zij zijn afgesneden van de
volle genade. Hun kerken en gemeenschappen zijn slechts de
"voorhof", of ze zijn eenvoudig de massa perditionis,
prijsgegeven aan afval en onheil. Alleen over het gebied van de
eigen sekte straalt de zon der genade. Aansluiting bij haar en
gehoorzaamheid aan haar leer on haar eisen staat gelijk met de
keuze voor het heil. Daarachter staat de premisse, dat God Zich
alleen van dit orgaan bedient on alle andere gemeenschappen
verworpen heeft. In deze zelfverhoging is de godsdienstige
hybris aan het werk. De sekte wil de enige zijn, zoals God de
enige is. Ze sluit zichzelf bij het eerste gebod in. Ze hult
zich in een pseudo-majesteit.
d) Een logisch gevolg hiervan is, dat uittreden uit de sekte als
een doodzonde geldt. jehova's Getuigen briesen momenteel nog van
wraak jegens hun vroegere kameraden, die in 1917 afvallig werden
11 versperren hun iedere toegang tot het duizendjarig rijk.
Ze zullen geen plaats hebben in de hemelse stad, maar zullen na
hun dood voor goed dood zijn en hun nagedachtenis zal vergeten
zijn".") De Hersteld-Apostolischen stellen degenen, die de
stamapostel ongehoorzaam zijn en zijn in 1951 uitgegane
boodschap van de wederkomst van Christus tijdens zijn leven niet
als goddelijke waarheid aannemen, de eeuwige verdoemenis in
uitzicht. "Ze zijn uit het boek des levens geschrapt en - wat op
dit ogenblik nog niet wordt ingezien - de gevolgen van hun dom
gedrag zijn van eeuwige duur."21]
"Keizer Nero heeft zijn ziel door de christenvervolging niet zo
belast als iemand, die op dit moment als afvallige tegen het
werk Gods strijdt".") De Mormonen, die alle geesten tenslotte na
lange perioden van gestadig vorderen tenminste nog de onderste
trap van de heerlijkheid laten bereiken, zodat de hel leeg
achterblijft, maken een uitzondering, nl. voor degenen, die
vroeger tot hun gemeenschap behoorden, maar later afvallig
werden. E. G. White deelde de Adventisten, die in de jaren 1844
vv. afvallig waren geworden, in bij de categorie van de
"synagoge des satans" van Openbaring 3, 9. Abd-ru-shin gaf
volgens berichten van vroegere aanhangers degenen, die hem
afvallig waren geworden, in geheime plechtigheden over aan de
"ontbinding" en verklaarde, dat ze da armee "uit het boek des
levens geschrapt waren". Vanwaar deze onverzoenlijkheid? Is het
slechts een kleinzielige wraaklust? Nee, het uittreden uit de
sekte is een crimen laesae majestatis sectae en het ergste
vergrijp, dat de theologica gloriae sectae kent.
De onttroning van God
Waar de gloria Dei niet meer beheersend in het middelpunt van
het geloof staat, is de weg geopend na ar een geleidelijke
onttroning van God. In de gedachtewereld van de
Christengemeenschap is God vervluchtigd tot een persoonlijk,
neutraal iets, tot alleen nog maar een soort stoffering van de
achtergrond; de wereld is niet meer zijn schepping, maar nog
slechts een emanatie van het "goddelijk wezen", en de
geschiedenis is niet een soeverein handelen van God met de
mensenwereld, maar een automatisch ontwikkelingsproces, Een
persoonlijke ontmoeting God - mens is er niet meer. De Christian
Scientisten leren een theopanisme, dat eveneens een onttroning
van God ten gevolge heeft: doordat in dit theapanisme de
realiteit van de wereld ontkend wordt, wordt God onttrokken aan
het tegenover Hem staande gebied, waarop Hij kan handelen en
handelend zijn heerlijkheid kan bewijzen. Daarom is er in het
godsbeeld van Christi an Scientisten geen ruimte meer voor de
predicaten van de Schepper, de Koning, de Levende. De "Kerk van
het Godsrijk" heeft God als de rusteloos scheppende en regerende
Heer der wereld buiten werking gesteld; in zijn plaats regeert
de "wet van het heelal" mechanisch, onpersoonlijk en collectief
de wereld en het lot der mensen. Bij de Mormonen is God een
vergevorderd collega van de mens geworden: "Zoals de mens is,
was God eenmaal; zoals God is, kan de mens eenmaal worden." Deze
geworden God is een terugval in de voorstellingswereld van de
oude religies van buiten de Bijbel en heeft niets van doen met
de Oudtestamentische verkondiging: "Wie heeft dit bewerkt en tot
stand gebracht? Hij, die de geslachten van den aanvang heeft
geroepen; Ik, de Heere, die de eerste ben, en bij de laatsten
ben Ik dezelfde." (Jes. 41, 4)
Het sektarische denken wordt niet meer bepaald door de
uitstralingen van de theologica gloriae Dei. Dit noodzakelijke,
zelfs zonder meer beslissende stuk van de Bijbelse verkondiging
is weggezonken. In plaats daarvan ontmoet men overal een
gebonden God. Hij is de vertrouwde of gedweeë hemelse partner
van de sekte geworden. Hij erkent uitsluitend haar als het
werktuig, dat Hij Zich verkoren of geschapen heeft. Hij geeft
zijn fiat op de nieuwe sacramenten en erediensten, welke zij
ingesteld heeft. Hij autoriseert de ambten, welke zij met
volmachten heeft bekleed, Hij trekt de grenzen van het heil
precies zo, als de sekte wil, dat ze getrokken worden. De meest
uiteenlopende sekten eisen de Heilige Geest uitsluitend voor
zieh alleen op. Pinkstergemeenschappen annexeren Hem als hun
speciaal bezit. De Hersteld-Apostolischen leren, dat Hij alleen
hún
stamapostel tot zijn orgaan heeft gemaakt en hem het "copyright"
heeft gegeven van zijn "openbaringen". De Mormonen maken in
gelijke mate aanspraak op Hem voor de hiërarchie van hun
.Herstelde Kerk". De Evangelisch- johanneische Kerk laat Hem
geincarneerd zijn in Joseph Weissenberg. Kortom, hier is God een
god van de sekten geworden, als contractant, bondgenoot of
uitdeler van het heil uitsluitend aan haar toegevoegd.
Dit sektarisch godsbeeld kent tenslotte uitsluitend nog een
samenwerking tussen God en de sekte, Haar geldt zijn "ja", alle
andere mensen en godsdienstige gemeenschappen zijn "nee". Dat
God ook anders zou kunnen denken en handelen dan de sekte het
leert, is ondenkbaar. En totaal ondenkbaar is het, dat de sekte
onder zijn kritiek, laat staan onder zijn gericht, zou vallen.
De gedachte alleen al, dat God eens niet, of niet uitsluitend,
de Theocratische Organisatie van Jehova's Getuigen zou erkennen,
is in de ogen van de leiding van de sekte zo'n zwaar vergrijp,
dat het de eeuwige dood op zich laadt. En reeds de geringste
twijfel aan de uitsluitende en volledige atorisering van Gods
wege van stamapostel Bischoff wordt als een lastering van de
Heilige Geest gebrandmerkt. waarvoor noch in deze, noch in de
toekomende wereld vergeving te vinden is.
Zo wordt God onderdanig gemaakt - een gehoorzame God, een
gelijkgeschakelde God. Is dat nog de God van de Heilige Schrift?
Is het niet louter een projectie van de leer van de sekte?
Eertijds heeft Israël op zijn verkiezing en op het verbond van
de Sinai gepocht en zich gehouden voor het volk, waarvoor God
voorkeur had on der de naties, zoals jehova's Getuigen en andere
sekten dat ten aanzien van hun geloofsgemeenschappen precies zo
doen. Maar God laat Zich niet door de mensen inpalmen. Fel sneed
Amos die pretentie van Gods voorkeur voor Israël af: "Zijt gij
voor Mij niet gelijk aan de Moren, 0 kinderen Israëls? luidt het
woord des Heren." (Amos 9, 7)
Naarmate het Bijbelse godsbeeld wordt uitgehold, wordt ook de
oer verhouding tussen God en mens verstoord. Deze oer verhouding
wordt gekenmerkt door het feit, dat er tussen God en mens een
dialoog gevoerd wordt, waarin God degene is, die hoort en
antwoordt. Het spreken Gods is een handelen met de mens in
oproep en gebod, terechtwijzing en gericht, begenadiging en
troost. Het antwoord van de mens is de gehoorzaamheid en de
aanbidding, de boete, de dank en de liefde. "Hoort het woord des
Heren!" - deze roep klinkt door heel het Oude Testament. De
bereidheid tot horen is de grondhouding van de vromen. Wie niet
hoort, maar zich doof houdt en zich verhardt te gen de roepstem
van God, onthoudt Hem de eer en is "ongehoorzaam".
De theologia gloriae sectae verkleint de mogelijkheid, om over
alle mogelijke tusseninstanties heen naar Gods eigen stem te
luisteren. Ze verdringt God als partner uit de dialoog. Op zijn
plaats gaat de extatische voorman staan, de met goddelijke
autoriteit begiftigde ambtsdrager, de profeet of, zoals bij
Jehova's Getuigen, de leiding van de organisatie. Zij
verkondigen nu de leer, geven bevelen, brengen het heil over en
garanderen het. Natuurlijk doen ze dat niet uit willekeur. Ze
geloven, dat God hun volmacht gaf. Maar is deze pretentie niet
een hevig zelfbedrog? Haar juistheid zou moeten blijken uit een
ootmoedig luisteren naar God. Dit horen is echter eerst dan
echt, als de hoorder zieh niet alleen maar eenzijdige
bevestigingen van zijn eigen stand punt laat geven door God,
maar zich ook vragen laat stellen door God, meer nog: zichzelf
discutabel laat stellen door Hem. En dat betekent, dat hij door
Hem wordt opgejaagd, uit zijn vastheden weggesleurd wordt en
zich in al zijn posities onzeker voelt. Hier vinden we nu echter
iets, dat men voortdurend kan opmerken: hoe meer de gloria
sectae in de plaats komt van de gloria Dei, des te meer
versterft dit echte horen, des te minder laat de sekte zich in
haar totale bestaan door God verontrusten. Ze verliest Hem als
degene, die soeverein tegenover haar staat. De polaire spanning
verlamt. De levende dialoog houdt op. De pure sekte, zoals ze
zich b.v. in jehova's Getuigen of in de Hersteld - Apostolischen
vertoont, draait alleen om haar eigen aso Hier nu voltrekt zich
het gericht Gods. De theologica gloriae sectae sluit de genade
van de ontmoeting met de levende God uit.
Hoofdstuk 4
THEOLOGIA POSSESSIONIS
De onteigening van Christus
De greep naar de genade en het afzweren van de theologia gloriae
Dei hebben hun uitwerking op heeI het terrein van de
Christelijke leer. Vooreerst treedt er een verkommering in op
het gebied van de Christologie, die ernstige gevolgen heeft. Als
de sekte zichzelf een toonaangevende functie in de bemiddeling
en de verwerkelijking van het heil toekent, betekent dat een
devaluatie van Christus als de enige middelaar en kan Hij zelfs
wel helemaal gemist worden. Zodoende volgt op de onteigening van
God ook een onteigening van Christus. Dat hoeft zich nog wel
niet direct te uiten in een volkomen loochening van zijn zending
en zijn werk. Het kan ook plaats vinden door een
accentverschuiving. Zo wordt bij de leer van de
Pinkstergemeenten de tendens zichtbaar, de christologie naar de
achtergrond te verdringen door de pneumatologie. Veel sterker
ontwikkeld is deze tendens bij de Hersteld-Apostolischen; voor
hen is Christus in de grond van de zaak nog slechts belangrijk
als degene, die eenmaal twaalf jongeren geroepen heeft en met
volmacht bekleed en daarmee ook het fundament voor het nieuwe
apostelambt gelegd heeft.
De Graalbeweging heeft Christus zijn waarde doen verliezen, door
een nieuwe gelijkwaardige Heiland naast hem te zetten, de
"mensenzoon" Abd-ru-shin, die bovendien door zijn moderniteit en
een ho gere zending als de voortrekker van het eindgericht boven
Christus uitsteekt. Evenzo heeft de Evangelisch- Johannelsche
Kerk Hem de "meester" Joseph Weissenherg toegevoegd. Voor de
"Christelijke Gemeenschap Herder en Kudde" is Christus slechts
een mens, die zich door zijn ethische prestatie de inwoning van
God waardig heeft gemaakt. Hij is niet de "eniggeboren zoon",
maar slechts een figuur uit een ganse keten van gekwalificeerde
mensen, die God als vaten van zijn incarnatie heeft gebruikt. En
zijn betekenis beperkt zich ertoe, dat Hij leraar van de
goddelijke waarheid en voorbeeld voor de wandel der mensen is.
Jehova's Getuigen beperken de functie van Christus tot de
heerschappij in het toekomstige duizendjarige rijk. De
Christian-Scientisten erkennen Hem nog slechts als de ontdekker
van de "mentale genezing", de Kerk van het Godsrijk als de
verkondiger en vervuller van de wet van het heelal. Verder niet.
En het kruis? De Christian-Scientisten kennen geen
plaatsvervangend lijden en sterven van Christus; het kruis
betekent niet, dat er in de toestand tussen God en mens iets
verandert, maar alleen dat de werkelijke feiten, die voordien
verborgen waren, nu onthuld worden: nl. dat de mens met God een
is en dat hij "door waarheid, leven en liefde", zoals deze door
Christian-Scientisten worden verstaan, de verlossing, d.w.z. de
eenheid met God, bewerkstelligen kan. 23) De Christengemeenschap
berooft Galgotha van zijn karakter van ontzettende en zondige
botsing van de mensenwereld met God, door er een centrale acte
van te maken in het proces van de doordringing van de kosmos met
de genezende kracht van Christus; het bloed van de gekruisigde
droppelt in de aarde en daarmee voltrekt zich het mysterie van
de kosmische verandering. Bij de Hersteld-Apostolischen zijn het
kruis en de gestalte van de gekruisigde terechtgekomen in een
bijzin van hun dogmatiek. In plaats daarvan staat
allesbeheersend de triomferende zin: De Heilige Geest heeft
opnieuw apostelen geroepen en met volmacht bekleedt Wel heeft
Christus "met zijn bloed als onschuldig en onbevlekt lam de
mensen uit dood en verderf gered" 24), maar het kruis is geen
tastbare werkelijkheid meer, en Christus' zoendood zou van geen
enkel nut zijn, als niet de nieuwe apostelen de daaruit
voortgekomen heilsgaven zouden uitdelen. De Nieuwe Kerk van
Swedenborg viert de voorbeeldige dapperheid en de solidariteit
van de met ons medelijdende Christus, maar verzet zieh tegen de
haars inzien door Paulus in zwang geraakte dwaalleer van de
verlossingsdood. Ook de gemeenschap "Herder en Kudde" wil niets
meer weten van het "voor ons" van de dood van Christus, maar
waardeert GoI gotha alleen nog als voorbeeldige prestatie: "Het
sterven aan het kruis op GoI gotha is de hoogste trap van
gehoorzaamheid".") In de Evangelisch- johanneische Kerk staat
het "grote heilige lijden" van joseph Weissenberg gelijkwaardig
naast het kruis van Christus. Ook Weissenberg zou niet met vlees
en bloed alleen te strijden hebben gehad, maar "met de overheden
en machten, met de boze geesten in de hemelse gewesten" .26) De
Graalboodschap noemt het kruis een symbool van het falen van
Christus en is verontwaardigd over de priesters, die Hem, de
weerloze, destijds uit louter boosheid en verdorvenheid hebben
vermoord. De Mazdaznan-beweging laat, waarschijnlijk onder
invloed van de Koran, Jezus aan het kruis slechts een schijndood
sterven, waarvan Hij Zich nadien weer herstelde, en stelt voor
de kruisiging enkel en alleen de joodse priesterkaste
verantwoordelijk, die zich door Jezus in haar machtspositie
bedreigd zag. jehova's Getuigen spreken met een stereotype
formule van het "los geld" , waarmee Christus voor de mensen een
tweede kans zou hebben verworven om in het duizendjarig rijk nog
eenmaal tot het leven teruggeroepen en bij gebleken
gehoorzaamheid eeuwig levende burgers van het Koninkrijk Gods te
worden. Precies zo de Kerk van het Godsrijk. Evenzo de Mormonen,
na ar wier mening Christus met zijn verlossingsdood aan de
mensen een eerste stoot heeft gegeven, om vooruit te komen, door
hen van de ballast van de erfzonde te bevrijden. Bij
Perfectionisten en Pinkstergemeenten is wel veel sprake van het
;,bloed van Christus", en het wekt de schijn, alsof hier aan het
kruis eenzelfde centrale plaats en betekenis wordt toegekend als
in de reformatorische verkondiging, maar schijn bedriegt. Hier
wordt nl, weer wat al te veel en al te gemakkelijk gesproken van
het "bloed van Christus", waardoor men gereinigd wordt van
zonden. Het wekt op zijn minst de verdenking, dat men niets meer
weet of wil weten van het verbrijzelende gericht, dat op
Golgotha werd voltrokken - aan alle mensen en ook aan het eigen
godsdienstige bezit inclusief bekering en geestesdoop!
Concluderend kan men dus zeggen, dat de grondtrek, die
kenmerkend is voor alle sekte gemeenschappen, deze is, dat ze
het kruisgebeuren devalueren. Sommigen loochenen het. Anderen
ontkennen, dat het gebeuren op Golgotha een handelen van God met
de mens zou zijn. Weer anderen zijn van mening, dat men hier wel
met een handelen van God te doen heeft, maar ze halveren het; ze
laten alleen de tweede helft - het verlossings- en
verzoeningswerk - gelden, gaan echter aan de eerste helft, de
ontmaskering van de mens in zijn vijandschap tegenover God,
achteloos voorbij en hebben daarmee het kruis van zijn scherpte
ontdaan.
De theologia crucis van de reformatie
De devaluering van het kruis is niet toevallig. Ze komt hieruit
voort, dat het sektarisch geloof het woord des kruises als een
onverdraaglijke ergernis moet ervaren. Want dit geloof is er op
uit de mens een mogelijkheid tot beïnvloeding of
bewerkstelliging van het heil te verschaffen. Maar het woord des
kruises verhindert iedere mogelijkheid van dien aard. Daarom
moet het sekt Arisch geloof de theologia crucis, het hart van de
reformatorische verkondiging, verwerpen en vervangen door iets
anders. Om de theologia crucis in haar contrast met de tendens
van het sektarisch geloof te verduidelijken, moge ik twee
brieven citeren, die beide in verschrikkelijke ogenblikken
werden geschreven. De eerste brief is afkomstig van een jonge
Duitse soldaat in Stalingrad. Deze soldaat behoorde vroeger tot
de Hitler- Jugend en was een vurig, overtuigd
nationaalsocialist, De brief werd met de laatste postzak uit het
omsingelde gebied verzonden en was dus een laatste schreeuw v66r
de ondergang. Hij luidt aldus:
"Zo, nu weet je dus, dat ik niet meer terugkom. Vertel het
voorzichtig aan onze ouders. Ik ben diep geschokt en twijfel
hevig aan alles. Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik
klein en ongelovig. Veel van wat zich hier afspeelt, zal ik niet
ervaren, maar het weinige, dat ik meemaak, is al zo veel, dat lk
het niet meer kan slikken. Mij kan men niet wijsmaken, dat de
kameraden met het woord "Duitsland" of "Heil Hitler" op de
lippen stierven. Er sterven er heel wat, dat kan niet ontkend
worden, maar het laatste woord is voor moeder of voor de mens,
die iemand het liefst is, of alleen maar een roepen om hulp. -
De Führer heeft vast beloofd, ons hieruit te ontzetten, men
heeft het ons voorgelezen en we geloofden dat ook beslist.
Ik geloof het op dit moment nog, omdat ik toch ergens aan moet
geloven. Als dat niet waar is, waar moet ik dan nog wel aan
geloven? Dan zou ik echt geen behoefte meer hebben aan de lente
of aan de zomer of aan iets anders dat je nog plezier zou kunnen
doen. Laat me dit geloof, lieve Greta, ik heb mijn hele leven of
tenminste acht jaar daarvan altijd aan de Führer en zijn woord
geloofd. Het is ontzettend, hoe ze hier aan 't twijfelen zijn,
en beschamend om de woorden te horen, waar je niets tegen in
kunt brengen, want de feiten spreken voor ze. - Als het niet
waar is, wat men ons beloofde, zal Duitsland verloren zijn, want
in dat geval kan niemand meer zijn woord houden. 0, die twijfel,
die afschuwelijke twijfel, als die toch maar gauw voorbij mag
zijn!"
Over het verdere lot van deze jonge man is niets bekend. Niemand
weet, hoe hij leed en stierf. Zijn mond is verstomd, zijn
lichaam allang vergaan. Maar dit is zeker: Zijn vertwijfelde
vraag heeft een antwoord gevonden - het bestond in een
verschrikkelijk .mee". Misschien heeft hij in zijn sterven nog
vervloekt, wat hij een leven lang aangebeden had. In deze
vlammenzee van die grote catastrofe is zijn geloof, zijn
begeestering, zijn wereldbeschouwing, het hele bouwwerk van zijn
innerlijk bezit gebarsten en tot stof geworden. Niets is hem
gebleven. Niets - alles uit - punt!
Ook Golgotha is zo'n innerlijk Stalingrad voor de mens - ook
voor de gelovige, vrome mens en zijn bestaan voor God. Golgotha
is aanklacht en gericht Gods, meedogenloze ontmaskering van de
mens, van zijn motieven, zijn zogenaamde vrome verworvenheden,
zijn strevingen en prestaties. Want daar herkent hij zichzelf en
wordt herkend als iemand, die aan de terechtstelling van de Zoon
meedeed, medeschuldig is - een moordenaar, die de Zoon niet
verdraagt en Hem daarom uit zijn midden uitstoot en die da armee
zichzelf ontmaskert als een oproerling tegen God tot op de bodem
van zijn wezen. Paul Gerhardt heeft het in eenvoudige woorden
aldus gezegd: "Was ist die Ursach aller solcher Plagen? Ach,
meine Sünden haben dich geschlagen; Ach, ich, Herr jesu, ich hab
dies verschuldet, was du erduldet."
Daarom is Golgotha de radicale omverwerping van de mens, juist
van de vrome mens, en de radicale vernietiging van zijn vermeend
bezit en van zijn trots als bezitter. Hij kan op geen enkele
creditpost bogen. Hij is een kale armoedzaaier, een miserabele
bedelaar voor Gods aangezicht. En hij blijft een bedelaar, zijn
leven lang, een ontmaskerde en geoordeelde. Dat geldt voor de
enkeling, maar dat geldt evenzeer voor de gehele christelijke ge
me ente en de kerk. Dat geldt in elke situatie en op ieder
tijdstip.
Nu is dat echter niet het enige en het laatste antwoord van het
kruis, Midden uit de rook en het stof van die innerlijke
Stalingrad catastrofe klinkt een andere stem. Het is een
jawoord. Het is het "ja" van de Zich ontfermende God tot de
vuile veroordeelde bedelaar - het "ja" van de vergeving, van de
rechtvaardiging. De bedelaar heeft het niet verdiend, het niet
door werken verkregen, het niet door de ene of andere eigen
waardigheid teweeggebracht en mogelijk gemaakt. Het is een
grondeloos, wonderlijk, ongelofelijk "ja", te midden van de
puinhoop. Maar het wil, hoe ongelofelijk het ook is, ernstig
genomen worden. Het moet ernstig genomen worden. Want het is
Gods "ja". En God la at niet met Zich spotten! Van de mens, die
op de plaats van het gericht, van de dood en van het "nee"
staat, wordt gevraagd, dat hij tegelijkertijd op de plaats van
het "ja", van de gerechtigheid en het kindschap gaat staan.
Tegen zijn geweten in! Tegen alle aanvechtingen en
moedeloosheden in, alleen in roekeloos, vermetel geloof aan de
ongelofelijke toezegging van die stem. "alle geloof, Heer, kom
mijn ongeloof te hulp!"
En hier moge nu een citaat uit de tweede brief volgen. Het is
een afspiegeling van deze tweede situatie van de mens, die het
"ja" van Golgotha heeft vernomen en nu tegen zijn eigen ongeloof
in ge- 100ft. De brief is afkomstig van Graaf Helmuth von
Moltke, die behoorde tot de tegen Hitlet gerichte zgn. Kreisauer
Kring en op de l0e januari 1945 tot de dood aan de galg
veroordeeld en de 23e januari d.o.v. terechtgesteld werd. Op de
dag, dat hij het doodvonnis ontving, schreef hij aan zijn jonge
vrouw:
"Mijn lieve hart, in de eerste plaats moet ik zeggen, dat de
laatste vierentwintig uren van mijn leven kennelijk niet anders
zijn dan welke andere ook. Ik had me steeds ingebeeld, dat je
het werkelijk als een enorme schrik ondergaan zou, als je te gen
jezelf zou moeten zeggen: nu gaat de zon voor de laatste keer
voor je onder, nu ga at de klok nog maar twee keer tot twaalf,
nu ga je voor de laatste keer na ar bed. Van dat alles is geen
sprake. Of ik misschien wat geëxalteerd ben? Ik kan inderdaad
niet ontkennen, dat ik me in een uitgesproken verheven stemming
bevind. Ik bid slechts de Heer in de hemel, dat Hij mij hierin
moge houden, want voor het vlees is het zeker gemakkelijker, om
zo te sterven. Hoe genadig is de Heer mij geweest! Zelfs op
gevaar af, dat dit hysterisch klinkt: Ik ben vol dank, eigenlijk
is er voor niets anders meer plaats. Hij heeft mij die twee
dagen zo vast en duidelijk geleid : Al had ook de hele zaal
gebruld zoals de heer Freisler, en al hadden alle muren
gewankeld, het zou me volstrekt niets gedaan hebben ; het was
waarschijnlijk zo, zoals het in Jes. 43, 2 staat: "Wanneer gij
door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij
zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij
niet verteerd worden en zal de vlam u niet verbranden." - Je
ziel namelijk. Toen ik opgeroepen werd voor een laatste woord,
was het me zo te moede, dat ik bijna gezegd had: Ik heb slechts
een ding tot mijn verdediging aan te voeren:
Al rooft g ‘ons al ons goed, vrouw, kind en eer en bloed,
ontneem 't hans alles vrij! Gij wint er toch niets bij: het Rijk
blijft ons behouden!"
Hier hebben we de andere kant van de reformatorische vroomheid:
de koninklijke vrijheid en geborgenheid, die wortelt in het "ja"
van God. Dit staat vlak naast, zo niet midden in die
vertwijfeling van de bedelaar in het gericht. De soldaat uit
Stalingrad schreef: "Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik
klein en ongelovig." De voor de galg staande graaf Moltke
schreef: "lk geloof te weten, dat ik nu uit Gods genade en
vergeving leef en niets uit me zelf heb of vermag." En hij
jubelt: "God verleent mij de onuitsprekelijke genade, naar mij
toe te komen en Zich met mij te bemoeien." Beide, de
vertwijfeling van de verbrijzelde mens en de jubel van de
begenadigde, zijn geen eigen emoties van de ziel, maar reflexen
van een handelen, dat van God uit aan haar geschiedt. Daarin
weerkaatsen zijn beslissingen. En de jubel van de verloste is
met de twijfel van de geoordeelde verbonden door het: "lk
geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp." De bedelaar heeft de
sprong in de afgrond gedaan - sola fide - en de hand van God
heeft hem opgevangen. Nu is hij iemand, die vastgehouden wordt
in een lege ruimte en boven de afgrond van de hel. Hij leeft
alleen uit genade. Die genade tilt hem nu over de afgrond heen,
zodat hij daar aan de overzijde weer vaste bodem onder de voeten
krijgt en zich voorgoed veilig kan voelen, maar houdt hem boven
de afgrond. Hij Ieeft slechts door de genade. Er is niet een
na-elkaar: eerst het gericht en dan de vergeving, eerst de
vertwijfeling en dan de uitredding - maar alleen een
gelijktijdigheid: simul iustus et peccator.
Aan dit in-elkaar en de daaruit voortkomende innerlijke
situaties van de gelovige heeft Jochen Klepper in zijn dagboeken
27) op een prachtige wijze uiting gegeven, als hij daarin
motiveert, waarom een Protestantse poëzie vrijwel onmogelijk is:
"Ze kan van vergeving en genade als haar hoofdinhoud niets
vertellen, omdat ze, met elk van haar woorden, de aanspraak op
genade en vergeving behoeft. Ze is, scherp uitgedrukt, een
artistieke zelfmoord, constant uitgevoerd en doorgezet. Ze heeft
plaats onder boetedoening, zonder van boete te kunnen spreken,
Ze is een lofprijzing Gods, waarvoor men Gods vergeving nodig
heeft. Ze staat volledig aan de kant van de zonde, van de
onvrede, van de schuld en van het kwaad, is "lijden van deze
tijd" en beslist niet de Heerlijkheid die aan ons geopenbaard
zal worden". Ze is niet een schrede naar God toe, maar van God
vandaan: leugen, ijdelheid, voorbarigheid, oppervlakkigheid,
mooipraterij, dialectiek. Weliswaar kan God maken, dat Hij
vanuit deze warboel van leugen en ijdelheid spreekt: maar
degene, die deze warboel schrijft, zal nooit ook maar kunnen
vermoeden, wanneer God daartoe zo'n dichtwerk gebruiken wil."
De gelovige komt nooit on der de stand van de rechtvaardiging
uit. Hij is altijd tegelijk de zondaar en de door God
vrijgesprokene, rol rebel en de door Christus verzoende. Luther
vergelijkt hem met de bedelaar, aan wie een rijk heer bij
testament duizend goudstukken vermaakt heeft. Andere lieden
wijzen op het vuil en de vodden van de bedelaar en zeggen hem in
zijn gezicht: je bent niet waard, dat je dit kapitaal ontvangt!
Hij echter begint te pochen: "Wat gaat dit jullie aan? Ik weet,
dat ik onwaardig ben. Wat ik echter wil hebben, wil ik hebben
krachtens het recht van het testament." En deze situatie van de
begenadigde bedelaar, met zijn trots vertrouwen
" zijn vermetel geloof in het aanbod van Gods genade, groeit nu
uit tot een rijk geloofsleven, tot de "vruchten des geestes",
onder welke de liefde en de deemoed aan de spits staan.
Nederzettingen bezijden het kruis
Alle sekten, hoe geschakeerd ze ook zijn, hebben een
gemeenschappelijk kenmerk: Er bestaat namelijk geen enkele
sekte, welke oorsprong als een Stalingrad van de ziel in de
buurt van het kruis ligt. Laat ons de motieven, die tot het
ontstaan van de afzonderlijke sekten geleid hebben, wat nader
bezien: De Adventisten wilden met het oog op de spoedig te
verwachten parousie de zekerheid hebben, dat zij van het gericht
verschoond bleven. Bij Russell, de stichter van de "Vereniging
van Ernstige Bijbelonderzoekers", was het de angst voor de
eeuwige hellestraf, die voor hem aanleiding werd, de Schrift zo
uit te leggen, dat deze grondig geëlimineerd werd. Bij Alexander
Freytag, de stichter van de "Kerk van het Godsrijk", was het het
hevig verlangen na ar een leven, dat door de dood niet meer
bedreigd zou zijn. Bij de Hersteld-Apostolischen was het
verlangen naar een nu tegenwoordige, zichtbare middelaar
beslissend voor de ontwikkeling van hun ambten en hun derde
sacrament. Bij de Christengemeenschap was het de drang van enige
theologen, die door Steiners antroposofie geboeid waren, naar
een diepere kennis en een rijker, uit de antroposofische kijk op
de wereld opkomend sacramentalisme. Bij de Perfectionisten en
Pinkstergemeenschappen was het de drang, uit de stand van de
rechtvaardiging-zonder-meer en daarmee uit de zone van de
aanvechting weg te komen en met de bekering en de geloofsdoop of
geestesdoop "het volle heil" te bereiken. Bij Joseph Smith, de
profeet van de Mormonen, was het de radeloosheid ten aanzien van
de veelheid van denominaties, bij Mary Baker Eddy de afwijzing
van de in haar congregationalistische kerk verkondigde leer van
de dubbele predestinatie.
Dat zijn motieven van zeer uiteenlopende aard. Ze zouden, hoe ze
er ook uitzagen, het uitgangspunt hebben kunnen vormen voor een
weg naar binnen, die uitloopt op de theologia crucis, om daar
antwoord en vervulling te vinden. Maar deze weg heeft de sekte
zelf versperd. Het grondbeginsel van haar godsdienstig denken en
streven laat niet toe, dat de mens zichzelf onbeschut uitlevert
aan God en de sprong in de afgrond waagt sola fide. Ze heeft een
andere weg ingeslagen. Die staat in het. teken van de eigen
godsdienstige initiatieven tot zekerstelling van het heil, en
wijst heen naar het storm- vrije terrein, de schuilplaats, die
door de oordeel boodschap van het kruis niet meer getroffen
wordt. Deze weg omvat tweeërlei:
1. Er wordt een geleidelijke afbraak van de theologia erucis
ondernomen. Golgotha mag niet meer de totale en radicale
bedreiging van de mens in zijn bestaan voor God betekenen. Er
moet een ruimte gevonden worden, waar de mens zieh kan vestigen,
zonder getroffen te worden door het kruis. De afbraak van de
theologia crucis geschiedt op velerlei wijze. B.v. zo, dat men
Golgotha beperkt tot een heilshistorische feit uit het verleden,
waarvan men nu nog wel de vruchten plukt, maar dat beslist niet
meer een gebeuren kan zijn, dat zieh uitstrekt tot hier en nu en
tot ieder mens. Of zo, dat men de spanning uit het simul iustus
et peccator wegneemt, door deze zuiver more el te verstaan en
niet meer te zien als het gebied, waarop de mens voortdurend
voor God zijn zekerheid kwijtraakt. Of zo, dat men het kruis
beschouwt als een stadium, dat men wel passeert om het een en
ander mee te nemen, maar dat in de grond der zaak toch niet
anders is dan een doorgang naar een volgend, hoger stadium. Of
zo, dat men het gebeuren op Golgotha weghaalt uit de categorie
van schuld en gericht en het tot een kosmisch mysteriedrama
neutraliseert.
Nergens is hier het kruis meer de plaats, waar de kennis van de
totale verlorenheid de mens overvalt en hij zich tot in de
laatste schuilhoeken van zijn ziel door God ontmaskerd ziet.
Daarom loopt aan de geleidelijke afbraak van de theologia crucis
parallel een dergolijke afbraak van het bijbels getuigenis
aangaande de zonde. De verkorting van dit getuigenis is overal
merkbaar, alleen de mate waarin verschilt. Perfeetionisten en
Pinkstergemeenten spreken van rlc reöle mogelijkheid van een
"overwinning over de zonde" of zelfs van de zondeloosheid als
van een nieuwe bestaansvorm van de gelovige. Hoezeer ze daarbij
ook met hun leer van bekering en wedergeboorte argumenteren, ze
miskennen, dat de zondigheid de grondI rok van het menselijke
wezen vormt. Tekent zich reeds bij hen het moralistische
misverstand van de zonde af, dit wordt volkomen duidolijk bij de
Hersteld-Apostolischen en de Mormonen of in de leer vnn
Swedenborg en die van Lorber. Bij jehova's Getuigen wordt de
zonde beperkt tot het verzet tegen de door Jehova geautoriseerde
:Theocratische Organisatie en haar geboden. De "Kerk van het
Godsrijk" verstaat onder "zonde" alleen de door egoistische
motieven bepaalde handelingen. Qe Christengemeenschap spreekt
met voorliefde over zonde als "ziekte" en bedoelt daarmee een
terugval van het geestelijke en de slavernij van het
stoffelijke. De Christian Scientisten delen de zonde samen met
ziekte en dood in bij de groep van de menselijke "inbeelding".
Overal wordt hier het bijbels getuigenis van de zonde vervlakt
of veranderd. In dit bijbels getuigenis echter komt de
innerlijke bedreigdheid van de mens tot uitdrukking. Hoe meer
die diepte en de macht van de zondigheid wordt vervlakt, des te
meer wordt deze bedreigdheid gebagatelliseerd. Ze wordt zo
gebagatelliseerd, dat ze tenslotte de theologia crucis in het
geheel niet meer nodig heeft - ze kan ook op andere wijze
overwonnen worden.
2. Door de verkorting van het bijbels getuigenis van de zonde en
de ontlediging van het woord des kruises wordt nu een
afgeschermde ruimte verkregen, waarbinnen men een eigen
godsdienstig gebouw kan optrekken, dat men voorzien kan van
krachten en volmachten, die het heil verzekeren. Tegenover de
bijbels-reformatorische theologia crucis stelt men nu een
theologia possessionis. Dat is de hartkamer, waarin het
geloofsleven van de sekte slaat. De substantie van de theologia
possessionis wordt gevormd door haar zgn. speciale leer. In deze
speciale leer komt ook het kruis wel voor. Maar ze staat niet
meer onder het gericht van het kruis, Ze heeft het alleen op een
of andere manier "verwelkt". Ze gebruikt het nog slechts als
"middel" in het proces, dat het heil moet waarborgen. Maar in
geen geval mag Golgotha dat "Stalingrad" zijn, waarin samen met
alle godsdienstige strevingen, ook de erediensten, ambten,
sacramenten, ervaringen en autoriteiten van de sekte als
ondernemingen van de menselijke, zondige creatuur wegvallen. Dit
is het neuralgische punt van de sekten: deze gedachte kunnen ze
niet aanvaarden! Ze moeten haar ruwweg terugwijzen. Want daarmee
zou hun bestaan aan het wankelen gebracht worden. Ze moeten een
"bezit" hebben, dat niet on der de schaduw van het kruis valt,
dat niet aangevochten wordt, maar volkomen zeker en voor God
geldig is. En juist dit bezit maakt het hun mogelijk, langs het
kruis heen te gaan. Het geeft hun de mogelijkheid uit eigen
volmacht het heil te bewerkstelligen en zichzelf in het werk van
Gods genade in te schakelen. Dit is het, wat aan de gelovigen
dekking, bescherming en de garantie van het heil verschaft.
Daarom staat dit bezit in het middelpunt van de leer van de
sekte.
Ze maakt het tot fundament van haar theologie. Het is bij iedere
sekte weer anders. Het bestaat bij de Pinkstergemeenten in de
leer van de ervaarbaarheid en grijpbaarheid van de Heilige Geest
in de geestesdoop; bij de Perfectionisten in de handeling van de
bekering, die bij hen als een plotselinge doorbraak naar het
heil beleefd wordt; bij de Hersteld-Apostolischen in de leer van
de volmachten van het opnieuw ingestelde apostelambt; bij de
Adventisten in de drievoudige engelboodschap; bij jehova's
Getuigen in de goddelijke autorisatie van de Theocratische
Organisatie als orgaan van de heilsgeschiedenis; bij de Kerk van
het Godsrijk in de leer van de wet van het heelal; bij de
Christian Scientisten in de leer van de ilIusies en de mentale
genezing; bij de Christengemeenschap in de mysterie leer en het
daarop gebaseerde sacramentalieschme; bij de Evangelisch-
Johannesche Kerk, de Graalbeweging, Peace Mission e.a. in de
proclamatie van de vleeswording van de godheid in hun stichters.
Een overzicht over de diverse sekten toont aan, dat zo ongeveer
alles zich tot voorwerp van een theologia possessionis laat
maken: van die perfecte gehoorzaamheid aan de letter af, die de
Schrift van een goddelijk dynamiet tot een verzameling
wetsparagraphen maakt en er zieh op boroemt, deze paragraphen in
alle opzichten pijnlijk nauwgezet op lu volgen (Campbellieten),
tot de plek toe, waarvan de Mormonen in Independence beweren,
dat die hun bij openbaring is aangewezen voor het bouwen van de
tempel, en uit welks bezit de afgescheiden 'hurch of Christ,
Temple Lot, haar legitimiteit afleidt.
Do elementen van de theologia possessionis worden verabsoluteerd
en treden in de plaats van de theologia crucis. Dat betekent een
volkernen verschuiving van de structuur van de dogmatiek. De
sekte heeft een ander coördinatiesysteem dan de kerk. Het
nulpunt, waarop bij haar de X- en de Y-as elkaar kruisen, is
niet meer het kruis Christus, maar haar eigen bezit. Daarom
hebben dezelfde begrippen bij de sekte een andere betekenis en
een andere rangorde dan in de kerk. Daarom is ook een wederzijds
verstaan en een gesprek over en weer zo moeilijk, vaak zelfs
onmogelijk.
Naar de mens gesproken, hebben de sekten het zonder theologia
crucis gemakkelijker, En ze kunnen met hun theologia
possessionis de ander geweldig overtroeven en doen dat dan ook,
Maar anderzijds treft hen ook het noodlot, dat aan een ontwijken
of een ontlediging van het kruis inherent is. Waarin dat.
bestaat? Allereerst hierin, dat de boodschap van het kruis haar
innerlijke draagkracht voor hen verliest. Ze heeft die
draagkracht alleen daar, waar ze in haar dubbel poligheid als
het van God wege door Christus volbrachte, tot factum geworden
woord van gericht en verzoening gehoord en geloofd wordt en waar
dit woord niet als een museumstuk uit het verleden door een
ander woord van de een of andere nieuwlichterij verdrongen of in
de schaduw gesteld wordt, maar als actuele tegenwoordigheid hier
en nu de mens in zijn bestaan raakt. Waar echter de ene pool,
het woord van het gericht, buiten zicht raakt, wordt ook de
andere pool, het woord der verzoening, beroofd van zijn
innerlijke kracht. Het kruis kan nu niet meer het door God
gelegde fundament van de zekerheid des heils zijn. Des te meer
wordt de sektarische vroomheid genoodzaakt, op andere
fundamenten te gaan steunen. Ze wordt gedwongen de vlucht uit
het machtsgebied van het kruis naar het terrein van de theologia
possessionis te bevorderen. Maar kan het nieuwe fundament het
achtergelatene vervangen?
Deze vlucht is ook hierom zo noodlottig, omdat de aanhangers van
de sekte zieh daarmee beroven van de genade, door God
verbrijzeld en weer opgericht te worden. Ze moeten ongebroken
men- . sen blijven. Hun bedreigt de enorme verzoeking zieh boven
anderen verheven te voelen, zeker, zelfbewust en star. Hoeveel
sektariërs zijn helaas bezweken aan het gevaar alles te
veroordelen en te verdoemen, wat niet hun theologia possessionis
huldigt. De vrome superbia triomfeert.
Verder zullen we in dit hoofdstuk niet gaan. Het is niet de
bedoeling een lastercatalogus van het sektewezen op te stellen.
De kerk heeft geen reden zich eigengerechtig te gedragen. Maar
deze aanduidingen waren nodig, omdat het om verschijnselen gaat,
die typerend zijn voor de sektegeest. En ze zijn typerend, omdat
hier een relatie blijkt te bestaan - en wel een relatie, die een
oordeel inhoudt - tot haar theologia possessionis.
Hoofdstuk 5
DE VERABSOLUTERING VAN DE SEKTEGEMEENSCHAP
Kerk als gemeenschap van zondige heiligen
Het is vooral op het terrein van de ecclesiologie, dat de beide
grondlijnen van de reformatorische en van de sektarische
theologie hevig met elkaar slaags raken,
Wat is "kerk" naar reformatorisch in zicht? Het is niet nodig,
hier deze veelomvattende vraag naar alle kanten te onderzoeken.
Het is voor ons doel voldoende, als we enige beslissende punten
naar voren halen.
Ten eerste: De kerk is geen mensenwerk. "Kerk" is volgens Luther
daar, waar het evangelie zuiver gepredikt wordt en de
sacramenten naar de inzettingen van Christus bediend worden.
Evangelie en sacramenten als zodanig zijn woord en werk van God.
De mens heeft er niet over te beschikken. Ze vertegenwoordigen
de majesteit Gods. Dat komt hierin tot uiting, dat de mens het
evangelie niet naar eigen behoefte of goeddunken mag of kan
veranderen, maar slechts de mogelijkheid heeft, het te
"verkondigen", d.w.z. het verder te vertellen; dat hij als
prediker slechts werktuig, niet heer van het evangelie kan zijn;
dat het verkondigde evangelie eigenmachtig werkt en dat het geen
verdienste van de prediker, maar het werk van de Heilige Geest
is, als de verkondiging geloof wekt.
"Kerk" is allereerst daar, waar het evangelie verkondigd wordt.
“ Verkondigen" betekent: het evangelie treedt de wereld der
mensen binnen. En daarmee schept het zich de kerk. De kerk is
dus geen stichting van mensen, maar uitsluitend een schepping
van het Woord Gods. De kerk ontstaat in de ruimte, waarbinnen
het Woord Gods en de mensen elkaar ontmoeten. Deze ontmoeting is
vol dramatiek en heeft een veelvoudige uitwerking. Het evangelie
gelijkt op het zaad, dat op vruchtbare grond, op steenachtige
bodem en tussen de doorns valt. De ruimte van de ontmoeting van
evangelie en mens wordt tot een strijdperk. Het evangelie dringt
zich in mensenharten binnen en overwint ze. Anderen sluiten zich
toe in onverschilligheid of verharding. Weer anderen wankelen
tussen twijfel en geloof. Krachten uit de diepte worden wakker
en afgronden worden gemobiliseerd, als het Woord Gods tot de
mens spreekt. Overwinning en nederlaag, doorbraak en terugval
vindt men in de ruimte der kerk, Daarom kan men over haar in
haar aardse historische bestaan alleen maar dialectisch spreken:
ze is tegelijk kerk en niet-kerk, is altijd kerk in wording.
Haar geschiedenis kent afdwalingen en verduisteringen van de
waarheid. Geworpen in de branding van het tijdsgebeuren met al
zijn machtige verleidingen, is ze niet onkwetsbaar, als ware ze
een door rotsen omgeven eiland in de oceaan. Voortdurend
bedreigt haar het gevaar, de ergernis van haar boodschap
achterwege te laten, om zodoende de welwillendheid van de
machthebbers, de bijval van de massa's, de instemming van
politieke en ideologische bewegingen of ten minste het door hen
geduld worden te winnen. En God verhoedt deze dwaalwegen niet!
Hij gaat met de kerk niet om als met zijn oogappel. Hij waagt
alles met haar. Ze moet wegen van knechtschap gaan. Ze moet
ondervinden, wat het betekent, dat daar, waar het Woord van God
gepredikt wordt, ook de macht van de satan in haar ganse omvang
zich verheft. Ze moet perioden van steriliteit, van een
innerlijke ban, en van geestelijke onmacht doormaken, waarin het
levende Woord zich binnen de kringen van de "stillen in den
lande" terugtrekt, terwijl op kansels en leerstoelen een dood en
leeg woord verkondigd wordt. Ze heeft te lijden van de strijd
van scholen en richtingen, die haar gereedschap dreigt te
verscheuren. Haar wegen door de geschiedenis zijn kromme wegen,
omzoomd door vernederende smaad. En het is niet 's mensen
verdienste, maar een wonder Gods, als ze niet in de afgrond der
geschiedenis te pletter valt of in het moeras verzinkt, maar
haar weg ondanks alles ook een weg van zegen is, Als het Woord
van God de mensenwereld binnentreedt, levert het zich ook uit
aan mensenhanden. En deze handen zijn onheilige handen. Maar
zoals de Zoon ter wille van de liefde een knechts gestalte
aannam, zo ont ledigt Zich ook God met zijn Woord en levert het
uit aan de mensen. En zo herhaalt zich a.h.w. het lijden van
Christus. De kerk biedt dus niet bepaald een triomfantelijke
aanblik. Haar geschiedenis is er een vol kwalen en wonden. Ze
kan dit lot niet ontlopen. Ze kan zichzelf niet afdoende
beschermen. Ook al tracht ze de haar toevertrouwde schat door
een uitgebreide, machtige hiërarchie en door de proclamatie van
een onfeilbaar hoogste leergezag te behoeden en verleent ze aan
haar hoofd de volmachten van plaatsvervanger van Christus - dan
nog bezit ze da armee geen garantie tegen dwalingen en
ontaarding. God heeft haar niet toegestaan, van zichzelf uit
zulke garanties te kunnen ontwikkelen. Want ze is dienstknecht
van God. En de knecht is niets uit zichzelf. De kerk als
menselijk maaksel dwaalt. Ze zondigt. Ze misbruikt, verminkt en
vermengt het Woord. Of er dan geen zelfbescherming mogelijk is
tegen zulke bedreigingen? Nee. Maar de Heer wil het doen. Hij
stoort, verontrust, reinigt. Hij doet ontwaken uit traagheid en
zet zijn waarheid door tegen vervalsing in. Hij staat dit ambt
niet af aan enige kerkelijke instantie of autoriteit. Hij wil
het zelf waarnemen, opdat duidelijk worde, dat Hij de Heer en de
kerk zijn schepping is,
De kerk is dus het slagveld, waarop God soeverein zijn zaak
leidt en zelfs nog de menselijke leugen dwingt om zijn waarheid
te heerlijker te doen uitkomen (Rom. 3, 7). De kerk is steeds
ecclesia militans - "militans" niet in de eerste plaats aan een
uitwendig front tegen ongelovigen, maar v66r alles aan een
inwendig front - in de gemeente der gelovigen, die zowel in haar
geheel als in de leden afzonderlijk strijdgebied tussen Gods
aanspraken en menselijke eigenzinnigheid is, slechts door de
sola gratia het leven houdt en dagelijks de rechtvaardiging
behoeft.
Als deze gemeente tegelijkertijd de gemeenschap der heiligen
genoemd wordt, is dat niet omdat de gelovigen uit zichzelf
heiligen zouden zijn geworden, maar omdat ze onder het kruis
staan en hier - theologia crucis! - uit de dwaling tot de
waarheid worden geroepen, hun eigengemaakte of gehuichelde bezit
kwijtraken, als arm- zalige bedelaars door God aangenomen, door
zijn vergeving gereinigd en door zijn "ja" geheiligd worden. Dus
is de kerk een gemeenschap van zalige heiligen. Haar leden zijn
zondaren en geoordeelde en tegelijk door God gerechtvaardigden
en geheiligden. De kerk vertoont zich in knecht gestalte. Maar
omdat het subject van de ecclesia militans het evangelie en
daarmee de Heilige Geest is en Gods majesteit dus in haar werkt,
daarom wordt te midden van zondaren en geoordeelden ook de
ecclesia triomf als werkelijkheid, de zegepraal van het
evangelie over de tegenspraak des harten, de doorbraak door de
muur van superbia naar de deemoedige geloofsgehoorzaamheid en de
liefde.
Deze triomfen zijn geen vruchten van menselijk-vrome strevingen,
maar werken van God. Het zijn gebeurtenissen, waarin God Zich
doet kennen als de Heer en overwinnaar over de boosheid en
traagheid der harten. Daarom is het ook uitgesloten, dat mensen
die kunnen afdwingen of conserveren. Ze kunnen niet statistisch
worden vastgelegd - want ze vinden plaats in het verborgene - en
evenmin organisatorisch naar zich toegehaald - want ze komen
vanuit een hogere dimensie. De zichtbare kerk met haar orde,
haar ambten en regels heeft geen zeggenschap over deze
gebeurtenissen. Zij is er verantwoordelijk voor, dat het
evangelie klaar en zuiver verkondigd wordt en dat de sacramenten
overeenkomstig hun instelling bediend worden. Ze is daarin met
al haar organen het werktuig van de Heer. Ze zaait en plant en
begiet, maar of het woord kiemt en groeit en vrucht draagt, is
haar niet in handen gegeven. Dat staat alleen in de macht van de
Heer. Tot in het verborgene van het hart kan ze niet zien. Het
is haar ontzegd de gemeente der waarlijk gelovigen te vormen. Ze
moet het dulden, dat in deze tarwe en onkruid dooreengemengd
zijn.
De zichtbare kerk draagt dus de meest uiteenlopende trekken van
nederigheid: ze is overgeleverd aan verleiding en dwaling, ze
kan slechts werktuig en niet soevereine draagster van een
geestelijke macht zijn. Ze kan de ongelovigen niet uitsorteren
en de ware gemeente van Jezus representeren. En ze houdt haar
eigen bestaansrecht slechts in zoverre en zo lang, als ze kerk
on der het kruis is en zichzelf voortdurend door de theologia
crucis ter verantwoording laat roepen.
De sektarische Kritiek op de kerk
Een kerk van dit karakter biedt naar buiten veel aanvalspunten.
En die worden dan ook door de sekten al naar hun krachten
bestormd. De sektarische ecclesiologie ontspruit rechtlijnig aan
de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis. De
sekte heeft invloed op het heil of zelfs de sleutel daartoe. Wie
zich bij haar aansluit en haar leer en geboden gehoorzaamt, is
een geredde. De sektegemeenschap is identiek met de
heilsgemeenschap.
Als zodanig kan de sekte veel voor zich doen gelden, wat haar
pretentie geloofwaardig maakt en haar voordelig tegen de kerk
doet afsteken. B.v. dat ze klein in aantal is. Is dus niet op
haar van toepassing, wat in het Nieuwe Testament staat, dat
velen geroepen, maar weinigen uitverkoren zijn? Hoe zou de
massa-kerk met haar miljoenen willen beweren, de "kleine kudde"
te zijn? Of: In haar rijen vindt men bijna uitsluitend bewust-
en beslist-gelovigen. De kerk echter wemelt van lauwen en
onverschilligen, Springt het dus niet duidelijk in het oog, dat
hier de uitverkoren gemeente en bij de kerk de grote hoop is?
Of: De sekten maken het hun leden niet gemakkelijk. Veelal
moeten zij zich aan een volwassendoop of wederdoop onderwerpen
en daarbij openlijk belijdenis afleggen. Ze moeten de tienden
betalen, en er worden ook verder allerlei offers van hen
verwacht. Ze moeten zich onthouden van wereldse genoegens, er
wordt dikwijls streng op hen gelet in hun privéleven, ze worden
opgeroepen om allerhande dienstverrichtingen in de gemeenschap
en vooral voor de werving, die zware eisen stelt. Daarbij komen
dan de velerlei moeilijkheden, die ze in de maatschappij
ontmoeten: afwijzing in de familiekring, plagerijen onder
vrienden en kennissen, achteruitzetting, b.v. bij de Adventisten
wegens de sabbatsviering, kortom de hele isolering, welke iemand
treft die bij een sekte hoort. En desondanks blijven ze trouw en
brengen vaak werkelijk heldhaftige offers voor hun zaak!
Hoe is het daar en tegen in de kerk? Wat daar opvalt is de
geestelijke lauwheid van haar gemeenten, het vervlochten zijn
met staat en maatschappij, de verburgerlijking en
verwereldlijking. De kerk riskeert het in vele gevallen niet
eens op de vrijwillige offers van haar leden te steunen, maar
laat zich uitbetalen door de staat. Ze verstrikt zich in
wereldse zaken, streeft na ar publieke posities, begeeft zich in
het gevaar van horigheid tegenover honderden belangen. Ze
verlangt van haar leden geen beslissing, maar neemt hun
ongevraagd door de kinderdoop op en neemt ook voor later
genoegen met een minimum aan eisen. Haar predikanten zijn
bezoldigde ambtsdragers met burgerlijk voorkomen en
pensioenrechten. En bij hoevelen ontbreekt de geestelijke
voorwaarde voor hun beroep!
Nog dieper graaft de kritiek van de sekten, Men spreekt van een
ontrouw van de kerk aan de waarheid en de opdracht van Christus.
Deze ontrouw wordt verschillend verklaard en gedateerd. De
Perfectionistische "Gemeente Gods" (Anders on) ziet die in de
confessionele opsplitsing van de oer-Christelijke gemeenschap
door menselijke wetten en belijdenissen; de Perfectionistische
"Gemeenten van Christus" (Thomas Camp bell) in de vervanging van
de Nieuwtestamentische ordeningen voor godsdienstoefening en
gemeente door eigenmachtige inzettingen zoals kerstfeest,
bevestiging, instrumentale muziek en bovengemeentelijke
organisatievormen; de Adventsgemeenschap in de overgang naar de
Zondagviering; de Mormonenkerk in de afschaffing van de
Nieuwtestamentische ambten met hun volmachten en in allerlei
dwaalleer zoals predestinatie, afsluiting van de
openbaringswerkzaamheid met Christus en transsubstantiatie. Vaak
wordt in het verbond van kerk en staat sedert Constantijn de
voornaamste bron van het geestelijk verval gezien. Eenstemmig
wordt het pausdom veroordeeld, maar aan de reformatie verweten,
dat ze halverwege is blijven staan en harerzijds tot
letterknechterij en tot de instelling van staatskerken is
vervallen en met de rechtvaardigingsleer het heiligingsgebod uit
de weg is gegaan of het gebagatelliseerd heeft.
De kerken hebben zichzelf van de "vooruitgang in de ontwikkeling
van de mensheid" afgesloten en zijn op een vroegere trap blijven
staan, zegt de Christengemeenschap. Evenzo de groep van Lorber:
"De kerken zijn sedert de tweede en derde eeuw retrospectief
geworden" en Houden zich bezig met oude, reeds lang achterhaalde
ontwikkelingsnormen uit het Bijbelse tijdperk, die voor het
hedendaagse leven absoluut niet meer bruikbaar zijn en die
alleen daarom reeds zowel wereldvreemd, alsook volslagen
ongeschikt zijn om de mensheid werkelijk te leiden." 28)
Weer anderen bekritiseren een tegenovergestelde houding van de
kerk, nl. dat ze een theologisch liberalisme huldigt en da armee
de inhoud van de Schrift losweekt en ondermijnt. "In beroemde
kerken loochenen duizenden kanselredenaars de maagdelijke
geboorte, de Godheid van Christus, Zijn lichamelijke opstanding
uit de doden en de in de Heilige Schrift opgetekende wonderen.
Een groot percentage predikers van onze tijd zijn
evolutionisten, en nog meer predikers zijn modernisten." "Hoe
moeten Gods kinderen zieh houden tegenover dit gevaar? Paulus
riep: Wendt u af van dezulken" 29) Verder verwijt men de kerk,
dat ze in de eisen, die ze aan de gelovigen stelt, veel te
ruimhartig is geworden; haar prediking dringt niet aan op
volledige bekering; haar verkondiging is een half Christendom,
en haar gemeenten bi eden het schouwspel van halve Christenen en
onverschilligen, Waar echter "niet het volle heil wordt
verkondigd, kan niet langer uw plaats zijn". 30)
De kerk heeft zich toegesloten voor de werking van de Heilige
Geest, werpen de Pinkstergemeenten haar voor de voeten; haar
geloofsleven is derhalve dor arm en vormelijk geworden. Dat ze
het pinkstergebeuren van Hand. 2 als een onherhaalbaar eenmalig
gebeuren beschouwt, dat haar "Schriftgeleerden en farizeeërs, de
theologen, de goddelijke waarde en de heilsnoodzakelijkheid van
de geestdoop betwijfelen, de wondergenezing en overige
geestesuitingen van deze tijd niet als werkingen van de huidige
"spade regen" erkennen, is haar zware zonde tegen de Heilige
Geest. "De kerkenwereld is koud en lauw. In plaats van de wereid
in verbazing te brengen, amuseren ze de wereld. In plaats van te
vasten, feesten ze. De wekelijkse gebedsbijeenkomst is zeer
zwak. In plaats van een vuurvlam te zijn, is de kerk een
vriesinstallatie, de banken zijn wit uitgeslagen van de vorst,
de kerkleden zijn koud en op veel kansels probeert een 1.80 m.
hoge ijspegel te preken, De kerkenwereld heeft veel last van
"dode" seminaries, die dode predikers voortbrengen, die weer aan
een dood gehoor dode preken voorhouden.'31)
Ze is de "Kains-kerk", die de schijn van een godzalig wezen
heeft, maar de kracht Gods verloochent en er een
"godsdienstigheid van do mensen zonder wedergeboorte" op na
houdt. Ze vervolgde altijd roods de levende, door de Geest
voortgebrachte "Abel-kerk" die uitsluitend op de geestelijke
openbaring van het woord Gods is op gebouwd." 32) Maar "God
heeft zo'n kerk reeds lang afgehouwen en haar het leven
ontnomen. Hij heeft geen gemeenschap met een naar zonde en
ongeloof stinkende kerk of gemeenschap." 33)
De Hersteld-Apostolischen op hun beurt zien de doodzonde van de
kerk in het verloren laten gaan van het apostelambt. Daarmee
boette ze het met volmacht beklede ambt der genade in. Na de
dood van de eerste apostelen "moest men met de herinnering aan
het verleden genoegen nemen; het alleen leven-schenkende en
leven-behoudende Woord uit de Heilige Geest ontbrak, omdat er
niemand meer was, die de macht en de opdracht had gehad, in 's
Heren plaats op te treden. Velerlei kwalen waren dan ook het
gevolg: twijfel, ongehoorzaamheid, afval, terugval naar het
leven in de zonde en tenslotte de geestelijke dood, zoals dat in
Openb. 6, 4-8 nader beschreven staat." 34)
ledere sekte komt aandragen met haar eigen desideratum en zet
dat om in een verwijt aan de kerk. Bij de Christian-Scientisten
luidt het: De kerk heeft het door Christus verkondigde beginsel
der genezing in vergetelheid doen geraken. Bij Abd-ru-shin: De
kerk heeft de boodschap van Christus vervalst, en haar theologen
hebben op het terrein van de godsdienst de tirannie van het
verstand ingevoerd. Bij jehova's Getuigen: De kerk leert een
drie-eenheid, een voortbestaan na de dood, een eeuwige
hellepijn, en is een van de organisaties van de satan. Bij de
"Mensenvrienden": De kerk leert, dat God toomt en straft, ze is
afhankelijk van de staat en zegent de wapenen en symboliseert
met haar drie voornaamste confessies het getal 666 van de
ontrouwe Christenheid.
ledere sekte leidt uit haar aanklacht een meer of minder
algemene veroordeling van de kerk af. Velen stellen zich
tevreden met de constatering, dat de kerk geen toekomst meer
heeft, maar onherroepelijke verkommering tegemoet gaat. Naar het
oordeel van anderen is de kerk door God verworpen. Daarom wordt
ze ondergebracht in de rij der antichristelijke machten en
vijand van Gods zaak genoemd. Ze gaat door voor "Babel" en voor
de "hoer" , die het aanlegt met de machten der wereld en in het
apocalyptische gericht Gods vernietigende straf ontvangt. Met
deze classificatie heeft het protest van de sekte tegen de kerk
zich verdiept tot een definitieve en radicale scheur.
De sekte als "de ware gemeente"
De polemiek tegen de kerk is uiteenlopend van geluidssterkte en
toon. Ze reikt van neerbuigende of betweterige ironie, zoals men
die b.v. bij de Christengemeenschap aantreft, tot aan het
onbeteugelde fanatisme bij vele radicale Pinkstergroepen of bij
Jehova's Getuigen. Maar hoe verschillend de toonaarden ook mogen
zijn, op de achtergrond trilt doorgaans de toornige smart en
teleurstelling na, dat de kerk de kennis en de leer van de sekte
aan zich voorbij heeft laten gaan. Dat ze desondanks de
pretentie voert, de "kerk van Christus" te zijn, moet voor de
sekten een uitdaging en een bron van voortdurende onrust zijn.
Het doel van haar polemiek is derhalve de weerlegging van deze
pretentie. Ze moet proberen aan te tonen, dat de kerk een
ondeugdelijk werktuig van Christus is, zo niet een instrument
van de duivel. Ze moet dus de kerk in het hart treffen, haar
haar ambt en haar roeping ontzeggen. Eerst dan heeft de sekte
haar eigen bestaansrecht bewezen en verzekerd. Haar polemiek
tegen de kerk is dus slechts de keerzijde van haar eigen
rechtvaardiging. En hoe absoluter ze zichzelf poneert, des te
radicaler is haar antikerkelijke polemiek. Wat deze polemiek
echter uiteindelijk wil bewijzen, is de stelling: Wij zijn de
ware gemeente van Jezus Of tenminste: Wij alleen bezitten de
volle geloofswaarheid en zijn de legitieme dragers van de
christelijke boodschap, die de toekomst doen aanbreken.
Deze pretentie vindt haar neerslag in de meest verschillende
zelf verabsoluteringen. De gemeenten van Swedenborg houden
zichzelf, na de vier voorlopige kerken die de geschiedenis van
de mensheid tot nu toe gekend heeft, voor de definitieve vijfde
kerk, "de Nieuwe Kerk", terwijl de Roomse kerk en de kerken van
de reformatie aan de ondergang zijn prijsgegeven. De
Christengemeenschap wil "de derde kerk" boven Katholicisme en
Protestantisme uit zijn. Ze baseert zich op de antroposofie, die
volgens haar niet slechts een geestes stroming naast andere wil
zijn, maar geldigheid voor de gehele mensheid voor zich opeist.
Want bij haar gaat het volgens Rudolph Steiner om de "redding
van de mensheid"; daarom kiest men voor haar "uit plichtsbesef
en met het oog op de opdracht en de roeping Ion aanzien van de
mensheid", Ook is alleen zij het, die de mensen
tot Christus brengt. "Het mysterie van Golgotha kan voor onze
tegenwoordige tijd alleen door middel van antroposofie begrepen
worden." 35) De Hersteld-Apostolische gemeenschap noemt zich het
"opnieuw aangevangen verlossingswerk van onze God", waarbuiten
geen verlossingsmogelijkheid is, "God kan de mensen in hun oude
geloofsgemeenschappen niet tot de genade doen geraken, en ze
zijn van het eeuwige leven buitengesloten, want genade en
vergeving worden alleen da ar geschonken, waar Hij de troon der
genade heeft opgericht." 30) jehova's Getuigen beweren van hun
"Theocratische Organisatie", dat zij de enige geloofsgemeenschap
ter wereld is, die aan God gehoorzaam is, en daarom door Hem
erkend, beschermd en gezegend wordt en straks de nieuwe wereld
onder de koningsheerschappij van God regeren zal. De "Kerk van
het Godsrijk" eist dezelfde hoedanigheden en privileges voor
zieh op als jehova's Getuigen. De Adventisten willen het volk
Gods van de eindtijd zijn, dat in alle geboden aan God
gehoorzaam is. De Mormonen beroemen zich erop, de ware kerkorde
en het priesterschap van de Almachtige met inbegrip van alle
volmachten direct uit de hemel te hebben ontvangen en daarom na
vele eeuwen van verval eindelijk weer de herstelde kerk "van de
heiligen der laatste dagen" te zijn. De Pinksterbeweging ziet
zichzelf als "het laatste grote teken van genade voor een
wereld, die het eindgericht tegemoet gaat". In haar "is onder
alle volkeren een laatste grote ure van genade aangebroken,
voordat de nacht komt, waarin niemand werken kan." 37) De
Evangelisch- Johannetsche Kerk verkondigt, dat haar me ester
Joseph Weissenberg "de ware genius" is, die de innerlijke
spanningen van de wereId op kan lossen en de psychische koorts
in een machtige en vrede brengende nieuwe vroomheid veranderen
kan. "En het werken en heersen van de witte berg zal dan de
wereld vervullen! Want deze berg is geweldig groot, in zijn
afmeting ondoorgrondelijk. Ge kunt, als ge aan de voet van de
berg staat, niet eens tot de top van deze berg omhoog zien." 38)
Soms staat de getalsterkte van een sektegemeenschap in een
schreiende wanverhouding tot haar pretentie van absoluutheid.
B.v. als de "Broederschap: de Koning komt!", een Pinkstergroep,
zieh in een profetie door Christus laat aanzeggen: "Gij zijt de
tweede Eva. En Ik heb u uw verlovingsring reeds lang aan de hand
gedaan.
Blijf niet staan bij de verloving, Ik wil bruiloft met u
vieren!" 39) Of wanne er een andere Pinkstergroep, de Holiness
Church in Kentucky met haar achttien gemeenten en vierhonderd
zielen, volgens haar statuten de alleen ware kerk wiI zijn:
"Alle andere gemeenschappen worden noch als de ware kerk noch
als loten daarvan erkend." Of wanneer een eind 1955 in een
Zwabische stad gestichte "Rijk- Israël gemeente", een
onbeduidende achteraf-sekte, zich door haar "gavendragers" Gods
speciale en enige gemeente van de eindtijd la at noemen: "Ze zal
in de hele wereld doordringen. Ze zal de vlam worden voor de
wereld" . "Ik zal door mijn gemeente al deze gerichten, die over
de aarde komen zullen, voorzeggen, en gij zult het van te voren
weten." 40)
Overal straalt hier de theologia gloriae sectae. Dat komt in de
wijze, waarop de sekte zichzelf beschouwt, volop tot uiting.
Veelvoorkomende namen, die men zichzelf toekent, zijn b.v.: De
gemeente der 144.000 - de uitverkoren gemeente - de
bruidsgemeente - de geredde gerne ente - het volk Gods - de
gemeente Gods - het huisgezin Gods - de ware kerk - de kleine
kudde - de tweede Eva. Deze namen zijn ten dele
Nieuwtestamentisch. Maar men moet er eens op letten, dat ze daar
nooit door enig mens voor een concrete gemeenschap, b.v. door
Paulus voor de gemeente van Corinthië, worden gebruikt. Hier
echter zijn het de sekten en hun predikers, die ze op hun eigen
gemeenschap toepassen.
In scherp contrast tegenover de kerk met haar symptomen van
nederigheid als een gemeenschap van zondige heiligen staat hier
dc sekte met haar pretentie van uitverkorenheid als de
gemeenschap van zich breed makende heiligen. En terwijl de kerk
weet heeft van haar dienstknechtgestalte, beroemt de sekte zich
trots en zelfbewust op haar rijkdom en haar prestaties. Wat
menig tijdschrift van de Pinksterbeweging in ieder nummer
opnieuw publiceert, is een aaneengesloten reeks van luisterrijke
successen door de Sterevangelisten behaald. ledere bijeenkomst
is een massabijeenkomst. ledere massabijeenkomst eindigt met
massabekeringen en massagenezingen. Het is een opeenstapeling
van superlatieven: Steeds reusachtiger en succesvoller worden de
evangelisatiecampagnes, steeds opzienbarender do genezingen, al
maar groter de verbazing van het publiek, steeds frappanter de
wonderen. Tegenover zulke overwinningen verbleken de wonderen
van Christus. Zijn jongeren hebben Hem ver overtroffen. Hermann
Zaiss becijferde het aantal van degenen, die in een twaalfjarige
werkzaamheid door zijn dienst gene zen zijn, op tien tot twintig
duizend. Tommy Hicks beweert, dat hij gedurende de
evangelisatiecampagne van tweeënzestig dagen in Buenos Aires in
1954 rond zes miljoen mensen onder zijn gehoor heeft gehad,
waarvan er zich drie en een half miljoen tot Christus zouden
hebben bekeerd, Blijkbaar onbegrensd is de wonderkracht van
William Branhams, die in Durban (Zuid-Afrika) in een slag 25.000
mensen door zijn gebed genezen zou hebben.
Dit betrof diverse groepen van de Pinksterbeweging. Maar ook
andere gemeenschappen beroemen zieh op de luister, die ze
bezitten. Jehova's Getuigen b.v. steken de loftrompet over hun
vereniging: "Aan geestelijke spijzen heerst geen gebrek. Niemand
hoort van een honger naar voedsel in jehova's organisatie 0,
gelukkig volk van Jehova! Ge woont in de zonneschijn van zijn
gunst. Onder de schutse van zijn liefde zijt ge werkzaam, en ge
verheugt u over zijn rijke zorg! Gij zijt getuigen van Jehova,
die het tegenbeeld van de Israëlieten zijt, wie is u gelijk op
de ganse aarde?" 41) De Evangelisch- Johannersche Kerk prijst
zichzelf aldus: "Groot en heilig, ja majesteitelijk werkt de
Meester in onze kerk", Daarom is ze geen kerk, waarin slechts
het woord des Heren verkondigd wordt". Ze is "de kerk van de
Heilige Geest" . Want ze mocht de vleesgeworden Heilige Geest in
haar midden hebben en mocht het beleven, hoe Hij "niet in trotse
praal, maar in de deemoed van het goddelijk hart" zieh naar de
mensen toeboog. "Hij heeft ons een geweldig testament nagelaten,
dat we beslist nog niet kunnen overzien en waarvoor de mensen
eeuwen en wellicht tientallen eeuwen nodig zullen hebben, om
alles in zieh op te nemen." Deze kerk, zo rijk aan geestelijke
macht, is dan ook bedoeld om in de eindtijd "een ark voor alle
zielen, die gered willen worden" te zijn.")
De Hersteld-Apostolischen vormen, zo verklaarde de
stamapostel J. G. Bischoff, onder de Christelijke kerken "de
kerk van Christus", omdat ze "iets bezit", wat de anderen
niet hebben.") Waarin bestaat haar "bezit" dan? Hierin, dat zij
kan bogen op een uitzonderlijke verdienste: Toen Christus kwam,
namen de zijnen Hem niet aan, en toen de Heilige Geest door de
eerste apostelen het verlossingswerk wilde voortzetten,
waardeerden de mensen ook deze gave niet. De
Hersteld-Apostolischen echter vormden de enige uitzondering op
deze eeuwenlang durende houding van de Christenheid - ze
"herkenden de gave en wisten die ook naar waarde te schatten" _
44) Daarom zijn ze dan ook Gods uitverkoren gemeente en worden
met voorspoed gezegend. "Men bleef niet meer eenzijdig bij het
verleden staan, maar greep het actuele woord uit de geest van
Jezus aan, en een gezond, krachtig geloofsleven volgde op de
vroegere ziekelijke toestand, waarin wijzelf ons ook nog
bevonden hadden. Het apostelwoord werd brood des levens voor ons
en heeft ons rijp gemaakt voor herschepping en eerste
opstanding. Hoe het er bij die genen uitziet, die slechts op het
verleden teren, kunnen we steeds opnieuw vaststellen. Daarom
zijn wij de Heer dankbaar, die ons uit genade naar Zich
toegetrokken heeft." 45)
Hier spreekt de trots van de bezitter - theologia possessionis.
Deze trots treft men aan in alle sektegemeenschappen, of het nu
de Adventisten zijn, die prat gaan op hun gehoorzaamheid aan de
sabbat, dan wel de Perfectionisten, die zieh op hun gemeenten
van bekeerden na ar bijbels model beroemen, of de Mormonen met
hun opuieuw geschonken priesterlijke volmachten, ofwel anderen,
die op hun nieuwe openbaringen, hun diepere inzichten en hun
machtige sacramenten wijzen. Deze trots kernt natuurlijk niet
voort uit een soort verenigingsmanie. Ze kon - en moest - voor
de dag komen, toen de sekte de theologia crucis ingeruild had
voor de theologia possessionis en daarmee de mogelijkheid had
verkregen, een onbedreigd platform voor de stichting van de
"ware gemeente van jezus" te creëren. Ze wortelt in de
overtuiging, dat juist haar aparte bezit de nieuwe, ongehoorde
gave van God uitmaakt, die aan de sekte - en uitsluitend aan
haar - geschonken werd en haar hoog boven de kerk verheft.
Daarom is elke kritiek op dit bezit dan ook absoluut verboden.
Wie kritiek oefent, vergrijpt zich niet aan de sekte, maar tast
God zelf aan. Wie in ongunstige zin over de stamapostel spreekt,
lastert de Heilige Geest. Wie aan de genezingswonderen van
Branham twijfelt en die niet op de macht van Christus, maar op
occulte krachten terugvoert, lastert evenzo de Heilige Geest.")
Als tegenstanders van jehova's Getuigen de Theocratische
Organisatie aanvallen, is het "alsof ze de zachte pupil van zijn
- jehova's - oog aantasten. Ze zullen daar zwaar voor boeten!"
47)
"Z e trekken zee en land rond"
Het sektarische zendingsbewustzijn ontlaadt zich in een
ongekende werfkracht. Men zou het zelfs een werf-woede kunnen
noemen. - Niet bij alle sekten is dit het geval; er zijn ook
gemeenschappen, die meer terughoudend zijn of die na een periode
van activiteit door een resignatie overmand werden en rustig
geworden zijn. Maar waar deze werf-woede heerst, komen alle
beschikbare energieën samen om zielen te winnen, worden allerlei
wegen uitgedacht en alle moderne technische middelen benut, om
de leer van de sekten te propageren. En dan worden de sekten als
scherpe bajonetten, die doorstoten in het lichaam van de kerk en
het uiteenrukken,
1. Het kleine Zwitserland telt 43 sektegemeenschappen. In
Duitsland zijn het er ongeveer 65 met wellicht 700.000
aanhangers, in de Verenigde Staten 290, waarbij evenwel de
classificering voor een deel van de onze afwijken. Er is geen
enkel zendingsgebied van de kerken, dat niet van het binnen
dringen van de sekten te lijden heeft gehad, geen enkel
diasporagebied, dat niet door hen geteisterd is, En er is geen
enkele confessie, die menen kan immuun voor haar te zijn.
Compacte kerkgebieden bestaan nauwelijks meer. De godsdienstige
landkaart wordt steeds bonter. Een stad als Ulm herbergt 22
godsdienstige gemeenschappen. Zowel hier als in Stuttgart of in
Berlijn vormen na de beide voornaamste kerken de
Hersteld-Apostolischen wat getalsterkte betreft de derde
gemeenschap. In Baden-Württemberg telden de 8 vrije kerken in
1950 samen 40775 leden, de Hersteld-Apostolischen alleen 59047.
De sekten zijn in dit land van 2570 aanhangers in het jaar 1900
tot 73200 in het jaar 1950, dus tot ongeveer het achten
twintigvoudige, aangegroeid. De commissie voor het pastoraat van
de Katholieke Actie in het aartsbisdom München kwam tot de
conclusie: "De propagandistische werkzaamheid van de sekten
neemt vormen en afmetingen aan, die we onzerzijds niet meer met
incidentele preken kunnen beantwoorden. De afweer vereist een
uiterst grondige en hernieuwde planning." Een pastoor uit Wenen
bericht, dat in zijn parochie met 3200 zielen tenminste 10
sekten werken. Het Franse episcopaat zag zich genoodzaakt in een
gemeenschappelijke verklaring de Katholieken op te roepen, een
dam op te werpen tegen de opdringende vloed van het sektewezen,
De reeds eeuwen bestaande hechte eenheid van de Lutherse kerk in
Groenland wordt bedreigd sedert in de laatste jaren Adventisten,
[ehova's Getuigen en Pinkstergroepen met alle mogelijke middelen
proberen, daar voet aan wal te krijgen. De zwarte "profeet"
James jones in de U.S.A. kon in weinig jaren 6 miljoen gelovigen
in de U.S.A., Canada, West-Indische en Afrika winnen voor zijn
"Church of Universal Triumph" en zijn "goddelijke boodschap" van
het aanbreken van het gouden tijdperk in het jaar 2000. In
Alaska keerden 12 Protestantse denominaties zieh in een
gemeenschappelijke verklaring tegen het "toenemen van het
sektarisme, dat onenigheid en tweedracht zaait en het
gemeenteleven in gevaar brengt". Op het eiland Puerto Rico met
zijn 2,2 miljoen overwegend Katholieke bewoners zijn volgens een
reisverslag van de Amerikaanse theoloog Dr Henry P. van Dusen
200.000 Protestanten; maar slechts 50.000 van hen behoren tot de
historische Protestantse kerken, de anderen zijn leden van
buitenkerkelijke gemeenschappen, die in de laatste twintig jaar
verrassend snel gegroeid zijn. In Midden-Amerika stootte Van
Dusen in elk land, elke stad en elk dorp op Adventisten,
Pinkstergroepen en Perfectionisten en trof er menigmaal een heel
dozijn van zulke sektegemeenschappen aan.
2. In de landen met een gekleurde bevolking vinden de sekten in
de onderstromingen van het oude heidendom een welige
voedingsbodem. Op Haïti verbreidde .een christelijk vermomd
spiritisme onder de naam "Voodoo" zich gelijk een epidemie. De
Katholieke bisschop stelde in 1949 zijn 550.000 diocesanen voor
de keus: Breekt met de bijgelovige Voodoo ofwel verlaat de kerk;
slechts 24757 van hun, dus 5 %, bleven in de kerk, de anderen
gaven de voorkeur aan do Voodoo; tot 1954 zijn er nog 20.000
naar de kerk teruggekeerd, In Brazilië werden miljoenen negers
en mulatten door de eveneens spiritistische Makumba-dienst
gegrepen. De Protestanten op de Filippijnen noemden de grote
activiteit van de Pinkstergroepen en fundamentalistische sekten
als een van hun grootste zorgen. In de jonge staat Ghana (de
vroegere Goudkust) voegen zich bij de meer dan 13000
Adventisten, die daar een eigen seminarie, een drukkerij en 58
scholen hebben opgericht, en bij de 6200 verkondigers van
jehova's Getuigen specifiek Afrikaanse sekten, zoals de "Witte
broederschapsloge" - "Ontwikkelt uw innerlijke krachten, dan
zijt ge goden!" - of de "Kerk van het leger van jezus Christus",
die een eigen heilige stad met de residentie van haar "profeet"
of "opperkoning" heeft en ervan overtuigd is, dat zij alleen bij
het naderend wereldeinde in het leven zal blijven. In Natal en
Transvaals werken Pinkstergemeenschappen, zoals de
ab-Apostoli-sekte, en christelijk-getinte groepen met
geestenaanbidding, zoals de jdhlozi-cultus, naast de
"Christelijke kerk in Zion" van de als vleesgeworden godheid
vereerde neger Lekganyane in Pietersburg. "De mensen vallen bij
haar binnen, zoals vliegen in de melk vallen." In Zuid-Afrika
werden tot eind 1951, vooral bij de Bantus, 1286 verzocken van
sektarische en separatistische gemeenten om overheidserkenning
ingediend! Ze groeperen zieh veelal om inheemse profeten of
extatische dwepers als Bebe. Sedert tientallen jaren hebben ook
de Hersteld-Apostolischen in Zuid-Afrika talrijke gemeenten met
momenteel 60.000 zielen en ze werken van hier uit ook tot in
Rhodesië. In het zuiden van Dahomey zijn naast de Protestantse
zending zeven sektemissies werkzaam. In Nigeria werken, afgezien
van de kerkelijke missies, bijna 20.000 verkondigers van
Jehova's Getuigen en meer dan 500 Pinkstergemeenten met een
eigen bijbelschool. In de stad Lagos in Nigeria behoorden in
1950 van de 230.000 inwoners er 122.000 tot het Christendom,
waarvan 19.000 tot de Afrikaanse sekten. In Ibada, de stad in
Nigeria met de grootste inheemse bevolking, was in 1937 nog maar
een sektegemeenschap tegen dertig sektarische groepen in 1952.
Nationalistische dweepzieke en synkronistische elementen
woekeren in deze Afrikaanse sekten door en verminken de
christelijke substantie vaak tot onherkenbaar wordens toe. Het
komt voor, dat een zendingswerk van tientallen jaren eenvoudig
weggevreten en tot in storting gebracht wordt, omdat hele
gemeenteverbanden met hun predikanten en leraren naar de sekte
overlopen. En dat in een werelddeel, dat tegelijkertijd de
stormaanval van de Islam en die van het communisme heeft te
verduren!
3. Het is kenmerkend voor het parasitaire karakter van de
sekten, dat ze zich met hun drang tot "redding van zielen" veel
minder tot de ongelovigen en de heidenen wenden. Slechts enkelen
- de Adventisten en een paar Pinkstergemeenschappen - hebben ook
een heidenzending ontwikkeld, maar het zwaartepunt ligt bij hen
in de werving onder de Christenen. Zo is dus niet het ongeloof
of het buitenchristelijke geloof het eigenlijke mikpunt van hun
propaganda, maar de kerk. Ze staan als te gen standers in de
ruimte en in de ban van de kerk en leven van haar. Ze hebben het
kerkelijk Christendom nodig als "voorvrueht". Want alleen hier
kunnen hun leerstellingen de nodige contrastwerking ontwikkelen,
alleen hier kan haar antithetisch worden verstaan. Hun
propagandistische ijver wordt bovendien nog geprikkeld, doordat
de sekten onbeduidende minderheden zijn. Hun aantal komt niet
overeen met hun zendingsbewustzijn. Daarbij komt, dat zij als
splintergroepen, die door de moederkerken het stempel van
illegitimiteit opgedrukt krijgen, een gevoel van inferioriteit
met zich meedragen. Zodoende waarderen ze elke toeloop en iedere
aanwas als gewenst waarmerk door God en de wereld, leder succes
wordt uitgelegd als een bewijs van echtheid en als een
getuigenis van de gloria sectae. Het sektarische zendingswerk
onderscheidt zieh aldus in zijn motieven typerend en diepgaand
van de kerkelijke zending. Omdat in dit werk het
zendingsbewustzijn van de sekte zich ontlaadt en het tegelijk
zijn eigen bevestiging zoekt in het succes, heeft het voorrang
op al het andere. Het zuigt het merendeel van de krachten en
middelen naar zich toe, zodat voor andere diensten, b.v. de
charitatieve arbeid, nauwelijks meer iets overblijft -
loffelijke uitzonderingen vormen hier de Adventisten, de
Mormonen en enkele Pinkstergemeenschappen. Enige voorbeelden: De
Methodistenkerk in Duitsland telt rond 60.000 leden; ze beschikt
over 1000 diaconessen voor haar liefdewerk. De arme, wijd en
zijd verstrooide Waldenzenkerk in Italië met 30.000 leden
onderhoudt een eigen diaconessenhuis, een ziekenhuis, een tehuis
voor ouden van dagen en enige scholen. De
Hersteld-Apostolischen hebben meer dan 500.000 leden en
beschikken over aanzienlijke middelen. Maar er is geen
Hersteld-Apostolisch diaconessenwerk. jehova's Getuigen
zetten jaarlijks vele miljoenen om; ze hebben grote
propaganda-instituten - drukkerijen, een vormingscentrum voor
semi-beroepspropagandisten -, maar geen enkel ziekenhuis of
tehuis voor ouden van dagen gesticht.
Waar vloeien al hun gelden dan naar toe? Naar de werving. Een
bisschop van de Hersteld-Apostolischen zei in een kerkdienst:
"Ge kunt twee grote zonden doen: 1. een kerkdienst verzuimen; 2.
niet voor ons werven." Evenzo geldt bij Jehova's Getuigen de
"velddienst" als het hoogste gebod en als de vervulling van de
wet. "Eerst het koninkrijk Gods zoeken betekent, dat men te
allen tijde in elk opzicht op de eerste plaats de belangen van
het koninkrijk dient" en b.v. als huisvrouw iedere dag drie of
vier uur benut, om anderen van de "zegeningen van het
koninkrijk" te vertellen.")
4. Geen wonder dat menige sekte als een meteoor omhoog schoot.
De Hersteld-Apostolische gemeenschap is in 90 jaar tot meer dan
een half miljoen leden aangegroeid, de Adventisten in 110 jaar
tot meer dan 1 miljoen, de Kerk van Jezus Christus van de
Heiligen der Laatste Dagen in 125 jaar tot 1,4 miljoen. jehova's
Getuigen hebben het in 75 jaar tot bijna 600.000 verkondigers
gebracht en rekenen per verkondiger op vijf of zes meelopers. Ze
hebben in de tijd van 1942-1955 hun aantal verkondigers in
Europa vertienvoudigd (van 22796 op 227374), evenzo in Afrika
(van 10070 op 98146), in Noord-Amerika verdrievoudigd (van 75589
op 236124), in Zuid-Amerika zelfs tot meer dan het
twintigvoudige doen stijgen (van 8070p 18800), in Midden-Amerika
tot ongeveer het vijf tienvoudige (van 1297 op 19615), in Azië
tot het veelvoudige (van 406 op 4541), en in Oceanië en
Australië tot omstreeks het negenvoudige (van 4275 op 38325). De
Pinksterbeweging is in de vijftig jaren van haar bestaan sedert
1906 tot drie miljoen aanhangers gegroeid; volgens haar eigen,
zeker overdreven opgaven moeten het er vijf of wel tien miljoen
zijn. Terwijl de oudste Pinkstergemeenschappen rustig zijn
geworden - ook in hun zendingswerk -, hebben de nieuw-ontstane
groepen ook een nieuwe energie in de werving ontwikkeld. En
verschillende evangelisten, zoals Harvey McAlister, William
Freeman, T. L. Osborn, Louise NankiveII, Tommy Hieks, hebben
zieh tot rondtrekkende wereldpredikers ontwikkeld, die van stad
tot stad, van land tot land, van massabijeenkomst tot
massabijeenkomst reizen, deels om er als gast een kort en
sensationeel optreden te verzorgen, deels om groots opgezette
evangelisatiecampagnes tot "verovering" van hele landen te
organiseren. Aan de top staat onbetwist William Branham, wiens
actie gedragen wordt door de broederschap "FulI Gospel Business
Men's Fellowship International". Oral Roberts, prediker en
specialist in demonen -uitdrijving, reist in de U.S.A. met een
eigen 175 ton zware tentuitrusting op 7 grote vrachtwagens met
aanhangers van kust tot kust, Hij verkondigt zijn boodschap via
meer dan 750 radio- en televisiestations; hij brengt daarvoor
wekelijks f 120.000 bij elkaar en bereikt vele miljoenen mensen.
T. 1. Osborn liet in 1956 een film van zijn "kruistocht" in
Indonesië draaien, "De java-oogst", die aantoonde, hoe "een
enorme zee van mensen", die tevoren het Christendom vijandig
gezind waren, nu bij het zien van de wonderdaden van de
evangelist op de knieën viel. Hij "schokte" het Boeddhisme in
Kyoto met zijn genezingen, won vele duizenden met zijn
evangelisatiecampagnes in Jamaica, Puerto Rico, Guatemala, San
Salvador en stichtte een zendingsorganisatie met meer dan 550
inheemse zendelingen in ongeveer 70 landen. Aan de
evangelisatiecampagnes, die Hermann Zaiss in 1956 hield, zouden
700.000 tot 1 miljoen mensen hebben deelgenomen. Zijn
"Ecclesia-gemeente van Christenen" groeide van 28 lokale
gemeenten in 1951 aan tot 168 in het jaar 1956. De Amerikaanse
Pinkstergemeenschap "Apostolisch geloof (Portland) omvat slechts
17 gemeenten met 2200 zielen, is dus niet groter dan een
dorpsgemeente ergens in Europa. Maar haar gelijknamig
tijdschrift verschijnt in 12 talen en heeft alleen al in de
Engelse uitgave een oplage van 90.000. Bovendien verspreidt ze
traktaten in 55 talen - allemaal kosteloos, In Italië hebben de
Pinkstergroepen wat getalsterkte betreft de Protestant se
kerkgemeenschappen overvleugeld.
Terwijl de toestand tussen de Katholieke kerk en de kerken der
reformatie in zoverre station air geworden is, dat hun over en
weer geen doorbraken meer gelukken, voeren Protestantse sekten
als de Pinkstergroepen, jehova's Getuigen en de Adventisten, een
stormichtige en ook succesvolle aanval uit op van oudsher
Katholieke gebioden, vooral in Zuid-Amerika. De Adventisten b.v.
maar daar snelle vorderingen, terwijl de groei in Midden-Europa
en Scandinavië stagneert. In Chili heeft de Pinksterbeweging in
korte tijd :2OO.OOO zielen gewonnen, in Brazilië 200.000.
Pinkstergemeenschappen hebben bijbelscholen opgericht zowel in
Egypte en Zuid-Amerika, als Peru, India en Japan.
5. Verbazingwekkend is het aanbod van zendingskrachten. Een
enkele Pinkstergemeente, de "Smyrna" -gemeente in Gothenburg,
heeft bij een getal van 3400 leden 51 zendelingen in het
buitenland in dienst. De Pinkstergemeenschap "Church of God"
(Cleveland) met 230.000 leden onderhoudt 1525 predikers in 1592
zendingsgemeenten; de "Assemblers of God" leiden in 9
bijbelscholen gelijktijdig 2500 predikers en evangelisten op en
verzorgen 66 zendingsvelden met 719 zendelingen. Voor de
Mormonen zijn 4700 zendelingen in 44 missiegebieden werkzaam, en
sedert 1830 hebben zij in totaal plm. 70.000 zendelingen
uitgezonden. De Adventisten brengen jaarlijks 90 miljoen gulden
voor zendingsdoeleinden bijeen.
Ter vergelijking geven we hier enige getaIlen uit het
zendingswerk van de kerken. In 662 Katholieke missiegebieden,
die afhankelijk zijn van de Propaganda Fide, werken 32.000
buitenlandse en inheemse missiepriesters (waarvan 784 uit
Duitsland en meer dan 13.000 uit he el Europa), 10.000
missiebroeders en 60.000 missiezusters. Daar komt bij een leger
van catecheten en leraren. De missie onderhoudt 40.000 lagere-,
4.000 middelbare- en 200 hoge-scholen, 3200 klinieken, 1200
hospitalen en ongeveer 2200 inrichtingen voor melaatsen, ouden
van dagen en wezen. De Lutherse kerken, die in totaal ongeveer
70 miljoen leden teIlen, hebben 3379 zendingswerkers
uitgezonden. Daarvan komen er 1478 uit de Verenigde Staten, 518
uit Noorwegen, 482 uit Duitsland, 374 uit Zweden. De Lutherse
kerken brengen jaarlijks 14 ä 15 miljoen dollar voor
zendingsdoeleinden bijeen. In de zendingsgebieden en jonge
kerken van Azië en Afrika telt men een kleine 2,6 miljoen
gedoopten. In hun dienst staan 1590 inheemse predikanten en 9974
hulpkrachten. In 5574 scholen worden 481.500 leerlingen
onderwezen door 13.507 leraren. In de Verenigde Staten geeft in
doorsnee iedere Protestantse Christen jaarlijks twee dollar voor
de zending. Bij de Duits-Evangelische Christenheid is dat
slechts een fractie van dit bedrag.
Reusachtig is soms de apparatuur, welke de sekten in dienst van
de werving hebben gesteld. Kleine afgelegen groepjes schrapen al
hun geld bij elkaar, om zendtijd bij de radiostations te kopen
en via de Jutdeprekers-In-het-groot" hun leerstellingen wijd en
zijd uit te bazuinen. Zo heeft b.v. de "Bijbelstudie-vereniging
De Dageraad",
een niet bepaald belangrijke afsplitsing van jehova's Getuigen,
die sedert 1950 ook in Duitsland vertegenwoordigd is, zendtijd
gehuurd bij meer dan 300 radiostations in Noord-Amerika, Europa,
Afrika en India. Andere groepen hebben eigen zenders gebouwd,
b.v. de Pinksterbeweging in Tanger. De Christian-Scientisten
verbreiden hun leerstellingen over 621 radiostations. De
Adventisten roepen hun "stern der hoop" over 1145 radiostations
en televisiezenders uit in de wereld; de geïnteresseerde
hoorders binden ze met hun "Bijbelcorrespondentieschool" om hen
in een schriftelijke radiocursus volledig voor hun gemeenschap
te winnen.
In talloze talen komt een stroom van boeken, traktaten en
vlugschriften van de pers. De Adventisten beheren 63
uitgeverijen, drukken geschriften in 198 talen en geven daar
jaarlijks 15 miljoen dollar voor uit. Ze stellen zich er niet
mee tevreden hun geschriften via de boekhandel te verkopen, maar
brengen ze door speciaal daartoe opgeleide boek-evangelisten in
de huizen. Ze hebben in hun 110- jarige geschiedenis ter waarde
van ongeveer 1 miljard gulden aan literatuur verspreid. Jehova's
Getuigen hebben in de jaren 1920- 1956 de wereld met ongeveer
1,2 miljard boeken en brochures overgoten. Alleen in
West-Duitsland verkochten in 1956 hun 47.375 verkondigers en 765
pioniers 1.294.434 geschriften en organiseerden ze 33.533
openbare bijeenkomsten. Hun wereldpropaganda strekte zich uit
over 162 landen. In hun dienst staan 78 bijkantoren, 8
drukkerijen en ongeveer 2000 speciaal opgeleide voltijdse
zendelingen voor het buitenland, waarbij zich dan nog 591.556
"verkondigers" voegen, die deze functie als nevenberoep
uitoefenen.
Zeer intensief is het kleinere werk van vele sekten, bestaande
in de werving van de enkeling, huisbezoeken, Bijbelstudie thuis
e.d. Op dit kleinere werk van mens tot mens concentreren zich de
Hersteld-Apostolischen met een enorme vasthoudendheid. Jehova's
Getuigen plegen colonnegewijs binnen te vallen in dorpen en
kleine steden, om deze systematisch huis aan huis te bezoeken,
en koppelen ieder streekcongres aan een intensieve
wervingsactie. De leden van de Adventistische gemeenten worden
ertoe aangezet, zendingsbrieven te schrijven, zendingsbezoeken
af te leggen en mensen uit te nodigen en af te halen voor
kerkdiensten. De wellicht 43000 Adventisten, die zich in
Duitsland bevinden, hadden zich b.v. voor twee zondagen in de
maand juni van het jaar 1952 voorgenomen 450.000 families te
bezoeken ..
Men heeft het er voor over, dat de werving veel tijd en geld
kost.
De Mormonen hebben uitgerekend, dat een enkele "bekering" in
Duitsland een uitgave van ruim f 1500. - vergt. Dat is nog
"goedkoop", want in heel Europa kost iedere "bekering" gemiddeld
meer dan het dubbele! De kerkelijke gemeenten bespeuren tot in
de meest afgelegen dorpen toe de invloed van de enorme
activiteit van de sekten. Dikwijls gaat er geen zondag voorbij,
zonder dat de propagandisten van deze of gene sekte hun
vlugschriften uitdelen of aan de huisdeuren aanbellen en de
bewoners op bijeenkomsten uitnodigen. Is het hun eenmaal gelukt,
een kleine kring van aanhangers te vormen, dan verandert deze al
heel spoedig in een nieuw zendingscentrum. En naast de kerken
verrijzen de kapellen en vergaderruimten van de sekte. Het
lichaam van de gemeente wordt uit elkaar gerukt. De tweespalt
dringt het gezin binnen. De wirwar van stemmen groeit. De enkele
Christen wordt radeloos en hulpeloos: Waar is de waarheid?
Maar dat zijn dan alleen nog de grotere sekten. Daarnaast staat
een grote schare van kleine gemeenschappen, die regionaal
begrensd zijn, maar daartegenover binnen de lokale ruimte een
des te levendiger activiteit ontplooien. Een overzicht daarover
is niet te geven. Ze zijn in ieder land weer verschillend. Vaak
zijn het groepjes rondom enkele sektariërs, die op eigen houtje
evangeliseren, beweren een bijzondere "boodschap" ontdekt te
hebben of door hun wijze van optreden indruk maken. Of het zijn
kringen van dwepers en zonderlinge heiligen, van esoterisch,
magiërs en gezondbidder. Of men geeft een mengsel van
christelijke en andere elementen - spiritisme, nieuwe
openbaringen, oud heidendom - uit als heilsleer. Het is een ware
wildernis van de meest verscheidene en vaak meest buitenissige
geloofsartikelen.
Een globale statistiek over het totaal aantal aanhangers van
alle sekten is niet voorhanden, is ook onmogelijk samen te
stellen, omdat de afzonderlijke sekten zeer verschillend teIlen
en dikwijls hun aanhangers-aantallentotaal verzwijgen. Ook is er
een onoverzichtelijk leger van lieden, die alleen maar bijlopers
zijn, zonder zich los te maken van de kerk. Volgens mijn
schatting, die uiteraard met veel onzekere factoren belast is,
moet men rekenen op een aantal van 20 miljoen sekt ariërs ter
wereld. Dat is, gemeten aan de 800 miljoen Christenen, niet
veel. Maar het beeld wijzigt zich, zodra men bedenkt, dat een
groot deel van de leden van de kerken uit onverschilligen
bestaat en dat deze 20 miljoen tot de meest actieven behoren. Ze
hebben een enorm wervingspotentieel. En waar ze dit potentieel
overwegend in dienst van hun inwendige "zending" -arbeid
stellen, wordt duidelijk, in welke mate de kerk in de gehele
wereld door de sekten bedreigd wordt.
Kiemen des doods
ledere sekte bejubelt zichzelf en verleent aan haar leer en
gemeenschap, de een minder, de an der meer, een nimbus van
absoluutheid. Deze zelfverheffing gaat in tegen de Schrift.
Daarom valt ze onder de kritiek van het gericht Gods, dat zieh
op een drievoudige wijze voltrekt:
1. De sekten hebben zichzelf tot een streng isolement
veroordeeld.
Ze moeten zieh de broederlijke uitwisseling met andere
christelijke gemeenschappen en de vruchtbaarheid van een
dergelijke uitwisseling ontzeggen. Ze blijven, ook al binden ze
een gevolg van miljoenen aan zich, afzijdige gemeenschappen. Ze
kunnen niet geven en ze kunnen niet nemen, ze kunnen niets meer
leren en niet over de enge omheining, die ze zelf hebben
aangebracht, heenkijken.
Hun zelf cultivering maakt hen echter niet alleen ongeschikt
voor een oecumenische houding, maar sluit hen ook af van de
wereld rondom. Het lukt hun zelfs niet een vruchtbare relatie
tot het tijdsgebeuren te vinden, om uit zijn ontwikkelingen en
catastrofen Gods roepstem tot boete te vernemen en achter de
gebeurtenissen in de volkerenwereld de verschrikkelijke en
wonderlijke leiding Gods te herkennen. De enige manier, waarop
ze op het tijdsgebeuren kunnen reageren, is de apocalyptische
daarop zullen we later nog moelon terugkomen en dan zal blijken,
dat ook hier geen echte dialoog tussen de sekte en de Heer der
geschiedenis tot stand komt, maar zal de sekte blijft steken in
de zelfcultivering. In Duitsland was het ontstellend om op te
merken, hoe onberoerd de catastrofen van 1933-1945 de meeste
sekten gelaten hebben. Ze zijn in 1945 precies op hetzelfde punt
verder gegaan, waar ze in 1933, of toen ze in het Derde Rijk
verboden werden, gebleven waren - alsof er in de tussentijd
niets gebeurd was.
De sekte heeft zichzelf echter niet alleen buiten het
tijdsgebeuren geplaatst, maar ook buiten de gehele geschiedenis
van de Christenheid. Het is haar onmogelijk zichzelf organisch
en deemoedig in te schakelen in de keten van de grote gerichts-
en heilsdaden Gods, die Hij sedert Christus in en door de kerk
verricht heeft. Ze moet zich ook hier buiten houden. Zodoende is
ze afgesneden van heel die rijkdom aan getuigenissen en
ervaringen, die in deze twintig eeuwen vergaard zijn. Volgens de
sektarische visie is heel de lange geschiedenis tussen Christus
en het aanvangsjaar van de eigen sekte een lege ruimte of een
keten van dwalingen of alleen maar een soort voorspel, in ieder
geval dus iets van geringe waarde of zelfs iets negatiefs, waar
men niet op hoeft te letten en waarvan men niets behoeft te
leren. Voor haar duikt de waarheid Gods, na een kortstondig
oplichten ten tijde van Christus, eerst weer op in het
geboorteuur van de eigen sekte. Dat was voor de Mormonen het
jaar 1829, toen joseph Smith en Oliver Cowdery de volmachten van
het priesterschap van Aäron en Melchizedek uit de hemel
ontvingen. Dat was voor de Hersteld-Apostolischen het jaar 1832
en vooral 1860, toen de Heilige Geest eindelijk weer na 1800
jaren van donkerheid nieuwe apostelen aanstelde. Dat was voor de
aanhangers van Swedenborg het jaar 1757, toen de vier tijdperken
van de vervallen kerk ten einde liepen en met het jüngste
gericht in de hemel de nieuwe kerk in het vijfde en laatste
tijdperk der aarde aanving. Dat was voor de Adventisten het jaar
1905, toen na vele eeuwen van dorheid eindelijk de Heilige Geest
weer begon te werken. Dat was voor Jehova's Getuigen het jaar
1874, toen Russell het "Plan Gods met de mensheid" publiceerde
en de eindtijd inleidde. Dat was voor de "Kerk van het Godsrijk"
het jaar 1918, toen de "zendbode" A. Freytag de opdracht voor de
eindtijd accepteerde om het werk des oogstes te volvoeren. Dat
was voor de aanhangers van Lorber het jaar 1840, toen met de aan
Lorber ten deel gevallen nieuwe openbaringen de reiniging van de
aarde begon, om haar in vier louteringsvuren toe te bereiden
voor het duizendjarig rijk.
En wat was er voor al deze data? Daar gaapte het grote donkere
gat; het was de tijd der duisternis. Waartoe die dan diende?
Voor de Christengemeenschap is dit de tijd van een lager
ontwikkelingsstadium, voor de Mormonen, Adventisten, Sweden
borgianen en Hersteld-Apostolischen de tijd van de leegte en van
de verdorvenheid, voor Jehova's Getuigen en de Kerk van het
Godsrijk de wonderlijk verkwistende omweg van God, om uit de
miljoenen Christenen van deze eeuwen een deel van de 144.000
uitverkorenen samen te brengen. Waar was Christus, de opgestane,
eigenlijk in deze eeuwen? Zat Hij werkeloos ter rechterhand des
Vaders? Of had Hij Zich te slapen gelegd? Dat weet men niet te
vertellen. En waar was de Heilige Geest? Heeft Hij misschien om
Zich te ontspannen een pauze ingevoegd en de Christenen en de
kerken maar in het moeras laten zitten, om eerst in het
geboorte-uur van de sekten weer wakker te worden? En waarom
heeft God Zich zo van de kerk teruggetrokken en de Christenen
van geslacht op geslacht aan hun dwalingen en hun ellende
prijsgegeven(49) Ook daar kunnen de sekten geen antwoord op
geven. Maar dat raakt hen ook niet. Zij pochen op hun eigen
bijzonderheid. En iedere sekte laat de heilsgeschiedenis Gods na
een lange onderbreking met haar eigen ontstaan weer opnieuw
beginnen. Daarmee voltooien ze hun isolement, en dit isolement
bevat de kiem van de dood. Want het draagt een geestelijke
hoogmoed in zich mee en leidt tot geestelijke steriliteit.
2. De meeste sekten beroemen zich er op, in tegenstelling tot de
kerk de gemeenschap van de reine heiligen te zijn. Inderdaad
treffen we bij hen een ijverig en bewonderenswaardig streven
aan, om deze reinheid te bewaren en de leden tot een ernstige,
geheiligde levenswandel aan te sporen. Maar ook mensen, die de
sabbat houden, bekeerde, met de geest gedoopte, weder gedoopte,
verzegelde mensen blijven mensen. Ook in hen leven de machten
van het vlees en van de zonde voort. Die zijn niet afgestorven;
ze zijn alleen maar in een hoek gejaagd, Ze durven zich niet
meer te vertonen, maar ze wroeten op een giftige manier verder,
juist omdat ze, om de nimbus van de reine gemeenschap niet te
beschadigen, in een schuilhoek gedreven zijn. Ze vermommen zieh
achter vrome maskers. Daarbij komt, dat de theologia
possessionis in de afzonderlijke sektepredikers gemakkelijk een
geest van stijfhoofdigheid en van betweterij kweekt, die zich
niet alleen naar buiten richt, maar ook in de eigen rijen grote
schade aanricht.")
De oordelende en verootmoedigende macht van het kruis ontbreekt,
die macht, die allen gelijkelijk in het vuur van het gericht tot
boete roept en anderzijds in de vergeving altijd weer een nieuw
begin mogelijk maakt.
Daardoor kan het gebeuren, dat de sekten door interne conflicten
geteisterd worden, die met een vaak afschuwelijke
onverbiddelijkheid worden uitgevochten. Machtsstrijd en
rivaliteit, strijd om de letter van de leer, om de opvolging, om
de inkomsten. Naar buiten wordt dit alles zorgvuldig
afgeschermd. Maar des te hartstochtelijker woedt zo'n strijd in
het inwendige van de sekte. Van broederlijke verzoening is dan
geen sprake, Men vervloekt elkaar, la stert en verdoemt. Hier
zij slechts herinnerd aan de hevige conflicten bij de
Hersteld-Apostolischen sedert 1951, of aan de manier, waarop de
Adventisten vijfentwintig jaar geleden met hun voormalige leider
L. R. Conradi handelden, of aan de bittere vijandschap, die er
tussen [ehova's Getuigen en de van hen afgescheiden leden
bestaat of aan de wilde na-ijver, waarmee zoveel predikers uit
de Pinksterbeweging ervoor waken, dat de concurrentie niet door
nog indrukwekkender preken en nog grotere wonderdaden hun
schapen afkaapt. Vrijwel iedere sekte heeft haar chronique
scandaleuse. Natuurlijk heeft de kerk die ook. In dit opzicht is
ze geen haar beter dan de sekten. Maar zij kan het openlijk
toegeven. Ze kan zich door het Woord Gods doen terechtwijzen.
Zij kan schuld erkennen en boete doen. Maar de sekte mag zoiets
nooit laten blijken. Die moet altijd gelijk hebben. Ze is
gedwongen een eigengerechtige en verstokte houding aan te nemen.
Haar theologia gloriae sectae dwingt haar daartoe.
Hierin ligt dan ook een van de hoofdmotieven, waarom het in de
geschiedenis van de sekten wemelt van splitsingen. Ze verteren
eenvoudig elkaar. Onder de huidige sekten vindt men er maar een
heel enkele, die geen splitsing gekend heeft. Een kleine
statistiek ten bewijze: de Mormonen hebben vijf splitsingen
beleefd, de Adventisten minstens een dozijn, de
Hersteld-Apostolischen negen, de jehova's Getuigen ongeveer
twintig, de Christengemeenschap een en de Kerk van het Godsrijk
ook een. De geschiedenis van de Pink- sterbeweging is een lange
keten van splitsingen, nieuwe aaneensluitingen in
werkgemeenschappen en nieuwe scheuringen.
3. In het begin werd erop gewezen, dat een godsdienstige
gemeenschap tot een sektebestaan gedoemd is, als ze in haar anti
tactiek niet een kern heeft, die zo sterk en vruchtbaar is, dat
ze een krachtig centrum voor een eigen, positief leven kan
vormen. De sekten geven weliswaar hoog op van wat ze in de
theologia possessionis bezitten, dat neemt echter niet weg, dat
dit toch te arm is om het leven in al zijn volheid te omvatten,
te doordringen en te beheersen. Het geestelijk tegoed van de
sekten is zeer beperkt of eenzijdig van horizon, waarom dan ook
grote gebieden van het zijn met zijn problematiek buiten
beschouwing moeten blijven. Zodoende leven de sekten ook
geestelijk in een uithoek. Er zijn sekten, die een ware
schrijfwoede aan de dag leggen en die zeer woordenrijk in, hun
publicaties zijn. Met de uitgaven van jehova's Getuigen b.v.
laten zich hele boekenkasten vullen. Maar de geestelijke,
armoede van hun producten is ontstellend. Aan degene, die zich
de moeite geeft, hun literatuur door te werken, dringt zieh
steeds weer opnieuw de indruk van een grote monotonie op.
Uitzonderingen hierop vormen de Christengemeenschap, tot op
zekere hoogte ook de gemeenschappen van de Adventisten, van de
Graalbeweging, van de aanhangers van Swedenborg en Lorber en de
ChristianScientisten. Maar wat de anderen betreft, kan men
alleen maar constateren, dat ze niet in staat zijn om door de
enge grenzen, welke hun leer hen stelt, heen te breken, Vraagt
men hun om nu eens vanuit hun geloofsovertuiging een
verhelderend antwoord te geven op vragen b.v. aangaande de
politiek, de sociale verhoudingen, de technische ontwikkeling of
het wetenschappelijk onderzoek, dan volgt 6f een volledig in
gebreke blijven of een wegvluchten in de apocalyptiek of een
negatief antwoord, dat uit verlegenheid of ongeïnteresseerdheid
geboren is. Ze kunnen zich eenvoudig niet op het terrein van het
volle leven begeven. Deden ze dat wel, dan zouden zc hun
oriëntatiepunt verliezen, omdat hun leer hen buiten hun eigen
wereldje niets meer weet te zeggen.
Het gevolg van deze bekrompenheid en onvruchtbaarheid is, dat
rlc meeste sekten, zuiver sociologisch bezien, in hoofdzaak tot
de "kleine luiden" beperkt blijven. In meer ontwikkelde kringen
vinden ze nauwelijks ingang en geestelijk zelfstandige en
veeleisende naturen gevoelen zich in hun midden niet thuis.
Dat alles bij elkaar genomen is de reden, waarom de Levensduur
van de sekten beperkt is. Ze dragen de kiem van de dood in zich.
De oudste onder de thans bestaande sekten is 125 jaar oud - die
van de Mormonen. Enkele andere zien terug op een Levensduur van
50 - 110 jaar. De meeste zijn jonger dan 50 jaar. Maar wat zijn
50 ofwel 125 jaar in de geschiedenis van een godsdienstige
gemeenschap? En hoeveel sekten zijn in de laatste 125 jaar
ontstaan en weer weggekwijnd, terwijl nauwelijks iemand meer de
grafsteen kent, waarop hun naam staat! In het feit, dat aan de
meeste sekten slechts zo'n kort leven beschoren is, spreekt het
gericht Gods een harde taal.
Hoofdstuk 6
DE APOCALYPTISCHE APOTHEOSE VAN DE SEKTE
1. Een gebied, waaraan de sekte bijzondere aandacht schenkt, is
de eschatologie. Er zijn verschillende redenen, waarom dat een
geliefkoosd onderwerp van het sektarische geloofsleven is
geworden. Een van die redenen is, dat dit terrein door de kerk
verwaarloosd en een stiefkind van haar verkondiging geworden is.
Een andere reden is te vinden in het hedendaagse levensgevoel,
dat met onze onveilige wereldsituatie geen weg meer weet, en in
de angst voor blijkbaar onontkoombare catastrofen van ongekende
dimensies. 'n Derde reden, waarop vaak nauwelijks gelet wordt,
maar die wel eens de belangrijkste zou kunnen zijn, ligt in het
wezen van de sekte zelf: in haar theologia gloriae sectae. In
deze theologie Ligt nl, de overtuiging opgesloten, dat de sekte
niet slechts ontstaan is, om een of andere leemte in de waarheid
op te vullen, maar dat haar een bijzondere, exclusieve waarde
toekomt. Ze steekt boven de veelheid van andere
geloofsgemeenschappen uit met de rang van absoluutheid. Deze
absoluutheid komt tot uitdrukking in de stelling, dat de sekte
de beslissende rol in Gods heilsgeschiedenis speelt. Haar
geboorte markeert het enige en laatste hoogtepunt van deze
heilsgeschiedenis, dat trouwens na de verschijning van Christus
nog mogelijk is, nl. het begin van de eindtijd. De sekte leidt
de slotfase van de huidige wereldgeschiedenis in en heeft zelf
in deze eindgeschiedenis de beslissende rol te spelen.
Zo wordt de apocalyptiek het terrein, waar de verheerlijking van
de sekte zich voltooit. Ze is bode en wegbereider van de nabije
parousio, ze is Gods partner in het drama van de eindtijd, ze is
de hoeksteen, waarop het in de eindtijd zal aankomen, ze is de
ark des behouds voor de geredden, ze is de voltrekker of althans
het instrument van Gods gerichten over de ongelovigen en
tenslotte zal ze voor de ogen van de ganse wereid triomferen als
door God bevestigd en met haar leden geroepen tot koningen en
burgers in het komende Godsrijk.
Ellen G. White plaatst de Adventsgemeenschap in het middelpunt
van het eindgebeuren: bij het sabbatsgebod zullen de geesten van
de gehele wereld zich in twee groepen scheiden; dat zal ze
verdelen in volgelingen van de antichrist en de gemeente der
gehoorzamen, der verzegelden. Deze gemeente zal door de
antichristelijke machten vervolgd, maar door God wonderbaarlijk
beschermd worden. En dan, na Christus' wederkomst, zullen zij,
die aan de drievoudige engelboodschap geloof gehecht hebben,
verhoogd en in Gods vredesverbond opgenomen worden; hun
tegenstanders echter zullen moeten toezien hoe God zijn
getrouwen eert, en vlak daarop zullen ze in de zevende plaag
omkomen.
De Hersteld-Apostolische Gemeente, die geloof heeft geschonken
aan de boodschap van haar stamapostel, dat nog tijdens zijn
leven Christus zal wederkomen, zal door J. G. Bisehoff als
"bruidsleider" de hemelse bruidegom tegemoet worden gevoerd,
terwijl de twijfelaars en de afvalligen de eeuwige pijn te
wachten staat. Als echter volgens Daniel 12 het "volk Gods"
gered is, zullen miljoenen bij het gedenk van de laatste bazuin
ontzet klagen: "Waarlijk, deze J. G. Bischoff was toch de
grootste dienaar Gods van onze tijd, en wij hebben zijn woord
niet geloofd!" Maar berouw en inzicht openen ook in dit geval
niet meer de deur naar de bruiloftszaal en laten geen
mogelijkheid meer voor redding.")
Evenzo jehova's Getuigen: Als de vernietigende slag van
Armageddon nadert, zal Zach. 8, 20-23 in vervulling gaan, en
tien mannen uit de heidenvolken (d.i. de naties) zullen de slip
van de mantel van een getuige van Jehova vastgrijpen. Maar
"Jehova zal al onze vijanden op de vlucht jagen" .52)
Evenzo de Graalbeweging: Abd-ru-shin is de rechter uit de
eindtijd. Als de bange tijd van de grote benauwenis over de
mensheid komt, "zullen alle handen zich naar hem uitstrekken,
jammerend en smekend". Hij echter zal slechts diegenen aannemen,
die de Graalboodschap vreugdevol prezen als hun verlossing.")
Evenzo de Evangelisch- johannetsche Kerk: De Christenen, die
buiten staan, zijn als de duisternis, die het licht niet heeft
begrepen. Dit licht is de meester Joseph Weissenberg, die
"nieuwgeboren Christus, die in het licht van deze tijd de
heerlijkheid van Christus moet openbaren" . Maar nu komt het in
de Schrift aangekondigde strafgericht over de aarde. Het spaart
degenen, die in Weissenberg geloven. Maar zij, die zieh verhard
hebben, zullen moeten ondergaan, "om ontvankelijk te worden voor
de blijde boodschap, die met onze meester in onze tijd is
binnengebracht" .54)
2. Overal is hier de theologia gloriae sectae aan het werk. Wat
er plaats vindt, is wat men zou kunnen noemen een
versektarisering van de Bijbelse eschatologie. Het eindgebeuren
is de laatste doorgang naar de definitieve verheerlijking van de
sekte en haar machtsovername over de wereld, jehova's Getuigen
hebben hun Theocratische Organisatie reeds omgedoopt in
"Genootschap van de Nieuwe Wereld", om daarmee uit te drukken,
dat dit genootschap ertoe bestemd is, corporatief de
heerschappij in het duizendjarig rijk over te nemen. De Kerk van
het Godsrijk ga at nog een stap verder: ze meent niet alleen,
dat ze geroepen is om in het kom ende rijk voor opbouw en
ordening te zorgen en voor de opvoeding van de meer dan twintig
miljard mensen, die uit de doden opgewekt worden, maar ze bouwt
nu reeds op haar "proefstations" modellen van de toekomstige
wereld en bespoedigt door haar werkzaamheid de komst van het
Godsrijk.
Het is altijd hetzelfde beeld: Waar een sekte een apocalyptiek
ontwikkeld heeft, plaatst ze zichzelf in het middelpunt daarvan.
Kenmerkend is b.v. het volgende: waar men een kerkhistorische
verklaring van de zeven zendbrieven van Openb. 2 en 3 tracht te
gevcn, wordt altijd de gemeente van Philadelphia, waarop niets
valt aan te merken en die uitblinkt door Iouter beloften, op de
eigen sekte betrokken, terwijl de toepassing van andere
zendbrieven, respectievelijk gemeenten, op kerken of
kerkhistorische tijdperken dan telkens z6 geconstrueerd wordt
dat alles past in hot perspectief van de sekte. De
sektegemeenschap wordt met de vijf wijze maagden
geïdentificeerd. Afzonderlijke figuren, voor zover ze, zoals
b.v. de twee getuigen of de engel met het evangelie of de vrouw
met de zon bekleed, een positieve rol spelen in het Bijbelse
einddrama, worden opgeeist voor de eigen sekte. Omgekeerd worden
de negatieve figuren geïdentificeerd met de kerk. Uit haar
midden komt de antiehrist voort.
De sekte beschouwt zich als het rechtlijnige verlengstuk en
de afsluiting van de bijbelse openbaring. Zo is b.v. bij de
Hersteld-Apostolischen Abraham de eerste en de stamapostel
Bischoff de laatste in de keten van patriarchen en profeten. Hij
noemde zich "de poort naar middernacht": "Ik ben de laatste; na
mij komt niemand meer." 55) En aan de zgn. "openbaring", dat
Christus tijdens zijn leven zou wederkomen, kende hij dezelfde
betekenis toe als aan de beslissende hoogtepunten van de
heilsgeschiedenis: "In de tijd, die achter ons ligt, heeft de
Heer aan de mensen vier grote beloften gegeven. De eerste was de
belofte aan het gevallen ouderpaar, dat Hij een verlosser zou
zenden; de tweede was de verkondiging van de geboorte van deze
verlosser; de derde de boodschap van zijn opstanding. De vierde
boodschap, die speciaal voor ons is gegeven, bestond daarin, dat
ik op Kerstmis 1951 bekend maakte, dat de Zoon Gods me had laten
weten, dat Hij bij mijn leven zou wederkomen, om de bruid thuis
te halen." 56)
Evenzo is joseph Weissenberg na Mozes en Christus de laatste
profeet, die .Jiet derde testament" bracht en door wie het
nieuwe Jeruzalem op aarde neerdaalde. In hem is de belofte van
Mal. 4, 5v. in vervulling gegaan en het grote gericht is zowel
in de wereld der mensen als in die der geesten ingeleid.
Een soortgelijke rol laat de gemeenschap "Kudde en Herder" haar
leider Friedrich August Hain speIen. De zes scheppingsdagen zijn
zes tijdvakken van elk tweeduizend jaren, In ieder tijdvak
bezocht God de wereld, door Zich in een Hem waardig mens te
incarneren. Dit gebeurde in Adam, Melchizedek, Elia, David,
Christus en tenslotte in Hain. Hij is de zesde incarnatie. Nu
volgt de zevende periode: De dag van de rust Gods, en alle
mensen zullen een herder en een kudde zijn.
jehova's Getuigen laten de gehele wereldgeschiedenis en het
heilsplan Gods direct op hun organisatie uitlopen: Eerst sedert
1914 is er een "hoofdorganisatie boven het gehele levende
universum met Christus als het hoofd", en het aardse gedeelte
van deze hoofdorganisatie is het "Genootschap der Nieuwe Wereld"
. Alleen dit gezelschap bezit de "goede boodschap" van het
koninkrijk, dat in 1914 in de hemel werd opgericht. De
tegenstanders van [ehova's Getuigen tonen nu door hun afwijzing
mensen te zijn, die tegen het koninkrijk zijn en bij de
organisatie van de satan behoren. "Die echter de leer der
Getuigen aannemen, blijken "mensen van goeden wille" te zijn, en
het theocratische koninkrijk zal hen "door de vernietigende
benauwenis van Armageddon heen redden en de nieuwe wereld doen
binnengaan" .57)
De Pinkstergemeenten noemen de sedert 1905 in groeiende mate
voorkomende en systematisch beoefende uitingen van extatische
vroomheid "spade regen" en willen daarin de vervulling zien van
de eschatologische belofte van Joel 3, 1-5.
Ontelbare gemeenschappen uit de Pinksterbeweging en van de
Perfectionisten maken zieh als de "bruidsgemeente" gereed voor
de ontrukking aan het verderf, die slechts hun als de
bevoorrechte gelovigen ten deel zal vallen. Röckle heeft de drie
groepen, waarin hij de Christenheid heeft opgedeeld, telkens
haar eigen apocalyptisch lot toegemeten, en slechts de
aanhangers van de "Allerheiligste" zullen uit de grote nood
gered worden.
De Bijbelse eindprofetie wordt omgezet in een apocalyptische
apotheose van de sekte. Hier ontvangt ze definitief van God de
plaats, die haar toekomt, het loon voor haar trouw, het opzicht
en de heerschappij over de wereld. Kortom, het geweldige
slotdrama van de wereldgeschiedenis onthult zich als een
apocalyptische zegepraal van de sekte, Het dualis me tussen God
en satan, dat in het laatst der dagen een climax bereikt en
tevens zijn einde vindt, wordt omgesmeed tot een dualis me
tussen de sekten en de overige mensheid, met name de kerk.
3. Nu wordt ook duidelijk, waarom de sektarische eindverwachting
vrijwel altijd verwachting van een zeer nabije toekomst is en
veelal met concrete termijnen opereert. Want alleen in deze vorm
kan de theologia gloriae sectae de tegenstelling tussen
pretentie en werkelijkheid trotseren en zichzelf handhaven: we
zijn nu nog maar een kleine, geminachte en vervolgde groep; maar
weldra zullen we triomferen en onze vijanden zullen in het stof
liggen! Maar dit "weldra" is tevens de Achilleshiel van de
theologia gloriae sectae.
Ze kan niet wachten. Omdat ze de gloria Dei tekort heeft gedaan,
kan ze zich niet meer naar "Gods geduld" voegen, Ze is gedwongen
tot een houding van dringend ongeduld. Derhalve moet ze
apocalyptische wissels uitgeven, die op korte termijn
inwisselbaar zijn.
Dit ongeduld geeft aan de sektarische eindverwachting het
karakter van verhitte opgewondenheid, De Bijbelse profetie is
vervuld van een geestelijke terughoudendheid. En het bewustzijn,
dat de eindtijd gekomen is, werkt niet als zenuwprikkel, maar
zet zieh om in de roep om trouw te zijn in geloof en in
dienstbetoon (1 Petrus 4, 7 vv.). In de sektarische apocalyptiek
daarentegen ontmoet men een hectische onrust. Niet alleen bij
jehova's Getuigen. Ook bij de Hersteld-Apostolischen, bij
allerlei Pinkstergemeenschappen en andere sektarische groepen
komen rondom de eindverwachting de meest wilde fantasieën voor
de dag. Een koortsachtige opgewondenheid van de gelovigen is het
gevolg. Als de boodschap van stamapostel Bischoff betreffende
de wederkomst niet in vervulling zou gaan, dan heeft, zo
verklaren vele Hersteld-Apostolischen, Jezus zelf gelogen;
anderen willen dan zelfs ieder geloof over boord gooien of
zichzelf ophangen.")
Over de tenhemelopneming worden allerlei griezelverhalen
verteld. Zo zouden in de Sovjetunie dertig gelovige mannen naakt
een ijsveld opgejaagd zijn, maar Jezus zou met een aantal
begeleiders te hulp zijn gekomen en hen herschapen hebben en hen
in witte klederen bijtijds in de hemel opgenomen hebben. Een
vrouwelijk lid van een Pinkstergemeente zou in de trein reeds de
Lijfelijke antichrist met de wereldbol en het getal 666 op zijn
muts ontmoet hebben. Men ontdekt "profetische" wolkenbeelden,
postzegels en potloden. Men publiceert "profetische"
boodschappen met concrete termijnberekeningen en
onheilsaankondigingen. Men ziet uit naar mensen, die geen
merkteken aan het voorhoofd dragen en daarom koningen van het
duizendjarig rijk zullen zijn. Men fluistert, dat de "twee
getuigen" er reeds zijn en zich momenteel op hun zending
voorbereiden, Een vrouw, die vroeger reeds deel uitmaakte van de
kring van Abram Poljak. Hanna Faiss, noemde zich de "vrouw, die
met de zon bekleed is" (Openb. 12, 1) en ging op zoek naar de
"twee getuigen", die bij haar hoorden, om deze voor de strijd
van de eindtijd te zalven. De "Broederschap: De Koning Komt" ,
Een Pinkstergroep, maakte in de stijl van een sensationele
reportage als volgt een visioen wereldkundig: "Opgelet, opgelet!
Hier spreekt de wereldzender "Zion"! Aangesloten zijn alle
zenders van de aarde met inbegrip van de televisiestations.
Halleluja! Ere zij het Lam! Extra-bericht van de Koning der
koningen jezus Christus! De engel, die voor God staat, die de
sleutels en de volmacht over de afgrond heeft, viel zojuist de
draak aan, de oude slang, en bond hem met de ketenen van de
duisternis en van de toorn Gods voor duizend jaren in de
afgrond. Alle rijken der aarde staan van nu af aan on der de
absolute macht en soevereine heerschappij van Emanuel, de Koning
der koningen ... " 59)
4. De apocalyptiek van de sekten heeft met de Bijbelse boodschap
aangaande de eindtijd nog wel de beelden en figuren gemeen, maar
niet meer de geest. Want ook de Bijbelse eschatologie wordt door
het sola gratia beheerst en ze wordt een creatuur, als het
sektarisme vanuit zijn duistere verkiezingstheorie zich van haar
meester maakt.
De sekte moet echter haar eenmaal aangevangen weg der
wetsvolbrenging wel ten einde gaan. Wie Gods vrije genade van de
aanvang af aan banden probeert te leggen, moet zieh ook in het
slotdrama tot bezitter van deze genade opwerpen, moet zichzelf
uitroepen tot deurwachter aan de poort van het komende rijk en
van dit rijk - het koninkrijk Gods - een geperfectioneerd sekte
rijk maken.
Het gericht over deze zelfoverschatting la at niet op zich
wachten. De apocalyptische wissels van de sekte worden door God
niet ingelost. Hij richt Zich niet naar hun
geschiedenisprogramma's en eschatologische kalenderindelingen.
Hij gaat soeverein zijn eigen gang en spot met hen, die in de
waan verkeren in zijn kaarten tc hebben gekeken en Hem zijn
geheimen ontfutseld te hebben. Derhalve voltrok zich zijn
gericht over menselijke nieuwsgierigheid en aanmatiging reeds
aan vele sekten van vroegere eeuwen, die zich aan hun
eigenmachtige profetieën vertild hebben en daaraan gestorven
zijn.
In onze tijd voltrekt het zich aan de Hersteld-Apostolischen.
Het heeft de Katholiek-Apostolischen van hun aantrekkingskracht
beroofd en hen terug geroepen tot de staat van een stille,
gelouterde gemeenschap. Andere sekten heeft het in een slepende
crisis gebracht, waaruit ze zich alleen nog door een wezenlijke
herziening van hun stellingen kunnen redden. En ook die
gemeenschappen zal het wel weten te vinden, die nog altijd met
hun hel-glanzende verlokkingen de verwachtingen van hun leden op
voorhand voeden en die het steeds moeilijker krijgen om de
termijnen te prolongeren en het aangewakkerde ongeduld van hun
gelovigen te stillen.
Hoofdstuk 7
CONCLUSIES EN CONSEQUENTIES
De bijbel in de linkerhand
Als in Swedenborgs "Nieuwe Kerk" een jong predikant bevestigd
wordt, wordt hem de Bijbel in de rechterhand en Swedenborgs
geschrift "Ware Christelijke Godsdienst" in de linkerhand
gegeven. Dat is een zinnebeeldige handeling. Er wordt mee
uitgedrukt, dat de "Nieuwe Kerk" haar geloof niet alleen op de
Heilige Schrift baseert, maar daaraan een nevenbijbel heeft
toegevoegd.
Ook alle andere sektegemeenschappen hebben zulke bijbels in de
linkerhand. Kenmerkend voor de sekte is namelijk, dat ze zich
met de Heilige Schrift alleen niet tevreden kan stellen. Waarom
niet? Het motief daarvoor ligt niet direct aan de oppervlakte:
het evangelie is de boodschap van de vrije genade in Christus.
Wie die verwerpt, verloochent de kernwaarheid van de Schrift.
Een theologia possessionis, zoals de sekten die
vertegenwoordigen, wordt da ar reeds in de kiem gesmoord. De
sekten zijn dus op dit punt in strijd . met de Schrift. Ze
bevinden zich in een eigenaardige situatie. Enerzijds moeten ze,
om hun leer te legitimeren, het gezag van de Schrift
nadrukkelijk laten gelden. Anderzijds moeten ze de Schrift
echter aan een correctie onderwerpen of desnoods andere
autoriteiten er tegenover plaatsen. Zo is dus hun houding
tegenover de Schrift bepaald door een mengsel van binding en
eigenmachtigheid.
1. Bi] een deel van hen schijnt het weliswaar, alsof ze
overtuigde fundamentalisten zijn, die de kerk juist verwijten,
dat deze het met haar binding aan de Schrift niet zo nauw neemt.
Het ga at hier vooral om de Perfectionisten, de
Pinksterbeweging, de Adventisten CONCLUSIES EN CONSEQUENTlES
tisten en jehova's Getuigen. Hun fundamentalisme vertoont echter
bedenkelijke onvolkomenheden. De Pinksterbeweging en de
Perfectionistische sekten kunnen b.v. de kern van het evangelie,
de gelijkenis van de verloren zoon, niet zo laten staan en laten
gelden, zoals die in Luc. 15 staat. Ze kunnen die slechts in
eigen parafrasen weergeven en moeten haar in haar ruimheid en
rijkdom door commentariërende invoeging van "voorwaarden" en
"onderstellingen" begrenzen. Het woord, dat Jezus aan het kruis
tot de moordenaar sprak, moet hun een ergernis zijn, evenals
alle getuigenissen uit de Bijbel, waarin van de daad van Gods
vrije genade sprake is, zonder dat deze aan een voorafgegane
bekeringsacte, een volledige overgave een volk omen heiliging of
aan een "geestesdoop" gebonden werd. Bovendien kennen beide
groepen, afgezien van het Schriftwoord, n6g een woord, nl. een
woord dat God in het heden spreekt en dat in de subjectieve
sfeer tot de mens komt: het bestaat in de persoonlijke ervaring
van de bekering, respectievelijk de geestesdoop. Daarbij komen
dan nog, vooral bij de Pinkstergemeenten, de vele
"openbaringen", visioenen, toezeggingen, tongentaal,
persoonlijke roepingen, zgn. ontmoetingen met God of met
Christus, de ontvoeringen in de geest naar de hemel, gepaard
gaande met droomgezichten en profetieën, en wat dies meer zij,
die als bovennatuurlijke bekendmakingen, als openbaringen van de
Heilige Geest, zij het misschien ook van geringere waarde, een
aanzienlijke rol spelen naast de waarheid van de Schrift en deze
veelal overwoekeren. Niet zelden wordt aan de kerk verweten, dat
ze aan "de dode letter" blijft hangen, in plaats van op de
voortschrijdende openbaringen van de Heilige Geest te letten.
"Die mensen, die louter bij de Bijbel zweren, houden wel het
geschreven Woord hoog, maar als men goed op hen let, valt
gewoonlijk een ding op: ze houden zich uitsluitend bezig met wat
God gezegd heeft Als we echter door
Gods genade in ons hart ervoor gewonnen zijn, dat we geloven:
Het Hoofd is in de tegenwoordige Geest werkelijk in ons midden,
dan brandt er in ons een verlangen, nl.: Hoofd, spreek!" De
theologen van "een verstard Christen dom" zijn echter pure
Schriftgeleerden geworden en zijn de Geest kwijtgeraakt. "Daarom
verwerpen ze ook de levende stenen van de tempel en zetten de
vorm, de dode letter daarvoor in de plaats (Rom. 7, 6). Alles
schijnt bij hen net zo onweerlegbaar, zo volkomen bijbels tot op
het puntje van de i, als bij de Schriftgeleerden van weleer."
6O)
Hoe jehova's Getuigen met de Schrift omgaan, is bekend. Kernpunt
van de Schrift is volgens hen een chiliastisch geschiedenisplan
van jehova, dat ze echter eerst zelf construeerden. Hun
"fundamentalisme" bestaat hierin, dat ze wel de letter ernstig
nemen, maar willekeurig allerlei teksten uit hun verband rukken
om ze dan weer bij stukjes en in andere rangschikking aan elkaar
te lijmen, er een al naar behoefte symbolische, profetische of
parallelliserende uitleg aan geven en zodoende de geest en de
zin van de Schrift gruwelijk mishandelen. Minder bekend is, dat
jehova's Getuigen naast de Schrift nog een aanvullende
openbaringsbron erkennen: die vloeit in hun Theocratische
Organisatie, of, om het nauwkeuriger te zeggen: in de leidende
kring van deze gemeenschap in Brooklyn, die b.v. in het jaar
1935 van jehova het verrassende bericht kreeg, dat er behalve de
144.000 uitverkorenen ook nog een "grote volksmenigte" is, die
het aardse toekomstparadijs zal gaan bevolken, of die in 1950 de
Getuigen, die bijeen waren op het wereldcongres in New- York,
gelukwenste met de nieuwe openbaring van Jehova, dat er zich
onder de deelnemers "waarschijnlijk een aantal vorsten van de
nieuwe aarde" bevond.")
Hetzelfde geval doet zich voor bij de Adventisten, die ervan
overtuigd zijn in de geschriften en apocalyptische visioenen van
E. G. White een aanvullende openbaringsbron te bezitten. Zij
heeft het zwaartepunt van de Bijbelse waarheid van het sola
gratia, sola fide naar de drievoudige engelboodschap van Openb.
14, 9-14 verschoven. De stoot daartoe kreeg ze niet vanuit een
nieuw en beter inzicht in de Schrift, maar door een visioen.
Hierin werd haar een uitleg van Openb. 14, 9-14 gegeven, die
echter met de tekstinhoud weinig gemeen heeft. Maar toen haar
gedurende dit gezicht de drie engelboodschappen getoond werden,
wees de begeleidende engel haar op de heilsbeslissende, absolute
waarde ervan met de woorden:
"Wee degene, die ook maar het geringste aan deze boodschappen
verandert, Het juiste inzicht in deze boodschappen is van het
grootste belang. Het lot van de zielen hangt af van de aard en
de wijze, waarop ze worden aanvaard." 62) De derde
engelboodschap bevat in de verklaring van E. G. White het gebod
de wereld te waarschuwen voor de zondag als het kenmerk van de
antichrist. Ook deze vervloeking en het verheffen van de
sabbatsviering tot het centrale gebod gaat niet terug op de
Schrift, maar op een visioen. E. G. White "zag" het sabbatsgebod
boven alle andere uitsteken, doordat het door een lichtende ring
omgeven was. "Ik zag, dat de heilige sabbat de scheidsmuur
tussen het ware Israël Gods en de ongelovigen is en zijn zal en
dat de sabbat de grote opdracht is, die de harten van Gods
geliefde, wachtende heiligen zal verenigen." 63)
Op dezelfde manier heeft Röckle essen ti öle punten van de leer
aangaande de tenhemelopneming - een leer, die zijn
Philadelphiagemeente typeert - niet uit de Schrift, maar uit
visionaire bronnen geput. Zijn "twaalf kenmerken als toetssteen
van volk omen overgave" zou hij direct van God ontvangen hebben.
En zijn boekje "De voleinding van de Philadelphia-gemeente van
de eindtijd, en haar opneming ten hemel" met de daarin ter
sprake komende "driedeling van de tempel", d.w.z. de
onderscheiding van de Christenheid in drie klassen, zou Johannes
hem gedicteerd hebben.
2. Het is dus zeer de vraag of bij deze fundamentalisten het
geloof in de Schrift wel zo diep zit, als beweerd wordt. Het
grootste deel van de sekten echter heeft de uitsluitende binding
aan de Schrift met zoveel woorden opgezegd. Wat is de Schrift
voor de Hersteld-Apostolischen? Een verouderde openbaring, geen
viva vox, maar een verzameling dode letters, die het geloof niet
kunnen doen ontvonken, "Ik had ook een bijbel, zo vertelde de
latere stamapostel Niehaus, die ik ergens boven op een kast had
neergelegd, maar na een poosje ontdekte ik, dat de muizen Jezus
en de apostelen hadden opgevreten. Dat is nu uw [ezus, dat zijn
dus uw apostelen, waarvoor een muis niet eens respect heeft;
sedert ik echter de levende God (gereïncarneerd in de
stamapostel Krebs) dien, is dat allemaal heel anders geworden,
want nu lopen zelfs de honden voor me weg" (naar een alleen voor
de "ambten" uitgegeven bericht van 15 april 1904, pag. 4).
In onze tegenwoordige tijd hebben de Hersteld-Apostolischen het
"actuele" woord Gods, voor het huidige geslacht geopenbaard door
de stamapostel en verder uitgedragen door de apostelen. "We
moeten naar een openbaringsplaats gaan, niet naar een plaats van
herdenken! Het is immers satans grootste triomf, ons te doen
rondsnuffelen in een verleden tijd, zodat we vergeten, wat ons
in deze tijd kan helpen, wat nu nodig is Niet conserven met
fleurige etiketten, maar fris, vitaminerijk fruit - dat is het,
waar het op aan komt!" 64)
Anderen verbreken de eenheid van de Schrift. Pol jak komt tot
een tweedeling: een deel heeft alleen geldigheid voor "de
gemeente als lichaam", een ander deel alleen voor "de gemeente
van het koninkrijk". De Swedenborgianen moeten niets hebben van
de brieven van Paulus. Anderen volgen hen daarin. De
Christengemeenschap houdt zowel rekening met de Schrift als met
de antroposofie van R. Steiner, en wel zo, dat niet de
antroposofie wordt uitgelegd aan de hand van de Schrift, maar de
Schrift aan de hand van de antroposofie.
Weer anderen hebben naast de Schrift nieuwe heilige boeken
aangenomen, waaraan ze canonieke geldigheid en dezelfde
openbaringswaarde toekennen. Zo bezitten de Mormonen het boek
Mormon, "De leer en de verbonden" en "De kostbare parel" van
Joseph Smith als heilige schriften. In artikel 8 en 9 van hun
geloofsbelijdenis staat: "Wij geloven aan de bijbel als Woord
Gods, in zoverre hij juist vertaald is; we geloven ook aan het
boek Mormon als Woord Gods. We geloven aan alles, wat God
geopenbaard heeft en alles, wat Hij thans openbaart, en we
geloven, dat Hij nog vele en belangrijke dingen openbaren zal
met betrekking tot het Rijk Gods."
De Christian-Scientisten hebben het boek van Mary Baker Eddy:
"Wetenschap en Gezondheid met sleutels tot de Heilige Schrift"
canoniek verklaard. Het is geen gewoon boek, maar goddelijk
geïnspireerd en bevat daarom onvoorwaardelijke, onfeilbare
waarheid. Mary Baker Eddy zelf was "slechts de schrijfster, die
de hemelse harmonieën in goddelijke natuurleer weergaf". Over
haar boek oordeelde ze later: "Eeuwen zullen voorbijgaan, eer de
verklaring van de onuitputtelijke grondgedachten van "Wetenschap
en Gezondheid" voldoende begrepen zal zijn, om gans en al
bewezen te kunnen worden." 65) In de diensten van de
Christian-Sclentisten worden dan ook regelmatig naast pericopen
uit de Schrift tevens stukken uit .Wetenschap en Gezondheid"
voorgelezen.
De "Kerk van het Godsrijk" teert op de drie boodschappen van
haar .zendbode" F. 1. Alexandre Freytag: De goddelijke
openbaring - De boodschap aan de mensheid - Het eeuwige leven.
De tweede band noemde hij zelf "het belangrijkste werk, dat op
aarde be staat" . Het is "een door de Geest Gods ingegeven
getuigenis" en "de boodschap van het eeuwige leven." 66) Voor
zijn aanhangers hebben deze boeken dezelfde waarde als de
Bijbel. Aan de hand daarvan wordt de Bijbel gelezen en uitgelegd
en de "Boodschap aan de mensheid" overtreft zelfs nog de Heilige
Schrift, omdat ze "veel duidelijker is en nooit voor tweeërlei
uitleg vatbaar" .67)
De Evangelisch- Johannetsche Kerk zweert bij de Lutherbijbel en
maakt er de kerk zelfs een verwijt van, dat ze de Luthertekst
aan een revisie onderwierp. Maar daarnaast bezit ze de
geschriften van Joseph Weissenberg, waaruit telkens weer de
teksten gekozen worden voor hun preken, Daarenboven laten ze in
hun godsdienstoefeningen de "geestvrienden" uit heilige hoogten
tot de toehoorders spreken.
De aanhangers van Lorber hebben evenals De Nieuwe Kerk van
Swedenborg een hele verzameling van boeken, die gezaghebbend
zijn, omdat ze "nieuwe openbaringen" bevatten. Deze nieuwe
openbaringen van Jacob Lorber staan als gelijkwaardig naast de
oude openbaringsgeschriften, zoals ze immers ook uit een en
dezelfde hemelse bron afkomstig zijn. Aangezien ze vragen
beantwoorden, die in de Bijbel opengelaten of helemaal niet
aangeroerd zijn, gaan ze de geestelijke inhoud van de Schrift
zelfs nog te boven. Lorbers hoofdwerk: "Het grote evangelie van
Johannes" geeft in zijn tien banden de lezer "in alle vragen
over God, schepping, levenszin en eeuwigheid een opheldering,
die diep gelukkig maakt. Hier wordt het geheim van de persoon
van jezus Christus volkomen doorzichtig en verrijst uit
dogmatische verstarring en menselijke misvorming met nieuwe
kracht en macht de ware Heilandsleer." 68)
Voor de Graalbeweging is de graalboodschap van Abd-ru-shin "In
het licht der waarheid" heilige schrift geworden. Ook hier wordt
de volheid van de antwoorden geroemd: De "mensenzoon" , die het
geschreven heeft, geeft in dit boek alle inlichtingen, die maar
nodig zijn, over het vanwaar, waarheen en waarom, roert alle
vragen van het zijn aan, zorgt ervoor, dat men lichamelijk,
psychisch of geestelijk gezond wordt en biedt alles om het leven
op aarde waardevol en gelukkig te doen zijn. "Dit boek is uniek.
Het ontsluiert ons de diepe zin van alle dingen, laat ons hun
wezen verstaan, en de wereld, waarin wij leven, volledig
begrijpen. Het onthult de sferen van de schepping van hun
oorsprong af en verheldert daarbij alle gebeurtenissen, die voor
ons eigen denken belangrijk zijn. Het verwijdt de horizon van
onze blik en van ons weten. We zien plotseling helderder om ons
heen. We worden vrijer en gelukkiger. We krijgen een vermoeden
van de grootheid van de Schepper bij het zien van zijn
wonderbare scheppingswerk. Dit uitzonderlijke boek verduidelijkt
de innerlijke samenhang tussen al het bestaande, zowel in het
groot als in het klein, in de geheie schepping alsook in ons
individuele leven, en laat ons de binding van de mens aan het
geheel zien." 69)
3. Allemaal nevenbijbels! Voor het feit, dat men ze aan de
Heilige Schrift toevoegt, worden diverse redenen opgesomd. De
Bijbel is onvolledig overgeleverd, zeggen sommigen, en heeft
daarom een aanvulling nodig. Hij is gebrekkig vertaald en heeft
een correctie nodig, zeggen anderen. Weer anderen wijzen op de
voortgaande openbaringswerkzaamheden van de Heilige Geest en
aangezien ze zelf deze Heilige Geest in hun midden hebben, zijn
ze gemachtigd deze openbaringswerkzaamheid voort te zetten. Of
men merkt op, dat de Bijbel zelf haar eigen onvolledigheid
toegeeft (Joh. 21, 25) en dus om een aanvulling vraagt. Of men
wijst op de wonderbaarlijke gebeurtenissen, waarmee de nieuwe
openbaringen b.v. bij Swedenborg of Lorber of E. G. White of
Christi an Röckle of bij profeten uit de Pinksterbeweging
omgeven zijn.
De motieven zijn dus veelvoudig. Maar het resultaat is altijd
hetzelfde. De nevenbijbels vertegenwoordigen zonder uitzondering
de magna charta van de betreffende theo1ogie possessoir. Daarom
zijn ze, gekoppeld als ze worden aan de Heilige Schrift, geen
onschuldige aanhangsels, maar overmeesteren en overschaduwen ze
de waarheid van de Schrift. Dat betekent: Waar een sekte vanuit
haar midden een boek tot heilige schrift verheft, doet ze het W
oord Gods geweld aan. Met haar eigen boek is ze bezig God te
bevoogden. Hij mag nu niet meer zo spreken, zoals Hij in de
Schrift gesproken heeft, maar moet spreken, zoals de sekte het
voor juist houdt. Het Woord Gods is in zijn majesteit onder het
juk gebracht, besnoeid en gelijkgeschakeld. Alweer worden we
hier gewaar, hoe de gloria sectae triomfeert over de gloria Dei.
Op het terrein der vraagtekens
Wie zich eenmaal van de Schrift heeft afgewend, is op weg de
Schrift helemaal de rug toe te keren. Deels gebeurt dat
aarzelend, deels doelbewust. In welke richting dat nu gaat? Het
antwoord op deze vraag vinden we, als we teruggrijpen op de
antithetisch van de sekten. Wat men zoekt, is een
heilsfundament, dat steviger is dan het sola gratia. Daartoe
heeft men een theologia possessionis ontwikkeld, waarin dit
nieuwe heils fundament nu wordt ingebouwd en verankerd. En dan
begint eerst recht de uittocht naar deze gedachtenconstructies,
ambten, sacramenten en erediensten, waarin naar hun overtuiging
het heil gevangen, gecontroleerd en bewerkstelligd kan worden.
Maar of dat nog wel de genade van God is, die men daar meent
gevangen te hebben? Heeft men hier zichzelf niet op een
afschuwelijke manier om de tuin geleid? Werkelijk, hier voltrekt
zich nu het gericht, dat met de ontrouw aan het sola gratia
gepaard gaat. Deze mensen zochten naar zekerheid en huiverden
derhalve terug voor de sprong om enkel als een door God
gegrepene te leven. Doch ze vinden niet alleen geen zekerheid,
maar komen terecht in een zee van onzekerheden. Tezamen vormen
al hun leerstellingen, die de inhoud van de theologia
possessionis vormen, een aaneen Schaling van onzekerheden.
Zo zouden de apostelen van de Hersteld-Apostolischen van de
Heilige Geest hun aanstelling en volmacht ontvangen hebben. Maar
men leze eens na, hoe na twee voorafgaande scheuringen de eerste
garde van apostelen op het concilie van Braunschweig in 1878 tot
stand kwam: "Men vroeg aan God, of Güldner een apostel was, en
toen er na driemaal herhaald vragen geen antwoord kwam,
schreeuwde men God uitdrukkelijk toe, waarom Hij geen antwoord
gaf. Dat ging een poosje zo door, tot de hele menigte zo in
extase geraakte, dat aanstelling op aanstelling volgde, de een
dit schreeuwde en de ander dat. De een riep deze naam, de ander
schreeuwde:
"Nee, die moet het zijn!" 70) Zou dit lawaai en geschreeuw de
stem van de Heilige Geest zijn geweest?
Hoe kwam de eigenlijke leer van de Adventisten tot stand? Het
begon met een eigengereide berekening van de parousie en een
fout uitgevallen eindverwachting. .Daarop volgden onenigheden en
scheuringen. Vervolgens zocht men koortsachtig naar uitwegen uit
deze vastgelopen situatie. Men greep nu eens naar deze, dan weer
naar die leer, en geloofde en verwierp ze beurtelings, tot men
uitvond, dat Christus in 1844 op de eerste oktober het
allerheiligste was binnengegaan. Dat was een nogal fantastische
en niet bepaald vernuftige uitvlucht, waarmee men de
tegenstelling tussen profetie en vervulling wegmoffelde.
Tenslotte eigende men zich van de Zevendedags-Baptisten de
sabbatsgedachte toe, en een zieneres met een grote
geldingsdrang, E. G. White, die als gevolg van een verwonding
door een steenworp in haar kinderjaren ziekelijk was geweest,
gaf daaraan prompt met een gezicht de nodige goddelijke
bekrachtiging. Haar visioenen uit een vroeger stadium, die niet
meer zo best in de leerontwikkeling van een later stadium
pasten, werden kortweg veranderd. Andere visioenen behelsden
onmogelijke beweringen (b.v. dat v66r de zondvloed uit
tegennatuurlijke paringen tussen mens en dier nieuwe soorten
zouden zijn ontsprongen) of hielden aanwijzingen in, die wegens
hun onhoudbaarheid door Latere visioenen herroepen moesten
worden (b.v. het vrijgeven van varkensvlees voor consumptie of
de invoering van vrouwelijke reformkleding). Bovendien werd haar
plagiaat ten laste gelegd. Nogmaals: zou bij dit soort
leervorming de Geest Gods aan het werk zijn geweest?
Of wat te denken van het boek Mormon, van de verschijningen van
de engel Moroni aan de farmerszoon uit de binnenlanden Joseph
Smith, van het uitgraven van de gouden platen en van de
profetenbril op de heuvel Cumorah, van die hele geschiedenis van
de uittocht van de Israëlitische stammen naar Amerika en het
tweede opI roden van Christus in dit werelddeel?
Of wat van de Christengemeenschap, wanne er deze de hogere
kennis van Steiner als onomstotelijke autoriteit behandelt:
Reeds In 1922 heeft de indoIoog J. W. Hauer aangetoond, uit
welke brennen Steiner zijn .Jiogere kennis" geput had - niet uit
kennisname van de "Akascha-kroniek", maar uit manieheische
elementen en overleveringen van de Mithra-cultus, uit de
geschriften vun Blavatsky en Besant, uit "Die Gnosis" van E. H.
Schmitt en "Allantis, naar occulte bronnen" van Scott-Elliott.
"De aanhangers van Steiner hebben het zo vaak over de
buitengewone nieuwe openbaringen van Steiner. Ik vraag me af:
waar zijn die dan? Ik zie alleen maar gezichten die ik al eens
eerder ontmoet heb en die volgens mijn onderzoekingen ook Dr
Steiner wel eens ergens op deze aarde ontmoet moet hebben." 71)
En hoe is het gesteld met de "openbaringen", welke Swedenborg en
Lorber uit de andere wereld ontvingen? Zender aan de subjectieve
eerlijkheld van deze zeer achtenswaardige en vrome mannen ook
maar iets af te doen, moet toch worden gezegd, dat het in de
wereld wemelt van openbaringen van deze aard, en dat die van
Swedenborg en Lorber zieh alleen door een grotere omvang en een
hoger niveau daarvan onderscheiden. Maar ook zij droegen het
stempel van de tijdgeest en het valt een psychologie, die de
enorme wereld van het onbewuste heeft ontdekt, niet moeilijk,
niet alleen de herkomst van deze openbaringen te verklaren, maar
ook de eigenaardige begeleidende verschijnselen, waarmee ze
waren verbonden. De stille, introverte Lorber mocht dan al een
inwendige stem gehoord hebben, welke dictaten hij opschreef, ook
de Franse mystica Jeanne Marie Bournier de la Motte-Guyon
(1648-1717) schreef onder deze de innerlijke drang haar
traktaten, welke veertig banden vulden. En de uiterlijke
begeleidende verschijnselen waren even "wonderbaarlijk" als bij
Lorber. In haar autobiografie vertelt ze daarover: "Ik schreef
niet vanuit mijn eigen geest, maar door de inwendige Geest. Als
ik de pen ter hand nam, wist ik van wat ik zou gaan schrijven,
nog geen woord; en later ook niet, wat ik geschreven had. Het
vloeide - in stromen van inwendig licht - als het ware uit de
diepte naar buiten en nam niet de weg via mijn hoofd. Mijn hoofd
was zo vrij van ledere medewerking, dat het als leeg ge goten
was. De snelheid waarmee ik schreef, was zo groot, dat mijn arm
opzwol en helemaal stijf werd Ik schreef ononderbroken dag en
nacht door, waarbij de hand nauwelijks gelijke tred kon houden
met de dicterende Geest. Gedurende deze arbeid gebruikte ik
nooit een boek. Een schrijver kon in vijf dagen nauwelijks
opschrijven, wat ik in een enkel uur had neergeschreven."
Eenzelfde verschijnsel vinden we bij Jacob Böhme. Ook hij
gevoelde zich als een instrument Gods en schreef eveneens zo
snel, dat zijn armen vanwege de inspanning trilden. De manier,
waarop Lorbers "nieuwe openbaringen" tot stand kwamen, staat dus
niet op zichzelf. Rechtvaardigt alleen dit het toekennen van
goddelijke waarde aan deze geschriften? Dan zou men die aan alle
boeken van de Bijbel beslist moeten ontzeggen, want hun auteurs
schreven zeker niet in trance, maar bij volledig bewustzijn.
En hoe staat het met al die bekeringen, die volledige overgave
en volkomen heiliging van de Perfectionistische sekten? Hebben
ze werkelijk de macht van de zonde gebroken? Maar al zouden ze
ook alle duivelen uit hun harten hebben verjaagd, een is
gebleven: de duivel van de superbia, die hun verbood, de weg van
deemoed en broederlijkheid te gaan en hen ertoe dreef, zichzelf
voor betere Christenen te houden dan de anderen en zich van hen
af te zonderen. Zou zo'n "bekering" werkelijk een betrouwbare
grondslag zijn voor de heilszekerheid?
En hoe is het met de geestesdoop en de geestesgaven bij de
Pinkstergemeenten? Daarin zou dus de Heilige Geest Zich bekend
maken! Toegegeven zij, dat er in de Pinksterbeweging charisma's
voorkomen, zoals overigens ook wel in de kerk: gaven van
profetie, van genezing, van onderscheiding der geesten. Waar ze
als onverdiende gaven sola gratia worden ontvangen en in ootmoed
gebruikt, betekenen ze een verrijking voor de bezitters van die
gave en voor de gemeente. Maar in grote delen van de
Pinksterbeweging is deze grens overschreden. Daar wordt van de
charisma's een sensatie gemaakt, en met een aantal figuren, die
een dergelijke gave bezitten, wordt een propaganda bedreven, die
pijnlijk dicht in de buurt komt van het lawaai rondom
filmsterren, sporthelden e.a. in allerlei geïllustreerde
weekbladen. Maar de Heilige Geest leent Zich nooit voor
sensaties. Hij maakt geen spektakel. Alle reclame, die men met
de Godsmannen maakt, staat Hem tegen. Het is onbetwist zeker,
dat de Heilige Geest bij een tamtam om een zgn. grote man nooit
aanwezig is." 72) En hoe klein denkt men van de Heilige Geest,
als men Hem verantwoordelijk maakt voor al die banaliteiten en
trivialiteiten en heel dat godsdienstig-sentimentele gedoe - en
dikwijls ook minderwaardig gedoe -, dat bij het tongenspreken
enz. voor de dag komt Reeds in 1907 heeft een leider van een
Duitse gemeenschap, lour) rnet hem enthousiast op de vele
wonderen en tekenen in Los Angelos wees, er de aandacht op
gevestigd, dat deze wonderen ook in Duitsland schering en
inslag, ja dat ze er a.h.w. voor het oprapen waren.
Men moet deze fenomenen met de visioenen en massagenezingen eens
nader onderzoeken en dan eerst daarvan aftrekken, wat er bij
kwam door vrome suggestie, massapsychose en opgezweepte
hartstochten, door propaganda, occulte beïnvloeding, labiele
zenuwen enz. - om van de nog troebeler motieven van vrome
vervalsing, geldingsdrang of zelfs demonische bezetenheid nu
maar te zwijgen.
Men trekke dat alles ervan af en beoordeeld dan de overblijvende
rest, of en in hoeverre hier de Heilige Geest aan het werk was.
Men verwisselde echter niet psychische extases met de uitingen
van de Heilige Geest! Als iemand, die enigermate ontvankelijk
is, zich in de Pinksterbeweging aan het trommelvuur van zo'n
ster-evangelist en aan de bedwelmende atmosfeer, die in deze
bijeenkomsten aangekweekt wordt, uitlevert, dan kan hij na korte
of lange tijd zelf ook zijn "geestesdoop met tongentaal"
tegemoet zien! De vraag is maar, of het dan een doop met de
Heilige Geest of met de eigen geest is, Als de Pinksterbeweging
van de aanvang af de onderscheiding der geesten - en dat is
immers ook een geestesgave - nuchter en welbewust had toegepast,
zou haar veel verwarring en verwildering bespaard gebleven zijn.
Maar zelfs deze verwarring zou niet zo dodelijk gevaarlijk
hebben kunnen worden, als men de geestesgaven maar in hun
Bijbelse zin als geschenken van de Heilige Geest gezien en
aanvaard had, en de heilsvraag op generlei wijze aan de
geestesdoop had gekoppeld, doch strikt aan het sola gratia en de
rechtvaardiging door Gods jawoord had gebonden.
En wat te denken van de ontdekking van de mentale genezing door
Mary Baker Eddy? De offleiöle geschiedschrijving van de Christi
an Science houdt vol, dat ze door inspiratie tot dit inzicht zou
zijn gekomen. De onbevangen onderzoeker weet echter beter. Ze
heeft haar systeem in zijn grondtrekken overgenomen van Dr
Quimby. Haar eigen ziekte heeft ze met haar geestelijke
genezingsmethode bedwongen, omdat die psychische oorzaken had.
Dat ze ook de zonde zou hebben bedwongen en daaraan afgestorven
zou zijn, zal men wel niet durven beweren. En dat ze de dood
niet overwon, moeten zelfs haar aanhangers wel toegeven. Wat
juist is aan haar genezings-
methoden, was reeds voor haar door de New-Thought-beweging in
praktijk gebracht en wordt tegenwoordig ook door
psychotherapeuten en artsen toegepast. Maar met Christus heeft
dit alles niets te maken.
En hoe staat het met de waarheidsbronnen van Jehova's Getuigen
en de Kerk van het Godsrijk? Russell ging vroeger voor een
goddelijk geïnspireerde profeet door. Maar zijn berekeningen en
profetieën zijn veertig jaar geleden al in elkaar gestort.
Tegenwoordig is er geen enkele "getuige" meer te vinden, die nog
over hem spreekt. Daarna verscheen zijn opvolger Rutherford, die
het zwaar gehavende gebouw van de termijnberekeningen weer zo
goed en zo kwaad als dat ging repareerde. Maar ook hij raadde er
met zijn nieuwe termijnen naast. Ook over hem spreekt
tegenwoordig niet een "getuige" meer. De sekte kan alleen leven,
als ze haar eigen geschiedenis vergeet. Ze schuift haar
apocalyptische rekenliniaal verder. Maar wat heeft dat met Gods
Woord te maken? En Alexandre Freytag? Hij zocht hevig na ar een
middel om de dood om de tuin te leiden en reeds nu eeuwig te
kunnen leven of tenminste honderdvijftig of driehonderd jaar oud
te kunnen worden. Maar toen hij zeventig was, stierf hij. En
zijn aanhangers moeten ook sterven. Het Rijk Gods, waarvoor hij
reeds de grondwet ontwierp, wil maar niet komen. En da
"modellen" van het Koninkrijk op de "proefstations" zijn altijd
nog maar kleine oasen, en zowel hier als in de kringen van de
"Kleine Kudde" en het "Leger des Almachtige" moet tegen het
egoïsme een heldhaftige, maar tevens moeizame strijd gevoerd
worden, die met voortdurende tegenslagen en vermoeidheden
gepaard gaat.
Dat is de Consequentie van het verlaten van de Bijbel en het
terechtkomen in het onafzienbare gebied der onzekerheden. De
sekten bobben het sola gratia onder protest de rug toegekeerd en
wilden iets zekers hebben. Maar God kan zijn genade niet
indrukwekkender en geloofwaardiger garanderen dan in zijn Woord
en in de offerdood van zijn Zoon. Wie het sola gratia afwijst,
stort zich in vrome eigenmachtigheid. En hij eindigt in
zelfbedrog. Hij zoekt en schept zich een zekerheid, die evenwel
stuk breekt onder de last van de vraagtekens. Dat is het lot van
de sekten - menselijk beschouwd een tragedie, van God uit
gezien een gericht.
Derde deel
DE KERK EN DE SEKTEN
Vragen van de sekten aan de kerk
De sekten, waarop ons onderzoek betrekking had, zijn ontstaan
binnen het Protestantisme. De verhouding tussen hen en de kerk
staat in het teken van vijandschap, van aanval en verdediging.
De band is verbroken. Voor zover er tussen beide een dialoog
gevoerd wordt, wordt deze bepaald door de wederzijdse
verwerping. Maar da ar bovenuit vindt een andere dialoog plaats
op een hoger vlak. Hier zijn het niet meer mensen, die in de
naam van hun geloofsovertuigingen met elkaar twisten. Hier is
veeleer de Heer zelf de gespreksleider, die de beide
tegenstanders aan een tafel zet en hen ertoe dwingt, dat hun wo
orden en antwoorden niet sleehts in aanval en tegenaanval
blijven steken, maar dat ze daarbij zelfs meedogenloos in hun
trouweloosheid en armoede en in hun afvalligheid ontmaskerd
worden.
We hebben de ontmaskering van het sektewezen nu nader leren
kennen. We hebben gezien, hoe de hybris, waarmee men ingreep in
het werk van Gods genade, gepaard gaat met immanente gerichten.
De sektarische heils weg loopt consequent uit op deze gerichten.
Ze zijn dan ook onvermijdelijk. Maar nu moeten we ons bezig
houden met het feit, dat de sekten niet in een luchtledige
ruimte als het ware uit het niets ontstaan zijn. Hun stichters
en leden hebben grotendeels voordien in een kerk geleefd, waarin
de boodschap van het sola gratia werd verkondigd. Deze boodschap
maakt alle menselijke heilswegen en heilsgaranties onmogelijk en
onnodig. En desondanks hebben de sekten zich van haar afgekeerd!
Ligt de schuld
daarvan - we stellen deze vraag met diepe verontrusting - niet
ook bij de kerk: dat ze het getuigenis van de Schrift in zijn
ernst, maar ook met zijn zekerheid en met zijn troost niet klaar
en duidelijk genoeg verkondigd heeft( 73) De sekten zijn immers
niet zomaar bij toeval ontstaan, maar in het midden van de kerk.
Het zijn dochters van de kerk. Er heerst weliswaar een slechtte
verstandhouding tussen de moeder en deze dochters. De dochters
geven op hun moeder af, omdat ze huns inziens helernaal
afgedwaald is en een slechtte moeder geworden is. En de moeder
is boos op de dochters, omdat deze haars inziens ontaardden.
Maar als echte moeder moet ze zich afvragen, of ze er zelf geen
aanleiding toe gaf, dat haar dochters zo ontaardden.
Ze mag deze vraag niet ontwijken. En hoe pijnlijk dit ook is,
een ernstig gewetensonderzoek kan voor de kerk alleen maar
heilzaam zijn. Men zegt vaak, dat de sekten de onbetaalde
rekeningen van de kerk zijn. Deze stelling is onjuist, als ze
zou moeten dienen voor een afdoende verklaring van het
sektewezen. Maar er schuilt een kern van waarheid in. Tot de
krachten, die aan de sekten leven en voedsel gaven, behoren ook
de ver mimen van de kerk, Dat behoeven niet aItijd verzuimen van
nu te zijnl De kerkgeschiedenis heeft een lange adem. Het kan
gebeuren, dat bepaalde aanklachten en wantrouwige stemmingen,
die honderd of tweehonderd jaar geleden door dwalingen van de
kerk te voorschijn werden geroepen, zich in ondergrondse
complexen omzetten, die zich van geslacht op geslacht
voortplanten en steeds weer de voedingsbodem voor sektarische
afscheidingen vormen.
Als we nog eenmaal de afzonderlijke punten nagaan, waaraan bij
de sekten het zich losmaken van de bijbels-reformatorische
waarheid zichtbaar is geworden, zullen we overal ontdekken, dat
de kerk zelf hiervoor de weg bereid heeft. Reeds een vluchtige
blik in haar interne geschiedenis toont aan, dat de theologia
gloriae Dei dikwijls op gevaarlijke wijze op de achtergrond is
geraakt. Telkens opnieuw is in de verkondiging van de kerk de
majesteit en de ere Gods geschonden en verraden. In plaats van
God koning te laten, legde men beslag op God. Men legde beslag
op Hem in zijn macht en majesteit, zijn plannen en bedoelingen,
zijn geboden en gerichten - voor de kruistochten ("God wil
het!"), voor de dogma's, de zendings- aanspraken en de
veroveringsdoeleinden van een bepaalde confessie, voor de
christelijke beschaving van het Westen, voor stromingen en
cultuurwaarden van de tijdgeest (de evolutiegedachte van de
verlichting, de sociaal-revolutionaire en nationalistische
ideologieön van de negentiende en twintigste eeuw). Men legde
beslag op Hem voor vaderlandse oorlogen, politieke bewegingen en
omwentelingen. Zijn Woord werd ondergeschikt gemaakt aan
menselijk-aardse belangen en gebruikt als begeleidende muziek
voor patriottische feesten en overwinningen. Hij werd
geneutraliseerd, geïdentificeerd met een God van de rede, tot
lievelingsgod van een ras, klasse of natie verklaard. En van
deze in-beslag-genomen-God naar de God van de sekte is slechts
een stap. Een kerk, die zieh tegenover de theologia gloriae
sectae teweer wil stellen, moet eerst met de theologia gloriae
Dei in haar eigen verkondiging radicaal ernst maken. Hiermee
heeft ze een opdracht meegekregen, die reikt tot in de verste
vertakkingen van haar denken, spreken en handelen.
En hoe is het mogelijk, dat het bij de sekten tot die
vervlakking of terzijdestelling van het woord des kruises kon
komen? Is dat niet mede voorbereid, doordat de kerkelijke
verkondiging zelf deze haar opgedragen boodschap van tijd tot
tijd verloren liet gaan? Men heeft haar door een moralistisch
misverstaan geneutraliseerd, haar door theologisch-filosofische
speculaties uitgehold of in een poel van vrome stichtelijkheid
verdronken. Men is met het gebeuren van Golgotha, kostbaar als
het is, omgesprongen als ware het goedkope pasmunt. Men heeft
getracht het door verstandelijke verklaringen begrijpelijk en
aannemelijk te maken, zodat het niet meer voor de een een
ergernis en voor de ander een dwaasheid zou zijn. Men heeft van
de gekruisigde een heldhaftige blonde Ariër gemaakt, die het
slachtoffer werd van de verdorven Joden. Kortom, men heeft op
verschillende manieren geprobeerd met het kruis klaar te komen
en het ergens in de wereld en in het eigen bestaan ingekapseld.
Het kruis werd van zijn scherpte ontdaan en zodoende
ongevaarlijk. Of - en dat is de subliemste verzoeking in de
interne geschiedenis van de kerk - het kruis werd zelf tot een
.Bezit" gemaakt en tot object van een theologia possessionis,
waarin de gelovige niet meer als een geoordeelde onder het kruis
staat, maar zich van het kruis meester maakt, om het als wapen
te gebruiken - tegen anderen. In
de verkondiging en in de gedragingen van de kerk werd maar al te
vaak en in allerlei perioden verzwegen, dat het kruis de
dynamisch steun is, die eenvoudig door geen enkel mens is te
handhaven", maar die harerzijds de mens handhaaft, d.w.z. hem
tot op de bodem van zijn bestaan schokt en aan het wankelen
brengt. Men vergat, dat in een kerk, die "kerk onder het kruis"
wil zijn, het dynamiet van Gods Woord werkzaam moet blijven, dat
zijn explosieve kracht telkens weer opnieuw elke poging van de
mens om zichzelf gerust te stellen, elk begin van godsdienstige
bezitsvorming, van eigen gemaakte zekerheid en
eigengerechtigheid volslagen verijdelt. Als de kerk zelf altijd
maar van meet af aan deze tendensen de kop had ingedrukt, zouden
ze niet zo gemakkelijk hebben kunnen voortwoekeren en uitgroeien
tot de theologia possessionis van de sekten,
Hoe is het mogelijk geweest, dat de sektarische vroomheid zieh
bijna onbestreden meester heeft kunnen maken van de Christelijke
toekomstverwachting? Is niet een van de voornaamste redenen
daarvan deze, dat juist op dit gebied de kerk zich aan een wel
uitermate ernstig verzuim schuldig heeft gemaakt? Ze is over
lange perioden van haar geschiedenis een kerk zonder hoop
geworden. Ze heeft "de eschatologische deugd" van het geduld
verloren en is verslapt in haar verwachtingen van en uitzien
naar de Heer. Ze heeft de bestaande wereld aanvaard als een
situatie, die voorlopig tenminste nog wel zo zal voortduren en
heeft er zich huiselijk ingericht. Dat bracht met zich mee, dat
de heilige ontevredenheid en het heilig verlangen verloren
gingen, dat het bewustzijn hier vreemdeling te zijn verdween,
dat de roep om waakzaam te blijven verstomde, en dat men die
hele rijkdom aan troost, die ons in de Bijbelse verwachting
geloven is, eenvoudig liet vallen. In plaats daarvan heeft het
geloof zich mede tevreden gesteld een bijbels secundaire hoop op
een Hiernamaals te koesteren. En de theologie heeft, waar ze
zich bezig hield met de geschiedenis en de toekomst, de
eschatologische uitspraken verdund of geëlimineerd of ingeruild
voor bepaalde seculaire evolutie-ideeën. De kerk heeft het
veelal nagelaten, om in haar verkondiging het geloofsleven van
haar leden in de wisselvalligheden van de geschiedenis te voeden
vanuit de Bijbelse profetie, hen in tijden van voorspoed en
zekerheid vanuit het eschatologisch perspectief te waarschuwen
en hen in tijden van tegenspoed en neergang met het zicht op
Gods overwinning en koninkrijk te vertroosten. Kortom, ze heeft
de Bijbelse boodschap van de hoop verwaarloosd. Heel dit gratie,
wijde gebied werd een onbeheerd niemandsland, en de theologie,
die er verlegen mee was, schoof het weg naar het laatste
hoofdstuk van de dogmatiek, Zodoende kon het gebeuren, dat
vreemde machten zich van dit onbeheerde land meester maakten -
allerlei op hol geslagen politieke, sociale of technische
evolutietheorieën en toekomst utopieën die op velen een sterke
chiliastische aantrekkingskracht uitoefenden - en dat vele leden
van de kerk, die eschatologisch ondervoed bleven en "zonder
hoop" werden gelaten, zich in hun honger openstelden voor de
apocalyptische voorstellingen en beloften van de sekten, die
zich dank zij het in gebreke blijven van de kerk in groten
getale op het terrein van de toekomstverwachting konden vestigen
en er welig tierden. Mag men hun daar een verwijt van maken, dat
ze de boodschap van de hoop, die door de kerk - niet nu, maar
sedert eeuwen - naar de achtergrond is gedrongen, als buit
opheffen en hun wilde apocalyptisch dweepzieke dromen daaruit
spinnen? De kerkelijke theologie kan en mag zich niet onttrekken
aan de opdracht om te komen tot een doorwrochte eschatologie,
die stoelt op het sola gratia en die de uitspraken van de
Schrift over geschiedenis en eindgeschiedenis au serieus neemt.
Men make zich van deze opdracht niet te goedkoop af! Met de
juist op dit gebied zo bijzonder geliefde ontmythologisering
redt men het niet. En het is ook niet afdoende, eenvoudig de
Confessio Augustana in zijn veroordeling van het chiliasme nog
eens te citeren. Het thema van het duizendjarig rijk evenals de
vragen aangaande de ten hemelopneming, de tweede opstanding en
de algemene verzoening moeten grondig doordacht worden. En de
verkondiging moet doordrenkt zijn van de hoop op het komende
koninkrijk Gods.
Mogen de sekten zich ter toelichting van hun leer genoodzaakt
hebben gezien, aan de Heilige Schrift nevenbijbels toe te
voegen, de kerken van de reformatie kunnen zich erop laten
voorstaan, dat ze zover niet zijn gegaan. Hun ingeworteld
respect voor het beginsel van de sola scriptura, heeft hen
daarvoor bewaard. Dat heeft hen echter niet verhinderd, zich op
een andere manier aan de Schrift te bezondigen. We zullen hier
niet de lange historie weergeven van het martelaarschap, dat de
Schrift onder de mensen ondergaan heeft en momenteel nog
ondergaat, Voldoende zij er aan te herinneren, hoe de Schrift
door een oneerbiedige kritiek uiteengerafeld en ongeloofwaardig
gemaakt werd; hoe geleerde betweters hun vondsten op haar
toepasten, hoe menselijke nieuwsgierigheid in haar geheimen rond
wroette; hoe haar boodschap bijna steeds met de heersende
tijdgeest gelijkgeschakeld werd - met het geloof aan de rede of
met een evolutie-ideologie, met een socialistische of
nationalistische wereldbeschouwing of met een rassentheorie. En
dat gebeurde niet alleen in eenzame studeerkamers, het werd ook
op de kansel gebracht, werd inhoud van de verkondiging.
Nee, het kwam in de kerk van de reformatie niet tot de invoering
van nevenbijbels. Maar de Bijbel zelf werd een speelbal der
meningen en als echo of versterking gebruikt van de meest
uiteenlopende menselijke inzichten. Mag men het de sekten dan
euvel duiden, dat ze nog een stap verder gingen?
Een van de meest efficiënte en meest gebruikte propagandaleuzen,
waarmee vooral de fundamentalistische sekten tegenwoordig tegen
de kerk opereren, is de verwijzing naar de
ontmythologiseringstheologie. Natuurlijk spreken ze daarover
niet alleen tamelijk grof, maar eveneens zonder veel kennis van
zaken. Maar zou men daaruit niet tenminste deze les moeten
trekken, dat de theologie en de verkondiging van de kerk, zij
moge dan kritisch staan t.a.v. de verbale inspiratie, alleen dan
aan de zaak, die haar zozeer verplicht, trouw is, als begin en
einde van al haar denken en preken de eerbied van de Schrift
ademen? Het gaat immers om "heilige" Schrift. Wie trouwens de
geschiedenis van de theologie van de laatste twee eeuwen kent,
weet, hoe de majesteit van de Schrift zich zelf steeds weer
bewezen en gehandhaafd heeft - ook tegenover de III{lost
scherpzinnige critici of de lawaaierige lieden van de
"Bijbel-stijl. God zorgt er zelf wel voor, dat zijn Woord niet
zomaar geliquideerd en weggegooid kan worden. Hij heeft zijn
Woord toevertrouwd aan de kerk. Maar is de kerk zich wel
volkomen bewust van de heilige verantwoordelijkheid die zulks
meebrengt? Immers, als zij slordig omgaat met de Schrift, is dat
koren op de molen van de sekten Naast de liquidatie van de
waarheid van de Schrift staat de ineenschrompelen van de horizon
van de Schrift. De Bijbel beperkt zieh niet tot het thema: het
zielenheil van de enkele mens, maar grijpt daar ver boven uit.
Naast de mens staat het volk en de geschiedenis. Naast de ziel
staat het lichaam en de wereld van het geschapene en de kosmos,
Gods Woord gaat over alles. Maar de geschiedenis van de
Christelijke vroomheid toont aan, dat het binnendringende
Hellenisme hierop reeds vroeg een noodlottige inbreuk maakte,
Het lichamelijk-zinnelijke werd in de ban gedaan. Het werd van
een negatieve aanduiding voorzien en veroordeeld tot een
proletarische rol in Gods schepping. Een
spiritualistisch-ascetische vroomheid, die zich richtte op het
hiernamaals en eigen werd aan alle confessies en perioden van de
geschiedenis van het Christendom, liet de categorieën van de
natuur en de geschiedenis buiten beschouwing en beperkte zich
tot de beoefening van het vrome innerlijke leven. Daardoor
bleven, evenals bij de toekomstverwachting, opnieuw grote
gebieden van de werkelijkheid onbeheerd achter. Het geloof,
respectievelijk de kerkelijke verkondiging, had hier "niets meer
te vertellen". De ,betreffende Bijbelse getuigenissen werden
terzijde geschoven. Hoe rijk de vruchten, die een geheel naar
binnen gekeerde vergeestelijkte vroomheid droeg ook waren - ze
moesten duur betaald worden. Men trok zich uit de wereld terug,
maar sloot zich daarmee op in een zelfgekozen getto. En heel het
wijde gebied, waarvoor het geloof geen interesse meer had, werd
bezet door een geseculariseerd denken, dat nu zijnerzijds tot de
aanval overging en onder de vlag van een totalitaire
wereldbeschouwing zelfs ook de laatste ruimte, waarop het geloof
nog aanspraak maakte, voor zich in beslag nam. ,,........." de
hemel voor de fantasten." 0 zeker, steeds weer hebben
individuele theologen of groepen van Christenen een poging
gewaagd het verloren gebied te heroveren en de bijbelse
boodschap te ontvouwen in zijn realisme en universalisme. Maar
de breuk tussen de wereld van het innerlijke en de buitenwereld
kon tot nu toe nog steeds niet volledig geheeld worden Hier ligt
een taak, die met inspanning van alle krachten zal moeten worden
aangevat.") Het zou he el erg zijn, als b.v. de kosmische
wijdheid van het bijbels getuigenis, waar de kerk geen oog voor
had, alleen nog maar aan de orde kwam in de Christengemeenschap
of in de gemeenschappen rondom Swedenborg en Lorber met hun
onderschikking van de wereldgeschiedenis aan een hogere
geschiedenis en hun merkwaardige voorstellingen van het
universum als de kosmische Jiomo maximus" ofwel grote
scheppingsmens.
Onbarmhartig brengen de sekten met hun polemiek de gebreken van
de kerk aan het licht en plaatsen haar voor vele problemen. Om
slechts enige van de vragen te noemen, die vanuit de sekten aan
de kerk gesteld worden: Hoe staat het met de kerkelijke tucht?
Een groot gedeelte van de kerkelijke gemeenten bestaat uit
louter doopleden, die nog wel in de kerkelijke registers vermeld
staan, maar zich in de kerkdiensten nooit meer laten zien.
Leden, die duidelijk van onverschilligheid tegenover de
verkondiging van de kerk en het leven der gemeente blijk geven
of het evangelie zelfs openlijk minachten, zouden, nadat een
voorafgaand pastoraal gesprek negatief zou zijn verlopen, uit de
kerkelijke registers geschrapt moeten worden. De toediening van
de doop zou aan veel ernstiger voorwaarden gebonden moeten
worden. En het is een groot nadeel, dat de jeugd op hetzelfde
ogenblik, waarop ze bij de bevestiging opgenomen wordt in de
gemeente der volwassenen, weer vrijblijvend aan haar lot wordt
overgelaten. ledere vereniging legt zijn leden bepaalde
verplichtingen op, die in de statuten zijn aangegeven. De
Chinese communistische partij - en zo zal het ook wel bij de
anderen zijn - stoot leder lid uit, dat zijn bijdrage niet
betaalt of zich zes maanden lang niet actief betoont. Zou de
kerk haar leden niet tenminste tot bepaalde minimumprestaties
moeten verplichten, afgezien van de financiële bijdrage? Ze zou
hun een massa mogelijkheden van dienstbetoon ter keuze kunnen
voorleggen: b.v. dat zij medewerken op een van de vele terreinen
van het gemeenteleven; een inrichting op het gebied van de
Christelijk-filantropische arbeid mee helpen dragen of met
regelmatige bijdragen het werk van de zen ding steunen. Aan werk
geen gebrek. Bovendien is het een bekende ervaring, dat van zo'n
taak een stimulerende werking uitgaat op degenen, die er zich
aan geven. Wie echter uit volslagen onverschilligheid welbewust
in zljn passieve houding wil blijven volharden, zal de kerk
vanzelf de rug toe keren, als deze het lidmaatschap afhankelijk
maakt van de een of andere vorm van medewerking.
Men mene niet, dat hiermee inzake de afvalligheid van de
volkskerk het verlossende woord gesproken is. Onze "volkskerk"
is echter in feite een massakerk geworden. Ze sleept een massa
mensen met zich mee, die afzijdig staan. Haar krachten zijn veel
te zwak om deze massa's te doordringen. Ze gelijkt op een
machine, die verstopt is en nog slechts moeizaam op gang
gehouden kan worden. De predikanten zijn overbelast en de
gemeenten veel te groot, Het zou voor beide winst zijn, als de
schare van onverschilligen uittrad. Dan zouden de kerkelijke
ambtsdragers hun werk kunnen concentreren. De gemeenten zouden
kleiner en overzichtelijker worden, maar hun geloofsleven en hun
innerlijke verbondenheid zouden erbij winnen. Het zou zichtbaar
worden, dat ze in de haar omringende wereld slechts een
minderheid vormt. Generaties lang was ze dat alreeds. Maar tot
nu toe was dit feit achter een sluier verborgen. Betekent
verwijdering van deze sluier, dat men nu de volkskerk vaarwel
zegt? In genen dele. Het publieke karakter van het evangelie
wordt daarmee allerminst aangetast. Eerst als dat zou worden
prijsgegeven, als de verkondiging van de kerk haar innerlijke
wijdheid zou verliezen en de Christelijke gemeente zich zou
onttrekken aan de opdrachten, die haar van "de wereld" uit
worden gesteld, eerst dan zou de kerk op weg zijn naar het
conventikel. Uitzifting van deze massale ledenaantallen is
zonder meer voorwaarde voor de gemeenten om weer een "zout" te
kunnen zijn en een nieuwe missionaire kracht te kunnen
ontplooien.
Een zeer ernstig punt is de financiering. De sekten zijn vrijwel
zonder uitzondering verstoken van staatssubsidies. Ze zijn
evenmin in de gelegenheid, hun leden via de belastingdiensten
een aanslag op te leggen. Ze zijn geheel en al op vrijwillige
bijdragen aangewezen. En desondanks beschikken ze over de
middelen, die ze nodig hebben. Het is hun gelukt, hun leden
offerbereid te maken. In de motieven, waarvan ze zich daarbij
bedienen, kan de kerk hen niet volgen. Zij zal andere wegen
moeten gaan, die aangepast zijn aan haar eigen boodschap. Maar
zij zal er vastbesloten naar moeten streven, niet op andermans
krukken te steunen, maar op eigen benen te staan. De geldvraag
behoort niet tot de uiterlijkheden. De manier, waarop ze
opgelost wordt, is een graadmeter voor de geestelijke kracht en
de eerlijkheid van de kerk. Daarom mag men daar niet gemakkelijk
over heen lopen.
In onze tijd van massificering en vertechnisering, met zijn
verval van vertrouwde gemeenschapsvormen dreigt de mens zijn
geestelijk tehuis kwijt te raken. Hij is op zoek na ar nieuwe
gemeenschapskernen, die hem opnemen, hem geborgenheid,
broederschap en warmte geven en hem van zijn eenzaamheid
verlossen. Is de kerkelijke gemeente aan deze dringende behoefte
tegemoet gekomen? Is ze in haar huidige situatie eigenlijk wel
in staat om deze opdracht te vervullen?
In het Nieuwe Testament wordt de gemeente vergeleken met het
lichaam van Christus: ieder is een lid van dat lichaam en
verricht de diensten van een lid en met elkaar zijn ze
samengevoegd tot de gemeenschap, waarvan Christus het hoofd is.
Hoever staan onze gemeenten van dit voorbeeld af! Daarom mag men
er niets van zeggen, als zoveel eenzame mensen een onderkomen
zoeken bij de sekten. Velen, die van de kerk naar een sekte
overlopen, doen dat niet op grond van een duidelijke
godsdienstige keuze - de diepe togenstelling, die er tussen de
reformatorische verkondiging en de leer van de sekte bestaat, is
hun onbekend, Maar waar deze mensen vurig naar verlangen en wat
ze in de kerkelijke gemeente niet vonden. biedt de sekte hun: de
broederlijke gemeenschap van een huisgezin des geloofs.
In menige buitenkerkelijke gemeenschap wordt het hartstochtelijk
verlangen naar een levende nabijheid van jezus, naar een
persoonlijk innige verbondenheid van de gelovige met zijn Heer,
beantwoord en vervuld. Is dit ook in de kerkelijke verkondiging
het geval? Wordt dit verlangen daar niet vaak door een koud
verstandelijke dogmatische of alleen maar moraliserende
prediking en schriftuitlegging teruggestoten? Een jonge man die
voordien Christus haatte werd door een eenvoudige smid bekeerd.
In zijn geest drift stortte hij zich op de Bijbel, die hij
bijna Letterlijk verslond. Dagelijks las hij dertig tot veertig
hoofstukken. Zijn moeder stuurde hem naar de dominee. Deze
probeerde hem echter met verstandelijke redeneringen het geloof
aan het volledige Woord te ontnemen! Je moet in de bijbel niet
alles zo letterlijk nemen! Het jongmens was eenvoudig
verpletterd. Hij bedankte voor de kerk, die het 1evende geloof
in hem wilde verstikken. Tegenwoordig is hij een van meest
bekend predikers van de Pinksterbeweging in Europa. Hij heet
Hermann Zaiss!
De godsdienstoefeningen van de sekten vertonen wat de leer
aangaat veel bedenkelijks, Maar ze spreken de mensen meer aan.
Om verschillende redenen. B.v. omdat eenvoudige lekenpredikers
vaak populair, naar het leven van alle dag en persoonlijk weten
te spreken. Of omdat in deze diensten een dramatisch samenwerken
van prediker en gemeente zichtbaar wordt. Of omdat er een
mysterieuze eredienst ontwikkeld wordt, die de behoefte aan
representatie van het goddelijke bevredigt. In onze kerkdiensten
kunnen we de sektarische vormen niet na gaan doen. Ze zijn aan
een andere wereld ontsproten. Maar men zou alles moeten doen om
de kerkdiensten aantrekkelijk te maken. Ze zijn vaak zo koel,
docerend, vormelijk en vervelend. Liturgisch is alles goed
geordend. En op de preken valt theologisch niets aan te merken.
En de gemeente zit stil in de banken en luistert toe. Maar de
spontaniteit en de gloed ontbreken. Dat was in de gemeenten van
de apostolische tijd anders. Hoe kunnen we onze kerkdiensten
levendiger maken? Met de liturgie te verrijken en te verfijnen
komen we er niet. Met verbetering van de prediking ook niet.
Uiteindelijk brengt deze vraag een geestelijke armoede aan het
licht. Meer dan de helft is reeds gewonnen, als deze armoede
erkend wordt en deze erkenning zich omzet in een vurig,
onophoudelijk gebed, dat de Heilige Geest ons daarvan afhelpt.
Verder en dieper voert ons de vraag, waar in de verkondiging en
in het geloofsleven van de kerk de geestesgaven nog een plaats
vinden. In de Nieuwtestamentische gemeente hadden ze een grote
betekenis. Paulus spoorde de Corinthiërs aan er naar te
"streven". Wordt er in de kerk nog naar gestreefd? Deze vraag
wordt haar ook van uit de Pinksterbeweging gesteld. Ze mag die
niet onbeantwoord laten. Zeker, ze heeft gelijk, als ze de
"geestesgaven", die in de Pinksterbeweging optreden, kritisch
beoordeelt. Maar dat ontslaat haar niet van de verplichting, de
geestesgaven in haar verkondiging te betrekken en ze tenminste
weer in het gezichtsveld van de gemeente te brengen. Ze beschikt
niet over de macht, ze op te wekken - dat heeft de Heilige Geest
alleen Zichzelf voorbehouden. Maar er mag en er moet om gebeden
worden.
Een van deze geestesgaven is "de gave der gezondmaking" (1 Cor.
12, 9). De dienst der genezing is daarenboven aan de gehele
Christelijke gemeente opgedragen en behoort tot de volmacht van
het geloof (Mare. 16, 16-18). De wijze, waarop de gemeente deze
opdracht heeft te vervullen, is in Jac. 5, 14-16 beschreven. Hoe
is het in de kerk gesteld met de Bijbelse genezing van zieken?
Op enkele sporadische resten na is ze verloren gegaan. Mag ze
zich erover beklagen, als deze dienst nu door seculaire
genezingsbewegingen en sektarische wondergenezers ter hand wordt
genomen en op een niet altijd even heilzame manier wordt
uitgeoefend? Eerst in de laatste decennia is de Bijbelse
opdracht tot genezen ook binnen de kerk weer ontdekt en
aangegrepen, bevrucht door de psychosomatische geneeskunde en
gestimuleerd door de massale toeloop, die genezers en
genezingsbijeenkomsten zowel op werelds terrein alsook in de
Pinksterbeweging vonden. Het zou goed zijn, als het werk van de
oecumenische St. Lukas-rede diep in het bewustzijn en het
geloofsleven van de gemeenten door zou dringen.
Al met al leeft de kerk niet meer in een geestelijke volheid. En
het beste, dat ze ziehzelf toewensen kan, is een heilige
ontevredenheid, die met het oog op deze armoede en dorheid niet
tot rust komt. Deze ontevredenheid kan voor haar nooit een
aanleiding zijn, om de sekten bepaalde concessies te doen. Maar
ze zal achter de sektarische bewegingen een vermanende roepstem
Gods horen. Hij gebiedt haar niet alleen de dwaalleer te weren,
maar voor alles tot zichzelf in te keren en terug te keren tot
de waarheid, waaruit ze leeft en waardoor ze gedragen wordt.
De wereld der sekten tussen Protestantisme en Katholicisme
I. Beide grote confessies worden door een schare sektarische
acolieten begeleid. Bij het Protestantisme is dit aantal
belangrijk groter dan bij de Roomse kerk. Niet alsof deze
Laatste hier immuun voor zou zijn. Als de Katholieke "sekten",
tenminste in wijdere zin, zijn volgens de definitie van Alge
missen te noemen: de Oudkatholieke kerk (gesticht in 1871), de
Liberaal-Katholieke kerk in Engeland(gesticht gedurende de
eerste wereldoorlog), de Mariavieten in Polen (ontstaan in
1906), de sekte van Heroldsbach (sedert 1949/ (50). de Polish
National Catholic Church in de Verenigde Staten ( 1897) en de
Iglesia Filippina Independiente op de Philippijnen ( 1902). Maar
daarenboven is van oorspronkelijk Katholieke zijde ook nog
menige bijdrage gekomen tot versterking van het Protestantse
sektewezen. Niet weinig figuren van Katholieke herkomst zijn
stichters of leiders van aparte religieuze gemeenschappen en
sekten geworden. Zo was b.v. de stamapostel J. G. Bisehoff van
origine Katholiek. Uit de Katholieke wereld komen Jacob Lorber,
Rudolf Steiner, [oh. E. Keller (stichter van de
Perfectionistische Kellergemeenschap) en joseph Weissenberg
voort. Protestantse sekten als Jehova's Getuigen, de Kerk van
het Godsrijk, de Adventisten en menige Pinkstergemeenschap
hebben vele leden gewonnen uit de Katholieke kerk,
Over het algemeen genomen is het Protestantisme veel
"productiever" in het verwekken van sekten, Hoe komt dat? De
motieven zijn verschillend van aard. De Katholieke kerk kent een
autoritaire binding en leiding van de gelovigen. De Katholieke
dissenter heeft he el wat sterke innerlijke remmingen te
overwinnen, voor hij bereid is in tegenspraak tot zijn kerk een
eigen geloofswaarheid aan te hangen of zieh bij een sekte aan te
sluiten. De Protestant daarentegen mist niet alleen een
uiterlijke en innerlijke autoriteit, die met het pausdom te
vergelijken is, maar loopt gemakkelijk gevaar in de uitlegging
van de Schrift een dilettantisme of subjectivisme te huldigen,
dat de tekst van de Schrift ervoor gebruikt eigen vondsten en
lieveling ideeën bevestigd te willen zien en uit te geven voor
goddelijke waarheid.
Daar komt bij: De Katholieke kerk is zo ruim gebouwd, dat ze
binnen haar muren aan vele vromen en graden van vroomheid
onderdak verleent. Daarom heeft ze rijke mogelijkheden om
allerlei uiteenlopende opvattingen op te vangen, hun woonruimte
toe te staan en hen zodoende voor afsplitsing te bewaren. Het
Protestantse geloof is veel minder soepel. Daarbij komt, dat de
Protestantse vroomheid in de grond van de zaak naar binnen
gekeerd is en ook aan de kerk het kenmerk van eenvoud of wel
nuchterheid verleent. Ze is karig in haar cultische vormen.
Afgezien van de musica sacra kwam ze in beeldend vermogen ver
ten achter bij de Katholieke kerk. Daarom is ze ook niet in
staat op gelijke wijze als deze de mens in zijn veelheid van
gemoedsgesteldheden en noden aan te spreken. Ze kan hem ook
niet, vooral in tijden van levenscrises of historische
catastrofen, het gevoel van geborgenheid schenken, zoals de
Roomse kerk dat vermag in haar imposante, wereldwijde eenheid,
haar geestelijke macht en autoriteit en haar zichtbare
vertegenwoordiging van het goddelijke.
2. Er is nog een diepere grond, waarom er binnen de ruimte van
de reformatorische kerken zoveel meer sekten werden geboren.
Maar alvorens daarop in te gaan, moeten we een andere overweging
vooraf doen gaan. We hebben vastgesteld, dat de sekte een
antithetisch aan de dag legt tegenover de moedergemeenschap.
Maar staan de Protestantse sekten met hun protest tegen
Wittenberg en Geneve dan niet in hetzelfde kamp als de Roomse
kerk? Inderdaad, als men het sektewezen in al zijn schakeringen
overziet, ontmoet men overal .Katholieke" elementen. In de
wereld van de Protestantse sekten zijn ze fragmentarisch over de
afzonderlijke gemeenschappen uitgestrooid, in de Katholieke kerk
zijn ze in een indrukwekkende eenheid samengevat. De autoriteit
van de pauselijke stoel koert terug in de volmachtsaanspraken
van goddelijke incarnaties of autoritaire ambtsdragers bij
talrijke sektegemeenschappen. De exclusieve waarheidspretentie
en de gelijkstelling van de eigen gemeenschap met de
heilsgemeente heeft een analogie in de vereenzelviging van de
Katholieke kerk met het mystieke lichaam van Christus en in de
grondstelling: Extra ecclesiam nulla salus. De rijke eredienst
en het sacramentalisme vindt men terug in de Christengemeenschap
en in de Mormonenkerk. De onderscheiding van de Christenen in de
grote massa en de meergevorderden, zoals die bij du
Perfectionisten en de Pinksterbeweging aangebracht wordt, keert
In dc Katholieke kerk, zij het onder een zeer knappe, wijze
ordening, terug in de groeperingen van lekenstand en clerus, van
profane lieden en ordebroeders. Zoals de sekten het principe van
du sola scriptura vaarwel hebben gezegd, zo heeft de Roomse kerk
aan de autoriteit van de Schrift nog de traditie en het
onfeilbare leergezag toegevoegd. Horen de Protestantse sekten
dus principieel niet aan de kant van de Roomse kerk? Zijn ze
niet beide verbonden door het feit dat ze de theologia crucis
verdrongen hebben door de theologia possessionis? Moet men
derhalve niet ook de Katholieke kerk een sekte noemen?
inderdaad zou men daarvoor heel wat argumenten kunnen aan voeren
Maar ik zou het des ondanks met deze indeling toch niet eens
zijn. Zij doet aan de volheid van de Katholieke kerk geen recht.
Deze volheid bevat niet alleen de motieven, die aan de sekte
wereld inherent zijn, maar ook evangelische elementen. Deze
verschaffen aan de individuele Katholiek de mogelijkheid om zich
onder het kruis te stellen en niet slechts zijn eigen
geloofsleven daaraan te oriënteren, maar ook de dogma's,
verordeningen en cultische regels van zijn kerk te
verinnerlijken, met een evangelische geest te vullen en
onderscheid te maken tussen wat essentieel is en wat niet.
En nu dan de vraag, waarom binnen het bereik van het
Protestantisme de sekten zoveel weliger tieren. De diepste reden
daarvan is, dat de reformatie met haar sola gratia, sola fide de
machtige boom van de Katholieke heilsleer en
heilsverwerkelijking geveld heeft. Ze heeft daarmee enerzijds
het geloof van het twijfelachtige van alle menselijke strevingen
bevrijd en het op de vaste bodem van de goddelijke beloften
geplaatst. Maar anderzijds vergt ze van de gelovige, dat hij
afziet van iedere beveiliging en garantie door eigen activiteit
of door een kerkelijke autoriteit. Dat is een last, welke de
Kathollek niet heeft te dragen. Het is geen wonder, dat er op
Protestants erf steeds weer pogingen worden ondernomen, om deze
last van zich af te schudden. De sektevormingen, die daarbij
ontstaan, zijn in de grond van de zaak niets anders dan
wild-woekerende zijloten aan de stronk van de door de reformatie
afgehouwen boom van de Katholieke heilsleer. Ze nemen de
principes en structuurelementen van deze heilsleer weer op, zij
het ook in velerlei vermommingen en in fragmentarische vormen.
In hun protest tegen de Protestantse kerk keert postuum de
antithetisch tussen Rome en reformatie terug, slechts met dit
verschil, dat de sekten een protest tegen de reformatie
vertegenwoordigen, dat van binnen uit komt.
3. Ons onderzoek heeft aangetoond, wat de notae sectae, de
kenmerken van de sekte zijn, te weten: het zieh meester maken
van de genade en als gevolg daarvan de theologia gloriae sectae
en de theologia possessionis. In het zich meester maken van de
genade zijn veel graderingen. Hoe sterker de sekte de genade in
haar greep tracht te krijgen en monopoliseert, des te
ondubbelzinniger is ook de theologia gloriae sectae en de
theologia possessionis ontwikkeld, Het omgekeerde geldt
insgelijks. Het sektarisme is derhalve geen homogeen
verschijnsel, maar vertoont vele overgangen en nuances.
Het is ook geen star verschijnsel. De geschiedenis van de sekten
kent naast verwijdering ook een toenadering tot de kerk, Deze
zet telkens daar in, waar de theologia possessionis twijfel gaat
oproepen. Van hieruit worden dan ook de andere posities onzeker.
Er ontstaat een zeker vacuüm. En in dit vacuüm stromen elementen
van de Bijbelse waarheid na ar binnen. Er bestaat een intieme
correlatie tussen de theologia possessionis en de theologia
crucis: hoe sterker de ene wordt uitgebouwd, des te meer
verliest de andere aan geldigheid.")
Samenvattende kan men zeggen: De Protestant se sekten nemen een
bijzondere plaats in tussen Rome en de reformatie. Ze zijn met
Rome verbonden door de gemeenschappelijke antithetiek tegenover
de reformatie, bereiken echter in hun thetiek niet de volheid
van de Roomse kerk, maar nemen er genoegen mee, bepaalde
motieven van de Katholieke leer en vroomheid verder uit te
werken. Aangezien zc vanuit hun Protestantse herkernst de
afwijzing van Rome als erfgoed hebben meegenomen, zullen ze zieh
bij een bredere ontplooiing van hun sektarisch karakter nooit
ontwikkelen in de richting von de Katholieke kerk, maar zieh van
haar verre houden en tegenover haar "extra ecclesiam nulla
salus" hun rivaliserend "extra Huctam nulla salus" zetten.
Tegenover de reformatie staan de sekten weliswaar in een
protesthouding, maar ze zijn door een so ort "communtcerend vat"
met haar verbonden. Afhankelijk van de mate, wuurin ze de
theologia possessionis verder uitbouwen, neemt ook dn
vorwijdering van de Protestantse kerk toe of af. De mate, waarin
do thoologia crucis al of niet haar invloed doet gelden, bepaalt
ook de mate van hun sekte-zijn en daarmee van de verwijdering
van de kerk
Enige regels voor het gesprek met de sekten
Het gesprek tussen kerk en sekte vindt veelal plaats in een
atmosfeer van bitterheid. Daaraan werken verschillende motieven
mee, die bepaald niet uit het Nieuwe Testament stammen. Voor
zover de kerk in zulke motieven gevangen zit, is ze het aan de
zaak die ze voorstaat, verplicht, zich daarvan vrij te maken en
het gesprek zo te voeren, dat het voor haar Heer bestaan kan. De
volgende regels zijn bedoeld als een hulp in deze zin.
1. Wat betekent "gesprek" met de sekten? Het is niet een
bijzondere kunst van discussiëren of argumenteren met de
bedoeling de tegenstander te weerleggen, zijn bewijzen te
ontzenuwen en hem van zijn motieven te beroven. Het is beslist
niet zoiets als het poneren en handhaven van een theologisch
"stootblok", dat men speciaal voor de bestrijding van de sekten
in elkaar timmert. "Gesprek" is eerst dan en in zoverre
geoorloofd en geboden, als het onverkorte verkondiging is -
betuiging van de waarheid van de Schrift midden in de wereld van
de sekten en actualisering van deze waarheid ten overstaan van
de sektarische leer. Die actualisering heeft een positieve en
een polemische kant. Daarbij moet de nadruk vallen op de
positieve ontvouwing van de Schriftwaarheid en niet op de
polemiek. Want als uitsluitend de polemiek aan het woord komt,
kan ze alleen weerleggen en niet overtuigen. Het gesprek moet de
hoogste mate van zakelijkheid paren aan die deemoedige,
evangelische geesteshouding, die tot het wezen van het
Christen-zijn behoort. Want het gaat er om de dwalende te
winnen, niet om hen te kwetsen. Waar liefdeloos en hoogmoedig
geoordeeld wordt, schiet men het doel voorbij. In laatste
instantie is niet de kwaliteit van de bewijsgronden en de logica
van de weerleggingen beslissend, maar de deemoed van het geloof.
Alleen deze deemoed verleent aan het getuigenis van de kerk en,
waar dit nodig is, ook aan haar zwijgen kracht, omdat ze een
weerschijn is van de zaak, waaruit ze leeft, namelijk van de
genade.
2. Het gesprek wordt van kerkelijke zijde vaak vergiftigd door
de omstandigheid, dat het gepaard gaat met een dergelijk
complex, dat eigen is aan degene, die zich van oudsher de
bezitter voelt en die de werving door de sekten als een
ongeoorloofde en boosaardige aanval op een kerkelijke bezitting
ondergaat en de sektariërs beschouwt als provocerende indringers
in een gebied, dat sedert eeuwen eigendom is van de kerk. Achter
dit standpunt zullen wel motieven schuil gaan, die uit
gemakzucht, traditionele gebondenheid of een egotistisch
kerkelijk denken voortkomen, maar voor de Schrift is dit nooit
te rechtvaardigen. De kerk heeft niet zoiets als een haar door
God voor alle tijden gewaarborgde "staat van bezit". De zielen,
die haar zijn toevertrouwd, zijn voortdurend aan allerlei
gevaren blootgesteld, zodat ze werkelijk om hen moet vechten. Ze
mag geen ogenblik haar waakzaamheid laten verslappen - en
waarlijk niet alleen tegenover sektarische dwaalleringen!
3. Het pastoraat, dat aan de kerk is opgedragen, verbiedt haar
naar niet geestelijke middelen te grijpen - b.v. de hulp van de
overheid in te roepen - om de gemeenten voor de propaganda van
de sekten te beschermen. Het zou een bewijs van klein geloof
zijn, als men het Woord van God niet zelf in staat achtte, om
aan de verleiding weerstand te bieden. En het zou een erkenning
van eigen zwakheid zijn, als men zou menen een sterk toenemende
werving van de zijde van de sekten alleen te kunnen tegengaan,
door met behulp van overheidsmaatregelen een verdedigingsmuur om
de gemeenten op te bouwen. Wie meent, dat het de opdracht van
het pastoraat is, de gemeente om zo te zeggen in de watten te
leggen en haar tegen ieder tochtje te beschermen, ziet het
verkeerd. Men bewijst de gemeente daarmee geen dienst.
Integendeel, men berooft haar, zodoende van de geestelijke
winst, die in ieder "gesprek", dat zuiver en juist gevoerd
wordt, besloten ie. Vanouds heeft de ervaring bewezen, dat het
Woord Gods juist in de aanvechting door een vreemde leer leven
wekt, omdat het de gemeente voor de keuze stelt en haar dwingt
zich te bezinnen op het fundament en de juistheid van haar
geloof en de waarheid daarvan te belijden. Het pastoraat vraagt
daarentegen van de kerk, dat zij - en dat zijn niet alleen de
ambtsdragers, maar alle levende leden van de gemeente tegenover
de dwaalleraars getuigt van de waarheid van de Schrift, de
aangevochtenen bijstaat en de afvalligen verontrust.
4.De sekten opereren in hun polemiek tegen de kerk graag met de
comparatief: "Bij ons vindt men meer geloof, meer echte
vroomheid, een zuiverder gemeente, een diepere kennis van de
waarheid en een grotere trouw aan de letter van de Bijbel dan in
de kerk!" Dit argument verdoezelt het feitelijke onderscheid.
Bij de tegenstelling tussen kerk en sekte gaat het niet om meer
of minder, maar om de tegenstelling tussen tweeerlei
waarheidsleer. Omdat deze tegenstelling tot aan de wortel reikt,
is ze niet partieel, maar totaal. De kennis van de waarheid
verloopt bij de reformatie van haar uitgangspunt af in een
andere richting en langs een andere weg dan de waarheidsleer van
de sekten. De sekten gebruiken weliswaar de zelfde Bijbelse
elementen en begrippen, maar deze hebben bij hen een andere
plaats en een ander accent, en krijgen bij hen ook een andere
inhoud en toepassing. Het gesprek met de sekten mag zich
derhalve niet tot enkele aparte Leerstukken beperken, en het
overige van de leer in de mening, dat men het daarover wel samen
eens is, terzijde laten, maar moet het geheel van de sektarische
geloofsposities in ogenschouw nemen en daaraan de waarheidsvraag
stellen.
5. De waarheid welke aan de kerk is toevertrouwd en waarvan ze
tegenover de sekten getuigen moet, is een waarheid van bijzonder
karakter. Ze is niet een product van de menselijke geest, maar
het "Woord Gods". Gods majesteit leeft in haar. Daarom heeft ze
een souverein recht over de kerk. Dat betekent, dat ze aan de
kerk is toevertrouwd, maar haar niet ter beschikking is gesteld.
Veeleer andersom: de kerk is aan de waarheid ter beschikking
gesteld. De waarheid kan nooit een "werktuig" en een instrument
van de kerk zijn. Wel echter moet de kerk er alles op zetten een
bruikbaar werktuig van Gods waarheid te worden. Dat zal ze
vooral ook bij haar gesprek met de sekten moeten bewijzen.
6. Omdat de waarheid Gods boven de kerk staat en soeverein is,
is ze niet aangewezen op menselijke verdediging. Ze verdedigt
zichzelf. Alle kerkelijke apologetiek kan niet anders dan
handlangersdienst zijn. Ze moet zieh de begrensdheid van haar
opdracht bewust blijven en werken in het vertrouwen, dat het
Woord zijn zaak zelf behartigt. Dan moet ze ook niet op snelle
en zichtbare successen bedacht zijn, maar mag ze alles aan God
overlaten. Hij zal ervoor zorg dragen, dat het Woord, in
gehoorzaamheid verkondigd, niet ledig weerkeert. God heeft een
lange adem en Hij wacht de uitwerking van zijn Woord geduldig
af. Daarom mogen nervositeit en geprikkeldheid in het gesprek
met de sekten nooit voorkomen, evenmin als matte berusting. Dat
zijn gevolgen van klein geloof of van verloochening van de rol
van handlanger, die de mens toebedeeld is. Wie weet heeft van de
macht van het Woord Gods, zal onversaagd en blijmoedig blijven,
ook al dreigen de golven der verleiding hem te overspoelen.
7. Het Woord heeft, omdat het het Woord Gods is, een heilige
waardigheid aan zich. Deze waardigheid mag in de strijd der
overtuigingen niet gekrenkt worden. Wie haar schaadt, maakt zich
schuldig voor God en tast de geloofwaardigheid van het Woord
aan. aan. Men schaadt de waardigheid van het Woord, als men er
op een onwaardige, d.w.z. niet geestelijke wijze, mee optreedt
tegen de dwaalleraars. Daarom geldt de stelregel, dat wie van
dit Woord in het gesprek met de sekten getuigen wil, zich
allereerst zelf door de waardigheid van het Woord verplicht moet
weten. Hij zal dan van alle onwaardige strijdmiddelen afzien,
ook al zouden ze van menselijk oogpunt uit "efficiënt" zijn. Hij
zal - om enige voorbeelden te noemen - tegenover de sektariërs
de ernst van hun overtuiging niet in twijfel trekken, Hij zal
hen niet als kwaadwillige of minderwaardige lieden behandelen.
Hij zal over hun leer of hun gedrag geen vals getuigenis geven.
Hij zal hen niet op de een of andere wijze persoonlijk in
diskrediet brengen, lasteren of krenken. Hij zal integendeel
zijn best doen, om binnen het bereik van het menselijk mogelijke
alles ten goede te keren. Daarom zal hij tegen kwalijke
vooroordelen, die met de waarheid in strijd zijn en zoals ze
maar al te veel over de sektarische gemeenschappen in omloop
zijn, opkomen. Hij zal vrijmoedig het goede, dat er bij hen
gevonden wordt, erkennen - en er is veel, dat deze erkenning
verdient: de grote overtuigingskracht, de offerbereidheid, de
trouw aan het belijden, de ernst van hun zedelijk streven, de
broederlijke band met elkaar, de bereidwilligheid om spot en
maatschappelijke discriminaties te aanvaarden. Hierin geven de
sekten voorbeelden, waarmee ze de kerkelijke gemeenten veelszins
beschamen. Wie zich door de waardigheid van het Woord Gods
verplicht weet, heeft geen enkele neiging meer tot kleinzielig
geruzie. Hij heeft ook de vrijheid de dingen, waarin de sekte
een voorbeeld is, te waarderen en daaruit de vermaning te
vernemen, die zich tot de kerk zelf richt. Anderzijds zal hij
betweterij, waar hij die van de kant van de sekten tegenkomt,
met geduld tegemoet treden, fanatisme met rustige
vastberadenheid, en aanmatiging met de belijdenis van de
gekruisigde, Hij zal alles, wat naar demagogie zweemt, tot het
uiterste vermijden, Als het tot openlijke discussies komt, zal
hij van zijn kant alles doen om te verhinderen, dat deze in
paradegevechten ontaarden, Waarbij ieder onder alle
omstandigheden het laatste woord wil hebben en als "overwinnaar"
het slagveld verlaten wil. Hij zal zich ook bij zulke discussies
eraan laten herinneren, dat hij niet anders heeft te zijn dan
handlanger van het Woord en dat zijn opdracht niet is, de
tegenstander uit het veld te slaan, maar om in alle eenvoud te
getuigen van de waarheid.
8. De kern van deze waarheid is het Woord van de heilige
majesteit Gods en de boodschap van het kruis. Het is geen
academisch vrijblijvende waarheid, maar een die eisen stelt. De
eis richt zich allereerst tot degene, die haar verkondigt, en
houdt in, dat hij zich door haar laat overwinnen. Alleen wie
zelf een overwonnene is, kan geloofwaardig van haar getuigen.
Wie deze waarheid wil verkondigen, zonder overwonnen te zijn,
kan haar wel trachten te handhaven, maar zonder zijnerzijds haar
werktuig te zijn. En daarmee vervalst hij haar grondig. Want hij
keert de verhouding, waarin de mens staat tot Gods waarheid, om
in haar tegendeel: hij werpt zich op als heer en meester over
haar en vernedert haar tot zijn werktuig, dat hij zo efficiënt
mogelijk en met theologisch, tactisch, retorisch, psychologisch
raffinement etc. gebruikt om de dwalende te weerleggen. Dat is
een ernstig misbruik. Het veroorzaakt bij de tegenstander
misschien verlegenheid of bitterheid, maar geen gewetensonrust
en geen bekering. En het richt zich ook te gen de dader zelf.
Men ver gisse zich niet: Het Woord Gods is een tweesnijdend
zwaard. Het wordt ook degene, die het alleen maar gebruikt als
een wapen om anderen mee te wonden, tot een oordeel.
9. Het Woord Gods staat boven de kerk. De opdracht tot het
gesprek met de sekten houdt in, deze terug te roepen tot de
gehoorzaamheid onder het Woord. De kerk zou haar doel missen,
als ze het louter als haar opdracht zag, zichzelf in haar
concrete gestalte te verdedigen en er voor te zorgen, dat de
gemeenten in zichzelf gerust en van zichzelf zeker zouden zijn.
De zichtbare kerk is niet identiek met het Woord. Ze is veeleer
- evenals de sekten ook zijn - vanuit het Woord geroepen om te
horen en te gehoorzamen. Ze mag zich geen ogenblik uit deze
creatuurlijke positie ontslagen achten. Daarom zou het gesprek
met de sekten in een poel van zelfvoldaanheid eindigen, als het
de sekten zou willen confronteren met de kerk en hun uit deze
vergelijking de veelvuldige voordelen van de kerk zou willen
bewijzen. Het is alleen dan legitiem, als het zich moeite geeft
de sekteleer te confronteren met het W oord. Deze confrontatie
sluit echter in, dat de kerk tegelijkertijd ook zichzelf door
het Woord ter verantwoording en tot de orde laat roepen. Als ze
zichzelf zou elimineren, zou het gesprek verworden tot een
farizeïsche aangelegenheid. Waar echter de kerk zichzelf erbij
betrekt en met de roep tot gehoorzaamheid, zoals die vanuit het
Woord tot de sekten uitgaat, allereerst zelf ernst maakt, komt
het gesprek op een hoger plan. In dit vlak krijgt het getuigenis
van de kerk zijn vereiste geloofwaardigheid, omdat ze het voor
zichzelf laat gelden. En het gesprek met de dwaalleer wordt haar
tot heil, omdat ze zichzelf met nieuwe ernst door het Woord
terecht laat wijzen. En tenslotte kan het in dit vlak gebeuren,
dat een diepe solidariteit zichtbaar wordt, waarin beide, kerk
en sekte, samen onder het Woord staan - de solidariteit van
degenen, die God roept, die voor Hem schuldig staan en alleen
uit zijn genade kunnen leven. Het ligt in de macht van de
Heilige Geest, on der de zegenende werking van het Woord uit dit
gebeuren zowel een geestelijke overwinning van de dwaalleer als
een hereniging in de gemeenschap van het geloof van hen, die nu
gescheiden zijn, te laten ontkiemen.
AANTEKENINGEN
1. H. Mulert - E. Schott, Konfessionskunde.
Berlin 19563. Pag. 12 v.
2. Dr Walt er Schulte, "Sektierer und
Schwarmgeister - psychiatrisch ge-
sehen". Deutsches Pfarrerblatt 1953, 13.
3. Hans Heimann, Prophetie und
Geisteskrankheit. Bern 1956. Pag. 24.
4. Nathan Söderblom, Einigung der
Christenheit. 1925. Pag. 121.
5. Konrad Algermissen, Konfessionskunde,
19506• Pag. 79. Volledigheidshalve dient nog wel te worden
opgemerkt, dat Algermissen daarnaast nog een enger sektebegrip
kent, door bij de niet-Katholieke gemeenschappen te
onderscheiden tussen "volkskerken en vrije kerken" enerzijds en
"sekten" anderzijds. Van laatstgenoemden geeft hij de volgende
definitie: "Sekte is een, niet slechts tegenover de ene ware
Wereldkerk van Christus, doch ook ten opzichte van de overige
christelijke kerken antithetisch staande, individualistisch
gerichte christelijke gemeenschap, die als kerk-van-vrijwilligen
aan haar donatistisch kerkbegrip en ethisch rigorisme een
willekeurige Schriftexegese, religieuse geestdrijverij en
proselietenmakerij verbindt, met hoogmoedig fanatisme aan
bepaalde bijzondere leerstukken vasthoudt en in haar verwachting
van Christus' spoedige wederkomst chiliastisch en
cultuurvijandig ingesteld is." (Pag. 84)
6. Hoe zeer men hier onderscheiden moet,
blijkt b.v. uit het feit, dat grote Pinkstergemeenschappen als
de "Assemblies of God" of "der Christliche Gemeinschaftsverband
Mülheim/Ruhr" ieder verband met andere Pinkstergroepen, die een
ongebreidelde geestdrijverij beoefenen, afwijzen. Ze zijn van
mening, dat deze groepen geen twijgen zijn aan de stam van de
Pinksterbeweging, maar ontaardingen en "sekten". De
superintendent van de "Assemblies of God", Arthur G. Osterberg,
uitte bij een terugblik op de vijftigjarige geschiedenis van de
Pinksterbeweging de klacht: "Wij hebben ook reeds onze problemen
- vooral t.a.v. de zgn. gezondbidders. Tegenwoordig zijn
geloofsgenezingen vaak niets anders dan psychologische effecten
of zonder meer zwendel; toen de Pinksterbeweging nog aan het
begin stond, vonden ze werkelijk uit de kracht Gods plaats." De
echte Pinksterbeweging is volgens hem Protestants en moet met de
andere Protestanten samenwerken. "We weten, dat we
,halsstarrige' sekten onder ons hebben. Die hebben met ons
weliswaar de naam gemeen, maar niet de doelstelling." In
dezelfde geest uitte zich de vooraanstaande Engelse
Pinksterprediker Donald Gee: De uitdrukking "Pinkstergroep" is
zo'n breed scherm geworden, dat ze moet dienen om sekten en
praetijken te dekken, die geen enkele werkelijke aanhanger van
de Pinksterbeweging, die zich zijn verantwoordelijkheid bewust
is, ook maar een ogenblik voor zijn rekening kan nemen. "Wij,
die in onze eigen beweging opkomen en vechten voor een oprecht,
bijbels en zuiver getuigenis, zouden ons eerlijk schamen, ons,
al was het alleen maar in naam, te verenigen met bepaalde
dingen, die ons voor de voeten geworpen worden."
7. "Unsere Ziele und Richtlinien für die
Erbauung und Vollendung des Leibes Christ", uitgegeven door de
"Hauptbrüdertag" van de Duitse Pinkster beweging te Berlijn,
1917. Pag. 16.
8. Werner Skibstedt, Die Geistestaufe im
Licht der Bibel, Pag. 104 vv,
9. Mazdaznan leert aangaande de verlossing:
"De mens kan door een uiterlijk en innerlijk reine levenswijze
komen tot zelfverlossing. Individueel streven en inspanning
leiden langzamerhand tot het vrij worden van begeerten en
hartstochten. Door ons hier met alle macht voor in te zetten,
verwerven we een steeds grotere reinheid, en Gods genade zal ons
tegemoet treden 'zoals de Vader de verloren zoon'. De arbeid aan
onszelf is dus beslissend voor de verlossing."
(Mazdaznan-Mitteilungen, 8 april 1957)
10. Wächterstimme 1951, 9.
11. Stamapostel J. G. Bischoff in "Christi
Jugend" 12, 15 juni 1956.
12. Jugendfreund 1956, 4.
13. Wächterstimme 21, 1 november 1950.
14. Deze autoritaire uitspraken tonen
duidelijk aan, hoever de stamapostel zich van de grondslag van
de Schrift verwijderd heeft. Volgens de leer van de
Hersteld-Apostolischen is Petrus de eerste "stamapostel"
geweest. Maar er is geen enkele overeenkomst te vinden tussen
hem en de ambtsopvatting, zoals b.v. J. G. Bischoff die
vertegenwoordigt. Wie de handelingen, woorden en brieven van
Petrus nagaat, zal nergens ook maar een spoor kunnen ontdekken
van iets, dat lijkt op een absolute heerschappij in de
apostelkring of op een godsdienstig middelaarschap of op een
monopolistisch recht op de Heilige Geest. Petrus maakte het heil
niet afhankelijk van de gehoorzame onderwerping aan zijn
persoon. Hij was er zich niet van bewust, Gods uitgestoken hand
der liefde te zijn. Hij wilde niet anders dan de getuige zijn,
wiens uitgestoken hand wees naar de gekruisigde als de bron des
heils. Hij was zich er al evenmin van bewust, dat in hem
krachtens zijn ambt de uitsluitende bron van de Heilige Geest
vloeide, en hij heeft de Geest in geen geval met een zekere
routine en middels een voor het heil onmisbaar genoemde
"verzegeling" uitgedeeld.
15. Wächterstimme 23, 1 december 1951.
16. "De Herstelde Mens", een uitgave van de
Lou-groep, Amsterdam z.j.
17. Weg und Ziel 51, 16 december 1956.
18. Dr Rauber in Gralswelt, mei 1951.
19. Weg und Ziel 8, 24 februari 1957.
20. Wachtturm, 1 oktober 1950.
21. Wächterstimme 17, 1 september 1955.
22. Wächterstimme 9, 1956.
23. Vergelijk bovendien de uitspraak van
Mary Baker Eddy: "De verzoening van Christus verzoent de mens
met God, niet God met de mens; want het goddelijk beginsel van
Christus is God, en hoe kan God Zich met Zichzelf verzoenen?"
(Wetenschap en Gezondheid). Waarom een "verzoening" van de mens
met God door Christus eigenlijk nog nodig is, is echter niet
duidelijk; want de zonde is volgens de Christian Science geen
tegen
God gerichte daad van ongehoorzaamheid,
maar louter een misverstand, dat op onjuiste inbeeldingen berust
en alleen door het laten varen van deze inbeeldingen uit de weg
geruimd kan worden.
24. Wächterstimme 7, 1956.
25. Joachim Jentzsch, Die Christliche
Gemeinschaft "Hirt und Herde", 1956
Pag. 47.
26. Weg und Ziel 12, 24 maart 1957.
27. joehen Klepper, Unter dem Schatten
deiner Flügel. Stuttgart 1956. Pag 87.
28. Das Wort, januari 1957.
29. Evangeliumsposaune 4, 15 februari 1957.
30. Philipp Täffler, Der Schlüssel zum
lebendigen biblischen Glauben, Pag. 6.
31. Bote der Gemeinde Gottes, augustus
1955.
32. Bote der Gemeinde Gottes, april 1956.
33. Bote der Gemeinde Gottes, mei 1956.
34. Wächterstimme 17, 1 september 1956.
35. Rudolf Steiner, Das johannes-Evangelium
im Verhältnis zu den drei anderen Evangelien, besonders zu den
Lukas-Evangelium. Dornach 1928. Pag. 197.
36. Jugendfreund 1955, 11.
37. Leonhard Steiner, Mit folgenden
Zeichen. Basel. 1954. Pag. 187.
38. Weg und Ziel 3, 20 januari 1957.
39. Bericht von der Jahrestagung 1947.
40. Uit een protocollair verslag van de
"Reichs-Israël-Gemeinde".
41. Wachtturm 2, 15 januari 1957.
42. Weg und Ziel 10, 10 maart 1957 en 12,
24 maart 1957.
43. Der Jugendfreund 10, 1 oktober 1956.
44. Wächterstimme 24, 24 december 1956.
45. Wächterstimme 17, 1 september 1956.
46. In een geschrift "Antwort auf die
Angriffe gegen William Branham", dat door Zwitserse
Pinkstergroepen is uitgegeven, heet het zelfs: "Naar het woord
van Jezus in Marc. 3, 28v is deze bewuste verdraaiïng van het
werk van de Heilige Geest tot een werk der duisternis de zonde
van de lastering van de Heilige Geest, die degenen, die het
Woord Gods kennen, niet vergeven kan worden, noch in deze, noch
in de toekomende eeuw."
47. Wachtturm, 15 mei 1951.
48. Wachtturm, 15 mei 1950.
49. Onverbloemd verklaarde b.v. stamapostel
J. G. Bischoff, dat het in de vele eeuwen van het "apostelloze"
tijdvak "niet mogelijk is geweest, de witte klederen te
ontvangen" (Openb. 16, 15). En zijn zoon, apostel Fritz
Bischoff, voegde daaraan toe, "dat dit kennelijk een tijd
geweest is, waarin de akker der mensheid verdord en verdroogd;
was en niet in staat om goddelijk zaad te ontvangen en het tot
ontwikkeling en rijpheid te brengen." (Unsere Familie 3 5
februari 1957)
50. Dr W. Shulte meent onder de leidende
figuren van de sekten veelvuldig het type van de fanatieke mens
met een Ziekelijke geldingsdrang aan te treffen. Wat de
aantrekkingskracht van dit type is, is "de hoge mate van
subjectieve zekerheid, waarmee hij de heilsleer in samenhang met
onwaardige ideeën voordraagt." Vele fanatici beschikken over
bijzondere suggestieve krachten en lopen het gevaar, "dat deze
krachten tot doel in zichzelf verheven worden, hun remmen
verliezen en tenslotte er alleen nog maar op afgestemd raken,
voornamelijk de eigen persoon in het middelpunt te plaatsen". De
mens met de ziekelijke geldingsdrang kan deze behoeften in het
raam van het normale leven niet bevredigen en meent nu in de
kring van de sekte "zo mogelijk onder de dekmantel van een
diepere vroomheid" dit doel wel te kunnen bereiken (Deutsches
Pfarrerblatt 1953, 13). Zou het niet mogelijk zijn, dat er toch
een ondergrondse betrekking bestaat tussen de theologia gloriae
sectae en het hier getekende type van de sekteleider?
51. Wächterstimme 20, 1955.
52. Wachtturm 2, 15 januari 1957.
53. Abd-ru-shin, lm Lichte der Wahrheit,
pag. 147.
54. Weg und Ziel 4, 27 januari 1957.
55. Uit de "Botschaft" van J. G. Bischoff,
Kerstmis 1951.
56. Wächterstimme 22, 15 november 1956.
57. Wachtturm 3, 1 februari 1957.
58. Naar mededelingen in "Herold" 7, 1
december 1954 en 8, 15 december 1955.
59. Verslag van het paascongres in 1950 van
de "Bruderschaft: Der König
Kommt!" mei 1950.
60. Der Köning Kommt! Nr 8, augustus 1950.
61. Wachtturm, 15 november 1950.
62. E. G. White, Ervaringen en Visioenen.
63. E. G. White, Ervaringen en Visioenen.
64. Unsere Familie 18,
20 september 1956.
65. Mary Baker Eddy,
Retrospection and Introspection.
66. Freytag, Botschaft an die Menschheit,
pag. 63 en 261.
67. Anzeiger des Reiches der Gerechtigkeit
1952, 6.
68. Uit een prospectus van Lorber- Verlag
in Bietigheim.
69. Uit een prospectus van de uitgeverij
van de stichting "Gralsbotschaft" in Gmünd.
70. Karl Schmidt, Jenseits der
Kirchenmauern. Berlijn 1909. Pag. 96.
71. Or J. W. Hauer, Werden und Wesen der
Anthroposophie. Stuttgart 1922.
Pag. 97.
72. GottIob Schrenk, Vom Geist bewegte
Gemeinde. Zürich 1956. Pag. 17.
73. Natuurlijk mag men deze zin niet
generaliseren. De motieven, die bijdragen tot de afwijzing van
de geloofsweg, welke de reformatie verkondigde, zijn van zeer
complexe aard. Men moet hier ook psychologische aspecten laten
gelden. Dr W. Schulte wijst er b.v. op, dat mensen, die
ontvankelijk zijn voor een sektarische leer, zich veelal
onderscheiden door een bijzondere mate van suggestibiliteit.
"Het zijn grotendeels weinig zelfstandige figuren, ja zelfs
mensen, die zeer onzeker zijn van zichzelf, en verlangen naar
een vast fundament, en wel een zodanig, dat tastbaar is en dat
hun nu in de kring van de sekten geboden schijnt te worden."
Deutsches Pfarrerblatt 1953, 13.
74. In dit opzicht worden momenteel reeds
een aantal veelbelovende pogingen ondernomen. Hier worde slechts
herinnerd aan het levenswerk van Karl Heim; of aan de taak,
welke de "Evangelische Akademien" in Duitsland en andere
instellingen (o.a. "Kerk en Wereld" en de Vrije Universiteit ten
onzent) op zich genomen hebben, om de problemen van de politiek,
de sociale orde, de techniek, de handel, de kunst, het
wetenschappelijk onderzoek, van de atoomphysica af tot aan de
parapsychologie toe, te doordenken en van de Schrift uit te
beantwoorden. Een voortreffelijk voorbeeld van deze poging om
verloren gebied weer onder het heslag van het Woord Gods te
krijgen, biedt Adolf Köberle in zijn boek "Der Herr über alles",
Furche-Verlag, Hamburg 1957.
75. Men kan dit verschijnsel duidelijk
waarnemen bij de laatste afsplitsing van de
Hersteld-Apostolischen, de "Apostolische Gemeente": Aanleiding
tot deze splitsing waren al te hoog opgevoerde
autoriteitsaanspraken van de stamapostel. Een aantal apostelen,
die zich in de zelfstandigheid van hun ambtsmacht bedreigd,
voelden en zich tot ondergeschikte functionarissen van de
stamapostel gedegradeerd zagen, kwamen daartegen in opstand.
Daar kwam dan nog allerlei persoonlijke wrok bij over de
autoritaire manier van regeren van Bischoff. De brand sloeg
erin, toen de stamapostel zijn "boodschap" van de wederkomst van
Christus nog tijdens zijn leven in 1951 tot bindend
geloofsartikel verhief. Het protest tegen de dogmaverklaring van
deze boodschap tastte de autoriteitsaanspraken van Bischoff aan.
Het fundament van de Hersteld-Apostolische theologia
possessionis raakte aan het wankelen. Openlijk werd in twijfel
getrokken, of het eigenlijk wel juist was, dat de stamapostel
deze heerschappij over de apostelen en de macht over het
zielenheil der gelovigen uitoefende. Men ging in de Bijbel na,
hoe het stond met de voorrangspositie van de eerste
"stamapostel" Petrus. Het resultaat weersprak de huidige
practijk. Men verweet nu de stam apostel, dat hij Christus had
verdrongen en zelf diens plaats had ingenomen. Zijn positie werd
ondergraven. Daarvoor in de plaats kreeg het Schriftwoord weer
een sterkere geldigheid. Men zwoer de Hersteld-Apostolische
stelling, dat het "actuele woord" van het huidige apostelambt de
voorrang heeft op de "oude" godsopenbaring, af. Met het
wegvallen van de massieve Hersteld-Apostolische heilsgarantie
begon ook het besef van zonde en verlorenheid! weer sterker naar
voren te komen, en tegelijk kreeg men weer oog voor het heil
Gods, dat in Christus is toegezegd: "Ons doen en laten is bij
God bekend. Daarom willen we er niet gemakkelijk over heen
lopen. In het algemeen denkt men er veel te gemakkelijk over.
leder van ons is daar ontvankelijk voor. Maar we willen de ernst
niet uit het oog verliezen en ons leven zo inrichten, dat Gods
welgevallen erop rusten kan. Iemand, die zich een zondaar weet,
smeekt om genade. De genade bewerkt, dat we niet te licht
bevonden worden, maar dat de weegschaal in evenwicht komt. Op
een andere manier is het juiste gewicht niet te bereiken. Welke
waarde heeft de verdienste van Christus voor iemand, die meent,
dat hij het al ver gebracht heeft? Christus' verdienste bezit de
grote waarde en is groot genoeg om de weegschaal van alle zonde
weer in evenwicht te brengen. De genade is groter dan de zonde."
In deze woorden van apostel Kamphuis (Herold 14 van 15 maart
1957) is niet meer sprake van de "genade stoel" van de
stamapostel, van de "macht tot binden en ontbinden" van de
"wijnstok des Heren". Deze hele instantie is uitgevallen. De
mens ziet zich onmiddellijk voor God geplaatst. En reeds begint
de theologia cru cis zich in haar eerste omtrekken af te
tekenen. Tegelijkertijd wordt de theologia gloriae sectae
afgebroken. De Apostolische Gemeente houdt zichzelf niet meer
voor het enige "verlossingswerk Gods op aarde". Zij kent
zichzelf nog wel bepaalde voorrechten boven andere Christelijke
gemeenschappen toe, maar ze leidt daar geen exclusief heilsbezit
meer uit af.
_____________________________________________________________________________
VERKLARING VAN
DE MEEST VOORKOMENDE LATIJNSE EN GRIEKSE WOORDEN EN
UITDRUKKINGEN
|
apocalyptisch |
wat betrekking heeft op hetgeen in de eindtijd en bij het laatste
oordeel gebeuren gaat
|
|
|
crimen laesae majestatis sectae |
majesteitsschennis tegenover de sekte
|
|
|
Deus absconditus |
de verborgen God
|
|
|
Deus revelatus |
de geopenbaarde God
|
|
|
ecclesia militans |
de strijdende- kerk
|
|
|
ecclesia triumphans |
de triumferende kerk
|
|
|
extra ecclesiam nulla salus |
buiten de kerk geen heil
|
|
|
extra sectam nulla salus |
buiten de sekte geen heil
|
|
|
gloria Dei |
de ere Gods
|
|
|
gloria sectae |
de glorie van de sekte
|
|
|
Gratia |
genade, door genade |
|
|
gratia Dei |
(door) de genade Gods
|
|
|
gratia praeveniens |
genade, die vooraf gaat, voorkomt
|
|
|
gratia subveniens
|
genade, die begeleidt, er onderwijl bij komt
|
|
|
gratia postveniens
|
genade, die volgt
|
|
|
hybris |
overmoedige trots
|
|
|
parousie
|
de wederkomst van Christus
|
|
|
|
|
|
|
sela gratia
|
(door) genade alleen |
|
|
sola fide
|
door het geloof alleen
|
|
|
sola scriptura
|
de Schrift alleen |
|
|
superbia
|
zelfverheffing, trots
|
|
|
theologia crucis
|
een theologie, die steunt op het kruis
|
|
|
theologia possessionis
|
een theologie, die steunt op het eigen bezit
|
|
|
theologia gloriae Dei
|
een theologie, welker uitgangspunt en doel de ere Gods is |
|
|
theologia gloriae sectae
|
een theologie, welker uitgangspunt en doel de glorie van de sekte is
|
|
|
theopanisme
|
een spiritualistische vorm van pantheïsme
|
|
theophore autoriteit |
een autoriteit, die met goddelijk gezag bekleed is, of die het
goddelijke in zich draagt
|
|
vlva vox
|
de levende stem
|
|
|
|
Inhoud
|
Woord vooraf
|
|
|
EERSTE DEEL: HET WEZEN VAN DE SEKTE
|
3 |
|
"Sekte" is een verschijnsel, dat zo oud is als de kerk |
3 |
|
Wat is een "sekte"? - Definitiemoeilijkheden |
6 |
|
Het antithetisch karakter van de sekte |
9 |
|
De confessionele bepaaldheid van de sekten |
11 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TWEEDE DEEL: DE
GEESTELIJKE STRUCTUUR VAN DE PROTESTANTSE SEKTEN
|
Hoofdstuk 1: De haard van de
afsplitsing
|
13 |
|
De kern van de reformatorische boodschap |
13 |
|
Het sektarische oer protest
|
15 |
|
Hoofdstuk 2: De greep naar de genade
|
17 |
|
Het verleggen van de plaats van beslissing naar de mens toe |
17 |
|
De verwisseling van roepstem en antwoord |
19 |
|
De realisering van de goddelijke heilskrachten |
22 |
|
Het oprichten van een theophore autoriteit |
23 |
|
De vorming van de gemeente des heils |
26 |
|
Oe grote kloof |
27 |
|
|
|
|
|
|
|
Hoofdstuk 3: Theologia gloriae
sectae
|
28 |
|
De reformatorische theologia gloriae Dei |
28 |
|
De glorie van de sekte |
29 |
|
De onttroning van God |
31 |
|
Hoofdstuk 4: Theologia possessienis
|
32 |
|
De onteigening van Christus |
32 |
|
De theologia crucis van de reformatie |
34 |
|
Nederzettingen bezijden het kruis |
37 |
|
Hoofdstuk 5: De verabsolutering van
de sektegemeenschap
|
40 |
|
Kerk als gemeenschap van zondige heiligen |
40 |
|
De sektarische kritiek op de kerk |
42 |
|
De sekte als "de ware gemeente" |
45 |
|
"Ze trekken zee en land rond" |
48 |
|
Kiemen des doods |
53 |
|
Hoofdstuk 6: De apocalyptische
apotheose van de sekte |
56/57 |
|
Hoofdstuk 7: Conclusies en
consequenties
|
61 |
|
De Bijbel in de linkerhand |
61 |
|
Op het terrein der vraagtekens |
65 |
DERDE DEEL: DE
KERK EN DE SEKTEN 69
|
Vragen van de sekten aan de kerk |
69 |
|
De wereld der sekten tussen Protestantisme en Katholicisme |
76 |
|
Enige regels voor het gesprek met de sekten |
78 |
|
|
|
|
Aantekeningen |
|
|
Verklaringen |
|
|
Register |
|
Wij citeren een gedeelte uit:
Kurt Hutten
GELOOF EN SEKTE
Het sektarisme als anti-reformatorisch geloofsverschijnsel Zijn
doelstelling en zijn tragiek
Vertaald door Ds J. J. Poort
~
T. WEVER - FRANEKER
Oorspronkelijke eitel: "Die Glaubenswelt des Sektierers" Das
Sektenturn als antireformatorische Konfession Sein Anspruch und
seine Tragödie
Copyright 1957 by Furche-Verlag, Harnburg
________________________________________________________________________________________
OPGEDRAGEN AAN DE
THEOLOGISCHE FAKULTEIT VAN DE UNIVERSITEIl' TE TÜBINGEN ALS DANK
VOOR HET MI] VERLEENDE ERE-DOCTORAAT IN DE THEOLOGIE
Woord vooraf
Dit boek is de vrucht van een jarenlange en intensieve
bestudering van de sekten. Wat me ertoe dreef, me met deze bonte
wereid van christelijke gemeenschappen buiten de kerk bezig te
houden, was niet alleen en zeker niet in de eerste plaats een
apologetische interesse. Veeleer begon het met een zekere
nieuwsgierigheid: ik wilde weten en ervaren, wat men nu
eigenlijk in deze gemeenschappen gelooft en in welke vorm zij
dit geloof beleven en belijden. De vaak avontuurlijke wegen van
de geest, die ik da ar ontdekte, trokken me aan. In de Ioop van
de tijd leerde ik daarbij steeds meer mensen uit deze
gemeenschappen - eenvoudige leden, maar ook leidinggevende
figuren - ook persoonlijk kennen, zodat de wereid van de sekten
een levende werkelijkheid voor me werd. De indrukken, die ik uit
deze menselijke ontmoetingen opdeed, waren verschille nd van
aard. Er was natuurlijk ook veel, dat me tegenstond -
geldingsdrang, heerszucht en verwrongen, agressief fanatisme.
Maar daarnaast vond ik een overgave aan de geloofde waarheid,
die me verraste en dikwijls beschaamde. Ik trof er mensen aan,
die zieh volkomen gegeven hadden aan hun heilsleer en daaruit
voor hun leven alle consequenties getrokken hadden, met name wat
hun bereidheid tot getuigen en offeren betrof. Hun volledige
inzet en hun afwijzing van elk compromis maakten diepe indruk op
me. Ik zocht naar de bron, waaruit de kracht voor deze
levenshouding stroomde, Hoe meer ik de geloofswereld van de
sekten leerde kennen, des te mcor werd ze me ook tot een vraag.
Ze dwong me mijn eigen over tuigingen steeds weer opnieuw op de
proef te stellen. lk werd gedwongen antwoord te geven. Wat zich
in me afspeelde, was bepaald niet een proces van eenzijdig
verweer. Er kwamen vele verzuimen, leemten en zwakke punten van
de kerk voor de dag. Maar wat in de waarheidsvraag - en dat is
in de ruimte van het Protestantisme altijd de vraag naar het
hart van de Schrift - 66k aan de dag kwam, is: de enorm diepe
tegenstelIing tussen de kerk en de sekten,
Deze tegenstelIing kwam ik bij diverse sektengemeenschappen in
allerlei gedaanten tegen. lk heb in eerste instantie in mijn
boek:
"Seher, Grübler, Enthusiasten" (Quellverlag, Stuttgart 1954) een
critische beschrijving van de afzonderlijke sekten gegeven. Maar
de pluralistische kijk op de sekten, zoaIs die tot nu toe
gebruikelijk was, bevredigde me evenmin als de gangbare
definities van "sekte" in tegenstelIing tot de kerk. Het kwam me
voor, dat deze diverse sekten teveel aan enkele op zichzelf wel
belangrijke symptomen ophangen, maar hen toch niet raken in hun
kern. Hoe langer hoe minder liet me de vraag met rust, of heeI
deze verscheidenheid van sektarische geloofsleer en de daarin
tot uiting komende protesten te gen de reformatie niet terug te
brengen zijn tot een gemeenschappelijk grondthema; of het dus
niet mogelijk zou zijn deze wereId der sekten, hoe disparaat ook
in haar verschijningsvormen, in wezen als een eenheid te zien.
Voor de terzake kundige is het duidelijk, dat dit een
sleutelvraag is. lmmers, als hierop een positief antwoord te
vinden is, is men in staat het geheIe gebied van de sekten van
binnen uit te verstaan. Het wordt dan mogelijk om duidelijk en
ondubbelzinnig vast te stellen, waarin het wezen van de sekten
be staat. Men kan haar bouwwetten en drijfveren nagaan en
nauwkeuriger de grenzen bepalen tussen kerk en sekte, Maar ook
t.a.v. het gesprek tussen deze beide heeft de beantwoording van
deze sleutelvraag zeer belangrijke consequenties. Dit gesprek
zou dan niet meer behoeven te blijven steken in een aantal
uiterlijkheden en ontaarden in eigengereide betweterij. Het zou
veel meer een zoeken zijn na ar het punt, waarop de beslissing
genoopt wordt.
De beantwoording van deze sleutelvraag vormt het thema van dit
boek. Ik heb het opzettelijk de enkelvoudige titel "Geloof en
Sekte" meegegeven, en niet b.v. "De leerstelseIs van de
sektariers", om daarmee tot uitdrukking te brengen, dat het er
om te doen is het godsdienstig fundament bloot te leggen, dat
alle leerstelseIs van de diverse sekten gemeen hebben. De
bedoeling, die me bij dit geh eIe onderzoek voorzat, was niet om
de strijdlusten aan te wakkeren, maar om zo mogelijk een
verduidelijking te geven. Veel is reeds gewonnen, als al die
misverstanden, troebele oordeelvellingen en bittere
ressentimenten, die tussen kerk en sekte instaan, uit de weg
geruimd worden en de eigenlijke tegenstellingen aan de dag
kunnen komen. Want eerst daarmee is de voorwaarde geschapen voor
een gesprek, dat niet meer blijft steken in vooroordelen, maar
aan de eigenlijke zaak toekomt.
Stuttgart, augustus 1957
Kurt Hutten
| Invoegsel redactie apostolischeobserver.nl
In het boekwerk is meermalen te lezen over de HERSTELD
APOSTOLISCHEN, In Duitsland was de naam echter Nieuw
Apostolische gemeente, en in Nederland Hersteld
Apostolische Gemeente later (1961)werd dat Nieuw
Apostolische Kerk.
We willen er wel op wijzen dat er
in Nederland meerdere Hersteld Apostolische Kerk
richtingen bestaan.
Redactie |
Eerste Deel
HET WEZEN VAN DE SEKTE
"Sekte" is een verschijnsel, dat zo oud is als de kerk
De geschiedenis van de sekten is zo oud als de geschiedenis van
de kerk en heeft nooit een pauze gekend. Ze dateert reeds van de
apostolische tijd. Paulus klaagt over scheuring in de gemeente
van Corinthiö (1 Cor. 1, 10 vv.). In de Colossenzenbrief gaat
het te gen de "filosofie", die zieh baseert op speculaties over
de "elementen" (waarschijnlijk engelmachten) en die met Christus
niets van doen heeft. De beide Timotheüsbrieven en de brief aan
Titus (1 Tim. 1, 3-11; 4,1-11; 6, 3-10; 2 Tim. 2, 14-18; Tit. 1,
10-16) richten zieh te gen een joods-gnostische dwaalleer;
aangeraden wordt de omgang met aanhangers van zo'n dwaalleer te
vermijden (Tit. 3, 10). De tweede Petrusbrief waarschuwt voor "verderfelijke
sekten", die de Heer verloochenen (2, 1) en brandmerkt in felle
woorden het vleselijk drijven van deze libertijnse gnostici (2,
12 vv.). De waarschuwing voor de dwaalleraars vormt ook het
thema van de Judasbrief (7-11). De eerste Johannesbrief (2, 18
vv.) ziet in het optreden van de gnostische dwaalleraars een
teken, dat het de Iaatste ure is en dat de antiehrist komt; ze
loochenen, dat Jezus Christus werkelijk in het vlees verschenen
is, en zien in Hem een geestelijk wezen, dat zieh slechts van de
doop af tot aan het lijden met [ezus heeft verbonden (2 [oh. 7
vv.).
De jonge kerk werd geteisterd door veeIsoortige en deeIs
wijdverbreide bewegingen, die met hun afwijkende leer de eenheid
der geme ente in gevaar brachten. Van de Marcionieten berichtte
Tertullianus, omstreeks 200, dat ze de hele wereid vervulden. De
gnosis legde voor haar verleidelijke speculaties beslag op
christelijke geloofselementen, en gnostische sekten als de
Basilidianen en de Valentinianen schiepen in de tweede eeuw veel
verwarring. De enthousiast-apocalyptische beweging van het
Montanisme won terze1fder tijd sterke aanhang in Klein-Azie en
Noord-Afrika. In protest tegen de verslapping van de kerkelijke
boetepraktijk en tegen het bisschoppelijke regeerambt wilde het
Novitianisme de zuivere gemeente handhaven en schiep, in het
jaar 251 geexcommuniceerd, een eigen "kathaarse" nevenkerk, die
eeuwenlang is blijven bestaan. Hevige strijd ontbrandde in de
vierde eeuw in Afrika om het Donatisme, waarin naast een
oerchristelijk rigorisme ook allerlei nationale en
sociaal-revolutionaire motieven meespeelden.
Toen met Constantijn het verbond tussen kerk en staat gesioten
werd, stelde de staat zijn sterke arm aan de kerk ter
beschikking ter bestrijding van de tegenstanders en de kerk nam
die graag aan. Constantijn werkte reeds met verbanningen van
heterodoxe elementen, en voortaan werd tot grondbeginsel
verheven, dat iedere uitsluiting uit de kerk door een bisschop
ook maatschappelijke consequenties met zieh meebracht. Sedert
Valentinianus I, en eerst recht sedert Theodosius I (379 - 95)
werden de wetten tegen de ketters aI maar strenger. Theodosius
verbood iedere andere godsverering dan de Nieeense en zijn
maatregelen richtten zieh evenzeer tegen het heidendom als tegen
Christenen met een afwijkend geloof. De geringste afwijking van
de orthodoxe leer werd als misdrijf tegen de staat met alle
mogelijke reehtsbeperkingen gestraft.
Voortaan was het gevaarlijk een sektarier te zijn. De verdere
geschiedenis van de sekten stond dan ook tot diep in de moderne
tijd en deels tot op heden toe in het teken van vervolging en
lijden. Dat de kerk zieh tegenover groepen met afwijkende
overtuigingen niet tot zuiver pastorale .middelen beperkte, maar
het ingrijpen van het staatsgeweld duldde, ja zelfs eiste, is
een donkere schaduw in haar beeld. In de twintigste eeuw hegen
de sekten te doen met een nieuwe vijand in de gestalte van de
totalitaire dictaturen. In het Derde Rijk werden bijna alle
sektarische gemeensehappen verboden en deels bloedig vervolgd.
In de communistiseh geregeerde landen vergaat het hun weinig
beter. Een enkele sekte, zoals die van Jehova's Getuigen, heeft
wegens haar negatieve instelling tegenover staat en krijgsdienst
ook in de westelijke democratieen zo nu en dan te lijden van
onderdrukking.
Hoe streng de leertucht in de kerk van de middeleeuwen ook was
en hoever haar machtsmiddelen ook reikten, ze kon toch niet
verhin deren, dat allerwege sektarische bewegingen opkwamen, die
in protest te gen het verval van kerk en paus dom het ideaal van
de armoede aanprezen (Katharen, Amoldisten, Lombarden, Waldenzen,
Humillaten), vervuld waren van apocalyptische verwachtingen (Joachimieten,
Spiritualen, Fraticelliers, Apostolischen), als voorboden van de
reformatie aan de grondpeilers van de kerkelijke leer en
hiörarchie schudden (Wicleff, Huss) of een revolution air
chiliasme predikten (Taborieten, opstand van de paukenist van
Niklashausen Hans Böhm in 1476).
Ook de Orthodoxie had sektarische afsplitsingen te melden. In
innerlijk en uiterlijk verband met de Katharen stonden de
Bogomielen van de twaalfde eeuw in Bulgarije. De tegenstand
tegen cultische hervormingen en westelijke vernieuwingen riep in
de zeventiende eeuw de Russische Oud-Gelovigen, de Raskolnikers,
te voorschijn. De Starovjerzy's veroordeelden de geringste
verandering in cultus of zede als prijsgave van de heiligste
goederen en zagen in Peter de Grote de antiehrist en in alles,
wat uit het buitenland kwam, zonde en onheil, Een deel van hen,
de Bezpopovzy's, dat wil zeggen "priesterlozen", zag na het
verlies van de gewijde clerus af van iedere vorm van eredienst,
voltrok de doop zelf, Iiet het avondmaal uiteenvaIIen, ontdeed
het huwelijk van zijn sacramenteel karakter en verving het
sacrament van de biecht door een openlijke boetedoening voor de
gemeente. Gnostische elementen werkten in de sekten van de
Duchoborzy's (geestelijken) en Molokany's (melketers), die in
het midden van de achttiende respectievelijk negenti ende eeuw
opkwamen. Mystiek-ascetische motieven leidden in de zeventiende
eeuw tot het ontstaan van de Chlysty's (geselaars) met hun
extatische dans bij de cultus, hun volledige geslachtelijke
onthouding en hun geloof aan voortgezette goddeliike openbaring
en steeds nieuwe vleeswordingen van Christus. De Skopzy's of
gesnedenen (sedert de tweede helft van de achttiende eeuw)
dreven de ascetische eisen van de Chlysty's op tot
zelfontmanning, amputatie van de borsten van de vrouwen en
zelfverbranding en wilden het getal van de 144.000 "maagden" van
Openb. 14 : 1 en 4 volmaken, opdat het duizendjarig rijk zou
kunnen aanvangen. De judaiserende Subbotnikers, die sedert het
midden van de achttiende eeuw sterker naar voren traden, gingen
over tot sabbatsviering en stelden de wet van Mozes boven die
van Christus.
Een vruchtbare voedingsbodem voor het ontstaan van sektarische
bewegingen bleek het Protestantisme te zijn. De reformatie had
zieh in moeizame strijd te verweren te gen de dweepzieke en
doperse bewegingen, die de "papieren Paus" van de Bijbel en een
kerk, die zieh zo nauw met de overheid verbond, afwezen, kritiek
hadden op de rechtvaardigingsleer en de beklemtoning van de
uiterlijke sacramenten, zieh door het inwendige woord lieten
leiden en bij tijd en wijle in het teken van diepe
apocalyptische verontrusting een
. militant karakter aannamen (Thomas Münzer, de Dwepers van
Münster). Het Piötisme had menigerlei sektarische verschijning
ten gevolge waarin een antikerkelijk separatisme zieh verenigde
met de chiliastische motieven van geestdrijvers (de
Philadelphische Societeiten, de "ware inspiratiegemeenten" van
Gruber en Rock uit 1716, de Ronsdorfer sekte uit 1716, de
Buttlarse schare uit 1702, de Bordelumse schare uit 1739).
Tijden van historische rampen brachten met de geestelijke en
religieuze schok, die ze veroorzaakten, ook altijd een opleving
van de sekten met zich mee. Zo bleken de decennia van de Franse
Revolutie en Napoleon bijzonder vruchtba ar te zijn voor het
sektarisme. De omwentelingen van die tijd vormden de geestelijke
ondergrond, waaruit b.v. de Katholiek-Apostolische gemeenten, de
Adventisten en de Tempeliers opkwamen. De toenemende welstand en
ook de veruiterlijking van de Amerikaanse kerken, die samenhing
met de economische vooruitgang na de burgeroorlog, riep talloze
sektarische protestbewegingen te voorschijn: Perfectionistische,
apocalyptische en Pinkstergemeenschappen ontstonden in die jaren
voor en na de eeuwwisseling in groten getale. Vele van hen,
geladen door een enorme activiteit, grepen ver boven het
moederland uit en vonden internationale verbreiding. De beide
wereldoorlogen en de series revoluties en dictaturen, waarvan de
wereld in de twintigste eeuw te lijden had, gaven samen met
toekomstvertwijfeling en levensangst, aan het sektarisme nieuw
voedsel. De psychische, sociale en religieuze verwoestingen
tenge-
volge van de oorlogen, het lamleggen van kerkelijke arbeid door
de totalitaire regeringen, de opeenhoping en dooreenmenging van
ontwortelde of verjaagde mensenmassa's, waar de kerkelijke
gemeenten niet meer tegen op kunnen, de met de technisering en
industrialisering gepaard gaande omwentelingen, de
nationalistische beroeringen in de wereId van de kleurlingen -
dit alles en nog veel meer droeg er toe bij, dat de sekten zowel
wat aantal en verscheidenheid van gemeenschappen betreft als in
omvang en uitbreiding, momente el een stand hebben bereikt als
nooit tevoren. Er zijn grote sekten, die in zielenaantal menige
kerk overtreffen, meer geld bijeenbrengen dan deze, een veel
omvangrijker zendingswerk verzorgen dan de kerken, zieh ook in
de publieke mening een vooraanstaande plaats heb ben verworven
en een goed eind op weg zijn, tenminste naar buiten, zieh te
ontdoen van het karakter van conventikel en gelijkwaardige .Jcerken"
te worden.
Vorenstaand overzicht geeft slechts een aanduiding van de bonte
verscheidenheid van de geschiedenis van de sekten. Het wilde
aantonen, dat er in alle perioden van de kerk sektarische
afsplitsingen geweest zijn en dat geen enkele confessie daarvan
vrij bleef. Het wijst vervolgens aan, dat de sekte in al haar
schakeringen wezenlijk als protestbeweging verstaan moet worden.
In dit protest zijn niet alleen maar bijbels-christelijke
motieven werkzaam. Dikwijls wordt het ook gevoed door nationale
en sociaaI-revolutionaire motieven, door bepaaldheden van ras,
door traditionalistisehe rassensentimenten of door
buitenehristelijke religieuze invloeden. Tenslotte maakt dit
overzieht duidelijk, dat het begrip "sekte" bepaald niet uniform
omgrensd is, maar een zeer gevarieerde verseheidenheid in zieh
bergt, al na ar gelang van de tijd en de eonfessie, waarin ze
ontstaat. Hier doemt een probleem op, dat om opheldering vraagt
en waarmee ons verdere onderzoek moet beginnen.
Wat is een "sekte"? - Definitiemoeilijkheden
De christelijke gemeensehappen worden onderseheiden in de typen
"kerk" en "sekte". Maar reeds hier beginnen de moeilijkheden.
Als men de sekte als contrastbegrip wil verstaan en dus
afgrenzen wil van de kerk, moet men eerst een duidelijke
definitie hebben van wat een .Kerk" is. Maar zo'n definitie
ontbreekt. De Christenheid valt uiteen in drie grote confessies,
die in hun structuren streng van elkaar zijn gescheiden en zieh
daarenboven deels weer in talrijke, onderling verschillende
kerken opdelen. Is er een eenheid, die ze allemaal in gelijke
mate overkoepelt en door allen in gelijke mate erkend wordt als
een band, die hen verenigt? Ligt deze eenheid in Christus? In de
heilige Schrift? In een gemeenschappelijke opvatting van zonde,
verzoening, genade, van de sacramenten? Nee, de scheur loopt
door al deze fundamentele gebieden heen. Een bepa alde eenheid
in de kerk bestaat niet.
Het is daarom niet te verwonderen, dat de vraag naar het wezen
van de sekte en naar wat haar onderscheidt van de kerk in de
loop van de geschiedenis op de meest verschillende manieren is
beantwoord.
Voorzover deze antwoorden in hun tijd als juist hebben gegolden,
zullen we hebben na te gaan, in hoeverre ze ook vandaag nog deze
geldigheid hebben.
Men heeft de sekte als de kleine gemeenschap gesteid tegenover
de grote kerk. Daaruit leidde men dan graag een negatieve
beoordeling af: de sekte is een lastige storende factor in het
publieke leven, een schare van rustverstoorders en zonderlingen,
een terzijde staand conventikel. Men trok uit het aantal harer
volgelingen concIusies betreffende de kwaliteit van de zaak, die
ze voorstond. Men deprecieerde de sekte, omdat ze niet paste bij
de "common sense", niet de goedkeuring had van de geestelijke
autoriteiten van die tijd en bij de massa van het volk niet in
aanzien stond. - Maar dat is een onbruikbaar antwoord. Want
principieel zegt het aantal aanhangers niets aangaande de
waarheid. Die is souverein en hangt niet af van veel of weinig
instemming.
Men heeft het kenmerk van de sekte gezien in het feit, dat ze
een door de staat niet erkende en wettelijk niet bevoorrechte
gemeenschap is (b.v. bij de vrede van Westfalen). Maar ook deze
definitie is onbruikbaar. Want dan zou de staat hebben te
bepalen, wat "kerk" en wat "sekte" is. Daartoe echter voelt
zeker de moderne wereldse staat zieh niet competent.
Men heeft de "sekte" wel gedefinieerd als een zuiver vrijwillige
gemeenschap in tegenstelling tot de volkskerk, Zij zou zich dan
van de kerk, waarin men nu eenmaal als leden van het volk
geboren wordt, onderscheiden, doordat ze slechts die mensen
omvat, die een eigen religieuze beslissing genomen hebben en
derhalve vastbesloten zijn om de "ware gemeente van Christus" te
vormen en daartoe ook in de gelegenheid zijn. De kerk is volgens
Troeltsch het vaste, objectieve; haar leer en haar ordeningen
bestaan reeds v66rdat haar leden ertoe behoren. "De enkeling, in
zoverre hij Christen is, geldt als door haar voortgebracht, de
kerk is de moeder der gelovigen. Men noemt de sekte daarentegen
niet moeder. Bij haar is het veeleer zo, dat de gemeenschap
telkens opnieuw door haar leden wordt voortgebracht." 1) Het
onderscheid tussen kerk en sekte concretiseert zieh bijgevolg
het duidelijkst in de dooporde: bij de kerk kinderdoop, bij de
sekte volwassendoop. Maar ook deze tegenstelling voldoet niet.
Want ze houdt geen rekening met de leerinhoud. En afgezien van
het feit, dat de volkskerk bezig is te gaan verdwijnen, zouden
in dit geval ook de vrije kerken - Methodisten, Baptisten enz. -
als vrijwillige gemeenschappen tot de sekten moeten worden
gerekend.
Men heeft de geloofsbelijdenis tot kenmerkend onderscheid
gemaakt: sekten zouden al die gemeenschappen zijn, die het
apostolicum niet belijden, Maar ook daarmee komt men er niet.
Want het apostolicum draagt zijn betiteling als "oecumenisch
symbool" in zoverre ten onrechte, dat het slechts in de Westerse
Christenheld (Rooms-Katholicisme en de kerken der reformatie)
als belijdenis erkend werd, maar daarentegen bij de kerken van
de Orthodoxie geen ingang vond. Bovendien zijn er gemeenschappen,
b.v. de Hersteld-Apostolischen, die het apostolicum in hun
belijdenis hebben opgenomen, maar desondanks duidelijk onder de
sekten moeten worden gerekend.
Men heeft de sekte wel vanuit sociale achtergronden willen
verklaren als een godsdienstig en dogmatisch vastgelegd protest
van armere gemeentegroepen tegen de verwereldlijking van een
rijke en verburgerlijkte kerk. Deze motivering treft men
inderdaad dikwijls aan, vooral in de Amerikaanse
geschiedschrijving van de sekten. Maar hieronder kunnen bij
lange na niet alle sekten vallen. Er zijn godsdienstige
afsplitsingen, waaraan burgerlijke en ontwikkelde kringen
leidinggevend hebben deelgenomen (b.v. Christi an Science en
Christengemeenschap) en bij wie geen enkel sociaal affect valt
aan te wijzen.
Men heeft het verschijnsel van de sekten 'trachten te verklaren
met psychologische middelen: hier zou het psychisch afwijkende,
ziekelijke, zieh breed maken. Inderdaad, de sekten zijn heel
vaak het toneel van geöxalteerde en zonderlinge gedragingen, een
invalspoort voor magische en spiritistische krachten en
veelsoortig bijgeloof. De hoofdredacteur van het Katholieke
tijdschrift "Arzt und Christ", Dr Gottfried Roth uit Wenen,
deelde op het internationale Katholieke congres van zielszorgers
voor zieken, in Freiburg in 1956, mede, dat het aantal
psychopaten onder hen, die tot een sekte behoorden, veel groter
was dan bij de doorsnee van de bevolking. Dr med. Walter
Schulte, docent te Bethel, karakteriseerde het leven van de
sekten door te zeggen, dat het uitmuntte door "onwaardige ideeen",
d.w.z. door gedachten, die ingevolge een sterke gevoelsnadruk de
voorrang krijgen boven alle andere en de persoonlijkheid na
verloop van tijd steeds uitsluitender ga an beheersen. "Deze
onwaardige ideeen worden gedragen door persoonlijkheden, die
weliswaar zeker niet in eigenlijke zin ziele zijn, maar onder
omstandigheden wat hun karakter betreft toch wat abnormaal
aandoen. Het zijn soms min of meer zonderlinge naturen. Onder de
leiders vindt men naar verhouding veel fanatieke naturen, die
zieh bij voorkeur doen gelden, en on der de volgelingen van
zichzelf onzekere, suggestibele naturen." 2) De privaatdocent
voor psychiatrie in Bern, Dr Hans Heimann, stelde bij drie
geestelijke vaders van bijzondere godsdienstige gemeenschappen:
Emanuel Swedenborg, Jacob Lorber en Anton Unternährer (geboren
in 1759, stichter van de Zwitserse sekte van de Antonianen), een
schizophrene psychose vast, "die vooral door hallucinaties
gekarakteriseerd wordt, een zgn. paranoide hallucinose". 3) Maar
zijn diagnose schijnt me niet in ieder opzicht zeker. Laten de
visioenen en inwendige stemmen van Lorber en Swedenborg met de
rijke en vaak diepe inhoud van hun bekendmakingen, zieh
werkelijk als hallucinaties zonder meer verklaren? Heimann zelf
ziet er terecht van af, uit zijn verklaring gevolgtrekkingen
betreffende het waarheidsgehalte te maken. En Ernst Benz
rangschikt een man als Swedenborg bij de groep van de
visionairen en noemt hem zelfs een "echte christelijke profeet"
. In ieder geval zou het onjuist zijn en grove laster, als men
eenvoudigweg alle stichters en aanhangers van een sekte
onderbracht bij de categorie van psychisch defecte of met het
occultisme besmette lieden.
Men heeft de tegenstelling tussen kerk en sekte wel hierin
gezien, dat de sekte bekrompen en fanatiek zou zijn en met de
pretentie, dat het heil alleen in haar midden te vinden is, zieh
botweg afzondert van alle andere christelijke gemeenschappen,
terwijl de kerk juist een oecumenische houding aanneemt. Ook
hier toont zieh inderdaad een kenmerkende karaktertrek, die we
later weer zullen ontmoeten. Maar ook deze komt voort uit
diepere worteIs; ze is dus niet primair, maar secundair. En
bovendien, is de geschiedenis van de kerken vrij van fanatieke
bekrompenheid? Eu vindt men die exclusieve pretentie van het
heil niet ook bij de Katholieke kerk? "Als men on der sekte een
religieuze gemeenschap verstaat, die in haar programma het
principe heeft staan, zieh van de overige Christenheid af te
grenzen, dan is er geen enkel deel van de kerk, waarop deze
definitie beter zou passen dan Rome." 4)
Men heeft getracht het onderscheid tussen kerk en sekte
theologisch aldus te formuleren: Terwijl de kerk de nadruk legt
op het "alleen" - Christus alleen, de Schrift alleen, het geloof
alleen -, zou voor de sekte het "en" kenmerkend zijn. Zij zou
naast Christus nog een andere, menselijke autoriteit zetten, zou
dus aan haar geloofsleven behalve de Schrift nog andere
wijsheden, openbaringen of inzichten ten grondslag leggen als
normerende waarheden en zou aan het geloof nog zedelijke of
cultische werken willen toevoegen van heilsbeslissende waarde.
Of men zegt, dat de sekte naast de algemeen-Christelijke
geloofswaarheid nog een aparte leer ontwikkeld heeft, deze
overbeklemtoond en daardoor de breuk veroorzaakt heeft. Deze
theologische verklaringen van het wezen der sekte raken
ongetwijfeld een wezenlijk feit, maar zijn toch niet afdoende.
Want onder de bovenstaande tegenstelling van "alleen" en "en"
kan men slechts die kerken en sekten vangen, die binnen de
ruimte van de reformatie zijn ontstaan; ze is echter niet te
gebruiken voor de Katholieke en Orthodoxe kerken en de sekten,
die daaruit voortkwamen. Bovendien geeft ze slechts enkele,
weliswaar zeer belangrijke symptomen aan, maar stoot toch niet
tot de wortel door. Dat zelfde geldt voor de verwijzing naar de
aparte sektarische leerstellingen. Zeker, de
Hersteld-Apostolischen hebben een eigen leer ingevoerd
betreffende de wederinstelling van het apostelambt en de
Adventisten betreffende de sabbat, en ze onderscheiden zieh
daardoor van de kerk. Maar is dat nu het hele onderscheid? Moet
men niet vragen: Hoe komen ze er eigenlijk toe, deze aparte leer
te ontwikkelen? Hier moeten toch nog wel diepere drijfveren
voorhanden zijn. Misschien reiken de worteis van deze
leerstellingen wel tot de bodem! Misschien veranderde door de
uitwerking daarvan wel de hele structuur van die "algemeen-Christelijke
waarheid"! Misschien, ja waarschijnlijk is het dus helemaal niet
zo, dat men die aparte leerstellingen als een soort
kankerwoekering beschouwen moet, die zich heeft vastgehecht aan
het lichaam van deze algemeen-ChristeIijke waarheid. Als dat
juist was, dan was de situatie eenvoudig. Dan zou men kunnen
volstaan met aan de sekten voor te stellen deze woekeringen te
amputeren of ten minste ze langzamerhand te doen slinken,
terwijl anderzijds de kerk ze dan zou moeten tolereren, omdat ze
immers slechts woekeringen zijn en de eigenlijke "gemeenschappelijke"
kern van de Christelijke waarheid niet beroeren. Dan zou het ook
mogelijk moeten zijn, door Bijbelonderzoek opheldering te
verkrijgen over recht of onrecht, belang of noodzaak van die
aparte leringen, om op deze wijze totovereenstemming te geraken.
Maar de ervaring leert, dat deze wegen niet begaanbaar zijn. Er
moet dus iets diepers, iets elementairs in deze woekering
schuilen. In feite zijn dit juist de ziehtbare tekenen ervan,
dat de leer van de sekte zieh in haar gehe el onderscheidt van
de verkondiging van de kerk en dat er niet zo iets bestaat als
een grondverdieping van een gemeenschappelijke Christelijke
waarheid, die kerk en sekten ondanks alle aparte leerstellingen
toch nog met elkaar verbindt, Waar ligt echter dit onderscheid?
Wat is dus een sekte? Ook het teruggrijpen op de philologie
helpt ons niet verder. De afleiding van het woord van sequor =
iemand volgen, iemands partij kiezen, of van sec are = afsnijden,
bezorgt ons op z'n best een formeie, maar geen inhoudelijke
begripsbepaling. Helemaal moeilijk wordt de vraag, als men het
volgende bedenkt: volgens een definitie van "sekte in de meest
algemene betekenis van het woord" van Konrad Aigermissen, geldt
b.v. de Oud-Katholieke kerk voor de Katholieken als sekte; want
sekte is principieeI .Jedere godsdienstige gemeenschap, die
onder erkenning van de BijbeI als de door God geopenbaarde
waarheidsbron en in het geloof aan Christus als Gods Zoon
christelijk kan worden genoemd, maar in haar levenstrekken van
het begrip van de ware kerk afwijkt" .5) Daarom rangschikt Rome
ook de kerken van de reformatie altijd weer onder de "sekten".
Anderzijds wordt de Oud-Katholieke kerk in Protestantse kring
zonder meer als kerk erkend, terwijl zo nu en dan de Roomse kerk
wordt aangeduid als een "sekte" van reusachtig formaat. Voor
jehova's Getuigen, de Kerk van het Godsrijk of de Mormonen
gelden weer alle christelijke gemeenschappen en kerken als
sekten met uitzondering van hun eigen geloofsgemeenschap. Het
gebruik van het woord "sekte" is dus blijkbaar gebonden aan het
standpunt, dat men inneemt. Dit woord is een relatie-begrip. Het
gebruik ervan verstrekt geen helder beeld. Is het dus
onbruikbaar?
Het antithetisch karakter van de sekte
Als we met de beide begrippen "kerk" en "sekte" toch
op de een of andere manier willen werken - en we kunnen daar nu
eenmaal niet onderuit -, dan moeten we ze nauwer begrenzen.
Daarom willen we, om van wat een sekte heet een nauwkeuriger
bepaling te vinden, eerst eens te rade gaan bij de
godsdienstgeschiedenis.
1. Het sekte-wezen is een verschijnsel, dat in alle godsdiensten,
tenminste in alle grote godsdiensten, terugkeert. Het betekent
de afscheiding van een moedergodsdienst of van een
moedergemeenschap - een afscheiding, die teruggaat op een
verschil in opvatting van de waarheid of in godsdienstige
praktijk. Deze afscheiding behoeft niet noodzakelijkerwijs onder
een polemisch voorteken te staan. Het is he el goed mogelijk,
dat de nieuwe gemeenschap zichzelf cenvoudig als een variant van
de moedergodsdienst ziet, en alleen maar de pretentie heeft de
daar aangehangen waarheid aan te vullen of scherper te
preciseren. Dit soort onpolemische sekte-vorming treft men b.v.
aan in de omgeving van het Hindoeisme en Boeddhisnie. Juister is
het, om hier te spreken van een "vertakking", niet van sekte.
Anders is het bij de godsdiensten die beweren uit te
ga an van een exclusieve openbaring, die hun leer dogmatisch
duidelijk hebben gefixeerd en zo mogelijk ook georganiseerd zijn
in een straffe hierarchische gemeenschap. Hier heeft iedere
afsplitsing een antithetisch karakter: vanuit het gezichtspunt
van de moedergemeenschap wordt ze als afval gezien, vanuit het
gezichtspunt van de afgescheiden gemeenschap als het terugkeren
of het voortschrijden na ar een beter, zuiverder geloofsleven.
Met het woord "afsplitsing" is in eerste instantie nog geen
oordeel uitgesproken over de wezenlijke legitimiteit of het
waarheidsgehalte van de nieuwe gemeenschap. Het zegt ook nog
niets over de verdere ontwikkeling van deze nieuwe gemeenschap,
b.v. dat ze altijd zou zijn veroordeeld tot een leven in een
uithoek. Het heeft louter betrekking op een afstammingsrelatie,
die tegelijk in het teken van verwantschap en tegenspraak staat.
In deze zin werd b.v. de oer-Christelijke gemeente eerst als
joodse sekte aangeduid en de kerk der reformatie als Katholieke
sekte.
2. De ontwikkeling van de zojuist genoemde afsplitsing is echter
snel en ver uitgestegen boven datgene wat we ons plegen voor te
stellen bij een "sekte". Los van de moedergemeenschap kwamen ze
tot een geheel eigen bestaan en groeiden uit tot nieuwe
zelfstandige gemeenschappen. Dat konden ze doen, omdat in de
diepte van hun verzet tegen de moedergemeenschap een sterke
positieve kern aanwezig was, een nieuwe boodschap met eigen
volmacht, die nu in haar innerlijke draagkracht, haar
vruchtbaarheid en haar aantrekkingskracht een eigen leven
ontplooien kon. Ze verbraken de grenzen van een alleen maar
antithetisch bestaan en waren nu niet meer "sekten", maar
godsdienstgemeenschappen met een eigen middelpunt en een vanwege
dit middelpunt verkregen eigen stempel.
3. De godsdienstgeschiedenis kent dus een ontwikkeling van
afscheiding naar "kerk" of nieuwe religie. Ze kent daarnaast
echter ook afscheidingen, die steeds "sekten" bleven. Hun
kenmerk bestaat hierin, dat hun eigen leer, die ze tegenover die
van de moedergemeenschap stelden, maar een geringe mate van
vruchtbaarheid bleek te bevatten. Aan een fragmentarische
Ieeruitspraak wordt een centrale rol toebedeeld, waar deze niet
te gen opgewassen is. Ze is belangrijk genoeg om het
antithetisch protest te gen de moedergemeen schap te motiveren,
maar is niet toereikend om een Ievenskrachtige en veelomvattende
geloofswaarheid te ontwikkelen. Daardoor is de gemeenschap, die
zieh om haar heen verzamelt, altijd veroordeeld tot een bestaan
in de schaduw van de moedergemeenschap. Ze kan zieh niet
voldoende uit de ban van de antithese losmaken en de vrijheid
vinden om zieh te bewegen naar een eigen middelpunt toe. Wat de
al te zwakke positieve kern van haar leer aan godsdienstige
levenskracht te kort komt, moet ze vervangen door een
overbeklemtoning van haar protest tegen de moedergemeenschap.
Zodoende behoort het tot het wezen van de sekte, dat ze zieh
niet met een eigen leven van dat van de moedergemeenschap kan
losmaken en dat naast haar bijzondere leer het pathos van haar
protest, dat gemakkelijk tot fanatisme kan aangroeien, een bron
van levensbelang is voor haar kracht.
Nog op een tweede samenhang moet worden gewezen: de positieve
kern van de afwijkende leer is niet toereikend om het geh ele
gebied van het menselijk zijn te doordringen. Tot dit gebied
behoort niet alleen de vraag naar het heil, maar ook het wijde
vlak van de menselijke existentie in de wereid en de veelheid
van de daarmee verbonden problemen. De eigen leer van de sekte
heeft een al te gering volume om deze problemen op te nemen en
te beantwoorden; of ze knoopt hun beantwoording vast aan
allerlei "esoterische" veronderstellingen, zodat ze het kenmerk
van klaarheid en begrijpelijkheid verliest. Deze beperktheid van
de geestelijk-godsdienstige horizon deelt zieh ook mee aan de
gemeenschap, die rondom deze leer is gevormd. De aard en de
draagwijdte van deze leer werkt als Elen sorteerprincipe ten
aanzien van de mensen, die ze vermag aan te spreken en die bij
haar gaan horen. Van hieruit is het begrijpelijk, dat de sekte,
omdat de horizon van haar leer nauw is of donker of
fragmentarisch, dus slechts enkele groepen mensen van een
bepaald geestelijk type vermag te bereiken. Ook is het te
begrijpen, dat ze neiging vertoont zieh af te scheiden van de "wereid"
, die ze godsdienstig niet aan kan, of zieh als een gezelschap
esoteriörs van haar afsluit, omdat ze geen toegang tot haar
vindt. Om met een bijbelwoord te spreken: ze ziet het niet als
haar opdracht, een "licht der wereld" en een "zout der aarde" te
zijn, maar haalt haar aanhungere uit de wereId terug, om hun in
de gemeenschap van de sekte een ommuurd toevluchtsoord te bieden
van mensen die daaruit gered zijn. Dit na ar binnen gerichte
leven in een hoekje van de wereld heeft ook uiterlijke gevolgen.
Er be staat een nauwe samenhang tussen de innerlijke
expansiedrang van een godsdienstige boodschap en de uiterlijke
expansiedrang van de gemeenschap, die de draagster is van die
boodschap. Uit een fragmentarische geloofsinhoud kan slechts een
fragmentarische geloofsgemeenschap ontstaan.
De conjessionele bepaaldheid
van de sekten
Bij de sekten, die ontstaan zijn binnen de
ruimte van het Christendom, moet men bedenken, dat men, zoals
reeds werd opgemerkt, niet kan spreken van "de Christelijke kerk"
als zodanig. We hebben te maken met de drie grote confessies.
leder van die confessies heeft haar eigen geestelijke structuur
en haar eigen centrum. En iedere confessie heeft in de loop van
de geschiedenis sekten voortgebracht. Deze zijn in haar
antithetiek bepaald door de thetiek van hun moedergemeenschap.
De sekten binnen het Christendom dragen dus evenzeer, zij het
ook in afgeleide vorm, een confessioneel stempel en wel in
reciproque zin, aangezien de tegenspraak, waaruit ze ontstaan
zijn, in de ruimte van een bepaalde confessie thuishoort en '
daarop een antwoord wil zijn. Zodoende mag men strikt genomen
niet in het algemeen spreken van "christelijke" sekten, maar
slechts van Katholieke, Orthodoxe en Protestantse
sektegemeenschappen. Nu zijn de drie confessies echter geen
starre scheppingen. Ze waren in de 100p van hUH geschiedenis
onderworpen aan een gestadige ontwikkeling. Het
vroeg-Katholicisme draagt andere trekken dan het middeleeuwse,
en de na-reformatorische pauskerk onderscheidt zieh wezenlijk
van de voor-reformatorische. Nog veel disparater zijn de
verschijningsvormen van het Protestantisme, dat zieh steeds meer
vertakte en b.v. in Duitsland ten tijde van de orthodoxie van
het rationalisme en van het pietisme, invloeden onderging van
zeer uiteenlopende aard. Deze gedaanteverandering van de kerken
brengt een gedaanteverandering van de bij haar behorende sekten
met zieh mee. De antithetiek van de sekten is gebonden aan de
verschijningsvorm van hun moederkerk op dat ogenblik. Ze is dus
bepaald door omgeving en tijd van ontstaan. Uit iedere kerk
komen in elk tijdvak
van haar geschiedenis sekten voort, die typisch bij dit tijdvak
horen. Zodoende is er dus niet een vaststaand begrip "sekte" dat
op alle confessies en tijdvakken van de geschiedenis van het
Christendom van toepassing 'is. Het is veeleer een correlaat
begrip, dat in zijn inhoud en afgrenzing van de kerk afhankelijk
is van de gedaanteverandering van de moedergemeenschap. Van
hieruit gezien is het dus zeer wel mogelijk, dat bij de steeds
meer doorgaande stroom van ontwikkelingen van de
kerkgeschiedenis een afsplitsing uit de 13de eeuw, die
toentertijd als "sekte" gold, door een latere tijd of in het oog
van een andere confessie niet meer wordt gerangschikt onder deze
categorie.
Nu heeft elk der drie confessies, hoezeer ze ook in de loop der
eeuwen aan verandering onderhevig waren, toch een godsdienstige
kernsubstantie, die niet verandert en die bepalend is voor de
structuur van haar wezen.
Zo zijn het in de grond van de zaak bij elke confessie altijd
weer dezelfde "critische punten", waaraan een tot sektevomring
leidend protest ontvlamt. Dat betekent, dat de sekten van een
bepaalde confessie door een verwantschap van hun "nee" met
elkaar zijn verbonden en afgegrensd van de sekten van de andere
confessies. Ook het antithetische "ja" van deze groepen van
sekten is tot op zekere hoogte voorbestemddoor het critische
"nee"; hier is dus allerminst willekeur in het spel.
Zo kan men uit het type van de moederconfessie conclusies
trekken betreffende het type van de sekten, die uit haar
ontsproten zijn. De Katholieke sekten van de negentiende en
twintigste eeuw ontstonden uit het verzet tegen de centrale
heerschappij en de pretentie van onfeilbaarheid van de Paus, uit
nationale hartstochten met een anti-Roomse inslag, uit rebellie
te gen een in jurisdictie vastgelopen dogmatisch systeem,
waardoor men de geestelijke vrijheid of de rede of de waarheid
van de Schrift bedreigd meende. Het antithetisch "ja" van deze
sekten ontving zijn prikkels en zijn inhoud uit de confrontatie
van het charisma, dat zijn vrije loop neemt, met het
ambtsmonopolie, van het algemeen priesterschap met de
hierarchische autoriteit, uit liberale en rationalistische
gedachtengangen, uit nationale motieven en - niet in delaatste
plaats - uit het teruggrijpen naar de Schrift.
De Orthodoxe sekten vormden zieh in de strijd om de eredienst en
de liturgie als de kern van de Orthodoxe kerk. Daarbij kan men
twee groepen onderscheiden. De ene groep beschouwt de cultische
vormen en alle godsdienstige gebruiken van de kerk als iets, dat
nu eenmaal geheiligd en onaantastbaar is, beantwoordt kerkelijke
hervorming op dit gebied met protest en afscheiding, en fundeert
haar pretentie, de gemeenschap met het ware geloof te zijn, door
er op te wijzen, dat ze aan de afdwaling en da armee aan het
verval van de moederkerk niet heeft meegedaan en dus gebleven is
bij het oude geloof. De andere groep ondergaat de inkapseling
van de bijbelse boodschap en van het geloofsleven in liturgische
vormen als iets benauwends en zoekt een uitweg naar de vrijheid,
waarin ze b.v. ruimte verschaft aan de geestdrijverij, aan een
ascetisch perfectionisme of wel aan het eenvoudige evangelische
leven. Deze typeringen van de eonfessioneel bepaalde sekten
omvatten natuurlijk niet het ganse terrein van deze
afsplitsingen - de werkelijkheid is in het speI van krachten op
het gebied der geestesgesehiedenis altijd bonter en rijker
geschakeerd -, maar ze geven in ieder geval enkele grond- .
lijnen aan, die in de verhouding tussen de moederconfessies en
hun afscheidingen telkens weer naar voren komen.
We beperken ons in wat volgt tot de Protestantse sekten van
vandaag. Er moet een seherp onderscheid gemaakt worden tussen
sekte en vrije kerk. Beide hebben weliswaar gemeen, dat ze uit
een en hetzelfde protest te gen de moederkerk ontsprongen zijn.
Maar de vrije kerken houden zieh bij alle kritiek aan dezelfde
belijdenis en blijven daarin met de moederkerk in het geloof en
in een oeeumenische arbeidsgemeenschap verbonden. De sekten
daarentegen hebben zieh afgescheiden, omdat ze de door de kerk
verkondigde waarheid niet meer als juist erkennen, maar een
andere waarheid daartegenover plaatsen. Tenslotte is dus de
tegenstelling in de waarheidsvraag beslissend voor de
afseheiding. Daarom moet dan ook bij het onderzoek en de
beoordeling van de sekten het theologisch gezichtspunt
maatgevend zijn.
Het aantal Protestantse sekten is schier onoverzienlijk. Hun
leerstellingen, hun vormen van gemeenschap en van eredienst
vertonen een enorme rijkdom aan variaties. Hebben ze eigenlijk
wel iets gemeen, dat hen in hun afwijzende houding tegenover de
kerk der reformatie met elkaar verbindt en hen tegelijkertijd
typerend van de sekten, die uit de Katholieke of Orthodoxe
kerken ontstaan zijn, onderscheidt? Wat ze gemeen hebben kan men
in ieder geval niet ontdekken, als men alleen maar hun
Ieeruitspraken nagaat. Er bestaat geen gemeenschappelijke
dogmatiek van de Protestantse sekten. Maar wanneer men zoekt
naar hun herkomst en naar de bepalende krachten, dan ontdekt men
zekere tendenzen, die in de vormenrijkdom van heel deze wereid
van Protestantse sekten werkzaam zijn. Al deze sekten zijn uit
dezelfde negatie ontsproten, namelijk uit het .mee" te gen de
reformatorische verkondiging. Deze negatie doet zieh ook gelden
op het gebied van hun positieve leerinhoud en bepaalt die in
haar motieven en innerlijke betrekkingen. Er bestaat dus, van
hun oorsprong uit, een verwantschap tussen de Protestantse
sekten. Om een beeld te gebruiken: als een granaat explodeert,
vindt men nadien de splinters terug, verstrooid over allerlei
afstanden en richtingen. Maar ze wijzen allemaal terug naar
dezelfde explosiehaard. Zo hebben ook de Protestantse sekten een
en hetzelfde explosiecentrum. Onze taak is nu, de sekten bij
deze oorsprong op te zoeken, dat wil zeggen: uit te vinden wat
haar antithetiek is en het grondmotief te ontdekken, dat achter
deze antithetiek steekt.
Daarmee verlaten we het terrein van de godsdienstgeschiedenis en
ga an over tot een theologisch onderzoek. We vragen: Wat is het
hart en de kern van de reformatorische boodschap? Waarin bestaat
de sektarische antithetiek tegenover deze boodschap? Met de
beantwoording van deze vraag krijgen we de draad van Ariadne in
handen, met behulp waarvan we dan de weg hopen te vinden door
het labyrinth der vele sekten en ze van binnenuit kunnen gaan
verstaan.
Tweede Deel
DE GEESTELIJKE STRUCTUUR VAN DE PROTESTANTSE SEKTEN
Hoofdstuk 1
DE HAARD VAN DE AFSPLITSING
De kern van de reformatorische boodschap
Zoals bekend is, vertoonde de grote beweging, die zieh in de
zestiende eeuw baanbrak onder het gemeenschappelijk begrip "reformatie",
geen eenheid. Er is nooit zoiets geweest als een reformatorische
eenheidstheologie. Reeds in de aanvang kwam het dikwijls tot
bittere leergeschillen - b.v. in de avondmaaIsvraag, het finitum
capax of non capax infiniti, de verhouding van wet en evangelie
_ en deze tegenstellingen in de leer kregen al spoedig vaste
vorm in eigen belijdeniskerken binnen de beweging van de
reformatie.
Maar het was niet toevaIlig, dat er in het verdere verloop
telkens ook over en weer unies tot stand kwamen, dat er zieh op
deze of gene bovenoonfessionele basis allianties vorm den en dat
de reformatorische confessies zieh aaneensloten in de oecumene.
Ze bleven zich dus, bij alle scheiding, diep bewust van wat ze
gemeen hadden. Waarin bestaat dat nu? Bestaat het soms in de
gemeenschappelijke en exclusieve bin ding aan het Schriftgezag?
Zeker ook daarin. Maar men kan de Schrift op heel wat
verschillende manieren uitleggen, zoals het voorbeeld van
jehova's Getuigen bewijst. Belangrijker is iets anders: de
eenheid van de kerken der reformatie bestaat hierin, dat ze als
eensgezind getuigenis der Schrift een gemeenschappelijk antwoord
op de vraag naar het heil gevonden hebben. In de strijd tegen de
Roomse kerk en met beroep op de Schrift hebben ze bij hun
antwoord op de vraag: "Hoe krijg ik een genadige God?" iedere
medewerking van de mens door goede werken en iedere
heilsbemiddeling van de kerk door haar priesterheerschappij,
haar sacramentele of jurisdictionele volmachten, afgewezen. Geen
mens, geen kerk kan heil bewerken of zich bemiddelend
inschakelen in het proces van de verwerkelijking van het heil.
Bestaat er eigenlijk wel een mogelijkheid om het heil te
verkrijgen? Ja, maar zonder de mens en tegen de mens in. Heil is
slechts te vinden als een mogelijkheid Gods: sola gratia. Met
dit woord is de kern van de reformatorische boodschap aangeduid.
Het heil is zuiver en alleen Gods daad. Het begrip "gratia"
spreekt zeer radicaal uit, dat het heil niet van enige
menselijke of kerkelijke medewerking afhangt, maar dat het
geschonken wordt, afgezien van alle condities, die de mens kan
opbrengen of de kerk kan leveren; dat het niet door welke
prestaties ook verdiend of ook maar op gang gebracht kan worden.
Er is in deze zaak geen sprake van welke ooöperatie ook tussen
mens en God, maar God is de alleen werkende en schenkende "zonder
enige verdienste of waardigheid mijnerzijds". Daarin wil Hij
bewijzen en bewijst Hij zijn majesteit, die zieh ontfermt waar
zij zieh wil ontfermen, en die in haar ontferming alles schept
en schenkt, zonder op de medewerking van de menselijke creatuur
te zijn aangewezen.
Het is een sola gratia, dus totaal exclusief in de meest strikte
zin van het woord. Ook datgene wat onder de inwerking van zijn
genade in de mens geschiedt: het geloof, zijn bekering en
heiliging, zijn werken en zijn wandel in het teken van boete en
van liefde - is geen prestatie of verdienste, maar genade ! En
omdat het genade, dus onverdiend geschenk is, kan het ook nooit
een aanleiding vormeil tot vrome trots of ook maar tot een zeker
recht tegenover God of tot een farizeische aanmatiging tegenover
andere mensen, maar noopt het altijd tot deemoed en aanbiddende
dank.
Tenslotte is de boodschap van het "door genade alleen", in
Christus en zijn verlossingsdood verkondigd en bevestigd, de
burcht tegen alle gewetensaanvechting. Want ze maakt het heil
niet meer afhankelijk van de menselijke krachtsinspanning met
haar onzekerheden en terugval. Ze stelt het geloof op een vaste
grond, die niet meer zijn eigen grond is, maar de grond van de
goddelijke heilsbe- lofte. Hier wordt de mens, los van alle ups
en downs van zijn innerlijk leven, zekerheid gegeven; hier staat
het "ja" van God. Het blijft staan, ook tegenover het eigen
"nee" en tegenover de vertwijfelingen van het geweten. Het komt
vanuit een andere dirnen sie en wordt daarom niet door
menselijke aanvechtingen aan het wankelen gebracht.
Maar de genade is aan de greep van de mensen onttrokken. Dat is
enerzijds het fundament van de heilszekerheid. Maar het is
anderzijds ook een ergernis. Want da armee is uitgesproken, dat
de mens op het punt, waar het voor hem om leven en dood gaat,
als actief deelnemer uitgeschakeld is, Hij kan zijn heil niet
zelf bewerken. Hij kan het niet eens bevorderen. Hij is
teruggewezen naar de passiviteit, hij is niet meer eigenmachtig
heer en souverein subject, maar aan God uitgeleverd als object.
Natuurlijk, de Schrift, en de hervormers met haar, verwarren het
werk van Gods genade niet met een automatisch aflopend apparaat.
Ze spreken er van, dat de mens het heil, dat hem door God bereid
is, moet aannemen, dat hij moet gaan "geloven". Ze kennen een
verantwoordelijke beslissing van de mens voor en tegen het heil,
en spreken van schuldige afwijzing van de nodiging Gods. En
verder: het geloof moet zieh omzetten in vruchten. Het sluit een
menigte ethische eisen in zieh, met aan de spits de liefde.
Geloof zonder werken is dood, want geloof verplicht.
De mens heeft dus tegenover het aanbod van het heil de vrijheid
om te kiezen en kan beslissen om te gehoorzamen of niet. Maar
dat is slechts de ene kant. Aan de andere kant wordt het
menselijke "ja" tegenover het heil, dat God aanbiedt, het geloof
dus, direct weer herleid tot een gebeuren, dat de mens niet uit
eigen kracht tot stand brengt, maar dat de Heilige Geest in hem
heeft voltrokken. En de vervulling van het gebod der liefde is
niet allereerst een ethische prestatie van de mens, maar een
vrucht, die groeit uit het ontvangen van de liefde Gods. Gods
indicatief gaat dus aan de imperatief aan de mens vooraf. En wat
de mens tot aal onmogelijk is, dat is zelf in te grijpen in het
proces van de genade. Hij moet het laten bij de constatering,
dat hij hier zijn lot niet meer zelf in handen heeft.
Deze eis gaat lijnrecht tegen een grondtendens
van de mens in.
Hij wil zijn eigen heer en meester zijn, wil over zijn lot zelf
besehikken en zelf zijn geluk smeden. Hij doet dat in alle
kleine en grote dingen van zijn leven. Hij bepaalt, wat hij wil
eten, hoe hij zieh wil kleden, en hoe hij zijn dagen wil
doorbrengen. Hij kiest zieh zijn beroep, beslist over de keuze
van zijn levensgezel, zoekt zijn eigen gezelsehap en zijn eigen
geestelijke atmosfeer. In het feit dat hij dit alles kan doen,
bevestigt hij zijn heer en meester zijn en zijn vrijheid. En
alleen datgene, wat hij aan ziehzelf te danken heeft, heeft hij
in eigen hand. Hiervoor is hem een garantie gegeven. Voor al het
andere, dat van andere mensen of machten afhangt, ontbreekt deze
garantie. Dat moet hij vervangen door een erediet. EIk crediet
van dien aard is verbonden met een risieo. Dit risieo is te
dragen, als het alleen .maar om een kleine inzet gaat. Maar als
er meer op het speI staat, pleegt men het erediet te dekken door
een tegenverzekering.
Zo gaat het in het leven van alle dag en in het zakenleven.Maar
hoe gaat dit bij de heilsbelofte Gods, dus ten aanzien van de
vraag, waarmee het hele bestaan staat of valt? Hier moet de mens
helemaal op "erediet", d.w.z. uit het geloof, leven. Maar dit
crediet kan hij niet meer bij enig aards heilsinstituut
tegenverzekeren. Geen enkel ander mens, geen dominee, geen kerk
kan hem een garantie bieden. Hij wordt tot voor een afgrond
geleid en men stelt hem de eis:
"Spring in de diepte! Ge kunt rustig springen, ge zult niet te
pletter slaan, maar midden in de kloof wordt u een hand
toegestoken, die u opvangt!" Kan hij op deze belofte de sprong
wagen - zonder touw en zonder voorafgaande' verkenning? Neemt
hij daarmee niet een vreselijk risico? Zeker, die hem de sprong
gebiedt en van de toegestoken hand spreekt, is niet zo maar
iemand, maar Christus zelf. Maar het kost niettemin een
overwinning,voor men springt; want men bezit niets dan het
blinde, vertrouwende geloof.
Velen huiveren voor deze sprong. Ze zien om naar een andere
mogelijkheid om het geld te verkrijgen, zonder dit risico te
moeten nemen. Is het angst? Is het gebrek aan geloof? Is het
eenvoudig die grondtrek van de menselijke natuur, die het eigen
lot zelf in handen zou willen houden en het niet wil uitleveren
aan vreemde machten? Dit zal wel de doorslaggevende reden zijn.
Deze grondtrek heeft nl. de machtigste en meest verscheiden
schepping op het wijde gebied van de godsdienstgeschiedenis
voortgebracht. Hij werkt in de wettische religies van joden en
Mohammedanen evengoed als in de werkreligies van de
Hindoetstische Karmamarga of in de zelfverlossingsleer, die in
de "heilspaden" van de Vedanta en van het Boeddhisme wordt
verkondigd. Hij werkt in de drang naar bovenzinnelijke kennis en
naar opklaring van het gevaarlijke donker aan de overzijde van
de menselijke grenslijn, die te allen tijde wijzen en zieners,
extatici en esoteriers, tovenaars en geestenkenners bezielde.
Hij probeert op allerlei manieren een inzicht te krijgen in de
heerschappij van de bovenaardse machten en de goddelijke macht
ten gunste van de mens te beinvloeden - door offers, verering,
gehoorzaamheid en allerlei andere prestaties.
Deze oerdrang naar heilsverzekerdheid en naar een heilsweg, die
de menselijke initiatieven niet negeert, maar aan deze tenminste
het recht van meespreken inruimt, is ook in het Protestantse
sektewezen werkzaam. Van hieruit gezien blijkt het de vrucht te
zijn van een eIementaire zielsbehoefte en mag het derhalve niet
gebrandmerkt worden als religieuze ontaarding, maar is het een
consequent antwoord op een menselijk grondmotief.
Het punt dus, waarop de sektarische antithetiek inzet, is de
centrale boodschap van de reformatie: de rechtvaardiging sola
gratia, sola fide, steunend op het getuigenis van de Schrift,
sola scriptura. Om nog eens het beeld van de granaat te
gebruiken: hier Iigt de explosiehaard. De splinters joegen na ar
alle kanten. Maar ze liggen op diverse afstanden van de plaats
van de explosie. Er zijn in de sektarische ontwikkeling
verschillende trappen en graden. Er zijn gemeensehappen, wier
geestelijk profiel nog te weinig vaststaat, zodat ze, zieh
bevindend in een tussenzöne tussen kerk en sekte, eerst nog een
beslissing moeten nemen over de verder te volgen weg, of die na
aanvankelijke afseheiding zieh alweer terug ontwikkeld hebben in
de riehting van de kerk, Men zou deze groepen beter "afzonderlijke
godsdienstige gemeenschappen" dan "sekten" kunnen noemen.
Daartoe behoren b.v. delen van de Pinksterbeweging en van de
Perfeetionisten, de Philadelphia-beweging rondom Chris- tian
Röckle, de "Ecclesia" rondom Hermann Zaiss, de Rijksbroederschap
van Jezus Christus rondom Abram Poljak, de kringen rondom [acob
Lorber en Swedenborg, en de Kathollek-Apostolische gemeenten. Er
zijn echter anderzijds ook gemeenschappen, die zieh innerlijk en
uiterlijk ver van de kerk hebben verwijderd en alle kenmerken
dragen van een sektarisch denken, zoals jehova's Getuigen of de
Hersteld-Apostolischen. En daar tussen in is dan een breed
middenveld met een bonte mengeling en accentuering van
verbindende en antithetische elementen. Het sektewezen is dus
een uiterst gedifferentieerd verschijnsel. Het moet altijd
vergrovend werken, als men er collectief over spreekt! 6)
Dit voorbehoud zij hier uitdrukkelijk vermeId. Daarom zullen we
ook niet de sektegemeenschappen als zodanig, maar uitsluitend de
motieven en symptornen van sektarisch denken, die daarin
werkzaam zijn, tot voorwerp van onderzoek maken. En als er
samensteIlende groepsaanduidingen gebruikt worden (b.v. "de
aanhangers van de Pinksterbeweglng" of "de Perfectionisten"},
dan hebben deze slechts betrekking op die gemeenschappen, die
zieh enigszins duidelijk in de richting van het sekt arische
hebben ontwikkeld.
Maar ook tussen kerk en sektegemeenschappen is de grens niet
star. Er werd reeds op gewezen, dat beide voortdurend in
beweging zijn. Het zijn geen vers te ende producten, maar
levende organismen. Er zijn gemeenschappen, die op hele
trajecten van hun geschiedenis de typische trekken van het
sektarische te zien gaven, maar zieh later terug ontwikkelden,
En er zijn aan de kerkelijke zijde kringen of richtingen, die
gevaarlijk overhellen naar het sektarische en nog slechts door
een dunne band met de kerk zijn verbünden. De grens tussen kerk
en sekte loopt dus bepaald niet langs de uiterlijk ziehtbare
scheidingslijn, maar gaat in vaak wonderlijke bochten dwars door
beide gebieden heen. Dat de kerk steeds door sektarische gevaren
van binnen uit wordt bedreigd, toont haar geschiedenis duidelijk
aan. Dat achter deze gevaren motieven schuilen, die hun zetel
hebben in religieuze oerbeslissingen, zal duidelijk würden uit
het verdere verloop van IOns onderzoek. In ieder geval: de
verhouding kerk - sekte is al te ingewikkeld, dan dat men deze
kan afdoen door de denominaties eenvoudigweg een stempel op te
drukken en te sorteren. Wezenlijk is het zo, dat geen enkele
kerk voor de sektarische heils weg immuun is en dat deze een
steeds weer nieuwe verzoeking voor haar vormt,
Deze bedenkingen zijn van belang, omdat ze de kerk be waren voor
een eigengereide en zelfbewuste houding tegenover de sekten en
haar in haar eigen midden oproepen tot waakzaamheid. Ze moet
onophoudelijk de verzoeking van de sektarische heilsweg afweren
en haar boodschap in de confrontatie met deze dreigende
mogelijkheid duidelijk afgrenzen en verkondigen. Alleen dan, als
ze de "sekten" in zieh zelf heeft overwonnen, heeft ze ook de
kracht de sekten daarbuiten tegemoet te treden met de haar
toevertrouwde waarheid.
Hoofdstuk 2
DE GREEP NAAR DE GENADE
Het verleggen van de plaats van beslissing naar de mens toe
De sekten hebben hetzelfde thema als de kerk. Ook bij hen gaat
het om de vraag na ar het heil in Christus. Ook zij spreken van.
genade. Vele sekten doen dit zelfs veel indringender dan de kerk.
Maar wie scherper luistert, ontdekt, dat ze het "sola gratia"
van allerlei merkwaardige toevoegsels voorzien. Ze laten de
genade niet meer gelden als het vrije geschenk van God aan de
onwaardige, zondige mens, maar binden die aan de meest
uiteenlopende voorwaarden en veronderstellingen.
Zo zeggen b.v. de Perfectionisten: eerst moet ge tot uw bekering
besloten hebben, als een duidelijk gefixeerde belevenis van
omkeer, en de "totale overgave aan de Heer" hebben voltrokken;
eerst dan wordt ge in gen ade aangenomen en verkrijgt ge de "volledige
overwinning over de zonde".
De aanhangers van de Pinksterbeweging zeggen: op de
wedergeboorte moet de geestesdoop volgen en deze moet zieh uiten
in tongentaal. Eerst als de Heilige geest woning in u gema akt
heeft, hebt ge de genade ontvangen en kunt ge "erkend worden als
een werkeIijk lid van de gemeente van het Nieuwe Verbond " .
De Hersteld-Apostolischen zeggen: het geloof aan het bijbelwoord
en aan Christus' vroegere heilsdaden helpt niet. Eerst als ge
door het Hersteld-Apostollsche "ambt der genade" de vergeving
der zonden en door het Hersteld-Apostollsche "ambt des geestes"
de Heilige Geest hebt ontvangen, bent ge Gods kind en huisgenoot.
De Adventisten zeggen: ge moet de drievoudige engelboodschap
van Openb, 12,6-12 aannemen en in plaats van de zondag de
sabbath heiligen, eerst dan bent ge in het godsvolk van de
eindtijd opgenomen en wordt ge bij de parousie met Hem
meegenomen naar het bruiloftsmaal des Lams.
jehova's Getuigen zeggen: ge moet u aansluiten bij de leer en de
gemeenschap van Het Gezelschap van de Nieuwe Wereld, u uit de
politieke, godsdienstige encommerciele satansorganisaties
Iosmaken en ijverig "velddienst" doen, eerst dan hebt ge de
garantie, dat ge aan het bloedbad van Harmagedon ontkomt.
De Kerk van het Godsrijk zegt: ge moet de "wereldwet" met haar
grondgebod van het altruisme navolgen, u scharen bij het "leger
van de Almachtige" of wel als lid van de "kleine kudde" uw leven
dagelijks offeren, eerst dan zult ge burger worden in het aardse
of in het hemelse deel van het komende Rijk Gods.
Christi an Röckle (Philadelphia- beweging) zegt: ge moet "de
twaalf kenmerken als toetssteen van volledige overgave"
vervullen, eerst dan ho ort ge bij de Christenen van de "Allerheiligste"
en wordt ge lid van de bruidsgemeente, die gered wordt van de
komende nood.
De Christengemeenschap zegt: ge moet door meditatie en de zeven
sacramenten, in het bijzonder door de handeling van de
menswijding, de kosmische genezingskracht van Christus door u
heen laten stromen en u daardoor laten "kerstenen", eerst dan
verandert ge in een ho gere vorm van zijn.
De Christi an Scientisten zeggen: ge moet door een totale
innerlijke ommekeer zover komen, dat God voor u de enige
realiteit wordt en al het andere: materie, zonde, ziekte en dood
als louter inbeelding wegvalt.
De aanhangers van Swedenborg en Lorber zeggen: ge moet u ernstig
moeite geven een leven te leiden in de zin van de liefde tot God
en de naaste, want dan zal God uw liefde met zijn liefde
beantwoorden en u tot steeds ho gere volkomenheid doen geraken,
De Mormonen zeggen: ge moet de vier "wetten van het evangelie":
geloof, boete, doop en handoplegging vervullen, dan zult ge
gaandeweg voortschrijden tot in de hemelse heerlijkheid.
Dat zijn antwoorden van zeer verschillende aard. Ze laten zieh
echter op een gemeenschappelijke noemer brengen: ze verleggen
allemaal de plaats, waar de beslissing over het heil valt, van
God naar de mens toe - na ar zijn godsdienstige strevingen en
ervaringen. En daarmee wordt aan de mens de mogelijkheid
geschonken, door zijn gedragingen - of ze nu van zedelijke,
godsdienstige of cultische aard zijn -, invloed te krijgen op
het genadig hand elen Gods of dit zelfs beslissend om te buigen.
Het heil wordt binnen het bereik van zijn greep gebracht. Hij is
niet alleen meer object van God. Hij kan zichzelf normbepalend
inschakelen.
Hier nu doet zieh een typerend onderscheid voor tussen de
reformatorische verkondiging en de leer van welke sekte ook. Het
is de accentverschuiving van de goddelijke dimensie naar die van
de mens: van Gods handelen naar dat van de mens; van Gods
beloften naar de prestaties, inzettingen en vermogens van de
mens. Voor de reformatie is deze verschuiving onmogelijk. Dat
verbiedt haar de kennis van 's mensen zonde. De mens is van God
gescheiden door de schuld. Hij kan deze schuld niet uit eigen
kracht terzijde schuiven. Dat kan alleen God doen. Daarom blijft
de mens geheel op Gods vergevende liefde aangewezen. Die kan hij
niet afdwingen. Hij kan ze ook niet voor zieh winnen door vrome
inspanning of listige trucs. Maar hem is de belofte van Gods
liefde aangezegd. Die kiemt niet als vermoeden in zijn hart. Ze
wordt hem van buiten en van boven af toegesproken. Hij heeft de
oorkonde van deze genade in de Schrift. Dus is hij in de eerste
plaats een ho order. En de ho order wordt gelovige. Beide: horen
en geloven, is in eerste instantie een ontvangende houding - er
heeft een overweldiging van de mens door Gods Woord plaats.
De vroomheid van de sekten van alle schakeringen wijst deze weg
van de hand. Want het is de weg van God naar de mens. Zij zoekt
echter een weg, die de mens zelf kan inslaan, banen en afleggen.
De reformatorische gelovige "handelt" niet, maar hem overkomt
iets. De sektarische gelovige echter wil actief deel hebben aan
zijn heil. Voor de reformatorische gelovige is dat onmogelijk,
omdat de dimensie in haar ganse breedte en diepte een dimensie
van de zonde is. De sektarische gelovige verldeint deze stelling.
Hij opponeert tcgenover de reformatorische leer, dat er ook op
het menselijk vlak cen mogelijkheid van heilsverwerkelijking of
tenminste van heils beinvloeding is.
ledere sekte heeft weer haar eigen leer aangaande deze
mogelijkheid, maar dat alle sekten aan een dergelijke
mogelijkheid geloven, verbindt ze met elkaar in een
gemeenschappelijke positie tegenover de reformatie. Men kan de
heilsmogelijkheden, welke de sekten binnen de menselijke
dimensie zien, in enige groepen samenvatten, waarbij het
dikwijls gebeurt, dat een en dezelfde sektarische gemeenschap
meerdere van deze mogelijkheden tegelijk in haar leer combineert.
De verwisseling van roepstem en antwoord
Naar de reformatorische leer is het alleen God, die de mens het
heil toezegt en schenkt. Deze toezegging wli door de mens
gehoord en geloofd worden. Gods heilsbelofte is de roepstem, en
het geloofsleven van de mens in he el zijn ontvouwing is het
antwoord dat door deze roepstem gewekt wordt in de mens. Dat
antwoord is niet iets eigens. Het zou zonder de roepstem zelfs
niet kunnen ontstaan. Het geloof en het handelen van hem, dien
Gods roepstem treft, is weliswaar ook wel met een "ge zult"
verbonden. Maar uiteindelijk zijn deze "werken" geen eigen
prestatie van de mens, maar werking van de Heilige Geest en
genadegave. Ze geven daarom ook volstrekt geen recht op beloning,
en de vrome kan op geen enkel moment "tariefpartner" Gods worden.
Daarom is heel dat terrein van de vrome ervaringen, belevenissen
en handelingen beslist niet de plaats, waar de mens de
beslissing over zijn heil teweeg kan brengen. Deze beslissing
valt elders en op het menselijk vlak wordt alleen maar zichtbaar
of God zieh van de mens meester gema akt heeft. De mens wordt
ook in zijn "werken" niet ontslagen uit de afhankelijkheid van
de genade.
De sektarische weg van de heilsverwerkelijking nu zet in bij de
samenhang tussen Gods roepstem en het menselijk antwoord. In de
sekte wordt dit antwoord uitgerust met een eigen waardigheid,
terwijl het meer of minder sterk van de roepstem wordt
losgemaakt en een bepaalde zelfstandigheid ontvangt. Daarmee
wordt aan de mens de mogelijkheid gegeven tot een eigen
initiatief. De verhouding van roepstem en antwoord wordt
omgekeerd: de vrome is het, die met zijn "werken': een roepstem
doet horen, en deze roepstem
beantwoordt God nu met de toe-eigening van het heil. De mens
beslist er dus in de door hem bezette en beheerste voorruimte
over, of in de mimte Gods de belofte van genade gerealiseerd
wordt,
Terwijl het reformatorisch geloof zich vastklampt aan het
objectieve, aan de heilsfeiten. die God, hoog boven de dirnen
sie van de mens met zijn ups en downs uit, als onwankelbare
getuigenissen van zijn genadig handelen opgericht heeft,
voorziet het sektarisch geloof de subjectieve sieer - de sfeer
van de godsdienstige ervaringen, belevenissen en prestaties -
van een eigen accent. De "werken" krijgen een constitutieve
betekenis voor het heil. Ze krijgen zodoende een andere plaats
en een andere kwaliteit dan in de reformatorische verkondiging.
Het gevolg is enerzijds, dat het persconlijke geloofsleven
veelszins een intensiteit bereikt, die respect en zelfs
bewondering afdwingt. Anderzijds worden de zwaartepunten in het
getuigenis van de Schrift verlegd. De sacramenten gelden niet
meer als handelingen, waarin God de gevende en de mens de
restloos ontvangende partij is, maar de mens schuift naar voren
in de positie van een medespeIer. Daarom wordt vooral de
kinderdoop fel afgewezen, en het ligt in de aard der zaak, dat
juist bij dit vraagstuk de tegenstelling tussen de kerk en de
sekten van deze groepering duidelijk aan de dag treedt. Want in
de practijk van de kinderdoop wordt het objectieve karakter van
het sacrament - en op de achtergrond daarvan het sola gratia,
het heil als uitsluitend en alleen Gods daad - ondubbelzinnig
betuigd. Als de mens zichzelf echter als medespeler in het
heilsproces inschakelt, moet hij de kinderdoop vervangen door
een "geloofdoop", waartoe alleen volwassenen, die in staat zijn
beslissingen te nemen, kunnen komen en waarvan de geldigheid
afhankelijk is van de godsdienstig-zedelijke kwaliteit, die ze
in hun bekering bereikten. En evenzo krijgt de deelname aan het
avondmaal mede het karakter van een prestatie. Siechts "bekeerde"
gelovigen worden toegelaten en het is niet toevallig, dat in
talrijke gemeenschappen - bij de Adventisten, de "Gemeente Gods"
(Anderson), de "Pinkstergcmeente Gods" (Cleveland), de
Pinkstergemeenschap "Apostolisch geloof" e.a. - met het
avondmaal de voetwassing als symbool van voortgaande heiliging
verbonden is. De wet krijgt voorrang op het rvangelie. De "heiliging"
als prestatie van de gelovigen wordt als tweede en ho gere trap
gesteld naast de "rechtvaardiging" als de daad Gods, en de
beslissing over de geldigheid van de rechtvaardiging valt eerst
op de trap van de "heiliging". De genade wordt niet geloochend,
maar ze wordt van het menselijk gedrag afhankelijk gemaakt. De
mens krijgt ze in zijn greep: Hij kan zieh er moeite voor geven.
Het kan beginnen met de vraag, onder welke voorwaarden hij
waardig bevonden wordt de genade te ontvangen. Hij doet het dus
voorkomen, alsof God aan de mens zekere voorwaarden stelt en het
heil vooraf van bepaalde prestaties afhankelijk maakt. Als men
deze voorwaarden kent, kan men bij zichzelf nagaan of men in de
staat der gen ade is. Men is zodoende op de hoogte van zijn
eigen situatie en uit deze onzekerheid verlost. In deze zin wil
Röckle zijn "twaalf kenmerken als toetssteen van volledige
overgave" verstaan zien.
Daar voegt zieh een tweede stap bij: Als eenmaal erkend is, dat
er een causaal verband bestaat tussen de "werken" van de mens en
Gods heilsbesluit, wordt de bijbelse indicatief overstemd en
versIonden door de imperatief. Bekering en geestdoop gelden wel
als daden Gods. Maar deze daden zijn nu geen souvereine
handelingen van God meer, waarin Hij sola gratia met de mens
bezig is, maar ze worden door een voorafgaande inspanning van de
mens teweeg gebracht. Ze zijn dus niet meer roepstem van
Godswege, maar antwoord op een bepaald gedrag van de gelovige.
Deze moet zieh uitstrekken naar zijn "wedergeboorte", wil ze hem
ten deel vallen, en het is zijn eigen schuld, als hij die niet
beleeft. En hij kan de geestdoop naar zieh toe halen door zekere
nauwkeurig vastgelegde voorwaarden te vervullen. Als zulke
voorwaarden worden b.v. genoemd: aanbidding; blijmoedig geloof;
gespannen verwachting; lof - en dankzegging; onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid; eendracht; volharding.")
Tegelijk heeft de mens het in zijn hand het hem beloofde heil
door de mate van zijn godsdienstig-zedelijke prestaties zeker te
stellen en te doen toenemen. Hij heeft invloed op de omvang van
de goddelijke genade. Niet iedere Christen ontvangt hetzelfde
loon. In tegenspraak met Matth. 20, 1 vv. wordt er gesproken van
verschillende graden van heil. Daarom wordt de Christelijke
gemeente dan ook in verschillende groepen ingedeeld. De
Perfectionistische gemeenchappen maken onderscheid tussen "gewone"
Christenen, die slechts gerechtvaardigden zijn en anderen, die
tot volledige bekering zijn gekomen en de "overwinning over de
zonde" hebben behaald. Sekten, die tot de Pinksterbeweging
behoren, voegen aan deze twee groepen nog een derde .toe, nl.
degenen, die boven de bekering uit ook nog de geestesdoop hebben
ontvangen. De Pentecostal Holiness Church in de U.S.A. heeft ook
in haar statistiek deze driedeling opgenomen en haar leden
onderscheiden in de categorieen van de "geredden" , de "geheiligden"
en degenen, "die de geestesdoop ontvangen hebben" . Een
dergelijke classificering van de Christelijke gemeente, zoals
Christi an Röckle die gemaakt heeft met zijn "driedeling van de
tempel", ga at gepaard met heilsoordelen. De "gewone" Christenen
moeten nog geoordeeld en gezift worden, want het zijn nog maar
beginnelingen, mensen, die nog niet tot een beslissing kwamen of
die halverwege bleven steken. Maar de "bekeerden" en zeker zij,
die de geestesdoop ontvingen, behoren duidelijk en
ondubbelzinnig tot de "ware gemeente".
Met deze classificering wordt dus op Gods besluit over 's mensen
heil vooruitgelopen. Men veronderstelt, dat Gods oordeel deze
dassificering zal dekken. Het ligt in dezelfde Iijn, dat men nu
ook onheilsoordelen ga at uitspreken, Men stelt de heilsgrens
vast en zegt degenen, die aan de andere kant van die grens staan,
aan, dat hun de verdoemenis te wachten staat. Een verder gevolg
is het sektarisch afzonderen van de "bekeerden", respectievelijk
van degenen "die de geestesdoop ontvangen hebben" , van de kerk.
Want deze omvat ook halve Christenen en onverschilligen. Men
moet de gemeenschap met haar opzeggen, want anders zou het een
gemeenschap zijn met de zondaars en een verontreiniging van de
"ware gemeente" .
Kan in de kringen van het Perfectionisme en van de
Pinksterbeweging de gelovige dus op het gebied van de
godsdienstige ervaring (de bekering, respectievelijk geestesdoop)
invloed doen gelden op het verkrijgen van het heil, andere
gemeenschappen vertegenwoordigen een synergisme van ethisch
karakter. De goede wil, de vrorne dougdbetrachting wekt Gods
welgevallen en geeft Hem aanleiding tot een genadige gezindheid.
Hier staat dus Gods genade niet als de macht, die alles bewerkt,
aan het begin, maar treedt eerst Iater op als vrucht en op grond
van menselijke inspanning. Het heil wordt van een vrij, alles
met zieh meebrengend geschenk Gods tot een prijs, die de mens
voor zijn vroom streven deelachtig wordt. De gratia praeveniens
wordt tot een gratia subveniens en postveniens.
Hoe meer nadruk gelegd wordt op de waarde en de kracht van de
menselijke prestatie, des te meer komt de boodschap van de
genade in het gedrang. In de grond van de zaak wordt dit proees
veroorzaakt door een opvatting, die het bijbels getuigenis van
's mensen radicale verdorvenheid en verlorcnheid niet meer
ernstig neemt. De wereid van de zonde wordt beroofd van haar
dieptedirnensie en beperkt tot afzonderlijke daadzonden. God
eist van de mens, dat hij deze daadzonden vermijdt, en de mens
heeft de vrijheid en de wilskraeht om deze eis te vervullen.
Telkens weer worden hier bepaalde standaardgeboden genoemd:
afzien van opschik en mode, alcohol en tabak, dans, bioscoop en
allerlei "wereldse" genoegens en verleidingen. Het godsdienstig
leven vernauwt zieh tot een moralisme als de weg, waarop de
vrome zieh de gerechtigheid voor God verwerven kan.
In zijn laatste uitlopers mondt dit synergisme uit in de leer
van de volkomen zelfverlossing van de mens. De boodschap van het
sola gratia heeft zieh vervluehtigd tot de voorstelling van een
God, die de moeite, welke de mens zieh getroost, met welwillende,
mogelijk ook actieve opmerkzaamheid gadeslaat en hem de
verdiende beloning doet toekomen, maar overigens de initiatieven
helemaal aan hem overlaat. Dit radicale synergisme vinden we b.v.
bij de Christian-Scientisten of in de Mazdaznanbeweging 9) of
bij jehova's Getuigen en de daar weer uit voortgekomen
gemeensehappen.
De realisering van de goddelijke heilskrachten
Men erkent weliswaar, dat de menselijke dimensie in het teken
van schuld en afval staat, maar leert nu, dat er midden in deze
woestijn een oase ligt! In deze oase woont God of realiseert Hij
Zich en laat er een bron van eeuwige heilskrachten stromen. In
deze leer, dat men het goddelijke hier en nu in volheid beleven
kan, is een diep-menselijke drang werkzaam: men wil zo graag
Gods tegenwoordigheid en werkzaamheid zichtbaar, grijpbaar en
concreet ervaren. Men wil niet slechts verwezen worden naar het
gepredikte woord, dat alleen maar getuigenis van de zaak, maar
nooit de zaak zelf kan zijn. Men zou de verre God dichtbij
willen haIen en deel willen hebben aan zijn tegenwoordigheid in
cultische handelingen, wonderlijke krachtsuitingen, genezingen
en nieuwe openbaringen.
De realisering, respectievelijk concretisering, van het
goddelijke kan op een drievoudige wijze plaats vinden: langs
spiritistische, cultische of "enthousiaste" weg. De
spiritistische weg vinden we in de talrijke godsdienstige
gemeenschappen op magisch-spiritistische grondslag, die in de
laatste honderd jaar overal in de wereid zijn opgekomen, zo b.v.
in de U.S.A. de "National Spiritualist Association", de
"Progressive Spiritual Church", de "General Assembly of
Spiritualists", in Engeland de "Christian Spiritual League", in
Duitsland de "Evangelisch- Johannisehe Kirche nach der
Offenbarung St. Johannis", ge sticht door joseph Weissenberg.
Hier hangt men de overtuiging aan, dat bovenaardse autoriteiten
door bemiddeling van een medium in trance tot de gelovigen
spreken en hun leiding, troost, raad en genezende kracht
schenken.
De cultische realisering van de heils krachten knoopt aan bij de
bijbelse sacramenten en maakt die door diverse middelen dienstig
aan haar eigen doeleinden: ze worden in aantal vermeerderd en
tegelijkertijd ondergaan ze een zo wezenlijke verandering, dat
ze van heilige tekenen, waardoor God: met de mensen handelt, tot
dragers van de goddelijke heilssubstantie worden. Hun
voltrekking wordt gebonden aan een priesterlijk ambt, dat
krachtens hogere wijding de volmacht bezit om de sacramentele
genezingssubstantie te verwerkelijken en door te geven aan de
gelovigen. We vinden deze cultische weg bij de
Hersteld-Apostolischen, de Mormonen en de Christengemeenschap;
ze hebben de genade sacramenteel vermaterialiseerd en
gekanaliseerd.
De weg van het .enthoueiasme" tenslotte wordt in de
Pinksterbeweging ingeslagen. In haar midden werd een heel
systeem van geestelijke exercitien ontwikkeld, aan het einde
waarvan de geestdoop met ton gent aal staat.
Voor de theologische motivering van deze wegen grijpt men gaarnc
terug naar het derde artikel uit de geloofsbelijdenis. Het is
niet toevallig, dat de leer van de Heilige Geest voor een groot
deel van
de sekten het dogmatisch lievelingskind is geworden. De Heilige
Geest vormt binnen de triniteit de figuur, die de brug slaat van
de eeuwigheid Gods na ar het hier en nu van de wereld der mensen.
In Hem betreedt God het heden, om Zieh hier te manifesteren en
te realiseren. De Heilige Geest is de "trooster", dien Christus
beloofd heeft. Hij is de nabije God, die de gemeente der
gelovigen Ieidt, het toekomende verkondigt en de wereld oordeelt
(Joh. 16, 5-15).
De sektarische leer van de Heilige Geest heeft deze nabijheid
onderstreept. Maar ze vergeet te gemakkelijk, dat ook de Heilige
Geest de heiligheid Gods eigen is, dat Hij dus de souvereine
Heer is, Zij heeft de Heilige Geest beroofd van zijn majesteit
en Hem veranderd in een getemde en gedweee macht, die zieh
begeeft in 's mensen hand. Dit aan banden leggen van de Heilige
Geest wordt b.v. duidelijk aan de wijze, waarop men in
bijeenkomsten van de Pinkstergemeenten met Hem omgaat. Als
volkomen vanzelfsprekend wordt verondersteld, dat, als de
evangelist X zondagmiddag in zaal Y zijn bijeenkomst houdt, ook
de Heilige Geest prompt versehijnt en Zieh in voorspellingen,
tongentaal en bekeringen bekend maakt. Hij is de trouwe
begeleider van de evangelist geworden, die hem nooit in de steek
laat en aan zijn roepstem gehoorzaamt. Hij wordt door de
evangelist "georganiseerd" of zelfs "erbij gesleurd". Ook bij de
Hersteld-Apostolischen wordt Hij "beheerd". Als een apostel een
gelovige bij de verzegeling de hand oplegt, is de Heilige Geest
ter plaatse en laat zieh "schenken". Hij heeft zieh dus begeven
in de macht van de apostel, die over Hem beschikken kan; Hij is
objeet van diens ambt geworden. En als jezus in Joh. 3, 8 over
de sou vereine vrijheid van de Heilige Geest spreekt, verbeteren
de Hersteld-Apostolischen dat in deze zin, dat de Heilige Geest
om zo te zeggen vrijwilIig van het gebruik van zijn vrijheid
afstand heeft gedaan, ten gunste van het apostelambt: "Als de
Apostelen de Heilige Geest schenken, volvoeren ze de wil van de
Heilige Geest en daarmee die van hun zender, aan wien alleen de
macht in de hemel en op aarde overgedragen is. Hier wil de
Heilige Geest waaien en Hij openbaart Zieh dan ook daaraan
overeenkomstig" .10)
In al deze opvattingen wordt de barriere, die tussen God en mens
instaat, weggesehoven en matigt de mens zieh aan, macht te
hebben over de Heilige Geest. Het is in de grond der zaak een
proces van ontgoddelijking van de Heilige Geest, dat
uiteindelijk hierop uitIoopt, dat de Heilige Geest herleid wordt
tot een goddelijk fluidum, een heilssubstantie, die men kan
opvangen, verdelen en inlijven.
Het oprichten van een theophore autoriteit
1. Men roept nu een gevolmachtigd ambt in het leven, dat als
tusseninstantie tussen God en mens in staat en van God de
opdracht heeft ontvangen in zijn naam de genade te beheren en de
gelovigen met zekerheid naar het heilsdoel te geleiden. Deze
hebben nu niet meer met een verre God en een onzichtbare
Christus te maken, maar kunnen zieh begeven onder de leiding, de
bescherming en de garanties-verstrekkende macht van een in vlees
en bloed voor hen staande ambtsdrager. Hier vindt men zekerheid
en rust en is men aan ieder risico ontkomen.
Het behoort tot de innerlijke logica van heel deze constructie,
dat de tendens bestaat, de theophore kracht van het ambt en van
de ambtsdrager al maar ho ger op te voeren. Want hoe hoger deze
worden verheven, en met hoe groter volmachten zij worden
uitgerust, des te zekerder kan de gelovige zieh voelen onder hun
bescherming. Voegt zieh bij deze tendens dan nog van onder op
een zucht tot heer sen van deze of gene ambtsdrager, dan kent de
ontwikkeling van het ambt naar boven, naar al maar ho gere
krachten en autoriteiten, geen grenzen meer. De geschiedenis van
de ontwikkeling van het Hersteld-Apostolisch ambt van
stam-apostel toont deze tendens tot het al maar ophogen van de
autoriteit overduidelijk aan. Oorspronkelijk slechts primus
inter pares wierp de drager van dit ambt zieh tenslotte op tot
de absolute heerser over de apo stelen, en dat zowel
godsdienstig als constitutioneel. Hij kan hen aanstellen en
afzetten, hun hun volmacht verlenen en ontnemen. Slechts als ze
zich tot gehoorzaamheid aan hem verbinden, kunnen ze werken. Ze
zijn niet meer op zichzelf staande dragers van de Heilige Geest,
maar zijn op zijn bemiddeling aangewezen. Hij is niet meer
slechts de plaatsvervanger van Christus, maar heeft practisch
diens plaats in genomen en Hem in het geloofsleven van zijn
aanhangers door zijn ambtsmacht en werkzaamheid verdrongen. Hij
kan zeggen:
"Wie zieh van mij afscheidt, scheidt zieh van [ezus af". 11)
Zonder hem is er dus geen heil. Hem alleen heeft Christus "volmacht
gegeven om over zijn verdiensten te beschikken en rechtsgeldig
voor God te binden en te entbinden". 12) Hij is "de door God
uitgestoken hand der liefde". 13) Hij betrekt uitspraken van
Christus betreffende diens autoriteit op zichzelf: hij is het
hoofd, en de apostelen zijn de leden; hij is de wijnstok, en de
apo stelen zijn de ranken; hij is de ene bron, die van de troon
Gods uitgaat.") Daarom: "Wie zieh aan mijn woord houdt, zal ik
uitredden" .15)
2. Er bestaat een nog hogere trap van theophore autoriteit. Er
zijn sekten, die ervan overfuigd zijn, niet slechts een hoog
boven het menselijk vlak uitstekend ambt te hebben, maar in hun
midden een persoon te bezitten, in wie de godheid zichzelf
gemcarneerd heeft. Tussen beide trappen in: de door God
gevolmachtigde ambtsdrager en de vleeswording Gods in een
persoon, bestaan vloeiende overgangen. De Hersteld-Apostolische
stam-apostel Bisehoff is in de ogen van zijn gelovigen reeds
meer dan alleen iemand, die krachtens zijn ambt volmacht bezit;
in hem is nl. de "trooster" vlees geworden. Nog duidelijker is
de overgang voltrokken, als de apostel Lambertus Slok, leider
van het Apostolisch Genootschap, een groep in Nederland die zieh
van de Hersteld-Apostolischen heeft afgescheiden, zieh de "Christus-God
van heden" laat noemen, voor wien men aanbiddend neerknielt.
Helemaal volIedig is die ho gere trap bereikt bij figuren, die
met de pretentie optreden, dat ze vlees geworden goden zijn - of
het nu incarnaties van God of van de Heilige Geest dan wel
wedergekomen Christus sen zijn. Het aantal verschijningen van
deze aard is in onze tijd niet gering. Friedrich August Hain
(1884-1927), een wever in Meerane (Saksen), maakte op 23
november 1894 in de loop van een spiritistische seance bekend,
dat in hem God weer vlees geworden was. Hij werd voortaan
vereerd als de "Herder" en .Jiefdevolle Vader", in wien Pred. 9,
13-15 tot vervulling was gekomen, Men stelde hem principieel op
gelijke hoogte met Christus en zag het kenmerk van zijn
goddelijkheid hierin, dat hij de waarheid van de Schrift juist
en kosteloos uitlegde en wonderen deed, die getuigden van zijn
alwetendheid en almacht.
De Sakser Oskar Ernst Bernhardt uit Bischofswerda (1875-1941)
gaf van 1928 af aan zijn gelovigen te kennen, dat hij "Abd-ru-shin",
"Immanuel", de "mensenzoon" was, een broer van Christus, zoon
Gods van gelijke orde, door God uitgezonden, om aan de in de
tyrannie van het verstand wegzakkende mensheid de graalboodsehap
te verkondigen en de omkeer naar het duizendjarige rijk toe te
voltrekken.
De Franse postbeambte George ROllX (geboren in 1903) verklaarde
Kerstmis 1947 aan zijn verbaasde familie: "Ik ben de
wedergekomen Christus" en noemde jezus zijn voorloper, dien hij
door grotere volmaehten en opdraehten overtrof; nadat hij tot
1951 drie boeken gesehreven had, die hem werden "geopenbaard",
kwam hij voor het voetlicht, verwierf zich binnen luttele jaren
een als een lawine aangroeiende aanhang en verklaarde in
februari 1954 ook openlijk, dat hij "Christus" was. De
gemeensehap, die hij om zich heen verzamelde, de "Temoins du
Christ Revenu" of "Eglise Chretienne Universelle", beschouwt de
drie boeken van Roux als "heilige schrift" en wordt bediend door
"jongeren", die van Roux de volmacht tot genezen ontvangen
hebben.
De Hollandse haringvisser Lou Voorthuizen zou de mededeling van
zijn zending als wedergekomen Christus ontvangen hebben in het
jaar 1925 door een "stem" en een aan de hemel oplichtende ster,
en in 1950 na een zwaar ziekbed zijn "opstanding" hebben beleefd.
Sedertdien verkondigt hij aan zijn aanhangers: "lk ben de
opstanding". "Ik ben de vervuller van Christus, en dat betekent:
God lichamelijk op aarde." Waarin onderscheidt hij zieh nu van
Christus? Wel, Christus Imam uit de hemel en bracht een
verlossing mee uit de hemel. Hij overwon de satan geestelijk.
Maar aangozien Hij zonder zonde was, bad Hij geen "satan in de
stof", d.w.z. in zijn lichaam. Daarom kon Hij hem ook niet
liehamelijk ovorwinnen. Door zijn geestelijke overwinning
verloor de satan zljn macht in de hemel en werd hij op aarde
geworpen. Hij is "mens geworden en kan op geen andere wijze te
niet gedaan worden dan in de mens". Dat nu gesehiedt door Lou.
In hem is Cod in zijn eigen stof gekomen en heeft de macht van
de satan binnen de stof gebroken. "Daarom nu is dit de
verlossing van l.ou, dat Lou de kracht in de stof legt, waardoor
de stof .zich tegen over de geest kan stellen, en satan van de
stof uit overwonnen wordt door de kracht, die thans in iedereen
gelegdwordt." 16) Met zijn komst is de eindtijd aangebroken.
Degenen, die in hem geloven, ontvangen niet slechts genezing,
maar zullen ook de verdrukking der laatste dagen overleven en
priesters en koningen zijn in het duizendjarig rijk, dat in 1972
zal aanbreken.
De Amerikaanse neger George Baker (geboren in 1878), de Father
Divine, laat zieh door een grote schare aanhangers huldigen als
vleesgeworden God en maakt zieh op, om het rijk Gods op aarde op
te richten - in de "Kingdoms" of "Heavens" als kleine cellen van
de heerschappij Gods en in boodschappen aan politici en
wetsvoorstellen tot herordening van de wereid. "Het is iets
groots", zo schrijft hij, "als ge waarlijk geloven kunt, d'at ik
God ben! Ge moogt door allerlei beproevingen zijn heengegaan, om
daardoor mij als God te ervaren. Maar hoeveel meer is het, als
ge kunt erkennen, dat ik in u en gij in mij leeft; en als ge dit
waarlijk ge- 100ft, zal ik gehe el en al door u kunnen werken en
handelen. Ik ben niet slechts God in u - ik ben ook het geloof,
de liefde, de vreugde, en ik ben waarlijk alles in u, omdat ik
God ben."
De Silezier ]oseph Weissenberg (1855 - 1941) wordt vereerd als
de incarnatie van de Heilige Geest. Aangaande hem belijden zijn
aanhangers: Terwijl we voordien de meester als de profeet, de
eindprofeet mochten kennen, die ons op de wederkomst des Heren
moest voorbereiden, in hem dus de wedergeboren Johannes de Doper
mochten zien, is het ons uit genade gegeven, ten laatste in onze
meester de wedergekomen Christus te herkennen. En we zagen het
gericht dat van hem uitging en zien het vandaag nog. "Het woord
Gods werd vlees en bloed, en ge aanschouwt zijn heerlijkheid, ge
aanschouwt hem van aangezicht tot aangezicht. Hij wees u de weg
uit de duisternis naar het stralende licht." 17)
Weissenberg en Bernhardt zijn dood. Maar ze leven verder en zijn
tegenwoordig.
Van het lijk van Bernhardt, dat op de Vomperberg in Tirol onder
een pyramide is bijgezet, gaat nog dezelfde straling uit : als
bij zijn leven, hetgeen bewijst, dat de ziel van Abd-ru-shin
weer op de berg vertoeft.")
Weissenberg echter heeft reeds in 1932 zijn dochter Frieda
Müller tot zijn opvolgster aangesteld en haar met zijn
goddelijke volmachten begiftigd, zodat jezus' belofte: "Ik ben
met u al de dagen" hier in vervulling gaat. "Uw herder en
meester heeft bij zijn leven ervoor gezorgd, dat er voor altijd
naar het testament van zijn heilige Geest geleefd wordt, dat het
verder aan de mensheid wordt overgedragen. Hij heeft bij zijn
leven zijn opvolgster aangesteld. En deze opvolgster is uit die
geestelijke wereld van het licht af'gedaald en heeft de hoge en
heilige zen ding te vervullen, de mensheid op de eenmaal
geopende en ingeslagen weg van de drieeenheld verder te leiden
tot behoud van haar ziel." 19)
In de rouwadvertenties van leden van de Evangelisch- [ohanneische
Kerk bedankt men regelmatig "onze geliefde meester en onze lieve
Frieda" voor de zegen en de kracht, welke ze aan de
achterblijvenden in hun leed hebben geschonken.
Deze theophore figuren komt goddelijke verering toe. Hun woord
heeft absolute geldigheid. Ze hebben de wand tussen de
eeuwigheid en de wereld der mensen doorbroken. Ze zijn niet
slechts wegwijzers naar het doel, maar dragers, bemiddelaars en
garanten van het heil. Op ieder van hen kan de gelovige het
troostvolle psalmwoord toepassen: "Wie in de schuilplaats des
Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen.
Ik zeg tot de Here:
Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wien ik vertrouw."
De vorming van de gemeente des heils
Het is een bijbelse gedachte, dat God Zieh uit de naties een
volk, uit de massa's der mensen een gemeente des heils verkiest.
De sekte knoopt bij deze gedachten gang aan, maar eist de
hoedanigheid van gemeente des heils geheel op voor zichzelf. Bij
de motivering van deze pretentie ontmoet men de meest
verscheidene elementen, die we tot nu toe reeds hebbenleren
kennen. Men kwalificeert de eigen gemeenschap als de gemeente
des heils, b.v. door er op te wijzen, dat ze alleen maar
bestaatuit belwerden of mensen, die met de Geest gedoopt zijn;
of dat in haar alleen de bron des heils vloeit; of dat zij de
volgelingen van de opnieuw ge'incarneerde godheid zijn ; of dat
in haar alleen de volle kennis van de waarheid en volkomen
gehoorzaamheid aan Gods geboden voorhanden zijn. Men loidt dus
uit bijzonder geestelijk bezit ook bijzondere voorrechten voor
de geheIe gemeensehap af, die haar het karakter van uitverkoren
gemeente Gods verlenen.
Hier opent zieh een wijd perspeetief. De meeste sekten
vereenzelvi gen zieh met de gemeente des heils. Sommige
voltrekken deze gelijkstelling sleehts in de zin van
bevoorreehting, anderen echter exclusief. Maar het resultaat is
bij beide de conclusie: wie een echt en gehoorzaam lid van onze
gemeensehap wordt, wie dus de hier verkondigde waarheden gelooft,
de hier gesteIde godsdienstig-zedelijke eisen vervult en van de
hier bediende saeramenten het geboden gebruik maakt, heeft de
garantie, dat hij het volle heil bereikt, dat God aan deze
gemeensehap heeft toebedaeht. Hij behoort tot de uitverkorenen,
hij zal deeI hebben aan de ontrukking van het verderf ofwel aan
de eerste opstanding, hij zal de vernieti ging .in de slag van
Harmagedon overleven en een burger of vorst in het duizendjarig
rijk zijn. Kortom, het werk van Gods genade heeft zieh in de
sekte geeoneentreerd. Binnen haar grenzen alleen voltrekt het
zieh en deelt het zieh aan de mensen mee.
De grote kloof
We vatten samen: de antithetiek van de sekten zet in bij de leer
van het sola gratia. Om de mens van zijn risico, zijn angst en
onzekerheid te bevrijden en hem zelf een zeker recht van
beslissing, controle of medewerking te verschaffen, zoekt ze de
gen ade in eigen hand te krijgen, in haar midden te voltrekken
of te bewerkstelligen.
Dat heeft enorme consequenties. Naar reformatorische leer is de
gen ade een werk van de souvereine God, dat aan de greep van de
mens eenvoudig absoluut onttrokken is. Wie zo'n greep doet, tast
God zelf aan, zoekt Hem aan zieh te onderwerpen. Hier vindt, zij
het ook in heel sublieme en vrome vormen, een ingreep plaats in
een gebied, dat God alleen Zichzelf heeft voorbehouden. Deze
ingreep betekent een opstand van het schepsel mens tegen de
majesteit van de Heer. Hier heeft de mens de hem betamende stand
van de creatuurlijke deemoed verlaten en onderneemt iets, dat
een aan banden leggen en een onttroning van God beduidt. ledere
poging van welke aard ook, om zieh van de genade meester te
maken, is hybris. Dat blijft het, ook al staat achter deze
sektarische hybris niet het verzet van een Prometheus, maar de
angst. Ook deze angst is in laatste instantie een gevolg van
ongeloof, dat ongeloof, dat niet vertrouwt, dat God zijn
beloften nakomt en dat volgens Luther de zwaarste zonde is,
omdat het God voor een leu gen aar houdt.
Hier komt de diepe kloof voor de dag die er be staat tussen de
reformatorische verkondiging en het sektewezen. Voigens de
reformatie is de gen ade vrij en souverein, omdat ze het werk is
van de vrije en souvereine God. De sekte echter wil de genade
binden. In hoeverre ze dat doen wil, is overal weer verschillend.
Daarom zijn er vele trappen van ontwikkeling naar het sektarisme,
Er zijn gemeenschappen, die zieh in een soort zweeftoestand
bevinden. Er zijn andere, die volkomen duidelijk het sektarische
type vertegenwoordigen. Dat hangt telkens af van de mate, waarin
een gemeenschap doorhaar leer, haar wetten en ordeningen, haar
autoriteiten, ambten en cultische handelingen Gods vrije genade
in haar greep tracht te krijgen. Onze taak is nu, na te gaan,
hoe deze hybris t.a.v. de gen ade zich uitwerkt op de
afzonderlijke gebieden van de leer en van het geloof. We zullen
daarbij zien, dat de drijvende krachten vrijwel overal dezelfde
zijn. We zullen ontdekken, dat deze hybris begeleid wordt door
immanente gerichten, die de sekten in alle fasen van haar
ontwikkeling bedreigen en tenslotte dodelijk voor haar zullen
worden. We zullen ons echter ook voor het feit zien gesteid, dat
het zieh afkeren van het "sola gratia" bij de sekten haar
aanleiding vond in, mogelijk gemaakt of begunstigd werd door
schuldige verzuimen van de kerk, Daarover moet in een
afzonderlijk hoofdstuk worden gesproken,
Hoofdstuk 3
THEOLOGIA GLORIAE SECTAE
De reformatorische theologia gloriae Dei
We betreden als eerste gebied de "theologie" in de engere zin
van het woord - de leer aangaande God. Wie de gedachte van
Calvijn over Gods eer en majesteit en de leer van de
praedestinatie of Luthers geweldige geschrift "De servo arbitrio"
kent, weet, met welk een ernst de reformatoren de theologia
gloriae ontvouwd hebben. Alpha en Omega van al hun uitspraken
was, dat God God is - de Heer, die in absolute souvereiniteit
een ontoegankelijk licht bewoont, die in ondoorgrondelijk willen
en scheppen volgens eigen plannen regeert, wetten geeft en het
lot der mensen bepaalt, die aan niemand rekenschap verschuldigd
is, die het niemand vergunt Hem te doorzien, te binden of te
verplichten, maar in souvereine majesteit zijn weg gaat en op al
zijn wegen, ook de donkere, moeilijke, sehijnbaar zinloze en
verschrikkelijke wegen, Zieh doet kennen als de heilige God en
als zodanig door de mens geeerd en aanbeden wil zijn.
Eerst te gen deze aehtergrond van de Deus absconditus krijgt het
beeld van Deus revelatus, van de barmhartige Vader, die in
liefde en grenzeloos geduld vecht om de verloren wereId, en zijn
eniggeboren Zoon ten offer brengt, zijn grandioze liehtsterkte.
Door deze polaire spanning tot de Deus abseonditus wordt
voorkomen, dat dit beeld gaat vervlakken tot de familiaire
voorstellingen van een .Lieve God" . Het blijft immers altijd
omrand door een beven en sidderen en een aanbiddende
verwendering. Deze majesteitelijke God blijft, ook en juist
wanneer Hij Zich liefhebbend en zoekend na ar de mens neerbuigt
en hem in Christus nabijkomt, altijd de Koning, die heerst en
die Zich aan en door de mens verheerlijkt, hem kastijdt en hem
tuehtigt. Voor Hem is de mens altijd degene, die geroepen en
opgeroepen wordt, het werktuig, niet de partner, het kind uit
genade, niet de zoon krachtens eigen waarde. De gratia Dei is
precies als elk ander handelen Gods een daad van zijn
souvereiniteit, is uitvloeisel en bevestiging van de gloria Dei.
Want ook in zijn Iiefde, zijn vergeving en verzoening bewijst
Hij zijn souvereiniteit en Hij Iaat Zich door niets van die
plaats wegdringen. Er is op het menselijk vlak geen enkele
mogelijkheid, min of meer te beslissen over het heil en de
genade te bewerkstelligen of te beheren; er is alleen maar
ruimte voor het ootmoedig gebed.
De glorie van de sekte
Wat de sekten nu ondernemen, is een ingreep in het werk van Cods
genade. Ze betreden daarmee een terrein, dat geen mens mag
betreden. Ze zijn vrome usurpators geworden. Daar, waar de kerk
slechts heenwijzend kan en mag spreken van de glorie en het
wonder van Cods genade, spreekt de sekte van haar eigen volmacht
- van haar bevoegdheden, haar toerusting, haar prestaties en
allerlei hoedanigheden, waardoor ze invloed heeft op het heil.
Ze heeft daarmee op een centrale plaats de theologia gloriae Dei
afgezworen cn die vervangen door een theologia gloriae sectae.
De gevolgen van deze stap zijn buitengewoon groot.
Duidelijkheidshalve nemen we bij de nu volgende beschrijving
slechts die sekten tot voorbeeld, die de theologia gloriae
sectae volledig ontwikkeld hebben, en laten de andere, bij wie
ze slechts in beginsel voor handen is, buiten beschouwing:
a) "Wij heb ben macht over de genade!" Dat is het fundament van
de theologia gloriae sectae. Wie macht heeft over de genade,
hoeft macht over de mensen. Hij kan openen en toesluiten, binden
en ontbinden. Wie enigszins op de hoogte is, weet welk een
angstige, bezwerende macht menige leider of prediker van een
sekte over zijn volgelingen uitoefent. Hier ligt een van de
redenen voor de grenzeloze onderdanigheid, het offeren van geld
en goed, de enorm sterke saamhorigheid, en het afstand doen van
vrijheid, eigen inzicht en
eigen beslissingen, waarvan de aanhangers van een sekte altijd
blijk geven. Hier woekert bij tijden een deels dogmatisch
gefixeerde, deels feitelijk beoefende papisterij, die weliswaar
van klein formaat is, maar in haar pretenties van volmacht het
Roomse pausdom ver overtreft. De sekte heeft in haar voormannen
en ambten een macht en majesteit van God aan zich getrokken en
handhaaft die op autoritaire wijze.
b) In de mate, waarin de sekte zieh meester maakt van de genade,
trekt ze ook de macht aan zieh om de grenzen van het heil vast
te stellen. Jehova's Getuigen, de Hersteld-Apostolischen, vele
Perfectionistische groepen en de Pinkstergemeenschappen, de Kerk
van het Godsrijk, en in wat meer verzwakte vorm de Adventisten
laten de grenzen van het heil samenvallen met de grenzen van hun
sekte. Met deze vaststelling van de grenzen grijpt de sekte
echter vooruit op het gericht Gods. Ze beweert en pretendeert de
stem van de Rechter te zijn of tenminste zijn maatstaf te kennen
en te kunnen aanwenden. Anders gezien: ze neemt God bij de arm,
identificeert
• haar gerichtsoordeel met het zijne of eist van Hem, dat Hij
Zich in zijn oordelen zal richten naar hun uitspraken. Ze meet
zieh aldus een recht aan, dat alleen God toekomt.
c) Gods eer bestaat daarin, dat Hij de enige is. Hij duldt geen
mededinger naast Zieh. Hij deelt zijn eer met niemand. Hem
alleen komt aanbidding en gehoorzaamheid toe. Daarom staat aan
de spits van alle geboden: "Ik ben de Here, uw God, gij zult
geen andere goden naast Mij hebben." De sekte imiteert deze
gloria Dei, door het monopolie van het bezit van de waarheid en
van de heilsgenade voor zichzelf op te eisen. Ze kan niet
verdragen en toelaten, dat er ook in andere gemeenschappen
geloof is; dat ook daar naar de waarheid gestreefd wordt en
mensen door de waarheid van Christus worden overweldigd; dat ook
daar God aan het werk is als degene, die nabij is, oordeelt en
begenadigt. Nee, in een exclusieve zin verkondigt de sekte: "Slechts
in ons midden is de waarheid en vindt het heil plaats!" Niet
alsof zij zelf God zou zijn. Maar zij alleen is Gods
uitverkorene, Zij alleen bezit zijn beloften. Alleen in haar
midden vliet de stroom van de Heilige Geest en wordt het
verlossingswerk voltrokken, Het "Genootschap van de Nieuwe
Wereid" is Gods enige "Theocratische Organisatie", en wie
daarbuiten staat, staat onder de heerschappij van de satan.
De Heilige Geest wordt alleen door de stamapostel over de
apostelen naar de zielen der gelovigen geleid, en wie niet met
hem in geloof en gehoorzaamheid verbonden is, heeft geen deel
aan het heil. De leden van de "Kleine Kudde" en van het
"Leger van de Almachtige" in de "Kerk van het Godsrijk" zijn de
enigen, die de wet van het heelal vervullen en daarom het
voorrecht hebben om het komende Godsrijk op te richten en te
regeren. Menige Pinkstergemeenschap en de Perfectionistische
groep identificeert zich met de bruidsgemeente, die aan het
verderf ontrukt wordt. De Adventisten weten van zichzelf, dank
zij hun vervulling van het sabbatsgebod en hun geloof aan de
drievoudige engelboodschap, dat zij het volk Gods van de
eindtijd zijn.
En de anderen, die daarbuiten staan? Die staan ook buiten het
heil, behoren bij het gevolg van de antiehrist of zijn op zijn
best slechts stiefkinderen van God. Zij zijn afgesneden van de
volle genade. Hun kerken en gemeenschappen zijn slechts de "voorhof",
of ze zijn eenvoudig de massa perditionis, prijsgegeven aan
afval en onheil. Alleen over het gebied van de eigen sekte
straalt de zon der genade. Aansluiting bij haar en
gehoorzaamheid aan haar leer on haar eisen staat gelijk met de
keuze voor het heil. Daarachter staat de praemisse, dat God Zich
alleen van dit orgaan bedient on alle andere gemeenschappen
verworpen heeft. In deze zelfverhoging is de godsdienstige
hybris aan het werk. De sekte wil de enige zijn, zoals God de
enige is. Ze sluit zichzelf bij het eerste gebod in. Ze hult
zich in een pseudo-majesteit.
d) Een logisch gevolg hiervan is, dat uittreden uit de sekte als
een doodzonde geldt. jehova's Getuigen briesen momenteel nog van
wraak jegens hun vroegere kameraden, die in 1917 afvallig werden
11 versperren hun iedere toegang tot het duizendjarig rijk.
Ze "zulIen geen plaats hebben in de hemelse stad, maar zullen na
hun dood voor goed dood zijn en hun nagedachtenis zal vergeten
zijn".") De Hersteld-Apostolischen stellen degenen, die de
stamaposteI ongehoorzaam zijn en zijn in 1951 uitgegane
boodschap van de wederkomst van Christus tijdens zijn leven niet
als goddelijke waarheid aannernen, de eeuwige verdoemenis in
uitzicht. "Ze zijn uit het boek des lovens geschrapt en - wat op
dit ogenblik nog niet wordt ingezien - de gevolgen van hun dom
gedrag zijn van eeuwige duur."21]
"Keizer Nero heeft zijn ziel door de christenvervolging niet zo
belast als iemand, die op dit moment als afvallige tegen het
werk Gods strijdt".") De Mormonen, die alle geesten tenslotte na
lange perioden van gestadig vorderen tenminste nog de onderste
trap van de heerlijkheid laten bereiken, zodat de hel leeg
achterblijft, maken een uitzondering, nl. voor degenen, die
vroeger tot hun gemeenschap behoorden, maar later afvallig
werden. E. G. White deeIde de Adventisten, die in de jaren 1844
vv. afvallig waren geworden, in bij de categorie van de "synagoge
des satans" van Openbaring 3, 9. Abd-ru-shin gaf volgens
berichten van vroegere aanhangers degenen, die hem afvallig
waren geworden, in geheime plechtigheden over aan de "onthinding"
en verkIaarde, dat ze da armee "uit het boek des levens
geschrapt waren". Vanwaar deze onverzoenlijkheid? Is het slechts
een kleinzielige wraaklust? Nee, het uittreden uit de sekte is
een crimen laesae majestatis sectae en het ergste vergrijp, dat
de theologia gloriae sectae kent.
De onttroning van God
Waar de gloria Dei niet meer beheersend in het middelpunt van
het geloof staat, is de weg geopend na ar een geleidelijke
onttroning van God. In de gedachtenwereid van de
Christengemeenschap is God vervluchtigd tot een persoonlijk,
neutraal iets, tot alleen nog maar een soort stoffering van de
achtergrond; de wereid is niet meer zijn schepping, maar nog
slechts een emanatie van het "goddelijk wezen", en de
geschiedenis is niet een souverein handelen van God met de
mensenwereId, maar een automatisch ontwikkelingsproces, Een
persoonlijke ontmoeting God - mens is er niet meer. De Christian
Scientisten leren een theopanisme, dat eveneens een onttroning
van God ten gevolge heeft: doordat in dit theapanisme de
realiteit van de wereid ontkend wordt, wordt God onttrokken aan
het tegenover Hem staande gebied, waarop Hij kan hand elen en
handelend zijn heerlijkheid kan bewijzen. Daarom is er in het
godsbeeld van Christi an Scientisten geen ruimte meer voor de
praedicaten van de Schepper, de Koning, de Levende. De "Kerk van
het Godsrijk" heeft God als de rusteloos scheppende en regerende
Heer der wereid buiten werking gesteld; in zijn plaats regeert
de "wet van het heelal" mechanisch, onpersoonlijk en collectief
de wereld en het lot der mensen. Bij de Mormonen is God een
vergevorderd collega van de mens geworden: "Zoals de mens is,
was God eenmaal; zoals God is, kan de mens eenmaal worden." Deze
geworden God is een terugval in de voorstellingswereld van de
oude religies van buiten de Bijbel en heeft niets van doen met
de Oudtestamentische verkondiging: "Wie heeft dit bewerkt en tot
stand gebracht? Hij, die de geslachten van den aanvang heeft
geroepen; Ik, de Here, die de eerste ben, en bij de laatsten ben
Ik dezelfde." (Jes. 41, 4)
Het sektarische denken wordt niet meer bepaald door de
uitstralingen van de theologia gloriae Dei. Dit noodzakelijke,
zelfs zonder meer beslissende stuk van de bijbelse verkondiging
is weggezonken. Inplaats daarvan ontmoet men overal een gebonden
God. Hij is de vertrouwde of gedweee he melse partner van de
sekte geworden. Hij erkent uitsluitend haar als het werktuig,
dat Hij Zieh verkoren of geschapen heeft. Hij geeft zijn fiat op
de nieuwe sacramenten en erediensten, welke zij ingesteld heeft.
Hij autoriseert de ambten, welke zij met volmachten heeft
bekleed, Hij trekt de grenzen van het heil precies zo, als de
sekte wil, dat ze getrokken worden. De meest uiteenlopende
sekten eisen de Heilige Geest uitsluitend voor zieh alleen op.
Pinkstergemeenschappen annexeren Hem als hun speciaal bezit. De
Hersteld-Apostolischen leren, dat Hij alleen hún
stamapostel tot zijn orgaan heeft gemaakt en hem het "copyright"
heeft gegeven van zijn "openbaringen". De Mormonen maken in
gelijke mate aanspraak op Hem voor de hierarchie van hun .Herstelde
Kerk". De Evangelisch- johanneische Kerk laat Hem geincarneerd
zijn in Joseph Weissenberg. Kortom, hier is God een god van de
sekten geworden, als contraetant, bondgenoot of uitdeler van het
heil uitsluitend aan haar toegevoegd.
Dit sektarisch godsbeeld kent tenslotte uitsluitend nog een
samenworking tussen God en de sekte, Haar geldt zijn "ja", alle
andere monsen en godsdienstige gemeenschappen zijn "nee". Dat
God ook anders zou kunnen denken en handelen dan de sekte het
leert, is ondenkbaar. En totaal ondenkbaar is het, dat de sekte
onder zijn critick, laat staan onder zijn gericht, zou vallen.
De gedachte alleen al, dat God eens niet, of niet uitsluitend,
de Theocratische Organisatie van Jehova's Getuigen zou erkennen,
is in de ogen van de leiding van de sekte zo'n zwaar vergrijp,
dat het de eeuwige dood op zieh laadt. En reeds de geringste
twijfel aan de uitsluitende en volledige autorisering van
Godswege van stamapostel Bischoff wordt als een lastering van de
Heilige Geest gebrandmerkt. waarvoor noch in deze, noch in de
teekomende wereld vergeving te vinden is.
Zo wordt God onderdanig gemaakt - een gehoorzame God, een
gelijkgeschakelde God. Is dat nog de God van de Heilige Schrift?
Is het niet louter een projectie van de leer van de sekte?
Eertijds heeft Israel op zijn verkiezing en op het verbond van
de Sinai gepocht en zieh gehouden voor het volk, waarvoor God
voorkeur had on der de naties, zoals jehova's Getuigen en andere
sekten dat ten aanzien van hun geloofsgemeenschappen precies zo
doen. Maar God laat Zieh niet door de mensen inpalmen. Fel sneed
Amos die pretentie van Gods voorkeur voor Irael af: "Zijt gij
voor Mij niet gelijk aan de Moren, 0 kinderen Israels? luidt het
woord des Heren." (Amos 9, 7)
Naarmate het bijbelse godsbeeld wordt uitgehold, wordt ook de
oerverhouding tussen God en mens verstoord. Deze oerverhouding
wordt gekenmerkt door het feit, dat er tussen God en mens een
dialoog gevoerd wordt, waarin God degene is, die hoort en
antwoordt. Het spreken Gods is een handelen met de mens in
oproep en gebod, terechtwijzing en gericht, begenadiging en
troost. Het antwoord van de mens is de gehoorzaamheid en de
aanbidding, de boete, de dank en de liefde. "Hoort het woord des
Heren!" - deze roep klinkt door heel het Oude Testament. De
bereidheid tot horen is de grondhouding van de vromen. Wie niet
hoort, maar zieh doof houdt en zich verhardt te gen de roepstem
van God, onthoudt Hem de eer en is "ongehoorzaam".
De theologia gloriae sectae verkleint de mogelijkheid, om over
alle mogelijke tusseninstanties heen naar Gods eigen stern te
luisteren. Ze verdringt God als partner uit de dialoog. Op zijn
plaats gaat de extatische voorman staan, de met goddelijke
autoriteit begiftigde ambtsdrager, de profeet of, zoals bij [ehova's
Getuigen, de leiding van de organisatie. Zij verkondigen nu de
leer, geven bevelen, brengen het heil over en garanderen het.
Natuurlijk doen ze dat niet uit willekeur. Ze geloven, dat God
hun volmacht gaf. Maar is deze pretentie niet een hevig
zelfbedrog? Haar juistheid zou moeten blijken uit een ootmoedig
luisteren naar God. Dit horen is echter eerst dan echt, als de
hoorder zieh niet alleen maar eenzijdige bevestigingen van zijn
eigen stand pu nt laat geven door God, maar zieh ook vragen laat
stellen door God, meer nog: zichzelf discutabellaat stellen door
Hem. En dat betekent, dat hij door Hem wordt opgejaagd, uit zijn
vastheden weggesleurd wordt en zieh in al zijn posities onzeker
voelt. Hier vinden we nu echter iets, dat men voortdurend kan
opmerken: hoe meer de gloria sectae in de plaats komt van de
gloria Dei, des te meer versterft dit echte horen, des te minder
laat de sekte zieh in haar totale bestaan door God verontrusten.
Ze verliest Hem als degene, die souverein tegenover haar staat.
De polaire spanning verlamt. De levende dialoog houdt op. De
pure sekte, zoals ze zieh b.v. in jehova's Getuigen of in de
Hersteld - Apostolischen vertoont, draait alleen om haar eigen
aso Hier nu voltrekt zich het gericht Gods. De theologia gloriae
sectae sluit de genade van de ontmoeting met de levende God uit.
Hoofdstuk 4
THEOLOGIA POSSESSIONIS
De onteigening van Christus
De greep naar de genade en het afzweren van de theologia gloriae
Dei hebben hun uitwerking op heeI het terrein van de
Christelijke leer. Vooreerst treedt er een verkommering in op
het gebied van de Christologie, die ernstige gevolgen heeft. Als
de sekte ziehzeIf een toonaangevende functie in de bemiddeling
en de verwerkelijking van het heil toekent, betekent dat een
devaluatie van Christus als de enige middelaar en kan Hij zelfs
wel helemaal gemist worden. Zodoende volgt op de onteigening van
God ook een onteigening van Christus. Dat hoeft zieh nog wel
niet direet te uiten in een volkomen looehening van zijn zending
en zijn werk. Het kan ook plaats vinden door een
accentverschuiving. Zo wordt bij de leer van de
Pinkstergemeenten de tendens ziehtbaar, de christologie naar de
achtergrond te verdringen door de pneumatologie. Veel sterker
ontwikkeld is deze tendens bij de Hersteld-Apostolischen; voor
hen is Christus in de grond van de zaak nog slechts belangrijk
als degene, die eenmaal twaaf jongeren geroepen heeft en met
volmacht bekleed en daarmee ook het fundament voor het nieuwe
apostelambt gelegd heeft.
De Graalbeweging heeft Christus zijn waarde doen verliezen, door
een nieuwe gelijkwaardige Heiland naast hem te zetten, de "mensenzoon"
Abd-ru-shin, die bovendien door zijn moderniteit en een ho gere
zending als de voortrekker van het eindgericht boven Christus
uitsteekt. Evenzo heeft de Evangelisch- Johannelsehe Kerk Hem de
"meester" Joseph Weissenherg toegevoegd. Voor de "Christelijke
Gemeenschap Herder en Kudde" is Christus slechts een mens, die
zieh door zijn ethische prestatie de inwoning van God waardig
heeft gemaakt. Hij is niet de "eniggeboren zoon", maar slechts
een figuur uit een ganse keten van gekwalificeerde mensen, die
God als vaten van zijn incarnatie heeft gebruikt. En zijn
betekenis beperkt zieh ertoe, dat Hij leraar van de goddelijke
waarheid en voorbeeld voor de wandel der mensen is. Jehova's
Getuigen beperken de functie van Christus tot de heerschappij in
het toekomstige duizendjarige rijk. De Christian-Scientisten
erkennen Hem nog slechts als de ontdekker van de "mentale
genezing", de Kerk van het Godsrijk als de verkondiger en
vervuller van de wet van het heelal. Verder niet.
En het kruis? De Christian-Scientisten kennen geen
plaatsvervangend lijden en sterven van Christus; het kruis
betekent niet, dat er in de toestand tussen God en mens iets
verandert, maar alleen dat de werkelijke feiten, die voordien
verborgen waren, nu onthuld worden: nl. dat de mens met God een
is en dat hij "door waarheid, leven en liefde", zoals deze door
Christian-Scientisten worden verstaan, de verlossing, d.w.z. de
eenheid met God, bewerkstelligen kan. 23) De Christengemeenschap
berooft Golgotha van zijn karakter van ontzettende en zondige
botsing van de mensenwereId met God, door er een centrale acte
van te maken in het proces van de doordringing van de kosmos met
de genezende kracht van Christus; het bloed van de gekruisigde
droppelt in de aarde en daarmee voltrekt zieh het mysterie van
de kosmische verandering. Bij de Hersteld-Apostolischen zijn het
kruis en de gestalte van de gekruisigde terechtgekomen in een
bijzin van hun dogmatiek. In plaats daarvan staat
allesbeheersend de triumferende zin: De Heilige Geest heeft
opnieuw apostelen geroepen en met volmacht bekleedl Wel heeft
Christus "met zijn bloed als on schuldig en onbevlekt lam de
mensen uit dood en verderf gered" 24), maar het kruis is geen
tastbare werkelijkheid meer, en Christus' zoendood zou vangeen
enkel nut zijn, als niet de nieuwe apostelen de daaruit
voortgekomen heilsgaven zouden uitdelen. De Nieuwe Kerk van
Swedenborg viert de voorbeeIdige dapperheid en de solidariteit
van de met ons mede-lijdende Christus, maar verzet zieh tegen de
haars inziens door Paulus in zwang geraakte dwaalleer van de
verlossingsdood. Ook de gemeenschap "Herder en Kudde" wil niets
meer weten van het "voor ons" van de dood van Christus, maar
waardeert GoI gotha alleen nog als voorbeeldige prestatie: "Het
sterven aan het kruis op GoI gotha is de hoogste trap van
gehoorzaamheid".") In de Evangelisch- johanneische Kerk staat
het "grote heilige lijden" van joseph Weissenberg gelijkwaardig
naast het kruis van Christus. Ook Weissenberg zou niet met vlees
en bloed alleen te strijden hebben gehad, maar "met de overheden
en machten, met de boze geesten in de hemelse gewesten" .26) De
Graalboodschap noemt het kruis een symbool van het falen van
Christus en is verontwaardigd over de priesters, die Hem, de
weerloze, destijds uit louter boosheid en verdorvenheid hebben
vermoord. De Mazdaznan-beweging laat, waarschijnlijk onder
invloed van de Koran, [ezus aan het kruis slechts een schijndood
sterven, waarvan Hij Zich nadien weer herstelde, en stelt voor
de kruisiging enkel en alleen de joodse priesterkaste
verantwoordelijk, die zieh door Jezus in haar machtspositie
bedreigd zag. jehova's Getuigen spreken met een stereotype
formule van het "los geld" , waarmee Christus voor de mensen een
tweede kans zou hebben verworven om in het duizendjarig rijk nog
eenmaal tot het leven teruggeroepen en bij gebleken
gehoorzaamheid eeuwig levende burgers van het Koninknjk Gods te
worden. Precies zo de Kerk van het Godsrijk. Evenzo de Mormonen,
na ar wier mening Christus met zijn verlossingsdood aan de
mensen een eerste stoot heeft gegeven, om vooruit te komen, door
hen van de ballast van de erfzonde te bevrijden. Bij
Perfectionisten en Pinkstergemeenten is wel veel sprake van het
;,bloed van Christus", en het wekt de schijn, alsof hier aan het
kruis eenzelfde centrale plaats en betekenis wordt toegekend als
in de reformatorische verkondiging, maar schijn bedriegt. Hier
wordt nl, weer wat al te veel en al te gemakkelijk gesproken van
het "bloed van Christus", waardoor men gereinigd wordt van
zonden. Het wekt op zijn minst de verdenking, dat men niets meer
weet of wil weten van het verbrijzelende gericht, dat op
Golgotha werd voltrokken - aan alle mensen en ook aan het eigen
godsdienstige bezit inclusief bekering en geestesdoop!
Concluderend kan men dus zeggen, dat de grondtrek, die
kenmerkend is voor alle sektengemeenschappen, deze is, dat ze
het kruisgebeuren devalueren. Sommigen loochenen het. Anderen
ontkennen, dat het gebeuren op Golgotha een hand elen van God
met de mens zou zijn. Weer anderen zijn van mening, dat men hier
wel met een handelen van God te doen heeft, maar ze halveren
het; ze laten alleen de tweede helft - het verlossings- en
verzoeningswerk - gelden, gaan echter aan de eerste helft, de
ontmaskering van de mens in zijn vijandschap tegenover God,
achteloos voorbij en hebben daarmee het kruis van zijn scherpte
ontdaan.
De theologia crucis van de reformatie
De devaluering van het kruis is niet toevallig. Ze komt hieruit
voort, dat het sektarisch geloof het woord des kruises als een
onverdragelijke ergenis moet ervaren. Want dit geloof is er op
uit de mens een mogelijkheid tot beinvloeding of
bewerkstelliging van het heil te verschaffen. Maar het woord des
kruises verhindert iedere mogelijkheid van dien aard. Daarom
moet het sekt arisch geloof de theologia crucis, het hart van de
reformatorische verkondiging, verwerpen en vervangen door iets
anders. Om de theologia crucis in haar contrast met de tendens
van het sektarisch geloof te verduldeIijken, mo ge ik twee
brieven citeren, die beide in verschrikkelijke ogenblikken
werden geschreven. De eerste brief is afkomstig van ocn jonge
Duitse soldaat in Stalingrad. Deze soldaat behoorde vroeger tot
de Hitler- Jugend en was een vurig, overtuigd nationaal-socialist,
De brief werd met de laatste postzak uit het omsingelde gebied
verzonden en was dus een laatste schreeuw v66r de ondergang. Hij
luidt aldus:
"Zo, nu weet je dus, dat ik niet meer terugkom. Vertel het
voorzichtig aan onze ouders. Ik ben diep geschokt en twijfel
hevig aan alles. Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik
klein en ongelovig. Veel van wat zich hier afspeelt, zal ik niet
ervaren, maar het weinige, dat ik meemaak, is al zo veel, dat lk
het niet meer kan slikken. Mij kan men niet wijsmaken, dat de
kameraden met het woord "Duitsland" of "Heil Hitler" op de
lippen stierven. Er sterven er heel wat, dat kan niet ontkend
worden, maar het laatste woord is voor moeder of voor de mens,
die iemand het liefst is, of alleen maar een roepen om hulp. -
De Führer heeft vast beloofd, ons hieruit te ontzetten, men
heeft het ons voorgelezen en we geloofden dat ook beslist.
Ik geloof het op dit moment nog, omdat ik toch ergens aan moet
geloven. Als dat niet waar is, waar moet ik dan nog wel aan
geloven? Dan zou ik echt geen behoefte meer hebben aan de lente
of aan de zomer of aan iets anders dat je nog plezier zou kunnen
doen. Laat me dit geloof, lieve Greta, ik heb mijn hele leven of
tenminste acht jaar daarvan altijd aan de Führer en zijn woord
geloofd. Het is ontzettend, hoe ze hier aan 't twijfelen zijn,
en beschamend om de woorden te horen, waar je niets tegen in
kunt brengen, want de feiten spreken voor ze. - Als het niet
waar is, wat men ons beloofde, zal Duitsland verloren zijn, want
in dat geval kan niemand meer zijn woord houden. 0, die twijfel,
die afschuwelijke twijfel, als die toch maar gauw voorbij mag
zijn!"
Over het verdere lot van deze jonge man is niets bekend. Niemand
weet, hoe hij leed en stierf. Zijn mond is verstomd, zijn
lichaam allang vergaan. Maar dit is zeker: Zijn vertwijfelde
vraag heeft een antwoord gevonden - het bestond in een
verschrikkelijk .mee". Misschien heeft hij in zijn sterven nog
vervloekt, wat hij een leven lang aangebeden had. In deze
vlammenzee van die grote catastrophe is zijn geloof, zijn
begeestering, zijn wereldbeschouwing, het hele bouwwerk van zijn
innerlijk bezit gebarsten en tot stof geworden. Niets is hem
gebleven. Niets - alles uit - punt!
Ook Golgotha is zo'n innerlijk Stalingrad voor de mens - ook
voor de gelovige, vrome mens en zijn bestaan voor God. Golgotha
is aanklacht en gericht Gods, meedogenloze ontmaskering van de
mens, van zijn motieven, zijn zogenaamde vrome verworvenheden,
zijn strevingen en prestaties. Want daar herkent hij zichzelf en
wordt herkend als iemand, die aan de terechtstelling van de Zoon
meedeed, medeschuldig is - een moordenaar, die de Zoon niet
verdraagt en Hem daarom uit zijn midden uitstoot en die da armee
zichzelf ontmaskert als een oproerling tegen God tot op de bodem
van zijn wezen. Paul Gerhardt heeft het in eenvoudige woorden
aldus gezegd: "Was ist die Ursach aller solcher Plagen? Ach,
meine Sünden haben dich geschlagen; Ach, ich, Herr jesu, ich hab
dies verschuldet, was du erduldet."
Daarom is Golgotha de radicale omverwerping van de mens, juist
van de vrome mens, en de radicale vernietiging van zijn vermeend
bezit en van zijn trots als bezitter. Hij kan op geen enkele
creditpost bogen. Hij is een kaIe armoedzaaier, een miserabele
bedelaar voor Gods aangezicht. En hij blijft een bedelaar, zijn
leven lang, een ontmaskerde en geoordeelde. Dat geldt voor de
enkeling, maar dat geldt evenzeer voor de gehele christelijke ge
me ente en de kerk. Dat geldt in elke situatie en op ieder
tijdstip.
Nu is dat echter niet het enige en het laatste antwoord van het
kruis, Midden uit de rook en het stof van die innerlijke
Stalingradcatastrophe klinkt een andere stem. Het is een jawoord.
Het is het "ja" van de Zieh ontfermende God tot de vuile
veroordeelde bedelaar - het "ja" van de vergeving, van de
rechtvaardiging. De bedelaar heeft het niet verdiend, het niet
door werken verkregen, het niet door de ene of andere eigen
waardigheid teweeggebracht en mogelijk gema akt. Het is een
grondeloos, wonderlijk, ongelofelijk "ja", temidden van de
puinhoop. Maar het wil, hoe ongelofelijk het ook is, ernstig
genomen worden. Het moet ernstig genomen worden. Want het is
Gods "ja". En God la at niet met Zieh spotten! Van de mens, die
op de plaats van het gericht, van de dood en van het "nee" staat,
wordt gevraagd, dat hij tegelijkertijd op de plaats van het "ja",
van de gerechtigheid en het kindschap gaat staan. Tegen zijn
geweten in! Tegen alle aanvechtingen en moedeloosheden in,
alleen in roekeloos, vermetel geloof aan de ongelofelijke
toezegging van die stem. "lle geloof, Heer, kom mijn ongeloof te
hulp!"
En hier mo ge nu een citaat uit de tweede brief volgen. Het is
een afspiegeling van deze tweede situatie van de mens, die het "ja"
van Golgotha heeft vernomen en nu tegen zijn eigen ongeloof in
ge- 100ft. De brief is afkomstig van Graaf Helmuth von Moltke,
die behoorde tot de tegen Hitlet gerichte zgn. Kreisauer Kring
en op de lOe januari 1945 tot de dood aan de galg veroordeeld en
de 23e januari d.o.v. terechtgesteld werd. Op de dag, dat hij
het doodvonnis ontving, schreef hij aan zijn jonge vrouw:
"Mijn lieve hart, in de eerste plaats moet ik zeggen, dat de
laatste vierentwintig uren van mijn leven kennelijk niet anders
zijn dan welke andere ook. Ik had me steeds ingebeeld, dat je
het werkelijk als een enorme schrik ondergaan zou, als je te gen
jezelf zou moeten zeggen: nu gaat de zon voor de laatste keer
voor je onder, nu ga at de klok nog maar twee keer tot twaalf,
nu ga je voor de laatste keer na ar bed. Van dat alles is geen
sprake. Of ik misschien wat geexal- teerd ben? Ik kan inderdaad
niet ontkennen, dat ik me in een uitgesproken verheven stemming
bevind. Ik bid slechts de Heer in de hemel, dat Hij mij hierin
mo ge houden, want voor het vlees is het zeker gemakkelijker, om
zo te sterven. Hoe genadig is de Heer mij geweest! Zelfs op
gevaar af, dat dit hysterisch klinkt: Ik ben vol dank, eigenlijk
is er voor niets anders meer plaats. Hij heeft mij die twee
dagen zo vast en duidelijk geleid : Al had ook de hele zaal
gebruld zoals de heer Freisler, en al hadden alle muren
gewankeld, het zou me volstrekt niets gedaan hebben ; het was
waarschijnlijk zo, zoals het in Jes. 43, 2 staat: "Wanneer gij
door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij
zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij
niet verteerd worden en zal de vlam u niet verbranden." - Je
ziel namelijk. Toen ik opgeroepen werd voor een laatste woord,
was het me zo te moede, dat ik bijna gezegd had: Ik heb slechts
een ding tot mijn verdediging aan te voeren:
Al rooft g'ons al ons goed, vrouw, kind en eer en bloed, ontneem
't ans alles vrij! Gij wint er toch niets bij: het Rijk blijft
ons behouden!"
Hier hebben we de andere kant van de reformatorische vroomheid:
de koninklijke vrijheid en geborgenheid, die wortelt in het "ja"
van God. Dit staat vlak naast, zo niet midden in die
vertwijfeling van de bedelaar in het gericht. De soldaat uit
Stalingrad schreef: "Vroeger was ik gelovig en sterk, nu ben ik
klein en ongelovig." De voor de galg staande graaf Moltke
schreef: "lk geloof te weten, dat ik nu uit Gods genade en
vergeving leef en niets uit me zelf heb of vermag." En hij
jubelt: "God verleent mij de onuitsprekelijke genade, naar mij
toe te komen en Zieh met mij te bemoeien." Beide, de
vertwijfeling van de verbrijzelde mens en de jubel van de
begenadigde, zijn geen eigen emoties van de ziel, maar reflexen
van een handelen, dat van God uit aan haar geschiedt. Daarin
weerkaatsen zijn beslissingen. En de jubel van de verloste is
met de twijfel van de geoordeelde verbonden door het: "lk geloof,
Heer, kom mijn ongeloof te hulp." De bedelaar heeft de sprong in
de afgrond gedaan - sola fide - en de hand van God heeft hem
opgevangen. Nu is hij iemand, die vastgehouden wordt in een lege
mimte en boven de afgrond van de hel. Hij leeft alleen uit
genade. Die genade tilt hem nu over de afgrond heen, zodat hij
daar aan de overzijde weer vaste bodem onder de voeten krijgt en
zich voorgoed veilig kan voelen, maar houdt hem boven de afgrond.
Hij Ieeft siechts door de genade. Er is niet een na-elkaar:
eerst het gericht en dan de vergeving, eerst de vertwijfeling en
dan de uitredding - maar alleen een gelijktijdigheid: simul
iustus et peccator.
Aan dit in-elkaar en de daaruit voortkomende innerlijke
situaties van de gelovige heeft Jochen Klepper in zijn dagboeken
27) op een prachtige wijze uiting gegeven, als hij daarin
motiveert, waarom een Protestantse poezie vrijwel onmogelijk is:
"Ze kan van vergeving en genade als haar hoofdinhoud niets
verteIlen, omdat ze, met elk van haar woorden, de aanspraak op
genade en vergeving behoeft. Ze is, scherp uitgedrukt, een
artistieke zelfmoord, constant uitgevoerd en doorgezet. Ze heeft
plaats onder boetedoening, zonder van boete te kunnen spreken,
Ze is een lofprijzing Gods, waarvoor men Gods vergeving nodig
heeft. Ze staat volledig aan de kant van de zonde, van de
onvrede, van de schuld en van het kwaad, is "lijden van deze
tijd" en beslist niet de .Jieerlijkheid die aan ons geopenbaard
zal worden". Ze is niet een schrede naar God toe, maar van God
vandaan: leugen, ijdelheid, voorbarigheid, oppervlakkigheid,
mooipraterij, dialeetick. Weliswaar kan God maken, dat Hij
vanuit deze warboel van leugen en ijdelheid spreekt: maar dcgene,
die deze warboel schrijft, zal nooit ook maar kunnen vermocden,
wanne er God daartoe zo'n dichtwerk gebruiken wil."
De gelovige komt nooit on der de stand van de rechtvaardiging
uit. Hij is altijd tegelijk de zondaar en de door God
vrijgesprokene, rlo rebel en de door Christus verzoende. Luther
vergelijkt hem met do bedelaar, aan wie een rijk heer bij
testament duizend goudstukkon vermaakt heeft. Andere lieden
wijzen op het vuil en de vodden vnn de bedelaar en zeggen hem in
zijn gezicht: je bent niet waard, dat je dit kapitaal ontvangt!
Hij echter begint te pochen: "Wat gaat dit jullie aan? Ik weet,
dat ik onwaardig ben. Wat ik echter wil hebben, wil ik hebben
krachtens het recht van het testament." En dezo situatie van de
begenadigde bedelaar, met zijn trots vertrouwen
" zijn vermetel geloof in het aanbod van Gods genade, groeit nu
uit tot een rijk geloofsleven, tot de "vruchten des geestes",
onder welke de liefde en de deemoed aan de spits staan.
Nederzettingen bezijden het kruis
Alle sekten, hoe geschakeerd ze ook zijn, hebben een
gemeenschappelijk kenmerk: Er bestaat namelijk geen enkele sekte,
welker oorsprong als een Stalingrad van de ziel in de buurt van
het kruis ligt. Laat ons de motieven, die tot het ontstaan van
de afzonderlijke sekten geleid hebben, wat nader bezien: De
Adventisten wilden met het oog op de spoedig te verwachten
parousie de zekerheid hebben, dat zij van het gericht verschoond
bleven. Bij Russell, de stichter van de "Vereniging van Ernstige
Bijbelonderzoekers", was het de angst voor de eeuwige hellestraf,
die voor hem aanleiding werd, de Schrift zo uit te leggen, dat
deze grondig geelimineerd werd. Bij Alexander Freytag, de
stichter van de "Kerk van het Godsrijk", was het het hevig
verlangen na ar een leven, dat door de dood niet meer bedreigd
zou zijn. Bij de Hersteld-Apostolischen was het verlangen naar
een nu tegenwoordige, ziehtbare middelaar beslissend voor de
ontwikkeling van hun ambten en hun derde sacrament. Bij de
Christengemeenschap was het de drang van enige theologen, die
door Steiners anthroposophie geboeid waren, naar een diepere
kennis en een rijker, uit de anthroposophische kijk op de wereld
opkomend sacramentalisme. Bij de Perfectionisten en
Pinkstergemeenschappen was het de drang, uit de stand van de
rechtvaardiging-zonder-meer en daarmee uit de zöne van de
aanvechting weg te komen en met de bekering en de geloofsdoop of
geestesdoop "het volle heil" te bereiken. Bij [oseph Smith, de
profeet van de Mormonen, was het de radeloosheid ten aanzien van
de veelheid van denominaties, bij Mary Baker Eddy de afwijzing
van de in haar congregationalistische kerk verkondigde leer van
de dubbele praedestinatie.
Dat zijn motieven van zeer uiteenlopende aard. Ze zouden, hoe ze
er ook uitzagen, het uitgangspunt hebben kunnen vormen voor een
weg naar binnen, die uitloopt op de theologia crucis, om daar
antwoord en vervulling te vinden. Maar deze weg heeft de sekte
zelf versperd. Het grondbeginsel van haar godsdienstig denken en
streven laat niet toe, dat de mens zichzelf onbeschut uitlevert
aan God en de sprong in de afgrond waagt sola fide. Ze heeft een
andere weg ingeslagen. Die staat in het. teken van de eigen
godsdienstige initiatieven tot zekerstelling van het heil, en
wijst heen naar het storm- vrije terrein, de sehuilplaats, die
door de oordeelsboodschap van het kruis niet meer getroffen
wordt. Deze weg omvat tweeerlei:
1. Er wordt een geleidelijke afbraak van de theologia erucis
ondernomen. Golgotha mag niet meer de totale en radicale
bedreiging van de mens in zijn bestaan voor God betekenen. Er
moet een ruimte gevonden worden, waar de mens zieh kan vestigen,
zonder getroffen te worden door het kruis. De afbraak van de
theologia crucis gesehiedt op velerlei wijze. B.v. zo, dat men
Golgotha beperkt tot een heilshistoriseh feit uit het verleden,
waarvan men nu nog wel de vruchten plukt, maar dat beslist niet
meer een gebeuren kan zijn, dat zieh uitstrekt tot hier en nu en
tot ieder mens. Of zo, dat men de spanning uit het simul iustus
et peccator wegneemt, door deze zuiver more el te verstaan en
niet meer te zien als het gebied, waarop de mens voortdurend
voor God zijn zekerheid kwijtraakt. Of zo, dat men het kruis
beschouwt als een stadium, dat men wel passeert om het een en
ander mee te nemen, maar dat in de grond der zaak toch niet
anders is dan een doorgang naar een volgend, hoger stadium. Of
zo, dat men het gebeuren op Golgotha weghaalt uit de categorie
van schuld en gericht en het tot een kosmisch mysteriedrama
neutraliseert.
Nergens is hier het kruis meer de plaats, waar de kennis van de
totale verlorenheid de mens overvalt en hij zieh tot in de
laatste schuilhoeken van zijn ziel door God ontmaskerd ziet.
Daarom loopt aan de geleidelijke afbraak van de theologia crucis
parallel een dergolijke afbraak van het bijbels getuigenis
aangaande de zonde. De verkorring van dit getuigenis is overal
merkbaar, alleen de mate waarin verschilt. Perfeetionisten en
Pinkstergemeenten spreken van rlc re öle mogelijkheid van een "overwinning
over de zonde" of zelfs van de zondeloosheid als van een nieuwe
bestaansvorm van de gelovlgc. Hoezeer ze daarbij ook met hun
leer van bekering en wedergoboorte argumenteren, ze miskennen,
dat de zondigheid de grondI rok van het menselijke wezen vormt.
Tekent zieh reeds bij hen het moralistische misverstand van de
zonde af, dit wordt volkomen duidolijk bij de
Hersteld-Apostolischen en de Mormonen of in de leer vnn
Swedenborg en die van Lorber. Bij jehova's Getuigen wordt de
zonde beperkt tot het verzet tegen de door Jehova geautoriseerde
: 1'1 ieocra tische Organisatie en haar geboden. De "Kerk van
het Godsrijk" verstaat onder "zonde" alleen de door egoistische
motieven bepaalde handelingen. Qe Christengemeenschap spreekt
met voorliefde over zonde als "ziekte" en bedoelt daarmee een
terugval van het geestelijke en de sIavernij van het stoffelijke.
De ChristianScientisten delen de zonde samen met ziekte en dood
in bij de groep van de menselijke "inbeelding". Overal wordt
hier het bijbels getuigenis van de zonde vervlakt of veranderd.
In dit bijbels getuigenis echter komt de innerlijke bedreigdheid
van de mens tot uitdrukking. Hoe meer die diepte en de macht van
de zondigheid wordt vervlakt, des te meer wordt deze
bedreigdheid gebagatelliseerd. Ze wordt zo gebagatelliseerd, dat
ze tenslotte de theologia crucis in het geheel niet meer nodig
heeft - ze kan ook op andere wijze overwonnen worden.
2. Door de verkorting van het bijbels getuigenis van de zonde en
de ontlediging van het woord des kruises wordt nu een
afgeschermde ruimte verkregen, waarbinnen men een eigen
godsdienstig gebouw kan optrekken, dat men voorzien kan van
krachten en volmachten, die het heil verzekeren. Tegenover de
bijbels-reformatorisehe theologia crucis stelt men nu een
theologia possessionis. Dat is de hartkamer, waarin het
geloofsleven van de sekte slaat. De substantie van de theologia
possessionis wordt gevormd door haar zgn. speciale leer. In deze
speciale leer komt ook het kruis wel voor. Maar ze staat niet
meer onder het gericht van het kruis, Ze heeft het alleen op een
of andere manier "verwelkt". Ze gebruikt het nog slechts als "middel"
in het proces, dat het heil moet waarborgen. Maar in geen geval
mag Golgotha dat "Stalingrad" zijn, waarin samen met alle
godsdienstige strevingen, ook de erediensten, ambten,
sacramenten, ervaringen en autoriteiten van de sekte als
ondernemingen van de menselijke, zondige creatuur wegvallen. Dit
is het neuralgische punt van de sekten: deze gedachte kunnen ze
niet aanvaarden! Ze moeten haar ruwweg terugwijzen. Want daarmee
zou hun bestaan aan het wankelen gebracht worden. Ze moeten een
"bezit" hebben, dat niet on der de schaduw van het kruis valt,
dat niet aangevochten wordt, maar volkomen zeker en voor God
geldig is. En juist dit bezit maakt het hun mogelijk, langs het
kruis heen te gaan. Het geeft hun de mogelijkheid uit eigen
volmacht het heil te bewerkstelligen en zichzelf in het werk van
Gods genade in te schakelen. Dit is het, wat aan de gelovigen
dekking, bescherming en de garantie van het heil verschaft.
Daarom staat dit bezit in het middelpunt van de leer van de
sekte.
Ze maakt het tot fundament van haar theologie. Het is bij iedere
sekte weer anders. Het bestaat bij de Pinkstergemeenten in de
leer van de ervaarbaarheid en grijpbaarheid van de Heilige Geest
in de geestesdoop; bij de Perfectionisten in de handeling van de
bekering, die bij hen als een plotselinge doorbraak naar het
heil beleefd wordt; bij de Hersteld-Apostolischen in de leer van
de volmachten van het opnieuw ingestelde apostelambt; bij de
Adventisten in de drievoudige engelboodschap; bij jehova's
Getuigen in de goddelijke autorisatie van de Theocratische
Organisatie als orgaan van de heilsgeschiedenis; bij de Kerk van
het Godsrijk in de leer van de wet van het heelal; bij de
Christian Scientisten in de leer van de ilIusies en de mentale
genezing; bij de Christengemeenschap in de mysterienleer en het
daarop gebaseerde sacramentalisme; bij de Evangelisch- [ohanne~sche
Kerk, de Graalbeweging, Peace Mission e.a. in de proclamatie van
de vleeswording van de godheid in hun stichters. Een overzicht
over de diverse sekten toont aan, dat zo ongeveer alles zich tot
voorwerp van een theologia possessionis laat maken: van die
perfecte gehoorzaamheid aan de letter af, die de Schrift van een
goddelijk dynamiet tot een verzameling wetsparagraphen maakt en
er zieh op boroemt, deze paragraphen in alle opzichten pijnlijk
nauwgezet op lu volgen (Campbellieten), tot de plek toe, waarvan
de Mormonen in Independance beweren, dat die hun bij openbaring
is aangewezen voor het bouwen van de tempel, en uit welks bezit
de afgescheiden 'hurch of Christ, Temple Lot, haar legitimiteit
afleidt.
Do elementen van de theologia possessionis worden verabsoluteed
en treden in de plaats van de theologia crucis. Dat betekent een
volkernen verschuiving van de structuur van de dogmatiek. De
sekte heeft een ander coördinatiesysteem dan de kerk. Het
nulpunt, waarop bij haar de X- en de Y-as elkaar kruisen, is
niet meer het kruis Christus, maar haar eigen bezit. Daarom
hebben dezelfde begrippen bij de sekte een andere betekenis en
een andere rangorde dan in de kerk. Daarom is ook een wederzijds
verstaan en een geprek over en weer zo moeilijk, vaak zelfs
onmogelijk.
Naar de mens gesproken, hebben de sekten het zonder theologia
crucis gemakkelijker, En ze kunnen met hun theologia
possessionis de ander geweldig overtroeven en doen dat dan ook,
Maar anderzijds treft hen ook het noodlot, dat aan een ontwijken
of een ontlediging van het kruis inhaerent is. Waarin dat.
bestaat? Allereerst hierin, dat de bodschap van het kruis haar
innerlijke draagkracht voor hen verliest. Ze heeft die
draagkracht alleen daar, waar ze in haar dubbelpoligheid als het
van Godswege door Christus volbrachte, tot factum geworden woord
van gericht en verzoening gehoord en geloofd wordt en waar dit
woord niet als een museumstuk uit het verleden door een ander
woord van de een of andere nieuwlichterij verdrongen of in de
schaduw gesteld wordt, maar als actuele tegenwoordigheid hier en
nu de mens in zijn bestaan raakt. Waar echter de ene pool, het
woord van het gericht, buiten zieht raakt, wordt ook de andere
pool, het woord der verzoening, beroofd van zijn innerlijke
kracht. Het kruis kan nu niet meer het door God gelegde
fundament van de zekerheid des heils zijn. Des te meer wordt de
sektarische vroomheid genoodzaakt, op andere fundamenten te gaan
steunen. Ze wordt gedwongen de vlucht uit het machtsgebied van
het kruis naar het terrein van de theologia possessionis te
bevorderen. Maar kan het nieuwe fundament het achtergelatene
vervangen?
Deze vlucht is ook hierom zo noodlottig, omdat de aanhangers van
de sekte zieh daarmee beroven van de genade, door God
verbrijzeld en weer opgericht te worden. Ze moeten ongebroken
men- . sen blijven. Hun bedreigt de enorme verzoeking zieh boven
anderen verheven te voelen, zeker, zelfbewust en star. Hoeveel
sektariörs zijn helaas bezweken aan het gevaar alles te
veroordelen en te verdoemen, wat niet hun theologia possessionis
huldigt. De vrome superbia triumpheert.
Verder zullen we in dit hoofdstuk niet gaan. Het is niet de
bedoeling een lastercatalogus van het sektewezen op te stellen.
De kerk heeft geen reden zieh eigengerechtig te gedragen. Maar
deze aanduidingen waren nodig, omdat het om verschijnselen gaat,
die typerend zijn voor de sektegeest. En ze zijn typerend, omdat
hier een relatie blijkt te bestaan - en wel een relatie, die een
oordeel inhoudt - tot haar theologia possessionis.
Hoofdstuk 5
DE VERABSOLUTERING VAN DE SEKTEGEMEENSCHAP
Kerk als gemeenschap van zondige heiligen
Het is vooral op het terrein van de ecclesiologie, dat de beide
grondlijnen van de reformatorische en van de sektarische
theologie hevig met elkaar slaags raken,
Wat is "kerk" naar reformatorisch in zicht? Het is niet nodig,
hier deze veelomvattende vraag naar alle kanten te onderzoeken.
Het is voor ons doel voldoende, als we enige beslissende punten
naar voren haIen.
Ten eerste: De kerk is geen mensenwerk. "Kerk" is volgens Luther
däär, waar het evangelie zuiver gepredikt wordt en de
sacramenten naar de inzettingen van Christus bediend worden.
Evangelie en saeramenten als zodanig zijn woord en werk van God.
De mens heeft er niet over te beschikken. Ze vertegenwoordigen
de majesteit Gods. Dat komt hierin tot uiting, dat de mens het
evangolie niet naar eigen behoefte of goeddunken mag of kan
verandercn, maar slechts de mogelijkheid heeft, het te "verkondigen",
d.w.z. het verder te verteIlen; dat hij als prediker sleehts
werktuig, niet heer van het evangelie kan zijn; dat het
verkondigde evangelie oigenmaehtig werkt en dat het geen
verdienste van de prediker, maar het werk van de Heilige Geest
is, als de verkondiging geloof wokt.
"Kerk" is allereerst daar, waar het evangelie verkondigd wordt.
•• Verkondigen" betekent: het evangelie treedt de wereld der
mensen binnen. En daarmee schept het zich de kerk. De kerk is
dus geen stichting van mensen, maar uitsluitend een schepping
van het Woord Gods. De kerk ontstaat in de ruimte, waarbinnen
het Woord Gods en de mensen elkaar ontmoeten. Deze ontmoeting is
vol dramatiek en heeft een veelvoudige uitwerking. Het evangelie
gelijkt op het zaad, dat op vruchtbare grond, op steenachtige
bodem en tussen de doorns valt. De ruimte van de ontmoeting van
evangelie en mens wordt tot een strijdperk. Het evangelie dringt
zieh in mensenharten binnen en overwint ze. Anderen sluiten zich
toe in onverschilligheid of verharding. Weer anderen wank elen
tussen twijfel en geloof. Krachten uit de diepte worden wakker
en afgronden worden gemobiliseerd, als het Woord Gods tot de
mens spreekt. Overwinning en nederlaag, doorbraak en terugval
vindt men in de ruimte der kerk, Daarom kan men over haar in
haar aardse historische bestaan alleen maar dialectisch spreken:
ze is tegelijk kerk en niet-kerk, is altijd kerk in wording.
Haar geschiedenis kent afdwalingen en verduisteringen van de
waarheid. Geworpen in de branding van het tijdsgebeuren met al
zijn machtige verleidingen, is ze niet onkwetsbaar, als ware ze
een door rotsen omgeven eiland in de oceaan. Voortdurend
bedreigt haar het gevaar, de ergernis van haar boodschap
achterwege te laten, om zodoende de welwillendheid van de
machthebbers, de bijval van de massa's, de instemming van
politieke en ideologische bewegingen of ten minste het door hen
geduld worden te winnen. En God verhoedt deze dwaalwegen niet!
Hij gaat met de kerk niet om als met zijn oogappel. Hij waagt
alles met haar. Ze moet wegen van knechtschap gaan. Ze moet
ondervinden, wat het betekent, dat daar, waar het Woord van God
gepredikt wordt, ook de macht van de satan in haar ganse omvang
zieh verheft. Ze moet perioden van steriliteit, van een
innerlijlee ban, en van geesteIijke onmacht doormaken, waarin
het levende Woord zieh binnen de kringen van de "stillen in den
lande" terugtrekt, terwijl op kansels en leerstoelen een dood en
leeg woord verkondigd wordt. Ze heeft te lijden van de strijd
van scholen en richtingen, die haar gerneenschap dreigt te
verscheuren. Haar wegen door de geschiedenis zijn kromme wegen,
omzoomd door vernederende smaad. En het is niet 's mensen
verdienste, maar een wonder Gods, als ze niet in de afgrond der
geschiedenis te pletter valt of in het moeras verzinkt, maar
haar weg ondanks alles ook een weg van zegen is, Als het Woord
van God de mensenwereId binnentreedt, levert het zieh ook uit
aan mensenhanden. En deze handen zijn onheilige handen. Maar
zoals de Zoon ter wille van de liefde een knechts gestalte
aannam, zo ontledigt Zich ook God met zijn W oord en levert het
uit aan de mensen. En zo herhaalt zieh a.h.w. het lijden van
Christus. De kerk biedt dus niet bepaald een triomfantelijke
aanblik. Haar geschiedenis is er een vol kwalen en wonden. Ze
kan dit lot niet ontlopen. Ze kan zichzelf niet afdoende
beschermen. Ook al tracht ze de haar toevertrouwde schat door
een uitgebreide, machtige hierarchie en door de proclamatie van
een onfeilbaar hoogste leergezag te behoeden en verleent ze aan
haar hoofd de volmachten van plaatsvervanger van Christus - dan
nog bezit ze da armee geen garantie tegen dwalingen en
ontaarding. God heeft haar niet toegestaan, van zichzelf uit
zulke garanties te kunnen ontwikkelen. Want ze is dienstknecht
van God. En de knecht is niets uit zichzelf. De kerk als
menselijk maaksel dwaalt. Ze zondigt. Ze misbruikt, verminkt en
vermengt het Woord. Of er dan geen zelfbescherming mogelijk is
tegen zulke bedreigingen? Nee. Maar de Heer wil het doen. Hij
stoort, verontrust, reinigt. Hij doet ontwaken uit traagheid en
zet zijn waarheid door tegen vervalsing in. Hij staat dit ambt
niet af aan enige kerkelijke instantie of autoriteit. Hij wil
het zelf waarnemen, opdat duidelijk worde, dat Hij de Heer en de
kerk zijn schepping is,
De kerk is dus het slagveld, waarop God souverein zijn zaak
leidt en zelfs nog de menselijke leugen dwingt om zijn waarheid
te heerlijker te doen uitkomen (Rom. 3, 7). De kerk is steeds
ecclesia militans - "militans" niet in de eerste plaats aan een
uitwendig front tegen ongelovigen, maar v66r alles aan een
inwendig front - in de gemeente der gelovigen, die zowel in haar
gehe el als in de leden afzonderlijk strijdgebied tussen Gods
aanspraken en menselijke eigenzinnigheid is, slechts door de
sola gratia het leven houdt en dagelijks de rechtvaardiging
behoeft.
Als deze gerne ente tegelijkertijd de gemeenschap der heiligen
genoemd wordt, is dat niet omdat de gelovigen uit zichzelf
heiligen zouden zijn geworden, maar omdat ze onder het kruis
staan en hier - theologia crucis! - uit de dwaling tot de
waarheid worden geroepen, hun eigengemaakte of gehuichelde bezit
kwijtraken, als arm- zalige bedelaars door God aangenomen, door
zijn vergeving gereinigd en door zijn "ja" geheiligd worden. Dus
is de kerk een gemeenschap oan zorulige heiligen. Haar leden
zijn zondaren en geoordeelden en tegelijk door God
gerechtvaardigden en geheiligden. De kerk vertoont zieh in
knechtsgestalte. Maar omdat het subject van de ecclesia militans
het evangelie en daarmee de Heilige Geest is en Gods majesteit
dus in haar werkt, daarom wordt temidden van zondaren en
geoordeelden ook de ecclesia triumph ans werkelijkheid, de
zegepraal van het evangelie over de tegenspraak des harten, de
doorbraak door de muur van superbia naar de deemoedige
geloofsgehoorzaamheid en de liefde.
Deze triomfen zijn geen vruchten van menselijk-vrorne strevingen,
maar werken van God. Het zijn gebeurtenissen, waarin God Zich
doet kennen als de Heer en overwinnaar over de boosheid en
traagheid der harten. Daarom is het ook uitgesloten, dat mensen
die kunnen afdwingen of conserveren. Ze kunnen niet statistisch
worden vastgelegd - want ze vinden plaats in het verborgene - en
evenmin organisatorisch naar zieh toegehaald - want ze komen
vanuit een ho gere dimensie. De ziehtbare kerk met haar orde,
haar ambten en regels heeft geen zeggenschap over deze
gebeurtenissen. Zij is er verantwoordelijk voor, dat het
evangelie klaar en zuiver verkondigd wordt en dat de sacramenten
overeenkomstig hun instelling bediend worden. Ze is daarin met
al haar organen het werktuig van de Heer. Ze zaait en plant en
begiet, maar of het woord kiemt en groeit en vrucht draagt, is
haar niet in handen gegeven. Dat staat alleen in de macht van de
Heer. Tot in het verborgene van het hart kan ze niet zien. Het
is haar ontzegd de gemeente der waarlijk gelovigen te vormen. Ze
moet het dulden, dat in deze aeon tarwe en onkruid
dooreengemengd zijn.
De ziehtbare kerk draagt dus de meest uiteenlopende trekken van
nederigheid: ze is overgeleverd aan verleiding en dwaling, ze
kan slechts werktuig en niet sou vereine draagster van een
geestelijke macht zijn. Ze kan de ongelovigen niet uitsorteren
en de ware gemeente van Jezus representeren. En ze houdt haar
eigen bestaansrecht slechts in zoverre en zo lang, als ze kerk
on der het kruis is en zichzelf voortdurend door de theologia
crucis ter verantwoording la at roepen.
Een kerk van dit karakter biedt naar buiten veel aanvalspunten.
En die worden dan ook door de sekten al naar hun krachten
bestormd. De sektarische ecclesiologie ontspruit rechtlijnig aan
de theologia gloriae sectae en de theologia possessionis. De
sekte heeft invloed op het heil of zelfs de sleutel daartoe. Wie
zieh bij haar aansluit en haar leer en geboden gehoorzaamt, is
een geredde. De sektegemeenschap is identiek met de
heilsgemeenschap.
Als zodanig kan de sekte veel voor zieh doen gelden, wat haar
pretentie geloofwaardig maakt en haar voordelig tegen de kerk
doet afsteken. B.v. dat ze klein in aantal is. Is dus niet op
haar van toepassing, wat in het Nieuwe Testament staat, dat
velen geroepen, maar weinigen uitverkoren zijn? Hoe zou de
massa-kerk met haar miljoenen willen beweren, de "kleine kudde"
te zijn? Of: In haar rijen vindt men bijna uitsluitend bewust-
en beslist-gelovigen. De kerk echter wemelt van lauwen en
onverschilligen, Springt het dus niet duidelijk in het oog, dat
hier de uitverkoren ge me ente en bij de kerk de grote hoop is?
Of: De sekten maken het hun leden niet gemakkeliik. Veelal
moeten zij zieh aan een volwassendoop of wederdoop onderwerpen
en daarbij openlijk belijdenis afleggen. Ze mceten de tienden
betalen, en er worden ook verder allerlei offers van hen
verwacht. Ze moeten zieh onthouden van wereldse genoegens, er
wordt dikwijls streng op hen geIet in hun priveleven, ze worden
opgeroepen om allerhande dienstverrichtingen in de gemeenschap
en vooral voor de werving, die zware eisen steIt. Daarbij komen
dan de velerlei moeilijkheden, die ze in de maatsehappij
ontmoeten: afwijzing in de familiekring, plagc:rijen onder
vrienden en kennissen, achteruitzetting, b.v. bij de Adventisten
wegens de sabbatsviering, kortom de hele isolering, welke iemand
treft die bij een sekte hoort. En desondanks blijven ze trouw en
brengen vaak werkelijk heldhaftige offers voor hun zaak!
Hoe is het daaren tegen in de kerk? Wat daar opvalt is de
geestelijke lauwheid van haar gemeenten, het vervlochten zijn
met staat en maatschappij, de verburgerlijking en
verwereldlijking. De kerk riskeert het in vele gevallen niet
eens op de vrijwillige offers van haar leden te steunen, maar
laat zieh uitbetalen door de staat. Ze verstrikt zieh in
wereldse zaken, streeft na ar publieke posities, begeeft zieh in
het gevaar van horigheid tegenover honderden belangen. Ze
verlangt van haar leden geen beslissing, maar neemt hun
ongevraagd door de kinderdoop op en neemt ook voor later
genoegen met een minimum aan eisen. Haar predikanten zijn
bezoldigde ambtsdragers met burgerlijk voorkomen en
pensioenrechten. En bij hoevelen ontbreekt de geestelijke
voorwaarde vom hun beroep!
Nog dieper graaft de critiek van de sekten, Men spreekt van een
ontrouw van de kerk aan de waarheid en de opdracht van Christus.
Deze ontrouw wordt verschillend verklaard en gedateerd. De
Perfectionistische "Gemeellte Gods" (Anders on) ziet die in de
confessionele opsplitsing van de oer-Christelijke gemeenschap
door menseIijke wetten en belijdenissen; de Perfectionistische "Gemeenten
van Christus" (Thomas Camp bell) in de vervanging van de
Nieuwtestamentische ordeningen VOOI godsdienstoefening en
gemeente door eigenmachtige inzettingen zoals kerstfeest,
bevestiging, instrumentale muziek en bovengemeentelijke
organisatievormen; de Adventsgemeenschap in de overgang naar de
Zondagviering; de Mormonenkerle in de afschaffing van de
Nieuwtestamentische ambten met hun volmachten en in allerlei
dwaalleer zoals praedestinatie, afsluiting van de
openbaringswerkzaamheid met Christus en transsubstantiatie. Vaak
wordt in het verbond van kerk en staat sedert Constantijn de
voornaamste bron van het geestelijk verval gezien. Eenstemmig
wordt het pausdom veroordeeld, maar aan de reformatie verweten,
dat ze halverwege is blijven staan en harerzijds tot
letterknechterij en tot de instelling van staatskerken is
vervallen en met de rechtvaardigingsleer het heiligingsgebod uit
de weg is ge ga an of het gebagatelliseerd heeft.
De kerken hebben zichzelf van de "vooruitgang in de ontwikkeling
van de mensheid" afgesloten en zijn op een vroegere trap blijyen
staan, zegt de Christengemeenschap. Evenzo de groep van Lorber:
"De kerken zijn sedert de tweede en derde eeuw retrospectief
geworden" en Houden zieh bezig met oude, reeds lang achterhaaIde
ontwikkelingsnormen uit het bijbelse tijdperk, die voor het
hedendaagse leven absoluut niet meer bruikbaar zijn en die
alleen daarom reeds zowel wereldvreemd, alsook volslagen
ongeschikt zijn om de mensheid werkelijk te leiden." 28)
Weer anderen becritiseren een tegenovergestelde houding van de
kerk, nl. dat ze een theologisch liberalisme huldigt en da armee
de inhoud van de Schrift losweekt en ondermijnt. "In beroemde
kerken loochenen duizenden kanselredenaars de maagdelijke
geboorte, de Godheid van Christus, Zijn lichamelijke opstanding
uit de doden en de in de Heilige Schrift opgetekende wonderen.
Een groot percentage predikers van onze tijd zijn evolutionisten,
en nog meer predikers zijn modernisten." "Hoe moeten Gods
kinderen zieh houden tegenover dit gevaar? Paulus riep: Wendt u
af van dezulkenI" 29) Verder verwijt men de kerk, dat ze in de
eisen, die ze aan de gelovigen stelt, veel te ruimhartig is
geworden; haar prediking dringt niet aan op volledige bekering;
haar verkondiging is een half Christendom, en haar gemeenten bi
eden het schouwspel van halve Christenen en onverschilligen,
Waar echter "niet het volle heil wordt verkondigd, kan niet
langer uw plaats zijn". 30)
De kerk heeft zieh toegesloten voor de werking van de Heilige
Geest, werpen de Pinkstergemeenten haar voor de voeten; haar
geloofsleven is derhalve dor, arm en vormelijk geworden. Dat ze
het pinkstergebeuren van Hand. 2 als een onherhaalbaar eenmalig
gebsuren beschouwt, dat haar "schriftgeleerden en farizeeörs, de
theologen, de goddelijke waarde en de heilsnoodzakelijkheid van
de geestdoop betwijfelen, de wondergenezing en overige
geestesuitingen van deze tijd niet als werkingen van de huidige
"spade regen" erkennen, is haar zware zonde tegen de Heilige
Geest. "De kerkenwereld is koud en lauw. In plaats van de wereid
in verbazing te brengon, amuseren ze de wereid. In plaats van te
vasten, fe esten ze. De wekelijkse gebedsbijeenkomst is zeer
zwak. In plaats van een vuurvlam te zijn, is de kerk een
vriesinstallatie, de banken zijn wit uitgoslagen van de vorst,
de kerkleden zijn koud en op veel kansels probeert een 1.80 m.
ho ge ijspegel te preken, De kerkenwereld heeft veel last van "dode"
seminaries, die dode predikers voortbrengen, die weer aan een
dood gehoor dode preken voorhouden.'31)
Ze is de "Kains-kerk", die de schijn van een godzalig wezen
heeft, maar de kracht Gods verloochent en er een "godsdienstigheid
van do mensen zonder wedergeboorte" op na houdt. Ze vervolgde
altijd roods de levende, door de Geest voortgebrachte "Abel-kerk"
die uitsluitend op de geestelijke openbaring van het woord Gods
is op gebouwd." 32) Maar "God heeft zo'n kerk reeds lang
afgehouwen en haar het leven ontnomen. Hij heeft geen
gemeenschap met een naar zonde en ongeloof stinkende kerk of
gemeenschap." 33)
De Hersteld-Apostolischen op hun beurt zien de doodzonde van de
kerk in het verloren laten ga an van het apostelambt. Daarmee
boette ze het met volmacht beklede ambt der genade in. Na de
dood van de eerste apo stelen "moest men met de herinnering aan
het verleden genoegen nemen; het alleen leven-schenkende en
leven-behoudende Woord uit de Heilige Geest ontbrak, omdat er
niemand meer was, die de macht en de opdracht had gehad, in 's
Heren plaats op te treden. Velerlei kwalen waren dan ook het
gevolg: twijfel, ongehoorzaamheid, afval, terugval naar het
leven in de zonde en tenslotte de geestelijke dood, zoals dat in
Openb. 6, 4-8 nader beschreven staat." 34)
ledere sekte komt aandragen met haar eigen desideratum en zet
dat om in een verwijt aan de kerk. Bij de Christian-Scientisten
luidt het: De kerk heeft het door Christus verkondigde beginsel
der genezing in vergetelheid doen geraken. Bij Abd-ru-shin: De
kerk heeft de boodschap van Christus vervalst, en haar theologen
hebben op het terrein van de godsdienst de tyrannie van het
verstand ingevoerd. Bij jehova's Getuigen: De kerk leert een
drieöenheid, een voortbestaan na de dood, een eeuwige hellepijn,
en is een van de organisaties van de satan. Bij de "Mensenvrienden":
De kerk leert, dat God toomt en straft, ze is afhankelijk van de
staat en zegent de wapenen en symboliseert met haar drie
voomaamste confessies het getal 666 van de ontrouwe Christenheid.
ledere sekte leidt uit haar aanklacht een meer of minder
algemene veroordeling van de kerk af. Velen stellen zieh
tevreden met de constatering, dat de kerk geen toekomst meer
heeft, maar onherroepelijke verkommering tegemoet gaat. Naar het
oordeel van anderen is de kerk door God verworpen. Daarom wordt
ze ondergebracht in de rij der antichristelijke machten en
vijand van Gods zaak genoemd. Ze gaat door voor "Babel" en voor
de "hoer" , die het aanlegt met de machten der wereid en in het
apocalyptische gericht Gods vernietigende straf ontvangt. Met
deze classificatie heeft het protest van de sekte tegende kerk
zieh verdiept tot een definitieve en radicale scheur.
De sekte als "de ware gemeente"
De polemiek tegen de kerk is uiteenlopend van geluidssterkte en
toon. Ze reikt van neerbuigende of betweterige ironie, zoals men
die b.v. bij de Christengemeenschap aantreft, tot aan het
onbeteugelde fanatisme bij vele radicale Pinkstergroepen of bij
jehova's Getuigen. Maar hoe verschillend de toonaarden ook mogen
zijn, op de achtergrond trilt doorgaans de toornige smart en
teleurstelling na, dat de kerk de kennis en de leer van de sekte
aan zieh voorbij heeft laten gaan. Dat ze desondanks de
pretentie voert, de "kerk van Christus" te zijn, moet voor de
sekten een uitdaging en een bron van voortdurende onrust zijn.
Het doel van haar polemiek is derhalve de weerlegging van deze
pretentie. Ze moet proberen aan te tonen, dat de kerk een
ondeugdelijk werktuig van Christus is, zo niet een instrument
van de duivel. Ze moet dus de kerk in het hart treffen, haar
haar ambt en haar roeping ontzeggen. Eerst dan heeft de sekte
haar eigen bestaansrecht bewezen en verzekerd. Haar polemiek
tegen de kerk is dus slechts de keerzijde van haar eigen
rechtvaardiging. En hoe absoluter ze zichzelf poneert, des te
radicaler is haar antikerkelijke polemiek. Wat deze polemiek
echter uiteindelijk wil bewijzen, is de stelling: Wij zijn de
ware gemeente van jezusl Of tenminste: Wij alleen bezitten de
volle geloofswaarheid en zijn de legitieme dragers van de
christelijke boodschap, die de toekomst doen aanbreken.
Deze pretentie vindt haar neerslag in de meest verschillende
zelf verabsoluteringen. De gemeenten van Swedenborg houden
zichzelf, na de vier voorlopige kerken die de geschiedenis van
de mensheid tot nu toe gekend heeft, voor de definitieve vijfde
kerk, "de Nieuwe Kerk", terwijl de Roomse kerk en de kerken van
de reformatie aan de ondergang zijn prijsgegeven. De
Christengemeenschap wil "de derde kerk" boven Katholieisme en
Protestantisme uit zijn. Ze baseert zieh op de anthroposophie,
die volgens haar niet sleehts een geestesstrorning naast andere
wil zijn, maar geldigheid voor de gehele menshoid voor zieh
opeist. Want bij haar gaat het volgens Rudolph Steiner om de "redding
van de mensheid"; daarom kiest men voor haar "uit plichtsbesef
en met het oog op de opdracht en de roeping Ion aanzien van de
mensheid", Ook is alleen zij het, die de mensen
tot Christus brengt. "Het mysterie van Golgotha kan voor onze
tegenwoordige tijd alleen door middel van anthroposophie
begrepen worden." 35) De Hersteld-Apostolische gemeenschap noemt
zieh het "opnieuw aangevangen verlossingswerk van onze God",
waarbuiten geen verlossingsmogelijkheid is, "God kan de mensen
in hun oude geloofsgemeenschappen niet tot de genade doen
geraken, en ze zijn van het eeuwige leven buitengesloten, want
genade en vergeving worden alleen da ar geschonken, waar Hij de
troon der genade heeft opgericht." 30) jehova's Getuigen beweren
van hun "Theocratische Organisatie", dat zij de enige
geloofsgemeenschap ter wereId is, die aan God gehoorzaam is, en
daarom door Hem erkend, beschermd en gezegend wordt en straks de
nieuwe wereId onder de koningsheerschappij van God regeren zal.
De "Kerk van het Godsrijk" eist dezelfde hoedanigheden en
privileges voor zieh op als jehova's Getuigen. De Adventisten
willen het volk Gods van de eindtijd zijn, dat in alle geboden
aan God gehoorzaam is. De Mormonen beroemen zieh erop, de ware
kerkorde en het priesterschap van de Almachtige met inbegrip van
alle volmachten direct uit de hemel te hebben ontvangen en
daarom na vele eeuwen van verval eindelijk weer de herstelde
kerk "van de heiligen der laatste dagen" te zijn. De
Pinksterbeweging ziet zichzelf als "het laatste grote teken van
genade voor een wereld, die het eindgericht tegemoet gaat". In
haar "is onder alle volkeren een laatste grote ure van genade
aangebroken, voordat de nacht komt, waarin niemand werken kan."
37) De Evangelisch- [ohannetsche Kerk verkondigt, dat haar me
ester Joseph Weissenberg "de ware genius" is, die de innerlijke
spanningen van de wereId op kan lossen en de psychische koorts
in een machtige en vredebrengende nieuwe vroomheid veranderen
kan. "En het werken en heersen van de witte berg zal dan de
wereid vervullen! Want deze berg is geweldig groot, in zijn
afmeting ondoorgrondelijk. Ge kunt, als ge aan de voet van de
berg staat, niet eens tot de top van deze berg omhoog zien." 38)
Soms staat de getalsterkte van een sektegemeenschap in een
schreiende wanverhouding tot haar pretentie van absoluutheid.
B.v. als de "Broederschap: de Koning komt!", een Pinkstergroep,
zieh in een profetie door Christus laat aanzeggen: "Gij zijt de
tweede Eva. En Ik heb u uw verlovingsring reeds lang aan de hand
gedaan.
Blijf niet staan bij de verloving, Ik wil bruiloft met u vieren!"
39) Of wanne er een andere Pinkstergroep, de Holiness Church in
Kentucky met haar achttien gemeenten en vierhonderd zielen,
volgens haar statuten de alleen ware kerk wiI zijn: "Alle andere
gemeenschappen worden noch als de ware kerk noch als loten
daarvan erkend." Of wanneer een eind 1955 in een Zwabische stad
gestichte "Rijk-Israelgemeente", een onbeduidende achteraf-sekte,
zieh door haar "gavendragers" Gods speciale en enige gemeente
van de eindtijd la at noemen: "Ze zal in de hele wereld
doordringen. Ze zal de vlam worden voor de wereld" . "Ik zal
door mijn gerne ente al deze gerichten, die over de aarde Immen
zullen, voorzeggen, en gij zult het van te voren weten." 40)
Overal straalt hier de theologia gloriae sectae. Dat komt in de
wijze, waarop de sekte zichzelf beschouwt, volop tot uiting.
Veelvoorkomende namen, die men zichzelf toekent, zijn b.v.: De
gerne ente der 144.000 - de uitverkoren gerne ente - de
bruidsgemeente - de geredde gerne ente - het volk Gods - de
gemeente Gods - het huisgezin Gods - de ware kerk - de kleine
kudde - de tweede Eva. Deze namen zijn ten dele
Nieuwtestamentisch. Maar men moet ereens op letten, dat ze daar
nooit door enig mens voor een concrete gemeenschap, b.v. door
Paulus voor de gemeente van Corinthie, worden gebruikt. Hier
echter zijn het de sekten en hun predikers, die ze op hun eigen
gemeenschap toepassen.
In scherp oontrast tegenover de kerk met haar symptomen van
nederigheid als een gemeenschap van zondige heiligen staat hier
dc sekte met haar pretentie van uitverkorenheid als de
gemeenschap van zieh breed makende heiligen. En terwijl de kerk
weet heeft van haar dienstknechtgestalte, beroemt de sekte zieh
trots en zelfbewust op haar rijkdom en haar prestaties. Wat
menig tijdschrift van de Pinksterbeweging in ieder nummer
opnieuw publiceert, is een aaneengesloten reeks van luisterrijke
successen door de Sterevangelisten behaald. ledere bijeenkomst
is een massabijeenkomst. ledere massabijeenkomst eindigt met
massabekeringen en massagenezingen. Het is een opeenstapeling
van superlatieven: Steeds reusachtiger en auecesvoller worden de
evangelisatiecampagnes, steeds opzienbarender do genezingen, al
maar groter de verbazing van het publiek, steeds frappanter de
wonderen. Tegenover zulke overwinningen verbleken de wonderen
van Christus. Zijn jongeren hebben Hem ver overtroffen. Hermann
Zaiss becijferde het aantal van degenen, die in een twaalfjarige
werkzaamheid door zijn dienst gene zen zijn, op tien tot twintig
duizend. Tommy Hicks beweert, dat hij gedurende de
evangelisatiecampagne van tweeenzestig dagen in Buenos Aires in
1954 rond zes miljoen mensen onder zijn gehoor heeft gehad,
waarvan er zich drie en een half miljoen tot Christus zouden
hebben bekeerd, Blijkbaar onbegrensd is de wonderkracht van
William Branhams, die in Durban (Zuid-Afrika) in een slag 25.000
mensen door zijn gebed genezen zou hebben.
Dit betrof diverse groepen van de Pinksterbeweging. Maar ook
andere gemeenschappen beroemen zieh op de luister, die ze
bezitten. Jehova's Getuigen b.v. steken de loftrompet over hun
vereniging: "Aan geestelijke spijze heerst geen gebrek. Niemand
hoort van een honger naar voedsel in jehova's organisatie 0,
gelukkig volk van Jehova! Ge woont in de zonneschijn van zijn
gunst. Onder de schutse van zijn liefde zijt ge werkzaam, en ge
verheugt u over zijn rijke zorg! Gij zijt getuigen van Jehova,
die het tegenbeeld van de Israölieten zijt, wie is u gelijk op
de ganse aarde?" 41) De Evangelisch- Johannersche Kerk prijst
zichzelf aldus: "Groot en heilig, ja majesteitelijk werkt de
Meester in onze kerk", Daarom is ze geen .Jcerk, waarin slechts
het woord des Heren verkondigd wordt". Ze is "de kerk van de
Heilige Geest" . Want ze mocht de vleesgeworden Heilige Geest in
haar midden hebben en mocht het beleven, hoe Hij "niet in trotse
praal, maar in de deemoed van het goddelijk hart" zieh naar de
mensen toeboog. "Hij heeft ons een geweldig testament nagelaten,
dat we beslist nog niet kunnen overzien en waarvoor de mensen
eeuwen en wellicht tientallen eeuwen nodig zullen hebben, om
alles in zieh op te nemen." Deze kerk, zo rijk aan geestelijke
macht, is dan ook bedoeld om in de eindtijd "een ark voor alle
zielen, die gered willen worden" te zijn.")
De Hersteld-Apostolischen vormen, zo verklaarde de
stamapostel J. G. Bischoff, onder de Christelijke kerken "de
kerk van Christus", omdat ze "iets bezit", wat de anderen
niet hebben.") Waarin bestaat haar "bezit" dan? Hierin, dat zij
kan bogen op een uitzonderlijke verdienste: Toen Christus kwam,
namen de zijnen Hem niet aan, en toen de Heilige Geest door de
eerste apostelen het verlossingswerk wilde voortzetten,
waardeerden de mensen ook deze gave niet. De
Hersteld-Apostolischen echter vormden de enige uitzondering op
deze eeuwenlang durende houding van de Christenheid - ze "herkenden
de gave en wisten die ook naar waarde te schatten" _ 44) Daarom
zijn ze dan ook Gods uitverkoren gemeente en worden met
voorspoed gezegend. "Men bleef niet meer eenzijdig bij het
verleden staan, maar greep het actuele woord uit de geest van
Jezus aan, en een gezond, krachtig geloofsleven volgde op de
vroegere ziekelijke toestand, waarin wijzelf ons ook nog
bevonden hadden. Het apostelwoord werd brood des levens voor ons
en heeft ons rijp gemaakt voor herschepping en eerste opstanding.
Hoe het er bij die genen uitziet, die slechts op het verleden
teren, kunnen we steeds opnieuw vaststellen. Daarom zijn wij de
Heer dankbaar, die ons uit genade naar Zich toegetrokken heeft."
45)
Hier spreekt de trots van de bezitter - theologia possessionis.
Deze trots treft men aan in alle sektegemeenschappen, of het nu
de Adventisten zijn, die prat gaan op hun gehoorzaamheid aan de
sabbat, dan wel de Perfectionisten, die zieh op hun gemeenten
van bekeerden na ar bijbels model beroemen, of de Mormonen met
hun opuieuw geschonken priesterlijke volmachten, ofwel anderen,
die op hun nieuwe openbaringen, hun diepere inzichten en hun
machtige sacramenten wijzen. Deze trots kernt natuurlijk niet
voort uit een soort verenigingsmanie. Ze kon - en moest - voor
de dag komen, toen de sekte de theologia crucis ingeruild had
voor de theologia possessionis en daarmee de mogelijkheid had
verkregen, ccn onbedreigd platform voor de stichting van de
"ware gemeente van jezus" te creeren. Ze wortelt in de
overtuiging, dat juist haar aparte bezit de nieuwe, ongehoorde
gave van God uitmaakt, die aan de sekte - en uitsluitend aan
haar - geschonken werd en haar hoog boven de kerk verheft.
Daarom is elke critiek op dit bezit dan ook absoluut verboden.
Wie critiek oefent, vergrijpt zieh niet nan de sekte, maar tast
.God zelf aan. Wie in ongunstige zin over do stamapostel spreekt,
la stert de Heilige Geest. Wie aan de genezingswonderen van
Branham twijfelt en die niet op de macht van Cristus, maar op
occulte krachten terugvoert, lasterd evenzo de Heilige Geest.")
Als tegenstanders van jehova's Getuigen de Theocratische
Organisatie aanvallen, is het "alsof ze de zachte pupil van zijn
- jehova's - oog aantasten. Ze zullen daar zwaar voor boeten!"
47)
"Z e trekken zee en land rond"
Het sektarische zendingsbewustzijn ontlaadt zich in een
ongekende werfkracht. Men zou het zelfs een werf-woede kunnen
noemen. - Niet bij alle sekten is dit het geval; er zijn ook
gemeenschappen, die meer terughoudend zijn of die na een periode
van activiteit door een resignatie overmand werden en rustig
geworden zijn. Maar waar deze werf-woede heerst, komen alle
beschikbare energieen samen om zielen te winnen, worden allerlei
wegen uitgedacht en alle moderne technische middelen benut, om
de leer van de sekten te propageren. En dan worden de sekten als
scherpe bajonetten, die doorstoten in het lichaam van de kerk en
het uiteenrukken,
1. Het kleine Zwitserland telt 43 sektegemeenschappen. In
Duitsland zijn het er ongeveer 65 met wellicht 700.000
aanhangers, in de Verenigde Staten 290, waarbij evenwel de
classificeringen voor een deel van de onze afwijken. Er is geen
enkel zendingsgebied van de kerken, dat niet van het binnen
dringen van de sekten te lijden heeft gehad, geen enkel
diasporagebied, dat niet door hen geteisterd is, En er is geen.
enkele conjessie, die menen kan immuun voor haar te zijn.
Compacte kerkgebieden bestaan nauwelijks meer. De godsdienstige
landkaart wordt steeds bonter. Een stad als Ulm herbergt 22
godsdienstige gemeenschappen. Zowel hier als in Stuttgart of in
Berlijn vormen na de beide voornaamste kerken de
Hersteld-Apostolischen wat getalsterkte betreft de derde
gemeenschap. In Baden-Württemberg telden de 8 vrije kerken in
1950 samen 40775 leden, de Hersteld-Apostolischen alleen 59047.
De sekten zijn in dit land van 2570 aanhangers in het jaar 1900
tot 73200 in het jaar 1950, dus tot ongeveer het
achtentwintigvoudige, aangegroeid. De commissie VOOf het
pastoraat van de Katholieke Actie in het aartsbisdom München
kwam tot de conclusie: "De propagandistische werkzaamheid van de
sekten neemt vormen en afmetingen aan, die we onzerzijds niet
meer met incidentele preken kunnen beantwoorden. De afweer
vereist een uiterst grondige en hernieuwde planning." Een
pastoor uit Wenen bericht, dat in zijn parochie met 3200 zielen
tenminste 10 sekten werken. Het Franse episcopaat zag zich
genoodzaakt in een gemeenschappelijke verklaring de Katholieken
op te roepen, een dam op te werpen tegen de opdringende vloed
van het sektewezen, De reeds eeuwen bestaande hechte eenheid van
de Lutherse kerk in Groenland wordt bedreigd sedert in de
laatste jaren Adventisten, [ehova's Getuigen en Pinkstergreepen
met alle mogelijke middelen proberen, daar voet aan wal te
krijgen. De zwarte "profeet" James jenes in de U.S.A. kon in
weinig jaren 6 miljoen gelovigen in de U.S.A., Canada, West-Indis
en Afrika winnen voor zijn "Church of Universal Triumph" en zijn
"goddelijke boodschap" van het aanbreken van het gouden tijdperk
in het jaar 2000. In Alaska keerden 12 Protestantse denominaties
zieh in een gemeenschappelijke verklaring tegen het "toenemen
van het sektarisme, dat onenigheid en tweedracht zaait en het
gemeenteleven in gevaar brengt". Op het eiland Puerto Rico met
zijn 2,2 miljoen overwegend Katholieke bewoners zijn volgens een
reisverslag van de Amerikaanse theoloog Dr Henry P. van Dusen
200.000 Protestanten; maar slechts 50.000 van hen behoren tot de
historische Protestantse kerken,de anderen zijn leden van
buitenkerkelijke gemeenschappen, die in de laatste twintig jaar
verrassend snel gegroeid zijn. In Midden-Amerika stootte Van
Dusen in elk land, elke stad en elk dorp op Adventisten,
Pinkstergreepen en Perfectionisten en trof er menigmaal een heel
dozijn van zulke sektegemeenschappen aan.
2. In de landen met een gekleurde bevolking vinden de sekten in
de onderstromingen van het oude heidendom een welige
voedingsbodem. Op Halti verbreidde .een christelijk vermomd
spiritisme onder de naam "Vodou" zich gelijk een epidemie. De
Katholieke bisschop stelde in 1949 zijn 550.000 diocesanen voor
de keus: Breekt met de bijgelovige Vodou ofwel verlaat de kerk;
slechts 24757 van hun, dus 5 %, bleven in de kerk, de anderen
gaven de voorkeur aan do Vodou; tot 1954 zijn er nog 20.000 naar
de kerk teruggekeerd, In Brazilie werden miljoenen negers en
mulatten door de eveneens spiritistische Makumba-dienst gegrepen.
De Protestanten op de Philippijnen noemden de grote activiteit
van de Pinkstergroepen en fundamentalistische sekten als een van
hun grootste zorgen. In de jonge staat Ghana (de vroegere
Goudkust) voegen zich bij de meer dan 13000 Adventisten, die
daar een eigen seminarie, een drukkerij en 58 scholen hebben
opgericht, en bij de 6200 verkondigers van jehova's Getuigen
specifiek Afrikaanse sekten, zoals de "Witte broederschapsloge"
- "Ontwikkelt uw innerlijke krachten, dan zijt ge goden!" - of
de "Kerk van het leger van jezus Christus", die een eigen
heilige stad met de residentie van haar "profeet" of "opperkoning"
heeft en ervan overtuigd is, dat zij alleen bij het naderend
wereldeinde in het leven zal blijven. In Natal en Transvaal
werken Pinkstergemeenschappen, zoals de ab-Apostoli-sekte, en
christelijk-getinte groepen met geestenaanbidding, zoals de
jdhlozi-cultus, naast de "Christelijke kerk in Zion" van de als
vleesgeworden godheid vereerde neger Lekganyane in Pietersburg.
"De mensen vallen bij haar binnen, zoals vliegen in de melk
vallen." In Zuid-Afrika werden tot eind 1951, vooral bij de
Bantus, 1286 verzocken van sektarische en separatistische
gemeenten om overheidserkenning ingediend! Ze groeperen zieh
veelal om inheemse profeten of extatische dwepers als Bebe.
Sedert tientallen jaren hebben ook de Hersteld-Apostolischen in
Zuid-Afrika talrijke gemeenten met momenteel 60.000 zielen en ze
werken van hier uit ook tot in Rhodesia. In het zuiden van
Dahomey zijn naast de Protestantse zending zeven sektemissies
werkzaam. In Nigeria werken, afgezien van de kerkelijke missies,
bijna 20.000 verkondigers van [ehova's Getuigen en meer dan 500
Pinkstergemeenten met een eigen bijbelschool. In de stad Lagos
in Nigeria behoorden in 1950 van de 230.000 inwoners er 122.000
tot het Christendom, waarvan 19.000 tot de Afrikaanse sekten. In
Ibada, de stad in Nigeria met de grootste inheemse bevolking,
was in 1937 nog maar een sektegemeenschap tegen dertig
sektarische groepen in 1952. Nationalistische dweepzieke en
syncretistische elementen woekeren in deze Afrikaanse sekten
door en verminken de christelijke substantie vaak tot
onherkenbaar wordens toe. Het komt voor, dat een zendingswerk
van tientallen jaren eenvoudig weggevreten en tot in storting
gebracht wordt, omdat hele gemeenteverbanden met hun predikanten
en leraren naar de sekte overlopen. En dat in een werelddeel,dat
tegelijkertijd de stormaanval van de Islam en die van het
communisme heeft te verduren!
3. Het is kenmerkend voor het parasitaire karakter van de sekten,
dat ze zich met hun drang tot "redding van zielen" veel minder
tot de ongelovigen en de heidenen wenden. Slechts enkelen - de
Adventisten en een paar Pinkstergemeensehappen - hebben ook een
heidenzending ontwikkeld, maar het zwaartepunt ligt bij hen in
de werving onder de Christenen. Zo is dus niet het ongeloof of
het buitenchristelijke geloof het eigenlijke mikpunt van hun
propaganda, maar de kerk. Ze staan als te gen standers in de
ruimte en in de ban van de kerk en leven van haar. Ze hebben het
kerkelijk Christendom nodig als "voorvrueht". Want alleen hier
kunnen hun leerstellingen de nodige contrastwerking ontwikkelen,
alleen hier kan haar antithetiek worden verstaan. Hun
propagandistische ijver wordt bovendien nog geprikkeld, doordat
de sekten onbeduidende minderheden zijn. Hun aantal komt niet
overeen met hun zendingsbewustzijn. Daarbij komt, dat zij als
splintergroepen, die door de moederkerken het stempel van
illegitimiteit opgedrukt krijgen, een gevoel van inferioriteit
met zieh meedragen. Zodoende waarderen ze elke toeloop en iedere
aanwas als gewenst waarmerk door God en de wereld, leder succes
wordt uitgelegd als een bewijs van echtheid en als een
getuigenis van de gloria sectae. Het sektarische zendingswerk
onderscheidt zieh aldus in zijn motieven typerend en diepgaand
van de kerkelijke zending. Omdat in dit werkhet
zendingsbewustzijn van de sekte zieh ontlaadt en het tegelijk
zijn eigen bevestiging zoekt in het sueees, heeft het voorrang
op al het andere. Het zuigt het meretuleel van de krachten en
middelen naar zich toe, zodat voor andere diensten, b.v. de
eharitatieve arbeid, nauwelijks meer iets overblijft -
loffelijke uitzonderingen vormen hier de Adventisten, de
Mormonen en enkele Pinkstergemeenschappen. Enige voorbeelden: De
Methodistenkerk in Duitsland telt rond 60.000 leden; ze beschikt
over 1000 diaconessen voor haar liefdewerk. De arme, wijd en
zijd verstrooide Waldenzenkerk in Italie rnct 30.000 leden
onderhoudt een eigen diaeonessenhuis, een ziekonhuis, een tehuis
voor ouden van dagen en enige seholen. De Hersteld-Apostolischen
hebben meer dan 500.000 leden en beschikkon over aanzienlijke
middelen. Maar er is geen Hersteld-Apostollsch diaconessenwerk.
jehova's Getuigen zetten jaarlijks vele miljoenen om; ze hebben
grote propaganda-instituten - drukkerijen, een vormingscentrum
voor semi-beroepspropagandisten -, maar geen enkel ziekenhuis of
tehuis voor ouden van dagen gesticht.
Waar vloeien al hun gelden dan naar toe? Naar de werving. Een
bisschop van de Hersteld-Apostolischen zei in een kerkdienst: "Ge
kunt twee grote zenden doen: 1. een kerkdienst verzuimen; 2.
niet voor ons werven." Evenzo geldt bij Jehova's Getuigen de "velddienst"
als het hoogste gebod en als de vervulling van de wet. "Eerst
het koninkrijk Gods zoeken betekent, dat men te allen tijde in
elk opzicht op de eerste plaats de belangen van het koninkrijk
dient" en b.v. als huisvrouw iedere dag drie of vier um benut,
om anderen van de "zegeningen van het koninkrijk" te vertellen.")
4. Geen wonder dat menige sekte als een meteoor omhoog schoot.
De Hersteld-Apostolische gemeenschap is in 90 jaar tot meer dan
een half miljoen leden aangegroeid, de Adventisten in 110 jaar
tot meer dan 1 miljoen, de Kerk van Jezus Christus van de
Heiligen der Laatste Dagen in 125 jaar tot 1,4 miljoen. jehova's
Getuigen hebben het in 75 jaar tot bijna 600.000 verkondigers
gebracht en rekenen per verkondiger op vijf of zes meelopers. Ze
hebben in de tijd van 1942-1955 hun aantal verkondigers in
Europa vertienvoudigd (van 22796 op 227374), evenzo in Afrika
(van 10070 op 98146), in Noord-Amerika verdrievoudigd (van 75589
op 236124), in ZuidAmerika zelfs tot meer dan het twintigvoudige
doen stijgen (van 8070p 18800), in Midden-Amerika tot ongeveer
het vijftienvoudige (van 1297 op 19615), in Azie tot het
veelvoudige (van 406 op 4541), en in Oceaniö en Australie tot
omstreeks het negenvoudige (van 4275 op 38325). De
Pinksterbeweging is in de vijftig jaren van haar bestaan sedert
1906 tot drie miljoen aanhangers gegroeid; volgens haar eigen,
zeker overdreven opgaven moeten het er vijf of wel tien miljoen
zijn. Terwijl de oudste Pinkstergemeenschappen rustig zijn
geworden - ook in hun zendingswerk -, hebben de nieuw-ontstane
groepen ook een nieuwe energie in de werving ontwikkeld. En
verschillende evangelisten, zoals Harvey McAlister, William
Freeman, T. L. Osborn, Louise NankiveII, Tommy Hieks, hebben
zieh tot rondtrekkende wereldpredikers ontwikkeld, die van stad
tot stad, van land tot land, van massabijeenkomst tot
massabijeenkomst reizen, deels om er als gast een kort en
sensationeel optreden te verzorgen, deels om groots opgezette
evangelisatiecampagnes tot "verovering" van hele landen te
organiseren. Aan de top staat onbetwist William Branham, wiens
actie gedragen wordt door de broederschap "FulI Gospel Business
Men's Fellowship International". Oral Roberts, prediker en
specialist in daemonen -uitdrijving, reist in de U.S.A. met een
eigen 175 ton zware tentuitrusting op 7 grote vrachtwagens met
aanhangers van kust tot kust, Hij verkondigt zijn boodschap via
meer dan 750 radio- en televisiestations; hij brengt daarvoor
wekelijks f 120.000 bij elkaar en bereikt vele miljoenen mensen.
T. 1. Osborn liet in 1956 een film van zijn "kruistocht" in
Indonesie draaien, "De java-oogst", die aantoonde, hoe "een
enorme zee van mensen", die tevoren het Christendom vijandig
gezind waren, nu bij het zien van de wonderdaden van de
evangelist op de knieen viel. Hij "schokte" het Boeddhisme in
Kyoto met zijn genezingen, won vele duizenden met zijn
evangelisatiecampagnes in jamaica, Puorto Rico, Guatemala, San
Salvador en stichtte een zendingsorganisatie met meer dan 550
inheemse zendelingen in ongeveer 70 landen. Aan de
evangelisatiecampagnes, die Hermann Zaiss in 1956 hield, zouden
700.000 tot 1 miljoen mensen hebben deelgenomen. Zijn "Ecclesia-gemeente
van Christenen" groeide van 28 locale gemeenten in 1951 aan tot
168 in het jaar 1956. De Amerikaanse Pinkstergemeenschap "Apostolisch
geloof (Portland) omvat slechts 17 gemeenten met 2200 zielen, is
dus niet groter dan een dorpsgemeente ergens in Europa. Maar
haar gelijknamig tijdschrift verschijnt in 12 talen en heeft
alleen al in de Engelse uitgave een oplage van 90.000. Bovendien
verspreidt ze tractaten in 55 talen - allemaal kosteloos, In
Italie hebben de Pinkstergroepen wat getalsterkte betreft de
Protestant se kerkgemeenschappen overvleugeld.
Terwijl de teestand tussen de Katholieke kerk en de kerken der
reformatie in zoverre station air geworden is, dat hun over en
weer gcen doorbraken meer gelukken, voeren Protestantse sekten
als de Pinkstergroepen, jehova's Getuigen en de Adventisten, een
stormichtige en ook succesvolle aanval uit op van oudsher
Katholieke gebioden, vooral in Zuid-Amerika. De Adventisten b.v.
mahn daar snolle vorderingen, terwijl de groei in Midden-Europa
en Scandinaviü stagneert. In Chili heeft de Pinksterbeweging in
korte tijd :2OO.OOO zielen gewonnen, in Brazilie 200.000.
Pinkstergemeenchappen hebben bijbelscholen opgericht zowel in
Egypte en ZuidAmerika, als Peru, India en Japan.
5. Verbazingwekkend is het aanbod van zendingskrachten. Een
enkele Pinkstergemeente, de "Smyrna" -gemeente in Gothenburg,
heeft bij een getal van 3400 leden 51 zendelingen in het
buitenland in dienst. De Pinkstergemeensehap "Church of God"
(Cleveland) met 230.000 Ieden onderhoudt 1525 predikers in 1592
zendingsgemeenten; de "Assemblies of God" leiden in 9
bijbelscholen gelijktijdig 2500 predikers en evangelisten op en
verzorgen 66 zendingsvelden met 719 zendelingen. Voor de
Mormonen zijn 4700 zendelingen in 44 missiegebieden werkzaam, en
sedert 1830 hebben zij in totaal plm. 70.000 zendelingen
uitgezonden. De Adventisten brengen jaarlijks 90 miljoen gulden
voor zendingsdoeleinden bijeen.
Ter vergelijking geven we hier enige getaIlen uit het
zendingswerk van de kerken. In 662 Katholieke missiegebieden,
die afhankelijk zijn van de Propaganda Fide, werken 32.000
buitenlandse en inheemse missiepriesters (waarvan 784 uit
Duitsland en meer dan 13.000 uit he el Europa), 10.000
missiebroeders en 60.000 missiezusters. Daar komt bij een leger
van catecheten en leraren. De missie onderhoudt 40.000 lagere-,
4.000 middelbare- en 200 hoge-scholen, 3200 klinieken, 1200
hospitalen en ongeveer 2200 inrichtingen voor melaatsen, ouden
van dagen en wezen. De Lutherse kerken, die in totaal ongeveer
70 miljoen leden teIlen, hebben 3379 zendingswerkers uitgezonden.
Daarvan komen er 1478 uit de Verenigde Staten, 518 uit Noorwegen,
482 uit Duitsland, 374 uit Zweden. De Lutherse kerken brengen
jaarlijks 14 ä 15 miljoen dollar vom zendingsdoeleinden bijeen.
In de zendingsgebieden en jonge kerken van Aziö en Afrika teIt
men een kleine 2,6 miljoen gedoopten. In hun dienst staan 1590
inheemse predikanten en 9974 hulpkrachten. In 5574 scholen
worden 481.500 leerlingen onderwezen door 13.507 leraren. In de
Verenigde Staten geeft in doorsnee iedere Protestantse Christen
jaarlijks twee dollar voor de zending. Bij de Duits-Evangelische
Christenheid is dat slechts een fractie van dit bedrag.
Reusachtig is soms de apparatuur, welke de sekten in dienst van
de werving hebben gesteld. Kleine af'gelegen groepjes schrapen
al hun geld bij elkaar, om zendtijd bij de radiostations te
kopen en via de .Jutdeprekers-In-het-groot" hun leerstellingen
wijd en zijd uit te bazuinen. Zo heeft b.v. de "Bijbelstudie-vereniging
De Dageraad",
een niet bepaald belangrijke afsplitsing van jehova's Getuigen,
die sedert 1950 ook in Duitsland vertegenwoordigd is, zendtijd
gehuurd bij meer dan 300 radiostations in Noord-Amerika, Europa,
Afrika en India. Andere groepen hebben eigen zenders gebouwd,
b.v. de Pinksterbeweging in Tanger. De Christian-Scientisten
verbreiden hun leerstellingen over 621 radiostations. De
Adventisten roepen hun "stern der hoop" over 1145 radiostations
en televisiezenders uit in de wereld; de geinteresseerde
hoorders binden ze met hun "Bijbelcorrespondentieschool" om hen
in een schriftelijke radiocursus volledig voor hun gemeenschap
te winnen.
In talloze talen komt een stroom van boeken, tractaten en
vlugschriften van de pers. De Adventisten beheren 63
uitgeverijen, drukken gesehriften in 198 talen en geven daar
jaarlijks 15 miljoen dollar voor uit. Ze stellen zich er niet
mee tevreden hun geschriften via de boekhandel te verkopen, maar
brengen ze door speeiaal daartoe opgeleide boek-evangelisten in
de huizen. Ze hebben in hun 110- jarige geschiedenis ter waarde
van ongeveer 1 miljard gulden aan literatuur verspreid. [ehova's
Getuigen hebben in de jaren 1920- 1956 de wereld met ongeveer
1,2 miljard boeken en brochures overgoten. Alleen in West-Duitsland
verkochten in 1956 hun 47.375 verkondigers en 765 pioniers
1.294.434 geschriften en organiseerden ze 33.533 openbare
bijeenkomsten. Hun wereldpropaganda strekte zieh uit over 162
landen. In hun dienst staan 78 bijkantoren, 8 drukkerijen en
ongeveer 2000 speciaal opgeleide voItijdse zendelingen voor het
buitenland, waarbij zich dan nog 591.556 "verkondigers" voegen,
die deze functie als nevenberoep uitoefenen.
Zeer intensief is het kleinere werk van vele sekten, bestaande
in de werving van de enkeling, huisbezoeken, bijbelstudie thuis
e.d. Op dit kleinere werk van mens tot mens concentreren zich de
Hersteld-Apostolischen met een enorme vasthoudendheid. Jehova's
Getuigen plegen colonnegewijs binnen te vaIIen in dorpen en
kleine steden, om deze systematisch huis aan huis te bezoeken,
en koppelen ieder streekcongres aan een intensieve wervingsactie.
De leden van de Adventistische gemeenten worden ertoe aangezet,
zendingsbrieven te schrijven, zendingsbezoeken af te leggen en
mensen uit te nodigen en af te halen voor kerkdiensten. De
wellicht 43000 Adventisten, die zich in Duitsland
bevinden, hadden zieh b.v. voor twee zondagen in de maand juni
van het jaar 1952 voorgenomen 450.000 families te bezoeken ..
Men heeft het er voor over, dat de werving veel tijd en geld
kost.
De Mormonen hebben uitgerekend, dat een enkele "bekering" in
Duitsland een uitgave van ruim f 1500. - vergt. Dat is nog "goedkoop",
want in heel Europa kost iedere "bekering" gemiddeld meer dan
het dubbele! De kerkelijke gemeenten bespeuren tot in de meest
afgelegen dorpen toe de invloed van de enorme aetiviteit van de
sekten. Dikwijls gaat er geen zondag voorbij, zonder dat de
propagandisten van deze of gene sekte hun vlugsehriften uitdelen
of aan de huisdeuren aanbellen en de bewoners op bijeenkomsten
uitnodigen. Is het hun eenmaal gelukt, een kleine kring van
aanhangers te vormen, dan verandert deze al heel spoedig in een
nieuw zendingscentrum. En naast de kerken verrijzen de kapellen
en vergaderruimten van de sekte. Het liehaam van de gemeente
wordt uit elkaar gerukt. De tweespalt dringt het gezin binnen.
De wirwar van stemmen groeit. De enkele Christen wordt radeloos
en hulpeloos: Waar is de waarheid?
Maar dat zijn dan alleen nog de grotere sekten. Daarnaast staat
een grote schare van kleine gemeenschappen, die regionaal
begrensd zijn, maar daartegenover binnen de loeale ruimte een
des te levendiger aetiviteit ontplooien. Een overzieht daarover
is niet te geven. Ze zijn in ieder land weer verschillend. Vaak
zijn het groepjes rondom enkele sektariers, die op eigen houtje
evangeliseren, beweren een bijzondere "boodsehap" ontdekt te
hebben of door hun wijze van optreden indruk maken. Of het zijn
kringen van dwepers en zonderlinge heiligen, van esoteriers,
magiers en gezondbidders. Of men geeft een mengsel van
ehristelijke en andere elementen - spiritisme, nieuwe
openbaringen, oud heidendom - uit als heilsleer. Het is een ware
wildernis van de meest verseheidene en vaak meest buitenisslge
geloofsartikelen.
Een globale statistiek over het totaal aantal aanhangers van
alle sekten is niet voorhanden, is ook onmogelijk samen te
stellen, omdat de afzonderlijke sekten zeer versehillend teIlen
en dikwijls hun aanhangers-aantallentotaal verzwijgen. Ook is er
een onoverziehtelijk leger van lieden, die alleen maar bijlopers
zijn, zonder zieh los te maken van de kerk. Voigens mijn
sehatting, die uiteraard met veel onzekere factoren belast is,
moet men rekenen op een aantal van 20 miljoen sekt ariers ter
wereId. Dat is, gemeten aan de 800 miljoen Christenen, niet veeI.
Maar het be eId wijzigt zieh, zodra men bedenkt, dat een groot
deel van de Ieden van de kerken uit onverschilligen bestaat en
dat deze 20 miljoen tot de meest actieven behoren. Ze hebben een
enorm wervingspotentieel. En waar ze dit potentieel overwegend
in dienst van hun inwendige "zendings" -arbeid stellen, wordt
duidelijk, in welke mate de kerk in de geheIe wereId door de
sekten bedreigd wordt.
Kiemen des doods
ledere sekte bejubelt zichzelf en verleent aan haar leer en
gemeenschap, de een minder, de an der meer, een nimbus van
absoluutheid. Deze zelfverheffing gaat in tegen de Schrift.
Daarom valt ze onder de critiek van het gericht Gods, dat zieh
op een drievoudige wijze voltrekt:
1. De sekten hebben zichzelf tot een streng isolement
veroordeeld.
Ze moeten zieh de broederlijke uitwisseling met andere
christelijke gemeenschappen en de vruchtbaarheid van een
dergelijke uitwisseling ontzeggen. Ze blijven, ook al binden ze
een gevolg van miljoenen aan zieh, afzijdige gemeenschappen. Ze
kunnen niet geven en ze kunnen niet nemen, ze kunnen niets meer
leren en niet over de enge omheining, die ze zelf hebben
aangebracht, heenkijken.
Hun zelf cultivering maakt hen echter niet alleen ongeschikt
voor een oecumenische houding, maar sluit hen ook af van de
wereid rondom. Het lukt hun zelfs niet een vruchtbare relatie
tot het tijdsgobeuren te vinden, om uit zijn ontwikkelingen en
catastrophen Gods roepstem tot boete te vernemen en achter de
gebeurtenissen in de volkerenwereld de verschrikkelijke en
wonderlijke leiding Gods te hcrkennen. De enige manier, waarop
ze op het tijdsgebeuren kunncn reageren, is de apocalyptische;
daarop zullen we later nog moeIon terugkomen en dan zal blijken,
dat ook hier geen echte dialoog tuasen de sekte en de Heer der
geschiedenis tot stand komt, maar eint de sekte blijft steken in
de zelfcultivering. In Duitsland was het ontstellend om op te
merken, hoe onberoerd de catastrophen van 1933-1945 de meeste
sekten gelaten hebben. Ze zijn in 1945 precies üp hetzelfde punt
verder gegaan, waar ze in 1933, of toen ze in het Derde Rijk
verboden werden, gebleven waren - alsof er in de tussentijd
niets gebeurd was.
De sekte heeft zichzelf echter niet alleen buiten het
tijdsgebeuren geplaatst, maar ook buiten de geheie geschiedenis
van de Christenheid. Het is haar onmogelijk zichzelf organisch
en deemoedig in te schakelen in de keten van de grote gerichts-
en heilsdaden Gods, die Hij sedert Christus in en door de kerk
verrieht heeft. Ze moet zieh ook hier buiten houden. Zodoende is
ze afgesneden van heel die rijkdom aan getuigenissen en
ervaringen, die in deze twintig eeuwen vergaard zijn. Volgens de
sektarische visie is heel de lange geschiedenis tussen Christus
en het aanvangsjaar van de eigen sekte een lege mimte of een
keten van dwalingen of alleen maar een soort voorspel, in ieder
geval dus iets van geringe waarde of zelfs iets negatiefs, waar
men niet op hoeft te letten en waarvan men niets behoeft te
leren. Voor haar duikt de waarheid Cods, na een kortstondig
üplichten ten tijde van Christus, eerst weer op in het
geboorteuur van de eigen sekte. Dat was voor de Mormonen het
jaar 1829, toen joseph Smith en Oliver Cowdery de volmachten van
het priesterschap van Aäron en Melchizedek uit de hemel
ontvingen. Dat was voor de Hersteld-Apostolischen het jaar 1832
en vooral 1860, toen de Heilige Geest eindelijk weer na 1800
jaren van donkerheid nieuwe apostelen aanstelde. Dat was voor de
aanhangers van Swedenborg het jaar 1757, toen de vier tijdperken
van de vervallen kerk ten einde liepen en met het jüngste
gericht in de hemel de nieuwe kerk in het vijfde en laatste
tijdperk der aarde aanving. Dat was voor de Adventisten het jaar
1905, toen na vele eeuwen van dorheid eindelijk de Heilige Geest
weer begon te werken. Dat was voor Jehova's Getuigen het jaar
1874, toen Russell het "Plan Gods met de mensheid" publiceerde
en de eindtijd inleidde. Dat was voor de "Kerk van het Godsrijk"
het jaar 1918, toen de "zendbode" A. Freytag de opdracht voor de
eindtijd accepteerde om het werk des oogstes te volvoeren. Dat
was voor de aanhangers van Lorber het jaar 1840, toen met de aan
Lorber ten deel gevallen nieuwe openbaringen de reiniging van de
aarde begon, om haar in vier louteringsvuren toe te bereiden
voor het duizendjarig rijk.
En wat was er v66r al deze data? Daar gaapte het
grote donkere gat; het was de tijd der duisternis. Waartoe die
dan diende? Voor de Christengemeenschap is dit de tijd van een
lager ontwikkelingsstadium, voor de Mormonen, Adventisten,
Swedenborgianen en Hersteld-Apostolischen de tijd van de leegte
en van de verdorvenheid, voor Jehova's Getuigen en de Kerk van
het Godsrijk de wonderlijk verkwistende omweg van God, om uit de
miljoenen Christenen van deze eeuwen een deel van de 144.000
uitverkorenen samen te brengen. Waar was Christus, de opgestane,
eigenlijk in deze eeuwen? Zat Hij werkeloos ter rechterhand des
Vaders? Of had Hij Zich te slapen gelegd? Dat weet men niet te
verteIlen. En waar was de Heilige Geest? Heeft Hij misschien om
Zich te ontspannen een pauze ingevoegd en de Christenen en de
kerken maar in het moeras laten zitten, om eerst in het
geboorte-uur van de sekten weer wakker te worden? En waarom
heeft God Zich zo van de kerk teruggetrokken en de Christenen
van geslacht op geslacht aan hun dwalingen en hun ellende
prijsgegeven? 49) Ook daar kunnen de sekten geen antwoord op
geven. Maar dat raakt hen ook niet. Zij pochen op hun eigen
bijzonderheid. En iedere sekte laat de heilsgeschiedenis Gods na
een lange onderbreking met haar eigen ontstaan weer opnieuw
beginnen. Daarmee voltooien ze hun isolernent, en dit isolement
bevat de kiem van de dood. Want het draagt een geestelijke
hoogmoed in zieh mee en leidt tot geestelijke steriliteit.
2. De meeste sekten beroemen zich er op, in tegenstelling tot de
kerk de gemeenschap van de reine heiligen te zijn. Inderdaad
treffen we bij hen een ijverig en bewonderenswaardig streven aan,
om deze reinheid te bewaren en de leden tot een ernstige,
geheiligde levenswandel aan te sporen. Maar ook mensen, die de
sabbat houden, bekeerde, met de geest gedoopte, wedergedoopte,
verzegelde mensen blijven mensen. Ook in hen leven de machten
van het vlees en van de zonde voort. Die zijn niet afgestorven;
ze zijn alleen maar in een hoek gejaagd, Ze durven zich niet
meer te vertonen, maar ze wroeten op een giftige manier verder,
juist omdat ze, om de nimbus van de reine gemeenschap niet te
beschadigen, in een schuilhoek gedreven zijn. Ze vermommen zieh
achter vrome maskers. Daarbij komt, dat de theologia
possessionis in de afzonderlijke sektepredikers gemakkelijk een
geest van stijfhoofdigheid en van betweterij kweekt, die zieh
niet alleen naar buiten richt, maar ook in de eigen rijen grote
schade aanricht.")
De oordelende en verootmoedigende macht van het kruis ontbreekt,
die macht, die allen gelijkelijk in het vuur van het gericht tot
boete roept en anderzijds in de vergeving altijd weer een nieuw
begin mogelijk maakt.
Daardoor kan het gebeuren, dat de sekten door interne conflicten
geteisterd worden, die met een vaak afschuwelijke
onverbiddelijkheid worden uitgevochten. Machtsstrijd en
rivaliteit, strijd om de letter van de leer, om de opvolging, om
de inkomsten. Naar buiten wordt dit alles zorgvuldig afgeschermd.
Maar des te hartstochtelijker woedt zo'n strijd in het inwendige
van de sekte. Van broederlijke verzoening is dan geen sprake,
Men vervloekt elkaar, la stert en verdoemt. Hier zij slechts
herinnerd aan de hevige conflicten bij de Hersteld-Apostolischen
sedert 1951, of aan de manier, waarop de Adventisten
vijfentwintig jaar geleden met hun voormalige leider L. R.
Conradi handelden, of aan de bittere vijandschap, die er tussen
[ehova's Getuigen en de van hen afgescheiden leden bestaat of
aan de wilde naijver, waarmee zoveel predikers uit de
Pinksterbeweging ervoor waken, dat de concurrentie niet door nog
indrukwekkender preken en nog grotere wonderdaden hun schapen
afkaapt. Vrijwel iedere sekte heeft haar chronique scandaleuse.
Natuurlijk heeft de kerk die ook. In dit opzicht is ze geen haar
beter dan de sekten. Maar zij kan het openlijk toegeven. Ze kan
zieh door het Woord Gods doen terechtwijzen. Zij kan schuld
erkennen en boete doen. Maar de sekte mag zoiets nooit laten
blijken. Die moet altijd gelijk hebben. Ze is gedwongen een
eigengerechtige en verstokte houding aan te nemen. Haar
theologia gloriae sectae dwingt haar daartoe.
Hierin ligt dan ook een van de hoofdmotieven, waarom het in de
geschiedenis van de sekten wemelt van splitsingen. Ze verteren
eenvoudig elkaar. Onder de huidige sekten vindt men er maar een
heel enkele, die geen splitsing gekend heeft. Een kleine
statistiek ten bewijze: de Mormonen hebben vijf splitsingen
beleefd, de Adventisten minstens een dozijn, de
Hersteld-Apostolischen negen, de jehova's Getuigen ongeveer
twintig, de Christengemeenschap een en de Kerk van het Godsrijk
ook een. De geschiedenis van de Pink- sterbeweging is een lange
keten van splitsingen, nieuwe aaneensluitingen in
werkgemeenschappen en nieuwe scheuringen.
3. In het begin werd erop gewezen, dat een godsdienstige
gemeenschap tot een sektebestaan gedoemd is, als ze in haar
antithetiek niet een kern heeft, die zo sterk en vruchtbaar is,
dat ze een krachtig centrum voor een eigen, positief leven kan
vormen. De sekten geven weliswaar hoog op van wat ze in de
theologia possessionis bezitten, dat neemt echter niet weg, dat
dit toch te arm is om het leven in al zijn volheid te omvatten,
te doordringen en te beheersen. Het geestelijk tegoed van de
sekten is zeer beperkt of eenzijdig van horizon, waarom dan ook
grote gebieden van het zijn met zijn problematiek buiten
beschouwing moeten blijven. Zodoende leven de sekten ook
geestelijk in een uithoek. Er zijn sekten, die een ware
schrijfwoede aan de dag leggen en die zeer woordenrijk in, hun
publicaties zijn. Met de uitgaven van jehova's Getuigen b.v.
laten zieh hele boekenkasten vullen. Maar de geestelijke,
armoede van hun producten is ontstellend. Aan degene, die zieh
de moeite geeft, hun literatuur door te werken, dringt zieh
steeds weer opnieuw de indruk van een grote monotonie op.
Uitzonderingen hierop vormen de Christengemeenschap, tot op
zekere hoogte ook de gemeenschappen van de Adventisten, van de
Graalbeweging, van de aanhangers van Swedenborg en Lorber en de
ChristianScientisten. Maar wat de anderen betreft, kan men
alleen maar constateren, dat ze niet in staat zijn om door de
enge grenzen, welke hun leer hen stelt, heen te breken, Vraagt
men hun om nu eens vanuit hun geloofsovertuiging een
verhelderend antwoord te geven op vragen b.v. aangaande de
politiek, de sociale verhoudingen, de technische ontwikkeling of
het wetenschappelijk onderzoek, dan volgt 6f een volledig in
gebreke blijven öf een wegvluchten in de apocalyptiek 6f een
negatief antwoord, dat uit verlegenheid of onge'interesseerdheid
geboren is. Ze künnen zieh eenvoudig niet op het terrein van het
volle leven begeven. Deden ze dat wel, dan zouden zc hun
orientatiepunt verliezen, omdat hun leer hen buiten hun eigen
wereldje niets meer weet te zeggen.
Het gevolg van deze bekrompenheid en onvruchtbaarheid is, dat
rlc meeste sekten, zuiver sociologisch bezien, in hoofdzaak tot
de "kleine luiden" beperkt blijven. In meer ontwikkelde kringen
vinden ze nauwelijks ingang en geestelijk zelfstandige en
veeleisende naturen gevoelen zieh in hun midden niet thuis.
Dat alles bij elkaar genomen is de reden, waarom de Ievensduur
van de sekten beperkt is. Ze dragen de kiem van de dood in zieh.
De oudste onder de thans bestaande sekten is 125 jaar oud - die
van de Mormonen. Enkele andere zien terug op een Ievensduur van
50 - 110 jaar. De meeste zijn jonger dan 50 jaar. Maar wat zijn
50 ofwel 125 jaar in de gesehiedenis van een godsdienstige
gemeenschap? En hoeveel sekten zijn in de laatste 125 jaar
ontstaan en weer weggekwijnd, terwijl nauwelijks iemand meer de
grafsteen kent, waarop hun naam staat! In het feit, dat aan de
meeste sekten sleehts zo'n kort Ieven besehoren is, spreekt het
gericht Gods een harde taal.
Hoofdstuk 6
DE APOCALYPTISCHE APOTHEOSE VAN DE SEKTE
1. Een gebied, waaraan de sekte bijzondere
aandacht schenkt, is de eschatologie. Er zijn verschillende
redenen, waarom dat een geliefkoosd onderwerp van het
sektarische geloofsleven is geworden. Een van die redenen is,
dat dit terrein door de kerk verwaarloosd en een stiefkind van
haar verkondiging geworden is. Een andere reden is te vinden in
het hedendaagse levensgevoel, dat met onze onveilige
wereldsituatie geen weg meer weet, en in de angst voor blijkbaar
onontkoombare catastrophen van ongekende dimensies. 'n Derde
reden, waarop vaak nauwelijks geIet wordt, maar die wel eens de
belangrijkste zou kunnen zijn, ligt in het wezen van de sekte
zelf: in haar theologia gloriae sectae. In deze theologie Iigt
nl, de overtuiging opgesloten, dat de sekte niet slechts
ontstaan is, om een of andere leemte in de waarheid op te vullen,
maar dat haar een bijzondere, exclusieve waarde toekomt. Ze
steekt boven de veelheid van andere geloofsgemeenschappen uit
met de rang van absoluutheid. Deze absoluutheid komt tot
uitdrukking in de stelling, dat de sekte de beslissende rol in
Gods heilsgeschiedenis speelt. Haar geboorte markeert het enige
en laatste hoogtepunt van deze heilsgesehiedenis, dat trouwens
na de verschijning van Christus nog mogelijk is, nl. het begin
van de eindtijd. De sekte leidt de sIotfase van de huidige
wereldgeschiedenis in en heeft zelf in deze eindgeschiedenis de
beslissende roI te speIen.
Zo wordt de apocalyptiek het terrein, waar de verheerlijking van
de sekte zieh voltooit. Ze is bode en wegbereidster van de
nabije parousio, ze is Gods partner in het drama van de eindtijd,
ze is de hoeksteen, waarop het in de eindtijd zaI aankomen, ze
is de ark des behouds voor de geredden, ze is de voltrekker of
althans het instrument van Gods gerichten over de ongelovigen en
tenslotte zal ze voor de ogen van de ganse wereid triomferen als
door God bevestigd en met haar leden geroepen tot koningen en
burgers in het komende Godsrijk.
Ellen G. White plaatst de Adventsgemeenschap in het middelpunt
van het eindgebeuren: bij het sabbatsgebod zullen de geesten van
de geheIe wereld zieh in twee groepen scheiden; dat zal ze
verdelen in volgelingen van de antiehrist en de gemeente der
gehoorzamen, der verzegelden. Deze gerne ente zal door de
antichristelijke machten vervolgd, maar door God wonderbaarlijk
beschermd worden. En dan, na Christus' wederkomst, zullen zij,
die aan de drievoudige engelboodschap geloof gehecht hebben,
verhoogd en in Gods vredesverbond opgenomen worden; hun
tegenstanders echter zullen moeten toezien hoe God zijn
getrouwen eert, en vlak daarop zullen ze in de zevende plaag
omkomen.
De Hersteld-Apostolische Gemeente, die geloof heeft geschonken
aan de boodschap van haar stamapostel, dat nog tijdens zijn
leven Christus zal wederkomen, zal door J. G. Bisehoff als "bruidsleider"
de hemelse bruidegom tegemoet worden gevoerd, terwijl de
twijfelaars en de afvalligen de eeuwige pijn te wachten staat.
Als echter volgens Daniel 12 het "volk Gods" gered is, zullen
miljoenen bij het geldank van de laatste bazuin ontzet klagen: "Waarlijk,
deze J. G. Bisehoff was toch de grootste dienaar Gods van onze
tijd, en wij hebben zijn woord niet geloofd!" Maar berouw en
inzicht openen ook in dit geval niet meer de deur na ar de
bruiloftszaal en laten geen mogelijkheid meer voor redding.")
Evenzo jehova's Getuigen: Als de vernietigende slag van
Harmagedon nadert, zal Zach. 8, 20-23 in vervulling gaan, en
tien mannen uit de heidenvolken (d.i. de naties) zullen de slip
van de mantel van een getuige van Jehova vastgrijpen. Maar "Jehova
zal al onze vijanden op de vlucht jagen" .52)
Evenzo de Graalbeweging: Abd-ru-shin is de rechter uit de
eindtijd. Als de bange tijd van de grote benauwenis over de
mensheid komt, "zullen alle handen zich naar hem uitstrekken,
jammerend en smekend". Hij echter zal slechts diegenen aannemen,
die de Graalboodschap vreugdevol prezen als hun verlossing.")
Evenzo de Evangelisch- johannetsche Kerk: De Christenen, die
buiten staan, zijn als de duisternis, die het licht niet heeft
begrepen. Dit licht is de meester Joseph Weissenberg, die "nieuwgeboren
Christus, die in hetlicht van deze tijd de heerlijkheid van
Christus moet openbaren" . Maar nu komt het in de Schrift
aangekondigde strafgericht over de aarde. Het spaart degenen,
die in Weissenberg geloven. Maar zij, die zieh verhard hebben,
zullen moeten ondergaan, "om ontvankelijk te worden voor de
blijde boodschap, die met onze meester in onze tijd is
binnengebracht" .54)
2. Overal is hier de theologia gloriae sectae aan het werk. Wat
er plaats vindt, is wat men zou kunnen noemen een
versektarisering van de bijbelse eschatologie. Het eindgebeuren
is de laatste doorgang naar de definitieve verheerlijking van de
sekte en haar machtsovername over de wereld, jehova's Getuigen
hebben hun Theocratische Organisatie reeds omgedoopt in "Genootschap
van de Nieuwe Wereld", om daarmee uit te drukken, dat dit
genootschap ertoe bestemd is, corporatief de heerschappij in het
duizendjarig rijk over te nemen. De Kerk van het Godsrijk ga at
nog een stap verder: ze meent niet alleen, dat ze geroepen is om
in het kom ende rijk voor opbouw en ordening te zorgen en voor
de opvoeding van de meer dan twintig miljard mensen, die uit de
doden opgewekt worden, maar ze bouwt nu reeds op haar "proefstations"
modellen van de toekomstige wereld en bespoedigt door haar
werkzaamheid de komst van het Godsrijk.
Het is altijd hetzelfde beeld: Waar een sekte een apocalyptiek
ontwikkeld heeft, plaatst ze zichzelf in het middelpunt daarvan.
Kenmerkend is b.v. het volgende: waar men een kerkhistorische
verklaring van de zeven zendbrieven van Openb. 2 en 3 tracht te
gevcn, wordt altijd de gemeente van Philadelphia, waarop niets
valt aan te merken en die uitblinkt door Iouter beloften, op de
eigen sckte betrokken, terwijl de toepassing van andere
zendbrieven, rospectievelijk gemeenten, op kerken of
kerkhistorische tijdperkcn dan telkens z6 geconstrueerd wordt
dat alles past in hot perspectief van de sekte. De
sektegemeenschap wordt met de vijf wijze maagden geidentificeerd.
Afzonderlijke figuren, voorzover ze, zoals b.v. de twee getuigen
of de engel met het evangelie of de vrouw met de zon bekleed,
een positieve rol spelen in het bijbelse einddrama, worden
opgeeist voor de eigen sekte. Omgekeerd worden de negatieve
figuren geidentificeerd met de kerk. Uit haar midden komt de
antiehrist voort.
De sekte beschouwt zich als het rechtlijnige verlengstuk en
de afsluiting van de bijbelse openbaring. Zo is b.v. bij de
Hersteld-Apostolischen Abraham de eerste en de stamapostel
Bisehoff de laatste in de keten van patriarchen en profeten. Hij
noemde zich "de poort naar middernacht": "Ik ben de laatste; na
mij komt niemand meer." 55) En aan de zgn. "openbaring", dat
Christus tijdens zijn leven zou wederkomen, kende hij dezelfde
betekenis toe als aan de beslissende hoogtepunten van de
heilsgeschiedenis: "In de tijd, die achter ons ligt, heeft de
Heer aan de mensen vier grote beloften gegeven. De eerste was de
belofte aan het gevallen ouderpaar, dat Hij een verlosser zou
zenden; de tweede was de verkondiging van de gebeorte van deze
verlosser; de derde de boodschap van zijn opstanding. De vierde
boodschap, die speciaal voor ons is gegeven, bestond daarin, dat
ik op Kerstmis 1951 bekend maakte, dat de Zoon Gods me had laten
weten, dat Hij bij mijn leven zou wederkomen, om de bruid thuis
te halen." 56)
Evenzo is joseph Weissenberg na Mozes en Christus de laatste
profeet, die .Jiet derde testament" bracht en door wie het
nieuwe Jeruzalem op aarde neerdaalde. In hem is de belofte van
Mal. 4, 5v. in vervulling gegaan en het grote gericht is zowel
in de wereid der mensen als in die der geesten ingeleid.
Een soortgelijke rol laat de gemeenschap "Kudde en Herder" haar
leider Friedrich August Hain speIen. De zes scheppingsdagen zijn
zes tijdvakken van elk tweeduizend jaren, In ieder tijdvak
bezocht God de wereid, door Zich in een Hem waardig mens te
incarneren. Dit gebeurde in Adam, Melchizedek, Elia, David,
Christus en tenslotte in Hain. Hij is de zesde incarnatie. Nu
volgt de zevende periode: De dag van de rust Gods, en alle
mensen zullen een herder en een kudde zijn.
jehova's Getuigen laten de gehele wereldgeschiedenis en het
heilsplan Gods direct op hun organisatie uitlopen: Eerst sedert
1914 is er een "hoofdorganisatie boven het gehele levende
universum met Christus als het hoofd", en het aardse gedeelte
van deze hoofdorganisatie is het "Genootschap der Nieuwe Wereld"
. Alleen dit gezelschap bezit de "goede boodschap" van het
koninkrijk, dat in 1914 in de hemel werd opgericht. De
tegenstanders van [ehova's Getuigen tonen nu door hun afwijzing
mensen te zijn, die tegen het koninkrijk zijn en bij de
organisatie van de satan behoren. "Die echter de leer der
Getuigen aannemen, blijken "mensen van goeden wille" te zijn, en
het theocratische koninkrijk zal hen "door de vernietigende
benauwenis van Harmageddon heen red den en de nieuwe wereld doen
binnengaan" .57)
De Pinkstergemeenten noemen de sedert 1905 in groeiende mate
voorkomende en systematisch beoefende uitingen van extatische
vroomheid "spade regen" en willen daarin de vervulling zien van
de eschatologische belofte van Joel 3, 1-5.
Ontelbare gemeenschappen uit de Pinksterbeweging en van de
Perfectionisten maken zieh als de "bruidsgemeente" gereed voor
de ontrukking aan het verderf, die slechts hun als de
bevoorrechte gelovigen ten deel zal vallen. Röckle heeft de drie
groepen, waarin hij de Christenheid heeft opgedeeld, telkens
haar eigen apocalyptisch lot toegemeten, en slechts de
aanhangers van de "Allerheiligste" zullen uit de grote nood
gered worden.
De bijbelse eindprofetie wordt omgezet in een apocalyptische
apotheose van de sekte. Hier ontvangt ze definitief van God de
plaats, die haar toekomt, het loon voor haar trouw, het opzicht
en de heerschappij over de wereId. Kortom, het geweldige
slotdrama van de wereldgeschiedenis onthult zieh als een
apocalyptische zegepraal van de sekte, Het dualis me tussen God
en satan, dat in het laatst der dagen een climax bereikt en
tevens zijn einde vindt, wordt omgesmeed tot een dualis me
tussen de sekten en de overige menshcid, met name de kerk.
3. Nu wordt ook duidelijk, waarom de sektarische eindverwachting
vrijwel altijd verwachting van een zeer nabije toekomst is en
veelal met concrete termijnen opereert. Want alleen in deze vorm
knn de theologia gloriae sectae de tegenstelling tussen
pretentie en wcrkolljkheid trotseren en zichzelf handhaven: we
zijn nu nog maar U!1 kleine, geminachte en vervolgde groep; maar
weldra zullen we triomferen en onze vijanden zullen in het stof
liggen! Maar dit "weldra" is tevens de Achilleshiel van de
theologia gloriae sectae.
Ze kan niet wachten. Omdat ze de gloriae Dei tekort heeft gedaan,
kan ze zieh niet meer naar "Gods geduld" voegen, Ze is gedwongen
tot een houding van dringend ongeduld. Derhalve moet ze
apocalyptische wissels uitgeven, die op korte termijn
inwisselbaar zijn.
Dit ongeduld geeft aan de sektarische eindverwachting het
karakter van verhitte opgewondenheid, De bijbelse profetie is
vervuld van een geestelijke terughoudendheid. En het bewustzijn,
dat de eindtijd gekomen is, werkt niet als zenuwprikkel, maar
zet zieh om in de roep om trouw te zijn in geloof en in
dienstbetoon (1 Petrus 4, 7 vv.). In de sektarische apocalyptiek
daarentegen ontmoet men een hectische onrust. Niet alleen bij
jehova's Getuigen. Ook bij de Hersteld-Apostolischen, bij
allerlei Pinkstergemeenschappen en andere sektarische groepen
komen rondom de eindverwachting de meest wilde fantasieen voor
de dag. Een koortsachtige opgewondenheid van de gelovigen is het
gevolg. Als de boodschap van stamapostel Bisehoff betreffende de
wederkernst niet in vervulling zou gaan, dan heeft, zo verklaren
vele Hersteld-Apostolischen, jezus zelf gelogen; anderen willen
dan zelfs ieder geloof üver boord gooien of zichzelf ophangen.")
Over de tenhemelopneming worden allerlei griezelverhalen verteld.
Zo zouden in de Sowjetunie dertig gelovige mannen naakt een
ijsveld opgejaagd zijn, maar Jezus zou met een aantal
begeleiders te hulp zijn gekomen en hen herschapen hebben en hen
in witte klederen bijtijds in de hemel opgenomen hebben. Een
vrouwelijk lid van een Pinkstergemeente zou in de trein reeds de
Iijfelijke antiehrist met de wereldbol en het getal 666 op zijn
muts ontmoet hebben. Men ontdekt "profetische" wolkenbeelden,
postzegels en potloden. Men publiceert "profetische"
boodschappen met concrete termijnberekeningen en
onheilsaankondigtngen. Men ziet uit naar mensen, die geen
merkteken aan het voorhoofd dragen en daarom koningen van het
duizendjarig rijk zullen zijn. Men fluistert, dat de "twee
getuigen" er reeds zijn en zich momenteel op hun zending
voorbereiden, Een vrouw, die vroeger reeds deel uitmaakte van de
kring van Abram Poljak. Hanna Faiss, noemde zieh de "vrouw, die
met de zon bekleed is" (Openb. 12, 1) en ging op zoek naar de
"twee getuigen", die bij haar hoorden, om deze voor de strijd
van de eindtijd te zalven. De "Broederschap: De Koning Komt" ,
Een Pinkstergroep, maakte in de stijl van een sensationeIe
reportage als volgt een visioen wereldkundig: "Opgelet, opgelet!
Hier spreekt de wereldzender "Zion"! Aangesloten zijn alle
zenders van de aarde met inbegrip van de televisiestations.
Halleluja! Ere zij het Lam! Extra-bericht van de Koning der
koningen jezus Christus! De engel, die voor God staat, die de
sleutels en de volmacht over de afgrond heeft, viel zojuist de
draak aan, de oude slang, en bond hem met de ketenen van de
duisternis en van de toorn Gods voor duizend jaren in de afgrond.
Alle rijken der aarde staan van nu af aan on der de absolute
macht en souvereine heerschappij van Immanuel, de Koning der
koningen ... " 59)
4. De apocalyptiek van de sekten heeft met de
bijbelse boodschap aangaande de eindtijd nog wel de beelden en
figuren gemeen, maar niet meer de geest. Want ook de bijbelse
eschatologie wordt door het sola gratia beheerst en ze wordt een
carieatuur, als het sektarisme vanuit zijn duistere
verkiezingstheorie zieh van haar me ester maakt.
De sekte moet echter haar eenmaal aangevangen weg der
wetsvolbrenging wel ten einde gaan. Wie Gods vrije gen ade van
de aanvang af aan banden probeert te leggen, moet zieh ook in
het slotdrama tot bezitter van deze gen ade opwerpen, moet
zichzelf uitroepen tot deurwaehter aan de poort van het komende
rijk en van dit rijk - het koninkrijk Gods - een
geperfeetioneerd sektenrijk maken.
Het gericht over deze zelfoverschatting la at niet op zieh
wachten. De apocalyptisehe wissels van de sekte worden door God
niet irrgelost. Hij richt Zieh niet naar hun
geschiedenisprogramma's en eschatologische kalenderindelingen.
Hij gaat souverein zijn eigen gang en spot met hen, die in de
waan verkeren in zijn kaarten tc hebben gekeken en Hem zijn
geheimen ontfutseld te hebben. Derhalve voltrok zieh zijn
gericht over menselijke nieuwsgierigheid en aanmatiging reeds
aan vele sekten van vroegere eeuwen, die zich aan hun
eigenmaehtige profetieen vertild hebben en daaraan gestorven
zijn.
In onze tijd voltrekt het zich aan de Hersteld-Apostolischen.
Het heeft de Katholiek-Apostolischen van hun aantrekkingskracht
beroofd en hen terug geroepen tot de staat van een stille,
gelouterde gemeenschap. Andere sekten heeft het in een slepende
crisis gebracht, waaruit ze zich alleen nog door een wezenlijke
herziening van hun stellingen kunnen redden. En ook die
gemeenschappen zaI het wel weten te vinden, die nog altijd met
hun hel-glanzende verlokkingen de verwachtingen van hun leden op
voorhand voeden en die het steeds moeilijker krijgen om de
termijnen te prolongeren en het aangewakkerde ongeduld van hun
gelovigen te stillen
Hoofdstuk 7
CONCLUSIES EN CONSEQUENTIES
De bijbel in de linkerhand
Als in Swedenborgs "Nieuwe Kerk" een jong predikant bevestigd
wordt, wordt hem de Bijbel in de rechterhand en Swedenborgs
geschrift "Ware Christelijke Godsdienst" in de linkerhand
gegeven. Dat is een zinnebeeidige handeling. Er wordt mee
uitgedrukt, dat de "Nieuwe Kerk" haar geloof niet alleen op de
Heilige Schrift baseert, maar daaraan een nevenbijbel heeft
toegevoegd.
Ook alle andere sektegemeenschappen hebben zulke bijbels in de
linkerhand. Kenmerkend voor de sekte is namelijk, dat ze zieh
met de Heilige Schrift alleen niet tevreden kan stellen. Waarom
niet? Het motief daarvoor ligt niet direct aan de oppervlakte:
het evangelie is de boodschap van de vrije genade in Christus.
Wie die verwerpt, verloochent de kernwaarheid van de Schrift.
Een theologia possessionis, zoals de sekten die
vertegenwoordigen, wordt da ar reeds in de kiem gesmoord. De
sekten zijn dus op dit punt in strijd . met de Schrift. Ze
bevinden zieh in een eigenaardige situatie. Enerzijds moeten ze,
om hun leer te legitimeren, het gezag van de Schrift
nadrukkelijk laten gelden. Anderzijds moeten ze de Schrift
echter aan een correctie onderwerpen of desnoods andere
autoriteiten er tegenover plaatsen. Zo is dus hun houding
tegenover de Schrift bepaald door een mengsel van binding en
eigenmachtigheid.
1. Bi] een deel van hen schijnt het weliswaar, alsof ze
overtuigde fundamentalisten zijn, die de kerk juist verwijten,
dat deze het met haar binding aan de Schrift niet zo nauw neemt.
Het ga at hier vooral om de Perfectionisten, de Pinksterbeweging,
de Adven- 110 CONCLUSIES EN CONSEQUENTlES tisten en jehova's
Getuigen. Hun fundamentalisme vertoont echter bedenkelijke
onvolkomenheden. De Pinksterbeweging en de Perfectionistische
sekten kunnen b.v. de kern van het evangelie, de gelijkenis van
de verloren zoon, niet zo laten staan en laten gelden, zoals die
in Luc. 15 staat. Ze kunnen die slechts in eigen paraphrasen
weergeven en moeten haar in haar ruimheid en rijkdom door
commentariörende invoeging van "voorwaarden" en "onderstellingen"
begrenzen. Het woord, dat [ezus aan het kruis tot de moordenaar
sprak, moet hun een ergernis zijn, evenals alle getuigenissen
uit de Bijbel, waarin van de daad van Gods vrije genade sprake
is, zonder dat deze aan een voorafgegane bekeringsacte, een
volledige overgave een volk omen heiliging of aan een "geestesdoop"
gebonden werd. Bovendien kennen beide groepen, afgezien van het
Schriftwoord, n6g een woord, nl. een woord dat God in het heden
spreekt en dat in de subjectieve sfeer tot de mens komt: het
bestaat in de persoonlijke ervaring van de bekering,
respectievelijk de geestesdoop. Daarbij komen dan nog, vooral
bij de Pinkstergemeenten, de vele "openbaringen", visioenen,
toezeggingen, tongentaal, persoonlijke roepingen, zgn.
ontmoetingen met God of met Christus, de ontvoeringen in de
geest naar de hemel, gepaard gaande met droomgezichten en
profetieen, en wat dies meer zij, die als bovennatuurlijke
bekendmakingen, als openbaringen van de Heilige Geest, zij het
misschien ook van geringere waarde, een aanzienlijke rol speIen
naast de waarheid van de Schrift en deze veelal overwoekeren.
Niet zelden wordt aan de kerk verweten, dat ze aan "de dode
letter" blijft hangen, inplaats van op de voortschrijdende
openbaringen van de Heilige Geest te letten. "Die mensen, die
louter bij de Bijbel zweren, houden wel het geschreven Woord
hoog, maar als men goed op hen let, valt gewoonlijk een ding op:
ze houden zich uitsluitend bezig met wat God gezegd heeft Als we
echter door
Gods genade in ons hart ervoor gewonnen zijn, dat we geloven:
Het Hoofd is in de tegenwoordige Geest werkelijk in ons midden,
dan brandt er in ons een verlangen, nl.: Hoofd, spreek!" De
theologen van "een verstard Christen dom" zijn echter pure
schriftgeleerden geworden en zijn de Geest kwijtgeraakt. "Daarom
verwerpen ze ook de levende stenen van de tempel en zetten de
vorm, de dode Ietter daarvoor in de plaats (Rom. 7, 6). Alles
schijnt bij hen net zo onwederlegbaar, zo volkomen bijbels tot
op het puntje van de i, als bij de schriftgeleerden van weleer."
6O)
Hoe jehova's Getuigen met de Schrift omgaan, is bekend. Kernpunt
van de Schrift is volgens hen een chiliastisch geschiedenisplan
van jehova, dat ze echter eerst zeIf construeerden. Hun "fundamentalisme"
bestaat hierin, dat ze wel de letter ernstig nemen, maar
willekeurig allerlei teksten uit hun verband rukken om ze dan
weer bij stukjes en in andere rangschikking aan elkaar te lijmen,
er een al naar behoefte symbolische, pro fetische of
paralleIliserende uitleg aan geven en zodoende de geest en de
zin van de Schrift gruwelijk mishandelen. Minder bekend is, dat
jehova's Getuigen naast de Schrift nog een aanvullende
openbaringsbron erkennen: die vloeit in hun Theocratische
Organisatie, of, om het nauwkeuriger te zeggen: in de leidende
kring van deze gemeenschap in Brooklyn, die b.v. in het jaar
1935 van jehova het verrassende bericht kreeg, dat er behalve de
144.000 uitverkorenen ook nog een "grote volksmenigte" is, die
het aardse toekomstparadijs zal gaan bevolken, of die in 1950 de
Getuigen, die bijeen waren üp het wereldcongres in New- York,
gelukwenste met de nieuwe openbaring van Jehova, dat er zieh
onder de deelnemers "waarschijnlijk een aantal vorsten van de
nieuwe aarde" bevond.")
HetzeIfde geval doet zieh voor bij de Adventisten, die ervan
overtuigd zijn in de geschriften en apocalyptische visioenen van
E. G. White een aanvullende openbaringsbron te bezitten. Zij
heeft het zwaartepunt van de bijbeIse waarheid van het sola
gratia, sola fide naar de drievoudige engelboodschap van Openb.
14, 9-14 verschoven. De stoot daartoe kreeg ze niet vanuit een
nieuw en beter inzicht in de Schrift, maar door een visioen.
Hierin werd haar een uitleg van Openb. 14, 9-14 gegeven, die
echter met de tekstinhoud weinig gemeen heeft. Maar toen haar
gedurende dit gezicht de drie engelboodschappen getoond werden,
wees de begeleidende engel haar op de heilsbeslissende, absolute
waarde ervan met de woorden:
"Wee degene, die ook maar het geringste aan deze boodschappen
verandert, Het juiste inzicht in deze boodschappen is van het
grootste belang. Het lot van de zielen hangt af van de aard en
de wijze, waarop ze würden aanvaard." 62) De derde
engelboodschap bevat in de verklaring van E. G. White het gebod
de wereId te waarschuwen voor de zondag als het kenmerk van de
antichrist. Ook deze vervloeking en het verheffen van de
sabbatsviering tot het centrale gebod gaat niet terug op de
Schrift, maar op een visioen. E. G. White "zag" het sabbatsgebod
boven alle andere uitsteken, doordat het door een lichtende ring
omgeven was. "Ik zag, dat de heilige sabbat de scheidsmuur
tussen het ware Israel Gods en de ongelovigen is en zijn zal en
dat de sabbat de grote opdracht is, die de harten van Gods
geliefde, wachtende heiligen zal verenigen." 63)
Op dezelfde manier heeft Röckle essen ti öle punten van de leer
aangaande de tenhemelopneming - een leer, die zijn
Philadelphiagemeente typeert - niet uit de Schrift, maar uit
visionaire bronnen geput. Zijn "twaalf kenmerken als toetssteen
van volk omen overgave" zou hij direct van God ontvangen hebben.
En zijn boekje "De voleinding van de Philadelphia-gemeente van
de eindtijd, en haar opneming ten hemel" met de daarin ter
sprake komende "driedeling van de tempel", d.w.z. de
onderscheiding van de Christenheid in drie klassen, zou johannes
hem gedicteerd hebben.
2. Het is dus zeer de vraag of bij deze fundamentalisten het
geloof in de Schrift wel zo diep zit, als beweerd wordt. Het
grootste deel van de sekten echter heeft de uitsluitende binding
aan de Schrift met zoveel woorden opgezegd. Wat is de Schrift
voor de HersteldApostolischen? Een verouderde openbaring, geen
viva vox, maar een verzameling dode letters, die het geloof niet
kunnen doen ontvonken, "Ik had ook een bijbel, zo vertelde de
latere stamapostel Niehaus, die ik ergens boven op een kast had
neergelegd, maar na een poosje ontdekte ik, dat de muizen Jezus
en de apostelen hadden opgevreten. Dat is nu uw [ezus, dat zijn
dus uw apostelen, waarvoor een muis niet eens respect heeft;
sedert ik echter de levende God (gemcarneerd in de stamapostel
Krebs) dien, is dat allemaal heel anders geworden, want nu lopen
zelfs de honden voor me weg" (naar een alleen voor de "ambten"
uitgegeven bericht van 15 april 1904, pag. 4). In onze
tegenwoordige tijd hebben de Hersteld-Apostolischen het "actuele"
woord Gods, voor het huidige geslacht geopenbaard door de
stamapostel en verder uitgedragen door de apostelen. "We moeten
naar een openbaringsplaats gaan, niet naar een plaats van
herdenken! Het is immers satans grootste triomf, ons te doen
rondsnuffelen in een verleden tijd, zodat we vergeten, wat ons
in deze tijd kan helpen, wat nu nodig is Niet conserven
met fleurige etiketten, maar fris, vitaminenrijk fruit - dat is
het, waar het op aan komt!" 64)
Anderen verbreken de eenheid van de Schrift. Pol jak komt tot
een tweedeling: een deel heeft alleen geldigheid voor "de
gemeente als lichaam", een ander deel alleen voor "de gemeente
van het koninkrijk". De Swedenborgianen moeten niets hebben van
de brieven van Paulus. Anderen volgen hen daarin. De
Christengemeenschap houdt zowel rekening met de Schrift als met
de anthroposophie van R. Steiner, en wel zo, dat niet de
anthroposophie wordt uitgelegd aan de hand van de Schrift, maar
de Schrift aan de hand van de anthroposophie.
Weer anderen hebben naast de Schrift nieuwe heilige boeken
aangenomen, waaraan ze canonieke geldigheid en dezelfde
openbaringswaarde toekennen. Zo bezitten de Mormonen het boek
Mormon, "De leer en de verbonden" en "De kostbare parel" van [oseph
Smith als heilige schriften. In artikel 8 en 9 van hun
geloofsbelijdenis staat: "Wij geloven aan de bijbel als Woord
Gods, in zoverre hij juist vertaald is; we geloven ook aan het
boek Mormon als W oord Gods. We geloven aan alles, wat God
geopenbaard heeft en alles, wat Hij thans openbaart, en we
geloven, dat Hij nog vele en belangrijke dingen openbaren zal
met betrekking tot het Rijk Gods."
De Christian-Scientisten hebben het boek van Mary Baker Eddy:
"Wetenschap en Gezondheid met sleutels tot de Heilige Schrift"
canoniek verklaard. Het is geen gewoon boek, maar goddelijk
geinspireerd en bevat daarom onvoorwaardelijke, onfeilbare
waarheid. Mary Baker Eddy zelf was "slechts de schrijfster, die
de hemelse harmonieen in goddelijke natuurleer weergaf". Over
haar boek oordeelde ze later: "Eeuwen zullen voorbijgaan, eer de
verklaring van de onuitputtelijke grondgedachten van "Wetenschap
en Gezondheid" voldoende begrepen zal zijn, om gans en al
bewezen te kunnen worden." 65) In de diensten van de Christian-Sclentisten
worden dan ook regelmatig naast pericopen uit de Schrift tevens
stukken uit .Wetenschap en Gezondheid" voorgelezen.
De "Kerk van het Godsrijk" teert op de drie boodschappen van
haar .zendbode" F. 1. Alexandre Freytag: De goddelijke
openbaring - De boodschap aan de mensheid - Het eeuwige leven.
De tweede band noemde hij zelf "het belangrijkste werk, dat op
aarde be staat" . Het is "een door de Geest Gods ingegeven
getuigenis" en "de boodschap van het eeuwige leven." 66) Voor
zijn aanhangers hebben deze boeken dezelfde waarde als de Bijbel.
Aan de hand daarvan wordt de Bijbel gelezen en uitgelegd en de "Boodschap
aan de mensheid" overtreft zelfs nog de Heilige Schrift, omdat
ze "veel duidelijker is en nooit voor tweeerlei uitleg vatbaar"
.67)
De Evangelisch- [ohannetsche Kerk zweert bij de Lutherbijbel en
maakt er de kerk zelfs een verwijt van, dat ze de Luthertekst
aan een revisie onderwierp. Maar daarnaast bezit ze de
geschriften van [oseph Weissenberg, waaruit telkens weer de
teksten gekozen worden voor hun preken, Daarenboven laten ze in
hun godsdienstoefeningen de "geestvrienden" uit heilige hoogten
tot de toehoorders spreken.
De aanhangers van Lorber hebben evenals De Nieuwe Kerk van
Swedenborg een hele verzameling van boeken, die gezaghebbend
zijn, omdat ze "nieuwe openbaringen" bevatten. Deze nieuwe
openbaringen van Jacob Lorber staan als gelijkwaardig naast de
oude openbaringsgeschriften, zoals ze immers ook uit een en
dezelfde hemelse bron afkomstig zijn. Aangezien ze vragen
beantwoorden, die in de Bijbel opengelaten of helemaal niet
aangeroerd zijn, gaan ze de geestelijke inhoud van de Schrift
zelfs nog te boven. Lorbers hoofdwerk: "Het grote evangelie van
[ohannes" geeft in zijn tien banden de lezer "in alle vragen
over God, schepping, levenszin en eeuwigheid een opheldering,
die diep gelukkig maakt. Hier wordt het geheim van de persoon
van jezus Christus volkomen doorzichtig en verrijst uit
dogmatische verstarring en menselijke misvorming met nieuwe
kracht en macht de ware Heilandsleer." 68)
Voor de Graalbeweging is de graalboodschap van Abd-ru-shin "In
het licht der waarheid" heilige schrift geworden. Ook hier wordt
de volheid van de antwoorden geroemd: De "mensenzoon" , die het
geschreven heeft, geeft in dit boek alle inlichtingen, die maar
nodig zijn, over het vanwaar, waarheen en waarom, roert alle
vragen van het zijn aan, zorgt ervoor, dat men lichamelijk,
psychisch of geestelijk gezond wordt en biedt alles om het leven
op aarde waardevol en gelukkig te doen zijn. "Dit boek is uniek.
Het ontsluiert ons de diepe zin van alle dingen, laat ons hun
wezen verstaan, en de wereld, waarin wij leven, volledig
begrijpen. Het onthult de sferen van de schepping van hun
oorsprong af en verheldert daarbij alle gebeurtenissen, die voor
ons eigen denken belangrijk zijn. Het verwijdt de horizon van
onze blik en van ons weten. We zien plotseling helderder om ons
heen. We worden vrijer en gelukkiger. We krijgen een vermoeden
van de grootheid van de Schepper bij het zien van zijn
wonderbare scheppingswerk. Dit uitzonderlijke boek verduidelijkt
de innerlijke samenhang tussen al het bestaande, zowel in het
groot als in het klein, in de geheie schepping alsook in ons
individuele leven, en laat ons de binding van de mens aan het
geheel zien." 69)
3. Allemaal nevenbijbels! Voor het feit, dat men ze aan de
Heilige Schrift toevoegt, worden diverse redenen opgesomd. De
Bijbel is onvolledig overgeleverd, zeggen sommigen, en heeft
daarom een aanvulling nodig. Hij is gebrekkig vertaald en heeft
een correctie nodig, zeggen anderen. Weer anderen wijzen op de
voortgaande openbaringswerkzaamheden van de Heilige Geest en
aangezien ze zelf deze Heilige Geest in hun midden hebben, zijn
ze gemachtigd deze openbaringswerkzaamheid voort te zetten. Of
men merkt op, dat de Bijbel zelf haar eigen onvolledigheid
toegeeft (Joh. 21, 25) en dus om een aanvulling vraagt. Of men
wijst op de wonderbaarlijke gebeurtenissen, waarmee de nieuwe
openbarigen b.v. bij Swedenborg of Lorber of E. G. White of
Christi an Röckle of bij profeten uit de Pinksterbeweging
omgeven zijn.
De motieven zijn dus veelvoudig. Maar het resultaat is altijd
hetzelfde. De nevenbijbels vertegenwoordigen zonder uitzondering
de magna charta van de betreffende theo1ogie possessionis.
Daarom zijn ze, gekoppeld als ze worden aan de Heilige Schrift,
geen onschuldige aanhangsels, maar overmeesteren en
overschaduwen ze de waarheid van de Schrift. Dat betekent: Waar
een sekte vanuit haar midden een boek tot heilige schrift
verheft, doet ze het W oord Gods geweld aan. Met haar eigen boek
is ze bezig God te bevoogden. Hij mag nu niet meer zo spreken,
zoals Hij in de Schrift gesproken heeft, maar moet spreken,
zoals de sekte het voor juist houdt. Het Woord Gods is in zijn
majesteit onder het juk gebracht, besnoeid en gelijkgeschakeld.
Alweer worden we hier gewaar, hoe de gloria sectae triomfeert
over de gloria Dei.
Op het terrein der vraagtekens
Wie zieh eenmaal van de Schrift heeft af'gewend, is op weg de
Schrift helemaal de rug toe te keren. Deels gebeurt dat
aarzelend, deels doelbewust. In welke richting dat nu gaat? Het
antwoord op deze vraag vinden we, als we teruggrijpen op de
antithetiek van de sekten. Wat men zoekt, is een heilsfundament,
dat steviger is dan het sola gratia. Daartoe heeft men een
theologia possessionis ontwikkeld, waarin dit nieuwe heils
fundament nu wordt ingebouwd en verankerd. En dan begint eerst
recht de uittocht naar deze gedachtenconstructies, ambten,
sacramenten en erediensten, waarin naar hun overtuiging het heil
gevangen, gecontroleerd en bewerkstelligd kan worden.
Maar of dat nog wel de genade van God is, die men daar meent
gevangen te hebben? Heeft men hier zichzeIf niet op een
afschuweIijke manier om de tuin geleid? Werkelijk, hier voltrekt
zieh nu het gericht, dat met de ontrouw aan het sola gratia
gepaard gaat. Deze mensen zochten naar zekerheid en huiverden
derhalve terug voor de sprong om enkel als een door God
gegrepene te leven. Doch ze vinden niet alleen geen zekerheid,
maar komen terecht in een zee van onzekerheden. Tezamen vormen
al hun leerstellingen, die de inhoud van de theologia
possessionis vormen, een aaneenschaling van onzekerheden.
Zo zouden de apostelen van de Hersteld-Apostolischen van de
Heilige Geest hun aanstelling en volmacht ontvangen hebben. Maar
men leze eens na, hoe na twee voorafgaande scheuringen de eerste
garde van apostelen op het concilie van Braunschweig in 1878 tot
stand kwam: "Men vroeg aan God, of Güldner een apostel was, en
toen er na driemaal herhaald vragen geen antwoord kwam,
schreeuwde men God uitdrukkelijk toe, waarom Hij geen antwoord
gaf. Dat ging een poosje zo door, tot de hele menigte zo in
extase geraakte, dat aanstelling op aanstelling volgde, de een
dit schreeuwde en de ander dat. De een riep deze naam, de ander
schreeuwde:
"Nee, die moet het zijn!" 70) Zou dit lawaai en geschreeuw de
stem van de Heilige Geest zijn geweest?
Hoe kwam de eigenlijke leer van de Adventisten tot stand? Het
begon met een eigengereide berekening van de parousie en een
fout uitgevallen eindverwachting. .Daarop volgden onenigheden en
scheuringen. Vervolgens zocht men koortsachtig naar uitwegen uit
deze vastgeIopen situatie. Men greep nu eens naar deze, dan weer
naar die leer, en geloofde en verwierp ze beurtelings, tot men
uitvond, dat Christus in 1844 op de eerste oktober het
allerheiligste was binnengegaan. Dat was een nogal fantastische
en niet bepaald vernuftige uitvlucht, waarmee men de
tegenstelling tussen profetie en vervulling wegmoffeIde.
Tenslotte eigende men zieh van de Zevendedags-Baptisten de
sabbathsgedachte toe, en een zieneres met een grote
geldingsdrang, E. G. White, die als gevolg van een verwonding
door een steenworp in haar kinderjaren ziekelijk was geweest,
gaf daaraan prompt met een gezicht de nodige goddelijke
bekrachtiging. Haar visioenen uit een vroeger stadium, die niet
meer zo best in de leerontwikkeling van een later stadium pasten,
werden kortweg veranderd. Andere visioenen behelsden onmogelijke
beweringen (b.v. dat v66r de zondvloed uit tegennatuurlijke
paringen tussen mens en dier nieuwe soorten zouden zijn
ontsprongen) of hielden aanwijzingen in, die wegens hun
onhoudbaarheid door Jatere visoenen herroepen moesten worden (b.v.
het vrijgeven van varkensvlees voor consumptie of de invoering
van vrouwelijke reforrnkleding). Bovendien werd haar plagiaat
ten laste gelegd. Nogmaals: zou bij dit soort Ieervorming de
Geest Gods aan het werk zijn geweest?
Of wat te denken van het boek Mormon, van de verschijningen van
de engel Moroni aan de farmerszoon uit de binnenlanden joseph
Smith, van het uitgraven van de gouden platen en van de
profetenbril op de heuveI Cumorah, van die hele geschiedenis van
de uitLocht van de Israelitische stammen naar Amerika en het
tweede opI roden van Christus in dit wereIddeeI?
Of wat van de Christengemeenschap, wanne er deze de hogere
konnis van Steiner als onomstotelijke autoriteit behandelt:
Reeds In 1922 heeft de indoIoog J. W. Hauer aangetoond, uit
welke brennen Steiner zijn .Jiogere kennis" geput had - niet uit
kenuisname van de "Akascha-kroniek", maar uit manieheische
elemontcn en overIeveringen van de Mithra-cultus, uit de
geschriften vun Blavatsky en Besant, uit "Die Gnosis" van E. H.
Schmitt en "Allantis, naar occulte brennen" van Scott-Elliott.
"De aanhangers van Steiner hebben het zo vaak over de
buitengewone nieuwe openbaringen van Steiner. Ik vraag me af:
waar zijn die dan? Ik zie alleen maar gezichten die ik al eens
eerder ontmoet heb en die volgens mijn onderzoekingen ook Dr
Steiner wel eens ergens op deze aarde ontmoet moet hebben." 71)
En hoe is het gesteld met de "openbaringen", welke Swedenborg en
Lorber uit de andere wereld ontvingen? Zender aan de subjectieve
eerlijkheld van deze zeer achtenswaardige en vrome mannen ook
maar iets af te doen, moet toch worden gezegd, dat het in de
wereid wemelt van openbaringen van deze aard, en dat die van
Swedenborg en Lorber zieh alleen door een grotere omvang en een
ho ger niveau daarvan onderscheiden. Maar ook zij droegen het
stempel van de tijdgeest en het valt een psychologie, die de
enorme wereld van het onbewuste heeft ontdekt, niet moeilijk,
niet alleen de herkomst van deze openbaringen te verklaren, maar
ook de eigenaardige begeleidende verschijnselen, waarmee ze
waren verbonden. De stille, introverte Lorber mocht dan al een
inwendige stern gehoord hebben, welker dietaten hij opschreef,
ook de Franse mystica Jeanne Marie Bournier de la Motte-Guyon
(1648-1717) schreef onder dezeHde innerlijke drang haar
tractaten, welke veertig banden vulden. En de uiterlijke
begeleidende verschijnselen waren even "wonderbaarlijk" als bij
Lorber. In haar autobiographie vertelt ze daarover: "Ik schreef
niet vanuit mijn eigen geest, maar door de inwendige Geest. Als
ik de pen ter hand nam, wist ik van wat ik zou ga an schrijven,
nog geen woord; en later ook niet, wat ik geschreven had. Het
vloeide - in stromen van inwendig licht - als het ware uit de
diepte na ar buiten en nam niet de weg via mijn hoofd. Mijn
hoofd was zo vrij van ledere medewerking, dat het als leeg ge
goten was. De snelheid waarmee ik schreef, was zo groot, dat
mijn arm opzwol en helemaal stijf werd Ik schreef ononderbroken
dag en nacht door, waarbij de hand nauwelijks gelijke tred kon
houden met de dicterende Geest. Gedurende deze arbeid gebruikte
ik nooit een boek. Een schrijver kon in vijf dagen nauwelijks
opschrijven, wat ik in een enkel uur had neergeschreven."
Eenzelfde verschijnsel vinden we bij Jacob Böhme. Ook hij
gevoelde zieh als een instrument Gods en schreef eveneens zo
snel, dat zijn armen vanwege de inspanning trilden. De manier,
waarop Lorbers "nieuwe openbaringen" tot stand kwamen, staat dus
niet op zichzelf. Rechtvaardigt alleen dit het toekennen van
goddelijke waarde aan deze geschriften? Dan zou men die aan alle
boeken van de Bijbel beslist moeten ontzeggen, want hun auteurs
schreven zeker niet in trance, maar bij volledig bewustzijn.
En hoe staat het met al die bekeringen, die volledige overgave
en volkomen heiliging van de Perfectionistische sekten? Hebben
ze werkelijk de macht van de zonde gebroken? Maar al zouden ze
ook alle duivelen uit hun harten hebben verjaagd, een is
gebleven: de duivel van de superbia, die hun verbood, de weg van
deemoed en broederlijkheid te gaan en hen ertoe dreef, zichzelf
voor betere Christenen te houden dan de anderen en zieh van hen
af te zonderen. Zou zo'n "bekering" werkelijk een betrouwbare
grondslag zijn voor de heilszekerheid?
En hoe is het met de geestesdoop en de geestesgaven bij de
Pinkstergemeenten? Daarin zou dus de Heilige Geest Zieh bekend
maken! Toegegeven zij, dat er in de Pinksterbeweging charisma's
voorkomen, zoals overigens ook wel in de kerk: gaven van
profetie, van genezing, van onderscheiding der geesten. Waar ze
als onverdiende gaven sola gratia worden ontvangen en in ootmoed
gebruikt, betekenen ze een verrijking voor de bezitters van die
gave en vom de gemeente. Maar in grote delen van de
Pinksterbeweging is deze grens overschreden. Daar wordt van de
charisma's een sensatie gegemaakt, en met een aantal figuren,
die een dergelijke gave bezitten, wordt een propaganda bedreven,
die pijnlijk dicht in de buurt komt van het lawaai rondom
filmsterren, sporthelden e.a. in allerlei gelllustreerde
weekbladen. Maar de Heilige Geest .Jeent Zich nooit VOOI
sensaties. Hij maakt geen spektakel. Alle reclame, die men met
l./{u. Godsmannen maakt, staat Hem tegen. Het is onbetwist zeker,
dnt de Heilige Geest bij een tamtam om een zgn. grote man nooit
uuiwezig is." 72) En hoe klein denkt men van de Heilige Geest,
als men Hem verantwoordelijk maakt voor al die banaliteiten en
trivialteiten en heel dat godsdienstig-sentimentele gedoe - en
dikwijls ook mluderwaardig gedoe -, dat bij het tongenspreken
enz. voor de dag kumtl Reeds in 1907 heeft een leider van een
Duitse gemeenschap, lour) rnen hem enthousiast op de vele
wonderen en tekenen in Los Angelos wees, er de aandacht op
gevestigd, dat deze wonderen ook in Duitsland sehering en inslag,
ja dat ze er a.h.w. voor het oprapen waren.
Men moet deze fenomenen met de visioenen en massagenezingen eens
nader onderzoeken en dan eerst daarvan aftrekken, wat er bij
kwam door vrome suggestie, massa-psychose en opgezweepte
hartstochten, door propaganda, occulte beinvloeding, labiele
zenuwen enz. - om van de nog troebeler motieven van vrome
vervalsing, geldingsdrang of zelfs daemonische bezetenheid nu
maar te zwijgen.
Men trekke dat alles ervan af en beoordele dan de overblijvende
rest, of en in hoeverre hier de Heilige Geest aan het werk was.
Men verwissele echter niet psychische extasen met de uitingen
van de Heilige Geest! Als iemand, die enigermate ontvankelijk
is, zieh in de Pinksterbeweging aan het trommelvuur van zo'n
ster-evangelist en aan de bedwelmende atmosfeer, die in deze
bijeenkomsten aangekweekt wordt, uitlevert, dan kan hij na korte
of lange tijd zelf ook zijn "geestesdoop met tongentaal"
tegemoet zien! De vraag is maar, of het dan een doop met de
Heilige Geest of met de eigen geest is, Als de Pinksterbeweging
van de aanvang af de onderscheiding der geesten - en dat is
immers ook een geestesgave - nuchter en welbewust had toegepast,
zou haar veel verwarring en verwildering bespaard gebleven zijn.
Maar zelfs deze verwarring zou niet zo dodelijk gevaarlijk
hebben kunnen worden, als men de geestesgaven maar in hun
bijbelse zin als geschenken van de Heilige Geest gezien en
aanvaard had, en de heilsvraag op generlei wijze aan de
geestesdoop had gekoppeld, doch strikt aan het sola gratia en de
rechtvaardiging door Gods jawoord had gebonden.
En wat te denken van de ontdekking van de mentale genezing door
Mary Baker Eddy? De offleiöle geschiedschrijving van de Christi
an Science houdt vol, dat ze door inspiratie tot dit inzicht zou
zijn gekomen. De onbevangen onderzoeker weet echter beter. Ze
heeft haar systeem in zijn grondtrekken overgenomen van Dr
Quimby. Haar eigen ziekte heeft ze met haar geestelijke
genezingsmethode bedwongen, omdat die psychische oorzaken had.
Dat ze ook de zonde zou hebben bedwongen en daaraan afgestorven
zou zijn, zal men wel niet durven beweren. En dat ze de dood
niet overwon, moeten zelfs haar aanhangers wel toegeven. Wat
juist is aan haar genezings-
methoden, was reeds vöör haar door de New-Thought-beweging in
practijk gebracht en wordt tegenwoordig ook door
psychotherapeuten en artsen toegepast. Maar met Christus heeft
dit alles niets te maken.
En hoe staat het met de waarheidsbronnen van Jehova's Getuigen
en de Kerk van het Godsrijk? Russell ging vroeger voor een
goddelijk geinspireerde profeet door. Maar zijn berekeningen en
profetieen zijn veertig jaar geleden al in elkaar gestort.
Tegenwoordig is er geen enkele "getuige" meer te vinden, die nog
over hem spreekt. Daarna verscheen zijn opvolger Rutherford, die
het zwaar gehavende gebouw van de termijnberekeningen weer zo
goed en zo kwaad als dat ging repareerde. Maar ook hij raadde er
met zijn nieuwe termijnen naast. Ook over hem spreekt
tegenwoordig niet een "getuige" meer. De sekte kan alleen leven,
als ze haar eigen geschiedenis vergeet. Ze schuift haar
apocalyptische rekenliniaal verder. Maar wat heeft dat met Gods
Woord te maken? En Alexandre Freytag? Hij zocht hevig na ar een
middel om de dood om de tuin te leiden en reeds nu eeuwig te
kunnen leven of tenminste honderdvijftig of driehonderd jaar oud
te kunnen worden. Maar toen hij zeventig was, stierf hij. En
zijn aanhangers moeten ook sterven. Het Rijk Gods, waarvoor hij
reeds de grondwet ontwierp, wil maar niet komen. En da "modellen"
van het Koninkrijk op de "proefstations" zijn altijd nog maar
kleine oasen, en zowel hier als in de kringen van de "Kleine
Kudde"en het "Leger des Almachtigen" moet tegen het egoisme een
holdhaftige, maar tevens moeizame strijd gevoerd worden, die met
voortdurende tegenslagen en vermoeidheden gepaard gaat.
Dat is de Consequentie van het verlaten van de Bijbel en het
terechtkomen in het onafzienbare gebied der onzekerheden. De
sekten bobben het sola gratia onder protest de rug toegekeerd en
wilden iets zekers hebben. Maar God kan zijn genade niet
indrukwekkender en geloofwaardiger garanderen dan in zijn Woord
en in de offerdood van zijn Zoon. Wie het sola gratia afwijst,
stort zich in vrome eigenmachtigheid. En hij eindigt in
zelfbedrog. Hij zoekt en schept zich een zekerheid, die
evenwel stuk breekt onder de last van de vraagtekens. Dat is het
lot van de sekten - menselijk beschouwd een tragedie, van
God uit gezien een gericht.
Derde deel
DE KERK EN DE SEKTEN
Vragen van de sekten aan de kerk
De sekten, waarop ons onderzoek betrekking had, zijn ontstaan
binnen het Protestantisme. De verhouding tussen hen en de kerk
staat in het teken van vijandsehap, van aanval en verdediging.
De band is verbroken. Voorzover er tussen beide een dialoog
gevoerd wordt, wordt deze bepaald door de wederzijdse verwerping.
Maar da ar bovenuit vindt een andere dialeeg plaats op een hoger
vlak. Hier zijn het niet meer mensen, die in de naam van hun
geloofsovertuigingen met elkaar twisten. Hier is veeleer de Heer
zelf de gespreksleider, die de beide tegenstanders aan een tafel
zet en hen ertoe dwingt, dat hun wo orden en antwoorden niet
sleehts in aanval en tegenaanval blijven steken, maar dat ze
daarbij zelfs meedogenloos in hun trouweloosheid en armoede en
in hun afvalligheid ontmaskerd worden.
We hebben de ontmaskering van het sektewezen nu nader leren
kennen. We hebben gezien, hoe de hybris, waarmee men ingreep in
het werk van Gods genade, gepaard gaat met immanente gerichten.
De sektarische heilsweg loopt consequent uit op deze gerichten.
Ze zijn dan ook onvermijdelijk. Maar nu moeten we ons bezig
houden met het feit, dat de sekten niet in een luehtledige
ruimte als het ware uit het niets ontstaan zijn. Hun stichters
en leden hebben grotendeels voordien in een kerk geleefd, waarin
de boodschap van het sola gratia werd verkondigd. Deze boodschap
maakt alle menseIijke heilswegen en heilsgaranties onmogelijk en
onnodig. En desondanks hebben de sekten zich van haar afgekeerd!
Ligt de schuld
daarvan - we stellen deze vraag met diepe verontrusting - niet
ook bij de kerk: dat ze het getuigenis van de Schrift in zijn
ernst, maar ook met zijn zekerheid en met zijn troost niet klaar
en duidelijk genoeg verkondigd heeft? 73) De sekten zijn immers
niet zomaar bij toeval ontstaan, maar in het midden van de kerk.
Het zijn dochters van de kerk. Er heerst weliswaar een sIechte
verstandhouding tussen de moeder en deze dochters. De dochters
geven op hun moeder af, omdat ze huns inziens helernaal
afgedwaald is en een sIechte moeder geworden is. En de moeder is
boos op de dochters, omdat deze haars inziens ontaardden. Maar
als echte moeder moet ze zich afvragen, of ze er zelf geen
aanleiding toe gaf, dat haar dochters zo ontaardden.
Ze mag deze vraag niet ontwijken. En hoe pijnlijk dit ook is,
een ernstig gewetensonderzoek kan voor de kerk alleen maar
heilzaam zijn. Men zegt vaak, dat de sekten de onbetaalde
rekeningen van de kerk zijn. Deze stelling is onjuist, als ze
zou moeten dienen voor een afdoende verklaring van het
sektewezen. Maar er schuilt een kern van waarheid in. Tot de
krachten, die aan de sekten leven en voedsel gaven, behoren ook
de ver mimen van de kerk, Dat behoeven niet aItijd verzuimen van
nu te zijnl De kerkgeschiedenis heeft een lange adem.Het kan
gebeuren, dat bepaalde aanklachten en wantrouwige stemmingen,
die honderd of tweehonderd jaar geleden door dwalingen van de
kerk te voorschijn werden geroepen, zieh in ondergrondse
complexen omzetten, die zich van geslacht op geslacht
voortplanten en steeds weer de voedingsbodem vom sektarische
afscheidingen vormen.
Als we nog eenmaal de afzonderlijke punten nagaan, waaraan bij
de sekten het zich losmaken van de bijbels-reformatorische
waarheid zichtbaar is geworden, zullen we overal ontdekken, dat
de kerk zelf hiervoor de weg bereid heeft. Reeds een vluchtige
blik in haar interne geschiedenis toont aan, dat de theologia
gloriae Dei dikwijls op gevaarlijke wijze op de achtergrond is
geraakt. Telkens opnieuw is in de verkondiging van de kerk de
majesteit en de ere Gods geschonden en verraden. In plaats van
God koning te laten, legde mcn beslag op God. Men legde beslag
op Hem in zijn macht en majesteit, zijn plannen en bedoelingen,
zijn geboden en gerichten - voor de kruistochten ("God wil
het!"), voor de dogma's, de zendings- aanspraken en de
veroveringsdoeleinden van een bepaalde confessie, voor de
christelijke beschaving van het Westen, voor stromingen en
cultuurwaarden van de tijdgeest (de evolutiegedachte van de
verlichting, de sociaal-revolutionaire en nationalistische
ideologieön van de negentiende en twintigste eeuw). Men legde
beslag op Hem voor vaderlandse oorlogen, politieke bewegingen en
omwentelingen. Zijn Woord werd ondergeschikt gemaakt aan
menselijk-aardse belangen en gebruikt als begeleidende muziek
voor patriottische feesten en overwinningen. Hij werd
geneutraliseerd, geindentificeerd met een God van de rede, tot
lievelingsgod van een ras, klasse of natie verklaard. En van
deze in-beslag-genomen-God naar de God van de sekte is slechts
een stap. Een kerk, die zieh tegenover de theologia gloriae
sectae teweer wil stellen, moet eerst met de theologia gloriae
Dei in haar eigen verkondiging radioaal ernst maken. Hiermee
heeft ze een opdracht meegekregen, die reikt tot in de verste
vertakkingen van haar denken, spreken en handelen.
En hoe is het mogelijk, dat het bij de sekten tot die
vervlakking of terzijdestelling van het uioord des kruises kon
komen? Is dat niet mede voorbereid, doordat de kerkelijke
verkondiging zelf deze haar opgedragen boodschap van tijd tot
tijd verloren liet gaan? Men heeft haar door een moralistisch
misverstaan geneutraliseerd,haar door theologisch-philosophische
speculaties uitgehold of in een po el van vrome stichtelijkheid
verdronken. Men is met het gebeuren van Golgotha, kostbaar als
het is, omgesprongen als ware het goedkope pasmunt. Men heeft
getracht het door verstandelijke verklaringen begrijpelijk en
aannemelijk te maken, zodat het niet meer voor de een een
ergernis en voor de ander een dwaasheid zou zijn. Men heeft van
de gekruisigde een heldhaftige blonde Arier gemaakt, die het
slachtoffer werd van de verdorven Joden. Kortom, men heeft op
verschillende manieren geprobeerd met het kruis klaar te komen
en het ergens in de wereld en in het eigen bestaan ingekapseld.
Het kruis werd van zijn scherpte ontdaan en zodoende
ongevaarlijk. Of - en dat is de subliemste verzoeking in de
interne geschiedenis van de kerk - het kruis werd zelf tot een .Bezit"
gemaakt en tot object van een theologia possessionis, waarin de
gelovige niet meer als een geoordeelde onder het kruis staat,
maar zich van het kruis meester maakt, om het als wapen te
gebruiken - tegen anderen. In
de verkondiging en in de gedragingen van de kerk werd maar al te
vaak en in allerlei perioden verzwegen, dat het kruis de dynamis
theou is, die eenvoudig door geen enkel mens is te .Jrandhaven",
maar die harerzijds de mens handhaaft, d.w.z. hem tot op de
bodem van zijn bestaan schokt en aan het wank elen brengt. Men
vergat, dat in een kerk, die "kerk onder het kruis" wil zijn,
het dynamiet van Gods Woord werkzaam moet blijven, dat zijn
explosieve kracht telkens weer opnieuw elke poging van de mens
om zichzelf gerust te stellen, elk begin van godsdienstige
bezitsvorming, van eigen gemaakte zekerheid en
eigengerechtigheid volslagen verijdelt. Als de kerk zelf altijd
maar van meet af aan deze tendenzen de kop had ingedrukt, zouden
ze niet zo gemakkelijk hebben kunnen voortwoekeren en uitgroeien
tot de theologia possessionis van de sekten,
Hoe is het mogelijk geweest, dat de sektarische vroomheid zieh
bijna onbestreden meester heeft kunnen maken van de Christelijke
toekomstverwachting? Is niet een van de voornaamste re denen
daarvan deze, dat juist op dit gebied de kerk zich aan een wel
uitermate ernstig verzuim schuldig heeft gemaakt? Ze is over
lange perioden van haar geschiedenis een kerk zonder hoop
geworden. Ze heeft "de eschatologische deugd" van het geduld
verloren en is verslapt in haar verwachtingen van en uitzien
naar de Heer. Ze heeft de bestaande wer eId aanvaard als een
situatie, die voorlopig tenminste nog wel zo zal voortduren en
heeft er zieh huiselijk ingericht. Dat br:acht met zieh mee, dat
de heilige ontevredenheid en het heilig verlaugen verloren
gingen, dat het bewustzijn hier vreemdeling te zijn verdween,
dat de roep om waakzaam te blijven verstomde, en dat men die
hele rijkdom aan troost, die ons in de bijbelse verwachting
ge~oven is, eenvoudig liet vallen. In plaats daarvan heeft het
geloof (: r zieh mede tevreden gesteid een bijbels secundaire
hoop op een Hiernamaals te koesteren. En de theologie heeft,
waar ze zich bezig hield met de geschiedenis en de toekomst, de
eschatologische uitpraken verdund of geelimineerd of ingeruild
voor bepaalde seculaire evolutie-ideeen. De kerk heeft het
veelal nagelaten, om in haar verkondtging het geloofsleven van
haar leden in de wisselvalligheden van de geschiedenis te voeden
vanuit de bijbelse profetie, hen in tijden van voorspoed en
zekerheid vanuit het eschatologisch perspectief te waarschuwen
en hen in tijden van tegenspoed en neergang met het zicht op
Gods overwinning en koninkrijk te vertroosten. Kortom, ze heeft
de bijbelse boodschap van de hoop verwaarloosd. Heel dit grate,
wijde gebied werd een onbeheerd niemandsland, en de theologie,
die er verlegen mee was, schoof het weg naar het laatste
hoofdstuk van de dogmatiek, Zodoende kon het gebeuren, dat
vreemde machten zieh van dit onbeheerde land meester maakten -
allerlei op hol geslagen politieke, sociale of technische
evolutietheorieän en toekomstutopieen die op velen een sterke
chiliastische aantrekkingskracht uitoefenden - en dat vele leden
van de kerk, die eschatologisch ondervoed bleven en "zonder
hoop" werden gelaten, zieh in hun honger openstelden voor de
apocalyptische voorstellingen en beloften van de sekten, die
zieh dank zij het in gebreke blijven van de kerk in groten
getale op het terrein van de toekomstverwachting konden vestigen
en er welig tierden. Mag men hun daar een verwijt van maken, dat
ze de boodschap van de hoop, die door de kerk - niet nu, maar
sedert eeuwen - naar de achtergrand is gedrongen, als buit
opheffen en hun wilde apocalyptischdweepzieke dromen daaruit
spinnen? De kerkelijke theologie kan en mag zieh niet onttrekken
aan de opdracht om te komen tot een doorwrochte eschatologie,
die stoelt op het sola gratia en die de uitspraken van de
Schrift over geschiedenis en eindgeschiedenis au serieux neemt.
Men make zieh van deze opdracht niet te goedkoop af! Met de
juist op dit gebied zo bijzonder geliefde ontmythologisering
redt men het niet. En het is ook niet afdoende, eenvoudig de
Confessio Augustana in zijn veraordeling van het chiliasme nog
eens te citeren. Het thema van het duizendjarig rijk evenals de
vragen aangaande de ten hemelopneming, de tweede opstanding en
de algemene verzoening rnoeten grondig doordacht worden. En de
verkondiging moet doordrenkt zijn van de hoop op het komende
koninkrijk Gods.
Mogen de sekten zich ter toelichting van hun leer genoodzaakt
hebben gezien, aan de Heilige Schrift nevenbijbels toe te voegen,
de kerken van de reformatie kunnen zieh erop laten voorstaan,
dat ze zover niet zijn gegaan. Hun ingeworteld respect voor het
beginsel van de sola scriptura, heeft hen daarvoor bewaard. Dat
heeft hen echter niet verhinderd, zich op een andere manier aan
de Schrift te bezondigen. We zullen hier niet de lange historie
weergeven van het martelaarschap, dat de Schrift on der de
mensen ondergaan heeft en momenteel nögondergaat, Voldoende zij
er aan te herinneren, hoe de Schrift door een oneerbiedige
critiek uiteengerafeld en ongeloofwaardig gema akt werd; hoe
geleerde betweters hun vondsten op haar toepasten, hoe
menselijke nieuwsgierigheid in haar geheimen rondwroette; hoe
haar boodschap bijna steeds met de heersende tijdgeest
gelijkgeschakeld werd - met het geloof aan de rede of met een
evolutie-ideologie, met een socialistische of nationalistische
wereldbeschouwing of met een rassentheorie. En dat gebeurde niet
alleen in eenzame studeerkamers, het werd ook op de kansel
gebracht, werd inhoud van de verkondiging.
Nee, het kwam in de kerk van de reformatie niet tot de invoering
van nevenbijbels. Maar de Bijbel zelf werd een speelbal der
meningen en als echo of versterking gebruikt van de meest
uiteenlopende menselijke inzichten. Mag men het de sekten dan
euvel duiden, dat ze nog een stap verder gingen?
Een van de meest efficiente en meest gebruikte propagandaleuzen,
waarmee vooral de fundamentalistische sekten tegenwoordig tegen
de kerk opereren, is de verwijzing naar de
ontmythologiseringstheologie. Natuurlijk spreken ze daarover
niet alleen tamelijk grof, maar eveneens zonder veel kennis van
zaken. Maar zou men daaruit niet tenminste deze les moeten
trekken, dat de theologie en de verkondiging van de kerk, zij
moge dan critisch staan t.a.v. de verbale inspiratie, alleen dan
aan de zaak, die haar zozcer verplicht, trouw is, als begin en
einde van al haar denken en preken de erbied van de Schrift
ademen? Het gaat immers om "heilige" Schrift. Wie trouwens de
geschiedenis van de theologie van de laatste twee eeuwen kent,
weet, hoe de majesteit van de Schrift zich zelf steeds weer
bewezen en gehandhaafd heeft - ook tegenover de III{lost
scherpzinnige critici of de lawaaierige lieden van de "BijbelIlllbol"-stijl.
God zergt er zelf wel voor, dat zijn Woord niet zomaar
geliquideerd en weggegooid kan worden. Hij heeft zijn Woord
toevertrouwd aan de kerk. Maar is de kerk zich wel volkomen
bewust van de heilige verantwoordelijkheid die zulks meebrengt?
Immers, als zij slordtg omgaat met de Schrift, is dat koren op
de molen van de sekten Naast de liquidatie van de waarheid van
de Schrift staat de ineenschrompeling van de horizon van de
Schrift. De Bijbel beperkt zieh niet tot het thema: het
zieleheil van de enkele mens, maar grijpt daar ver boven uit.
Naast de mens staat het volk en de geschiedenis. Naast de ziel
staat het lichaam en de wereid van het geschapene en de kosmos,
Gods Woord gaat over alles. Maar de geschiedenis van de
Christelijke vroomheid toont aan, dat het binnendringende
Hellenisme hierop reeds vroeg een noodlottige inbreuk maakte,
Het lichamelijk-zinnelijke werd in de ban gedaan. Het werd van
een negatieve aanduiding voorzien en veroordeeld tot een
proletarische rol in Gods schepping. Een
spiritualistisch-ascetische vroomheid, die zieh richtte op het
hiernamaals en eigen werd aan alle confessies en perioden van de
geschiedenis van het Christendom, liet de categorieön van de
natuur en de geschiedenis buiten beschouwing en beperkte zich
tot de beoefening van het vrome innerlijke leven. Daardoor
bleven, evenals bij de toekomstverwachting, opnieuw grote
gebieden van de werkelijkheid onbeheerd achter. Het geloof,
respectievelijk de kerkelijke verkoudiging, had hier "niets meer
te vertellen". De ,betreffende bijbelse getuigenissen werden
terzijde geschoven. Hoe rijk de vruchten, die een geheel naar
binnen gekeerde vergeestelijkte vroomheid droeg ook waren - ze
moesten duur betaald worden. Men trok zieh uit de wereid terug,
maar sloot zich daarmee op in een zelfgekozen ghetto. En heel
het wijde gebied, waarvoor het geloof geen interesse meer had,
werd bezet door een gesaeculariseerd denken, dat nu zijnerzijds
tot de aanval overging en onder de vlag van een totalitaire
wereldbeschouwing zelfs ook de laatste ruimte, waarop het geloof
nog aanspraak maakte, voor zich in beslag nam. ,,........." de
hemel voor de fantasten." 0 zeker, steeds weer hebben
individuele theologen of groepen van Christenen een poging
gewaagd het verloren gebied te heroveren en de bijbelse
boodschap te ontvouwen in zijn realisme en universalisme. Maar
de breuk tussen de wereld van het innerlijke en de buitenwereld
kon tot nu toe nog steeds niet volledig geheeld worden Hier ligt
een taak, die met inspanning van alle krachten zal moeten worden
aangevat.") Het zou he el erg zijn, als b.v. de kosmische
wijdheid van het bijbels getuigenis, waar de kerk geen oog voor
had, alleen nog maar aan de orde kwam in de Christengemeenschap
of in de gemeenschappen rondom Swedenborg en Lorber met hun
onder-schikking van de wereldgeschiedenis aan een hogere
geschiedenis en hun merkwaardige voorstelIingen van het
universum als de kosmische .Jiomo maximus" ofwel grote
scheppingsmens.
Onbarmhartig brengen de sekten met hun polemiek de gebreken van
de kerk aan het licht en plaatsen haar voor vele problemen. Om
siechts enige van de vragen te noemen, die vanuit de sekten aan
de kerk gesteld worden: Hoe staat het met de kerkelijke tucht?
Een groot gedeelte van de kerkelijke gemeenten bestaat uit
louter doopleden, die nog wel in de kerkelijke registers vermeId
staan, maar zieh in de kerkdiensten nooit meer laten zien. Leden,
die duidelijk van onverschilligheid tegenover de verkondiging
van de kerk en het leven der gemeente blijk geven of het
evangelie zelfs openlijk minachten, zouden, nadat een
voorafgaand pastoraal gesprek negatief zou zijn verlopen, uit de
kerkelijke registers geschrapt moeten worden. De toediening van
de doop zou aan veel ernstiger voorwaarden gebonden moeten
worden. En het is een groot nadeeI, dat de jeugd op hetzelfde
ogenblik, waarop ze bij de bevestiging opgenomen wordt in de
gemeente der volwassenen, weer vrijblijvend aan haar lot wordt
overgelaten. ledere vereniging legt zijn Ieden bepaalde
verplichtingen op, die in de statuten zijn aangegeven. De
Chinese communistische partij - en zo zal het ook wel bij de
anderen zijn - stoot loder lid uit, dat zijn bijdrage niet
betaalt of zieh zes maanden lang nict actief betoont. Zou de
kerk haar leden niet tenminste tot bepaalde minimumprestaties
moeten verplichten, afgezien van de financiöle bijdrage? Ze zou
hun een massa mogelijkheden van dienstbetoon ter keuze kunnen
voorleggen: b.v. dat zij medewerken op een van de vele terreinen
van het gemeenteleven; een inrichting op het gobied van de
Christelijk-philantropische arbeid mee helpen dragen of met
regelmatige bijdragen het werk van de zen ding steunen. Aan werk
geen gebrek. Bovendien is het een bekende ervaring, dat van zo'n
taak een stimulerende werking uitgaat op degenen, die er zieh
nan geven. Wie echter uit volslagen onverschilligheid weibewust
in zljn passieve houding wil blijven volharden, zal de kerk
vanzelf de I'ug toe keren, als deze het lidmaatschap afhankelijk
maakt van de een of andere vorm van medewerking.
Men mene niet, dat hiermee inzake de afvalIigheid van de
volkskerk het verlossende woord gesproken is. Onze "volkskerk"
is echter in feite een massakerk geworden. Ze sleept een massa
mensen met zich mee, die afzijdig staan. Haar krachten zijn veel
te zwak om deze massa's te doordringen. Ze gelijkt op een
machine, die verstopt is en nog slechts moeizaam op gang
gehouden kan worden. De predikanten zijn overbelast en de
gemeenten veel te groot, Het zou voor beide winst zijn, als de
schare van onverschilligen uittrad. Dan zouden de kerkelijke
ambtsdragers hun werk kunnen concentreren. De gemeenten zouden
kleiner en overzichtelijker worden, maar hun geloofsleven en hun
innerlijke verbondenheid zouden erbij winnen. Het zou zichtbaar
worden, dat ze in de haar omringende wereid slechts een
minderheid vormt. Generaties lang was ze dat alreeds. Maar tot
nu toe was dit feit achter een sluier verborgen. Betekent
verwijdering van deze sluier, dat men nu de volkskerk vaarwel
zegt? In genen dele. Het publieke karaider van het evangelie
wordt daarmee allerminst aangetast. Eerst als dat zou worden
prijsgegeven, als de verkondiging van de kerk haar innerlijke
wijdheid zou verIiezen en de Christelijke gemeente zieh zou
onttrekken aan de opdrachten, die haar van "de wereid" uit
worden gesteid, eerst dan zou de kerk op weg zijn naar het
conventikel. Uitzifting van deze massale ledenaantallen is
zonder meer voorwaarde voor de gemeenten om weer een "zout" te
kunnen zijn en een nieuwe missionaire kracht te kunnen
ontplooien.
Een zeer ernstig puntis de jinanciering. De sekten zijn vrijwel
zonder uitzondering verstoken van staats-subsidies. Ze zijn
evenmin in de gelegenheid, hun leden via de belastingdiensten
een aanslag op te leggen. Ze zijn geheel en al op vrijwillige
bijdragen aangewezen. En desondanks beschikken ze over de
middelen, die ze nodig hebben. Het is hun gelukt, hun leden
offerbereid te maken. In de motieven, waarvan ze zieh daarbij
bedienen, kan de kerk hen niet volgen. Zij zal andere wegen
moeten gaan, die aangepast zijn aan haar eigen boodschap. Maar
zij zal er vastbesloten naar moeten streven, niet op andermans
krukken te steunen, maar op eigen benen te staan. De geldvraag
behoort niet tot de uiterlijkheden. De manier, waarop ze
opgelost wordt, is een graadmeter voor de geestelijke kracht en
de eerlijkheid van de kerk. Daarom mag men daar niet gemakkelijk
over heen lopen.
In onze tijd van massificering en vertechnisering, met zijn
verval van vertrouwde gemeenschapsvormen dreigt de mens zijn
geestelijk tehuis kwijt te raken. Hij is op zoek na ar nieuwe
gemeenschapskernen, die hem opnemen, hem geborgenheid,
broederschap en warmte geven en hem van zijn eenzaamheid
verlossen. Is de kerkelijke gemeente aan deze dringende behoefte
tegemoet gekomen? Is ze in haar huidige situatie eigenlijk wel
in staat om deze opdracht te vervullen?
In het Nieuwe Testament wordt de gerne ente vergeleken met het
lichaam van Christus: ieder is een lid van dat lichaam en
verricht de diensten van een lid en met elkaar zijn ze
samengevoegd tot de gemeenschap, waarvan Christus het hoofd is.
Hoever staan onze gemeenten van dit voorbeeld af! Daarom mag men
er niets van zeggen, als zoveel eenzame mensen een onderkomen
zoeken bij de sekten. Velen, die van de kerk naar een sekte
overlopen, doen dat niot op grond van een duidelijke
godsdienstige keuze - de diepe togenstelling, die er tussen de
reformatorische verkondiging en de leer van de sekte bestaat, is
hun onbekend, Maar waar deze mensen vurig naar verlangen en wat
ze in de kerkelijke gerne ente niet vonden. biedt de sekte hun:
de broederlijke gemeenschap van een huisgezin des geloofs.
In menige buitenkerkelijke gemeenschap wordt het hartstochtelijk
verlangen naar een levende nabijheid van jezus, naar een
persoonlijkr innige verbondenheid van de gelovige met zijn Heer,
beantwoord en vervuld. Is dit ook in de kerkelijke verkondiging
het geval? Wordt dit verlangen daar niet vaak door een koud
verstandelijke dogmatiche of alleen maar moraliserende prediking
en schriftuitlegging teruggestoten? Een jonge man die voordien
Christus haatte werd door een eenvoudige smid bekeerd. In zijn
geest drift storte hij zich op de Bijbel, die hij bijna
Ietterlijk verlond. Dagelijks las hij dertig tot veertig
hoofstukken. Zijn moeder stuurde hem naar de dominee. Deze
probeerde hem echter met verstandelijke redeneringen het
geloof aan het volledige Woord te ontnemen! Je moet in de bijbel
niet alles zo letterlijk nemen! Het jongmens was eenvoudig
verpletterd. Hij bedankte voor de kerk, die het 1evende geloof
in hem wilde verstikken. Tegenwoordig is hij een van meest
bekend predikers van de Pinksterbeweging in Europa. Hij heet
Hermann Zaiss!
De godsdienstoefeningen van de sekten vertonen wat de leer
aangaat veel bedenkelijks, Maar ze spreken de mensen meer aan.
Om verschillende redenen. B.v. omdat eenvoudige Iekenpredikers
vaak populair, naar het leven van alle dag en persoonlijk weten
te spreken. Of omdat in deze diensten een dramatisch samenwerken
van prediker en gemeente zichtbaar wordt. Of omdat er een
mysterieuze eredienst ontwikkeld wordt, die de behoefte aan
representatie van het goddelijke bevredigt. In onze kerkdiensten
kunnen we de sektarische vormen niet na gaan doen. Ze zijn aan
een andere wereld ontsproten. Maar men zou alles moeten doen om
de kerkdiensten aantrekkelijk te maken. Ze zijn vaak zo koel,
docerend, vormelijk en vervelend. Liturgisch is alles goed
geordend. En op de preken valt theologisch niets aan te merken.
En de gerne ente zit stil in de banken en luistert toe. Maar de
spontaniteit en de gloed ontbreken. Dat was in de gemeenten van
de apostolische tijd anders. Hoe kunnen we onze kerkdiensten
levendiger maken? Met de liturgie te verrijken en te verfijnen
komen we er niet. Met verbetering van de prediking ook niet.
Uiteindelijk brengt deze vraag een geestelijke armoede aan het
licht. Meer dan de helft is reeds gewonnen, als deze armoede
erkend wordt en deze erkenning zieh omzet in een vurig,
onophoudelijk gebed, dat de Heilige Geest ons daarvan afhelpe.
Verder en dieper voert ons de vraag, waar in de verkondiging en
in het geloofsleven van de kerk de geestesgaven nog een plaats
vinden. In de Nieuwtestamentische gerne ente hadden ze een grote
betekenis. Paulus spoorde de Corinthiers aan er naar te "streven".
Wordt er in de kerk nog naar gestreefd? Deze vraag wordt haar
ook van uit de Pinksterbeweging gesteld. Ze mag die niet
onbeantwoord laten. Zeker, ze heeft gelijk, als ze de "geestesgaven",
die in de Pinksterbeweging optreden, critisch beoordeelt. Maar
dat ontslaat haar niet van de verplichting, de geestesgaven in
haar verkondiging te betrekken en ze tenminste weer in het
gezichtsveld van de gemeente te brengen. Ze beschikt niet over
de macht, ze op te wekken - dat heeft de Heilige Geest alleen
Zichzelf voorbehouden. Maar er mag en er moet om gebeden worden.
Een van deze geestesgaven is "de gave der gezondmaking" (1 Cor.
12, 9). De dienst der genezing is daarenboven aan de gehele
Christelijke gemeente opgedragen en behoort tot de volmacht van
het geloof (Mare. 16, 16-18). De wijze, waarop de gemeente deze
opdracht heeft te vervullen, is in Jae. 5, 14-16 beschreven. Hoe
is het in de kerk gesteid met de bijbelse genezing van zieken?
Op enkele sporadische resten na is ze verloren gegaan. Mag ze
zieh erover beklagen, als deze dienst nu door seeulaire
genezingsbewegingen en sekt arische wondergenezers ter hand
wordt genomen en op een niet altijd even heilzame manier wordt
uitgeoefend? Eerst in de laatste decennia is de bijbelse
opdracht tot genezen ook binnen de kerk weer ontdekt en
aangegrepen, bevrueht door de psychosomatische geneeskunde en
gestimuleerd door de massale toeloop, die genezers en
genezingsbijeenkomsten zowel op wereids terrein alsook in de
Pinksterbeweging vonden. Het zou goed zijn, als het werk van de
oecumenisehe St. Lukas-erde diep in het bewustzijn en het
geloofsleven van de gemeenten door zou dringen.
AI met al leeft de kerk niet meer in een geestelijke volheid. En
het beste, dat ze ziehzelf toewensen kan, is een heilige
ontevredenheid, die met het oog op deze armoede en dorheid niet
tot rust komt. Deze ontevredenheid kan vom haar nooit een
aanleiding zijn, um de sekten bepaalde concessies te doen. Maar
ze zal achter de sektarische beweg in gen een vermanende
roepstem Gods horen. Hij gobiedt haar niet alleen de dwaalleer
te weren, maar vöör alles tot zichzelf in te keren en terug te
keren tot de waarheid, waaruit ze leoft en waardoor ze gedragen
wordt.
De wereld der sekten tussen Protestantisme en
Katholicisme
I. Beide grote confessies worden door een scha;e sektarische
ucllieten begeleid. Bij het Protestantisme is dit aantal
belangrijk groter dan bij de Roomse kerk. Niet alsof deze
Iaatste hier immuun voor zou zijn. Als de Katholieke "sekten",
tenminste in wijdere zin, zijn volgens de definitie van
Algermissen te noemen: de OudKatholieke kerk (gesticht in 1871),
de Liberaal-Katholieke kerk in Engeland(gesticht gedurende de
eerste wereldoorlog), de Mariavieten in Polen (ontstaan in
1906), de sekte van Heroldsbach (sedert 1949/ (50). de Polish
National Catholic Church in de Verenigde Staten ( 1897) en de
Iglesia Filippina Independiente op de Philippijnen ( 1902). Maar
daarenboven is van oorspronkelijk Katholieke zijde ook nog
menige bijdrage gekomen tot versterking van het Protostantse
sektewezen. Niet weinig figuren van Katholieke herkomst zijn
stichters of leiders van aparte religieuze gemeenschappen en
sekten geworden. Zo was b.v. de stamapostel J. G. Bisehoff van
origine Katholiek. Uit de Katholieke wereId komen Jacob Lorber,
Rudolf Steiner, [oh. E. Keller (stichter van de
Perfectionistische Kellergemeenschap) en joseph Weissenberg
voort. Protestantse sekten als [ehova's Getuigen, de Kerk van
het Godsrijk, de Adventisten en menige Pinkstergemeenschap
hebben vele leden gewonnen uit de Katholieke kerk,
Over het algemeen genomen is het Protestantisme veel "productiever"
in het verwekken van sekten, Hoe komt dat? De motieven zijn
verschillend van aard. De Katholieke kerk kent een autoritaire
binding en leiding van de gelovigen. De Katholieke dissenter
heeft he el wat sterke innerlijke remmingen te overwinnen, voor
hij bereid is in tegenspraak tot zijn kerk een eigen
geloofswaarheid aan te hangen of zieh bij een sekte aan te
sluiten. De Protestant daarentegen mist niet alleen een
uiterlijke en innerlijke autoriteit, die met het pausdom te
vergelijken is, maar loopt gemakkelijk gevaar in de uitlegging
van de Schrift een dilettantisme of subjectivisme te huldigen,
dat de text van de Schrift ervoor gebruikt eigen vondsten en
lievelingsideeen bevestigd te willen zien en uit te geven voor
goddelijke waarheid.
Daar komt bij: De Katholieke kerk is zo ruim gebouwd, dat ze
binnen haar muren aan vele vromen en graden van vroomheid
onderdak verleent. Daarom heeft ze rijke mogelijkheden om
allerlei uiteenlopende opvattingen op te vangen, hun woonruimte
toe te staan en hen zodoende voor afsplitsing te bewaren. Het
Protestantse geloof is veel minder soepel. Daarby komt, dat de
Protestantse vroomheid in de grond van de zaak naar binnen
gekeerd is en ook aan de kerk het kenmerk van eenvoud of wel
nuchterheid verleent. Ze is karig in haar cultische vormen.
Afgezien van de musica sacra kwam ze in beeldend vermogen ver
ten achter bij de Katholieke kerk. Daarom is ze ook niet in
staat op gelijke wijze als deze de mens in zijn veelheid van
gemoedsgesteldheden en noden aan te spreken. Ze kan hem ook niet,
vooral in tijden van levenscrises of historische catastrophen,
het gevoel van geborgenheid schenken, zoals de Roomse kerk dat
vermag in haar imposante, wereldwijde eenheid, haar geestelijke
macht en autoriteit en haar ziehtbare vertegenwoordiging van het
goddelijke.
2. Er is nog een diepere grond, waarom er binnen de ruimte van
de reformatorische kerken zoveel meer sekten werden geboren.
Maar alvorens daarop in te gaan, moeten we een andere overweging
vooraf doen gaan. We hebben vastgesteld, dat de sekte een
antithetiek aan de dag legt tegenover de moedergemeenschap. Maar
staan de Protestantse sekten met hun protest tegen Wittenberg en
Geneve dan niet in hetzelfde kamp als de Roomse kerk? Inderdaad,
als men het sektewezen in al zijn schakeringen overziet, ontmoet
men overal .Katholieke" elementen. In de wereId van de
Protestantse sekten zijn ze fragmentarisch over de afzonderlijke
gemeenschappen uitgestrooid, in de Katholieke kerk zijn ze in
een indrukwekkende eenheid samengevat. De autoriteit van de
pauselijke stoel koert terug in de volmachtsaanspraken van
goddelijke incarnaties of uutoritaire arnbtsdragers bij talrijke
sektegemeenschappen. De exclusieve waarheidspretentie en de
gelijkstelling van de eigen gemeenschap met de heilsgemeente
heeft een analogie in de vereenzelviging van de Katholieke kerk
met het mystieke lichaam van Christus en in de grondstelling:
Extra ecclesiam nulla salus. De rijke eredienst en het
sacramentalisme vindt men terug in de Christengemeenschap en in
de Mormonenkerk. De onderscheiding van de Christenen in de grote
massa en de meergevorderden, zoals die bij du Perfectionisten en
de Pinksterbeweging aangebracht wordt, keert In dc Katholieke
kerk, zij het onder een zeer knappe, wijze ordoning, terug in de
groeperingen van lekenstand en clerus, van profane lieden en
ordebroeders. Zoals de sekten het principe van du sola scriptura
vaarwel hebben gezegd, zo heeft de Roomse kerk aan de autoriteit
van de Schrift nog de traditie en het onfeilbare leergezag
toegevoegd. Horen de Protestantse sekten dus principieel niet
aan de kant van de Roomse kerk? Zijn ze niet beide verbonden
door het feit dat ze de theologia crucis verdrongen hebben door
de theologia possessionis? Moet men derhalve niet ook de
Katholieke kerk een sekte noemen?
lnderdaad zou men daarvoor heel wat argumenten kunnen aan voeren
Maar ik zou het des ondanks met deze indeling toch niet eens
zijn. Zij doet aan de volheid van de Katholieke kerk geen recht.
Deze volheid bevat niet alleen de motieven, die aan de
sektenwereld inhaerent zijn, maar ook evangelische elementen.
Deze verschaffen aan de individuele Katholiek de mogelijkheid om
zieh onder het kruis te stellen en niet slechts zijn eigen
geIoofsleven daaraan te orienteren, maar ook de dogma's,
verordeningen en cultische regels van zijn kerk te
verinnerlijken, met een evangelische geest te vullen en
onderscheid te maken tussen wat essentieel is en wat niet.
En nu dan de vraag, waarom binnen het bereik van het
Protestantisme de sekten zoveel weliger tieren. De diepste reden
daarvan is, dat de reformatie met haar sola gratia, sola fide de
machtige boom van de Katholieke heilsleer en
heilsverwerkelijking geveld heeft. Ze heeft daarmee enerzijds
het geloof van het twijfelachtige van alle menselijke strevingen
bevrijd en het op de vaste bodem van de goddelijke beloften
geplaatst. Maar anderzijds vergt ze van de gelovige, dat hij
afziet van iedere beveiliging en garantie door eigen activiteit
of door een kerkelijke autoriteit. Dat is een last, welke de
Kathollek niet heeft te dragen. Het is geen wonder, dat er op
Protestants erf steeds weer pogingen worden ondernomen, om deze
last van zieh af te schudden. De sektenvormingen, die daarbij
ontstaan, zijn in de grond van de zaak niets anders dan wild-woekerende
zijloten aan de stronk van de door de reformatie afgehouwen boom
van de Katholieke heilsleer. Ze nemen de principes en
structuurelementen van deze heilsleer weer op, zij het ook in
velerlei vermommingen en in fragmentarische vormen. In hun
protest tegen de Protestantse kerk keert posthuum de antithetiek
tussen Rome en reformatie terug, slechts met dit verschil, dat
de sekten een protest tegen de reformatie vertegenwoordigen, dat
van binnen uit komt.
3. Ons onderzoek heeft aangetoond, wat de notae sectae, de
kenmerken van de sekte zijn, te weten: het zieh meester maken
van de genade en als gevolg daarvan de theologia gloriae sectae
en de theologia possessionis. In het zieh meester maken van de
genade zijn veel graderingen. Hoe sterker de sekte de genade in
haar greep tracht te krijgen en monopoliseert, des te
ondubbelzinniger is ook de theologia gloriae sectae en de
theologia possessionis ontwikkeld, Het omgekeerde geldt
insgelijks. Het sektarisme is derhalve geen homogeen
verschijnsel, maar vertoont vele overgangen en nuances.
Het is ook geen star verschijnsel. De geschiedenis van de sekten
kent naast verwijderingook een teenadering tot de kerk, Deze zet
telkens daar in, waar de theologia possessionis twijfel gaat
oproepen. Van hieruit worden dan ook de andere posities onzeker.
Er ontstaat een zeker vacuum. En in dit vacuum stromen elementen
van de bijbelse waarheid na ar binnen. Er bestaat een intieme
correlatie tussen de theologia possessionis en de theologia
crucis: hoe sterker de ene wordt uitgebouwd, des te meer
verliest de andere aan geldigbeid.")
Samenvattende kan men zeggen: De Protestant se sekten nemen cen
bijzondere plaats in tussen Rome en de reformatie. Ze zijn met
Rome verbonden door de gemeenschappelijke antithetiek tegenover
de reformatie, bereiken echter in hun thetiek niet de volheid
van de Roomse kerk, maar nemen er genoegen mee, bepaalde
motieven van de Katholieke leer en vroomheid verder uit te
werken. Aangezien zc vanuit hun Protestantse herkernst de
afwijzing van Rome als erfgoed hebben meegenomen, zullen ze zieh
bij een bredere ontplooiing van hun sektarisch karakter nooit
ontwikkelen in de richting von de Katholieke kerk, maar zieh van
haar verre houden en tegenover haar "extra ecclesiam nulla salus"
hun rivaliserend "extra Huctam nulla salus" zetten. Tegenover de
reformatie staan de sekten weliswaar in een protesthouding, maar
ze zijn door een so ort "communtcerend vat" met haar verbonden.
Afhankelijk van de mate, wuurin ze de theologia possessionis
verder uitbouwen, neemt ook dn vorwijdering van de Protestantse
kerk toe of af. De mate, waarin do thoologia crucis al of niet
haar invloed doet gelden, bepaalt ook de mate van hun sekte-zijn
en daarmee van de verwijdering van de kerk
Enige regels voor het gesprek met de sekten
Het gesprek tussen kerk en sekte vindt veelal plaats in een
atmosfeer van bitterheid. Daaraan werken versehillende motieven
mee, die bepaald niet uit het Nieuwe Testament stammen.Voorzover
de kerk in zulke motieven gevangen zit, is ze het aan de zaak
die ze voorstaat, verplicht, zieh daarvan vrij te maken en het
gesprek zo te voeren, dat het voor haar Heer bestaan kan.De
volgende regels zijn bedoeld als een hulp in deze zin.
1. Wat betekent "gesprek" met de sekten? Het is niet een
bijzondere kunst van discussieren of argumenteren met de
bedoeling de tegenstander te weerleggen, zijn bewijzen te
ontzenuwen en hem van zijn motieven te beroven. Het is beslist
niet zoiets als het poneren en handhaven van een theologisch "stootblok",
dat men speciaal voor de bestrijding van de sekten in elkaar
timmert. "Gesprek" is eerst dan en in zoverre geoorloofd en
geboden, als het onverkorte verkondiging is - betuiging van de
waarheid van de Schrift midden in de wereld van de sekten en
actualisering van deze waarheid ten overstaan van de sektarische
leer. Die actualisering heeft een positieve en een polemische
kant. Daarbij moet de nadruk vallen op de positieve ontvouwing
van de Schriftwaarheid en niet op de polemiek. Want als
uitsluitend de polemiek aan het woord komt, kan ze alleen
weerleggen en niet overtuigen. Het gesprek moet de hoogste mate
van zakelijkheid paren aan die deemoedige, evangelische
geesteshouding, die tot het wezen van het Christen-zijn behoort.
Want het gaat er om de dwalenden te winnen, niet om hen te
kwetsen. Waar liefdeloos en hoogmoedig geoordeeld wordt, schiet
men het doel voorbij. In laatste instantie is niet de kwaliteit
van de bewijsgronden en de logica van de weerleggingen
beslissend, maar de deemoed van het geloof. Alleen deze deemoed
verleent aan het getuigenis van de kerk en, waar dit nodig is,
ook aan haar zwijgen kracht, omdat ze een weerschijn is van de
zaak, waaruit ze leeft, namelijk van de genade.
2. Het gesprek wordt van kerkelijke zijde vaak vergiftigd door
de omstandigheid, dat het gepaard gaat met een dergelijk
complex, dat eigen is aan degene, die zieh van oudsher de
bezitter voelt en die de werving door de sekten als een
ongeoorloofde en boosaardige aanval op een kerkelijke bezitting
ondergaat en de sektariörs beschouwt als provocerende indringers
in een gebied, dat sedert eeuwen eigendom is van de kerk. Achter
dit standpunt zullen wel motieven schuil gaan, die uit
gemakzucht, traditioneie gebondenheid of een egoistisch
kerkelijk denken voortkomen, maar voor de Schrift is dit nooit
te rechtvaardigen. De kerk heeft niet zoiets als een haar door
God voor alle tijden gewaarborgde "staat van bezit". De zielen,
die haar zijn toevertrouwd, zijn voortdurend aan allerlei
gevaren blootgesteld, zodat ze werkelijk om hen moet vechten. Ze
mag geen ogenblik haar waakzaamheid laten verslappen - en
waarlijk niet alleen tegenover sektarische dwaalleringen!
3. Het pastoraat, dat aan de kerk is opgedragen, verbiedt haar
naar ongeestelijke middelen te grijpen - b.v. de hulp van de
overheid in te roepen - om de gemeenten voor de propaganda van
de sekten te beschermen. Het zou een bewijs van kleingeloof zijn,
als men het Woord van God niet zelf in staat achtte, om aan de
verleiding weerstand te bieden. En het zou een erkenning van
eigen zwakheid zijn, als men zou menen een sterk toenemende
werving van de zijde van de sekten alleen te kunnen tegengaan,
door met behulp van overheidsmaatregelen een verdedigingsmuur om
de gemeenten op te bouwen. Wie meent, dat het de opdracht van
het pastoraat is, de gemeente om zo te zeggen in de watten te
leggen cn haar tegen ieder tochtje te beschermen, ziet het
verkeerd. Men bewijst de gemeente daarmee geen dienst.
Integendeel, men berooft haar, zodoende van de geestelijke winst,
die in ieder "gesprek", dat zuiver en juist gevoerd wordt,
besloten ie. Vanouds heeft de ervaring bewezen, dat het Woord
Gods juist in de aanvechting door een vreemde leer leven wekt,
omdat het de gemeente voor de keuze stelt en haar dwingt zich te
bezinnen op het fundament en de juistheid van haar geloof en de
waarheid daarvan te belijden. Het pastoraat vraagt daarentegen
van de kerk, dat zij - en dat zijn niet .llocn de ambtsdragers,
maar alle levende leden van de gemeente tegenover de
dwaalleraars getuigt van de waarheid van de Schrift, de
aangevochtenen bijstaat en de afvalligen verontrust.
4.De sekten opereren in hun polemiek tegen de kerk graag met de
comparatief: "Bij ons vindt men meer geloof, meer echte
vroomheid, een zuiverder gemeente, een diepere kennis van de
waarheid en een grotere trouw aan de letter van de Bijbel dan in
de kerk!" Dit argument verdoezelt het feitelijke onderscheid.
Bij de tegenstelling tussen kerk en sekte gaat het niet om meer
of minder, maar om de tegenstelling tussen tweeerlei
waarheidsleer. Omdat deze tegenstelling tot aan de wortel reikt,
is ze niet partieel, maar totaal. De kennis van de waarheid
verloopt bij de reformatie van haar uitgangspunt af in een
andere richting en Iangs een andere weg dan de waarheidsleer van
de sekten. De sekten gebruiken weliswaar de zelfde bijbelse
elementen en begrippen, maar deze hebben bij hen een andere
plaats en een ander aceent, en krijgen bij hen ook een andere
inhoud en toepassing. Het gesprek met de sekten mag zieh
derhalve niet tot enkele aparte Ieerstukken beperken, en het
overige van de leer in de mening, dat men het daarover wel samen
eens is, terzijde laten, maar moet het geheel van de sektarische
geloofsposities in ogenschouw nemen en daaraan de waarheidsvraag
stellen.
5. De waarheid welke aan de kerk is toevertrouwd en waarvan ze
tegenover de sekten getuigen moet, is een waarheid van bijzonder
karakter. Ze is niet een product van de menselijke geest, maar
het "Woord Gods". Gods majesteit leeft in haar. Daarom heeft ze
een souverein recht over de kerk. Dat betekent, dat ze aan de
kerk is toevertrouwd, maar haar niet ter beschikking is gesteld.
Veeleer andersom: de kerk is aan de waarheid ter beschikking
gesteld. De waarheid kan nooit een "werktuig" en een instrument
van de kerk zijn. Wel echter moet de kerk er alles op zetten een
bruikbaar werktuig van Gods waarheid te worden. Dat zal ze
vooral ook bij haar gesprek met de sekten moeten bewijzen.
6. Omdat de waarheid Gods boven de kerk staat en souverein is,
is ze niet aangewezen op menselijke verdediging. Ze verdedigt
zichzelf. Alle kerkelijke apologetiek kan niet anders dan
handlangersdienst zijn. Ze moet zieh de begrensdheid van haar
opdraeht bewust blijven en werken in het vertrouwen, dat het
Woord zijn zaak zelf behartigt. Dan moet ze ook niet op snelle
en ziehtbare suecessen bedacht zijn, maar mag ze alles aan God
overlaten. Hij zal ervoor zorg dragen, dat het Woord, in
gehoorzaamheid verkondigd, niet ledig weerkeert. God heeft een
lange adem en Hij wacht de uitwerking van zijn Woord geduldig af.
Daarom mogen nerveusiteit en geprikkeldheid in het gesprek met
de sekten nooit voorkomen, evenmin als matte berusting. Dat zijn
gevolgen van kleingeloof of van verlooehening van de rol van
handlanger, die de mens toebedeeld is. Wie weet heeft van de
macht van het Woord Gods, zal onversaagd en blijmoedig blijven,
ook al dreigen de golven der verleiding hem te overspoelen.
7. Het Woord heeft, omdat het het Woord Gods is, een heilige
waardigheid aan zich. Deze waardigheid mag in de strijd der
overtuigingen niet gekrenkt worden. Wie haar schaadt, maakt zieh
schuldig voor God en tast de geloofwaardigheid van het Woord aan.
aan. Men sehaadt de waardigheid van het Woord, als men er op een
onwaardige, d.w.z. ongeestelijke wijze, mee optreedt tegen de
dwaalleraars. Daarom geldt de stelregel, dat wie van dit Woord
in het gesprek met de sekten getuigen wil, zich allereerst zelf
door de waardigheid van het Woord verplicht moet weten. Hij zal
dan van alle onwaardige strijdmiddelen afzien, ook al zouden ze
van menselijk oogpunt uit "efficient" zijn. Hij zal - om enige
voorbeelden te noemen - tegenover de sektariers de ernst van hun
overtuiging niet in twijfel trekken, Hij zal hen niet als
kwaadwillige of minderwaardige lieden behandelen. Hij zal over
hun leer of hun gedrag geen vals getuigenis geven. Hij zal hen
niet op de een of andere wijze persoonlijk in discrediet brengen,
lasteren of krenken. Hij zal integendeel zijn best doen, om
binnen het bereik van het menselijk mogelijke alles ten goede te
keren. Daarom zal hij tegen kwalijke vooroordelen, die met de
waarheid in strijd zijn en zoals ze maar al te veel over de
sektarisehe gemeensehappen in omloop zijn, opkomen. Hij zal
vrijmoedig het goede, dat er bij hen gevonden wordt, erkennen -
en er is veel, dat deze erkenning verdient: de grote
overtuigingskracht, de offerbereidheid, de trouw aan het
belijden, de ernst van hun zedelijk streven, de broederlijke
band met elkaar, de bereidwilligheid om spot en maatschappelijke
discriminaties te aanvaarden. Hierin geven de sekten voorbeelden,
waarrnee ze de kerkelijke gemeenten veelszins beschamen. Wie
zich door de waardigheid van het Woord Gods verplicht weet,
heeft geen enkele neiging meer tot kleinzielig geruzie. Hij
heeft ook de vrijheid de dingen, waarin de sekte een voorbeeld
is, te waarderen en daaruit de vermaning te vernemen, die zich
tot de kerk zelf richt. Anderzijds zal hij betweterij, waar hij
die van de kant van de sekten tegenkomt, met geduld tegemoet
treden, fanatisme met rustige vastberadenheid, en aanmatiging
met de belijdenis van de gekruisigde, Hij zal alles, wat naar
demagogie zweemt, tot het uiterste vermijden, Als het tot
openlijke discussies komt, zal hij van zijn kant alles doen om
te verhinderen, dat deze in paradegevechten ontaarden, Waarbij
ieder onder alle omstandigheden het laatste woord wil hebben en
als "overwinnaar" het slagveld verlaten wil. Hij zal zich ookk
bij zulke discussies eraan laten herinneren, dat hij niet anders
heeft te zijn dan handlanger van het Woord en dat zijn
opdracht niet is, de tegenstander uit het veld te slaan, maar om
in alle eenvoud te getuigen van de waarheid.
8. De kern van deze waarheid is het Woord van de heilige
majesteit Gods en de boodschap van het kruis. Het is geen
academischvrijblijvende waarheid, maar een die eisen stelt. De
eis richt zich allereerst tot degene, die haar verkondigt, en
houdt in, dat hij zich door haar laat overwinnen. Alleen wie
zelf een overwonnene is, kan geloofwaardig van haar getuigen.
Wie deze waarheid wil verkondigen, zonder overwonnen te zijn,
kan haar wel trachten te handhaven, maar zonder zijnerzijds haar
werktuig te zijn. En daaarmee vervalst hij haar grondig. Want
hij keert de verhouding, waarin de mens staat tot Gods waarheid,
om in haar tegendeel: hij werpt zieh op als heer en meester over
haar en vernedert haar tot zijn werktuig, dat hij zo efficient
mogelijk en met theologisch, tactisch, rhetorisch, psychologisch
raffinement etc. gebruikt om de dwalenden te weerleggen. Dat is
een ernstig misbruik. Het veroorzaakt bij de tegenstander
misschien verlegenheid of bitterheid, maar geen gewetensonrust
en geen bekering. En het richt zieh ook te gen de dader zelf.
Men ver gisse zich niet: Het Woord Gods is een tweesnijdend
zwaard. Het wordt ook degene, die het alleen maar gebruikt als
een wapen om anderen mee te wonden, tot een oordeel.
9. Het Woord Gods staat boven de kerk. De opdracht tot het
gesprek met de sekten houdt in, deze terug te roepen tot de
gehoorzaamheid onder het Woord. De kerk zou haar doel missen,
als ze het louter als haar opdracht zag, zichzelf in haar
concrete gestalte te verdedigen en er voor te zorgen, dat de
gemeenten in zichzelf gerust en van zichzeIf zeker zouden zijn.
De zichtbare kerk is niet identiek met het Woord. Ze is veeleer
- evenals de sekten ook zijn - vanuit het Woord geroepen om te
horen en te gehoorzamen. Ze mag zieh geen ogenblik uit deze
creatuurlijke positie ontslagen achten. Daarom zou het gesprek
met de sekten in een poel van zeIfvoldaanheid eindigen, als het
de sekten zou willen confronteren met de kerk en hun uit deze
vergelijking de veelvuldige voordelen van de kerk zou willen
bewijzen. Het is alleen dan legitiem, als het zich moeite geeft
de sekteleer te confronteren met het W oord. Deze confrontatie
sluit echter in, dat de kerk tegelijkertijd ook zichzelf doorhet
Woord ter verantwoording en tot de orde laat roepen. Als ze
zichzeH zou elimineren, zou het gesprek verworden tot een
farizeische aangelegenheid. Waar echter de kerk zichzelf erbij
betrekt en met de roep tot gehoorzaamheid, zoals die vanuit het
Woord tot de sekten uitgaat, aIIereerst zelf ernst maakt, komt
het gesprek op een hoger plan. In dit vlak krijgt het getuigenis
van de kerk zijn vereiste geloofwaardigheid, omdat ze het voor
zichzelf laat gelden. Enhet gesprek met de dwaalleer wordt haar
tot heil, omdat ze zichzelf met nieuwe ernst door het Woord
terecht laat wijzen. En tenslotte kan het in dit vlak gebeuren,
dat een diepe solidariteit zichtbaar wordt, waarin beide, kerk
en sekte, samen onder het Woord staan - de solidariteit van
degenen, die God roept, die vom Hem schuldig staan en aIIeen uit
zijn genade kunnen leven. Het ligt in de macht van de Heilige
Geest, on der de zegenende werking van het Woord uit dit
gebeuren zowel een geestelijke overwinning van de dwaalleer als
een hereniging in de gemeenschap van het geloof van hen, die nu
gescheiden zijn, te laten ontkiemen.
| Geplaatst op: 14-12-2012
De redactie apostolischeobserver.nl |
|
|