|

Centraal Kerk in Londen, Gordon Square. Deze werd op 24 December
1853 door Apostel Cardale ingewijd.
Het ontstaan en
verdwijnen van een
Kerkgenootschap
De katholiek Apostolische Kerk
J. Waerts
2007
De publicatie rechten
berusten bij:
apostolisheobserver.nl
2012
Van alpha tot openbaring
De opkomst en het verdwijnen
van een kerkgenootschap.
Ter inleiding
Binnen de kerken werd, vooral na
de tweede wereldoorlog, de roep naar eenheid, eucumene, sterker.
In 2004 vormden de Hervormde,
Gereformeerde en Lutherse kerk de Protestantse Kerk Nederland,
PKN, nadat zij eerder jarenlang “Samen-Op-Weg” waren gegaan.
Deze PKN leidde er echter ook
toe dat enige plaatselijke kerken een eigen weg gingen, buiten
de PKN om, en een eigen kerkverband vormden zoals de Hersteld
Hervormde Gemeente. Op dit moment is alles nog niet in rustige
banen, en hoe het over enkele jaren zal zijn, is niet te
voorzien.
Of deze PKN werkelijk gevormd
werd uit de wil om eenheid, of afgedwongen werd door
teruglopende ledenaantallen en dus een min of meer “economische
noodzaak” was, zullen we buiten beschouwing laten.
Ook de kleinere gereformeerde
gezindten hebben een eigen oecumenisch orgaan. Of dat zal leiden
tot hereniging van deze kleine kerken, is de vraag. Zij hebben
echter weinig op met de PKN.
Toch, de wil om een kerk te
vormen, gelijk aan de uitspraak van Jezus, “Vader, ik wil dat ze
één zijn”, is bepaald niet nieuw.
Bijzonder het pogen van enkele
Engelsen om de eenheid binnen de kerken te bewerkstelligen,
o.l.v. apostelen, verdiend juist in deze tijd de aandacht.
Deze groep vormden zich nadat er
signalen ontvangen waren dat de kerk, de wil van God volgen
moest. Of het ontvangen van die “boodschap”, herstel van de
kerkeenheid, herstel van Israël, inderdaad een boodschap van God
was, daarover zullen de meningen verdeeld blijven.
Hoe het ook zij, er waren in die
tijd mannen, die gevolg gaven aan de boodschap die zij zeiden
ontvangen te hebben, om daden te verrichten die naar Gods wil
waren.
Zij vormden een apostelcollege,
zoals in Jezus tijd er mannen waren die, nadat ze van Hem
geleerd hadden, een apostelcollege vormden. Apostel de betekenis
van het woord: Boodschapper (van God), Gezondene.
Deze Engelse apostelen wensten
aanvankelijk geen eigen kerk te stichten. Hun doel was de
bestaande kerken te herenigen onder apostolische leiding. Het
was hun wens om gehoor te geven aan de wil van Christus, om de
eenheid binnen de christenheid tot stand te brengen..
2De christelijke kerken in die
tijd, we spreken dan voornamelijk over de eerste helft van de
negentiende eeuw, hadden nog een belangrijke invloed op het
staatsgebeuren, en zeker in Engeland was dat het geval. Ook de
functie van predikant of pastoor was een vooraanstaande, van
aanzien en welstand.
Deze functionarissen zouden bij
de hereniging van de kerken hun vooraanstaande positie mogelijk
verliezen. In die tijd waren de kerken nog vol en het inkomen
was verzekerd. Waarom zouden zij zich wagen aan een streven
waarbij ze mogelijk hun positie en inkomen zouden verliezen.
Het streven van de Engelse
mannen om dienstbaar te zijn aan de gehele christenheid, werd
daarom niet geaccepteerd. Noodgedwongen verenigden zij zich in
een eigen kerkorganisatie, waarbij echter het streven naar een
herenigde kerk nooit werd opgegeven. Zelfs nu nog, terwijl de
meeste leden gastvrijheid genieten binnen de bestaande
kerkgenootschappen, is dat streven niet opgegeven.
Van hen, die zich bij hen
aansloten, werd ook verwacht dat zij lid bleven van hun eigen
kerk. Dat leidde tot merkwaardige situatie’s. In de ene kerk
werd het geaccepteerd, in de andere niet. In het ene land werd
het geaccepteerd, in de andere niet.
De Engelse apostelen verwachten
niet dat zij van de aarde zouden worden weggenomen voordat de
eenheid binnen de bestaande christelijke kerken tot stand was
gekomen. Zij bleken echter net zo sterfelijk als ieder ander
individu. De laatste Engelse apostel overleed in 1901, en
daarmee eigenlijk ook de kerk die zij gesticht hadden.
Zoals reeds aangegeven, tot op
de dag van vandaag bestaan nog restanten van dit
kerkgenootschap, vooral in Duitsland, maar ook in ons land.
Naast Engeland was de grootste organisatie in Duitsland.
Het was ook daar, in Hamburg,
dat een scheuring plaats vond. De strijdvraag had betrekken op
het aanvullen van het aantal apostelen dat inmiddels, 1863,
overleden was. Toen een Duitse apostel ingezet werd, volgde een
scheuring.
Uit deze Duitse tak zijn enkele
apostolische kerken ontstaan, maar het unieke, het streven naar
een eenheid binnen de bestaande kerken, is los gelaten. Het zijn
kerken of kerkjes, geworden naast de andere kerken. Sterker nog
de huidige streven naar een oecumenisch verband is aan hun “deur
voorbij gegaan”.
Het wekt misschien verwondering
dat het apostolische werk pas zeer laat, in 1867, in Nederland
van start ging.
Kerkelijk Nederland had in de
negentiende eeuw te maken met een aantal ontwikkelen die zozeer
alles in beslag nam dat niemand er behoefte aan had om nog een “partij”,
de katholiek-apostolischen, er bij te hebben.
Dat betekende echter geenszins
dat dit werk, dat in Engeland begonnen was, hier onbekend was.
Integendeel, al in een heel vroeg stadium was dat hier bekend en
met name bij de Reveil-man Willem de Clercq die een groot
bewonderaar was van Edward Irving.
Daarom zal ook de nodige
aandacht besteed worden aan de kerkelijke ontwikkeling in
Nederland in dezelfde periode als waarin de
katholiek-apostolische gemeenten en met hen het oecumenische
gedachtengoed, veld begon te winnen.
Het is geenszins de bedoeling
ëen der kerkgenootschappen in een gunstiger daglicht te stellen
ten opzichte van anderen. Onze wens is vooral aan te geven dat
het streven naar oecumene niet nieuw is, dat er hobbels en
obstakels waren en zijn die dat streven niet eenvoudig maken..
De bijbelcitaten stammen zoveel
mogelijk uit de nieuwste bijbelvertaling, enkele citaten
daargelaten.
Maar hobbels en obstakels kunnen
uit de weg geruimd worden als slechts een wens van van Jezus
vervuld wordt:
“Vader, ik wil dat ze een
zijn”.
Apostelen en Reformatoren ...
"Wij weten weinig over de
beginperiode. Er word ons iets verteld over het handelen van
Petrus, Johannes en Paulus maar heel weinig over de andere
apostelen.
Nog minder weten we over dat wat
in de verschillen de gemeenten voorgevallen is toen ze gesticht
werden.
Inderdaad, wij weten minder over
de kerk uit het begin van haar geschiedenis dan we over het werk
van de apostelen in deze tijd weten. Maar het is hetzelfde werk
en draagt dezelfde kenmerken.
Het weinige dat we weten over de
handelingen der apostelen is van het grootste belang.
Ongetwijfeld heeft God het in Zijn grote
wijsheid nodig geacht het werk van de Oerkerk, om redenen die
ons niet bekend zijn, voor onze ogen te verbergen.
Misschien gebeurde dat om ons
erop te wijzen dat het apostolische werk niet afgesloten was
maar, als de tijd gekomen zou zijn, voortgezet zou worden en wel
door andere arbeiders, die Hij in Zijn wijngaard zou zenden."
Edward Trimen, Priester-Evangelist
van de Katholiek-Apostolische Gemeente, 1890.
Maar toen de tijd gekomen was,
zond God Zijn Zoon. (Gal. 4:4)
Nergens is in de Heilige Schrift
te lezen dat enig ambt, na verloop van een bepaalde periode, zou
kunnen vervallen. De Heer Jezus zelf sprak daarover: "Ga dus op
weg en maakt alle volken tot mijn leerlingen door hen te dopen
in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun
te leren dat ze zich moeten houden dat alles l wat ik jullie
opgedragen heb en houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle
dagen, tot aan de voltooiïng van deze wereld." (Matth.
28:19-20)
Toch, ondanks de vele
vermaningen in het Nieuwe Testament, met name van apostel Paulus
aan de verschillende gemeenten, om trouw te blijven aan datgene
wat in het begin van de stichting der gemeente leefde; de eerste
liefde, kwam het tot afval.
Nadat Jezus was gekruisigd,
ingegaan in het Rijk der ontslapenen, opgestaan uit de doden,
een korte tijd in een verheerlijkt lichaam op aarde had
vertoefd om Zijn jongeren te onderwijzen, naar Zijn Vader is
gegaan en het wonderbaarlijke pinkstergebeuren had
plaatsgevonden, toen was het niet zo moeilijk.
"Zij bleven trouw aan het
onderricht van de apostelen, vormden met elkaar één gemeenschap,
braken het brood en wijdden zich aan het gebed" (Hand. 2:42).
Maar naarmate het aantal
gemeenten groeiden begonnen er problemen te komen, er brak
onrust uit. De Griekse gemeenteleden voelden zich benadeeld
ten opzichte van de Joden omdat "hun groep bij de voorbij
dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld" (Hand. 6:2).
De apostelen besloten daarom
zich uitsluitend aan hun taak, het verkondigen van Christus'
leer, het brengen van het evangelie en het toebereiden van
zielen voor het kindschap Gods, te wijden.
De dagelijkse beslommeringen
werden overgelaten aan diakenen die daarvoor gezegend werden
door handoplegging van de Apostelen.
Nadat Paulus en Barnabas hun
eerste missiereizen hadden gemaakt en gemeenten hadden gesticht
uit proselietenen, "uit de heidenen", werden mannen geleerd om
de gemeenten te leiden en te onderrichten in naam der
apostelen.
Niet overal echter was het
contact met de apostelen even sterk. Moderne
communicatietechnieken, zoals wij nu kennen, waren er nog niet,
brieven, gezonden via koeriers, bleven soms maanden onderweg
aleer ze door de geadresseerde ontvangen werden. De presbyters
(voorgangers) moesten vaak beslissingen nemen en allerlei
verkeerde ideeën bestrijden. De noodzaak van apostelen werd
niet overal meer even helder gezien.
Paulus moest zelfs zijn
apostelschap verdedigen:
Zijn eerste brief aan de
Galatiërs gaat daarover. Hij moest schrijven :"Het verbaast
me, dat u zich zo snel heb afwend van hem die u heeft geroepen
en dat u zich tot een ander evangelie hebt bekeerd. Er is geen
ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring
brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Wanneer
iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik verkondigd
heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel - vervloekt
is hij" (Gal. 1:6-8).
Ook tegenover de Korinthiërs
moest hij zich verdedigen: "Ben ik niet een apostel? Ben ik niet
vrij? Heb ik niet onze Heer Jezus Christus gezien? Zijt gij niet
mijn werk in de Heer? Ben ik voor anderen al geen apostel, ik
ben het toch voor u" (1 Kor. 1-2).
Apostel Paulus moest waarschuwen
tegen anderen die zich het apostelambt toeëigenden (Hfd. 11 en
12). Als Paulus voelt dat het einde van zijn werkzaamheid op
aarde nadert schrijft hij aan Timotheüs: "Zoals je weet heeft
iedereen in Azië zich van mij afgekeerd" (2 Tim. 1:15) en: "Bij
mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan, ze hebben
mij allemaal in de steek gelaten" (2 Tim. 4:16).
Apostel Petrus beschreef al het
verval van de eerste apostolische kerk (2 Petr. 2:4) en over
valse leermeesters en sekten (2 Petr. 2:1). Deze gevaren
dreigden niet van buitenaf maar vanuit de gemeenten.
Daarom ook kreeg apostel
Johannes in de Openbaringen de raad de Zeven Gemeenten te
waarschuwen voor de verkoeling. Ook de zevende gemeente,
Loadicea, zinnebeeld voor het einde der tijden, is een
christelijke gemeente. Maar de leden van deze gemeente waren
rijk en verrijkt en behoefden niets meer ...
Waarom zou God dan nog apostelen
schenken? Dit heilig ambt laten beledigen? God werpt geen
parelen voor de zwijnen (vgl. Matth. 7:6) daarvoor is het
apostelambt Hem te dierbaar.
Al vroeg begon het misverstand
op te komen dat slechts zij het apostelambt konden ontvangen,
die met de Heer op aarde vertoeft hadden.
Na het ontslapen van de laatste
apostelen in de oude tijd, bleef de kerk in de twee eerste
eeuwen daarna, stabiel, d.w.z. vrij van staatsinvloed. Wel
vonden er nog vele vervolgingen plaats, maar er waren ook tijden
van relatieve rust.
De drie ambten, bisschoppen of
engelen, presbyters (oudsten) en diakenen waren de hoeders en
bestuurders van de plaatselijke gemeenten, handelende in naam
en met volmacht der apostelen. Apostelen kunnen deze volmacht
verstrekken voor een bepaalde handeling of periode, echter deze
volmacht heeft slechts geldigheid voor die handeling of in die
periode, niet langer (zie Titus 1:5).
Toen het apostelambt verdwenen
was, werkten de gemeenten nog lange tijd volgens de apostolische
ordening, Bewondering kan opgebracht worden voor de bisschoppen
die trouw bleven in het vervullen van hun ambt.
Maar door deze zonde, de
verachting van het apostelambt, werd de kerk van het levende
woord vervreemd. God kon niet meer werken door Zijn eerste
knechten, de belangrijkste schakel was uit de ketting
verdwenen.. Weliswaar werd over God en Zijn Zoon gesproken, werd
een christelijk leven in regels en verordeningen vastgelegd,
maar het levende geloof werd vervangen door leerregels die
bewezen moesten worden en aan menselijke overwegingen
onderworpen. Alleen aan de apostelen was de opdracht gegeven om,
in naam van hun Zender, ambtsdragers in te zetten. Van deze
ambtsdragers werd verwacht dat zij vol geloof, vol liefde de
gemeente zouden voorgaan, kennis, verstandelijk inzicht was
daarbij van secundair belang.
Geen enkele ambtsdrager, buiten
apostelen, kan een andere ambtsdrager inzetten. Niemand kan
zeggen: "Tot dusver heb ik uit Christus geput, nu kan ik het
zelf wel. Tot nu toe ben ik door de apostelen gebouwd, nu kan ik
mezelf wel opbouwen."
Geen van de apostelen in Jezus
tijd op aarde had theologie gestudeerd. Zij waren wat heden den
dage “leken” genoemd wordt. Zouden de theologische geleerden van
onze tijd de apostelen aangenomen hebben als zij in de tijd van
Jezus op aarde geleefd hadden?
Nu het wakende eenheidambt
verdwenen was, konden allerlei gnostische dwaalleringen de kop
opsteken. Het kostte de kerk destijds enorm veel energie en het
gevaar bestond dat, daardoor de verkondiging van het Woord,
zoals het door Jezus en de apostelen geleerd was, in het gedrang
kwam.
Het verkondigen van Christus’s
wederkomst, de opstanding, moesten het afleggen tegen de
verkondiging van de “ware leer” versus de gnosis. Daarbij werd
ook de eenheid in de leer, het navolgen van de apostolische
leer, geweld aangedaan...
Om een juist beeld te krijgen
over de gebeurtenissen na het opschorten van het apostelambt
beschrijven we nu enige perioden uit de kerkgeschiedenis.
In het schitterende en
ontroerende hoogpriesterlijk gebed (Joh. 17) bad de Heer eerst
voor hen (Zijn leerlingen) en toen voor allen die door hun
woorden het geloof zouden aanvaarden, dat zij één zouden zijn,
gelijk Hij met de Vader één is. Deze eenheid van de gelovigen,
der kerk, is wat God behaaglijk is, maar die zonder apostelen
niet bereikt kan worden.
Enkele overblijfsels van de
apostolische periode bestaan tot op de dag van vandaag nog,
zoals de handoplegging, maar de gaven van de Heilige Geest waren
teniet gedaan. De handen werden opgelegd zonder apostolische
volmacht.
Zij ordenden dienaren in een
ambt, maar het profetische licht was verdwenen en de inzettingen
waren zonder apostolische kracht. Wel hadden de eerste
bisschoppen zelf deze ordening ontvangen, maar dat is niet
automatisch door te geven, ook al gebeurde deze handoplegging
vaak door tenminste drie bisschoppen.
Er naarmate de tijd verstreek,
vergleed dat geloofsleven meer en meer af. Invloeden van buiten,
met name uit de Hellenistische en Romeinse wereld, werden
geabsorbeerd.
Er werd geroepen: hier is de
Christus, of daar (Matth. 24:23) maar het eigen machtsstreven,
het eerste viool spelen, stond voorop. Niet Christus werd meer
gediend, men bediende zich van de Christusnaam.
Talrijk was het aantal gelovigen die, onder druk van dwang, God
en Christus hadden verloochent, maar zodra de druk lichter werd,
zich herinnerden godskinderen te zijn. Mochten zij opnieuw
worden opgenomen, alsof er niets gebeurt was? Zo lagen er vele
problemen.
Het stilaan verdwijnen van de gaven van de heilige Geest, met
name in de tweede eeuw het profetenambt (maar het “uitdrijven
van boze geesten”, het “bovennatuurlijk genezen van zieken”
bleven nog lange tijd in zwang) was het uitblussen van de geest
Gods, en verzwakking van het geloof.
Het was voor de bisschoppen gemakkelijker om de profetische
stem te laten verstommen, omdat ze geen ondersteuning meer
hadden zoals van het apostolische ambt, en zij niet in staat
waren om de “geesten te beproeven”.
Juist dat stelde hen ook niet in staat om vreemde leringen,
zoals het Montanisme te voorkomen.
De bisschoppen “regeerden” slechts in hun eigen bisdom en hadden
geen gezag buiten hun eigen gebied. Vaak stond de ene bisschop
tegen de andere op en het gebeurde ook wel dat een geheel
bisdom, door toedoen van de bisschop, besmet was geraakt met
dwaalleringen.
Z.g. concilies ontaarden in scheldpartijen en z.g.
tegenconcilies en hadden in geen enkel opzicht een overeenkomst
met de concilie o.l.v. de apostelen, zoals dat beschreven staat
in Handelingen.
Maar, alsof dat alles nog niet genoeg was, brak de tijd aan van
keizer Constantijn. Deze zag de “macht van het christendom”
toenemen en een geweldige stroming worden binnen zijn rijk. En
hoewel Constantijn geen christen was, pas kort voor zijn dood
liet hij zich dopen, kon hij wel zijn wil opleggen. Het
christendom garandeerde een zekere mate van stabiliteit en rust
in het geweldige rijk. Hij neemt meteen het heft in handen,
organissert het Concilie van Nicea (325) en zit zelf de
vergaderingen voor. In zijn ruimtelijk geweldige rijk voert hij
o.a. de zondag als rustdag in. Voor die tijd was de viering van
de geheiligde dag verschillend. Eendeels werd de aloude
sabbathdag (zaterdag) aangehouden, anderzijds de zondag als de
eerste dag na de sabbath. Door zijn optreden, w
waarbij ook het heidendom bestreden werd, werd het christendom
in een maatschappelijke dwangbuis geplaatst.
Als ruil voor deze medewerking aan de belangen van Constantijn
verkreeg de toen heersende paus Sylvester wereldse macht.
Hoe was dat pausdom ontstaan? Al
vroeg eiste de Opziener van Rome, omdat hij zetelde in de
stadstaat met destijds de grootste politieke macht,
gehoorzaamheid aan hem en noemde zich de rechtstreekse
opvolger van apostel Petrus. Echter, noch Linus (67-76), noch
Anacletus (76-88), noch allen die na hen kwamen (de huidige
paus is de 265ste) hebben het apostelambt ontvangen en daarom
één van de gave van het apostelambt, het bewaren van de
eenheid, kunnen bewaren.
Thiersch, één van de voormannen van de
kathoiliek-apostolische gemeenten in Duitsland , schreef
hierover: “Niets is karakteristiker dan het geschrift van de
verblinden Eusebius van Cesarea. Hij schildert het gastmaal
waarbij de grote Constantijn alle militaire pracht van de
keizerstroon voor de vaderen van Nicea ontvouwde. Het was hun
alsof Christus zelf, omgeven van het Rijk Zijner heerlijkheid,
in hun midden gesteld was. Basilius, genoemd de grote bisschop
van Cesarea in Capadocië, schetst het volgende beeld van de
kerkelijke toestand in de vierde eeuw (hij stierf in 379): maar
helaas Gods kerk bevindt zich in een treurige toestand; ik weet
niet hoe ik haar zal beschrijven. Haar gesteldheid komt mij voor
alsof wij in een verschrikkelijke zeeslag waren en onder hevige
stormen en donkere dreigende wolken de verwarring algemeen is
geworden. Men kan vriend en vijand niet meer onderscheiden en de
vrienden zelf vallen elkaar aan. Men ziet noch acht de opgeheven
tekenen meer, onder het geraas hoort men de stem van de
bevelhebber niet meer, als het schip al gaat zinken vechten zij
er nog om, wie bevelhebber daarop zal zijn, zonder zich om hun
nood en gevaar verder te bekommeren. Er zijn overlopers naar de
vijand genoeg, zodat niemand zich meer op een ander verlaten
kan. Zo gaat het toe in de kerk van God, vooral sedert de
ariaanse scheuring uitgebroken. Louter onrust, openlijke en
heimelijke vijandschap. Indien uw vijand u niet treft, vermoordt
u degene die u moest bijstaan. Een verschrikkelijk gekerm en
geschreeuw onder elkaar, het ene gedeelte wordt Joods en maakt
de personen tot een, het andere gedeelte wordt heidens en dat
verdeeld het goddelijke wezen. Zij laten zich noch door de
Schrift, noch door de overlevering beraden. Een ieder wil
theoloog zijn, ook met het meest bezoedelde geweten. Men
verleidt elkander tot dezelfde dwalingen en men laat zich
verleiden. Men werft voor elkander, helpt elkaar zonder op
bekwaamheid tot hogere kerkbedieningen te letten, of drijft
elkander met geweld uit. Ook gehoorzaamt het volk niet maar bij
zulk een verwarring, en iedereen doet en denkt en gelooft wat
hem of haar goed dunkt. Er hier moeten we denken aan de jongeren
in Babylon, die, waar niemand het met hen wilde houden om de
waarheid trouw te blijven, tot in de vurige oven hun plicht
deden, hun lied zongen en God loofden.”
De
apostelen erkende in de overheid een goddelijke instelling (Rom.
13:1-) om orde en recht te handhaven en maanden de gelovigen de
overheid te gehoorzamen, naar de mate waarin de overheid ook
gehoorzaamde aan Gods geboden (Geef de keizer wat des keizers
is). Daarom zei apostel Petrus ook: “Men moet God meer
gehoorzamen dan de mensen” (Hand. 5:29). De apostelen maakte een
strikte scheiding tussen kerk en staat. Zij wensten geen
begunstiging, maar ook geen vervolging van de zijde van de
staat. Zelfs werd geboden om aan de wereldse overheid geen
weerstand te bieden en zijzelf gaven het voorbeeld (zie Hand.
5:40--).
Deze
houding werd opgegeven toen de bisschoppen vrijwillig
Constantijn gelegenheid gaven om zich in kerkelijke zaken te
mengen, en zij hebben in ruil daarvoor wereldse macht ontvangen.
De bisschoppen stonden ook zwak tegenover de overheid, door hun
onderlinge verdeeldheid, totaal anders dan de eenheid waarmee de
eerste apostelen hadden opgetreden.
De eerste
grote kerkscheuring deed zich voor. Toen de bisschop van Rome
zichzelf opwierp als paus, verzetten de kerken in het Oosten
zich heftig tegen dat primaatschap. De (Rooms)-katholieke kerk
deed zijn intrede, in het Oosten bleven dat de orthodoxe kerken
die echter in de loop der eeuwen ook sterk met de staat verweven
raakte.
Zowel in
het Westen als het Oosten werden de kerken verlengstukken van de
burgerlijke maatschappij.
Toch bleef het verlangen naar
het verlorene, de verwachting van de wederkomst van Jezus en de
hoop op het duizendjarig vrederijk aanwezig. Er bleven mensen
die de wereldse macht en het heersende nepotisme in de kerk
veroordeelden. Er werd ook gewerkt om de oppermachtige
Rooms-Katholieke kerk weer terug te brengen tot het apostolische
christendom. Enige mannen die getracht hebben om dit te
bereiken willen we nader beschrijven. Zij hebben de weg
gebaand voor het werk dat de Heer weer in de oorspronkelijke
toestand wilde herstellen. Door alle eeuwen hen zijn dat er
velen geweest en daarom kunnen hier slechts enkelen beschreven
worden, waarbij niet nauwkeurig een chronologische volgorde zal
worden aangehouden. .
Een man die in Nederland gewerkt
heeft maar ook in het buitenland bekend was, was Geert Grote
van Deventer (1340-20 augustus 1384). Hij leefde in een tijd
waarin de "zwarte dood", de pest, heer en meester was, ook was
het een tijd van verwoestende oorlogen. Rond 1375 voerden de
steden Kampen, Deventer en Zwolle strijd tegen allerlei edelen
die meenden recht te hebben op het gebied.
Volgens de overleveringen zou
Grote lichamelijk zwak zijn geweest, maar des te intelligenter.
Op 15 jarige leeftijd studeerde hij filosofie en theologie in
Parijs, werd later te Keulen leraar in het kerkelijk recht maar
was daar ook bezig met magie. waarmee hij echter volledig brak
toen hij ca. 1374 een innerlijke bekering voelde. Daarna leefde
hij enige tijd in het Karthuizerklooster Munnikhuizen bij
Arnhem.
Grote heeft veel geschreven en
juist dat bracht hem in conflict met de kerkleiding. In zijn
"Conclusa" keerde hij zich tegen de wetenschap die van het doel
afvoert, het recht dat van de gerechtigheid afwijkt, tegen de
theologie die niet tot God leidt maar alleen de theologen roem
verschaft.
Hij schrijft tegen de
"geneeskunde" die door vele kwakzalvers bedreven werd en die
veel schade veroorzaakte. Zijn kritiek was hard. Dat bracht hem
verschillende malen in een lastig parket. Niet alleen de
kerkelijke leiding leest hij de les, ook de burgerlijke
overheid. Van beide kanten kwamen dan ook tegenacties.
Geert Grote wilde het vuur van
het vroege christendom terugbrengen in de kerk. De eerste weg
terug tot God voelde hij in de deemoed waardoor het weer
mogelijk zou zijn om Gods stem te vernemen. Reinheid van hart,
armoede naar de geest, was zijn motto.
In zijn boek "Zedelijke
toespraak" schrijft hij: " Reyntcheit van herten en kan niet
ghesijn sonder ynnicheit van herten ende vriendelicheit des
herten, die sijn alte nae overeen".
Bij Grote hangt elke menselijke
vaardigheid af van de mate waarin Christus nagevolgt wordt. Het
hebben van bezittingen is alleen dan goed, als dat door de
geordende liefde (caritas ordinata) meewerkt aan het heil der
ziel.
Er is bij Grote sprake van een
sterke vermenging van wereldse en religieuze motieven. Deze
vermenging vormt dan ook het het ideeëngoed van de Moderne
Devotie (Devotio moderna).
Dit streven, zich met het
diepste wezen in overeenstemming te brengen, met het hele
evangelie en het leven van Christus, bewijst een diepe
verbondenheid met de oorspronkelijke apostolische kerk.
Vaak staan zijn uitspraken,
neergelegd in zijn geschriften, in sterk contrast met het beleid
en het bestuur van de toenmalige bisschoppen maar nimmer
twijfelt Grote aan de juistheid van de sacramentele handelingen
in de kerk. De wetenschap die opbouwend is beschouwd hij als
nuttig "voor de apostolische dienst". Van de priesters eist hij,
behalve een onzelfzuchtig streven, een heilige kennis (scientia
dei) want "de zielsverzorging is de grootste kunst".
Grote wilde ook de kloosters
hervormen waarbij hij vooral de de propietarii, die midden in
het klooster prive-eigendom genoten en daardoor een
gemeenschappelijke leven van soberheid in gevaar brachten,
bestreed.
Wat betreft de wereldlijke
geestelijkheid verwierp hij het huren of kopen van een
priesterambt/parochie om van de opbrengst der offers (pfuenden)
te leven, zonder zich om zielszorg te bekommeren. In zijn
roemruchte en heftige prediking in de Utrechtse Dom (1383) ging
hij tekeer tegen de z.g. Focaristen. Dit waren geestelijken die
voor het Concilie van Trente zo genoemd werden omdat zij zich
niet hielden aan de celibaatsverplichting. In sommige
tijdperken, b.v. vlak voor de Reformatie, behoorden
waarschijnlijk het merendeel van de geestelijken hiertoe.
Gerhard, een vriend en
medestrijders van Grote, verdedigde de waardigheid van het
priesterambt, maande de bisschoppen de Focaristen te bestraffen
en raadde de leken aan diensten die door Focaristen geleid
werden, niet meer te bezoeken. Door deze tirade werd Grote's
preeklicentie ingetrokken en hij heeft deze nooit meer terug
gekregen.
Voor de bewoonsters van de
begijnenhuizen te Deventer vertaalde Grote de urengebeden in
het Nederlands zodat ook leken daarbij konden meebidden.
Nieuw was ook bij Grote de
terugkeer tot het oorspronkelijke christendom in zijn opvatting
over het gemeenschappelijke leven. De bron der eenheid onder
alle mensen is de algemene liefde. Van de kant van God werd
Christus gezonden met Zijn liefde voor alle mensen, daarmee de
individuele liefde overstijgend om zich volledig als offer voor
de mensheid aan te kunnen bieden. "Hoe mach nu Christus iets
beholden van sijnre overvloediger minne, dat hij de minnenden
sielen, die daer toe bereidet is, nit medeen dellet" (Zedelijke
toespraak).
De liefde is de sleutel tot het
leven, in het huwelijk en in het klooster. Een belangrijk
onderdeel van het gemeenschappelijke leven is de soberheid,
zonder welke de gemeenschap haar doel niet bereiken kan en dat
het belangrijkste getuigenis is van de navolging van Christus.
Prive-eigendom brengt onvrede en strijd.
Geert Grote verwijt in zijn
traktaat "Contra turrim Trajectum" de kerk, dat het geld voor
de bouw van de Utrechtse Dom in feite van de armen gestolen is.
In de lijn van de "moderne
devotie" stichtte hij voor mannen en vrouwen huizen voor de
Broeders en Zusters van het Gemene Leven. Ook bereidde hij de
stichting van een klooster, naar het model zoals hij het voor
ogen had, te Windesheim voor.
Door zijn predikreizen wilde
Grote in contact komen met het volk om ze tot persoonlijke
bekering op te wekken.
Een andere bekende schrijver,
Thomas a Kempis, beschreef hoe hij als boeteprediker optrad n.l.
door met een beeld van het jongste gericht en met de hel
dreigend, angst inboezemende maar daarbij ook de mensen
oproepend om Gods geboden te houden en de werken der
barmhartigheid uit te oefenen. In zijn "Zedelijke toespraak" is
hij milder en schrijft over de gerechtigheid, vrede en
blijdschap in de Heilige Geest (vgl. Gal. 5:22). Zijn
predikaties hadden een grote toeloop.
Een voorloper van Geert Grote
van Deventer zien we in Franciscus van Assisi (1181-1226).
Franciscus was de zoon van een
lakenkoopman en daardoor zeer welgesteld. Hij leefde dan ook
een zorgenloos en onbekommerd leven, had een reputatie als
losbol, tot ook in zijn leven een ommekeer plaatsvond (1206) en
hij zich ging wijden aan het ideaal van de totale armoede. Dat
gebeurde nadat hij lange tijd ziek was geweest en zich in de
beslotenheid van een klein kamertje realiseerde hoe
betrekkelijk het aardse leven was.
Aanvankelijk gaat hij op de oude
voet verder, maar op een avond, terwijl hij en zijn vrienden
weer eens een bacchinaal feest vierde, werd hij 'door de Heer
bezocht", zoals zijn biograaf schreef. Hij verviel tot
eenzaamheid en maakte lange ritten te paard door de uitgebreide
bossen in zijn geboorteomgeving. Tijdens zo'n rit komt hij oog
in oog te staan met een melaatse. Hij helpt deze omdat hij
daarin de hand van God ziet, maar raakt zelf ook besmet. Met de
dood voor ogen schreef hij: "Zo heeft de Heer mij, broeder
Franciscus, gegeven het leven in boete te beginnen. Want toen
ik in zonde was, scheen het mij ondraaglijk bitter toe
melaatsen te zien. En de Heer heeft mij onder hen gebracht en
ik heb hen barmhartigheid bewezen."
Een andere keer komt hij langs
een vervallen kerkje. Een stem in hem zegt hem dat hij dit Huis
van God moet herstellen. Hij stelt al het geld dat hij bezit
daarvoor beschikbaar, alleen moet hij dat de priester opdringen
omdat deze wantrouwig staat tegenover Francisus die hij nog
kende uit de verhalen over diens schandelijke leven.
Arm en vermagerd door het
strenge vasten keert hij naar zijn geboorteplaats terug. Zijn
vader is woedend over het verspilde geld en omdat hij wel
inziet dat zijn zoon de zaak niet zal overnemen. Franciscus
verlaat Umbrië en trekt de bergen in. Twee jaar verblijft hij
daar. Hij is dan 26 jaar, predikt overdag in Assisi, maar trekt
s'avonds weer de bergen in.
In Assisi is meestal spot zijn
deel maar toch zijn er enkelen die zich bij hem willen
aansluiten. Zo ontstaat een kleine gemeenschap. Al zijn
volgelingen, over het algemeen oorspronkelijk welgestelde
mannen, delen hun geld uit en leven voortaan in armoede. Ze
leven eenvoudig en lijden honger maar in hun hart brand een
liefde voor God en een apostolishe levenshouding.
Zoals in die tijd gebruikelijk
was trok hij met een groepje volgelingen naar Rome om aan de
Paus toestemming te vragen voor zijn plan tot stichting van een
nieuwe kloosterorde.
Deze toestemming verkreeg hij
van Paus Innocentius in 1209-1210 en hieruit ontstond de Orde
der Minrebroeders. Het aantal volgelingen groeide snel.
Franciscus stuurde ze allen uit naar landen in Europa. Zelf ging
hij in 1219 naar het Oosten waar hij predikte voor de Sultan
van Egypte.
Onder leidinng van Clara
Favarone ontstond ook een vrouwelijke tak van de orde.
Door zijn leven heeft Franciscus
een grote invloed uitgeoefend op de zeden van zijn tijd die
grotendeels bestond uit hebzucht, eigenwaan en oorlog.
John Wycliff (ca. 1320-1384)
werd geboren in het plaatsje Wycliff (waarnaar hij dus genoemd
is) bij Yorkshire. Hij kwam uit een adelijke, maar verarmde
familie, studeerde theologie en filosofie in Oxford. Hij blonk
bijzonder uit in bijbelexegese (uitleg) en was een expert op het
gebied van het kerkelijk recht. Daarom werd hij in 1374 ook lid
van de Engelse delegatie die in Brugge vredesbesprekingen met
Frankrijk voerden. Tevens werd daar ook gepraat met afgezanten
van de paus over kerkelijke hervormingen in Engeland en het
recht dat de curie (pauselijke "overheid") zou hebben op de
inkomsten uit de kerkelijke goederen in Engeland.
Het stak de Engelsen n.l.
behoorlijk dat deze inkomsten naar Avignon (waar de paus in die
tijd zetelde) gingen en indirekt ten goede kwam aan de Franse
aartsvijand.
In Brugge sloot Wycliff met
hertog John of Lancaster, een vriendschap waar hij vooral later
veel aan zou hebben. Wycliff was voorstander van scheiding
tussen kerk en staat.
Hij bestreed de wereldse macht
en het aardse bezit van de kerk. Ook had hij het niet begrepen
op de monnikenorden die grote invloed hadden in sommige delen
van het land. Natuurlijk konden vijandschap niet uitblijven.
De bisschop van Londen opende
een proces tegen Wycliff maar had er niet op gerekend dat
Wycliff enorme bijval kreeg vanuit de adel en de burgerij.
Ook de pauselijke bullen,
uitgevaardigd door Gregorius XI in 1377 en de veroordeling van
18 stellingen van Wycliff, resulteerden geen effect.
Inmiddels was hertog John of
Lancaster, regent geworden over de zeer jonge koning Richard II.
Hij hield Wycliff voortdurend het hand boven het hoofd.
Toch moest deze zich voor de
aartsbisschoppelijke rechtbank verantwoorden (zijn vijand, de
bisschop van Londen was inmiddels aartsbisschop geworden) maar
ook nu was het weer de steun van de bevolking die Wycliff redde.
Het bleef bij een waarschuwing.
Al deze acties van de wereldse
geestelijkheid hadden een averechtse uitwerking op Wycliff.
Steeds sterker werd zijn overtuiging dat alleen de Heilige
Schrift als norm van het geloof gold en dat het pausdom daarmee
niets te maken had. Hij vocht voor een Engelse kerk,
onafhankelijk van Rome.
Priester behoorden volgens
Wycliff geen bezittingen te hebben, slechts te dienen en te
prediken, daarin dezelfde gedachten volgend als Franciscus.
Hij zond priesters uit die, twee
aan twee, blootsvoets en met een staf in de hand door het land
trokken. De paus noemde deze arme predikers "Lollarden". Deze
naam werd geringschattend gebruikt voor "ketters" en staat in
verband met "lollen", een oudvlaamse verbastering voor
prevelen.
Wycliff vertaalde ook het Nieuwe
Testament in het Engels. Een vriend, Nicolaas van Hereford,
vertaalde het Oude Testament. Daarnaast schreef Wycliff vele
wetenschappelijke verhandelingen in het Latijn en Engels maar
ook gemakkelijke, voor het volk bestemde, preken.
Nadat paus Gregorius was
vervangen was door Urbanus VI nam Wycliff aanvankelijk een
afwachtende houding aan. Maar ook de nieuwe paus werd een
teleurstelling voor hem.
Allengs nam de invloed van
Wycliff onder het volk toe. Echter, de boerenopstand van 1381
had een ongunstige uitwerking. De oorzaak van de opstand werd
de “Lollarden” in de schoenen geschoven. Zij zouden met hun
predikaties over gelijkheid bij God voor iedereen de
ontevredenheid hebben aangewakkerd.
Bovendien had Wycliff een
brochure geschreven over de transsubstantie-leer. Hij schreef
in "De Eucharistia" dat brood en wijn, ook na de afzondering
(consecratie) brood en wijn bleven. De gelovigen ontvangen
slechts geestelijk het lichaam en bloed van Christus. Later zou
dit vraagstuk een bittere verwijdering tot stand brengen tussen
Luther en Zwingli, nu greep de aartsbisschop van Canterbury
deze zaken gretig aan om Wycliff een beslissende slag toe te
brengen. In 1382 riep hij een synode bijeen om een aantal van
Wycliff's stellingen als ketters te laten veroordelen. Van de
Koning en het Hogerhuis kreeg Wycliff, na de boerenopstand,
geen steun meer.
Wycliff verliet Oxford en trok
zich terug in zijn pastorie in Lutterworth. Dank zij de
bescherming die hij toch nog van vele vrienden genoot, zoals van
de al genoemde. John of Lancaster, kon hij daar ongehinderd de
laatste jaren van zijn aardse leven slijten. Het aantal
verhandelingen dat hij schreef waren 95 in de Latijnse en 65 in
de Engelse taal.
Door allerlei oorzaken, de
“Lollarden” begonnen o.a. ook op economische hervormingen aan
te dringen, kwamen zij later in scherpe botsing met de wereldse
overheid. Door de koningen Hendrik IV (1399-1413) en Hendrik V
(1413-1422) werden zij vervolgd, voor de inquisitie gebracht en
uitgemoord.
De Waldenzen zijn genoemd naar
Pierre Valdes uit Lyon die in 1173 een z.g. apostolisch leven
van armoede wilde gaan leven, waren vanuit Frankrijk naar de
Bohemen gevlucht en oefenden invloed uit onder de eenvoudige
gelovigen.
Door een vorstelijk huwelijk
(prinses Anna, dochter van Keizer Karel IV, koning van Bohemen
en Richard III van Engeland) was er druk cultureel verkeer
tussen Engeland en de Bohemen. Vele Bohemen gingen in Oxford
studeren en maakte kennis met de leer van Wycliff. Zo ontstond
in de Bohemen een vruchtbare bodem voor een hervorming.
Johannes Hus was de hervormer
van Bohemen. De eerste predikers in Bohemen waren Cyrillus en
Methodius, zendelingen uit de negende eeuw die ook wel de
"apostelen der Slaven" genoemd werden en die ook de
grondleggers waren van het z.g. cyrillische schrift), dus niet
uit Rome maar uit het Oosten. Zodoende werd daar
oorspronkelijk het Heilig Avondmaal anders gevierd en was de
prediking in de landstaal. Later werd ook Bohemen aan de paus
onderworpen.
Hus werd op 6 juli 1360 geboren.
Hoewel van lage afkomst bracht hij het tot professor in de
filosofie in Praag, tevens was hij daar prediker in de
Bethelemskerk. Door zijn vriend, de ridder Hieronymus, leerde
Hus Wycliffs werk kennen. Door zijn buitengewone
redenaarstalent en prediking stroomde het volk toe.
Hus werd o.a. de biechtvader van
koningin Amalia. Ook binnen de hogeschool had Hus grote invloed.
Weliswaar had de hogeschool bij meerderheid van stemmen de
stellingen van Wycliff als ketters veroordeeld doch dat kwam
omdat 3/4 van de studenten Duitsers waren. Koning Wenceslaus
draaide echter de zaak eenvoudig om. Duizenden studenten
vertrokken uit Praag naar Leipzig. Hus werd rector aan de
universiteit en de aartsbisschop van Praag stelde hem aan als
synodaalprediker.
Hoe sterker Hus aanhang en
invloed werd, des te erger werd de haat en nijd van de
geestelijkheid. Hus had hen tot boete opgeroepen en hun
geldzucht en halsdaden verweten. Toen hij dat alleen nog voor de
leken en de lagere geestelijkheid deed liet men hem begaan. Toen
hij echter ook de clerus ging voorhouden hoe te leven, door
zelfverloochening, veranderde de zaak.
De aartsbisschop. nu zijn
grootste vijand, vroeg en kreeg toestemming om de boeken van
Wycliff te verbranden. Hus kreeg een preekverbod. Hij ging
echter ongestoord verder met preken in de Betlehemskerk onder
het motto: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen”. Aan
de paus schreef Hus dat de Heilige Schrift het hoogste
richtsnoer en rechter was.
Toen de paus de koning van
Napels, niet kon overwinnen vaardigde hij een kruistocht uit
met de belofte dat een ieder die zou vechten tegen de vijanden
van de paus, een aflaat zou ontvangen.
Hus keerde zich tegen dat
schandelijke machtsmisbruik. Christenen tegen christenen is een
zonde, en Christus alleen is de ware hoeksteen en Hoofd der
kerk. Wanneer het bevel van de paus in strijd is met de liefde
van Christus, dan is de paus een antichrist.
Hus werd in de ban gedaan. Ook
de stad Praag werd gestraft: de klokken mochten niet meer
luiden, geen godsdienstoefening meer gehouden worden, geen
huwelijk ingezegend, geen doop, geen Avondmaal zolang Hus in
Praag verbleef. Door dat alles wilde de koning Hus niet meer
beschermen. Deze trok zich terug op een burcht van een vriend in
Bohemen. Daar schreef hij vele brieven aan zijn geliefde
gemeente.
Niet alleen in Bohemen werd er
geklaagd over de verloedering aan het Roomse hof. In die tijd
waren er drie pausen die elkaar over en weer vervloekten in
naam van Christus.
Keizer Sigismund droeg één der
pausen op om een algemene kerkvergadering te beleggen om de
eenheid te herstellen. Deze vond in 1414 in Konstanz plaats. Het
werd een waar spektakel. Aan het hoofd stond keizer Sigismund,
naast hem afgezanten van vele koningen, 4 keurvorsten, 24
hertogen en vorsten, vele graven, baronnen en edelen uit alle
landen. Naast deze wereldse vertegenwoordiging was de
geestelijkheid. Behalve paus Johannes XXIII, 4 patriarchen, 30
kardinalen, 33 aartsbisschoppen, honderden bisschoppen, enz.
Soms waren er niet minder dan
6000 bij elkaar. Op dat concilie, dat vier jaar zou duren, zou
ook Hus berecht worden.
Sigismund zond Hus een vrijbrief
om naar Konstanz te komen en hij vertrok op 11 oktober 1414 uit
Bohemen, vergezeld door vele ridders. 3 November kwam Hus in
Konstanz aan. Vier weken gebeurde er niets. Maar in die weken
zaten zijn tegenstanders niet stil. Op 28 november werd Hus
door afgezanten van de kardinalen gevangen genomen. Keizer
Sigismund was te zwak om iets te kunnen ondernemen. Van paus
Johannes was er ook niets te verwachten. Deze man was eerst
zeerover geweest en werd door omkoperijen paus. In 1415 werd hij
afgezet.
Hus werd gevangen gehouden in
een Dominicaans klooster in een kerker die grensde aan een
riool. Hij werd er ernstig ziek. Tot juni 1415 bleef Hus daar,
toen mocht hij eindelijk voor de vergaderde concilie komen (5,7
en 8 juni 1415).
Hus verklaarde bereid te zijn om
alles te herroepen zodra men zijn stellingen aan de hand van de
heilige Schrift zou kunnen weerleggen. Dat was uiteraard niet
mogelijk. Hus mocht alleen zichzelf schuldig verklaren en zich
onderwerpen. Toen hij dat weigerde ontstond een woest tumult en
Hus bleef verder zwijgen.
Op de derde dag werden de 30
"ketterse" stellingen van Hus voorgelezen. Er werd hem o.m.
verweten geen eerbied te hebben voor het Heilig Avondmaal, aan
te zetten tot revolutie en verzet tegen de geestelijkheid te
plegen. Hus weigerde om ook maar iets te herroepen.
Het eindoordeel zou vier weken
later geveld worden, hoewel de keizer hem het liefste meteen op
de brandstapel had gebracht. In die vier weken kwamen
verschillende delegaties van kardinalen en bisschoppen bij Hus
op bezoek om hem te smeken toch te herroepen. Op 6 juli 1415,
de verjaardag van Hus, zou het oordeel vallen.
Hus werd uit het geestelijk ambt
gezet. Het geestelijk ornaat waarmee hij bekleed was werd onder
verwensingen van zijn lichaam gerukt en een met duivelskoppen
beschilderde muts werd hem opgezet, hij werd naar buiten
geschopt, en naar de brandstapel gebracht.
De verbranding van Hus zette
kwaad bloed. Toen een kruistocht tegen de Hussieten werd
verloren (bij Taus, 14 augustus 1431) begon het Concilie van
Bazel te onderhandelen. Hierdoor werden de Hussieten in twee
kampen verdeeld, in een gematigde en een strenge richting. De
laatsten verwierpen de leer van het vagevuur, het vereren van
heiligen, de beeldendienst enz.
Omdat ze hun steunpunt in de
vesting Tabor hadden werden ze Taboristen genoemd. De
gematigden wilden o.m. dat bij de viering van het heilig
Avondmaal de kelk ook aan leken uitgereikt zou worden.
Op het Concilie van Basel kwamen
de twee partijen tot elkaar (30 november 1433). De Rijksdag van
1512 stond aan de Hussieten en Rooms-katholieken gelijke
rechten toe. Toen de Hervorming veld won keerden een deel van
de Hussieten tot de "moederkerk" terug, een ander deel volgde
de Reformatie.
In februari 1993 werd een
commissie van Tjechische bisschoppen in het leven geroepen met
de opdracht de nagedachtenis van Hus te rehabiliteren.
Vanaf het Europese vasteland
maken we nu weer even een overstap naar een reformator uit
Schotland.
John Knox (geb. tussen
1513-1515, overl. 1572) ontving een wijding binnen de
Rooms-katholieke kerk doch koos onder invloed van een vriend,
George Wishart, voor de Reformatie. In 1546 werd hij veroordeeld
tot de galeien in Frankrijk. Na 19 maanden kwam hij vrij en werd
Royal Chaplain bij koning Edward VI te Londen. Daar bestreed hij
alle Roomse overblijfselen in de Engelse kerk. Na de
troonsbestijging van Maria Tudor week Knox uit naar het
continent en werd in Genevè een vurig volgeling van Calvijn.
Zwingli werd geboren 1 januari
1484 te Wildhaus. Hij kwam uit een welgestelde familie waarin
ook geestelijken voorkwamen. Hij studeerde te Bazel, Bern en
Wenen wijsbegeerte, werd leraar te Bazel en was een vereerder
van Erasmus. Verder heeft hij als veldprediker aan de Italiaanse
oorlogen deel genomen.
Omdat Zwingli zo vasthield aan
de Heilige Schrift ontdekte hij zeer veel van tegenstrijdigheden
tussen het Nieuwe Testament en het handelen van de kerk. Zwingli
werd naar Einsiedln beroepen, een plaats waar jaarlijks
duizenden bedevaartgangers heentrokken om aflaat te vinden.
Steeds meer ging Zwingli
twijfelen aan het pausdom. Hij verkondigde slechts de leer van
Christus en het Kruis.
Op 1 juni 1519 hield hij zijn
eerste preek in de Domkerk te Zurich waarheen hij beroepen was.
Hier verklaarde hij zijn besluit om de bijbel hoofdstuk voor
hoofdstuk door te lezen, te beginnen met het Mattheus-Evangelie.
Zurich was een vrijstaat. De paus zocht de gunst van Zurich en
daarom kon Zwingli vrij zijn gang gaan. Hij ontving zelfs een
jaargeld van de paus van fl. 50,-- voor de aankoop van boeken.
Toch liet Zwingli zich niet omkopen. Evenals Luther ijverde hij
tegen de aflatenhandel, het vasten, het celibaat, de verering
van heiligen en beelden en de bedevaarten. Tegen het eind van
1519 kwamen er wekelijks 2000 mensen naar zijn prediking
luisteren.
Er werd hem verweten Lutheraan
te zijn maar het was zijn gewoonte om te zeggen: Ik spreek als
Paulus, waarom noemt men mij niet Paulinisch. Ik predik het
woord van Christus, waarom noemt men mij geen christen? Luther
is een voortreffelijk strijder Gods, zijn aanval op de paus is
terecht. Maar wie verricht deze daad? Luther of God. Vraag het
aan Luther zelf, zeker zal hij zeggen: “God".
In 1519 was Zwingli de dood
nabij, maar toen tijdens zijn afwezigheid in Zurich de pest
uitbrak, waarbij 2500 mensen overleden, ging hij erheen om te
helpen.
In Zürich trad de aflaatprediker
Bernhard Samson nog brutaler op dan Tetzel. Zwingli
veroordeelde hem. De stad werd voor Samson gesloten. In de hele
Bond van Zwitserse kantons werd nu de aflaathandel verboden en
de paus gaf bevel om terug te trekken. Onder Zwingli's invloed
werd er door velen geen vastentijd meer in acht genomen en de
overheid zag zich gedwongen een openbaar dispuut uit te
schrijven dat plaats vond in januari 1525 te Zürich.
Er waren ca. 600 personen
waaronder vele hoge geestelijken. Zwingli vroeg hen die hem in
Zwitserland voor ketter en oproerling hadden uitgemaakt, naar
voren te komen. Men zweeg. Toen besloot de raad, omdat Zwingli
niet tegen gesproken werd, dat hij mocht doorgaan met prediken
en dat de overige geestelijken alleen mochten prediken wat is
overeenstemming was met de heilige Schrift.
Voor het dispuut had Zwingli 67
stellingen neergelegd die kunnen worden gezien als de eerste
grondslag voor de Hervorming in Zwitserland. Na het dispuut
voegde hij er nog zo'n 300 bladzijden aan toe als
geloofsbelijdenis.
In de herfst van 1523 vond een
tweede dispuut plaats, met name over de beeldenstormers. Zwingli
veroordeelde het. Niet de schilderijen en beelden zijn
verkeerd, integendeel, dat zijn kunstzinnige uitingen, maar het
bijgelovig vereren ervan is fout.
Zwingli kreeg opdracht een
"Korte en christelijke inleiding tot de christelijke leer" te
schrijven waaraan alle predikers zich te houden hadden. Een
nieuwe kerkorde werd ingevoerd waarin de beelden, zelfs de
kruizen, uit de kerken werden verwijderd, de orgels verwijderd,
de muren met witkalk bedekt, de altaren afgebroken en de mis
afgeschaft. Het "Onze Vader" werd op de knieen gebeden.
Ook het maatschappelijk leven
werd omgevormd. Spel, klederpracht, kermis, herbergen, werden
verboden. Er gold een strenge tucht. De geestelijkheid werd
toegestaan om te trouwen. Zwingli zelf was één der eersten en
trouwde in 1524.
Het was ook in die periode dat
de wederdopers zich in Münster een rijk stichten waar o.a. Jan
van Leiden en de wederdopers die vanuit Nederland naar Münster
kwamen, een grote rol speelden. Vele studies zijn hierover
verschenen van verdedigers en tegenstanders.
Ook Zwitserland had te maken met
de aktiviteiten van de wederdopers en Thomas Müntzer. Ze
plunderden het klooster Rueti en erkenden geen overheid meer.
Zwingli trachtte met hen in dialoog te komen, doch tevergeefs.
In 1527 werden enige leiders van de wederdopers, in de Limnat
verdronken.
De Hervorming in Zwitserland
ging met forse schreden.
In 1528 werd door de landgraaf
Philip van Hessen in Marburg een poging ondernomen om alle
evangelischen onder een belijdenis te brengen. In Marburg kon
hij Luther, bijgestaan door Melanchton, en Zwingli, bijgestaan
door Oekolampadius, aan één tafel te brengen. Op 14 punten werd
overeenstemming gevonden, het 15e artikel, over het heilig
Avondmaal, bracht problemen.
Luther schreef op tafel: "dit is
Mijn lichaam", en wees daarop steeds als Zwingli kwam met zijn
verklaring: "dit brood betekent mijn lichaam, deze wijn
betekent Mijn bloed".
Luther zag in het heilig
Avondmaal de nuttiging van het verheerlijkte lichaam en bloed
van Christus, een geestelijk voedsel voor de nieuwe mens. Voor
Zwingli was het Heilig Avondmaal een herinnering aan de
offerdood van Christus, een pand van Gods genade.
Beide Hervormers wilden van geen
toenadering weten. Luther ging zover dat hij tegen Zwingli zei:
"gij hebt een andere Geest dan wij" en hem de broederhand
weigerde. Zwingli ging toen bedroeft weg. Luther bleef tot aan
zijn dood onverzoenlijk.
De strijd tussen Hervormden en
Katholieken was in Zwitserland zeer fel. Zwingli, die zich ook
met politieke zaken bezig hield, sloot een verbond met Philip
van Hessen, Frankrijk en Venetië.
De Katholieken verbonden zich
met Oostenrijk Zo stonden twee legers met elk 30.000 man
tegenover elkaar. Tot strijd kwam het aanvankelijk niet maar
bleef toch niet uit. Zwingli trok als prediker met het leger
mee.
Hij overleefde de slag niet.
Toen hij de volgende dag door tegenstanders gevonden werd, werd
hij verbrand en z'n as in de wind verstrooid (11 okt. 1531).
Johannes Calvijn (1506-1564)
werd geboren in Noyon in Picardië (Frankrijk) en studeerde voor
priester in Parijs, bovendien rechten in Orleans en daarna nog
letteren. Calvijn werd een verwoed bijbellezer. De bijbel was
door zijn neef Pierre Olivetan in het Frans vertaald. Dat gaf
hem een totaal andere kijk op geloofszaken dan zoals hij dat
geleerd had. Na bestudering van Luthers geschriften ging hij
tot de Hervorming over.
In Parijs kwam een groepje
gelovigen in het geheim samen die de "reine leer" wilde
verkondigen, Calvijn werd één van hen.
Door toedoen van een vriend,
Nicolaas Cop, die op 1 november 1533 op de Hogeschool van
Parijs een rede gehouden had over het zuivere geloof, begon de
vervolging.
Calvijn vluchtte naar zijn
geboortestad Noyon en legde daar op 4 mei alle rechten op
inkomsten vanuit de kerk neer.
Na enkele omzwervingen kwam hij
in Bazel terecht waar hij in januari 1535 aankwam en in 1536
zijn "Christianae religionis institutio" uitgaf. In hetzelfde
jaar werd hij predikant te Geneve maar in 1538 uit Geneve
verbannen, samen met zijn trouwe vriend Farel. Dit na een
geschil met de burgemeesters van Geneve over de ceremonieën en
tucht in de kerk en de handelwijze tegenover de Wederdopers.
Drie jaar lang was Calvijn
daarna predikant in Straatsburg. In 1541 begon hij zijn
eigenlijke hervormingswerk te Geneve, dat hem verzocht had om
terug te komen. Calvijn ging niet zonder slag of stoot terug, er
moesten vele smeekbeden aan vooraf gaan.
Met de andere Hervormers had
Calvijn één ding gemeen: zijn onverdraagzaamheid tegenover
anderen die niet zijn mening deelden. Zo werd door toedoen van
Calvijn de "ketter" Servet op 27 oktober 1553 verbrand.
Calvijns theologie is strikt
gebonden aan de heilige Schrift. Evenals Luther belijdt hij dat
rechtvaardiging alleen uit het geloof voort kan komen en dus
niet, zoals toen alom gebeurde, gekocht kon worden d.m.v. z.g.
aflaten.
Calvijn was, zoals geschreven,
ook vermaard als rechtsgeleerde. Hij slaagde erin het gehele
leven in Geneve om te vormen naar normen zoals hij die uit de
bijbel en de boeken der kerkvaderen las.
Het Calvinisme werd daarom méér
dan alleen maar een geloofsovertuiging, het greep ook in
binnen de maatschappelijke verhoudingen. De bolwerken van het
Calvinisme waren, en zijn nog, te vinden in Zwitserland,
Schotland en Nederland.
Nauw aan Calvijn zijn de Franse
Hugenoten verbonden. Aanvankelijk volgden zij Luther. De naam
Hugenoten werd aan het Franse protestantisme verbonden
omstreeks 1560.
Nadat Calvijn de wijk moest
nemen naar Zwitserland werden zijn ideeën door Philibert Hamelin
naar Frankrijk teruggebracht. Hij stichtte een protestantse
kerk in Saintes maar werd op bevel van de bisschop opgehangen.
Ondanks alle tegenwerking groeide het nieuwe geloof en omstreeks
1560 waren er al meer dan 1 miljoen Hugenoten.
In 1562 begonnen de Hugenoten
o.l.v. Condé en De Coligny zich gewapenderhand te verzetten
tegen de vervolgingen. Er volgden zo'n tien godsdienstoorlogen.
In 1570 zou het huwelijk
gesloten worden tussen de katholieke prinses Margaretha (een
zuster van de koning) en de Hugenootse prins Hendrik van
Navaronne. Honderden Hugenoten kwamen naar Parijs om de
feestelijkheden bij te wonen. Maar Parijs was het bolwerk van
het Franse katholicisme. Drie dagen duurden de feesten, alles
was vreedzaam verlopen en het leek erop dat ook de vierde dag
rustig zou zijn, totdat op De Coligny een moordaanslag werd
gepleegd. Met medeweten van de koning werd een grootscheepse
jacht op de Hugenoten geopend. Op 24 augustus volgde het
dramatische hoogtepunt: de Bartholomeüsnacht. Bij tientallen
werden de Hugenoten uit de huizen gesleept en op beestachtige
wijze vermoord. Parijs werd een bloedbad.
Er volgde een betrekkelijke rust
na het Edict van Nantes (1598). Dit edict werd echter steeds
weer aangetast. katholiekgezinden juristen legden alles zo uit
dat de Hugenoten toch steeds weer in het nauw gedreven werden.
Onder Lodewijk XIV werd het
Edict opgeheven. Duizenden Hugenoten vluchtten naar alle delen
van Europa, maar voornamelijk naar Engeland en Nederland. In
Nederland verbonden zij zich met de z.g. Waalse gemeenten. Pas
in 1787 kwam onder Lodewijk XVI het Tolerantie-edict tot stand
waarbij de Hugenoten eindelijk gelijkberechtigd werden.
Op 10 november 1483 werd Maarten
Luther te Eisleben geboren. Zijn vader wilde hem rechtsgeleerde
laten worden maar in 1501 ging hij naar de Hogeschool van
Erfurt, hoofdzetel van het humanisme. In 1505 werd hij magister
(doctor in de filosofie). Door zijn opvoeding kende hij God
slechts als een God der wrake. Persoonlijke ervaringen brachten
Luther ertoe om tot de Orde der Augustijnen toe te treden.
Hij kwam in het klooster te
Erfurt en leerde daar Dr. Staupitz kennen. Deze was het die
Luther nieuwe impulsen en nieuwe moed gaf. Hij gaf Luther ook de
gelegenheid om de Heilige Schrift te bestuderen.
Met hulp van Staupitz werd
Luther in 1507 tot priester gewijd en in 1508 professor te
Wittenberg. Weldra gaf hij ook bijbellezingen in het kleine
kerkje van Wittenberg.
Vol geloof ging Luther in 1510
naar Rome om zaken voor het klooster te regelen. Hij dacht een
heilige stad te vinden maar keerde teleurgesteld naar huis
terug.
Eeuwenlang was er geleerd dat
de mens door het doen van goede werken en door eigen
verdiensten het koninkrijk der hemelen kon beërven.
Luther wees op het Lam Gods dat
de zonden der mensen gedragen had, en op de genade. Bij de
voordeur van het klooster verkocht de Dominicaan Johannes
Tetzel aflaten. Rome had veel geld nodig. De paus en de
aartsbisschop Albrecht van Mainz deelden broederlijk het geld
dat met karrenvrachten binnenkwam.
Tetzel beroemde zich erop dat
hij door zijn aflatenverkoop meer mensen uit het vagevuur had
gered, dan Petrus door zijn preken.
Luther weigerde de absolutie te
geven op vertoon van aflaten. Toen de kopers bij Tetzel hun
beklag kwamen doen dreigde deze Luther als een ketter te laten
verbranden, immers de aflaten hadden een pauselijk zegel.
Dit bracht Luther op 31 oktober
1517 ertoe zijn 95 stellingen op de deur van de slotkerk te
spijkeren. Binnen twee weken waren ze in geheel Duitsland
bekend. Luther meende de paus aan zijn zijde te hebben.
Hij was scherp van pen en tong
en een ieder die hem bestreed werd letterlijk afgemaakt. Toen
Luther naar Rome ontboden werd verbood de keurvorst Frederik de
Wijze hem om te gaan. De paus droeg de zaak daarom over aan de
kardinaal Cajetanus. Over deze zei Luther dat hij evenveel
verstand had van de Schrift als een ezel van het harpspel.
Een latere gevolmachtigde van de
paus, Karel van Miltiz, richtte evenmin veel uit. Wel beloofde
Luther verder te zwijgen als zijn tegenstanders hetzelfde
deden. Ook verontschuldigde hij zich bij de paus.
Zoals gebruikelijk in dit soort
geschillen zou een openbaar debat uitkomst moeten bieden. Dat
vond plaats in Leipzig tussen Dr. v. Eck van Ingolstadt en
Luthers ambtsgenoot dr. Karlstadt.
Karlstadt was echter niet
opgewassen tegen v. Eck. Luther wel. Het ging om het gezag van
de paus. Volgens Luther bestond dat pas vier eeuwen. Ook was de
paus, volgens Luther, alleen via menselijk recht het hoofd der
kerk. Van Eck beschuldigde Luther ervan op één lijn te zitten
met Hus en de Waldenzen, terwijl die door de kerk veroordeeld
waren.
Dat was nieuw voor Luther en
thuis begon hij het werk van Jan Hus te lezen en moest toegeven
dat hij inderdaad dezelfde ideeën had. Beroemde medestanders
van Luther waren Bucer, Brentz en Melanchton. Daar waar Luther
de onbesuisde en vuurvreter was, was het Melanchton die kalm,
rustig en zakelijk bleef.
Luther vond een schuilplaats
tegen zijn vijanden op Eldernburg, dat behoorde aan de ridder
Ulrich von Hutten.
In een banbul tegen Luther
werden 41 van zijn stellingen ketters genoemd. HIj kreeg het
bevel zijn boeken te verbranden, maar niet zijn boeken, deze
bul werpt hij op 10 december 1520 openlijk, voor de poort van
de stad, in het vuur.
Karel V, die Maximiliaan was
opgevolgt, was een vurige kettervreter. Het liefst had hij
Luther op de brandstapel laten werpen maar hij werd door de
keurvorst Frederik de Wijze daarvan afgehouden.
Op 17 april 1521 moest Luther te
Worms voor de keizer verschijnen. Daar waren ook bij aanwezig:
de pauselijke nuntius, 6 keurvorsten, 24 hertogen, 8
marktgraven, 30 aartsbisschoppen en bisschoppen en vele andere
hoogwaardigheidsbekleders.
Luther werd gevraagd zijn boeken
te herroepen. Hij vroeg en kreeg bedenktijd. De volgende dag, 6
uur s'avonds, werd hij weer binnengeleid. Hij weigerde zijn
werk te vernietigen, mocht verder niets zeggen, maar alleen
antwoord geven op de vraag of hij herriep of niet. Hierop zei
Luther:
"Tenzij dan, dat ik door de
getuigenis der Heilige Schrift of door duidelijke bewijsvoering
overwonnen worde - want ik geloof noch de paus, noch het
concillie alleen, daar het bekend is, dat zij vaak gedwaald
hebben en met zichzelf in tegenspraak gekomen zijn - daar mijn
geweten door Gods woord gebonden is, zo kan en wil ik niets
herroepen, omdat het noch veilig noch aan te raden is, iets te
ondernemen tegen het geweten.Hier sta ik, ik kan niets anders.
God helpe mij! Amen".
Luthers optreden maakte diepe
indruk en de vriendelijke aartsbisschop van Trier wilde tot een
schikking komen. Luther zei tegen hem: Indien deze raad of dit
werk uit mensen is, zo zal het afgebroken worden; maar indien
het uit God is, zo kunt gij dat niet breken (Hand. 5:38-39).
Op de terugweg naar Wittenberg
werd Luther overvallen en als gevangene naar de Wartburg
gebracht. Dat was het werk van keurvorst Frederik. Luther werd
"Jonker George" met baard, zwaard en ridderkleding. Het gerucht
werd verspreid dat hij vermoord was.
In zijn periode als Jonker
George vertaalde Luther de bijbel, een werk dat in 1534
voltooid werd.
Tijdens Luthers afwezigheid was
er in Wittenberg van alles gebeurt. Dr. Karlstadt, zijn vriend,
had een beeldenstorm op gang gebracht en de mis met geweld
afgeschaft. Gelovigen in de lijn van de wederdopers, uit
Zwickau zeiden goddelijke openbaringen te hebben, schaften de
kinderdoop af en kondigden het aanbreken van het duizendjarig
rijk aan. Alle geleerdheid werd verboden. Dr. Karlstadt legde
zijn titel neer en gaf zijn studenten de raad naar huis te gaan
en landbouwer te worden. In het Rijk Gods geldt geen
geleerdheid.
Melanchton was ten einde raad.
Nu dook Luther weer op, zonder medeweten van de keurvorst was
hij van de Wartburg vertrokken. Hij predikten tegen de
Wederdopers.
De jonge Luther had enorme
symphatie gewonnen met zijn pogingen de kerk te hervormen. Later
echter koos hij de kant van de adel die hem gesteund had en
veroordeelde elke “revolutionaire” beweging onder de verarmde
boeren en burgers.
In Duitsland verspreidde de
Hervorming zich snel. Verschillende vorstendommen gingen tot
de Hervorming over. Toen op de Rijksdag te Spiers werd
aangedrongen op uitvoering van het bevel tegen Luther,
protesteerden de Hervormingsgezinden. Vanaf die tijd werd hun
naam "Protestanten".
In 1525 trouwde Luther met
Catharina von Born, een gewezen non. Ze hadden een gelukkig
familieleven.
Op bevel van de Keizer moesten
de Protestanten een geloofsbelijdenis maken (1530).
Melanchton schreef deze, het werd op 25 juni openbaar gelezen en
is sindsdien bekend als de "Augsburger Confessie". Na Luthers
dood, in 1546, brak de Schmalkaldische oorlog uit, een strijd
tussen de katholieke en protestantse adel.
Eerst in 1555 kwam
godsdienstvrijheid, hoewel beperkt, tot stand.
Luthers werk omvat: De
bijbelvertaling in het Hoogduits, hij schreef een grote en een
kleine catechismus, schreef zo'n 25 liederen. Een der bekendste
daarvan is "Een vaste burcht is onze God" uit 1527.
Zij zijn de bekendsten maar niet
de enigsten geweest die streefden naar een zuiver geloof waarin
niet de mens (paus) of een "bemiddelaarster" (Maria) maar Jezus
Christus centraal staat. Jammer genoeg maakten ook de
Hervormers het geloof afhankelijk van staatsinmenging. Ook
waren zij onderling hopeloos verdeeld, meenden desnoods met
geweld hun gelijk te moeten veroveren. Zij handelden niet naar
de uitspraak van Jezus: Denk niet dat ik gekomen om de Wet of de
Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te
schaffen, maar om ze tot vervullen te brengen (vgl. Matth.
5:17).
Hoewel dat aanvankelijk niet hun
bedoeling was geweest, raakte de kerk één van haar kenmerken, de
eenheid der gelovigen, kwijt.
Juist omdat de Hervormers zich
wilden onderscheiden van de Rooms-Katholieken werden
veranderingen aangebracht waarbij de vraag rijst of die zo door
de eerste apostelen bedoeld waren.
Niet langer was het priesterambt
de belangrijkste schakel tussen God en mens, maar werd de
werking van de heilige Geest en daardoor het levende woord,
vervangen door leerregels en dogma's.
Toch, ondanks al hun
misvattingen streefden de Hervormers naar zuiverheid van het
geloof, gezuiverd van alle elementen van z.g. heiligenverering,
in strijd met het eerste gebod, en een herstel van de
oorspronkelijke kerk.
Dat zij hierin niet slaagden
kwam omdat het belangrijkste element van de vroege kerk,
gegrondvest op het fundament van apostelen en profeten, herders
en leraren, met als uiterste hoeksteen Jezus Christus, niet
bereikt werd.
DE ALBURY-CONFERENCIES, VOORBODE
VOOR DE LATERE ONTWIKKELINGEN
Judas verried de Heer voor
slechts dertig zilverlingen. Eer, macht en aanzien waren de
drijfveren voor zijn verraad. Ook teleurstelling speelde een
rol. Hij had verwacht dat de Heer een aards rijk zou oprichten.
Een aards koninkrijk waarin zij, Zijn volgelingen, een
belangrijke post zouden verwerven. Maar de Heer had gezegd:
Mijn rijk is niet van deze wereld. Niet de aarde, maar het
hemelrijk is te beërven.
Pas in de negentiende eeuw zou
de psychologie uitgroeien tot een volwaardige wetenschappelijke
discipline, maar in feite was er niets nieuws onder de zon.
Menselijke gedragingen zijn mede
afhankelijk van invloeden uit de jeugdperiode, leefomgeving en
maatschappelijke positie. De mens kan proberen hier bovenuit te
groeien, uit zichzelf echter zal dat niet lukken. Alleen met de
kracht van de Heilige Geest is dat mogelijk want alleen God kan
zeggen: “Zie, ik maak alle dingen nieuw”. Maar toch, al kan een
Christen zich boven het zwakmenselijke verheffen, de
leefomgeving van de mens is niet, of slechts beperkt, te
veranderen.
Ook de apostelen uit de eerste
tijd hadden ieder, hoewel ze ernstig streefden naar het wezen
van Jezus de enige die alle menselijke zwakheden kon overwinnen
en daarom zondeloos naar Zijn Vader is gegaan, een eigen
karakter, van opvliegerigheid tot zwakheid.
Natuurlijk gold dat ook voor de
Engelse apostelen. Allen hadden, voordat zij het apostelambt
ontvingen, een aanzienlijke maatschappelijke positie. Immers,
in de periode waarin zij werkzaam waren lagen de
maatschappelijke omstandigheden anders dan heden. Dank zij hun
wereldse status konden zij als gelijken en met een zekere mate
van autoriteit aantreden bij geestelijken en wereldse overheden
De heilige Geest werkt tijdsovereenkomstig!
De Engelse apostelen hebben een
groots werk verricht dat heden nog doorwerkt, vooral door hun
streven nar oekumene Wij kunnen daarom aan hen slechts met
respect terugdenken.
Toch, hun maatschappelijke
positie, hun aanzien op werelds niveau, bracht ook nadelen.
Het Europa van die dagen was fel
nationalistisch. De apostelen waren zich er sterk van bewust
onderdaan te zijn van een natie die een vooraanstaande vervulde
had in de wereldse gebeurtenissen.
Het waren twee factoren, aanzien
en nationalisme, die zullen hebben bijgedragen een grote mate
van zelfverheffing.
Zij waren middel en doel uit het
oog verloren. Waren vergeten dat het apostelambt het middel,
een noodzakelijke voorwaarde is om Zijn kinderen toe te
bereiden voor de Bruilofts des Lams.
Zij meenden het doel te zijn en
dat door hun werken alles voltooid zou zijn. Vergeten waren de
onderstaande bijbelcitaten: Want de Mensenzoon komt op een
tijdstip waarop je het niet verwacht”. (Matt. 24:44).
Ik kom onverwacht als een dief.
Gelukkig is wie wakker blijft en zijn klederen aanhoudt (Openb.
16:15).
Ik ben met jullie, alle dagen,
tot aan de voltooiïng van deze wereld (Matt. 28:20).
Maar deze bijbelplaatsen waren
de Engelse apostelen, die de heilige Schrift intensief hadden
bestudeerd en daarover het profetisch licht hadden laten
schijnen, zeker ook bekend.
Ze waren er zelf van overtuigd
dat het apostelambt noodzakelijk was om de voleinding en het
wederkomen van Jezus te bereiken. Ook dat niet aan hen de macht
was gegeven om een apostel wel of niet te erkennen. apostel
Woodhouse schreef in 1862:
"God kan nieuwe apostelen
roepen. Hij kan herhalen wat Hij met Paulus en Barnabas gedaan
heeft. Wij matigen ons niet aan de macht te bezitten om God een
grens te stellen.
God kan dat doen, daarvoor zijn
genoeg bewijzen in de bijbel te vinden, echter geen bewijs is in
de Schrift te vinden voor het invullen van de open plaatsen van
Apostelen die geroepen, afgezonderd en uitgerust waren en die
door de dood weggenomen werden”.
(Eine Belehrung über
die fortdauer des Apostolats.)
Echter al vroeger hadden de
Engelse apostelen op de noodzakelijkheid van het voortbestaan
van het apostelambt gewezen. B.v. in het "Testimonium" waarvan
de tekst verderop volgt, en in andere geschriften.
Ook waren de Engelse apostelen
ervan overtuigd dat zij door God waren aangewezen om de
verdeelde christenheid weer één te maken, uiteraard onder
leiding van hen.
Het oude Europa heeft in de loop
der eeuwen heel wat hongersnoden, epidemieën en oorlogen
meegemaakt. De
grenzen tussen de
maatschappelijke klassen waren scherp getrokken.
De grens tussen geestelijke en
maatschappelijke macht was moeilijk te trekken. Hoewel de
Reformatie en het optreden van o.a. de wederdopers met hun
kortstondige “regering” te Münster, veel woelingen en
veranderingen hadden veroorzaakt, was er binnen de
maatschappelijke verhoudingen weinig veranderd.
Het Congres van Wenen, begonnen
op 25 september 1814, had weliswaar nieuwe staten en staatjes
geschapen en nieuwe grenzen getrokken, maar Europa bleef
verdeeld in tientallen onmachtige landen die elkaar op leven en
dood bestreden. Zo werden Nederland en België na een
kortstondige strijd weer twee aparte staten. Europa bleef
verdeeld door de vele staten en talen en de gebrekkige
infrastructuur.
Het humanisme en communisme
veroverde terrein op “de kerk”. Er kwam een culturele strijd op
gang waarbij de “Rede” contra het geloof kwam te staan. De
Franse revolutie (1792-1799) had een schok in Europa
veroorzaakr.
Het had afgerekend met het
“Ancient Régime” en met de restanten van de donkere
middeleeuwen.
De adel verhoor haar macht en
ook het erven van adelijke titels en bezit werd met de wet van
12 brumaire van het jaar II (2 november 1793) aan banden gelegd.
De standenmaatschappij bestond
niet langer. Voor het eerst werd in Europa persvrijheid
ingevoerd, hoewel dat later weer werd beperkt. Deze vrijheid
werkte ook door in de literatuur en beeldende kunsten.
De revolutie had het oude
feodale stelsel, dat stoelde op de theorie van het “goddelijk
recht” en dat borg stond voor de handhaving van de voorrechten
van de aristocratie, vervangen door een liberale en wereldse
staat, gegrondvest op de beginselen van volkssouvereiniteit en
burgerlijke gelijkheid.
Het katholicisme bleef wel een
bevoorrechte godsdienst maar was niet langer staatsgodsdienst.
Op 11 prairial van het jaar III (30 mei 1795) kregen de
verschillende religies toestemming tot vrij gebruik van hun
kerken, voor zover deze niet voor andere doeleinde geconfisceerd
waren. Het recht op bijstand en onderwijs werd wettelijk
vastgelegd.
Veel van wat de Franse revolutie
aan maatschappelijke verbeteringen opleverde stond model voor
het Europa van de negentiende en twintigste eeuw.
Helaas sloeg in later jaren de
balans van de Franse revolutie door naar radicalisme.
Niet alleen staatskundige
veranderingen werden doorgevoerd. Alle facetten van het
openbare leven werden aangetast. Zo moesten kinderen vanaf vijf
jaar naar een internaat om daar te worden opgevoed volgens de
ideologie van de staat.
De bestaande tijdrekening werd
vervangen door een "republiekeinse kalender", (waarvan boven al
enige voorbeelden gegeven) waardoor o.a. de zondag als
geheiligde rustdag kwam te vervallen. De zevendaagse week werd
opgeheven en vervangen door een eenheid van tien dagen.
Christelijke feest- en gedenkdagen werden afgeschaft.
Daarvoor in de plaats kwam het "feest van het opperwezen" met
Robespierre in de rol van hogepriester.
Kortom, de bestaande orde en
waarden werden op z'n kop gesteld.
Mede dankzij de geïsoleerde
ligging had Engeland al deze gebeurtenissen niet hoeven
meemaken. Van de ontreddering op het vasteland gebruikmakend
namen de Engelsen veel Spaanse en Nederlandse koloniën in bezit.
Alleen werd Indië aan Nederland terug gegeven, warvoor wel
andere gebieden in Azië opgegeven moesten worden.
Na de beslissende slag op 18
juni 1815, waarbij Engeland het voortouw had genomen, kwam er
een einde aan de Napoleontische bezetting. Engeland behield
echter de veroverde koloniën en ontwikkelde zich mede daardoor
tot een wereldmacht en het Engels werd een wereldtaal.
Behalve wereldmacht werd
Engeland ook de grootste industrieële natie ter wereld. Dat was
circa 1750 begonnen met de staalverwerking. Waterwegen moesten
worden aangelegd voor vervoer van materieel en goederen.
Machines werden ontworpen voor spinnen en weven waarvoor katoen
uit India en wol uit Australië ingevoerd moest worden.
Deze geweldige economische
ontwikkeling had ook negatieve gevolgen. In de steden ontstond
een groot leger van gezinnen die op de rand van de verpaupering
leefden. Vakbonden en politieke partijen ontstonden.
Kerken begonnen hun greep op de
samenleving te verliezen, het wettige gezag begon te wankelen.
De prijzen voor de eerste levens- behoeften zoals graan, stegen
tot ongekende hoogten.
Tot dan toe was de Anglicaanse
kerk oppermachtig geweest.
De Anglicaanse kerk, als
staatskerk ontstaan in 1534 omdat Koning Hendrik VIII wilde
trouwen met Anna Boleyn maar Paus Clemens VII het huwelijk van
Hendrik met Catherina van Aragon weigerde te ontbinden, was
oppermachtig en beheerste het geestelijke en openbare leven.
Door het dicteren van de "Act of
Supremacy" verklaarde de koning zichzelf tot hoofd der
Anglicaanse kerk.
In 1828 werd de eerste bres
geslagen in deze oppermachtige stelling. De "Act" werd
opgeheven, met uitzondering van de superieure positie van de
koning. Deze wet uit 1673 eiste dat iedereen die in welke
functie dan ook in overheidsdienst was, de Engelse beginselen
moest onderschrijven.
Engeland kreeg, door afschaffing
van deze wet, een godsdienstvrijheid die nergens elders in
Europa bestond.
Al deze ontwikkelingen, de
opkomst van het atheïsme, de lauwheid op het kerkelijk erf, de
industrialisatie en de daarmee gepaard gaande verpaupering,
verontrustte vele oprechte christenen.
De regering, met name tijdens de
ambtsperiode van premier Perceval, vader van een latere Engelse
apostel, deed alle moeite om het religieuze leven opnieuw te
ontwikkelen. Tevens nam deze regering vele maatregelen om de
verpaupering tegen te gaan.
Nadenkende christenen zochten
steun in hun geloof en begonnen zich ernstig in de Heilige
Schrift te verdiepen. Maar daarbij bleef het niet. Vanuit
verschillende denominaties werd missionair werk ter hand
genomen.
Zo werd in 1793 de
Baptist Missionary Society, twee jaar later de London Missionary
Society en in 1799 de Church Missionary Society for Africa and
the East opgericht.
Verderop hierover meer.
In datzelfde jaar ontstonden
tevens twee organisaties die een belangrijke rol zouden gaan
vervullen in het religieuze leven en wiens voorbeeld navolging
zouden vinden in de rest van Europa. Het waren de Sunday School
Union en de Religious Tract Society. Deze laatste organisatie
verspreidde christelijke traktaatjes, korte duidelijke
geschriften over het christendom, geheel in tegenstelling tot
de hoogdravende taal van theologen en kanselredenaars. Deze
traktaatbeweging werd onmisbaar geacht voor het missiewerk in
eigen land.
De belangrijkste stap was echter
de oprichting van het "British and Foreign Bible Society" met
het doel de bijbel te verspreiden onder de armen en de
onderontwikkelde Britse onderdanen overzee. De oprichting van
dat Bijbelgenootschap vond navolging in geheel Europa, zoals in
Nederland met het NBG.
Al ver voor de eeuwwisseling
verschenen boeken met een apocalyptische inhoud. Twee
schrijvers hielden zich daar bijzonder mee bezig: Jeanne Leade
met Openbaeringe der Openbaeringen (1696 in het Nederlands
verschenen) en de wereldvermaarde natuurkundige Isaac Newton
die zich ook met geloofsvraagstukken bezig hield.
Newton schreef in 1727 o.a.:
"... dat de boeken van Daniël en
de Openbaring niet begrepen zullen worden vóór het einde der
tijden” , en hij voorzegt, dat de grote schare, die komt uit de
grote verdrukking, een prediking van het evangelie moet
ontvangen vóór die verdrukking en de val van Babylon.”
Hij verteld dat er een grote
omwenteling voorzegd is in de bijbel, maar eerst als dat
geschiedt, is de tijd gekomen om de voorzeggingen der profeten
te verstaan.
Tenslotte zegt hij "dat God
spoedig deze verborgenheden zal openbaren, en dat tegen het
eind van het einde, een vergadering van mensen zal verwekt
worden, die aandacht aan de profetieën zullen geven en zullen
opkomen voor haar letterlijke uitlegging ondanks veel protest en
tegenstand."
Nadat de negentiende eeuw haar
intrede had gedaan, verscheen een ware vloedgolf van dit soort
publicaties. Alleen al in de jaren 1820-1833 zo'n zeventig
werken.
Titels die bijzonder veel
aandacht kregen waren: "Brieven aan Basilicus", door Lewis Way
en "Het Messiaanse Rijk", door Bayford. Een boek dat van veel
invloed zou zijn op de Albury-conferenties werd geschreven door
een Jezuït, Lacunza. Hij gebruikte daarvoor het pseudoniem
Ben-Ezra.
Lacunza werd geboren in St. Jaco
(nu Santiago) in Chili in 1731 en werd prediker van de Orde der
Jezuïten.
Nadat de Jezuïten in 1767 uit
Chili verdreven waren ging hij naar Imola in Italië en schreef
daar "De toekomst van de Messias in glans en heerlijkheid". De
oorspronkelijke versie werd geschreven en uitgegeven in het
Spaans.
Lacunza stierf in 1801. Pas in
1812 verscheen de Spaanstalige uitgave die door de
Rooms-Katholieke Kerk in 1814 op de index van verboden boeken
werd geplaatst.
Het was de verbeterde Spaanse
uitgave van 1826 die door de predikant Edward Irving in het
Engels werd vertaald. Voor het grootste deel van de
geestelijkheid was de inhoud van Lacunza's werk een openbaring.
In het eerste gedeelte behandeld
hij de Heilige Schrift, de leer der Kerkvaderen en de Concilies.
In het tweede deel maakt de schrijver duidelijk dat door de
eeuwen heen gehoopt en uitgezien werd naar de wederkomst van de
Heer, zoals voorzegd in het Boek Daniël en in de geschriften
van de kerkvaderen tot uiting komt. Het derde deel gaat over de
heerlijke toekomst, de vervulling van de belofte van een nieuwe
hemel en een nieuwe aarde, het nieuwe Jeruzalem en de bruiloft
des Lams.
Dat de Spaanse uitgave in handen
van Irving kwam, leek een godsgeschenk te zijn, want voordien
had Irving nog nooit over dat onderwerp in zijn gemeente
gesproken.
Als voorloper van de eerder
genoemde stroom van publicaties in Engeland is te beschouwen
het boek dat W. Cunninghame schreef over de Openbaring van
Johannes. Hij legde daarin de nadruk op de wederkomst van Jezus
en het begin van het duizendjarig Vrederijk.
Een andere invloedrijke
publicatie verscheen in 1826 van de hand van de Anglicaanse
geestelijke J. Haldane Stewart.
Hij schreef over de beloften van
de Profeet Joël dat een tweede (late) spade regen komen zou, dat
de Heer Zijn kerk weer wilde inrichten naar Zijn begeren. Hij
riep op om voor deze spade regen te bidden.
Het boek met als
titel: "Thought on the importance of special prayer for the
general outpouring of the Holy Spirit" werd wijdverbreid in
Engeland en het vasteland.
Maar de zorg over de toestand
van de kerk en het verlangen naar de wederkomst van de Heer niet
alleen beperkt tot Groot-Brittannië. In Duitsland waren het
Herder en Schilling die erover schreven, in Frankrijk Pére
Lambert en in Rusland Schubert.
Al deze geschriften en de
tijdsomstandigheden brachten groepen van gelovige zielen bijeen
om te bidden en voor bijbelstudie. Zo ook op het landgoed te
Albury (Surrey) dat Sir Henry Drummond in 1819 had gekocht.
Henry Drummond, geboren 5
december 1786, is ouderloos als zijn vader in 1794 sterft en
zijn moeder, na een nieuw huwelijk, naar India vertrekt. Henry
groeit daarom op bij zijn grootvader, Lord Melville, en leert
bij hem ook de bekende staatsman William Pitt jr. kennen. Pitt
was behalve politicus, hij was verschillende malen minister en
bracht het tot premier, ook heel goed thuis in de bijbel. Van
hem neemt Drummond de ijver voor studie van de Heilige Schrift
over.
Na zijn studie, die hij zonder
een titel te behalen afbrak, werd hij mede-vennoot in de
DrummondEQ \O(', )s Bank, Charing Cross, Londen.
Al op jonge leeftijd, 24 jaar,
is hij lid van het parlement. Van 1810 tot 1813 heeft hij
zitting in het Lagerhuis als afgevaardigde van Plumpton Earle,
Devonshire en daarna vanaf 1847 tot aan zijn overlijden voor het
district West Surrey. In het Lagerhuis spreken hij en Spencer
Perceval, die we later ook in het apostolische werk tegenkomen,
over de geestelijke noden die zich alom in het land
manifesteren.
Drummond geniet faam als
onafhankelijk en principiëel lid van het Lagerhuis, ook als het
gaat om dictaten van de Conservatieve fractie waarvan hij deel
uitmaakt. Naast zijn werk als bankier richt hij in 1825 een
lectoraat aan de Universiteit van Oxford in de politieke
economie op, is lid van de "Royal Academy of fine arts at
Florence" en is lid (magistraat) van de rechterlijke macht van
het district Surrey en president van de "Western Literary
Institution".
Bij deze veelzijdigheid aan
activiteiten blijft echter zijn geestelijk leven en
bijbelstudie op de eerste plaats staan.
Zo is hij in 1817 in Gèneve op
verzoek van de Tract Society, waar hij bij zijn aankomst nog net
een ontmoeting kan hebben met de Schotse predikant Robert
Haldane.
De gebroeders James en Robert
Haldane speelden een belangrijke rol in het missie-werk,
aanvankelijk in India en later op eigen bodem in Schotland.
Drummond zet in Gèneve het werk voort dat Haldane begonnen was:
de strijd tegen het Socianisme. Deze secte was ontstaan in de
zestiende eeuw in Polen. Zij erkenden Jezus wel als de Zoon van
God maar alleen in Zijn werk op aarde. De triniteit werd
afgewezen.
Op grond van zijn bijbelstudie
was Drummond er echter van overtuigd dat de wederkomst van de
Heer aanstaande was. Drummond stond niet alleen in deze
overtuiging. Tijdens de kerstdiensten van 1825 predikte Irving
voor de eerste keer over "Het tweede komen van de Heer als hoop
voor de kerk", met als bijbelwoord 1. Thess. 5:1-3.
Op 1 juni 1826 kwamen voor de
eerste keer zeven mannen bij elkaar ter bestudering van de
profetische geschriften. Dat was op uitnodiging van de bekende
geestelijke Lewis Way. Deze Way had de steppen van Rusland en de
woestijn van Syrië doorkruist en in de eenzaamheid had hij
visioenen ontvangen over de nabije wederkomst van de Heer.
Sedert 1818 gaf hij de "Brieven van Basilius" uit waarin de
profetieën over de wederkomst des Heren werden beschreven.
Al deze gebeurtenissen en de
inhoud van het boek van Lacunza waren voor Drummond aanleiding
om de in Londen begonnen conferentie’s voort te zetten en op 28
november 1826, de eerste adventdag, op zijn landgoed te Albury
in het kasteel "Northumberland House" een bijeenkomst te
beleggen met een wisselend aantal geestelijken en leken. Tot
1830 werden deze conferenties jaarlijks gehouden. Deelnemers
daaraan waren o.a.:
de Anglicaanse leken en
predikanten G. Beckett, W. Bryan, T.W. Cole (Vicaris van
Wonersh, Surrey), W. Marsh (Vicaris van de St. Peter’s,
Colchester), E.T. Vaughan (Vicaris van St. Mary’s, Leichester),
J. Wolff (Missionaris), R. Wolff sr. en jr., Lord Mandeville,
I.J. Strutt, J. Bayford, Henry Drummond, J.H. Frere, Capt. G.
Gambier, Lieut. Malden, S. Perceval (zoon van de
Minister-President), E. Simon, Dr. Wilson (die later Bisschop
van Calcutta werd).
Verder: W. Dow (Presbyterian),
J. Hawtrey (Methodist), Edward Irving (Church of Scotland), H.B.
MacLean (Presbyteriaans geestelijke), H.J. Owen (Church of
Scotland), J. Tudor (Secretaris van de Prophetic Society), A.
Haldane (uitgever van de Record).en Lewis Way (Zendeling).
In het totaal werden er 5
Albury-conferenties gehouden (de laatste op 5 juli 1830). Van de
in het totaal aantal deelnemers van 44 waren het 26 geestelijken
en 18 leken.
Kleine wijzingen in het aantal
deelnemers, vinden er bij de verschillende beschrijvers van deze
conferenties plaats. De bovenstaande lijst echter is van
deelnemers die in ieder geval aanwezig zijn geweest, hoewel
misschien niet bij alle bijeenkomsten.
Op enige deelnemers van deze
Albury-conferenties zullen we aanstonds terugkomen.
De latere Duitse geestelijke van
de katholiek-apostolische gemeente, E. Rossteucher, schreef:
Over de groep van deze
deelnemers werd geschreven: "Alles kwam daar bijeen, wat van
menselijke zijde aan te brengen was tot voorbereiding der op
handen zijnde godsdagen. Ware christelijke leer en zin
samengaande met een diep inzicht in de verkeerdheid van de
eigen kerk en van de christelijke kerk in het algemeen. Men was
geneigd, zijne schuld te boeten, gepaard met een vol vertrouwen
op de onuitputtelijke genade Gods voor Zijn volk, men vond er de
trouw en de geschiktheid om aan de eisen van het kerkelijke
leven tegemoet te komen, met de profetische verwachting en het
vurig verlangen naar het komen van het rijk van Christus - alles
voor zover het toen in de kerk te vinden was.
Hier was als het ware een
hogeschool opgericht, waarvan meester en jongeren op de
geestelijke geboorte, die God wilde, te voorschijn roepen, in
haar gevolgen kon behoeden en tot wasdom brengen".
De onderwerpen die op de
Albury-Conferenties behandeld werden waren:
1. De leer der Heilige Schrift
over de tijden der Heidenen (Luc. 21:24) en over het doel en het
punt van uitgang van de tegenwoordige huishouding Gods.
2. De praktische betekenis van
die tijden voor de kerk.
3. De bijbelse leer en de
tegenwoordige en toekomstige toestand der Joden. (Zoals vele
christenen in die tijd gingen ook de deelnemers aan de
Albury-conferenties ervan uit dat, met herstel van Israel als
nationale staat der Joden, de Heer alles zou herstellen).
4. De plichten voor de houding
der kerk die hieruit voortvloeien
5. Wat de bijbel leert omtrent
de tweede komst van de Heer.
6. De plichten die voor de kerk
ontstaan met het oog op de wederkomst.
7. De systematische volgorde en
chronologie van de profetische schriften.
8. Wat ons is geopenbaard
omtrent de volgorde van de gebeurtenissen die samenhangen met
de wederkomst van Christus.
9. Wat het bijzondere is omtrent
de dag van de grote Slag Harmageddon en door welke
gebeurtenissen deze afgebeeld wordt.
10.Wat er geopenbaard is over de
wijze van het tot stand komen der twee en der tien stammen.
11.Eén en ander over de toestand
der kerk in deze tijd.
12.De voorbeelden waarin de
Godsmens volgens zijn beide toestanden beschreven wordt, die
der vernedering en die der heerlijkheid. (Met “vernedering”
werd bedoeld de tijd die in de bijbel beschreven staat als “de
grote verdrukking”
13.De praktische plicht van hen,
die op de verschijning des Heren wachten.
14.Welk licht ontvangen wij uit
de openbaringen voor de wet, betreffende het nog niet vervulde
gedeelte van het raadsbesluit Gods.
15.Welke uit de Mozaïsche wet
zelve voort gekomen is.
16.Welk uit de geschiedkundige
gebeurtenissen van het Joodse volk.
17.Welk uiteindelijk uit de
Evangeliën en brieven van het Nieuwe Testament..
18.Over de tekenen des tijds..
Over de manier waarop de
Albury-conferenties zich afspeelden is een verslag bewaard
gebleven dat geschreven werd door Edward Irving. Hij schrijft
daarin het volgende:
"Tot eer van onze vergadering
leidde de Heer de omstandigheden zo dat J. Wolff, zendeling
onder de Joden, zich ook onder ons bevond. En hier brachten wij
zes volle dagen in nauwgezet en vlijtig schriftonderzoek door.
Wij bestemden over elk der onderwerpen (die alle betrekking
hadden op de nabijzijnde wederkomst des Heren) een bijzonder dag
en besloten daarvoor niet meer dan één dag te besteden.
We verdeelden ons werk elke dag
in drie delen, een ochtendzitting voor het ontbijt, de tweede,
de hoofdzitting, tussen het ontbijt en middagmaal en de derde
s’avonds.
De bezigheid in de
ochtendzitting was tweeërlei en wel ten eerste het gebed tot de
Heer om licht, wijsheid, geduld en ootmoed voor Hem, om de
gemeenschap der heiligen en om elke andere gave en genade der
Heilige Geest aan welke wij voor ons dagwerk behoefte hadden.
Terwijl deze daarmee bezig was, maakte de overige broeders hun
aantekeningen van het zakelijke zijner voordracht en namen
daarbij de stellingen over die ten grondslag aan ons te
behandelen onderwerp lagen, door onze broeder aangegeven. Dan
gingen wij, gesterkt door het gebed, uit elkaar zonder enige
nader verklaring af te geven.
Nu wachtte ons het ontbijt in
gezelschap van de godvrezende echtgenote en de familie van de
gastheer.
Na afloop hiervan verliepen twee
volle uren eer de tweede bijeenkomst plaats vond, omdat ieder
zichzelf nauwkeurig voor de Heer mocht onderzoeken ten opzichte
der aan de orde zijnde vraagstukken en wij mochten komen, niet
als overredenen maar als overtuigden die geenszins spraken onder
de invloed van voorbijgaande indrukken, maar naar hun geweten.
Zodra wij weer bij elkaar zaten
en kort de goddelijke genade hadden ingeroepen om in ons midden
te blijven, een plechtigheid in welke ons gewoonlijk onze
eerwaarde voorzitter voorging, begon deze op de beurt af ieder
der aanwezigen te vragen welke de inzichten en gevoelens waren
betreffende het op die morgen voorgestelde onderwerp, terwijl
de overigen zich bezig hielden het zakelijke van het antwoord
door hun pen aan het papier toe te vertrouwen.
Geen beroep dat niet gegrond was
op de Schrift werd aangenomen, de grondtekst lag voor ons. (De
Hebreeuwse en de Griekse (Septuaginta) uitgaven van de Heilige
Schrift).
Daar de rechte betekenis soms
moeilijk door ons te vatten was, hadden wij de hulp en
onderricht van Joseph Wolff die wellicht de meest geleerde
oriëntalist was.
Ieder legde nu op zijn beurt
zijn gevoelens bloot met zoveel vrijmoedigheid en
onbeschroomdheid, wederzijdse achting en liefde, zodat onze
zielen er zeer door verkwikt werden.
Deze zitting duurde vier, soms
vijf uren, daar wij ons voorgesteld hadden, eer wij uit
elkander gingen alle geopperde meningen samen te vatten. Werden
wij door vermoeidheid belemmerd dan sterkten wij ons door het
gebed, dat wij ook als hoofdwapen tegen de satan beschouwden.
Ook deze zitting werd besloten met dankzegging door de mond van
een geestelijke.
's Avonds om zeven uur, na
afloop van de maaltijd, zaten wij weer bij elkaar om de
behandelde zaak in haar geheel te overwegen en af te sluiten.
Alle bezwaren en vragen werden dan voorgelegd aan degene die de
inleiding tot het onderwerp had gehouden en zo sloten wij om 11
uur ons dagwerk met gezang en gebed af".
Zo verliepen alle zes dagen.
Deze Albury-conferencies waren
ook in Nederland bekend. Hieronder volgt een epistel dat Willem
de Clercq schreef in het jaar 1827 (originele schrijfwijze
aangehouden:
“Vereeniging te Albury”
Vereeniging van eenige
beoefenaars der Profecie in de Zomer van 1826 te Albury onder
het voorzitterschap van Hugh McNiel, Rector van Albury en ten
huize van de Heer Drummond. Deze beoefenaars waren van
verschillende gemeenten (de Zendeling Wolff is ook aanwezig).
De vereeniging duurde acht dagen
in volkomen eenheid en liefde.
De punten van onderzoek waren:
1.
De Leer der H.S. omtrent de tijden der Heidenen
2.
De pligten van
Christenen en Rectors omtrent de voornoemde heidensche kerken
3.
De Leer omtrent de
tegenwoordige en toekomstige toestand der Joden
4.
De pligten omtrent
de Joden die daaruit voortvloeien
5.
Het stelsel van de
prophetische gezichten en getuigen van Daniël en de Openbaring
6.
De schriftuurlijke
leere omtrent de toekomst der Heere
De pligten omtrent de kerk in de
wereld, hieruit voortvloeijende.
Men kwam geheel overeen in het
volgende:
Wij geloofde in het algemeen dat
de tegenwoordige stand van verbreiding des Evangelisch geschikt
was voor een tijd overeenstemmende met de tijden der Heidenen,
deze weder overeenstemmen met het tijdperk van Jeruzalemsch
vertreding onder de voeten der Heidenen, en van de verspreiding
der Joden; dat de herstelling van de Joden het begin zoude wezen
van een hersteld tijdperk in de Kerk en in der wereld, dat
genoemd mag worden: de algemeene verspreidng van de weldaden van
de dood van Christus, terwijl de tegenwoordige bedeeling van de
kerk alleen en dus steeds weinigen bevat in vergelijking van het
geheel. Dat het besluit van het tegenwoordige tijdperk in grote
verdeeldheid, en het begin van het nieuwe en grote genade gewis
nabij, ja dus de deur was, die de alle overeenstemmende dat de
1260 en 1290 dagen van Daniël vervuld zijn, en de overige 45
beginnend aan het einde van de welke de bepaalde tijd zal
gekomen zijn. En dat gedurende dat oordeel dat van der eenen dag
tot de andere beginnen kan, zij dat tweede komen van de Heere in
persoon te wachten hebben, en de dode toestand van zijn heilige
optewekken en met hen te regeeren. Alle kwamen overeen dat in
die (tijd) deze dingen te verwachten zijn, er was ons op onze
verschillende posten de grootste waakzaamheid vereischt wordt en
de meest onbevreesde standvastigheid in het waarschuwen met
liefde, en in het prsenteeren van geneeskragten aan allen.
Gelijk als wij daartoe aangemaand werden
door den Heere zelve, onder de zelve bevel onder welke wij
volgens die algemeene gevoelens aldaar verzamelden, die leven
gereed zijnde van de laatste en alles beluitende fiool
Toen in 1827 de
conferentie-deelnemers weer bijeen waren, vertelde de Schotse
geestelijke Robert Story over christenen uit zijn omgeving die
voorbeeldig waren in hun levenswandel en die bijzondere krachten
vanuit de Heilige Geest bleken te bezitten.
Hij roemde daarbij Isabella
Campbell wiens levensgeschiedenis hij beschreef in "Peace in
Believing, a memoir of Isabella Campbell of Fennicarry". Deze
Isabella was sterk onder de indruk geweest van het boek van
Lacunza die haar helderheid gaf in stukken uit de Heilige
Schrift die tot dan toe duister gebleven waren.
Een andere vrouw waardoor de
Heilige Geest zich openbaarde, was een zekere Mrs. Johnstone.
Haar man, een scheepsbouwer, had een knecht James Grubb
genaamd. Deze Grubb stierf in 1828. Na een leven zonder God
werd hij op zijn ziekbed bekeerd. Daarna kreeg hij merkwaardige
beelden waarvan hij de bijzonderheden nimmer meedeelde, maar die
volgens zijn zeggen, ook aan zijn meester, wiens sterven hij als
op handen zijnde aankondigde, voor diens dood kenbaar gemaakt
zou worden. Wel gaf hij te kennen dat het betrekking had op een
groot werk Gods dat binnen niet al te lange tijd in de kerk
openbaar zou worden.
De derde Albury-conferentie had
als thema: "The True Hope of the Church reviewed" (De ware hoop
der vernieuwde kerk). In deze bijeenkomst werd veel duidelijk
over de betekenis van het begrip "Eerstelingen" en dat de
ontslapenen als eersten zouden opstaan volgens 1. Kor. 15.
De laatste Albury-conferentie
was dus in juli 1830. Ongeveer tien van de deelnemers werden
later lid van de Katholiek-Apostolische Gemeente, anderen
trokken zich terug.
Eén van hen, de voorzitter van
alle conferenties en de priester van de plaatselijke kerk te
Albury, Hugh MacNeille, werd een besliste tegenstander van het
apostolische werk en predikte er tegen.
De verslagen over de
conferenties 1827-1829 werden door Drummond vastgelegd in drie
lijvige boekdelen: "Dialogues on Prophecy". De slotverklaring
luidde:
"... dat het onze plicht is
om voor de herleving van de gaven, zoals ze in de oerkerk
bestonden, te bidden. Zo daar waren: Wijsheid, erkenning,
geloof, gezondmaking, wonderen doen, profeteren, onderscheiden
der geesten en verschillende vormen van tongentaal. Deze
verantwoording ligt op ons, om te informeren over de toestand
der gaven, waarvan gezegd wordt, dat ze in het westen van
Schotland aanwezig zijn.
Het is onze plicht, de
geestelijken die uit hun ambt gezet zijn wegens hun trouw
getuigenis, te ondersteunen".
Vanaf 1829 werden de resultaten
van de conferenties en verdere geloofsvraagstukken uitgedragen
door middel van een kwartaaltijdschrift "The Morning Watch,
Journal of Prophecy" dat geredigeerd werd door John Tudor.
Dat blad bestond tot 1833.
DE WERKZAAMHEDEN VAN ENIGE
ALBURY-DEELNEMERS
In het begin van de negentiende eeuw
heerste er onrust in Europa. Napoleon en zijn legers hadden
grote delen in hun macht en er werd volop strijd gevoerd.
Nederland werd vanaf 1806 “geregeerd” door Lodewijk Napoleon
maar niet naar de wens van zijn broer, de keizer, en daarom in
1810 van zijn taak ontheven.
Vanaf die tijd werd ons land een Franse
“provincie”. Het bewind van Lodewijk was gematigd en hij was
populair onder het volk. Zelfs een “oranjeklant” als Willem
Bilderdijk, in 1795, tegelijk met Willem V in ballingschap
gegaan, keerde terug en werd bibliothecaris en leraar
Nederlands van Lodewijk Napoleon, overigens onbegonnen werk.
Ook Engeland, de Fransen werd door de
troepen van de keizer aangevallen, ze kwamen zelfs tot op de
Theems, maar tot een belegering kwam het niet.
De houding tegenover de Joden was
veranderd. Dat Luther in 1543 een boek geschreven had met de
titel
“Von den Juden und ihren Lügen”, waarin
o.a. weer de terechtstelling van Jezus weer naar voren kwam en
meer van dat soort fraais, werd in de “vergeethoek” gestopt.
Dat de Joden in de tijd van Luther, part
nog deel hebben gehad aan deze kruisiging, daaraan werd
voorbijgegaan.
Later zou het evangeliseren onder de
Joden krachtig aangepakt worden, met name vanuit Engeland.
In 1801 kwam Joseph Frey met Palm en
Ulbricht (over deze twee is niet meer bekend) vanuit Berlijn
naar Engeland om een bijeenkomst bij te wonen van de toenmalige
“Missionary Society”. Dit gezelschap was opgericht in 1795.
Later werd de naam gewijzigd in “The London Missionary Society”.
Het viel Frey op hoe de Joden in Londen leefden en hij begon met
evangeliseren onder hen.. In 1805 zocht hij aansluiting bij de
“London Missionary Society” en stichtte een school voor Joodse
kinderen. Later werd een oude Franse kerk in gebruik genomen die
de naam van “The Jews Chapel” kreeg, om lezingen en diensten
voor Joden te houden.
Namen van mannen die in deze diensten
voorgingen zijn o.a. J.W. Cunningham en W. Marsh, die we ook
later terugvinden als deelnemers aan de Albury-conferenties.
Weer wat later werd de “Palestine Place”
gehuurd voor de duur van 99 jaar. Hiervoor werd op 7 april 1813
de eerste steen gelegd door de Duke of Kent in het bijzijn van
o.a. William Wilberforce en Lewis Way.
Op 16 juli 1814 werd dit kerkgebouw, dus
speciaal voor christelijke Joden, geopend.
Toen op 14 maart 1815 een nieuw reglement
werd opgesteld werd de Society een onderdeel van de Church of
England.
De
levensloop van Lewis Way is opmerkelijk. Hij beschikte over
weinig geld. Op een dag passeerde een Mr. John Way zijn huis en
zag zijn naam op de deur staan. Lewis en John Way maakten kennis
met elkaar en toen de oude man overleed liet hij Lewis een
fortuin na van 300.000 pond met de bepaling deze te gebruiken
voor de eer van God.
Lewis Way
hoorde dat er een Society was om het evangelie onder de Joden te
brengen. Deze Society verkeerde in geldnood. Way doneerde 20.000
pond met de bepaling dat het oude bestuur moest aftreden en het
hele beleid aan kerkmensen overgedragen zou worden. Dat werd
geaccepteerd.
Zelf nam
Way zestien joden in zijn huis op, onderwees en doopte hen.
In
1817-1818 kwam Lewis Way op eigen kosten naar het vasteland en
bezocht o.a. Nederland waar hij een geopend oor vond. Het gros
van de Joden in Nederland was arm. Slechts enkelen werkten als
bankier of waren rijke kooplieden.
De komst
van de Joden in ons land valt in twee perioden te verdelen. De
eerste periode is rond de negende eeuw, ze zijn dan vooral te
vinden in Vlaanderen, Brabant en Gelderland. Rond 1370 werden ze
verdreven.
De tweede
golf is van het einde van de zestiende eeuw. De toen opgerichte
Republiek der Vereenigde Nederlanden was een veilige haven voor
de Joden uit Spanje tijdens de gruweldaden van Philips II en de
fanatieke Mary van Engeland. Deze asielzoekers waren
meestentijds Marranos of Nieuwe Christenen.
Hun
voorouders in Spanje hadden voor de schijn, uit lijfsbehoud, het
christendom aangenomen.
Voor hun
nazaten die de wijk uit Spanje namen waren de Europese grenzen
gesloten, of het verblijf in die landen was niet gunstig. Dat in
tegenstelling tot de Republiek der Vereenigde Nederlanden waar
ze zich vrijelijk konden vestigen.
De eersten
kwamen hier rond 1590 en in Amsterdam werd in 1598 een synagoge
opgericht. Deze stad werd niet voor niets “Nieuw-Jeruzalem”
genoemd. Volledige burgerrechten werd in 1619 verkregen. Bekende
namen waren o.a. Uriel Da Costa (een voorvader van de latere
Isaac da Costa), en Baruch Spinoza.
Willem van
Oranje ontving van de jood Baron Suasso een miljoen gulden om de
invasie naar Engeland te kunnen financieren.
Tussen de
Askenazie joden, die wat later vanuit Duitsland vluchten, en de
aristocratische Sefardim gaapte een diepe afgrond.
Uiteindelijk beliep het aantal Joden in Nederland zo’n 100.000
waarvan er ongeveer 75.000 in Amsterdam woonden. Nu zou het een
onbeduidend getal zijn geweest, maar het Nederland van die dagen
telde ten hoogste 2 ½ miljoen inwoners.
In
Rotterdam, waar Lewis Way en zijn helpers aankwamen, maakten ze
kennis met een jood met de naam Erasmus, genoemd dus naar de
grote humanist.. Deze bracht hen in kennis met de hoofdrabbijn
in die plaats, maar ondanks het werken van Way lukte het niet de
rabbijn te overtuigen. Hij noemde het Nieuwe Testament een
“onheilig ding”.
Anders was
zijn broer in Den Haag, ook rabbijn, die het Nieuwe Testament
wel aanvaarde.
Maar, zoals
al geschreven, de grootste concentratie Joden was te vinden in
Amsterdam. Velen van hen accepteerden de christelijke boeken en
twee drukkers wilden de traktaatjes van de Society drukken voor
eigen risico.
In 1822
werd een kapel opgericht met A.S. Thelwall als voorganger en als
assistent E.H. Simon die het Nederlands goed beheerste. Door de
Society werd veel gedaan om de Joden met het evangelie bekend te
maken.
Ze werden
daarbij krachtig ondersteund door Isaac da Costa en Abraham
Capadose. Op hen komen we later terug.
Rond die
periode werd ook de vijfde conferentie van de Society gehouden
in de Freemasons-Hall met bekende sprekers die we ook weer ten
dele bij de Albury-conferenties vinden, zoals William
Wilberforce, Lord Calthorpe, John Owen en J. Haldane Stewart.
Overigens
zijn Isaac da Costa en Abraham Capadose later, rond 1851 in
dezelfde Freemasons-Hall te vinden, waar ze spreken voor de
Evangelische Alliantie en ook weer over de evangelisatie onder
de Joden. Da Costa schreef er een verslag over onder de titel
Een-en-twintig dagen te Londen, (Amsterdam, Höveker, 1852).
In 1823 was
Henry Drummond, later betrokken bij de Catholic Apostolic
Church, vice-voorzitter van de Society. Sprekers voor de Society
waren in die periode (1820-1829) o.a. de al genoemden Lewis Way
en William Wilberforce, maar ook een Henry Drumond en Edward
Irving.
Joseph
Wolff werd geboren in 1795 of 1796 in Weilersbach, destijds en
klein plaatsje in Beieren. Zijn vader was rabbijn van de stam
Levi.
Na vele
omzwervingen, waaraan we nu voorbijgaan, kwam Wolff terecht in
het Vaticaan, bij de congregatie voor propaganda, om daar
opgeleid te worden. Door zijn onafhankelijke opstelling maakte
hij zich daar niet geliefd.
Zo zei hij
dat de kerk niet het recht had om mensen te verbranden, zoals in
de middeleeuw was gebeurd. De rector vroeg: “Hoe wil je dat
bewijzen, Wolff”. Wolff antwoordde: “Dat is duidelijk. Gij zult
niet doden”.
Waarop de
rector: “Mag een herder een wolf doden als deze de kudde
aanvalt?” Wolff: “Een beest is geen mens”. De rector: “Zeventien
pausen hebben het zo geleerd”. Wolff: “Dan hebben zeventien
pausen het verkeerd gedaan”.
Tijdens
deze hele conversatie stonden twee mannen in de deuropening,
Henry Drummond en Hallyburton, de latere Douglas of Edinburg.
.Ze kwamen brieven brengen aan Wolff van o.a. Pestalozzi en
Fellenberg vanuit Zwitserland.
Wolff
ontving in die tijd ook veel bezoek van zijn vrienden zoals
Niebuhr, Bunsen en Brandis. Bepaald geen aanhangers van de
Rooms-Katholieke leer. Uiteraard werd Wolff’s positie bij de
congregatie voor propaganda onhoudbaar. Wel waren de leerlingen
en opleiders amicaal tegenover hem. Op een dag zonden ze hem een
grote taart die hij meenam naar zijn kamer. De volgende morgen
nodigde hij zijn vrienden uit, de Duitse artiesten, katholiek en
protestant, en gebruikte met hen het diner met de taart. Buiten
stonden de leerlingen en lararen zich te verbijten omdat hij de
taart verorberde met ketters.
Op een
avond arriveerde bij Wolff een brief van Henry Drummond waarin
deze schreef: “Wolff, vlucht uit Babylon”. Wat noch Wolff noch
Drummond wisten was dat de post gecensureerd werd. Nu werden
s’avonds, na het avondgebed, alle deuren van de kamers van de
leerlingen afgesloten.
Wolff
schreef een brief aan kardinaal Litta met o.a. daarin de
opmerking: “De protestanten van Duitsland hebben gelijk, de
congregatie voor de propaganda zit verkeerd”. Aan een vriend
schreef hij: “Als Christus niet voor iedereen de dood inging,
hoeft niet iedereen hem te aanbidden”.
De volgende
dag kwam Litta naar Wolff’s kamer, zei dat hij de brieven
gelezen had, en dat het grootste gedeelte onzin was.
In dezelfde
tijd ontving Wolff brieven van Testa, de prive-secretaris van de
paus, waarin deze hem schreef dat hij in gevaar verkeerde.
Tevens schreef Testa aan Litta waarin deze vroeg Wolff te
bschermen.
Litta
antwoordde: “Dat kan ik niet langer”.
Enige dagen
daarna kwam een kleermaker naar Wolff’s kamer en nam zijn maten,
een schoenmaker kwam en mat de maat van zijn voeten, een
hoedenmaker kwam en nam de maat van zijn hoofd. Wolff wist niet
wat er gaande was.
Op 15 spril
1818 stuurde kardinaal Litta Wolff en briefje met de vraag hem
te ontmoeten.
Tijdens
deze ontmoeting zei Litta: “Jouw gevoelens, mijn beste Wolff,
zijn nu bekend”. Al zijn brieven aan o.a. Bunsen waren gelezen.
“Ik heb dat doorgegeven aan paus Pius VII. Deze zei dat je
verwijderd moet worden. Je moet terug naar Wenen. Hier zijn twee
brieven, één voor kardinaal Lanta in Bologna en één voor graaf
Leardi, de pauselijke nuncius in Wenen. Nu moet je met iemand
naar een huis waar je moet blijven tot je uitgezet wordt”.
In dat huis
vond Wolff de kleding en schoenen waarvoor de maten genomen
waren. Daarna verliet hij het huis onder begeleiding van een
heer die in werkelijkheid lid van het Heilig College, m.a.w. de
inquisitie, was.
Onderweg
ontmoette hij Bunsen waartegen hij zei dat hij onderweg naar de
inquisitie was. Bunsen rende naar Niebuhr en vertelde hem dat.
Wolff werd
naar monsigneur Degeler gebracht, de advocaat van het Heilig
College. Hier werd hij vijftien uur onder arrest geplaatst en
mocht zijn vrienden niet ontmoeten.
Om 3 uur
s’morgens kwam een koerier van het kabinet van de paus,
geescorteerd door 25 leden van de Zwitserse garde, om hem buiten
het Vaticaan te zetten.
Toen hij
buiten op straat was ontmoette hij een Engelse dame. Wolff vroeg
haar of ze Henry Drummond kende. Dat was inderdaad het geval, ze
was speciaal gestuurd om hem op te vangen. Ze bracht hem naar
het huis van een Prof. Levade en zei: “U moet naar Engeland
gaan. Henry Drummond wacht op u. Wij zullen alles nazenden”.
De naam van
de Engelse dame was Greaves. Zij was een zuster van de man die
negen jaar eerder miss Fancourt, die bedlegerig was, in de naam
van Jezus bevolen om op te staan en te lopen.
Allen
vertrokken naar Lausanne waar ze iemand ontmoette van de
Whitchall Chapel, ds. Thomas Jones, die met Wolff naar Engeland
zou gaan.
In juli
1819 arriveerden ze in Geneve waar Jones, samen met Wolff, een
ontmoeting had met zijn oude vrienden van Jones, Empaytaz en
Madame d’Armnaud, die hij via Madame de Krüdener in 1816 had
leren kennen.
Samen met
Jones kwam Wolff in Parijs aan waar hij een elegante man leerde
kennen, Robert Haldane.
Deze Schot,
met een enorm fortuin, leidde een dissidente groep binnen de
Schotse kerk. Tussen Jones en Haldane boterde het niet zo goed.
Daarom werd
besloten dat Wolff met Robert Haldane en zijn vrouw, naar
Engeland zou vertrekken.
Zo reisden
ze samen naar Calais en vandaar naar Dover. Wolff reisde door
naar Londen.
Daar begaf
hij zich naar Charing Cross, waar Drummond’s bank gevestigd was.
Drummond bracht Wolff onder bij een mrs. Stennet en een week
later in zijn eigen residentie, England House, Kensington.
Bij
Drummond thuis maakte Wolff kennis met Lewis Way en Simeon. Er
groeide een hechte, levenslange, vriendschap tussen Drummond,
Wolff en Way.
Samen met
Drummond bezocht Wolff enige kerken, maar niets kon hem boeien.
Tenslotte zei Drummond:
“Wolff, ik
zie wat je nodig hebt”, en bracht hem naar de Joodse kapel op
Palestine Place, Bethnal Green Road.
Dat beviel
Wolff beter en zo werd hij lid van de Church of England, maar
voelde zicht niet gebonden.
Hij ontving
de sacramenten van een Dr. Steinkopf in de Lutherse Kerk, en de
volgende zondag van een dienaar van de Church of England.
Wolff zou
tot missionaris opgeleid worden in Stansted Park te Cambridge.
Daar leerde hij velerlei op het gebied van het missiewerk.
Tijdens deze studie maakte Wolff kennis met een man met de naam
La Roche. Deze arriveerde in Cambridge zes weken na Wolff. Van
hem leerde Wolff het e.e.a. Arabisch, Perzisch en Chladees. De
opleiding zou dus twee jaar duren maar werd … veel langer dan
de tijd die voorgeschreven waren. Dit tot grote ergernis van
Drummond die hem schreef:
“Mijn beste
Wolff,
Het doet me
pijn dat je zolang bij de London Society for promoting
Christianity among the Jews blijft. Wat kan je van hen leren wat
je zelf nog niet weet. Zeg hen dat ze je onmiddellijk moeten
uitzenden, en als ze dat niet willen, doe ik het zelf. Bij de
Church of England heerst net zoveel trots als bij de Kerk van
Rome”.
Wolff
antwoordde:
“Mijn beste
vriend,
Ze willen
dat ik hier nog iets langer blijf, zodat ik meer weet over de
wereld. De Society is tot nu toe teleurgesteld over elke Jood
die uitgezonden werd. Eén werd Mohammedaan, een ander een dief
en een derde een zakkenroller. Ik blijf hier om ze te laten zien
dat er ook eerlijke joden zijn. Ze willen me enige maanden met
Lewis Way wegzenden om de wereld beter te leren kennen”.
Drummond
antwoordde:
“Je bent al
net zo groot in kennis als mijn vrienden Lewis Way en Chales
Simeon. Wat kan je over de wereld leren in Stansted Park? Kennis
over de wereld kan je alleen leren in de wereld”.
Daarop trok
Wolff naar Portmouth om voor de Joden te prediken, waarvoor hij
een briefje zond aan Way’s moeder: Beste Mr. Lewis Way. Ik weet
je het misschien tegen de regels is, als ik je vertel dat ik ga
prediken voor de Joden in Portmouth. Ik ga daarheen zonder je
instemming.
Wolff wilde
Stansted dus nog niet verlaten, want hij kon zichzelf nog niet
scheren, thee zetten enz. Hij schreef dat aan Drummond en Way.
Drummond schreef daarom aan de Society: “Het is inderdaad een
Joodse Society! Oog om oog, tand om tand. Ik sta niet toe dat
jullie Wolff nog langer houden. Ik zend hem zelf uit!”.
Maar nu
ging de Society overstag en stuurde Wolff naar Gibraltar en
Malta. Voor Gibraltar scheepte hij in op 17 april 1821. Na twee
maanden trok hij naar Malta waar hij contact opnam met Cleordo
Naudi, agent van het Britse bijbelgenootschap en de Society.
Deze had al vele bijbelgedeelten in het Maltees vertaald.
In 1816 had
Naudi kennis gemaakt met Henry Drummond die toen op Malta was.
Henry Drummond had steeds contact met hem gehouden. Om kort en
goed te gaan: in 1835 vertrok Naudi naar Engeland, sloot zich
daar aan bij de Katholiek-apostolischen en ging als Evangelist
naar Malta terug, waar hij overigens kort daarna overleed.
Terug naar
Wolff’s bezoek op Malta in 1821, waar Naudi alle tijd had om hem
bij te staan. Mr. Joseph Greaves stuurde Wolff naar een rijke
Jood, Ben Simra, die net bezig was in zijn warenhuis temidden
van vele Joden en Engelsen. Toen verteld werd wat Wolff kwam
doen was zijn reactie negatief en toen Wolff verzocht om in de
synagoge te mogen prediken werd hem dat geweigerd. Een slecht
begin voor zijn missiewerk. Later vinden we Wolff terug in
Arabië en in de Sinaï. Hier vandaan schrijft hij vele brieven
aan Drummond en Bayford.
Veel van
deze correspondentie staat afgedrukt in het boek “Travels and
adventures of the rev.
Joseph Wolff … late
missionary to the Jews and Muhammadans in Persia, Bokhara,
Cashmer etc. (London,
1861).
Toen Wolff,
tijdens een “tussenstop”, in Londen arriveerde zocht hij contact
met Edward Irving. Over Irving had Chalmers gezegd: “Hij is net
zoals de zon die zijn licht verspreid”. Het was negen uur
s’avond en de Irvings waren niet thuis. Een achtergelaten
briefje zei hem dat hij hen kon vinden in het huis van Lady
Olivia Sparrow.
Daaar was
het de eerste keer dat Wolff voorgesteld werd aan Lady Georgiana
Walpole, dochter van de Earl of Oxford. Zij trouwden in februari
1827, waarbij Wolff ook het Britse staatsburgerschap ontving.
Tegen elf
uur vertrokken de Irvings en Wolff naar huis. Wolff zei tegen
Irving: “Ik kan mezelf niet scheren, kan je me morgen een
barbier wijzen?” “Hoe laat”, vroeg Irving. “Om zeven uur” was
het antwoord.
De volgende
morgen om zeven uur werd er op Wolff’s deur geklopt. Toen hij
“binnen” riep trad Irving in de kamer met de uitrusting van een
barbier. Irving schoor hem met vaste hand, vele dagen lang.
Korte tijd
daarna wandelden Wolff en Irving in de nabijheid van Oxford
Street, waar voor de etalage van een boekhandel een kleine
oploop was. In de etalage stond een karikatuur waarop Irving te
zien was terwijl hij een wolf stond te scheren. Dat tot groot
ongenoegen van Irving.
Wolff en
Lady Georgiana waren dus in februari 1827 getrouwd, in april
vertrokken zij naar Amsterdam om het evangelie onder de Joden te
prediken. Ook maakte hij hier kennis met da Costa en Capadose.
Wolff doceerde aan het Athenaeum van Amsterdam en de
universiteiten van Utrecht en Leiden. In Amsterdam zocht Wolff
contact met een vooraanstaande Joodse advocaat, lid van de
gemeenteraad, die echter niets van het christendom wilde weten.
Daarop vertrok Wolff met Lady Georgiana naar Zeist waar hij een
ontmoeting had met Mr. Reichardt, demissionaris van de London
Jew’s Society. In Zeist in de Hernnhüter gemeenschap
(Broedergemeente), waar mannen en vrouwen gescheiden leven.
Tesamen met Reichert bezochten ze enige kerkdiensten van de
Hernnhüters.
Toen Wolff
in Londen vertoefde bij. het gezin van Irving kwam ook de
uitnodiging om de conferenties op het landgoed van Drummod bij
te wonen. De Albury-conferenties.
De dialogen
die daar gevoerd werden, werden gebundeld. De sprekers
hanteerden fictieve namen. Zo was Wolff “Josephus” en Irving
“Athanasius”.
We zullen
Wolff niet verder volgen op zijn vele verre reizen. Het
“spreken-in-tongen” heeft hij nooit kunnen accepteren en hij is
ook nooit meegegaan in het katholiek-apostolische werk’ De
vriendschap echter tussen Drummond, Irving voor zolang deze nog
leefde, en Way heeft altijd voortgeduurd.
WONDERBAARLIJKE GENEZINGEN IN
SCHOTLAND EN DE GEVOLGEN DAARVAN
Naast de Albury-conferenties was
er nog een gezelschap dat zich bezig hield met bijbelonderzoek.
Zij kwamen in Londen samen in het huis van Mr. Tudor. Daar
bestudeerde zij, Tudor, Sir Drummond en Dr. Thompson, speciaal
het boek Ezechiël.
Gedurende de jaren van de
Albury-conferenties had een grote geestelijke herbeleving in
verschillende kerken plaats gevonden.
In de Rooms-Katholieke kerk kwam
tweemaal per week een groep bijeen om de Heilige Schrift te
bestuderen. Hierbij speelde de bekende Anglicaanse geestelijke
Newman een belangrijke rol. Deze werd in 1845 ook
Rooms-Katholiek.
Nicolas Armstrong, geestelijke
in de Ierse Kerk, mocht niet langer over het wederkomen van de
Heer prediken en trok zich terug. Zo werden vele dienaren in de
leidende kerken verhinderd hun overtuiging uit te dragen.
Ondertussen kwamen in Schotland
wonderlijke zaken openbaar en, zoals al geschreven, op de
laatste Albury-conferentie in 1830 kwam dat ter sprake.
In Schotland waren de
geestelijken Campbell, Story, MacLean, Tait, Dow en Erskine
begonnen om over de levende Christus en over de liefde Gods als
enige bron tot redding der mensheid te prediken.
Niet alleen predikte maar
schreef John Campbell of Row ook over de wederkomst des Heren,
dat God alle mensen lief had en Jezus aan het kruis genageld was
ter wille van de mensheid. Dat strookte niet met de toen in
gelding zijnde predestinatie-leer en hij werd daarom, evenals
Irving, uit zijn ambt gezet.
Het waren deze mannen die in
Schotland een belangrijke rol speelde voor de latere
gebeurtenissen..
Alexander Scott, assistent van
Irving in de kerk op Regent Square, was in de herfst van 1829 in
Schotland.
Hij sprak toen met vele
christenen die de diensten van Campbell regelmatig bezochten.
Zo ook met een jonge vrouw uit Fennicarry, Mary Campbell. Deze
ontmoeting zou niet zonder gevolgen blijven. Irving schreef
hier later over:
"... een jonge vrouw met een
vaste wil en heldere geest. Het was Scott niet mogelijk haar van
het verschil tussen wedergeboorte en doop met de Heilige Geest
te overtuigen. Hij is weggegaan met de ernstige vermaning om
goed de Handelingen der Apostelen door te lezen, vooral met het
oog op dat verschil" (Hand. 8).
Deze raad heeft Mary Campbell
opgevolgd en het geloof groeide in haar zoals ze zelf nadien in
een brief schreef.
Na het overlijden van Isabella
Campbell was haar zuster Mary het middelpunt geworden waar vele
oprechtte christenen graag op bezoek kwamen. Mary was een
gracieuse vrouw met een prettig gezicht, zachte ogen en met
deemoedig neergeslagen oogleden. Ze was zeer verstandig en
ondanks haar slechte gezondheid bijzonder goed geïnformeerd over
alles wat zich op kerkelijk terrein afspeelde.
Mary leed al anderhalf jaar aan
tering en hartklachten die haar krachten volkomen gesloopt
hadden. Volgens haar arts, Dr. Bryce, was ze niet meer te redden
en zou niet lang meer leven. Als godvruchtige vrouw was ze veel
in gebed verzonken en had de gave der profetie. Zij ervoer dat
de Heilige Geest door haar werkte en dat zij beelden over
toekomstige gebeurtenissen ontving.
Op een zondagavond lag Mary in
op bed, zo verzwakt dat ze zelfs haar hoofd niet meer kon
optillen. Ze zei niets maar was in stil gebed. Toen twee
vriendinnen haar kwamen bezoeken, stond zij plotseling op en
kwam uit bed. Ze praatte in een taal die niemand verstond.
Apostel Paulus beschrijft dit spreken in vreemde talen in 1 Kor.
12:10. Bij Mary Campbell kwam deze gave opnieuw openbaar. Toen
viel ze weer op bed en werd weer zwak zoals tevoren. Dat alles
speelde zich af op 21 maart 1830. Een week later herhaalde zich
deze gebeurtenis.
Goede vrienden van de Campbells,
die ook de diensten van Ds. John Campbell of Row bezochten,
woonden in Port-Glasgow, aan de andere kant van de rivier de
Glyde.
George, James,
Margaret en Mary MacDonald.
Ook zij bezaten een sterk
geloof, baden ernstig en leidden een Gode welgevallig leven.
Margaret was echter zwak en bedlegerig en vaak in visionaire
toestand. Ongeveer op hetzelfde ogenblik dat Mary Campbell op 28
maart in de kracht van de Geest sprak, overkwam Margaret dat
ook. Zij schreef daar later over:
"... omdat Mary zich erg ziek
voelde en niet genegen was bezoek te ontvangen, werden een paar
coupletten van de 106e psalm gezongen.
Terwijl de aanwezigen zongen
"Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid", werd ik
overweldigd door het gevoel van Gods aanwezigheid en gedwongen
uit te roepen: "De eeuwigheid, de eeuwigheid zal nooit haar
diepten openbaren".
Ik was geheel overweldigd door
de heilige Geest en zag niemand meer van degenen die in de kamer
waren, maar ik hoorde de bazuinen Gods luid in mijn oren
klinken. In de geest zag ik de Heer intrekken in de Heerlijkheid
des Vaders. Ik werd gedwongen naar een spoedige openbaring van
deze Heerlijkheid te roepen en dat al het vlees het zien mag."
De familie was verbijsterd en
dachten dat ze spoedig zou sterven.
Op de morgen van de 14e april
1830 zei ze: "Vandaag zal een geweldige uitstorting van de
Heilige Geest plaats vinden." Daarna sprak ze uren achtereen
over het "wonderfull work of God".
Toen de beide broers naar
gewoonte 's middags tegen etenstijd naar huis kwamen hield ze
een lange toespraak die ze afsloot met een gebed voor haar broer
James, dat hij vervuld zou worden met de macht en de kracht van
de Heilige Geest. James zei daarop bijna onmiddellijk: "I have
got it."
Hij liep naar het venster, bleef
daar enige minuten staan, liep naar het bed van zijn zuster,
vatte haar met de woorden "verhef je en sta op" bij de hand,
waarna ze opstond en met hen het middagmaal gebruikte.
James McDonald voelde zich door
de Heilige Geest gedreven hierover aan Mary Campbell te
schrijven die op dat moment er weer ernstig aan toe was. In de
naam van Jezus beval James haar om op te staan en naar hen toe
te komen.
De woordelijke tekst van James'
brief luidde:
Aan Mary Campbell,
Fernicarry.
Geliefde zuster!
Verhef je stem met ons, laat ons
Zijn naam verhogen want Hij heeft grote dingen aan ons gedaan en
heilig is Zijn naam.
Er is altijd nog een macht in de
naam van Jezus, ja alle macht in de hemel en op de aarde. Onze
lieve Margaret mocht Zijn stem horen. Ze mocht opstaan, springen
en lopen. Het geloof in Zijn naam heeft haar de gezondheid terug
gegeven terwijl wij daarbij aanwezig waren. Ze is nu onze
Eersteling in het werk van de Heer dat Hij wil doen en dat
niemand verhinderen kan.
Lieve Mary, leg alle ongeloof
terzijde want dat is van de duivel. Luister ook naar Gods stem,
sta op en wandel!
Mijn innig geliefde in de Heer,
sta op en wandel! Bedroef niet de Heilige Geest. O, doe dat
niet, ik smeek je dat.
Christus heeft ons allen nodig
om in Zijn naam te getuigen. Hij kan zich niet langer terug
stellen, daarom bedroef Hem niet maar verhef je en roep luid,
want de grote dag is nabij gekomen, spoedig, zeer spoedig.
O, verhef je, geliefde, en
spreek voor Jezus. De tijd is kort, ja korter dan wij denken,
daarom roep luid voor de zielen.
Wij willen ons vanavond hier (in
Port-Glasgow) verzamelen en we willen gemeenschappelijk bidden
(ik schrijf dit met toestemming van de heilige Geest), dat de
kracht van Jezus komt over alle aanwezigen.
Wij willen Hem danken voor alle
heerlijke dingen die in Zijn naam gebeurd zijn in de
achterliggende dagen.
En in Zijn naam willen wij over
deze gebeurtenissen getuigen en Hij zal onze gebeden verhoren.
We hebben ons aan Zijn leiding
overgegeven en van nu af aan zullen wij altijd Zijn getuigen
zijn, waarheen wij ook gevoerd zullen worden.
Ik heb de Heilige Geest
ontvangen die de mensen en de duivel weerstaan zal. Als die wil
zullen mensen en duivel te schande gezet worden.
Mijn lieve, lieve, lieve zuster
het is de geest van het gezonde verstand waardoor ik dit schrijf
en ik weet dat die geest je betuigd dat het zo is. wij hebben
hier grote dingen doorleefd, want Jezus sprak door een worm
zoals ik er één ben, tot onze innig geliefde Margaret en ze is
nu helemaal gezond en ik ben ervan overtuigd, dat dit pas het
begin van het wonder is. De mensen hebben nu een luide stem
nodig en de Heer zal hun een donderstem geven, zoals een leeuw
brult met zijn stem. De wijsheid van de verstandige mens zal
belachelijk gemaakt worden.
Hij heeft een lange tijd rust en
vrede bewaard, nu echter is die stilte onderbroken en machtig en
sterk zal nu Zijn stem te horen zijn.
Nu, geliefde, leef wel. Mijn
middagpauze is afgelopen. Wij treffen ons voor de Heer en Hij
zal ons horen.
Groeten van liefde, ook aan je
lieve familie.
Je, in de Heer Jezus tekenende
James MacDonald.
Zoals Mary later vertelde werd
ze bij het lezen van deze brief door een “geestelijke kracht”
gevangen.
Ze stond op, kleedde zich aan en
ging met haar zuster naar het schip om naar het huis van de
MacDonalds te gaan.
James MacDonald was er zo van
overtuigd dat Mary gezond en wel zou komen dat hij reeds
onderweg was naar de aanlegsteiger. Het schip was echter vroeger
aangekomen. Teleurgesteld ging James naar huis, daar waren Mary
en haar zuster al aanwezig.
Ze ervoeren het als werkelijk
genezen door de gave der gezondmaking door middel van de
heilige Geest zoals Paulus beschrijft in 1 Kor. 12:9. Weinige
dagen later maakte de vader van Mary Campbell de deelnemers van
een gebedsbijeenkomst opmerkzaam op het woord van apostel Paulus
in 1 Kor. 14:13 en sprak een gebed uit om de gave der
uitlegging.
Daarop sprak James MacDonald in
een vreemde taal met korte volzinnen. Zijn broer George kon het
woord voor woord vertalen. De eerste zin luidde: "Ziet, Hij
komt, Jezus komt"!
Naar aanleiding van vragen die
hem gesteld werden schreef Rossteucher later:
"Misschien wekt het verwondering
dat de heilige Geest in deze tijd het eerste gebruik maakte van
vrouwen. Hier werd antwoord op gegeven door middel van een
profetie die later kwam: "God heeft de zwakke uitverkoren om de
machtigen te beschamen en opdat geen vlees zich zou roemen."
Overigens weigerden de
MacDonalds de latere gebeurtenissen te aanvaarden. Om te
erkennen dat de heilige Geest ook door anderen zou kunnen werken
viel hen te zwaar.
Zij huurden op eigen kosten een
kapel te Greenock waar ze zelf predikten en de sacramenten
bedienden. Spoedig heerste bij hen wanorde en fanatisme. De
gebroeders MacDonald stierven kort na elkaar in de zomer van
1833. Hun gemeente leidde een kwijnend bestaan en werd
uiteindelijk opgeheven.
Margaretha trouwde in 1832 met
een Anglicaanse geestelijke, dr. Norton.
EDWARD IRVING, ZIJN LEVEN EN
WERK
Abide with me, fast
falls the eventide,
The darkness
deepens, Lord with me abide!
When other helpers
fail, and comforts flee,
Help of the
helpless, O abide with me.
Henry F. Lyte,
1846.
Eén naam is op de voorgaande
bladzijden al herhaaldelijk gevallen, namelijk die van Edward
Irving.
Voor buitenstaanders en
tegenstanders belichaamde hij zozeer het begin van dat nieuwe
werk dat daaraan de naam "Irvingisme" werd gegeven en de leden
daarvan Irvingianen genoemd werden. Dat heeft Irving ten zeerste
bedroefd want het was zijn vaste overtuiging dat hij slechts een
werktuig in Gods hand was en dat het werk geleid werd door de
heilige Geest, maar dat de betiteling Irvingianen lange tijd
gebruikt werd was voor een deel te wijten aan de Engelse
apostelen zelf.
Zij beschouwden zich niet als
zelfstandige kerk, daarover verderop meer, maar als een werk dat
onder meer tot taak had de gehele christenheid te verenigen
onder het vernieuwde apostelambt.
Daarom werd ook steeds de
uitdrukking: "afdelingen der christenheid" gebruikt, als er
gesproken of geschreven werd over andere kerkgenootschappen.
Pas in 1847 werd de naam
"Catholic Apostolic Church" algemeen in gebruik genomen en
werden bordjes met die naam op de kerkgebouwen gehangen.
Dat de naam van Irving werd
verbonden aan het godswerk, is echter niet uniek. Tot op de
huidige dag wordt gesproken over "Lutheranen" en "Calvinisten".
Irving zelf schreef over het gebruik van zijn naam aan het eind
zijn leven een brief aan zijn gemeente, vanuit Schotland.
"Oh, wat heeft het me altijd
pijn gedaan, dat mijn naam werd verbonden met het werk van de
Heer.
Zeer vaak heb ik mij in mijn
gebeden beschaamd en bedroeft gevoelt, want er is geen andere
naam dan de naam van Jezus. Ik heb gesmeekt dat de Heer mijn
naam weg zou nemen, maar de achtergrond zou dringen, voor de
naam van Zijn hooggeboren Zoon.
Het is, inderdaad, mijn
voornaamste troost, nu ik zo ver bij jullie vandaan ben, mijn
kinderen en geliefde broeders, dat het openbaar zal komen, ook
voor de vijanden van het werk van de Heer, hoe weinig ik ervoor
heb gedaan, hoe weinig ieder van ons ervoor heeft.gedaan, om het
veilig te stellen tegen ontsiering en tegenwerking."
Wie was deze bijzondere man,
deze Edward Irving?
Hij werd geboren op 4 augustus
1792 in het plaatsje Annan en overleed op 5 december 1834 in
Glasgow. Tijdens zijn leven was hij predikant van de Schotsche
Nationale Kerk en als belangrijke theoloog heeft hij een
omvangrijk literair werk nagelaten.
Van 1833-34 was hij de eerste
Engel (Bisschop) van de katholiek-apostolische Centrale Kerk te
Londen. Irving is vaak valselijk bestempeld als oprichter van
het naar hem genoemde “Irvingianisme”. De charismatische
manifestaties bestonden al voordat Irving ze toeliet. Verder
heeft Irving de katholiek-apostolischen als zelfstandige
kerkgenootschap nooit meegemaakt.
.
Irving’s vader Gavin verdiende
als leerlooier de kost maar voor tien personen, moeder Mary
Lowhter en acht kinderen, was het zeer karig.
Tot z'n dertiende jaar bleef
Edward in het ouderlijk huis. Hij werd onderwezen door Adam
Hope, een enigszins merkwaardige man met eigen ideeën over les
geven. Bekendheid heeft hij o.m. gekregen door een schoolboekje
over Engelse grammatica dat hij schreef.
Deze Adam Hoope was ook de
onderwijzer van de bekende Thomas Carlyle. Later zouden hij en
de apostel met dezelfde naam verwisseld worden. Beiden Irving en
Carlyle zouden vele ontmoetingen met elkaar hebben en goede
vrienden blijven.
Het enige waarin Edward Irving
in die tijd uitblonk was athletiek. Dat is altijd zo gebleven
want hij kon hele lange afstanden wandelen waarbij alle
anderen achterbleven. Het was vooral door de invloed van Hope
dat Irving besloot om wiskunde als vak te kiezen. Hope was een
"afvallige" van de (Schotse) National Kirk en met een aantal
volgelingen ging hij elke zondag tweemaal lopend naar het zes
mijl verder gelegen Ecclefechan waar diensten werden gehouden
door Ds. Johnstone die eveneens een dissident was. Edward ging
elke zondag mee ter pelgrimage, hij was toen tien jaar en hield
dat tot z'n twaalfde vol, tot zijn vertrek naar Edinburgh, samen
met zijn broer John. Daar bezocht hij de hogeschool waar hij
eerst een klassieke studie van vier jaar ontving om daarna een
vierjarige theologische studie te beginnen.
Nauwelijks achttien jaar oud
werd hij aangesteld als wiskundeleraar op een kleine school in
Haddington waar hij ook bijna vier jaar werkzaam was. Daar gaf
hij ook privé-lessen wiskunde aan Jane Welsh, de dochter van de
plaatselijke arts.
Voor deze privé-lessen ontving
Irving in de periode 1811-1812 ongeveer 15 pond. Jane was toen
elf jaar maar hopeloos verliefd op haar leraar. Later stelde
hij Jane voor aan Thomas Carlyle en deze twee trouwden.
De interessante briefwisseling
van het beroemde echtpaar met beroemde persoonlijkheden in hun
tijd, is in boekvorm verschenen: The Collected Letters of
Thomas and Janes Welsh Carlyle, ed. By C.R. Saunders, Durham,
1970. Beide boeken bevatte kritiek op de preekwijze in die tijd
en het bracht nogal wat opschudding teweeg, met name onder de
geestelijkheid,
Irving stapte na deze vier jaar
over naar een grotere school in Kirkaldy. Daar bouwde hij de
eerste kleine kring van kennissen op, vooral omdat zijn
bibliotheek met werken van o.a. Gibbon en Hume geliefd was.
Met Thomas Carlyle voerde Irving
altijd ellenlange gesprekken. Beide jongemannen zouden in de
komende jaren zorgen voor heel wat opschudding in
Groot-Brittannië!
Edward Irving gold als een
bijzonder strenge leraar en maakte zich niet erg geliefd. Er
werd weldra dan ook een tweede school geopend.
Hij toefde toen veel in de
pastorie van Ds. Martin, zijn naaste buurman. Diens dochter,
Isabella, werd Irvings verloofde.
In 1815 legde hij het examen
theologie af en ontving vergunning om als predikant te werken
in Kirkcaldy en hij combineerde dat drie jaar lang met het vak
van onderwijzer.
Als predikant trok hij echter
nauwelijks gehoor en verhuisde daarom weer naar Edinburgh. Hier
bracht hij een jaar met studie en in eenzaamheid door. Hij
woonde in een bescheiden huis in de Bristo Street en gaf, om aan
de kost te komen, weer privé-les wiskunde.
Omdat de aantrekkingskracht van
zijn preken gering bleven besloot hij om zendeling te worden en
naar Perzië te gaan. Toen bijna alles daarvoor gereed was,
ontving hij een uitnodiging van Dr. Thompson uit Edinburgh om
voor hem en Dr. Chalmers te komen prediken. Dat gebeurde in
juli 1819 in de St. Georg's Church.
Op aanbeveling van Chalmers werd
Irving in oktober 1819 geroepen door het presbyterium van
Glasgow om hulpprediker van Chalmers te worden.
Met volle inzet en vreugde ging
hij aan de arbeid. In de armste buurten en meest beruchte huizen
ging hij bijna dagelijks op bezoek en betrad de huizen met de
aloude apostolische groet: "Vrede zij in dit huis".
Deze vrede was wel hard nodig
want juist in die jaren waren de wevers van Glasgow in opstand
gekomen tegen hun behoeftige omstandigheden. Irvings medeleven
met deze paupers maakte hem bemind en geacht.
Ook in Glasgow bouwde hij een
kring rondom zich op om over allerlei zaken van gedachten te
wisselen.
Maar ook hier vond zijn hart
geen rust en vrede en hij vatte opnieuw het plan op om zendeling
te worden.
De Presbyteriaanse gemeente van
Kingston op Jamaïca had al een beroep op hem gedaan.
Weer, toen hij op het punt stond
om te vertrekken, werd op hem een beroep gedaan door de kleine,
armlastige Caledonische Chapel, met slechts 50 gereserveerde
zitplaatsen, Hatton Garden in Londen. Deze Caledonian Church was
een sluimerende buitenpost van de Church of Scotland.
In juli 1822 stond Irving voor
het eerst op de preekstoel van deze gemeente.
Hij werd een geliefd maar ook
berucht predikant. Het overkwam hem vaak dat hij in het vuur van
zijn betoog terugviel in de plaatselijke taal van zijn
geboorteland. Hij trok weldra de aandacht van velen waaronder
leden van het parlement en autoriteiten op het gebied van kunst
en wetenschap.
Volgens Mrs. Oliphant, de
biografe van Irving, waren ook koning Georg IV en de
minister-president, George Cunning (1770-1827), regelmatig in de
kerk aanwezig.
Zijn bekendheid bleef niet
alleen tot Londen beperkt. Op z'n reizen door Schotland sprak
hij vaak in de open lucht en trok dan 10 tot 14.000 toehoorders.
In 1823 verscheen zijn eerste publikatie, voornamelijk van de
preken die hij tot dan toe gehouden had. De titel was dan ook
"Orations". "The Argument for Jugdment to come" volgde spoedig
daarna.
Het werd er niet beter op toen
hem in 1824 gevraagd werd om op het jaarfeest van het Londense
Missie-gezelschap te spreken. Tot ontsteltenis van het bestuur
hield hij een referaat van vier en een half uur over de
betekenis van de zendeling in apostolisch perspectief.
Op 13 oktober 1823 trouwde hij
met Isabella Martin, waarmee hij al vele jaren verloofd was
geweest, in Kirkcaldy.
Irving bleef schrijven over zijn
geloofsovertuiging. In 1826 verscheen "Babylon and Infidelity
Foredoomed of God" waarin hij een uitgebreide studie over het
boek Daniël publiceerde, vooral met het oog op de
toekomstverwachting. In deze jaren leerde hij ook Samuel Taylor
Coleridge kennen. Deze Coleridge was een zeer bekende poëet die
ook veel werk van Schiller in het Engels had vertaald en enkele
essays over filosofie en theologie had geschreven.
Zo groot werd de toeloop dat
voor Irving een nieuwe, grotere kerk werd gebouwd op Regent
Square. Dezelfde kerk waarin enige jaren later, rond 1852, de
Costa en Capadose een conferentie zouden bijwonen.
In 1827 werd deze kerk geopend
waarbij Dr. Chalmers predikte. Chalmers was zeer beroemd en werd
graag gehoord zodat al drie uur voor aanvang van de kerkdienst
alle plaatsen bezet waren. Irving zou als inleiding een
hoofdstuk uit de bijbel voorlezen. Tot ergernis van Chalmers
koos hij het langste hoofdstuk en had daar anderhalf uur voor
nodig.
Bij een andere gelegenheid vroeg
Chalmers aan Irving om het kort te houden. Irving beloofde dat
en had "slechts" een uur en veertig minuten nodig. Het
Presbyterium klaagde dikwijls over deze lange preken maar Irving
liet zich niet beperken.
Zo groeide uit de onbekende
Schot een alom geacht prediker die door zijn gemeente geliefd
werd en hoorders uit alle maatschappelijke lagen trok.
Uit die periode zijn er ook vele
anekdoten over hem in omloop gekomen. Zo ook de volgende:
"Op een avond, het was streng
winterweer was ik (schrijft Carlyle) aanwezig bij de Irvings
toen er een pietepeuterig klein briefje kwam dat gebracht werd
vanuit een duister cafeetje in de Holborn Street.
Het was een briefje van ene
Macbeth. Alweer geruïneerd (tempted, o how cunningly, to my old
sin) ben al drie uur aan het drinken, kan nu niet meer staan en
heb geen geld meer. O, help een hulpeloze zondaar!
De overgrote meerderheid van de
aanwezigen gaf als mening: Och, die is niet meer te helpen.
Maar Irving sprak na enkele
minuten van diep nadenken: "Nee, niet totaal". Hij schoot
meteen een jas aan. Zijn vrouw volgde zijn voorbeeld en deed
geld in zijn zak. Edward betaalde het gelag van de arme ziel,
zo'n twaalf pond, nam hem mee naar huis, meer slepend dan lopend
en bracht hem naar bed.
Twee weken later kwam Macbeth
het bed uit, weer opnieuw in de kleren gestoken, geschoren en
gewassen."
De grote bekendheid van Irving
en zijn vertaling van het boek van Lacunza over het komen van de
Heer, waren voor Henri Drummond aanleiding hem voor de eerste
Albury-conferentie in 1826 uit te nodigen, samen met Wolff,
zoals hiervoor al geschreven werd.
Op een zondag in oktober 1827,
toen Irving in zijn preek voor de gemeente weer gesproken had
over de menselijke natuur van Jezus, kwam een man de consistorie
binnen die hem enkele vragen wilde stellen.
Of Irving werkelijk geloofde in
een menselijk lichaam van de Heer als een zondige substantie, of
hij werkelijk geloofde dat het lichaam van de Zoon Gods
sterfelijk, verdorven en bederfelijk als elk menselijk lichaam
was. Irving bevestigde dat.
Kort daarop verscheen een
brochure van ene rev. Cole waarin Irvings stellingen fel
aangevallen werden.
Deze antwoordde daarop met de
brochure "Christus heiligheid in het vlees". Daarbij bleef het
voorlopig.
Leed bleef Irving ook niet
bespaard. Toen hij op een zondagavond in juni 1829 in de kerk
van zijn schoonvader in Kirkcaldy predikte, stortte een galerij
in waarbij dertig slachtoffers te betreuren vielen.
In 1828 verscheen "Homilies on
Baptism" dat hij opdroeg aan zijn vrouw Isabella en zijn twee
vroeg ontslapen kinderen, Edward, geboren 22 juli 1824,
overleden 11 oktober 1825, dochter Mary overleed in 1828.
Uit het huwelijk van Edward en
Isabella werden zeven kinderen geboren: Ebenezer, Edward, Mary
en Samuel die allen al vroeg overleden, en Margaret (1825-1853),
Isabella en Martin (1831-1912).
De brief waarmee Irving het boek
aan zijn vrouw zond, is één getuigenis van liefde en geloof.
Daarom hieronder de volledige tekst:
Aan Isabella Irving.
Mijn vrouw en moeder van mijn
twee ontslapen kinderen.
Mijn geëerde en lieve vrouw,
Ik geloof met heel mijn hart,
dat de betekenis van de heilige sacramenten, welke zijn
opgenomen in deze preken, bekend zijn gemaakt aan mijn geest.
Vooral met het doel om ons voor te bereiden op het verlies van
onze oudste jongen. Want in precies dezelfde week waarin jij met
hem naar Schotland ging, waarvan hij nooit terugkeerde, werd
mijn geest geleid om na te denken en te prediken over de
verhandelingen die het aanzien van de gedoopten bespreken en die
de zesde en zevende leerreden over de doop vormen.
Ik geloof dit, ook omdat voordat
onze kleine Edward door de hand van God in Schotland was
aangeraakt, ik geleerd werd deze inzichten aan jouw in brieven
openbaar te maken. Deze brieven hebben, dankzij Gods genade,
jouw geest overtuigd.
Voort geloof ik het ook omdat de
gedachten uit deze twee leerreden in mijn geest bewaard gebleven
zijn als een niet ontkiemde zaad. Totdat deze begoten werd door
de tranen die wij vergoten hebben door de dood van onze Mary.
Vanaf die tijd voelde ik dat de
diepere betekenis van de doop, die aan ons is geopenbaard, bij
wijze van bijzondere troost, niet aan ons gegeven is alleen ten
behoeve van deze ene gebeurtenis.
Daarom heb ik besloten, ondanks
elk risico, deze gedachten die ons zo getroost hebben, door te
geven aan alle vaders en moeders in de christelijke kerk.
Graag zeg ik dank aan de
Ouderlingen van de Schotse Kerk. Hun geloofsartikelen met
betrekking tot de sacramenten en in het bijzonder de zin
daaruit die ik als motto boven dit boek heb geplaatst en die in
Gods hand als instrument hebben gediend om mijn ogen te openen
voor de diepere betekenis van de bijbel inzake de Doop en het
Heilig Avondmaal.
Overtuigd door Gods zegen, van
de waarheid van de woorden van de Ouderlingen en van de woorden
van de eerbiedswaardige Richard Hooker, vond ik dit zo'n
meesterlijke behandeling van het hele onderwerp sacramenten, dat
ik niet aarzel mij achter hen te scharen en zijn woorden
beschouw als de mijne.
Om deze reden heb ik delen van
Hooker's bespreking over de leer van de sacramenten in mijn boek
opgenomen, alsmede die zin uit onze eigen geloofsartikelen, als
motto boven mijn boek.
En nu, mijn lieve vrouw,
beproefd met verdriet door de Heer met het wegnemen van onze
twee lieve kinderen, laten wij vol zijn met gebed en medegevoel
voor hen die op dezelfde wijze worden beproefd, en boven alles
die kinderen van de christelijke doop ijverig van dienst te
zijn, die Christus aan mijn zorg heeft toevertrouwd als een
opziener en Herder van Zijn kudde.
Aan allen en aan hen die door
mijn hand aan Zijn volk zijn toegevoegd, draag ik nu mijn
vaderlijke zege in de Heer af. Dat de Heer je moeder mag laten
worden van veel kinderen, om Zijn naam te verheerlijken in
eeuwigheid. Dat is het gebed van je liefhebbende man,
Edward Irving.
In mei 1828 was Irving aanwezig
bij de vergadering van de General-Assembly in Edinburgh.
Hij logeerde toen bij Chalmers
en zou een aantal lezingen houden over het onderwerp "profetie".
Hij had zich voorgenomen de hoogleraren te bekeren en Chalmers
antwoordde daarop fijntjes dat hij het prettig vond om te horen
dat Irving zo heel lang bij hem wilde logeren. Ook hier vonden
zijn preken, die hij s' morgens om vijf uur hield, grote
belangstelling.
Chalmers scheef: "Hij trekt
ongelofelijke aantallen mensen. Wij probeerden vanmorgen ons
door de drommen mensen toegang tot de Andreaskerk te
verschaffen, maar tevergeefs.
Hij verhuisde naar de Westkerk
maar ook deze, de grootste kerk van onze hoofdstad, is keer op
keer bomvol".
Chalmers heeft zich later ook
nooit openlijk van Irving afgewend, hoewel hij het volstrekt
niet eens was met zijn ideeën. In 1830 namen zij, definitief,
hartelijk afscheid van elkaar.
Geschreven werd al over John
Campbell of Row die, in tegenstelling tot de strenge
predestinatie-leer van de Schotse kerk, de universele
verlossing predikte.
Edward Irving werkte dit verder
uit in een driedelig werk, "Last Days", dat in 1828 verscheen.
In juni 1831 moest Campbell of
Row voor de General-Assembly verschijnen die hem uiteindelijk
uit het ambt zou zetten.
"Wij", zo schrijft Irving,
"kwamen toen bijeen om te bidden dat de kerkvergadering in haar
beraadslagingen en uitspraak door de Heer geleid zouden worden
en voegden daarbij onze smeekbeden tot God en verhieven onze
stemmen om apostelen, profeten, evangelisten, herders en
leraren, gezalfd met de Heilige Geest en de gaven van de Heer.
Wij baden elke morgen om half zeven en de Heer wachtte niet lang
met de verhoring en beantwoording van onze gebeden. Hij was ons
nabij en er kwamen profetieën en voorzeggingen in vreemde
talen".
Pas 25 jaar na zijn afzetting
schrijft John MacLeod Campbell het belangrijkste werk over de
universele verzoening: "The Nature of the stonement and its
relations to remissions of sins and eternal life" (1855) en
krijgt als een soort rehabilitatie in 1870 een eredoctoraat
aan de Universiteit van Edinburgh.
Irving zag een duidelijke lijn
in de werkingen van de Heilige Geest. De genezing van Mary
Campbell en anderen in Schotland, de genezing van de verlamde
Mrs. Fancourt in Londen en de smeekbeden uit het gehele land om
nieuwe gaven en ambten. Ook in zijn eigen gemeente, waar hij
vaak predikte over het komen van de Heer, kwamen de gaven des
geestes openbaar. De eerste keer was dat op 25 augustus 1831 in
de consistorie.
"Jehova, hoor ons", sprak
Taplin.
De volgende morgen, vrijdag 26
augustus 1831, tijdens de ochtenddienst van 6.15 uur klonk weer
zijn stem: "U bent het, O Brittannië, U bent de gezalfde
Cherub" en ook de volgende dag was de profetie te horen.
De kerkorde echter verbood het
spreken tijdens de diensten door personen die geen ambt droegen
en zeker gold dat verbod voor vrouwen.
Aanvankelijk wilde Irving de
uitingen van de heilige Geest beperken tot besloten
bijeenkomsten, "maar", aldus Irving, "ik ging op zekere morgen
in de kerk en na het gebed stond ik op en zei: Ik kan onmogelijk
verhinderen dat datgene wat ik erken als de stem van de heilige
Geest, zich zou laten horen. Ik voel het, ik heb reeds te lang
getalmd en ik zal u voorlezen uit hetgeen de Heer ons zegt over
de Profeten.
Ik sta hier voor uw ogen en kan
het niet langer verhinderen, maar nodig veel meer in de naam van
de Heer Jezus, het Hoofd der Kerk, allen die in deze kerkelijke
vergadering zijn en die de gaven der Heilige Geest ontvangen
hebben en daartoe door die Geest gedreven worden, van de
vrijheid die hun verleend wordt, gebruik te maken."
Vanaf toen begon ook de Heilige
Geest, het smeken om Apostelen, zich tijdens de diensten te
openbaren.
Het dagblad "The Times"
berichtte hierover op woensdag 19 oktober 1831:
Ordeverstoring in de Nationale
Kerk van Schotland.
Afgelopen zondag hield de
eerwaarde E. Irving twee diensten over de bijzondere gaven van
de Heilige Geest. Tijdens deze diensten werd de rust in de
gemeente verstoord door personen die pretendeerden de gave van
het spreken in tongen te bezitten.
In de ochtenddienst werd een
dame, een zekere juffrouw Hall, op deze vreemde wijze begiftigd,
gedrongen zich tot de gemeente te wenden waar ze, zoals ze zelf
vertelde, niet in staat zijnde zichzelf te weerhouden, enige
tijd in een onbekende taal sprak. Tot grote verassing van de
gemeente die hierop niet voorbereid leek.
De eerwaarde hervatte 's avonds
het onderwerp door te leren uit het twaalfde hoofdstuk van de
laatste brief aan Korinthe. Hierbij maakte hij van de
gelegenheid gebruik om op de gebeurtenis van die ochtend terug
te komen.
Hij sprak zijn twijfel uit of
hij er goed aan had gedaan het uitoefenen van de gave in de kerk
te verbieden en de dame gevraagd te hebben zich terug te
trekken.
Op dat moment stond een jongeman
in de galerij (de heer Taplin die een onderwijsinrichting heeft
in de Castlestreet, Holborn) op van zijn stoel en begon een
luidruchtige rede in een onbekende taal. De verrassing die dit
veroorzaakte was enorm. De hele gemeente stond bevreesd op,
verschillende dames schreeuwden luid, anderen renden naar de
deur. Sommigen dachten dat het gebouw op instorten stond.
Anderen dachten aan moord, althans aan een poging daartoe op
iemand in de galerij. Iemand riep zelfs: "Houd hem tegen, laat
hem niet ontsnappen.”
Tijdens beide diensten was de
kerk uitzonderlijk vol, vooral tijdens de avonddienst, en het
zou onmogelijk zijn de verwarring te beschrijven die dit vertoon
van fanatisme voortbracht.
Er was een vreemd, onaards en
buitengewoon krachtig stemgeluid genoeg om zelfs de dapperste te
beangstigen.
Een groot gedeelte van de
gemeente stond op hun stoelen om vast te kunnen stellen waar de
oorzaak van het rumoer zich bevond, terwijl de eerwaarde met
opgeheven armen af en toe om stilte riep. Het was een tafereel
dat zowel belachelijk als subliem genoemd kan worden. Geen
poging werd gedaan om de persoon te stoppen, die echter na twee
à drie minuten zo uitgeput raakte dat hij ophield en ging
zitten, waarna de eerwaarde de dienst beëindigde.
Velen waren zo geschrokken en
anderen zo vol afschuw, dat zij niet meer naar de kerk terug
gegaan zijn.
Anderen discusseerden in kleine
groepjes voor de kerk over de juistheid van de beslissing van de
eerwaarde dit te hebben toegelaten. Al met al bracht de
situatie een sensatie teweeg, die niet gauw door de aanwezigen
vergeten zal worden.”
Na dit bericht verschenen nog
enkele berichten over de gebeurtenissen in de kerk van Irving
in The Times. Steeds werd erop gehamerd dat dit in een
staatskerk niet getolereerd kon worden. Ook het tijdschrift "The
Record" trok, zij het in mildere mate, tegen Irving van leer. Al
deze publicaties hebben ertoe bijgedragen dat hij weldra uit de
kerk verwijderd zou worden.
In de avonddienst van 16 oktober
1832 waren circa 2.000 personen verzameld. In deze dienst
verduidelijkte Irving dat Jezus het Hoofd der Kerk is en dat Hij
in Zijn eigen huis Zijn eigen weg volgt. Daarna bekende hij in
een gebed dat hij te lang geaarzeld had om de stem der profetie
in de openbare godsdienstuitoefening toe te laten.
Na nog enige woorden ter
belering en bemoediging der gemeente, barstte de stem van Mr.
Taplin weer los, eerst in “tongentaal” en toen in verstaanbaar
Engels: "waarom wilt u vluchten voor de stem Gods? De Heer is
midden onder U! Waarom wilt u vluchten voor Zijn stem? Als u nu
vlucht, waar wilt u zich verbergen op de dag des Oordeels?"
Het werk van de heilige Geest
bleef niet beperkt tot de kerk op Regent Square. Ook in
Liverpool, Buldock en andere steden brak het spreken in tongen,
het profeteren, los. Lange tijd maande het kerkbestuur Irving om
deze handelingen in de zondagmorgendiensten te verbieden maar
Irving weigerde de heilige Geest aan banden te leggen.
Op 26 april 1832 moest hij voor
de Trustees verschijnen. De aanklacht tegen Irving luidde:
"Dat de rev. Irving geduld en
toegelaten heeft en nog steeds toelaat, dat de openbare
godsdienst in de genoemde kerk onderbroken wordt door personen
die noch geestelijken, noch licentaten (personen die een
academisch examen theologie hebben afgelegd) der kerk van
Schotland zijn".
Hij wordt aangeklaagd wegens
aanmoediging van de genoemde onderbrekingen op bepaalde tijden
als een opschorting van de gewone godsdienst plaatsvindt voor de
genoemde personen, die zeggen over gaven te beschikken.
De verdediging van Irving
luidde: "Zie toch naar de toestand waarin ik mij bevond. Ik ben
de leider van de kerk die gesmeekt heeft, dat vele gaven in de
kerk uitgegoten mocht worden. Ik geloof in de trouw van de Heer,
dat mijn gebed een gebed vol geloof is en dat onze gebeden
verhoord zijn. Zou ik niet geloven in datgene waar ik en allen
om gebeden hebben? Toen het kwam gaf God mij alle gelegenheid om
het te beproeven. Ik heb het beproefd naar Zijn woord en zal,
zolang ik daartoe in staat ben, oprecht voor God deze zaken
erkennen, wat daarover in de Heilige Schrift geschreven staat en
dat wij in het geloof daaraan gedoopt zijn”.
Ook Irvings juridische
verdediger, John Bate Cardale, pleitte voor het toelaten der
gaven in de openbare godsdienstuitoefening. Tevergeefs, Irving
werd de toegang tot de kerk ontzegd.
Op 4 mei 1832 schreef een
gemeentelid hierover:
"Je hebt in de krant kunnen
lezen dat de kerkvoogdij niet lang aarzelde om het besluit van
de kerkenraad (Presbytery) ten uitvoer te brengen. Zoals
gebruikelijk ging ik op vrijdag naar Regent Square voor de
vroege ochtenddienst van 6 uur.
Ik kan niet beschrijven wat er
door mij heen ging toen ik onze geliefde priester blootshoofd
zag staan voor de poort van de kerk waarvan hij zo vele jaren
voorganger was geweest.
Hij was in gebed met een deel
van zijn kudde rondom zich. Na het gebed werd een korte dienst
gehouden. We besloten met het zingen van Psalm 23 (De Heer is
mijn Herder).
Het was een ontroerend moment,
we voelden inderdaad dat de Heer ons leidde en dat het ons aan
niets ontbrak.
Rev. Irving las toen het besluit
van de kerkvoogdij voor dat er de oorzaak van was dat wij in de
open lucht moesten vergaderen en ook een begeleidend schrijven
waarin stond dat de afgezette priester een onberispelijk leven
leidde en dat hij de Heer Jezus erkende als de schenker van de
heilige Geest.
Na lezing van de brieven, waarop
hij geen commentaar leverde, ging hij verder met de dienst
waarin hij zei dat de Geest zou voortgaan met vreugdevolle
uitspraken, ons opriep ons te verheugen over onze verlossing en
dat de Heer grote dingen aan ons zou doen.
Voor we uit elkaar gingen
vertelde Rev. Irving ons , dat hij met de ouderlingen en de
diakenen overal zou zoeken naar een geschikte vergaderruimte
voor de kudde en hij verzocht ons daar ook naar uit te zien en
de Heer te bidden voor het welslagen daarvan. Hij vroeg ons
allemaal om op zeven uur naar de poort van de kerk te komen waar
een diaken zou staan om het adres te geven of om mee te delen
dat er nog geen ruimte gevonden was."
De ouderlingen en diakenen
waarover het gemeentelid schreef, waren Archibald Horn, David
Blyth, Wm.
Hamilton, Ducan Mackenzie, J. Nisbet, Charles Vertue, Alex
Gillespie, John Thompson, J.Henderson, Tho.
Carswell en David Ker. Enigen
van hen zien we later terug binnen het katholiek-apostolische
werk en Nisbet heeft later heel literatuur van hun hand,
uitgegeven.
De volgende morgen kwam de kudde
weer samen voor de kerk. Op 6 mei 1832 werd de eerste dienst
gehouden in Gray's Inn. Geheel ten onrechte schrijft Koehler,
die als eerste in het Nederlandstalige gebied een dissertatie
schreef over het apostolische werk (Het Irvingisme, eene
historisch-critische proeve, 1876) in één van zijn stellingen:
"Het bestaan van het Irvingisme dagtekent van 6 mei 1832, toen
Edward Irving met zijn circa 800 aanhangers in de zaal van
Robert Owen het Heilig Avondmaal vierde."
Na "Gray's Inn" werd een ruimte
gevonden in de Newman Street.
Het had Irving grote
zelfoverwinning gekost om profetische uitingen en het spreken in
tongentaal in zijn gemeente toe te staan. Ook de gemeente zelf
had aan deze manifestaties moeten wennen.
Toen dat allemaal zover was werd
het binnen de kortst mogelijke keren bedreigd, er werd
verwarring en onrust gezaaid.
De aanstichter daarvan was
Robert Baxter. Baxter was een jonge en begaafde advocaat uit
Doncester, lid van de Anglicaanse kerk. Hij stond bekend als een
diep-gelovige man, actief met het bezoeken van zieken en
behoeftigen in de gemeente waarvan zijn broer predikant was.
Ook was Baxter zondagschoolonderwijzer.
Via een vriend werd hij op de
hoogte gebracht van de gebeurtenissen in Port-Glasgow en over
de gang van zaken in de gemeente van Irving. Enige maanden lang
ging hij, steeds als hij voor zijn beroep naar Londen moest, de
gemeente in en uit. Baxter had een groot respect voor Irving,
ook nadat hij gebroken had met diens gemeente.
Het eerste bezoek was in
Augustus 1831 en daar hoorde hij voor de eerste keer Taplin en
Emily Cardale met profetieën en tongentaal.
Zelf voelde hij de kracht van de
heilige Geest in zich groeien en Irving gaf hem volop de
gelegenheid zijn profetieën te brengen. En Baxter sprak veel.
Niet alleen over de uitlegging van de Schrift maar ook over het
komende oordeel, de heerlijkheid van de huishouding Gods en
het komen van de Heer.
Het uiten van profetieën was één
maar vanuit welke Geest deze uitingen kwamen was iets waarvoor
de Profeet een goed onderscheidingsvermogen moest bezitten.
Vaak had Irving het moeilijk met
de profetieën van Baxter. Zo ook toen deze kwam met de
mededeling dat Geest hem bevolen had weg te trekken van vrouw en
kinderen, om als een pelgrim door het land te gaan.
Irving en Emily Cardale moesten
vele gesprekken met Baxter voeren om hem ervan te overtuigen dat
zulke zaken, het moedwillig verlaten van dierbaren, niet
vanuit de heilige Geest kon zijn.
Volgens Baxter kreeg hij de
innerlijke raad om in de rechtszaal over het werk Gods te
getuigen en over het komen van de Heer te spreken. Toen hij in
de rechtszaal stond gebeurde er niets ...
Met Irving had Baxter vaak
gesproken over het dopen met water én vuur zoals met Pinksteren
gebeurd was. Na één van deze gesprekken meende Baxter dat het
dopen met vuur bij hem zou worden voltrokken.
Dagenlang lagen Baxter en zijn
vrouw urenlang op de knieën om God te bidden om een doop met
vuur. Er gebeurde niets.
Baxter profeteerde dat een kind
uit zijn nabijheid, nadat het gedoopt was, zou kunnen
profeteren. Toen het kind gedoopt was gebeurde er weer niets.
Het niet uitkomen van deze
profetieën, de weerstand tegen de vreemde dingen die hij
verkondigde, brachten Baxter aan het twijfelen. Niet alleen
over zijn eigen woorden maar ook over de profetieën van Taplin
en Emily en Mrs. Cardale.
Op een avond had hij een
ontmoeting met een missionares uit Amerika. Deze zei ervan
overtuigd te zijn dat de Indianen de verloren Stam van Israël
was. Baxter nam deze zienswijze over maar ondervond grote
weerstand tegen die opvatting.
Zijn werk bracht grote
verwarring en verleiding in de gemeente van Irving.
Er moet echter aan toegevoegd
worden dat enkele van Baxter’s profetieën bijzonderheden bevatte
over het beginnende katholiek-apostolische werk:
-hij sprak over een nieuwe
ordening van geestelijken, apostelen en profeten, wat inderdaad
later gebeurde,
-hij profeteerde dat de 14. juli
1835 een dag van bijzondere betekenis zou worden. Op die dag
vond de afzondering van de Engelse apostelen plaats,
-hij verkondigde dat de
bestaande christelijke kerken van God waren afgevallen. Deze
mening leefde ook, zij het in minder radicale vorm, bij de
katholiek-apostolischen,
-hij keurde de vrijwillige
vorming van religieuze verenigingen, zoals het
Bijbelgenootschap, sterk af. De latere kritiek van de
katholiek-apostolischen was niet zo drastisch maar wel
duidelijk. De vorming van deze verenigingen werd daarom
afgekeurd omdat de hoop, de wereld door organisatie en
gemeenzame menselijke inspanning te redden, niet de door God
geopenbaarde weg was. Het zou kunnen uitmonden dat de "plicht
tegenover God" onvolkomen werd, terwijl men ijverig bezig was om
de plicht tegenover de medemens te vervullen.
Baxter beschreef zijn ervaring
in een boek met als titel "Narrative of Facts".
Cardale schreef later: het boek
had beter genoemd kunnen worden ëen boek van Baxter over
Baxter’s handelingen en woorden, ter verheffing van Baxter”.
In het
tijdschrift “Morning Watch”, een blad waarvoor Irving schreef
maar waarvan de eindredactie in handen was van de latere apostel
Tudor. Volgende brieven werden in het blad opgenomen. Reactie’s
van bezoekers aan de kerkdiensten van Edward Irving.
Het
onderstaande wordt gepubliceerd met toestemming van de
betrokkenen
Op een van
de laatste zondagen in september (1831), ik ben de juiste datum
vergeten maar dat is ook niet van belang, bezocht ik, in
gezelschap van mijn goede en dierbare vriend Mr. Ogilvy uit
Bakerstraat, de kapel van Mr. Irving.
Omdat we
Mr. Irving nog niet eerder gehoord hadden, was ik in een zeer
nerveuze stemming, gewaarschuwd door de berichten over Mr.
Irving’s dienen en het tongenspreken, waarover in Londen
verschillend werd gepraat. En ook voor zijn rhetorisch,
expresief taalgebruik.
Mr. Irving
begon met het voorlezen van de psalmen en in zijn verdere
pogingen tot toelichting van de betekenis en de praktische
toepassing in het leven van iedereen die het hoorde. Ik was
hogelijk verrukt en bidde inwendig tot God dat Hij met mij zou
laten lukken het waar te maken, als een waarachtig kind van Hem,
en een van hen die werkelijk geloven in de bescherming door de
Heer Jezus Christus.
Ik kan niet
weergeven wat mijn persoonlijke gevoelens waren op dat ogenblik
of andere zaken die mij onbekend waren, maar ik voelde dat ik
nooit zo dicht bij God was geweest als toen ik deze goede man
hoorde prediken.
Tijdens de
preek, werd ik gelukkig, ofwel ik wil niet zeggen gelukkig, maar
mijn ogen waren op hem gefixeerd, zijn woorden begerig
verslindend elk woord dat uit zijn mond kwam als om de vele
gevallen creaturen, zoals ik een ben, weer op te richten. Ik zag
(maar misschien heb ik het verkeerd) dat gedurende de gehele
preek en figuur achter hem op de muur van de kapel, vaak in de
vorm zoals op de platen van onze Heer met opgeheven handen,
zoals dat is tijdens de zegening. Het leek mij dat het gezicht
mild en weldadig was, het hoofd draaiende stralend in glorie,
lichtend in de duisternis. Ik zei tot mezelf: Wat kan dat zijn?
Is het een illusie, een fantasie. Ik sloot mijn ogen en bad en
vroeg God om mij te verklaren wat er bij me omging, dat de Heer
des levens hier was en Hij zegende de congregatie, maakte mij
bewust van mijn zonden, en ik zag mikj onder Zijn vleugels als
een vluchteling van zijn zonden.
Ik keek
opnieuw op en zag het figuur langzaam en majesteitsvol oprijzen,
toen viel het uiteen, rees weer op en waaierde van hoek naar
hoek. Ik riep de wetenschap ter hulp, kwam het niet door
reflectie van de glas-in-lood ramen, en dus een optische
weerspiegeling? Ik probeerde het uit. Ik keek of er objecten
waren die de beelden zouden kunnen veroorzaken, het altaar, de
griffie, de lampen, die de beelden zouden kunnen veroorzaken.
Ik sloot
mijn ogen, zong inwendig een lied, en toen ik ze openden zag ik
niets bijzonders maar, draaiende naar Mr. Irving zag ik weer de
figuren als voorheen. Nu sloot ik snel mijn ogen en weer snel
op. Hetzelfde resultaat.
Zo sterk
waren de beelden, dat ik genoeg tijd had om aan Mr. Ogilvy te
vragen of hij niet hetzelfde zag als ik.
Zijn
antwoord was “nee”.
Nu waarom
werden zulke beelden alleen door mij waargenomen? Er waren er
genoeg in dezelfde houding als ikzelf, ik heb geen oogdefect, ik
ben niet lichtgelovig of bijgelovig. Ik zou nooit iets geloven
voordat ik weet of het waar is en in het bijzonder op het gebied
van religie. Ik heb ook teveel vrees voor de boosheid van de
almachtige God om dingen te zeggen die ingaan tegen Zijn wetten,
maar het is een feit dat ik beelden waarnam.
Ik had geen
gelegenheid om Mr. Irving opnieuw te horen, zoals ik van plan
was. Ik wenste een ander persoon op het altaar, alleen om te
onderzoeken of dat weer zou plaatsvinden. Mijn werkzaamheden
verhinderen dat.
Maar god
leidt alle dingen, misschien voor een nieuwe gelegenheid, en
Zijn glorie.
7 Upper George
Street, Bryanstone
Square.
John Gray, Chirurg
De
bovenstaande verklaring komt exact overeen met wat Mr. Gray me
vertelde, tot in detail, over de gebeurtenissen – nu enkele
maanden geleden- en in antwoord op de vele vragen die ik hem
stelde. Ik had slechts een ontmoeting met Mr. Gray, ik denk
precies op die dag, maar toen hij van mij hoorde over Mr.
Irving, is hij naderhand speciaal, via een vriend de wens om me
te vergezellen naar zijn kerk, en over wat ik heb gezien van
deze heer en van de indruk die ik kreeg van onze conversatie op
dat ogenblik –die fijn en eenvoudig was- ik heb de meeste goede
van zijn woorden vernomen. Het is misschien goed er aan toe te
voegen, dat hijzelf zo volledig zeker is van de realiteit van
wat hij heeft gezien, dat wij nauwelijks los kunnen maken van de
menigte, komende uit de kerk, ernstig vroeg wat hij gezien had
van de figuur die achter Mr. Irving stond op het altaar tijdens
het grootste gedeelte van de dienst. Ik voelde een grote
verbazing over deze kwestie, zoals ik het noemen mag, en dit
groeide zoals ik opmaak voor zijn eigen rekening. En in antwoord
op de kwestie wil ik het respecteren, gedurende een conversatie
van misschien wel twee uur – terwijl we naar mijn huis liepen-
en gedurende welke ik (could detect) geen discrepantie over iets
heb.
Ik kan
eraan toevoegen dat Mr. Gray dit figuur het beschrijft als een
donkere schaduw op de muur –zoals een daarop geplaatst lichaan,
maar als lichtgevend en bewegelijk, af en toe voorwaarts, af en
toe achterwaarts gaande, maar hoofdzakelijk bij Mr. Irving’s
persoon, dan weer gaande naar de ene kant, dan weer naar de
andere, zoals Mr. Irving bewoog, en continue zichtbaar gedurende
het grootste gdeelte van de dienst, en ik denk dat hij het eerst
gezien werd gedurende het voorlezen en uitleggen van het
hoofdstuk, dus gedurende de dienst.
Mr. Gray
verklaard dat de figuur langzaam oprees op verschillende tijden
en discreet bleef boven en achter Mr. Irving. Zowel het hele
hoofd als een gedeelte van het lichaam was zichtbaar; de ogen,
de mond en straalde mildheid en melancholie uit, met een invloed
op de gehele omgeving. Hij zag de figuur vaker dan een keer en,
van waaruit hij hem zag, dicht achter Mr. Irving, en rond het
hoofd van Mr. Irving.
Verder
betuig ik dat het plaats vond in de voormiddag, op een heldere
dag en dat ik in dezelfde positie zat als Mr. Gray. Ik zag
echter niets anders dan wat zich voor mij afspeelde.
15 Upper Baker
Street, April 2, 1832
George Ogilvy
Over de
tekens der tijden; naar aanleiding van Irving’s The signs of the
times;
met
eenige bedenkingen van mij zelve over dat onderwerp, geschreven
1 Sept. 1829
Door
Willem de Clercq.
Het onderstaande is een opstel van Willem
de Clercq over het vernoemde boek van Irving. De Clercq was een
groot bewonderaar van Edward Irving.
Wel had de
Clercq een handicap: In zijn boek “Willem de Clercq,
(1795-1844), uitgegeven in 1999, van zijn nazaat W.A. de Clercq
schrijft deze: “Willem ontvangt afzonderlijke schrijflessen van
ene Walter. Later noteert hij: doch altijd slechts geschreven.
Wel, daar kunnen zij die alle de dagboeken en brieven van de
Clercq gelezen hebben, over meepraten”.
Ook bij het
overnemen van het onderstaande is deze opmerking gebleken op
waarheid te berusten. Hier en daar moest er naar geraden worden
wat Willem had geschreven.
Lange tijd
leek het erop alsof het werk dat in Engeland gestart was, in
Nederland niet bekend was. Het tegenovergestelde bleek dus het
geval. Zelfs de bijeenkomst in 1827 in Albury was hier bekend,
zie hiervoor het
Verslagje
dat eveneens geschreven werd door Willem de Clercq.
Dit stuk,
“Over de teksns der tijden”, ligt voor in het handschrift van de
Clercq maar in bovendien gelardeerd met gedeelten uit de,
originele, Engelse tekst en met gedichten van Bilderdijk.
Behalve
Willem de Clercq was ook een andere Nederlander goed op de
hoogte van wat er in Engeland plaatsvond. H. Hentzepeter. Deze
schreef ook vele boeken over de verwachtte wederkomst van de
Heer, zo noemen we o.a. “De aanstaande wederkomst van onzen
Heer, onder eene vyfde monarchij, volgens de Openbaringen van
Johannes en de gezigten van Daniël”, dat verscheen in 1819.
Hentzepeter schreef ook een brief aan enkele Albury-deelnemers,
dat eveneens verscheen onder de titel: “Brief aan mijner
vrienden in Groot-Brittannien over de eerste en der wereld, met
betrekking tot de aanstaande groote gebeurtenissen voor de
wederkomst van Christus op aarde”.
Maar
hieronder volgt dus eerst de tekst zoals die geschreven werd
door Willem de Clercq.
Zonderling
is het dat bij de opwekking van der Evangelische geest, die zich
gelijk God zij dank, in vele landen en ook zich voornamelijk in
Engeland vertoont, het denkbeeld van de tweede komst van
Christus als zeer aanstaande te beschouwen en dat
naar aanleiding van de profetieën zoo in het O. Testament als
van de welke in de Openbaring van Joannis vervat zijn, in het
laatste land als zeer algemeen onder de gelovigen verspreid
beschouwd moet worden en is dat denkbeeld bij vele vereenigd met
dat van het millenium of duizendjarig rijk op aarde
onder de personeele regering van Christus.
Dit
denkbeeld is niet nieuw in de kerk – de meeste kerkvaders hebben
dat denkbeeld echter zeer verworpen. De vleeschelijke opvatting
van dat geweld en de daaruit gevolgde gruwelen van Jan van
Leijden en zijn aanhangers, hebben het echter bij de bewoners
gedecrediteerd, terwijl soortgelijjke overdrijvingen bij de
Puniërs tijdens de opstand tegen Karel de 1e waarin
Harrison, zoo ik meen een Regnum Millenanan had, eene niet min
algemene blaam op dezelve hebben doen werpen. Onderwijl, het
komt hier op aan of een leerstuk op Gods woord gegrond is, en
niet welk het misbruik zij dat er door de menschen van gemaakt
is.
Ik beken
dat ik lang, zeer lang, de Openbaring van Joannis ongelezen
liet, en nu misschien nog huiverig zoude zijn om voor iedereen
te bekennen dat ik dit verschrikkelijke boek, de Apocalypsis
wiens naam alleen verschrikt, heb gelezen. Hoe heb ik mij
dikwijls vrolijk gemaakt toen ik jong was, over eenvoudige
menschen die, als zij den gehelen bijbel lazen, het boek niet
meenden te mogen overslaan.
Mijn
verwerpen van het zelve lag voornamelijk in de punten die ik
ervan gezien had, en ik verbeelde mij niet meerder dan als dat
er letterlijk voorspeld was, dat er een beest met tien koppen
uit de zee zoude komen om de menschen op te eeten, dat
letterlijk de Engelen alles zouden doen wat op der plaatjes
boeken stond. Dat is een denkbeeld van de oudste tijden af in de
kerk was der van Christen volgens de profeten even zeer op aarde
en zijn heerlijkheid geopenbaard zoude worden, als hij
dit in zijn vernedering was geweest, die was mij
volstrekt onbekend, en van daar toen da Costa mijn zijn Israel
overliet en ik daarvan hoorde,
Ja
een Messias gaat verschijnen
Brul leeuw van Juda, brul hem tegen
Stem in wiens nadern gij herleeft
Schemerde
het mij wel wat voor de oogen, doch duidelijk was het mij niet.
Da Costa gaf mij wel eenige denkbeelden doch ik zag dat echter
aan als Joodsche gevoelde overblijfsels van zijne opvoeding. Dit
Joodsch denkbeeld trof mij toch van Tweeduizend jaren voor de
wet, tweeduizend jaar onder de wet, twee duizend onder den
Messias en duizend jaren, meer onmiddellijk onder hen de Sabbath
der Wereld. Toen ik da Costa niet meer zag, na mijn vertrek uit
Amsterdam, had ik eerst nog geen liefde tot de Bijbel en geen
lust tot onderzoek.
In
dec./jan. schreef Messchert mij over de uitlegging van
Stilling in zijn boek: Geschiedenis van de overwinning van
den christelijke Godsdienst, die hij getroffen had, van de
Openbaring en gaf mij een uittreksel van dat boek
vooral wat
de tijdrekenkundige opmerkingen van Bengel betreft. .Ik durfde
dat volstrekt niet aanvatten en schreef hem daarover in
algemeene termen. Eenige tijd daarna gevoelde ik toch lust om
Stilling te lezen, liet het werk komen, doch sloeg het bijna
niet op. De Profeten las ik twee maal in die tijd doch
vergeestelijkte alles en deed alles slaan op het ingaan der
kinderen in de kerk.
Nu en dan las ik onderwijl wel eens in de
Openbaring en was getroffen van de Majesteit van derzelve, van
de bevestiging dezer beelden, vooral van het leerstuk der
Godheid van Christus, zoodat ik begon te gevoelen dat deze
Openbaring niet een geheel afzonderlijk en willekeurig boek was
dat niet van den Bijbel aflaten of er afdoet, maar dat hetzelfst
de slotsom om dus te spreken was waarop het gehele gewelf
rustte, daar er derzelve een innig verband was met alle de
beelden der Profetie van den ouden tijd, en dat hetzelve
eigentlijk de Profetie des Nieuwe Testament was, die in het
laatste der dagen vervuld moet worden.
In deze
stemming werd mij door mijn vriend Ragay het werk van Croly: The
Apocalypse of St. John, a new interpretation, London 1827,
aangeboden, hetwelk ik met grote belangstelling en volgaarne
las.
Het zelve
is uitmuntend geschreven Gods wil die ik bespeur in de Engelsche
historie wordt er in de voorrede kracht gehandhaaft, en vele
bijzonderheden troffen mij. Alleen zijne bepaalde toepassing
kwam mij dikmaals gezocht voor, ik vond voorts zijn uitleggingen
te veel door de indruk van het oogenblik (de strijd met de
Roomsche) gewijzigd en nog het Ongeloof, nog het Mahenedanisme
kwamen mij voor is hetzelve en genoegzaam plaats te beslaan. Nu
kwam mij voor eenige weken de uitlegging van Den Sando: Versuch
einer Erklärung der Offenbarung Joannis, durch Friedrich Sandor,
Pastor zu Recklinghausen, Stuttgart 1829, door de
vriendelijkheid van Van den Ham, in handen, dat ik ook met
oplettendheid las, die in welke bijzonderheden met Croly geheel
verschilt, doch het resultaat der algemeene oorlog, het onheil
op aarde, de nabijheid van alle deze dingen, de val van het
Pauselijk Rome, daarin komen zij volkomen over een.
Nu las ik
Nov. Irving’s Signs of the Times, die zich aan het grote werk
dat hij daarover schreef aansluiten en nu heb ik toch ook het
een en ander daarover ter rede willen stellen.
Men vindt
bij van Alphen in zijn boek Predikt het Evangelie aan alle
creatuur noot op p. 243 eenige opgaven van hetgeen vroeger
over deze zaak gedacht en geschreven is, en verder heeft in
Engeland het boek van Irving*) veel invloed gehad. In
Duitschland schijnt men eerst te beginnen met zich met deze zaak
bezig te houden, doch in Italië schijnt er veel gewag van te
worden gemaakt. Men verhaalde mij dat een Italiaan een boek
geschreven had, waarin hij voorspeld dat in 1830 het rijk van de
Paus zoude ophouden. Het getuigenis van de Spaansche monnik die
aanleiding tot het werk van Irving gaf, is ook belangrijk. Men
kan niet ontkennen dat deze overeenstemming iets zeer
belangrijks heeft en meer daarbij voegen dat er juist een zegen
wordt uitgesproken over hen die de woorden dezer profetie lezen
(Namelijk Openb. 1 v. 3).
*) Irving
vertaalde het werk van de Jesuit Imanuel Lacunza, genoemd La
Venida del Mesias in Gloria y Majestad. Ik vind ook
geannonceerd Irving’s Last Days, (Zie La Cunza, Evang. Zeitung,
Juni 1829).
Veel
beweging maakt ook in Engeland het boek genaamd Dialogues on
Profety (zie hiervoor Ev. Kirch. van Feb. 1829). David
Bogue is een der meest geachtte Engelsche Godsgeleerde. Hij
heeft twee delen preken over het Milennium uitgegeven, die
vertaald zijn geworden in het Fransch onder den titel van:
D. Bogue: Discours sur
le Milennium.
Zie de gunstige
beoordeling van dat werk in de Archives Zur. 1827.
In de
Engelsche lectures, heeft men op bekende wijze in de laatste
tijd de profeten behandeld, b.v.
-
Heaven opened, or the world of God being the twilow
visions of Nebuccadnezer. Daniel and St. John explained by Mrs.
Addis
-
Faber Sacred calender of Prophecy
-
Woodhouse on the Apocalyps 8e-12e
-
A exposerer of religious and rock despotism in
observations on the prophecy, by Thomas Parker
In
Duitschland blijft Bengel altoos de voornaamste uitlegger wiens
berekening dan ook gevolgd zijn.
Bij ons is
de meest bekende uitlegging van de Openbaring van Joannis, die
van Nettingen, die ook Jesaias commenceerd. Hentzepeter, een
eenvoudig man in den Haag, heeft eenige werkjes geschreven in
den geest van de heerschende verwachtingen in Engeland, doch
zonder, zoo ik geloof, daarmede bezield te zijn. Een derzelve
heet “De eerste en laatste dagen”.
Zu Bijl.
Sc. Over een Fransch werk van Agcer te zijner tijd in de Revue
gerecenseerd.
Bijl. B.
eenig denkbeeld over de tijdrekening van Stilling en Bengel.
E. Irving:
The Signs of the Times (de Clercq geeft ook de Engelse tekst die
we hierbij niet vermelden)
Motto: Matt. 16 v.
3; Lucas 12 v. 56, Luc. 19 v. 42-44
Gelijkvormigheid van Gods oordeel over Zijn kerk onder de
Joodsche bedeling en na dezelve:
- tijd
van genade, steeds met afval en ongehoorzaamheid beantwoord
-
oordeel over Gods volk gevangenschap van het zelve onder
vreemde volken
-
oordeel over de volkeren, dat het middel van Gods straf
geweest zijn en verheerlijking van het volk van God
(Bewijzen
hiervan uit het lied van Mozes, uit de propheten en de
verschillende oordelen over Israel/ Oordeel der heidenen die
Israel verdrukken, en de verhooging van Israel zeker steeds als
gelijktijdige gebeurtenissen voorgesteld (Luc. 21 v. 21).
Vervulling
van dat lijden der Heidenen-Ondergang
In de
strijd dat het oordeel over de heiden en de verlossing van
Israel nadert.
Eerste
teken: In Daniël lezen wij dat de drie eerste koninkrijken zoo
wel als het vierde tot straf van zijn volk zoude strekken doch
dat o.a. het eerste van het vierde het eerste aller dingen zoude
komen. Nu heeft het vierde beest het Roomsch rijk voorstellend
nog zijn tien teens of koningrijks Assyrië en Babylon blijven
bestaan onder de Turksche magt, de kl. 2 zoals Eupheates
voorgesteld wordt, Persia blijft nog bestaan en de Grieksche
monarchie is thans mede gegeven zoo dat nu het gehele beeld van
Daniël mede vervuld wordt. Er zijn nog de vier rijken alle dien
bestaan zoodat het slaan van de steen tegen de toren des beelds
verwacht kan worden.
De Profetie
zegt dat de meeste rijken voorbij zullen gaan, doch dat hun
leven nog verlengd zal worden.
Wie hier
gemeend wordt is niet moeilijk te begrijpen nog te raden.
Men keere
zich tegen de vele aanmerkingen ten tijde van de geboorte van de
koning van Rome gemaakt – de tegenoverstelling van Zijn wieg zoo
kostbaar en prachtig, met de Kribbe des Heilands, de koningschap
van Rome gemaakt hetwelk eene vereeniging van het leidend en
geestelijk Rome scheen, der verzen waarin de koning van Rome
genaamd wierd: een Sauveur ne’ d’une Marie.
In Engeland
en sommige gedeelte van Duitschland vindt men ook personen die
de koning van Rome voor de Antichrist houden.
Merkwaardig
was dus de verschijning van het werkje waarin Bartheleny Mery de
zoon van Napoleon die zij vergeefs zochten te naderen onder de
naam van “Le fels et l’homme”, bezongen.
Tweede
teken: De magt van
den kleinen of geestelijken hoeren wordt door Daniël voorspeld.
De magt van de valsche Propheet, dat is de Paus van Rome, wordt
vermeld.
Brittanië
was voor het toestaan der Emancipatie van der antikristelijke
vereeniging der rijken onder den Paus uitgesloten, doch zoo
Britt. haar verbod tegen de Paus intrekt en zijn magt toelaat
(het werd voor de aanneming
in der
Emancipatie geschreven) den zonde dat dit het tweede teken zijn
en daaruit blijken dat de rijke wordt rijp waarvoor: het
oordeel1
Derde
teken: De profetie
stellen ons dergenen voor die de kracht van de Pauselijke
Partei vereenigen zal, dezelve zal doen stukken tot vernietiging
van het Beest/Rome/ doch die dan oorlog zal hebben, en verloren
zal gaan. Men vindt dikwijls deze Propheten als of zij door twee
menschen vervuld zal worden.
Dan vindt
men den Prophetie ook in het 10-12 Cap. v.. Daniël
In het 11e
vinden wij de verzen 21-40 geheel in Napoleon vervuld, doch de
verzen van 40-45 moeten nog vervult worden. Geen afkomst van den
Persen dat voorspeld wordt. Rijpheid van het Pauslijk gebied
voor den val.
De Angel of
magt om te schaden is derzelve reeds afgenomen.
Nog schijnt
der nieuwe hoofd des ongeloofs verborgen doch het schijnt dat er
afgewacht wordt of Engeland zich aan het Pausdom zal
onderwerpen.
Vierde
teken: Staat er magt
van den rijken die buiten het gebied van het Pauselijk Rome
liggen. Terwijl het oordeel over het westen en zuiden
uitgesproken wordt, het leven der drie eerste koninkrijke in
herzien gewijzigd form nog verlengt wordt, zeer zij dat deze
magt in het noorden zal opstaan (Dan. 11 v. 44). Ezechiels
gezigt wegens de inval van Gog en Magog. Bewijs uit de
geschiedenis dat hier van de volken van Rusland en aan de Zwarte
en Caspische zee gesproken wordt: deze vereenige zich tegen de
kinderen van Israel in hun eigen land nedergezet. Groeiende magt
in het Noorden. Deze magt van het Noorden met die van het Oosten
vereenigd zal tegen de laatste koning van Rome optrekken. De
koningen van de Oost: die na het opdragen van de Eufraat zullen
verschijnen, zijn de tien stammen van Israel uit de magt van
hunne verdrukkers bevrijdt die zich vereenigen zullen met de
gekochten, uit het mystisch Babylon bevrijd. – Welligt zal rust
dit nieuwe rijk onder de bescherming van der zelfde Noorsche
magt gesticht worden, die eindelijk er tegen optrekken en den
laatste kamp zal wagen.
Vijfde
teken: Gelijkheid van
den tegenwoordige toestand. De maatschappij met die welke in de
Openbaring van Joannis met het uitstorten van de zevende fiool,
dat is dus de vernietiging van het pauselijk Rome geschilderd
wordt. Een historisch teken wordt gegeven C. 16 v. 12. Dit wierd
reeds in de vorige eeuwen (namelijk het opdrogen van de
Euphraat) toegepast op de val van de Turksche magt die de
Euphraat thans zeven eeuwen lang bezeten heeft. Maar vergelijke
hierbij nu wat in Turkije gebeurt.
Eerst met
het teken der drie onrijne geesten. die uit de mond van der
draak komen, de draak, de geest van het heidensch Rome, de
valsche Profeet als hij tegen over het beest gesteld wordt, is
de geest van het Antichristendom en de roomsche kerk, de kleine
hoorn van Daniël.
Het beest
afgescheiden van de Profeet is de geest des Ongeloofs. Deze drie
geesten zijn dus Wetteloze magten – Pauselijk bijgeloof – en
goddeloze afbreking en ongeloof. Deze drie geesten tot nu toe
agterelkander in opvolging gewoed hebbend, zijn nu tegelijk
losgelaten onder de zesde fiool: Magt nu niet van het beest
zelve, maar van de geest van hetzelve namelijk van de beginsels.
Verspreiding van de geest van het Pausdom van de eene, van dat
van de goddeloze aan de andere zijde gedurende de tien laatste
jaren – Geest van overheersching in de vorsten in hunnr heilig
verband in alles om hunne magt te behouden. Innerlijke strijd in
alle rijken, zo breuke tussen de partijen gedurig groter. Deze
tijden zijn derhalve voorbereiding van de grote gebeurtenissen
door de zevende fiool aangeduid (Op. 16:17).
Zesde
teken: Geroep om
vrede, vrede overal in onze dagen terwijl er ondertusschen geen
vrede bestaat, terwijl er in alle standen
Onder alle
volkeren de verwachting bestaat dat zij de grote gebeurtenissen
zullen zien, en de overtuiging heerscht, dat de zaken dus
blijven kunnen zoo als ze zijn. In de godsdienstige wereld wordt
Christus ondertusschen niet te gemoet gezien, er is juist het
teken door Christus, zijne apostelen aangegeven: Ik kom als een
dief, staat er in de zesde fiool en nu volgt de uitvoering van
het oordeel onmiddellijk. Ongeloof aan Gods inwerking in de
menschelijke zaken – Grote overwigt der wereldsche
beslommeringen in onze dagen. Harde tijden van de nemer – Na
inspeling v. Christus wegens de dagen van de zoon der Menschen.
Nu volgt
eenige denkbeelden wegens het geen die het lot van Engeland zal
zijn, het geen mij egter voorkomt geheel op veronderstellingen
te rusten – waaronder die – naar aanleiding van het 60e
Cap. v.a. Jesaias alwaar hij Eng.vindt onder het beeld der
eilanden en van der Tharsis wiens schepen der zonen Israels mede
zullen overbrengt na hun land – Het einde slaat nu bepaaldelijk
op de toestand der Protestantsche kerk in Engeland met opzigt
tot de Roomschen.
Het
bovenstaande strekt meer om eenig denkbeeld te geven van de
resultaten van Irving dan van zijne gronden. Hierin zoude men
het geheel moeten herschrijven in de aangehaalde teijden in hun
verband overbrengen en dan had nu nog een Extract van zijn grote
werk. – Ik heb voor dat alles nog geen bepaalde denkbeelden.
De
leerstelling van het ligchamelijke Israel komt mij niet voor
duidelijk te blijken, doch zij weet dat de Heer ons gezegd
heeft: Waakt want gij weet niet in welke ure de Heer des huizes
komen zal, en zeker er zijn tekenen der tijden aanwezig.
Wanneer wij
zouden nu verder agtereen te willen gaan, ons slechts tot het
laatste keer tans bepalen en nu is er zeker veel dat onze
opmerking moet trekken, en vooral de bijzondere snelheid
waarmede alles gegaan is, en steeds verder voort blijft gaan.
Dat het
Bijgeloof sedert dien tijd een nieuwe kracht heeft gekregen,
is onwedersprekelijk. Niemand toch had kunnen denken dan dat de
Paus deze dat door de omwenteling geheel ter nedergeworpen
scheen, dat dan Napoleon weer politiek hersteld werd en ook
alles als politiek door zijn volgers scheen te worden aangewend
weder zulk eene magt zoude verkrijgen, dat het in Frankrijk de
partij der Revolutie zoude kunnen tegenhouden, niettegenstaand
dezelve – de ergerlijke geest der eeuw voor zich had Mazner als
le Maitre en le Marnier zijn verrezen, die het Catholicisme bij
een meer verlicht gedeelte van het publiek weder populair hebben
gemaakt. Zien wij niet de Jesuiten die voor altijd tot de reeds
vervlogen geschiedenis schenen te behoren, op eens weder
herrijzen en een invloed uitoefenen, waarvan men geen denkbeeld
meer had. Zien wij niet in Spanje, Portugal en Italië het
katholicisme weder na de Middeleeuwen om dus te spreken,
terugkeeren. Zien wij niet door de
Napoleontische en het hart van Frankrijk de bijgelovigheid van
vroeger eeuw hernieuwd worden en is het eindelijk niet treffend
door de Paus en de Sultan tegelijk de banvloek tegen de
Bijbelverspreiding te zien uitgesproken.
De
verspreiding van het ongeloof schijnt van den eenen kant
minder duidelijk, daar het niet te ontkennen is dat sints de
laatste vijftien jaren de godsdienstige denkbeelden veld gevormd
hebben, doch wanneer men het wel beschouwt bestond er toen onder
de regering van Napoleon meer gehele onverschilligheid over alle
geestelijke zaken, meer een geheel wegzinken in de zigtbare
dingen, dan een practische geest des Ongeloofs die zich zocht
uittestrekken, doch nu daarentegen zijn de geesten des ongeloofs
en des bijgeloofs werkzaam.
Deze geest
des ongeloofs, vertone zich nu minder in en deze de bestrijding
der Evangelische waarheden, is het opkomen van nieuwe namen om
aan het hoofd der strijders gesteld te worden, als in de
voortdurende verspreiding van het eens reeds gestorte gif, en in
de werking van die beginsele des omgeloofs welke wij van de
Revolutie geërfd hebben.
Deze aanval
is bedekter dan de vorige, doch minder gewelddadig schrike zij
minder af en gelijk een zuurdesem des bozen, doordinge zij alle
de inrigtingen, door van den eene kant de hoogmoed van den
mensch te vleijen, en aan den anderen kant – steeds het
schrikbeeld voor te hangen van het misbruik ’t geen de Roomsche
kerk, van instellingen gemaakt heeft, welke op ware beginselen
gegrond waren.
Men
verklaart geen openlijke oorlog aan der geopenbaarde godsdienst,
maar geeft haar zelfs eenige eer als ontwikkeling periode van
het menschdom op eene zekere hoogte. De Hervorming den geheel
valsch als het begin der Revolutie en als een burgerlijk en
geestelijk oproer in plaats van eene hernieuwing en herstelling
der eerste Christen kerk beschouwd wordt, is de tweede dezer
periode en eindelijk de derde, is de Fransche revolutie, wier
gezegende invloed nu nog voortduurt. Eenige practicale
voordelen, die deze revolutie medegevormd heeft worden hemelhoog
verheven, alle de gruwelen der Revolutie alleen op in mannen van
1793 geworpen, en van al het vroegere de schuld aan de
raadslieden van de koning en de geemigreerde gegeven.
Men ruime
de godsdienst een zekere plaats in, vereerd het Christendom als
een zeker godsdienstige verlichting die de eenheid van God en de
onsterfelijkheid der kerk geleerd heeft doch dan weer wordt men
de vijandschap gewaar, wanneer men het ongeloof met even veel
regt even veel eer als het geloof wil toekennen en vooral
wanneer men enig keizerlijk beginsel wil toepassen op wetgeving,
wetenschappen of wat dies meer wij. Men wil
nog wel de
Open operoane geven als men zich boven haar stelt, doch niet er
zich onder stellen. In de geschiedenis b.v. worden met wellust
den namen opgevijzeld welke of zonder of tegen de Openbaring
schreven en dus Gibbon, Hume en zoo vele andere grote lof
toegezwaaid kan men de grondvesten van het geheel indenken. Zoo
geschiedt dat meer of min openlijk en met vreugde. Tusschen,
vrede echter deze God reeds den torens van Babel instorten eer
zij nog gereed zijn , zoo geschiedde het met de onderzoeken in
Egypte met den Zodiak van Dendersch, die als een schandzuil voor
de auchangies van de Bijbelsche tijdrekening dus zuide staan, en
die echter, daar de ortdikke van Champellen ter de tijd van
Frajunees gebragt, thuis alles ter bescherming van de ontwerpen
van den aanval daar staat, Zoo werdt Klaproth genoodzaakt de
eenheid van oorsprong, de Aziatische talen der jonge-ouderdom
der aarde
Echter er
bestaan de bewijzen wier echtheid en verkrochtheid van Genesis
erkennen, doch van welken der zulke doet, door Gods geest
bekeerd en uitgelokt tot het verkrijgen van zijn maker die zich
ook hier verheerlijkt en niet als de duivels die Gods aanzijn
bekeren, doch sidderen. In de voorstelling der vorige tijdperken
wordt zulke gewoonlijk het donker gedeelte van de kerkelijke
geschiedenis, voortgezet als of inderdaad het Christendom en God
die zich in hemzelve openbaarde, de schuld droegen van de kley
die gemengd geworden was met de aarde van waaraan het goud der
waarheid toebetrouwd was geworden.
Openbaar
der Christendoms als Juliana van Byron worden belangrijk
voorgesteld. Nochtans wordt opgegeven, doch daartegen zijne
werken onder allerley formaten overal verspreid.
Wilde ik
hier de ander wetenschappelijk nagaan, zoo zoude ik in de
wijsbegeerte het Protestantisme kunnen tonen dat alles
noodzaaklijk stelt en het onderscheid tusschen goed en kwaad
wegneemt en de Regtsgeleerdheid den gehele afscheiding van hen
die onder de Donders van Sinaï zijn wet verkondigde, en de
toezegging van de gedane uitspraak door een voorname
regtsgeleerde gui Lo Loi est athee-, in de geneeskunde zal het
maturalis mird min of meer bedekt voorgedragen, en de Broussan
aan het hoofd van een school, die op het spoor van sondstlac
alles aan de gewaarwording toeschrijft.
Welk een
strijd in de Geologie – Hoe de dwaasheid van Ballerstede, ginds
de overblijfsels de vroiwend
Opgezocht
en opgeweper om de oudheid der wereld te bevestigen doch elke
keer zal God zijn waarheid bewaren.
In de
dichtkunst alleen wil men over het algemeen de Godsdienst
toelaten, in het drama een soort van voorzienigheid, en de Epis
kwalijk machinerie en de lierzang godsdienstige verrukking, doch
het is niet snode waar dat men zich door het aanhooren of het
bewonderen van een dichtstuk niet gebonden acht, om de daarin
ontwikkelde gevoelen aantenemen – Het is hoe zij zegt men als
nu bewonder terwijl men tevens tegen de gevolgtrekkingen
protesteert.
Wie zal
onderwijl loochenen dat te gelijk met den geest des ongeloofs
ook een geest des geloofs door Gods genade opgewekt is, die ook
dus te spreken, uitgaat om te verzegelen en ook snelle
voortgangen maakte. Het goud is nimmer zonder mengsel, doch nu
erkent men Gods vinger en de opwekkingen die bijna in alle
protestantsche landen plaats hebben gehad, aan dat groot aantal
en getuige in Engeland, aan der Berlijnsche school in
Duitschland, aan der kerk van Malan, aan de herleving
protestantse kerken Frankrijk aan de name van Grundvig – in
Denemarken, da Costa in Nederland – Vele geschriften, ook kleine
werkjes, hebben harten tot nadenken gebragt en het woord Gods
zal niet ledig wederkeren.
Ook in dat
misschien niet geheel uit der (boeren) de eindelijk onzegenbare
kerk zijn opgekomen, is Gods hand krachtig betuigd of wierd zij
zulke niet in der geest – en Bijbelverspreiding en
Zendelinggenootschappen die over de wereld kwamen, de vertaling
des Bijbels in honderdvijftig talen binnen zoo korten tijd, der
verbreiding van het Christendom op plaatsen waar nog nimmer van
het zelve gehoord was, die merkwaardige triomph van hetzelve in
de eilanden der Zuidzee.
Doch na
mate deze geest zich door Gods genade uitbreidt zal ook de geest
des ongeloofs die in de laatsste tijden meer negatief, meer in
de stille afbrekend was, weder een ligchaam aannemen en op nieuw
verkondigen zeer zij het zeker ook niet overal reeds geschiedt.
Toont Engeland ons niet zijn Philantropen en Unitariërs die er
elke keer op uit zijn om de onwaarheid te verbreiden als de
overige en dit met de waarheid te doen.
Men denke
over Owen, om die plaaatsen van algemeen menschen geluk waarin
alles wordt opgesomd behalve den God der Openbaring en der zelfs
in de woestijn van Noord-Amerika en volkeren ontaard zijn. Men
hore de prediking van der godsdienst van liefde zonder geloof,
van Christus die een ware man was, van zijn dood maar zonder
offer en zonder verzoening, men lette op de gevaarlijke
tractaatjes en verminkte Bijbels die er van deze kant verspreid
worden, van journale in deze geest geschreven en men zal zien
dat het ongeloof niet zeert.
In
Frankrijk is ook het ongeloof nog krachtig, het zij in der
partij en de protestantsche kerk die alleen het afbrekende maar
niet het opbouwende in de hervorming ziet.
Die de
aldus protestantsch bezield en zelfs in de hogeschool van
Monrauban zijn zetel schijnt gevestigd te hebben, dat zij in de
Academie der wetenschap waar het zuurdesem der vroegere jaren
nog zoo zeer heerschend is, maar vooral in die reeks van
dagbladen en tijdschriften die dagelijks en maandelijks uitkomt
en waarin wel is waar niet altijd de godsdienst direct wordt
tegengesproken doch waar de volheid van God op DV wegvallen van
vasten en volheid en van zijn Geest op de harten der menschen,
bijna nooit anders dan op een bespottelijke wijze wordt
voorgedragen. Voeg hierbij alle uit geschiedenissen, de
reisbeschrijvingen, de Romans waarin de vijandschap min of meer
doorbreekt, doch die echter altijd een angel achterlaten. Welk
een reeks van schandelijke memoires die in de histori allen dat
gene tonen wat de vloekwaardige begeerte onzer zich opwekt, en
de gebeurtenissen niet anders dan een gevolg van een
aaneenschakeling van zonden en misdaden doen voorkomen. Wie telt
der herdrukken van Valney, Pargy en dusgelijke werken die of het
verstand voor altoos verblinde of de verbeelding voor altijd
besmetten!
In
Duitschland heeft de Neologie den uitersten der alle zulke waar
nog eenig gevoel in was, verontwaardigde, afgesneden en in het
rationalmus vischt zocht zij de behoefte naar Godsdienst die
zich bij de mensch doet gevoelen, eenig zints te gemerkt te
kinddeel leidt hetzelve aan uitgehouwen bronnen, die geen water
bevatten, in plaats van aan de fonteinen des eeuwigen levens.
In Zweden
en Denemarken wandelt de geest van de Neologen nog rond en zijn
de wetenschappen nog dikwijls buiten, Gods genade en der
openbaring vijandig. Vele wandelen liever in de denkbeelden der
Scandivanistische mythologie dan op den grond der Schrift, zoud
er en in het eerste dezer lande blijft de dweping van
Swedenborg, niet zonder invloed.
In
Nederland vindt de waarheid haare grootste vijanden onder
dergenen, die nog steeds van geloofs genade en H. Geest spreken,
doch de kracht Gods, ter hernieuwing der harten, niet
ondervinden en dus niet die de Genade niet anders dan
eene vergevingsgezindheid, en de bekeering dan eene verbetering
van wandel zien, waar godsdienst gemakkelijk en aanlokkend is,
die de Bijbel prijzende en roemende en alle de vastketende
schoonheden der Hebreeuwse dichtkunst opmerken, steeds van
judaisme van verkeerde uitdrukking etc.spreken en alles in die
Bijbel zien behalve de Geest Gods.
Zoo wij nu
de slagorden tillen, zoo wij, zelfs al dergene afzenden- die nog
nimmer nagedacht hebben, als over het geen zij alles er denken
zoude, dus vragen wij aan welke zijde van de daar opgenoemde
lagies, zich het meeste strijder bevonden en heerschende wij
dus bekend dat er zich vele godslasterende tijdschriften tegen
een Evangelische Zending verzetten.
Doch dit is
de troost dat God in alles en iedere wetenschap en ieder land
zijn getuige heeft dat ook hetzelf hij die zoekt, zal vinden
en dat zelfs het talent van de Dienaar die hetzelve onder de
aarde had begraven, gegeven zal worden, aan hen die reeds veel
had.
Zien wij op
de staatsheerschende wereld, overal vrede, uiterlijk en oorlog
in de daad. In Frankrijk toch is de worsteling der partijen
duidelijk voor Europa.
Geen enkel
beginsel staat vast, en de nuttigste verzoekschriften geven in
de Kamer der afgevaardigden aanleiding tot het onderzoek van der
vraagpunten die men denken zoude dat na zoo veel eeuwen
eindelijk vastgesteld waren. Het gouvernement wordt gedurig en
derzelfde maatregelen van de eene pool na de andere van de het
Jesuitimus het practisch ongeloof gedreven.
Is er een
Ministerie dat in het midden staat, het bezwijke onder de pijlen
die van alle kanten tegen hetzelve geschoten worden, is het
Ministerie liberaal, de oppostie ziet overal de omwenteling
uitgebroken en 1798 hersteld. Helt daartegen het Ministerie naar
de andere kant over, zoo ziet men oveeral de ketens en
schavotten der Inquisitie.
In Engeland
is het gevaar nog te groter, daar men de omwenteling nog niet in
alle hare krachten gekend heeft, doch het Radicalisme is bezig.
De Emancipatie is er doorgedrongen, die welschijn van
regtvaardigheid had,
moest men
verder gaan en voortzetten tot dat eindelijk het democratisch
beginsel geheel heerschende zal zijn en alle de overblijfselen
der oude inrigting en alles eindelijk weer eenigzins de invloed
van God op de Staat kenmerkte, afgebroken zal zijn.
De werking
in alle landen na te gaan, die voor een oogenblik verdreef doch
niet gesmoorde geest van Opstand in het zuiden van Europa,
optemerken valt niet moeilijk en hetgeen bij ons gebeurt de
vereeniging van Roomsch en Liberalen tot een doel, dat alles
macht niet is voor onze oogen, er moet en zal zich nog verder
ontwikkelen, want Holland heeft dikwijls dat in het klein
opgeleverd, wat de eeuw in het groot vertoonde.
In het
commercieele –wat zien wij daar- Overal wordt kunst op kunde
van der steen des handels gegrafeerd, doch hoe zeer dat (keer
door) Verbods--, daar door Entrepots geschiedde, dat alles
gerugt van een algemene malaise. Alle betrekkingen zijn
veranderd, alle verhoudingen omgekeerd. Op de plaatsen van
verbruik staan de prijzen altoos lager als die van verbouw. In
der reguliere weg des handels vind men overal verlies. De
onderkruipers vernielt elk voordeel die men zich mogt beloven.
Grote massen van kapitales trekken als zoo vele zoekstenen de
zaken. Doch wat altois noet een voordeel na zich. Allen
tusschentakken en de handel worden afgesneden, duizenden van
onderhoud berooft aan duizend beroepen de bodem ingeslagen en nu
is de huisvader die zonder bezorgdheid er op zoude durven
rekenen dat hij zijn beroep aan zijn zoon zoude kunnen
overlaten - Alles klaagt.
Niettegenstaande alle deze bronnen van bezorgdheid, alle deze
groei ---is het wel waar dat gelijk in de dagen van Noë er
gegeten en gedronken wordt. De zucht tot publiek versmade vooral
meest nog steeds ter schouwburg
, de publieke herbergen worden vooral de
plaatsen waar de wereld zich vergadert en genoegens zoekt. De
gelegenheid schijnt daartoe nooit beter geweest zijn.
De Paleizen
en gebouwen verheffen zich van alle kanten te doen eender, en
Griekenland schijnt met zijn spelen en feesten te herleven. De
wetenschap die het leven idealizeren wil, de Philantropen die de
mensch, is eene betere weg als die van God gelukkig wil maken,
alle hebben nog grote plannen, de denkbeelden van voortgaande
volkeneenheid, zoo die voorzeker door alle die in de wereld
zijn, de keuze (des Heize) geweste verwacht wordt.
Zeker zijn
in der tegenwoordige toestand der geschiedenis sommige zeer
merkwaardige standpunten.
Strijd
tusschen en katholicismus en liberalismen.
Zeer aanmerkelijk is den strijd.
Het Romeinsch hof heeft nieuwe kracht verzameld en veroveringen
verworven, die niet verwacht hadden kunnen worden.
Immers was
het niet te verwachten dat een concordaat met Nederland de
Roomsche Bisschoppen tot in het hart onzer ouder Nederlandschen
Provincie zoude vestigen, dat Engeland onder een Ministerie van
Toy’s de Emancipatie zouden toelaten en de Jesuiten in het
midden van het Parlement zouden geprezen worden.
Ook is
alles vol schrik tegen de Roomschen, en het geheime ongeloof
wordt onder tusschen geduld, hoewel het nog gevaarlijker
is.Zeker geloof ik dat Rome nog eener krachtiger uitval kan
doen, doch tevens dat de tijd nadert waarop zijn magt verbroken
zal worden, want in der strijd tegen het liberclerisme moet Rome
onderleggen. Het Liberalisme heeft de geest der eeuw,, de waande
wijsheid, de driften der menschen; de geest van ligchaamelijk
genot, zonder zich over ’t geestelijke te bekommeren, met zich
en deze geest is te slim om zich niet te ergeren aan het grove
bijgeloof dat er nog in de Roomsche kerk bestaat.
Verzwakking van het Ottomaansche Rijk.
Ook deze vernedering ? der
Ottomaansche magt is hoogst merkwaardig en men zoude zeggen dat
Rome de Mahomet te gelijk hierna zal schijnen te zullen
uitspelen. Ruslands benden staan thans bijna reeds aan de
poorten van Constantinopel, doet heftig deze stad vroeger of
later vallen, het is of de kracht der thans der magt nog
vertoond heeft onder een man van buitengewoon genie en
bekwaamheid, hare laatste stuiptrekking is. De voortgang der
Parkewetzl, alles geeft het denkbeeld van een langzame ontleding
– Nog treffender is daarbij de zwakke toestand van Persië nadat
de laatste Mahomedaans Souvereinen in India door de Engelschen
onttroond zijn gewerden.
Uit een
reis die ik onlangs was kwam het mij zoo duidelijk voor dat het
land slechts op eene herschepping wachte. Alles bevestigde mij
hierin de inneming en de plundering van … door een vorst van het
regerende huis, de onderwerping te Teheran na het gebeurde met
de Russen en de toenemende vrees voor Rusland.
Deze
toenemende magt van Rusland is ook zeker een merkwaardig
teken des tijds.
Meester van
der lauwerenkrans, Georges schijnt dit rijk met Azië in eene
nauwe betrekking gesteld te worden, en om dies te
spreken, geschikt om alle de afwijkende Secten van de Christen
kerk in het Oosten, de Armeniërs, Jacobiten etc. in zich op te
nemen.
Het schijnt
tevens eene magtr te vormen geschikt om eene eenheid van magt
die zich in het Westen zoude kunnen vormen, tegen te gaan.
In alle tot
nog toe gelezene uitleggingen was America niet begrepen. En
echter wie zegt dat, ook zeker dit land eene grote rol moet
spelen bij deze gebeurtenissen. Wie merkt ook niet keer op keer
de godsdienstige beweging die zich in die alle gewesten heeft
vertoond, en vraagt dan niet waarom de schepen van Tarsis en
de eilanden waarop Irving aanmerking maakt, niet zoo veel op
America als op Engeland toegepast zouden moeten worden.
En nu het
Resultaat voor mij in dit oogenblik.
Wij beleven
een ttjd in het uiterlijk stil doch die van grote gebeurtenissen
zwanger gaat.
De Geest
van Bijgeloof en Ongeloof zijn op aarde uitgezonden, doch de
Geest Gods is ook daar om de geloovigen te verzamelen. In de
staatkundige en de handelswereld is alles in een spanning en
eenen toestand die zoo niet kan blijven bestaan.
De Bijbel
is ter getuigenis aan de aarde vertaald, de Zendelingen zijn
uitgegaan en het Evangelie wordt over de gehele wereld
verkondigd. Rome kampt op leven en dood tegen het Liberalisme
wiens beginsels overal zijn doorgedrongen doch die het nog aan
een zigtbaar hoofd ontbreekt.
De Christen
beschouwd de Openbarig v. Joannis even als het overige van den
Bijbel als Gods woord.
De
opmerkzaamheid eensklaps in alle landen, en vooral in Engeland
omtrent in dit boek verwerkt, doet hen ook daarop als een teken
des tijds zien. Hij leest met behoedzaamheid zoekt zonder
bijzondere roeping de tijd en eene niet te weten en bid dat God
hem door Zijn geest der stemming moge geven, waarin hij kan
zeggen:
Kom
haastelijk Heere Jezus
.
INSTELLING VAN EEN NIEUW
APOSTELAMBT, OVERIGE AMBTEN EN AFZETTING VAN IRVING
Op verzoek van de
Albury-vergadering bezocht de bekende advocaat John Bate
Cardale in gezelschap van Dr. John Thompson, lid van Irvings
gemeente, Dr. Georg Hamilton Roe en de dames Mary Elisabeth
Cardale, Emily Cardale en een Mrs. Gason, in september 1830
Port-Glasgow. Ze bleven daar bijna een maand, leefden intens mee
met de McDonalds en anderen die door de heilige Geest aangeraakt
waren.
Ze overtuigden zich van de
echtheid van de opmerkelijke voorvallen die deden herinneren
aan 1 Kor. 12:8-10: "Want aan de één wordt door de Geest gegeven
met wijsheid te spreken en aan de ander met kennis te spreken
krachtens dezelfde Geest; aan de één geloof door dezelfde Geest
en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de
één werking van krachten; aan de ander profetie."
Een bericht over hun bezoek aan
Schotland, geschreven door Cardale, verscheen later in de
"Morning Watch": "Wij hielden één der begaafde personen
bijzonder in het oog. Ze was zeer bedaard, zelfs flegmatisch van
aard en gewoonlijk zonder veel woorden, zonder drukdoenerij.
De "tongentaal" waarin ze onder
de invloed van de Geest praatte, was duidelijk van andere
tongen te onderscheiden want de hare was altijd dezelfde, met
dezelfde intonatie. Ook het zingen in tongentaal vonden we
hoogst merkwaardig.
James MacDonalds stem is
geenszins mooi en bij het gewone zingen rauw en onzeker. Zingt
hij echter door de Geest, dan zijn de tonen volkomen zuiver en
melodieus. Eens hoorde ik Mevrouw N., terwijl ze in de Geest
was, zingen. Het tempo begon langzaam, werd steeds sneller en op
het einde zo snel als maar mogelijk was en toch woord voor woord
volkomen duidelijk. Deze uiting hield lang aan. Iemand, die
deze Engelse verzen met dezelfde snelheid voor zou dragen, zou
een enorm geheugen moeten hebben en veel tijd om het uit het
hoofd te leren.
Ik had talloze gelegenheden de
waarheid (volgens haar eigen zeggen) en de onbevangen indruk
bevestigd te vinden, dat het werkelijk niet uit eigen wil of
gedachten gebracht werd. Ik merkte vaak dat bij elke
ogenschijnlijke inspanning de heftigheid van de stem, ook na
een lange periode, geen lichamelijke vermoeidheid opleverde.
Mevrouw N. was op een ochtend
als gevolg van een verkoudheid, zeer hees, zodat wij haar bij
het gewone spreken nauwelijks konden verstaan. Plotseling kwam
de Geest over haar en ze praatte bijna vier uur lang, van tien
uur 's morgens tot twee uur 's middags, met korte onderbrekingen
voor gebeden en lofprijzingen, over het komende gericht en de
genade en de gebeden voor het volk Gods. Alles met de kracht van
een gezonde stem.
Toen viel ze weer in haar oude
toestand terug en was weer even hees als voorheen, maar geenzins
uitgeput door de inspanning.
Na alles wat we tijdens deze
drie weken deels zelf hebben meegemaakt, deels in onze omgeving
gehoord hebben, kan ik alleen maar zeggen, dat deze begaafde
personen in de nauwste verbinding met de Heer en in oprechte
liefde tot Hem en alle mensen staan, vol geloof, vrede en
vreugde zijn, de zonden haten en trachten naar heiligheid, met
alle zelfverloochening. Ik zag in hun gestalten, zoals ze tot nu
toe alleen in de annalen der oude kerkgeschiedenis beschreven
zijn. En toch zijn het mensen van vlees en bloed."
Morning Watch, no. VIII, dec. 1830.
Ook in Londen zelf gebeurde
opmerkelijke dingen waarbij, zoals geloofd werd, de heilige
Geest werkzaam was.
Zoals we al geschreven hebben,
genas Elisabeth Fancourt die al acht jaar, als gevolg van een
misvorming van de ruggegraat, kreupel op bed lag, na intens
bidden en smeken en het aangezicht van God zoeken. Haar vader,
een geestelijke, bericht hierover in de "Christian Observer" en
er ontstond een felle polemiek in de pers..
Cardale belegt nu
gebedsbijeenkomsten in zijn huis waar spoedig door zijn vrouw
en zuster gesproken wordt in “tongen” en de gaven der profetie
zich openbaarde..
Op 30 april 1830, tijdens zo'n
gebedsbijeenkomst in het huis van Cardale, sprak zijn vrouw:
"De Heer wil spreken tot Zijn volk! De Heer heeft haast. De Heer
komt!"
Cardale had van tijd tot tijd
zijn advocaat Baptist Noel geïnformeerd. Deze wilde echter
niets weten over de gaven die opnieuw openbaar gekomen waren en
predikte er zelfs tegen.
Cardale bleef echter in zijn
kerk komen tot de situatie onhoudbaar werd. Na enige
omzwervingen vond ook hij bij Irving een geestelijke tehuis. Nu
sprak de Geest in Cardale's huis en in de gemeente van Irving en
in juni 1831 kwam Drummond naar Londen om het zelf te horen.
Overtuigd van de juistheid van
gebedsbijeenkomsten begon Drummond zulke bijeenkomsten in
september 1831 op zijn landgoed in Albury te organiseren, zeer
tegen de zin van de plaatselijke geestelijke, Hugh McNeille die
voorzitter van de Albury-conferenties was geweest.
In augustus hoorde Armstrong
Irving prediken en enige weken later was hij op een
gebedsbijeenkomst in Irving’s huis waar hij het spreken in de
Geest meemaakte. Ongeveer tegelijkertijd was Sitwell in
Cardale's huis. Beiden, Armstrong en Sitwell, waren trouw
gebleven aan de uitgangspunten van de Albury-conferenties.
Niet alle mannen die aanwezig
waren bij de heroprichting van het apostelambt in de beginfase,
hebben deze heroprichting ook werkelijk erkend als het werk van
God. Ook Rev. Campbell of Row, onder wiens prediking de
Campbells en de McDonalds hadden gestaan, weigerde om
“glossalia” als het werk van de Heilige Geest te zien.
Verdere genezingen vonden plaats
zoals van ene Maria Hughes die reeds jaren invalide was. Als
antwoord op de gebeden en de handoplegging van rev. H.J. Owen
kon zij weer lopen.
Tussen de verwijdering uit de
kerk op Regent Square en het in gebruik nemen van het nieuwe
lokaal in de Newman Street zaten 23 weken. In die tijd kon de
gemeente van Irving slechts incidenteel gebruik maken van de
ruimte in Gray’s Inn. De diensten op zondagmorgen moesten
noodgedwongen in de open lucht gehouden worden, zoals bij de
muren van de Colbeth-gevangenis waar zo'n 2000 personen bij
elkaar kwamen en op Brittantie Fields dat dan ook in de Londense
volksmond de bijnaam "Fields of the Tongues" en op de
Hampsteader Heide.
Veel van de predikaties die
Irving in die tijd hield werden gepubliceerd in het maandblad
"The Pulpit".
Wanneer precies is niet meer te
achterhalen, maar in de maand juli of augustus 1832 werd vanuit
de gemeente van Irving een groep van 35 jonge mensen uitgezonden
om in de straten van Londen het evangelie en het naderende
komen van de Heer bekend te maken. Vanuit deze groep
"evangelisten” ,die op deze wijze slechts kort werkzaam waren,
zouden later vele ambtsdragers binnen de Katholiek-Apostolische
kerk voortkomen, waaronder Francis Valentine Woodhouse.
Eindelijk kon dan de eerste
dienst gehouden worden in de voormalige West Picture Gallery
waar de kunstschilder Benjamin West zijn doeken had
tentoongesteld, maar die tot kerk was omgebouwd.
Deze dienst was op 19 oktober
1832, waarbij ook het zoontje van Irving (Ebenezer) door Henry
Drummond gedoopt werd.. Aan het einde van de dienst de zegende
Drummond de gemeente door de kracht van de heilige Geest. Dit
hoewel hij nog geen ambt droeg, maar alleen volgens een aloude
traditie waarbij hij, als landeigenaar, de toezicht over de kerk
te Albury had.
Reeds de volgende dag, tijdens
de avonddienst, werd Drummond door een profetie van Taplin als
Herder geroepen voor de gemeente Albury. Het was de eerste
roeping binnen deze ordening waaruit de Katholiek-Apostolische
gemeente voortkwam..
Dr. John Bayford, tot dan toe
kerkelijk rechter in de Anglicaanse kerk, werd geroepen als
Oudste voor de zich ontluikende gemeente Brighton. Beide mannen
werden door “profetie” tot hun ambt geroepen.
Hoewel Drummond dus in oktober
geroepen werd tot Herder van de gemeente Albury, was daar al
eerder door deze gemeente om gevraagd.
Van maart tot juli 1832 was
Drummond in Londen. Bij zijn terugkeer in Albury vond hij een
aantal zielen die bezig waren met bijbelonderzoek en baden om
herstelling van de gaven des Geestes. Wekelijks kwamen zij
bijeen en begonnen nu om een Herder te vragen, vooral ook omdat
de gemeente groeide.
Door een profetie kwam het
verzoek om nog een even te wachten, de Heer zou hun gebed op de
juiste tijd verhoren.
Dat gebeurde dus tijdens die
eerste dienst in de Newman Street.
Tot nu toe hebben we het
voornamelijk gehad over de gemeente van Edward Irving waar de
heilige Geest het eerst openbaar kwam. Maar er was nog een
Londense gemeente waar de heilige Geest werkte, namelijk in de
Salem Street, Artillery Lane, Bishopsgate. Hier ging de
onafhankelijke rev. Miller voor. Deze had reeds langer gepredikt
voor en over het komen van de Heer, het Rijk Gods en de gaven
des Geestes. In de gemeente van Miller vonden eveneens
profetieën, spreken in tongen en de gave der gezondmaking
plaats. Opmerkelijk, want Miller was noch een deelnemer aan de
Albury-conferenties geweest, noch op enigerlei wijze bekend met
Irving.
Nicolas Armstrong, die toen al
ontslagen was bij de Reformation Society, werd door Miller
uitgenodigd om in zijn kerk te preken. Zijn preek in de kerk van
Miller ging over de bestaande kerken met hun gebreken en hoe de
kerk zou moeten zijn.
Op 12 juni volgde ook in deze
kerk de eerste profetieën, ook weer door de mond van vrouwen.
De hele zomer van 1832 preekte
Armstrong in verschillende kerken in alle Londense stadsdelen,
tot hij een thuishaven vond in de kapel in Deverell Street in
Southwark. De eerste keer dat Armstrong hier dienst hield was op
19 augustus 1832 en dat was tevens de stichtingsdatum van wat
spoedig de derde gemeente van de Katholiek-apostolischen in
Londen zou worden. Ter herinnering: de eerste gemeente was in de
Newman Street met als voorganger Edward Irving, de tweede de
gemeente van Miller in de Salem Chapel.
Naast de diensten in de Newman
Street bleven ook de gebedsbijeenkomsten in particuliere huizen
doorgaan.
John Bate Cardale gold als een
rustig en geduldig man die zichzelf niet op de voorgrond
plaatste.
Hij kreeg in augustus 1832 de
volgende profetie:
"Verlaat de vergadering niet,
maar zoek de dienaren des Heren. God laat de tijd van
onwetendheid voorbijgaan. Nu gebiedt Hij alle mensen, Hem in
Zijn knechten te herkennen. En u, mijn broeder, zult een knecht
des Heren zijn, u mag Zijn volk verzamelen en onder Zijn
heerschappij brengen."
Op 31 oktober 1832 was weer zo’n
gebedsbijeenkomst bij de Cardale’s, waar ook enige personen
waren die de gave der profetie bezaten.
Na het voorlezen van de 133ste
psalm, waarin gesproken wordt over de heerlijkheid der
onderlinge broederliefde en de psalmist dit vergelijkt met de
kostelijke olie die vloeit op de baard van Aäron, en terwijl
Cardale in een gebed voor de kerk verdiept was, kwam de kracht
des Heren over Drummond en hij werd gedreven zich op te richten,
naar de geknielde Cardale te lopen en te zeggen:
“Convey the Holy
Ghost, for art thou not an apostle”!
"Schenk de Heilige Geest! Bent u
dan geen apostel!"
Eén der aanwezigen, de zuster
van Cardale, schreef later:
"Het was een feestelijk en
eerbiedig ogenblik, maar niemand sprak erover en de
gebedsbijeenkomst werd gewoon voortgezet." Enige dagen later, 7
november 1832, volgt een bevestiging van deze inzetting..
Dat was tijdens een
gebedsbijeenkomst in het huis van Irving en de profetische
uitspraak kwam uit de mond van Taplin..
Zo geloofden zij dus dat opnieuw
het ambt ingesteld was om het volk toe te bereiden op het komen
van de Heer. Het apostelambt, waarvan de bijbel zegt: “gezonden
niet van een mens noch door mensen, maar door God de Vader en
Jezus Christus” (vgl. Gal. 1:1), zoals door de apostolische
geschiedschrijvers betoogd werd.
Het ambt der verzoening (2 Kor.
5:18), der genade (Ef. 3:2), des geestes (2 Kor. 3:6-8), van het
Nieuwe Testament (2 Kor. 3:6) des Woords (Hand.6:4), klaarheid
en rechtvaardigheid (2 Kor. 3:9) was hersteld volgens hun idee.
Een Apostel als boodschapper aan
Christus plaats (2 Kor. 5:20), het licht der wereld en het zout
der aarde (Matth. 5:13-14), de dienaar van Christus en uitdeler
van de verborgenheden Gods (1 Kor. 4:1), Gods medearbeider en
bouwmeester van de geestelijke tempel Gods (1 Kor. 3:9-10), had
zijn intrede gedaan in een kille wereld om liefde en de
geborgenheid in God en Zijn Zoon te brengen. Eén van de latere
Engelse apostelen schreef over dat ogenblik:
"Het was een zeldzaam,
eerbiedwekkend werk dat God toen instelde. Toen Hij Zijn stem
nog een keer temidden van Zijn verzameld volk liet horen, nog
eenmaal Zijn rechterhand uitstrekte. Er was vreugde in de
hemel."
Cardale wachtte rustig het
tijdstip af tot God zou aangeven dat hij zijn ambt zou moeten
gaan uitoefenen.
Dat zou ruim zeven weken duren,
op 24 december volgde de eerste ambtshandeling. apostel Cardale
was toen in de gemeente Albury.
Drummond schreef: "Cardale kwam
een paar dagen bij ons doorbrengen. Omdat Taplin ziek was
bracht hij hem ook mee om te genezen in de weldadige
buitenlucht."
Mr. Bayford kwam dezelfde dag
vanuit Brighton zodat de bijeenkomst uiteindelijk uit de
volgende personen bestond: Drummond met zijn gezin, apostel
Cardale, de profeet Taplin, de oudste Bayford, evangelist Caird
en zijn vrouw Mary Campbell. Nog die dag werd William Renny
Caird, die door Drummond middels een profetie als evangelist
was genoemd, door apostel Cardale tot priester geordend.
Twee dagen later was de hele
gemeente weer bijeen. Na de prediking en de lofzang zou de
viering van het Heilig Avondmaal plaatsvinden. Echter daarvoor
sprak Taplin lange tijd in een “vreemde tong” en toen in
verstaanbaar Engels: "De Heer beveelt u, die geroepen is als
herder over deze gemeente, het volk te voeden met het lichaam en
bloed van de Heer."
Drummond riep daarop de gemeente
op de Heer te danken voor Zijn genade en voegde er nog aan toe:
"Ik mag u brood en wijn geven, proef het brood in uw mond, proef
de wijn met uw lippen. Maar dit is niet de gemeenschap met de
Heer - het is de Geest die verfrist."
Meteen daarop sprak de Geest
door Caird: "Laat de Heer Zijn werk doen, laat Hem Zijn wil
verklaren."
Cardale begon toen de betekenis
van het lichaam en bloed te verklaren en over de reine staat
waarin het ontvangen moet worden en met enorme kracht daarna:
Beklaag u, want de waterbakken zijn gebroken maar er is geen
water. Het godsvolk is een zorg voor Hem, ze bedroeven Hem. Hij
is bedroefd, bedroefd over hen omdat er onder hen zijn die niet
geloven. Jezus is vertoornd, Hij is boos. Wij smeken U, o Heer,
kom weder onder Uw volk, O smeek tot Uw God om Zijn wederkomen."
Nadat het heilig Avondmaal
gevierd was sprak Taplin weer in een vreemde tong en daarna: "De
Heer gebiedt u, u die geroepen werd een apostel te zijn, uw
handen op de engel van deze gemeente te leggen en hem te ordenen
om het volk te leiden en ze te spijzen. Wees getrouw, wees
getrouw en Jezus zal u eren."
Cardale liep daarop naar
Drummond die voor het altaar knielde, legde hem de handen op en
zei:
"Wees vervuld met de Heilige
Geest, de Geest der wijsheid en der erkenning en een vast
geloof; beschik over een snel inzicht in de vreze des Heren!
Spijzig en leid dit volk. Wees getrouw tot in de dood en u zult
de kroon des levens ontvangen die de Heer voor u bereid heeft en
voor allen die hem liefhebben."
Hiermee was Drummond als engel
door het apostelambt geordend voor de gemeente Albury. Ook
Bayford, op 19 oktober geroepen tot oudste voor de gemeente
Brighton, werd geordend.
In de gemeente Newman Street
kwam een profetie waarin verboden werd dat de 35 jonge mensen
die dus eerder waren uitgezonden om het evangelie in de straten
van Londen te brengen, dit nog langer zouden doen zonder daartoe
door het apostelambt gezegend te zijn.
De diensten in deze gemeente
waren nog steeds op Presbyteriaanse leest geschoeid, tenslotte
was Irving in naam nog steeds een ambtsdrager in de Schotse
Nationale Kerk.
Wel was elke predikant door de
General Assembly in Edinburgh opgeroepen om maatregelen te nemen
indien Irving het zou wagen om binnen de Schotse landgrenzen te
prediken.
In oktober 1832 stuurden ze hem
een brief met de mededeling dat een onderzoek zou plaatsvinden
naar "ketterse afwijkingen" in zijn geschriften. Het proces
vond op 15 maart 1833 in Annan plaats. Van heinde en verre waren
toehoorders gekomen, in totaal zoEQ \O(', )n 1800. De
"rechtbank" bestond uit zes geestelijken en leken.
Zoals te verwachten viel werd
Irving schuldig bevonden. Toen gevraagd werd of de "ketter" nog
iets te zeggen had, riep deze uit: "Protest, alleen protest! Ik
wil protesteren, niet om mijn wil maar om Christus wil, mijn
Heer, die ik dien en die ik eer. Ik wil tegenspreken om
uwentwil, omdat u door deze handelswijze de gerechtvaardigde
toorn van God over uw hoofden roept. Ik spreek tegen, om de wil
der kerk die blindelings ter ondergang gevoerd wordt. Protest,
alleen protest"
Voordat het vonnis uitgesproken
zou worden, stelde de voorzitter, een zekere Mr. Sloan, voor om
te bidden. Toen klonk er een stem vanuit de banken: "Verhef u!
Ga weg van hen! Verhef u en ga uit! Ga uit van hen! Hoe kunt u
bidden tot Christus die u verloochent. U kunt niet bidden. Ga
uit, ga weg van hen. Vlucht, vlucht!"
Het was rev. David Dow die dat
riep en tijdens het roepen ging hij Irving voor naar buiten,
waarbij Irving nog opriep om hen te volgen. Meerdere aanwezigen
deden dat.
Sloan stoorde zich er niet aan,
ging toch in gebed en velde formeel het oordeel waarbij Irving
uit de kerk van Schotland gestoten werd.
DE GENADE VAN HET APOSTELAMBT
(deel van een preek William Dow)
“Met een beroep op de genade die
mij geschonken is, zeg ik u allen, dat u zichzelf niet hoger
moet aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar verstandig voor
uzelf moet denken. Denk daarom overeenkomstig het geloof, dat is
de maatstaf die God u heeft.gegeven” (Rom. 12:3 nbv).
Wat is de precieze betekenis van
deze woorden van de apostel Paulus: “Met een beroep op de
genade die mij geschonken is …”? Hij doelt daarmee niet alleen
op de genade van zijn persoonlijke behoudenis. Ook doelt hij
niet op de genade van God, waardoor hij in staat gesteld werd te
leven in heiligheid en in gehoorzaamheid aan de Heer Jezus
Christus. Ook niet op enige speciale hogere graad van de
heiligheid die hij persoonlijk bereikt zou hebben. Neen, hij
bedoelt de genade van het apostelschap, waardoor hij “een wijs
bouwmeester” in het Huis van God gemaakt was, en waardoor hij de
plicht opgedragen had gekregen om te zeggen wat hij op het punt
stond te gaan zeggen, - en niet alleen de plicht, maar ook de
geestelijke genade en kracht om het op de juiste wijze te
zeggen, en om het doeltreffend te zeggen.
Wat ik bedoel, zult u begrijpen,
wanneer ik zeg, dat niet iemand onder u zich tegen zijn naaste
kan keren, die naast hem zit, of tegen zijn vriend met wie hij
vertrouwelijk pleegt om te gaan – iemand onder u kan zich tot
hem keren en zeggen: “Vriend, broeder, door de genade die mij
gegeven is, zeg ik u: wees wijs tot matigheid, gelijk als God u
de mate des geloofs toegedeeld heeft.” Die raad zou u kunnen
geven, als u een zachtmoedige vriend hebt, die het kan verdragen
dat u zo tot hem spreekt; maar u zou er niet aan kunnen
toevoegen: “Door de genade die mij gegeven is, zeg ik …”. Geen
genade van persoonlijke hoedanigheden, geen verworven
heiligheid, geen talenten of bekwaamheden kunnen u het recht
geven om zo te spreken.
Nog duidelijker zult u het
begrijpen aan de hand van een voorbeeld. In uw eigen huis,
temidden van uw kinderen, uw personeel en andere huisgenoten,
bent u gewend om met gezag te spreken, onmiddellijke
gehoorzaamheid te verwachten, en onmiddellijke gehoorzaamheid te
ontvangen. Maar als een vreemdeling, of als een van uw kinderen
of iemand van uw huispersoneel, zou opstaan en zou spreken zoals
u spreekt tot uw gezin, en zou proberen een zelfde gezag uit te
oefenen, dan zou u hem dat kwalijk nemen als een onduldbare
inmenging, en uw gezin zou er geen kracht in voelen. Misschien
zou de indringer wel zeggen wat inderdaad gezegd moest worden,
een terechtwijzing geven die inderdaad gegeven moest worden,
doen wat u had moeten doen als u uw taak als vader en hoofd van
uw huis met meer getrouwheid zou vervullen. Ja, misschien zegt
hij wel precies datgene, wat, als het door u gezegd en bevolen
was, uw gezin ervoor bewaard zou hebben tot een zondige
gedragslijn te vervallen, met de daaruit voortkomende verwarring
en ellende. Maar zijn woord is nutteloos. Ja, het doet kwaad en
geen goed – want hij kan er niet aan toevoegen: “Met een beroep
op de genade die mij geschonken is, zeg ik …”.
Misschien is hij een heilig man
en een zeer vroom, toegewijd man, iemand wiens gebeden op uw
huis ontelbare zegeningen hebben doen nederdalen waarvoor u te
onverschillig geweest bent om ze te vragen, te ondankbaar om God
als Gever ervan te erkennen; misschien is hij zo iemand, en toch
is zijn woord nutteloos. Het is erger dan nutteloos: het wekt
tegenstand en verzet op; terwijl hetzelfde woord, door uzelf
gesproken, vergezeld zou zijn geweest van de kracht van God,
gehoorzaamheid afgedwongen zou hebben, uw gezin zou hebben gered
– omdat u kon toevoegen: “Door de genade die mij gegeven is, zeg
ik …”.
En waarom is het woord van
iemand tot zijn eigen huis beter, krachtdadiger, dan hetzelfde
woord tot hen gesproken door een vreemdeling? De reden is, dat
God degene is aan Wie de menselijke samenleving haar bestaan
ontleent. Hij is het, door Wie de mensen niet op zichzelf
staand, alleen-levend gemaakt zijn, maar vergaderd zijn in
gezinnen. Door Zijn bestel is het, dat de mensen in de wereld
gebracht worden door middel van ouders, en dat zij aan hen
onderdanigheid verschuldigd zijn, zedelijk verplicht zijn hen te
eren en te gehoorzamen. En het christendom heeft de natuur niet
verdrongen werking gesteld. Integendeel, het behelst een
erkenning van de natuur. Het heeft over haar een zegen doen
komen, een ondersteuning, een heiliging. De natuurlijke vader
bezat reeds een zegen van God. Een christelijke vader heeft
meer, hij bezit geestelijke genade en macht. Hij bezit een
geestelijke genade ten opzichte van degenen die God in relatie
tot hem gesteld heeft; en hij bezit geestelijke macht over hen.
Zijn woord temidden van hen draagt kracht in zich. Het Gebod
luidt: “Eert uw vader en uw moeder” – uw eigen ouders, niet die
van een ander – uw vader, niet uw vaders volijverige vriend. Het
woord van de vader heeft kracht in zich; hetzelfde woord,
gesproken in omstandigheden die in alle opzichten dezelfde zijn,
behalve in dat ene opzicht van de door God gevestigde relatie,
is nutteloos, is zonder kracht. Hij kan geen goed teweegbrengen
in het huis van zijn naaste, maar hij kan dat allen doen in zijn
eigen huis.
En als ik zeg dat er kracht in
zijn woord is, dan bedoel ik niet de kracht van argumenten, of
de kracht van macht, vrees en dwang; maar ik bedoel dat het
uitwerking heeft; ik bedoel dat God het werkzaam maakt, en dat
het niet ledig wederkeert. Zoals de kracht van God in het woord
was dat Hij sprak, zeggende: “Daar zij licht!”, zo is er kracht
in elk woord van God; en zo is er in elk woord dat naar behoren
gesproken wordt – onder passende omstandigheden, op het passende
tijdstip, in geloof aan Gods Naam, door de passende persoon, op
de plaats waar God hem gesteld heeft – eveneens kracht, de
kracht van God.
Ik erken, dat hier maar heel
weinig van te zien is; maar ik spreek niet van wat gezien of
geconstateerd kan worden, ik spreek van wat God bedoeld heeft.
Deze genade is het gezin – de kracht en uitwerking ervan, wordt
niet gezien tengevolge van de onwetendheid van de mensen,
tengevolge van hun ongeloof, tengevolge van hun vleselijkheid –
niet tengevolge van de onwaarheid van wat ik betoog, noch
tengevolge van ontrouw van God.
Nu begrijpt u dus wat Paulus
bedoelde met de woorden: “Met een beroep de genade die mij
gegeven is…”. En wanneer u een bewijs verlangt van dit de
betekenis die woorden is, verwijs ik u naar het eerste hoofdstuk
van deze brief aan de Romeinen, de verzen 1 en 3-5; “Paulus,
dienaar van Christus Jezus, geroepen tot apostel en uitverkoren
om het evangelie van God te verkondigen, het evangelie over Zijn
Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David,
aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met
macht toen hij, Jezus Christus, onze Heer, ontstond uit de
dood.”
En in de eerste brief aan de
Korinthiers, hoofdstuk 3, vers 10: “Hij heeft de genade
geschonken apostel te zijn, opdat omwille van Hem aan alle
volken gehoorzaamheid en geloof zou verkondigen”
“Genade”, zegt hij, “en het
apostelschap”, “de genade Gods die mij gegeven is” – de genade
waar hij van spreekt, is dus de genade van God ie hem roept, hem
de bevoegdheid geeft en hem in staat stelt om te handelen en te
spreken als een apostel. Hij is voornemens hen te onderwijzen en
aan te sporen met betrekking tot nuchter gezond verstand – want
dat is de betekenis van het woord “matigheid” – in hun gedachten
over zichzelf en over hun plaats in het Lichaam van Christus
(Rom. 12:3-8). Hij wil hen onderwijzen tevreden te zijn met de
plaats in Gods bouwwerk die God aan elk van hen toegewezen
heeft, - ijverig te zijn in hun roeping in de Kerk, en zich niet
in te dringen in de roeping van anderen, niet zichzelf een
plaats toe te eigenen. Hij heeft het recht hen te onderwijzen.
Want zijn genade is die van een wijs bouwmeester, een
meester-bouwer. Zijn roeping is het, de levende stenen op hun
plaats in het geestelijk gebouw te brengen, en ze daar te
houden, Hij is geen indringer, hij begeeft zich niet buiten zijn
plaats, wanneer hij hun de aanwijzing geeft die zij op hun
plaats moeten blijven. Een ander zou wel een indringer zijn –
een van hen zou dat zijn, als hij hetzelfde zei als wat de
apostel zegt. Misschien is het wel dringend nodig, dat het
gezegd wordt.
Toch kan een niet-ambtelijk
persoon het niet zeggen. Hij kan wensen dat het gezegd wordt;
hij kan erom bidden dat het gezegd zal worden; hij kan ootmoedig
voorstellen dat het gezegd zal worden; hij kan het zachtmoedig
aan zijn naaste of zijn vriend zeggen. Maar Paulus zegt het –
hij zegt het met gezag, aan een ieder die onder hen is. Paulus
staat tot de Kerk in een door God gevestigde relatie, zoals u
staat tot uw kinderen. God heeft hem in die relatie gesteld,
zoals Hij u gesteld heeft in uw relatie van ouder. En zoals u
genade hebt in alles en voor alles wat een ouder behoort te
zeggen en te doen, zo heeft Paulus genade om datgene wat een
apostel behoort te zeggen en te doen; en zoals God tegenover u
getrouw is en uw gelovige woorden en daden als ouder gepaard
doet gaan met Zijn kracht, zo is God getrouw tegenover Paulus en
doet diens gelovige woorden en daden als apostel gepaard gaan
met Zijn kracht. Hij zegt op de plaats waar God hem gesteld
heeft om te spreken, de woorden waarvan God wil dat zij
gesproken worden; en daarom weet hij dat hij niet als de lucht
staande is, maar dat zijn woord krachtdadig is.
Dat is dus de betekenis van dat
woord: “Hij heeft mij de genade geschonkenen…”.
Hij spreekt met gezag, en met de
kracht van God. Laat dit voor ons een reden zijn om te luisteren
en te verstaan! Want zijn woord was krachtdadig door God
destijds, toen hij het aan de Romeinen schreef; en als het
geschreven woord van een apostel blijft het gelden. God heeft
het bewaard doen blijven en het overgeleverd doen worden aan
ons. Moge Hij het dan ook geven dat het voor ons nu krachtdadig
mag zijn!
NEDERLANDSCHE STEMMEN OVER
GODSDIENST, STAAT-, GESCHIED- EN LETTERKUNDE
In de eerste helft van de
negentiende eeuw was bij een bovenlaag van de bevolking, de toen
werkende klasse had het te druk om de dagelijkse kost te
verdienen en bekommerde zich nauwelijks voor dit soort
vraagstukken, beroering ontstaan o.a. over de “afscheiding”,
waaruit de Gereformeerde Kerk(en) zijn voortgekomen en de
Reveilgroep. We komen op deze geschiedenis nog vele malen terug,
ook in verband met wat in Engeland voorgevallen is.
De tijdschriften op godsdienstig
gebied waren er velen. Slechts enkelen hebben betekenis gehad.
Zo ook het bovengenoemde blad.
Het stond (wisselend) onder
redactie van H.J. Koenen, Willem de Clercq, A..M.C. van Hall
(die in 1835 overleed) en Isaäc da Costa. Het verscheen van 1834
tot 1835 als weekblad en daarna als maandblad. Dat het Engelse
apostolische werk, waarvoor de apostel King-Church viermaal in
Nederland is geweest en tijdens zijn bezoeken ook gesprekken
heeft gehad met voornoemde Reveil-mannnen, hier geen voet kon
vatten, was waarschijnlijk ook te wijten aan de gebeurtenissen
op het “kerkelijk erf” in Nederland. Er waren al problemen
genoeg, aan nog een deelnemer in de vorm van het apostolische
werk, was vooralsnog geen behoefte. De “Nederlandsche Stemmen”,
zal als we het over ons land hebben, meermalen gebruikt worden.
Het tijdschrift publiceerde in
1834 een tweetal artikelen die betrekking hadden op de
gebeurtenissen op religeus gebied in Engeland, het land waar het
apostelambt weer werd ingevoerd en de kerk waarover hier
geschreven wordt.
De originele schrijfwijze is
aangehouden:
Historisch overzicht van de
studie der profetische schrift in Groot-Brittanie.
De Christelijke Kerk leert, naar
het Woord van God, in onze Heere Jezus Christus twee naturen
onderscheiden, de goddelijke en de menselijke; (de leer waarover
Edward Irving in Engeland zoveel problemen had gekregen) zij
leert ons ook van den Heere twee staten te kennen, eerst dien
van vernedering en lijden, daarna dien van verheerlijking en
heerschappij; eindelijk ook tweederlei verschijning op aarde,
eerst eene openbaring in het sterfelijk vleesch bij zijn eerste
komst, daarna eene openbaring in de verheerlijkte menschheid bij
zijne wederkomst. De eerste, van ’s Heiland geboorte tot zijne
opneming in heerlijkheid, noemt Paulus de groote verborgenheid
der Godzaligheid (1 Tim. III v. 15); de tweede, welke aanvangt
wanneer alle koningrijken der wereld Hem zullen onderworpen
worden, en daarnevens bevat de Openbaring van ’s Heeren toorn
over de oproerige volken, en den tijd der dooden om geoordeeld
te worden, en om het loon te geven aan zijne dienstknechten de
Propheten, en den Heiligen, en degenen die zijnen naam vreezen,
den kleinen en den grooten, en om te verderven degenen die de
aarde verdorven; deze tweede verschijning noemt Johannes in
zijne Openbaring de verborgenheid Gods, die vervuld wordt,
gelijk Hij zijnen Propheten heeft kond gedaan, (Opnb. X v.7.
verg. met Cap. XI. V. 18). De eerste bedeeling wordt genoemd de
dag der genade, de tweede de dag des oordeels; en in deze twee
verborgenheden is de omvang van alle de waarheden der goddelijke
Openbaring begrepen.
Wat de leer van Christus
wederkomst betreft, rondom welke zich alle de voorspellingen
der Prophetie rangschikken, of in welke zich als in een
middelpunt vereenigen; die wordt reeds in de Apostolische
Geloofsartikelen uitgedrukt met deze woorden: “Ik geloof in
Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, -- die wederkomen zal om
te oordeelen de levenden en de dooden.” Nader vindt men dit
artikel voorts ontwikkeld in de Niceesche Geloofsbelijdenis,
waarin deze woorden werden bijgevoegd: “En wiens Rijk geen
einde zal hebben.” Deze laatste woorden werden er bijgevoegd
tegen de dwaling der Gnostieken, die der persoonlijke
heerschappij des Heeren, zoo wel als zijn persoonlijk lijden en
sterven verwierpen. Daarom schreef reeds Justijn de Martelaar,
een dier Kerkvaders in de tweede Eeuw, die met de Discipelen der
Apostelen zelve had omgegaan (zijne bekeering tot het
Christendom had drie jaar na den dood van Apostel Johannes
plaats): “Ik en zoo vele Christenen als er in alles rechtzinnig
zijn, erkennen dat er eene opstanding des vleesches zijn zal en
een duizendjarig verblijf in Jeruzalem, dat weder opgebouwd,
versierd en vergroot zal worden, zoo als de Propheten, Ezechiël,
Jezaïas en de anderen getuigen.” – Zoo ook beleed Tertullianus
in de derde Eeuw zijn geloof aan het Koningrijk van Christus op
aarde, en aan de opstanding voor de duizend jaren, en een leven
en heerschen met Christus in het nieuwe Jeruzalem. Lactantius
die in ’t begin van de vierde Eeuw leefde, is zeer breedvoerig
over dit onderwerp, en zegt dat “wanneer Gods Zoon de
ongerechtigheid vernietigd, en de Rechtvaardigen die van den
beginne af geweest zijn, in het leven zal hersteld hebben, Hij
als dan duizend jaar onder de menschen zal verkeeren, en over
dezelven eene allerrechtvaardigste heerschappij uitoefenen, --
Dat is de leer der heilige Propheten, welke wij Christenen
volgen: dat is onze wijsheid!”
Dus dacht men in de eerste
Eeuwen der Christelijke Kerk. Doch deze leer van de wederkomst
en het Koningrijk van Christus, werd door twee onderscheidene
oorzaken in de Oostersche en Westersche Kerk verduisterd. Eerst
leidde daartoe in het algemeen de bestrijding des gezags van
Johannes Openbaring, waardoor natuurlijk derzelver
hoofdwaarheid, die men voor eene uitvinding van Cerinthus
uitgaf, moest worden verwaarloosd. In het oosten werd deze
verwaarloozing krachtdadig bevorderd door de Gnostische zucht
tot afgetrokkenheden, en valsche allegoriën; in het Westen
daarentegen door der aanmatigingen van Rome, hetwelk deszelfs
eigene tegenwoordige heerschappij verhief ten koste der
toekomstige heerschappij van den Heer. Doch dit heeft nimmer
kunnen weggenomen of verdonkerd worden, dat eene rij van de
rechtszinnigste Kerkvaderen der eerste Eeuwen, een Barnabas,
Justinus, Martyr, Irenaus, Tertullianus, Hippolytus, Methodius,
Lactantius en anderen de leer van Christus wederkomst en
persoonlijke heerschappij, die het middelpunt aller nog
toekomstige Prophetiën is, hebben voorgestaan en verdedigd.
De Kerken der Hervorming keerden
op den voorgang der van God hun toegezondene Geloofsgetuigen
terug tot de leer der rechtzinnige Kerkvaders van de eerste
eeuwen, en namen allen de Belijdenis van Nicea, onder hunne
Geloofsformulieren op; doch, ingesloten (om zoo te spreken)
tusschen de onheiligheid en dweeperijen der Wederdooperen aan de
eene zijde, en de vervolgingen en verdrukkingen der Roomsche
heerschappij aan den anderen kant, waren zij verplicht tot een
krachtig getuigenis tegen dezen en genen. Tegen beide vonden zij
het noodig, alleen de waarschuwende en dreigende zijde over te
stellen van het artikel der wederkomst van Christus, als
Wereldrichter, namelijk, om een iegelijk te vergelden naar zijn
doen, en tot verdelging van de Pauselijke Antichrist. Dat echter
die uitsluitende richting van het gezicht op het oordeel, in
dien tijd de leer van het Koningrijk zelve eenigermate
verduisterd of op den achtergrond gesteld heeft, hebben wij
vroeger in een opzettelijk opstel breeder aangewezen. In
Brittannië daarentegen, waar nog op den tijd van eenen Knox
dezelfde aanmerking mag worden toegepast, is sedert door de
voortreffelijkste Schriftuitleggers, de nadere ontwikkeling des
leere van Christus komst en Koningrijk uitgevoerd, en men mag
die uitwerking inderdaad als een pand beschouwen, aan die Kerk,
vooral in deze laatste tijden, van den Heere der Kerken
toebetrouwd geworden.
Ofschoon men dus uit het tot
hiertoe gezegde zien kan dat wij de leer aangaande de
persoonlijke wederkomst, en het heerlijk Rijk van den gezalfden
Koning Sions, als het eigenlijke hoofd- en middenpunt der
Prophetiën aanmerken, zijn wij echter voornemens een meer
algemeen overzicht der Prophetische studiën in Engeland hier
mede te deelen; immers niet een verschillend gevoelen, maar
volstrekte onverschilligheid omtrent de Prophetische Schriften
des Bijbels in een treurig teeken voor eene Kerk, en toont dat
zij door ongeloof en wereldschgezindheid doof geworden is voor
die stem des Heeren: Zalig is hij die leest en zijn zij die
hooren des woorden der Prophetie dezes Boeks, en die bewaren
hetgeen in dezelve geschreven is, want de tijd is nabij!
Het was vooral in Schotland, dat
gelijk wij van Knox gezegd hebben, de Prophetiën, vooral de
Openbaring van Johannes, als waarschuwingen tegen de
verleidingen der Roomsche Kerk door de Protestanten werd
gebruikt. In Engeland evenwel had hetzelfde plaats, en Koning
Jacobus de Eerste schreef in het begin der XVIIde eeuw nog een
werk, om te bewijzen, dat de Paus van Rome de voorzegde
Antichrist was. Eene geheel nieuwe ontwikkeling kreeg echter de
Prophetische studie door Joseph Mede, een Engelsch leeraar uit
Essex, die ook in het begin der XVIIe eeuw bloeide, en overleed
in het jaar 1638, het 52ste van zijnen ouderdom. Mede
wordt door vele hedendaagsche Prophetische Schriftverklaarders
der Vader der prophetische studie in Engeland genoemd. Hij
schreef over dit onderwerp verscheidene werken, alle in de
Latijnsche taal en wordt nog hedendaags vlijtig gebruikt.
(Clavis Apocalyptica – de Hebdomadikus Daniëlis – De Apostafia
ultimorum temporum – De Prophetia Petris etc., - Het
eerstgenoemde werk werd in 1833 te Londen vertaald, en
uitgegeven onder den titel: A translation of Mede’s Clavis
Apolyptica, door R. Brandby Cooper. Het is deze Dr. Mede wiens
uitleggingen meermalen voorkomen in de bekende Bijbelverklaring
der Engelsche Godsgeleerden, voor ruim honderd jaren in het N.D.
uitgegeven met eene Voorrede van Prof. Van den Houert).
Mede onderscheidde zich vooral door het
weder aannemen der denkbeelden der eerste Christenkerk, zoo als
die boven zijn voorgedragen, omtrent het koninklijk Rijk van
Christus, en vereenigde die met de leer van Christus wederkomst
om te oordeelen de levenden en de dooden, ongeveer gelijk wij
dit hebben gedaan in ons opstel in Deel 1, No. 14, dezer
Nederlandsche Stemmen. Het is bekend welk schrikkelijk misbruik
de heethoofdige Republikeinen na den Koningsmoord aan Karel I
gepleegd, van de leer aangaande Christus Koningrijk hebben
gemaakt. Het was bijna eene hernieuwing der Wederdoopsche
woelingen. Deze menschen die men Vijfde-monarchie drijvers
(Fifth-Monarchymen) moende, ijverden ten sterkste tegen de
regering van Cromwell, die zij oordeelden dat even zoo wel als
die der Stuarts voor de heerschappij van Koning Jezus moest
plaats maken. Zij maakten zich niet alleen daarin schuldig, dat
zij hunne vleeschelijke staatswoelingen aan hunne prophetische
verwachtingen verbonden, maar ook hierin, dat zij tot het
bereiken hunner bedoelingen de hand gaven aan eene menigte
Deïsten van dezelfde Ultrarepublikeinsche partij, die Cromwell
gewoon was heidenen te noemen
Niettegenstaande dit schreeuwend
misbruik der heerlijkste waarheden, vond één der grootste mannen
zijner eeuw, de beroemde J. Newton (vier jaar na Mede’s dood
geboren) zich genoopt eene veelzins merkwaardige verklaring van
Johannes Openbaring te geven, die zich vooral onderscheidde door
grootsche beschouwingen en een ruim gezichtspunt, waaruit hij
Johannes prophetisch Boek in verband met het Oude Verbond, met
de Mozaïsche Tempeldienst en de Voorzeggingen van Daniël
beschouwde. Ook hij beperkte de voorspellingen des Oude Verbonds
niet tot de tijden der eerste bedeeling, maar toonde dat zij
ruime uitzichten in de verste toekomst bevatten.
Voltaire, de oppervlakkige en
veelzins nietige Voltaire ontzag zich niet om met den grooten
man, naar zijne gewoonte, met een trait d’esprit te spotten: Le
grand Newton fit son Apocalypse.
Ook schijnt het waar, dat de
Natuurkenner op verscheidene punten der geloofsleer
aanmerkelijke dwalingen heeft gekoesterd; doch indien men ook
al uit dezen arbeid zijn geloofsleven niet kan opmaken, er kan
daar nog uit blijken, hoe zeer de groote man gevoelde, wat de
stemming zijns volks was in het vak der prophetische theologie.
De Bisschop, zijn naamsgenoot
(Thomas Newton), maakte, eene halve eeuw later, de opmerking,
dat het schrijven over de Openbaring, hoe moeilijk ook, gansch
niet als overtollig mocht beschouwd worden, wijl in den laatsten
tijd zich geen Godsgeleerde met dit boek had bezig gehouden, die
er niet eenig nieuw licht over verspreid had; deze opmerking was
vooral ook op den geleerden man zelven toepasselijk. Het werk
van dezen schrijver over de gewijde Voorzeggingen (dat naar den
derden Engelschen druk in het Nederduitsch onder dien titel werd
uitgegeven) opende een nieuw tijdperk voor de Verklaring der
profetische Schrift. Dit werk blijft, benevens dat van Mede, nog
steeds groote waarde behouden. Hij ontleende het ontwerp tot
zijn geschrift uit deze merkwaardige woorden van den Cancelier
en Christen-Wijsgeer Baco: “Zulk een werk, hetwelk de
Geschiedenis der Profetiën kond genoemd worden, het tweede deel
der kerkgeschiedenisssen uitmakende, en tot de Voorzeggingen en
derzelver vervulling behoorende, moest dus ingericht zijn, dat
iedere Voorzegging der H. Schrift gepaard ging met de
gebeurtenissen of uitkomsten, die dezelve door alle Eeuwen heen
der wereld bevestigden, tot des te vaster verzekering van ons
geloove, en ten verlichting van de kennis en bevordering der
ervarenis in het verklaren dergenen, die nog onvervuld zijn.
Terwijl men echter in dezen die ruimte en uitbreiding moest
toelaten, welke aan de goddelijke Voorzeggingen eigen en gemeen,
en tevens overenkomstig is met het Wezen van den hemelschen
Ingever zelve , bij wien een dag is als duizend jaren, en
duizend jaren als een dag; naardien dezelve niet in haar geheel
en volledig op een bepaalden tijd naauwkeurig vervuld worden,
maar ook trappen en graden der vervulling hebben, volgens welke
die vervulling ook fluksgewijze in onderscheiden Eeuwen der
wereld kan plaats hebben. Dan zoodanig Werk moest met de
grootste omzichtigheid, bescheidenheid en eerbiedigheid
behandeld, of anders liever geheel achterwege gelaten worden.”
Bisschop Newton behandelde in
dit werk zoowel de nog onvervulde als de bereids door
vervulling bevestigde voorspellingen. Hij ging, evenals Mede,
van het geloof der eerste Christenkerk omtrent Christus
heerschappij en Koningrijk uit, en verspreidde beide over Oud-
en Nieuwtestamentische voorzeggingen, vooral over die van
Daniël, een licht, waaraan vele hedendaagsche Profetische
Schriftverklaarders in Engeland het hunne ontstoken hebben. (in
het bijzonder zijn zijne beschouwingen over de letterlijke
bewaarheiding der reeds vervulde profetiën, vervolledigd door de
latere reisbeschrijvingen en getuigenissen zelfs van ongeloovige
schrijvers, opnieuw bewerkt door A. Keith: On the evidence of
the prophectes; een werk waarvan in den jare 1829 in Parijs eene
verkorte Fransche vertaling is uitgegeven)
Of de derde schrijver van
dienzelfden naam, de godvruchtige Godsman, dien wij in Nederland
het best als den auteur der voortreffelijke Gardiphonia kennen,
en wiens bekeering zulk eene luisterrijke openbaring was der
heerschapvoerende genade Gods, of deze Newton zich veel met de
profetiën heeft bezig gehouden, is ons niet bekend; maar dit
blijkt, dat zijn boezemvriend, de godvruchtige dichter Gowper,
een diep inzicht in dat gedeelte van Gods Woord had. Aandoenlijk
is zijne invocatie der verschijning van Jezus in heerlijkheid
welke wij hier als eene proeve van dat inzicht mededeelen:
Kom, groote Heiland, en voeg de
kroon der Aard
Tot al uw kroone toe! Gij zijt
haar eenig waard.
U werd zij toegezegd voor ’t
morgenrood der tijden,
En sints verwierft Gij haar door
offer-bloed en lijden;
(Dien prijs, zou eindloos hoog,
zoo godlijk van waardij!)
Uw heilgen roepen u als Koning
uit, o Gij,
Wiens titel in hun hart de pen
van eeuwge Liefde
Gedoopt in ’t grondloos meir der
heilgenade, griefde!
Uw heilgen roepen u als Koning
uit, o Heer,
En hunner haaren trots verheft
zich meer en meer,
Terwijl uw weerkomst toeft. Maar
zoo zij de ochtendstralen
Aanschouwden van dien Dag,. hoe
zou hun hoogheid dalen!
Hoe zouden ze in ’t gebergt
verschuilen op dien blik,
En ’t vallend rotsgevaart’
omhelzen, bleek van schrik.
In het begin dezer Eeuw legde
zich de Eerw. George Stanley Faber bijzonder toe op de studie
der profetiën. Deze ging van andere gronden dan Mede en Th.
Newton uit. Hij verklaarde het Koningrijk van Christus als wel
over, maar niet op aarde gevestigd, en legde de Openbaring
vooral uit in verband met een tijdperk van 1260 jaren, waarin
hij meende, dat de heerschappij van het Pausdom en Mahomedanisme
zou worden besloten (A dissertation on the prophecies to the
great period of 1260 years. 2 vols. Londen 1808, 1809). Hij
onderscheidde zich van zijne voorgangers vooral daardoor, dat
hij het Antichristelijk Frankrijk der Revolutie in zijne
verklaring van Daniëls en Johannes Voorspellingen opnam. Doch
zijne voornaamste verdiensten bestaan hierin, dat hij de
aandacht weder, en meer dan immer voorheen, op de toekomstige
lotsbestemming van het volk van Israël heeft gevestigd in eene
afzonderlijke daartoe ingerichte Verhandeling (On the
restoration of Israël and the overthrow of Antichrist, 1813).
Zijne veel later uitgegeven Sacred Calender of prophecy,
bevatten in het breede zijne gronden voor de onzichtbare natuur
van het Koningrijk des Heeren, en tegen ’s Heilands persoonlijke
verschijning en heerschappij op aarde. Dit werk is in het breede
wederlegd door den Heer W. Cuningham (1830).
Het was deze laatst genoemde
schrijver, die in het jaar 1815 een werk over de Openbaring van
Johannes uitgaf, in hetwelk de leer van de tweede persoonlijke
verschijning onzes Heeren bij den aanval van het millennium of
duizendjarig Koningrijk, en zijne heerschappij op aarde
gedurende die bedeeling, zeer ontwikkeld en krachtig werd
voorgedragen, en waarmede men mag, rekenen dat door deze studiën
een nieuw tijdperk geopend is. “In het volgend werk (dus schreef
Cuningham in de voorrede voor dit boek) zal de lezer veelvuldig
melding vinden van de tweede verschijning van onzen Heer. Ik ben
wel bewust, dat het hedendaagsch eene algemeen aangenomen zaak
is bij de Christelijke kerkleden en leeraars, om velen van die
plaatsen, welke ik op die groote gebeurtenis heb toegepast, in
een figuurlijken zin te verklaren. Doch ik heb het gevoelen van
die uitmundenste schrijver over de profetieën voor mij, terwijl
ik dezelve letterlijk opvat; en de overtuiging, die mij met
opzicht tot dit punt bezielt, is niet alleen het gevolg van een
langdurig en zeer gezet onderzoek der profetische schriften,
maar werd langzaam en als ondanks mij zelf door mij aangenomen,
tegenover vooroordeelen, die mij vroeger eigen waren. In de
voortdurende overmacht der tegengestelde beschouwing hebben wij
een blijk van dien geest des ongeloofs, welke onze Heere ons
verzekert, dat het tijdstip Zijner tweede komst zal kenteekenen:
Maar wanneer de Zone des menschen komt, zal Hij ook geloove op
aarde vinden? waardoor niet in het algemeen het geloof aan de
waarheden van het Evangelie bedoeld wordt, maar zeer bijzonder
aan de bijzondere toezeggingen die betrekking hebben op zijne
tweede komst.”
“Omtrent dit punt zal ik hier de
volgende aanhaling uit Kings “Aanmerkingen over de teekenen der
tijden” mededeelen (Remarks on te sign of the times, dit werk
verscheen in twee deelen in de jaren 1798, 1799 en bevat
belangrijke beschouwingen): “Aan den eenen kant wilden de Joden
de woorden der heilige Prophetieën betreffende ’s Heilands
eerste komst en zijnen staat van diepe vernedering en lijden,
niet aannemen noch gelooven, daar zij verblind waren door
schitterende verwachtingen van hetgeen gescbreven was omtrent
zijnen tweede komst, zijne verschijning in heerlijkheixd en aan
de andere zijde is thans de Christenwereld afkeerig van te
gelooven hetgeen wezentlijk in dezelfde woorden der heilige
profetieën geschreven is van zijne tweede komst op aarde in
heerlijkheid, daar zij verblind is door hare gewoonte van
gedurig met de Joden te twisten over de eerste komst, en door de
oneigenlijke verklaring die overheerschend is geworden, en door
welke hetgeen op de tweede slaat op de eerste wordt toegepast,
als leidende tot eenen ingebeelden voorspoed der Christelijke
Kerk op aarde, ofschoon deze ingebeelde voorspoed eene valsche
uitlegging van het Woord is, als zijnde in strijd tegen al de
waarschuwingen van onzen Heer zelf, en van alle zijne heilige
apostelen.”
Na de uitgave van Cuningham’s
werk werden verscheiden schrijvers van bekwaamheid opgewekt on
de nieuwe beschouwingswijze te proeven, en verder te ontwikkelen
of te bestrijden. De Eerw. L. Way behandelde dit onderwerp in
eene reeks van brieven, in een Engelsch tijdschrift omstreeks
het jaar 1819 geplaatst. In het jaar 1824 verscheen zijne
Palingenesia, of toekomende wereld; en vier jaar later gaf hij
onder den verdichten naam van Basilicus zeer belangrijke
Gedachten uit over de Schriftmatige verwachtingen der
Christelijke Kerk. Veel opmerkzaamheid verwekte ook in dien tijd
een werk van John Fry, over ’s Heeren tweede komst, dat
voortreffelijk zijn moet, doch hetwelk de schrijver van dit
artikel niet heeft onder het oog gehad (J..H. Fry: Combined view
of the prophecies, 1815. On the Structure of the Apocalyps,
1826. De Heer Cuninghame heeft er intusschen aanmerkingen tegen
uitgegeven. Frere vindt in de Openbaring van Johannes eene
Chronologische Geschiedenis der Kerk: eene beschouwing,
waartegen zich de Heer Cuningham onzes inziens met alle recht
verklaart.). Ook de werken van Frere werden veel gelezen; hij
schreef een afzonderlijk werkje over de orde en schikking der
Prophetieën in de Openbaring, dat later in het Fransch werd
vertaald. Twee Leerredenen van J.H.. Stewart over ’s Heeren
toekomst, gedaan in 1827, zijn in het Nederduitsch overgebracht,
uitgekomen.
Wij zijn thans gekomen tot een
van de alleropmerkelijkste werken over de nog onvervulde
profettieën des Bijbels, hetwelk wel niet in Engeland
vervaardigd, maar in het Engelsch is overgebracht geworden door
een der zonderlingste en merkwaardigste mannen van zijnen tijd,
die sedert de voornaamste strijder is geworden voor de leer van
Christus persoonlijke verschijning en duizendjarig Rijk; een
man, die ontzettend veel van zich heeft doen spreken, die
beurtelings hoog verheven en diep miskend is geworden; die
groote en schitterende inzichten in de goddelijke waarheid had,
maar van wien het tevens niet ontkend mag worden, dat hem groote
dwalingen hebben aangekleefd. Wij bedoelen het groote werk van
Ben Ezra, uit het Spaansch met eene inleidende Verhandeling in
het Engelsch overgebracht door Edward Irving.
Edward Irving, Leraar der
Schotse Kerk, sints 1813, was een man van zoo schitterende
begaalfdheden, dat de welsprekenste leden van het Parlement,
inzonderheid de beroemde Canning, gewoon waren hem, den
onvergelijkelijken Kanselredenaar, bij voorkeur te gaan hooren.
Maar juist dit aanzienlijke gehoor, hoe streelend het ook voor
’s mans eingenliefde moesten zijn, vervulde zijne ziel met diepe
droefheid, dikwijls hij zag op de wereldschgezindheid en
geestelijke doodigheid van zoo velen, die meer de pracht en
weelde der wereld, van die armoede van geest, aan welke het
Koningrijk is toegezegd, bij ervaring bleken te kennen. Terwijl
hij zich voorbreidde om op den eersten Kerstdag des jaar 1826,
die juist op een Zondag viel, zijne bij zulke gelegenheid
tallooze hoorders tegen de wereldsche verstrooijengen van het
wintersaizoen te waarschuwen, viel zijn aandacht op de woorden
van Paulus: “Maar gij, Broeders, gij zijt niet in duisternis,
dat u die dag als een dief zoude bevangen. Gij zijt allen
kinderen des lichts en kinderen des daags: wij zijn niet des
nachts nog der duisternisse: zo laat ons dan niet slapen gelijk
als de andere, maar laat ons waken en nuchteren zijn, want die
slapen slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts
dronken.” De spreker, bevindende dat hij na het beginnen van
zijne rede met eene verklaring het hetgeen in het verband vooraf
gaat, reeds te ver was gekomen in dat onderwerp dat hen zoo na
ter harte ging (hij had de overtuiging omtrent de naderende
toekomst des Heeren reeds eenige maanden lang in zijnen boezem
opgedragen), om het op eene te kunnen laten varen, zoo
beschouwde hij dit als eene opwekking van Godswege, meende niet
langer te mogen achterlaten om den geheelen raad Gods te
verkondigen, en trad dus dienzelfden dag, eigenlijk bestemd voor
de herdenking der eerste komst des Heeren, met veel kracht van
rede en belooning des Geestes, in het gewichtig onderwerp van
Zijne toekomst, in heerlijkheid en majesteit. Het was (schreef
hij zelf een jaar later
“het was voor volle twaalf
maanden een gedenkwaardige dag in de geschiedenis van mijn
Leeraarsambt, voor welken niet alleen ik, maar ook zoo vele
zielen, die thans in de hoop uwer verschijning wandelen, de
grootste reden hebben U, o aanbiddelijk Hoofd uwer Kerk, te
danken en te zegenen!”
“De heer (dus vervolgt hij) die
ik toen staande hield, was: dat de komste des Heeren ten
voordeele, van den tijd van Enoch af, die eersten van Gods Geest
gedrevenen Leeraar, tot op den tijd van Joannes, dan laatsten
derzelven, de uitverkorene Kerk Gods was voorgesteld geweest,
als het grootste voorwerp van hun geloof en hope; en wel wegens
deze drie gewichtige redenen: vooreerst, wijl alsdan het getal
der uitverkorenen vervuld is; ten tweede, wijl dan tevens hun
strijd is voleindigd; ten derde, wijl hun Koningrijk alsdan zal
gekomen zijn; terwijl aan de andere zijde diezelfde leer den
ongeloovigen en verworpenen als het grootste voorwerp van vrees
en de sterkste aandrang tot bekeering wordt voorgesteld, wijl
alsdan, vooreerst hun Koningrijk ten einde, ten andere de dag
der genade gesloten, en een derde hun oordeel (d.i. het oordeel
over de levenden) is vervuld, en het lot van al hunne geslachten
verzegeld tot op het oordeel over de dooden, hetwelk niet zal
plaats grijpen dan na de regering der uitverkorenen en heiligen,
in den Bijbel genoemd de duizend jaren, en onder de
Godsgeleerden het Millennium.”
Eenige tijd daarna kwam Irving
op eene schijnbaar allertoevalligste wijze, maar blijkbaar onder
Goddelijke beschikking, in het bezit van een Spaansch werk,
getiteld: La venida del Mesias en Gloria y Majestad (de toekomst
van den Messias in majesteit en gloria), uitgegeven in Spanje
gedurende de korte tijdruimte van het bestuur der Cortes (in
1812), onder den verdichten naam van Ben Ezra. Het bleek
naderhand geschreven te zijn door zekeren Emanuel Lacunza,
geboren te St. Jago in Chili in 1731, en aldaar Prediker des
Jezuiten-orde tot op de verdrijving der orde uit die streken,
als wanneer hij de wijk nam naar Italië, alwaar hij in 1801,
zijne dagen te Imola ambteloos en in de afzondering eindigde.
Nauwelijks was het bestuur der Cortes ontbonden en de vroeger
orde van zaken hersteld, of dit boek werd met vele anderen
onderdrukt, en zoo veel mogelijk buiten omloop gebracht. Het was
intusschen reeds in Frankrijk hier en daar bekend geworden, en
werd door een R.C. kerkelijke in 1822 of 1823 aan een Engelsch
Kerkleeraar overgezonden, van wien Irving het door eene tweede
of derde hand ontving. Dit werk kwam op zulk eene opmerkelijke
wijze overeen met zijne aanvankelijke prediking van de toekomst
des Heeren, en bevatte nog daarenboven zoo vele heldere en
diepgaande ontwikkelingen van die leer, dat hij aanstonds
besloot het in de Engelsche taal over te brengen. Hij deed dit,
met bijvoeging van eene uitgewerkte, en zeer schoone inleidende
Verhandeling voor hetzelve; en dit werk is een van de
uitvoerigste, diepst doordachte, en volledigst ontwikkelde
geschriften, die over dat onderwerp geschreven zijn.
Na de genoemde inleiding des
vertalers voor dit uitmuntende werk, in welke de verhouding van
het leerstuk van de toekomst van den Zoon des Menschen tot al de
overige waarheden des goddelijken Woords in een helder licht
wordt geplaatst, verdeelt zich het werk zelve van den Spaanschen
Godsgeleerde in drie afdeelingen. De eerste handelt van de
eigenlijke verklaring des Heilige Schrift in het algemeen, en de
leer der Kerkvaders en Conciliën over het behandelde onderwerp
in het bijzonder. Hier wordt het meer algemeen aangenomene
gevoelen op de voldoendste gronden wederlegd, en de leer der
oorspronkelijke Christenkerk niet alleen in het licht gesteld,
maar ook gehandhaaft, als van welke de kerk en hare groote
leeraars en vergaderingen nooit werkelijk afgevallen, maar
alleen de meeningen van sommige bijzondere schrijvers eenen tijd
lang afgeweken zijn. De tweede afdeeling behandelt de komst des
Heeren in majesteit en glorie, als voorbereid en voorspeld in
tien onderscheiden gebeurtenissen: de opvolging der Rijken bij
Daniël, in den droom van gouden beeld; het profetisch gezicht
van denzelfden Profeet omtrent de vier dieren; de verschijning
van den Antichrist; de verdelging van deszelfs Rijk; de
herstelling van Israël; de verwerping der Christenkerk uit de
Heidenen; de verlossing der gebondenen onder de heerschappij van
Babylon; de vrouw bekleed met de zon; de oprichting van de
Tabernakel Davids; en de verheffing van den Berg Sion ten hoofd
boven alle de bergen. De derde afdeeling bevat de heerlijke
toekomst zelve en het Koningrijk van Christus, en zijnen grooten
gerichtsdag; voorts de vervulling der voorzeggingen omtrent den
nieuwen hemel en de nieuwen aarde, omtrent het nieuwe Jeruzalem,
en de luisterrijke bruilofs des Lams, benevens hetgeen vooral
volgens Joannes Openbaring op dit tijdperk van heerlijkheid en
majesteit staat te volgen.
Twee hoofdpunten maken, benevens
verscheiden anderen van minder aanbelang, den grond en sleutel
van het stelsel van Ben Ezra uit: het eerste, dat Jezus
Christus, in zijn heerlijken staat van majesteit en glorie, die
ons in de heilige boeken worden beschreven, op onzen aardbol
staat te verschijnen, niet alleen om hier het groote eindvonnis
uit te spreken, over al de nakomelingen van Adam, maar tevens
ook, alvorens nog de tijd van het eindoordeel daar is, om over
de wereld te regeren, en van al de volkeren der aarde als Koning
te worden erkend,- dat alsdan onze wereld een tijdperk van zegen
zal ervaren, waarin al hare redelijke inwoners Jezus Christus,
den Zoon des levenden Gods, en den Vader, die Hem tot onze
zaligheid in de wereld zond, zullen erkennen en aanbidden, en al
de waarheden en voorrechten onzer gezegende godsdienst erkennen
en waarderen. – Het tweede punt is: dat met den aanvang van dit
gelukzalige tijdvak, de Joden, die wij nog steeds door eene
wonderlijke Voorzienigheid Gods daartoe bewaard zien, hoezeer
ook verstrooid en verdrukt onder de Volkeren, zich zullen
bekeeren tot Jezus Christus, en Hem als hunnen Messias erkennen,
in hun land wederkeeren, op nieuw het Volk Gods bij
uitnemendheid worden, en Hem in geest en in waarheid aanbidden,
tot zegen en zaligheid voor hen zelve en voor alle de Volkeren
(Rom. 11).
In het vorige jaar (voor dat,
waarin het werk van Lacunza in het openbaar verscheen) had
Irving reeds een geschrift uitgegeven, onder den titel: Babel en
het Ongeloof voozegd, in hetwelk mede de volle ontwikkeling van
Ongeloof en Bijgeloof, en de uiteindelijke vereeniging van
beide, met veel klaarheid en kracht werd voorgesteld als de
vervulling der hoofdvoorspellingen van Daniël en der Openbaring,
tot welker uitlegging dit werk bijzonder bestemd was (Babylon
and Infidelity, Glasgow 1826, 2 vols.). Hij wilde die uitlegging
meer volledig maken door de nadere behandeling der Profetiën van
Daniël, en gaf daarop in 1829 uit: eene reeks van redevoeringen
over Daniëls gezicht van de vier dieren, of kerk en Staat
verantwoordelijk aan elkander, en beide verantwoordelijk aan
Christus; hetgeen wat de Profetiën van Daniël aangaat, zich
hoofdzakelijk aan de denkbeelden van den Bisschop Newton houdt,
en die nog nader ontwikkeld, voortzet en toepast op onze dagen,
en de Europeïsche heerschappij van Frankrijk in de XIXde Eeuw;
en tevens de bedoeling had om aan te wijzen, dat Engeland,
indien het zich door de emancipatie der R. Catholieken van de
Hervormde Belijdenis als belijdenis van den Staat afscheurde,
zich zou rijp maken door deze daad van afval voor eene volkomene
verwerping van Godswege. In dit werk verdient alle aandacht een
bij wijze van inleiding voorafgaande Brief aan mijne Eerwaarde
Vaders en Broeders, de geordende Leeraars der Schotse Kerk, in
welken bij zijne getrouwheid aan de leer en orde dier Kerk in
het breede verdedigt en handhaaft. Het is ons belangrijk
voorgekomen, om van dien brief hetgeen den geest des werks meest
karakterizeert, en Irvings gevoelens het duidelijkst doet
kennen, hier bij wijze van uittreksels mede te deelen. Hij vangt
aan met de volgende woorden:
“Eerwaarde en welbeminde Vaders
en Broeders, de vrede Gods zij met u en met uwe gemeenten: de
zegen van het aanbiddelijke Hoofd der Kerk beware u van alle
ketterij en scheuring, en de Heilige Geest schenke u een
overvloedigen oogst op uwe bediening!
Ik, die uw broeder ben in de
herderszorge der gedoopte kinderen van de Schotsche Kerk,
terwijl ik dit werk uitgeve over de verantwoordelijkheid van
Kerk en Staat aan elkanderen, en van beide aan God, zoo weet ik
niemand uit te denken, wien ik het zoo eigenaardig zou kunnen
opdragen, dan aan Ulieden, de Hoofden der Schotsche Kerk, de
geordende Dienaren in het Koningrijk van Schotland. Ontvangt, ik
bidde U, ontvangt de aangebodene vrucht mijner overdenkingen en
werkzaamheden, hoe onwaardig ook, beschouw in betrekking tot
groote onderwerp dat mij bezig hield, als den tol mijner
dankbaarheid aan de Kerk van Schotland, en een pand mijner
getrouwheid aan de goede zaak waaraan onze Vaders gearbeid
hebben, terwijl velen hunner hun getuigenis bezegeld hebben met
hun bloed - - -
Mij blijft nu alleen nog overig,
Geliefde Broederen in den Heere, U te verzekeren, dat ik, in al
hetgeen ik hier of elders heb geschreven omtrent de komst en het
Koningrijk van den Zone des Menschen, niet heb gesproken tegen
eenig artikel der kerkleer, maar alleenlijk, gelijk een Leeraar
altoos behoorde te doen, heb geopend hetgeen in zulk een Artikel
meer of min ontwikkeld begrepen is. Ik heb de leer van eene
persoonlijke toekomst, die bij al de Kerkvaderen werd geloofd,
staande gehouden tegen de leer van eene geestelijke komst, die
thans in de kerk is ingedrongen. Ik heb de leer gehandhaafd van
Christus komst om den Antichrist te verdelgen, welke in al onze
geloofsbelijdenissen wordt geleerd, tegen de leer, die thans
zich in de kerk is ingedringt, van de bekeering van den
Antichrist door de prediking des Woords. Ik heb de leer
gehandhaafd van Christus komst om te oordeelen de levenden en de
dooden tegen de leer, die zich thans indringt in de kerk, dat
Christus alleenlijk komen zal om de dooden te oordeelen. Wat
aangaat den dag des oordeels of den laatsten dag, omtrent welke
during niets in onze geloofsformulieren bepaald is, van deze,
zeker! heb ik zoowel in dit meer bijzonder als in andere werken
geleerd, dat die niet een dag van twaalf uren is, maar en dag
van duizend jaar, waarvan in het XXste Capittel der Openbaring
van Joannes melding is, en waarop de XCste Psalm zinspeelt, die
ook vermeld wordt in het VIde Capittel van Joannes, in het IIIde
van den tweeden Brief van Petrus, en inderdaad overal in de
Schriftuur, als de dag der eerste opstanding, als de dag van het
oordeel over de levenden; als de dag van de verdelging des
Antichrists: welke aanvangende in den morgenstond der eerste
Opstanding, eindigt in het oordeel over de dooden. Oordeelt gij
zelve, Eerwaarde Vaders en Broeders, of ik hierin mij vergrijp
tegen de formulieren van eenigheid onzer Kerk, welke ik
daarentegen verklaar in hun waren letterlijken zin, en welke
velen, die zich tegen deze verklaringen aankanten, tot
geestelijke en beeldsprakige beduidenisten verflaauwen, die niet
alleen met den letter niet overeen komen, maar zelfs de
bedoeling verijdelen. Een ding doe ik: namelijk ik verklaar den
dag des oordeels van een tijdperk des oordeels, beginnende van
het oordeel over de levenden, en eindigende in het oordeel over
de dooden. Even als de tegen van hen tegenwoordige bedeeling van
Evangelies door den Profeet Jezaias in den Apostel Paulus de dag
der genade, de dag der zaligheid genoemd wordt, zoo geloof ik,
dat het gezegende tijdperk, dat wij voor de Aarde verwachten,
datgene is, wat in de Schrift de dag des oordeels, de dag des
gerechtigheid genoemd wordt, in welken, en niet na denzelven, in
de belijdenissen van al onze Kerken verklaard wordt, dat
Christus wederkomen zal, op aarde, om te oordeelen de levenden
en de dooden.
Verdraagt mij geduldig,
Eerwaarde vaders en broeders, terwijl ik alzoo voor uwe ooren de
allerrechtzinnigste leer onzer Kerk uitleg en rechtvaardig,
welke ik zoowel in dit als in al mijne overige geschriften ,
handhave: want ik ben niet onbewust van mijne menigvuldige
vijanden, die U onwaarachtige berichten overbrengen van de leer
uws getrouwen Mede-herders; wier kwaadwilligheid ik beweene,
maar tevens moet beletten om uwe broederlijke liefde en goed
gevoelen van iemand, die altijd oprecht en getrouw aan de
Schotse Kerk verbonden geweest is, te verhinderen. Ik weet
vooraf, dat degenen, die in Christus Jezus gelooven vervolgingen
zullen moeten ondergaan. De wet laat zulk eene vervolging niet
toe die van goed en bloed zou berooven; maar zij kan de
vervolging door laster en valschheid niet voorkomen; en terwijl
ik in mijn post verdedig tegen dwaalgeesten en scheurgezinden,
beide in Kerk en Staat, zoo verwacht en begeer ik niet van hen
gespaard te worden; maar gaarne zou ik, indien het met Gods wil
bestaanbaar is, aan de gemeenschap uwer liefde, uwer hoogachting
en gebeden blijven deel hebben. Daarom bid ik U alle lasterlijke
berichten te verwerpen, en mij te beschouwen zoo als ik mij in
mijne uitgegevene werken doe kennen. Meent niet, veel geliefde
Broederen! dat ik deze dingen tot verdediging mijns zelfs gezegd
hebbe; want ik ben mij van geen ding bewust; of ook om enige
kwade bejegening van uwentwege te voorkomen; want de liefde hoop
alle dingen, en christelijke moed braveert alle dingen; maar ik
beken, dat zij gezegd zijn in den wensch van mijn goeden naam te
bewaren, niet alleen als Kerkleeraar, maar als Christen, bij
dezulken, die ik bemin en eer als mijne Broeders en Vaders in de
Kerk des Heeren.”
Later is Irving nog begonnen
eene zeer volledige en alleruitvoerigste uitlegging der
Openbaring van Joannes uit te geven, welke echter door zijn
afsterven in den loop des verleden jaars is afgebroken
geworden.- Het is hier de plaats niet, en wij achten ons ook op
dit punt niet genoegzaam ingelicht om den twist te beslissen,
die Irving met zijne ambtsgenooten Arthur Thompson en John
Haldane over ’s Heilands menschelijke natuur heeft gevoerd, en
zijne op dien grond, en ten gevolge van andere zonderlinge
denkbeelden, die hij in zijne Kerk verwezelijken wilde, in Maart
1833 gevolgde afzetting. Zeker is het, dat de uitsluitende
beschouwing van ’s Heilands aanstaande heerlijkheid en
heerschappij, hem de kracht van het Godverzoenend kruislijden
wel eens heeft doen voorbij zien; en in dit opzicht vooral
moeten wij hier even tegen Irvings afdwalingen waarschuwen, als
op de hooge waarheden, door hem tevens verdedigd en ontwikkeld,
opmerkzaam maken. De vermelding van beiden behoort gelijkelijk
tot ons overzicht alhier. – Irving meende, dat zijne prediking
van ’s Heeren toekomst bevestigd werd door verschijnselen, die
men algemeen voor geestdrijverij verklaarde, en die hij voor
eene vernieuwing der buitengewone Geestesgaven der eerste
Christengemeenten aanzag; en hij stichtte op dien grond eene
afzonderlijke Kerk, geheel ingericht naar de wijze der
Apostolische gemeenten. Hier werden, gaf men dus voor, vreemde
talen gesproken, profetiën gedaan, wonderbare genezingen door
gebed en geloof bewerkt. Wij voor ons achten wel zulke
buitengewone geestelijke gaven voor geenzins volstrekt
onmogelijk in onze dagen (in de Schrift worden zij nergen tot de
tijden der Apostelen beperkt), wij verwachten veel meer zulke
waarachtige, maar ook daartegenover leugenwonderen en teekenen.
In de dagen, die de toekomst des Heeren onmiddellijk moete
voorafgaan (2 Thess. II, v.9): maar ook juist deze tweeërlei
natuur van de teekenen en wonderen die de Kerk van Christus te
gemoet ziet, maakt het dubbel noodzakelijk om te waken en te
bidden, en de geesten te beproeven of ze uit God zijn (Joh. V,
v. 1). Wat ook intusschen tegen Irving als sectehoofd moge in te
brengen zijn, zelfs de zulken, die anders geenszins met zijne
gevoelens op hadden, hebben aan de oprechtheid van zijn geloof
en ijver nimmer getwijfeld. Hij is te Glasgow ontslapen in Maart
1835.
Gelukkig dan ook hebben de
zonderlinge afdwalingen, waarin vele zoogenaamde Irvingiten
vervielen, de eenmaal ontwaakte profetische studie in Engeland
niet onderdrukt. Ook velen dergenen, die deze dolingen het
stelligste als listige omleidingen des Satans hebben
gebrandmerkt, hebben niet geaarzeld vele schoone, ja
schitterende inzichten van Irving in de profetische Schriften,
te erkennen, en althans zelve voort te gaan met het onderzoek
van dst profetische woord, dat naar de uitspraak des Apostels
zeer vast is, en dus in zich zelve tot geen zonde of dwaling,
neen, maar integendeel, tot een
heiligen en behoedzamen wandel
leidt. Wij hebben van de uitmuntende Leerredenen van den Eerw.
Mac Neil reeds in een vorig deel besproken. Men heeft thans over
deze aangelegene stoffe ook afzonderlijke tijdschriften en
handboeken bij onze naburen: tot de eerste daar behooren b.v.
The Morning Watch (in den geest van Irving): the Dublin
Christian Herald die met 1855 heeft opgehouden te bestaan) en
the Investigator (1832-1835); van de laatste soort noemen wij
hier alleen de zeer nuttige werkjes van J.A. Begg en
Bickerfleth; deze laatste dezelfde, die ook hier te lande door
zijne Handleiding tot het gebruik des Bijbels, bekend is, en
sedert eenige tijd zich bijzonder op het stuk der nog onvervulde
profetiën heeft toegelegd.
Wanneer men nu de geschiedenis
der studie van de profetische Schriften, vooral in Engeland,
aldus overziet, dan komt het ons voor, dat daardoor de
overtuiging niet weinig versterkt voor, dat, welke verschillen
er ook nog tusschen de uitleggers dezer gedeelten van God Woord
mogen gevonden worden, dessniettemin een gelovig een naauwgezet
onderzoek meer en meer de aandacht op de persoonlijke toekomst
des Heeren in majesteit en heerlijkheid gevestigd, en de leer
bevestigd heeft, die de oorspronkelijke rechtgevoelende
Christenkerk zich vormde van den staat van verhoging, van de
tweede verschijning, en het Koningrijk van onzen grooten God en
Zaligmaker Jezus Christus, te gelijk met die verwachtingen
omtrent Gods oud en uitverkoren Volk en erfdeel, welke de
waarheid in het helderste en ondubbelzinnigste licht stellen:
dat de genadegifte en de roeping Gods onberouwelijk zijn. Het is
bovendien een kennelijk, een hoogst opmerkelijk teeken des
tijds, dat al meer en meer bij de tegenwoordige woelingen des
volkeren en de schuddinge der vergankelijke dingen, der stroomen
en machten, der heerschappijen en heerlijkheden onder de
menschen, het oog van vele geloovigen onder allerlei volken en
kerkbenamingen, wordt gericht naar die eeuwige heerschappij, die
niet vergaan zal; naar dat Koningrijk, dat niet zal verdorven
worden (Dan. VII v. 14); maar dat heerlijke te vaak miskende
woord des Heeren: Zalig is hij die leest, en zijn zij, die
hooren de waarden dezer profetie, en die bewaren hetgene in
dezelve geschreven is, want de tijd is nabij (Openb. 1:3).
CHRONOLOGIE APOSTOLISCHE
GESCHIEDENIS TOT 1833
Voor deze chronologische
beschrijving werd, voor wat het Katholiek-apostolische gedeelte
betreft, gebruik gemaakt van Karl Born: Das Werk des Herrn unter
Aposteln, Bremen 1974.
Born werd geboren in 1897. Toen
hij zijn chronologie samenstelde woonde hij sinds enige jaren
als gepensioneerd ambtenaar in Bremen. Zijn ouders waren, naast
hun lidmaatschap van de Evangelische Kerk, lid van een
Katholiek-apostolishe gemeente en hadden in 1842 de heilige
Verzegeling ontvangen.
Dit dubbellidmaatschap heeft ook
Born gehad. Naast lid van de plaatselijke Evangelische Kerk was
hij, afhankelijk van woon- en werkplaats, in acht verschillende
Katholiek-apostolische gemeenten.
Hij was zes jaar lid van de
Evangelische Landessynode en twaalf jaar bestuurslid van een
Evang.-Luth. kerkgemeente.
1698/99 De Engelse Jane Leade
(1623-1704) schrijft boeken dat God vanuit Engeland een werk wil
oprichten om Zijn gehele kerk te redden. Hij wil de gaven des
Geestes weer verwekken en opnieuw apostelen zenden om door hen
de kerk te reinigen, de juiste godsdienstuitoefening en de
oorspronkelijke bedieningen van het lichaam Christi te
herstellen en om door handoplegging der apostelen de gaven van
de heilige Geest uit te delen.
ca. 1700 Isaac Newton
(1642-1727), een Engelse fysicus, wiskundige en astronoom, een
groot filosoof en een ijverige onderzoeker van de profetische
uitingen, schrijft, dat met het naderen van het einde der
tijden een schare mensen verwekt zal worden die naar de
profetische uitingen zullen luisteren en zich voor de
letterlijke uitvoering daarvan, ondanks vele protesten en
tegenwerking, zullen inzetten.
1742 Johann Albrecht Bengel
(1687-1752), theoloog en kerkbestuurder in Stuttgart, geeft als
zijn overtuiging dat in 1836 het Duizendjarig Rijk zal beginnen
of dat in de kerk een wezenlijke verandering zal plaatsvinden.
ca. 1770 De Jesuïtenpater
Emanuel Lacunza (1731-1801) schrijft in Italië in de latijnse
taal, onder het pseudonym "Juan Josafat Ben-Ezra" een boek met
als titel "La Venida del Mesias en Gloria y Majestad". Het boek
blijft 21 jaar lang verborgen in een Karmelitenklooster. Eind
1812 werd het eindelijk in Spanje gedrukt maar prompt door de
kerkelijke inquisitie verboden. De vierdelige uitgave beland in
1816 in Londen en werd door Edward Irving vertaald in 1827. De
titel is "Het komen van de Messias in heerlijkheid en
majesteit".
14 juli 1789 Begin van de Franse
revolutie met de bestorming van de Bastille (Staatsgevangenis
voor politieke gevangenen) in Parijs. Deze dag wordt de Franse
nationale feestdag.
10 maart 1793 Instelling van een
revolutionair tribunaal in Frankrijk en de invoering van een
nieuwe kalender en afschaffing van het christelijke geloof.
Hiervoor in de plaats komen andere "godheden". "Deze revolutie
was het eerste optreden van het antichristelijke wezen, eerst
alleen in Frankrijk. Ze toonden de hele christelijke wereld
hoe verschrikkelijk het einde zal zijn dat te wachten staat.
Het was een waardige vertoning van de macht der
afgrond"..
1804 Oprichting van de Britse
en Buitenlandse Bijbelgenootschap in Londen en daarna de
oprichting van verschillende bijbelgenootschappen op het
vasteland.
ca. 1805 Heinrich Jung-Stilling,
schrijver en arts, professor in de economie (overl. 1817)
schrijft in zijn werk "Graauwe man", dat het nu het elfde uur
is, waarin de Heer de laatste arbeiders in Zijn wijngaard zend.
Hij schreef verder dat de grote Franse revolutie van 1789 het
begin van het einde van de christelijke genade huishouding zou
zijn.
2 dec. 1813 Na de
Napoleontische periode keert Willem I terug naar Nederland en
is m.i.v. deze datum "souverein vorst" van het Koninkrijk der
Nederlanden.
1817 Oprichting van het
Continental Evangelisation Society, voor de verbreiding van het
ware christendom. Eén van de medewerkers werd Henry Drummond.
1820 Dr. John Bayford, later een
deelnemer aan de Albury-conferencies en één der zeven Profeten,
publiceerd in een theologisch tijdschrift in Londen een werk
van 347 blz. met als titel "Het Koninkrijk van de Messias en het
tweede komen".
James Haldane Stewart
(1776-1854) geestelijke in de Anglikaanse kerk, geeft een
traktaat uit met als titel "Hints for a general unison for
prayer for the outpouring of the Holy Spirit" dat in vier jaar
tijd een oplage bereikt van 322.000 exemplaren.
14 juli 1822 Edward Irving,
geboren 4.8.1792 te Annan, sinds 1819 assistent van de beroemde
Schotse prediker Dr. Thomas Chalmers (1780-1847) aanvaard het
ambt van predikant voor de Londense gemeente van de Schotse
Presbyteriaanse nationale kerk, de Caledonische kerk. Zijn
aanstelling begint op 16.10.1822. Een jaar later trouwt hij.
19 mei 1823 De Caledonische
kerk besluit in een vergadering, onder voorzitterschap van
Irving, om in Londen een nieuwe en grotere kerk te bouwen. Deze
kerk was vernoemd naar een deel van Schotland (ten Noorden van
de rivier de Clyde). De Caledonii (of Caledonian) was in de
eerste eeuwen na onze jaartelling een volk in Schotland. Ze
zijn vooral bekend geworden door hun felle verzet tegen de
militaire expedities van de Romeinen.
1 juli 1824 Legging van de
eerste steen voor de kerk op Regent Square door een
afgevaardigde van de hertog van Clarence, in aanwezigheid van
de historicus Thomas Carlyle. De kerk wordt op 13 mei 1827 in
gebruik genomen met een preek van Dr. Thomas Chalmers.
Kerstmis 1825 Irving predikt
voor het eerst en in het openbaar, onder verwijzing naar Thess.
5:1-3, over "Het tweede komen van de Heer als hoop der kerk".
28 mei 1826 Op uitnodiging van
Lewis Way, een bekende Engelse geestelijke, komen op 1 juni 1826
in Londen in zijn huis, zeven mannen samen om de profetische
geschriften te bestuderen. Deze bijeenkomsten vormden de
inleiding voor de Albury-conferencies.
28 nov. 1826 Eerste samenkomst
van wat zou uitgroeien tot de Albury-conferencies. Deze eerste
bijeenkomst duurde tot 8 december 1826 in Albury Park, het
landgoed van de bankier Henry Drummond.
1827 John M. Campbell, een
jonge Schotse predikant vol ijver en vuur, uit Row, wordt het
werktuig waarvan de Heer zich bediende, en daardoor de
wegbereider voor de grote geestelijke opwekking die in het
westen van Schotland zouden plaatsvinden. In maart 1830 wordt
hij uit zijn ambt gezet en gaat de samenkomsten leiden van de
kring rond de MacDonalds. Na de opheffing van deze gemeente
verdwijnt Campbell uit het zicht.
1827/1829 Uitgave van de
conferentie-verslagen met als titel "Dialogues on Prophesie". De
redaktie is in handen van Henry Drummond. Van de laatste, de
vijfde, conferentie gehouden in juli 1830, is geen verslag
verschenen.
Febr./juli In de
Rooms-katholieke gemeente in Karlshuld in het Donau-1828 moeras
in Zuidduitsland, waarvan de geestelijke verzorger de priester
Johann Evangelist Georg Lutz (1801-1882) was, vinden profetieën,
gezichten en dromen als geestelijke gaven plaats. Deze gaven
worden door de kerkelijke overheid verboden en Lutz
gehoorzaamt. Pas in 1842 ontvangt Lutz bericht over de
gebeurtenissen in Engeland van de evangelist Caird.
vanaf 1 maart 1829 Uitgave van
het kwartaalblad "The Morning Watch" door John Owen Tudor, de
latere apostel voor Polen.Het is een theologisch-profetisch blad
waarin schrijven: naast Tudor, Edward Irving, W.R. Caird, A.
Scott, David Dow, Nicolas Armstrong, Robert Baxter en vele
andere deelnemers aan de Albury-conferencies.
Mei 1829 Irving reist naar
Schotland en verkondigd in vele steden tijdens grote
bijeenkomsten de noodzaak van voorbereiding der kerk op de
wederkomst van Jezus. In Annan spreekt hij voor 10.000 en in
Edinburgh voor 13.000 toehoorders.
21 mrt. 1830 Eerste uiting van
de geestesgaven in Schotland door Mary Campbell, Fernicarry bij
Port Glasgow. Op 14 april 1830 werd zij bevrijd van een
ongeneselijke ziekte. Een jaar later trouwde zij met William
Renny Caird uit Edinburgh die naar Fernicarry was gekomen om de
voorvallen te onderzoeken. Hij werd later co-adjutor van de
apostelen. Meestal begeleidde Mary haar man op zijn
evangelisatie-reizen. Op 33 jarige leeftijd overleed Mary
Caird-Campbell op 10 december 1839 in Straatsburg (Frankrijk)
waar ze ook begraven ligt. De evangelisten Caird en Böhm werden
beide rondom Pinksteren 1860 als apostel geroepen door de
profeet Geyer. Deze roeping is echter nooit door de Engelse
apostelen erkend. De inzetting van co-adjutoren was daarvan wel
een uitvloeisel, echter nogal gekunsteld.
Begin apr. 1830 De
tweelingbroers James en George MacDonald (geb.11.12.1800)
ontvingen beide de gave der profetie en gezondmaking. Ze
belegden gebedsbijeenkomsten. Omdat echter de geordende ambten
ontbraken verviel hun "gemeente" spoedig in menselijke
opvattingen en dwalingen. Opheffing volgde. De broers
overleden op 2.2. en 14.9.1835 zonder aan het apostolische werk
te hebben deelgenomen.
6 apr. 1830 Na het "vinden" van
het boek "Mormon" sticht Joseph Smith in Fayette (New York) de
"Kerk van Jezus Christus van de heiligen der laatste dagen"
(Mormonen), dat beschouwd kan worden als het werk van Satan om
het godswerk onder Apostelen te dwarsbomen (wij geven hier de
mening van Karl Born weer).
13 apr. 1830 Margaret MacDonald
geneest van een dodelijke ziekte en heeft de dag daarna een
ontmoeting met Mary Campbell. Margaret trouwde in 1832 met de
Anglikaanse geestelijke Robert Norton. Deze werd in 1857 arts en
praktizeerde in Albury en Londen. Tot 1863 diende hij als
oudste in de kapel van Albury.
5 juli 1830 Laatste samenkomst
van de deelnemers van de Albury-conferencies die vanaf 1826
hadden plaatsgevonden.
ca. 1830 Opheffing van de
kerkelijke inquisitie in Europa. Dit moge vreemd voorkomen maar
dan wijzen we erop dat pas in februari 1990 in b.v. Spanje
volledige godsdienstvrijheid van kracht werd. Ook op Malta
bestaat pas sinds enkele jaren vrijheid van godsdienst, d.w.z.
mogen andere kerkgenootschappen werken naast de R.K. Kerk
bestaan.
Sept. 1830 John Bate Cardale
(1802-1877) advocaat in Londen en later pilaar-apostel, twee
artsen John Thompson later pilaar-herder en Georg Hamilton Roe
later evangelist, met drie vrouwen, bezoeken enige weken
Port-Glasgow om de uitingen van de heilige Geest te onderzoeken.
Hun bevinden publiceren ze uitvoerig in "The Morning Watch",
dec. 1832
28 oct. 1830 Elisabeth Fancourt,
dochter van een geestelijke, sinds jaren ziek en kreupel,
geneest door de gebeden en handoplegging van een huisvriend T.
Graeves.
Eind 1830 De Russisch-Orthodoxe
Aartsbisschop van Chesson, Borizov Innokenti (1800-1857)
schreef: "Er zullen nieuwe apostelen verschijnen en, door de
geest der waarheid gedreven, zullen zij blijgemoed de strijd
beginnen tegen het rijk der duisternis". Innokenti was in
1830-1839 hoofddocent aan de Russisch-orthodoxe Akademie van
Kiew. Hem was ook het lot beschoren dat velen trof: hij werd
beschuldigd van een verkeerde uitleg van de orthodoxie. Door
zijn grote sprekerstalent trok hij duizenden toehoorders, ook
werd hij bekend als auteur van vele boeken.
Juli 1831 Miss Maria Hughes,
sinds jaren door een ziekte aan haar wervelkolom aan het bed
gekluisterd en invalide, werd na gebed en handoplegging door
H.J. Owen, een deelnemer aan de Albury-conferenties, in het
bijzijn van velen genezen en leefde tot aan haar overlijden
zonder lichamelijke klachten.
16 oct. 1831 Eerste profetie in
een openbare kerkdienst in de gemeente van Irving te Londen met
1500 bezoekers. Voorheen waren al profetieën in kleinere kring
geweest, sinds 25.8.1831 kwamen deze regelmatig door E.O.
Taplin.
14 jan. 1832 Volgens een
profetisch woord in Irvings gemeente, door Robert Baxter
gesproken, zullen vanaf 14.1.1832 1260 dagen verstrijken totdat
de gaven in volheid openbaar komen.
2 mei 1832 Irving aangeklaagd
door de Trustees van de kerk op Regent Square. Hem wordt verder
de toegang tot de kerk ontzegt en hij moet met zijn gemeente in
de openlucht samenkomen. Vanaf 19 oktober 1832 zijn de diensten
in een grote zaal in Newman Street met meer dan 800 deelnemers.
29 juli 1832 Eerste godsdienst
in een ruimte in het kasteel Albury nadat het gebruik van de
plaatselijke kerk verboden was. In deze dienst openbaarde zich
de geest der profetie bij Drummond.
Herfst 1832 De stem van de
heilige Geest laat zich voor het eerst horen in Oxford in de
Baptistengemeente van J. Haldane Stewart.
22 oct. 1832 Door een profetisch
woord van E.O. Taplin word Drummond geroepen als herder en
engel van Albury. De ambtsomschrijving van engel (opziener) is
te lezen in Openbaring 2 en 3.
31 oct. 1832 John Bate Cardale,
bijna 30 jaar oud, wordt door een profetisch woord van Drummond
tot apostel geroepen. Op 7 november herhaald zich deze roeping
door de mond van Taplin ten huize van Edward Irving (zie Gal.
1:1 en 1:15).
24 dec. 1832 William Renny
Caird, 29 jaar oud, wordt door Drummond tot evangelist geroepen
en door apostel Cardale geordend. Caird is daarmee de eerste
ambtsdrager die én geroepen én geordend is.
26 dec.1832 Drummond wordt nu
door apostel Cardale ook als herder en engel voor Albury
geordend. Albury is daardoor de eerste apostolische gemeente in
de eindtijd geworden. John Bayford werd geroepen als oudste.
AMBTSBETEKENISSEN, vrn.
Het priesterschap, BINNEN DE KATHOLIEK-APOSTOLISCHE GEMEENTE
Alvorens te vervolgen met de
geschiedenis van het ontstaan en ontwikkeling van de kerk onder
nieuwe Engelse apostelen, willen we eerst het een en ander over
de ambtsstructuur duidelijk maken. Deze was bij de
katholiek-apostolischen nogal ingewikkeld. Het was namelijk
mogelijk om een ambt te dragen binnen de kerk zelf, en een ambt
bestemd voor de “algemene kerk”.
Met deze betiteling werden
aangeduid alle kerken, zowel anglicanen, hervormden,
evangelischen en rooms-katholieken, kortom alle christelijke
gemeenschappen. Door alle tijden heen hebben de dienaren van de
katholiek-apostolischen hun kerk gezien als een noodmaatregel.
Immers, het hernieuwde apostolaat was ingevoerd om de
christenheid één te maken, alle verdeeldheid op te heffen.
Hoewel dat streven niet verwerkelijkt kon worden, is dat doel
nooit los gelaten. Het stichten van een eigen kerkgenootschap
was een noodzakelijk kwaad.
Hieronder volgt een beschrijving
van twee ambten binnen de katholiek-apostolische gemeente om een
inzicht te krijgen in hun werkwijzen. Voor dit hoofdstuk stammen
de bijbelcitaten nog uit de vorige vertaling, dus niet de NBV.
Onze Heer Jezus Christus was in
Zijn dagen op aarde, in het vlees, de volkomen openbaring Gods
(Joh. 1:8, 5:37. Omdat Hij als mens op aarde kwam moest deze
openbaring naar menselijke verhoudingen ingericht zijn. Zo ook,
hoewel vanaf het begin af aan in Hem ontvangen was wat Zijn werk
moet zijn en doen zal, volgens een bepaalde wijze en volgorde
(lees: Luc. 2:52, Matth. 3:16, 17:9, Joh. 7:6, 16:12, Marc.
13:32). Zijn persoonlijk, verzoenend offer, werd op aarde
volbracht en kan niet herhaald worden (Hebr. 9:25-26, 10:12).
Ook was in Hem de volheid van het hoogpriesterlijke ambt, maar
Hij kwam pas in het openbaar in dat ambt na Zijn opstanding
(Hebr. 3+1, 6:20, 10:21) toen Hij door Zijn bloed in het
allerheiligste ging (Hebr. 9:12) om te verschijnen voor het
aangezicht Gods voor ons. Niet alleen uit een vrouw geboren,
maar ook onder de wet (Gal. 4:4), was de plaats van de Heer voor
Zijn dood, als die van een Jood die verplicht was alle wetten te
vervullen (Matth. 3:15, 5:17) en Hij vervulde die tot in de
kleinste details. De door God verordende joodse hogepriester
moest uit de familie van Aäron komen, en de enige stam die dat
priesterlijke ambt vervullen kon, was de Levitische; onze Heer
echter ging van Juda uit (Hebr. 7:14), het geslacht waarover
Mozes niet gerept had over het priesterdom. Hij kon daarom in de
dagen dat Hij in het vlees was, niet als hogepriester optreden
zonder Gods ordeningen te overtreden, zoals geschreven staat:
Op aarde zou Jezus geen priester zijn, want daar zij al
priesters die offergaven opdragen zodat de wet dat voorschrijft
(Hebr. 8:4). De woorden uit Psalm 110: “De Heer spreekt tot mijn
heer: Neem plaats aan mijn rechterhand” hebben in Hebr. 7:17,
21, 28) heel bijzonder op het werk van Christus na Zijn
opstanding betrekking, op de plaats die Hij na Zijn lijden en
dood ter rechterhand Gods, ingenomen heeft; en in het achtste
hoofdstuk van dezelfde brief heet het uitdrukkelijk, dat de Heer
het hoogpriesterlijke ambt ter rechterhand Gods verricht en dat
de heilige goederen en de waarachtige hut, waarvan Hij de
verzorger is, de Kerk Gods is, dat na de oprichting op aarde, in
de geest waarlijk gelijk is als in de hemel: “Maar wij hebben
ons burgerrecht”, zegt de apostel, “in de hemel en van daar
verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus” (Fil. 3:20).
En op een andere plaats: “Als u nu met Christus uit de dood bent
opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de
rechterhand van God” (Kol. 3:1) en “U staat voor de Sionsberg,
voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor
duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn. Voor de
gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven
zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de
rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen” (Hebr.
12:22-23). Als verlosser en bemiddelaar tussen God en de mensen,
staat de Heer alleen, geen enkel creatuur, engelen noch mensen,
kan op deze plaats aanspraak maken (1 Petr. 2:24, 3:18, 1 Tim.
2:5-6).
Als hogepriester ter rechterhand
Gods is Hij de fontein en schenker van alle goddelijke
zegeningen voor de mensheid. Buiten Hem is elke aanbidding
slechts mensenwerk en elke zegen vergankelijk. Als leden van
Zijn lichaam zijn wij echter in Hem en kunnen daarom God op een
welgevallige manier aanbidden (1 Petr. 2:5) en voor elkaar een
zegensbron zijn (Ef.4:12,
Rom. 1:11). Maar meer nog, Hij
de Heer, de God welgevallige hogepriester, de ware en eeuwige
Melchizedek, Hij is het Hoofd van Zijn kerk en bid in Zijn kerk
en door Zijn kerk tot de Vader en zegent in Zijn kerk en door
Zijn kerk alle mensenkinderen. De kerk van Christus heeft daarom
het enig ware priesterdom, waarbij het priesterdom onder de Wet
slechts een schaduw was (Hebr. 10:1). Het priesterdom van het
oude Verbond heeft alles te doen met aardse zaken, maar kon
daarom niet tot verwerkelijking van het goddelijke plan dienen,
want al het aardse vergaat. Het priesterdom van de kerk Christi
heeft te maken met hemelse zaken, is het priesterdom Christi en
blijft eeuwig (Hebr. 6:20). Om daadwerkelijk te bewijzen dat het
Levitische priesterdom niet het priesterdom in hoogste zin was,
gaf Levi nog in de schoot Abrahams (Hebr. 7:9-10) de Melchizedek
van de tienden, die een priester Gods des allerhoogste was en
diens priesterdom een voorbeeld was van het blijvcnde
priesterdom die pas na de Wet intreden zou (Hebr. 7:28). Echter,
er wordt niet verloochent, dat de Heer de ware Melchezedek en
hogepriester is. Als dat echter het geval is, hoe kunnen dan
degenen, die zo spreken, zeggen, dat alle christenen priester
zijn? Zijn wij allen priesters, in welke zin is dat dan waar en
volgens de Heilige Schrift (1 Petr. 2:5-9, Openb. 1:6). Waar
vandaan hebben we onze priesterdom, als het niet van Christus
is, en hebben we allen van Hem ons priesterdom, dan is Zijn
priesterdom niet rechtstreeks. Zegt men nu: omdat wij allen aan
Christus priesterdom deelnemen, komt het niemand in het
bijzonder toe, d.w.z. dan is er geen priesterstand binnen de
christelijke kerk; dan heeft men alleen te letten op de manier
waarop de Heer Zijn priesterambt uitoefent, om zich van het
tegendeel te overtuigen.
Als hogepriester ter
rechterzijde Gods is Hij de hoeder over de heilige goederen en
de waarachtige hut, d.w.z. de christelijke kerk, en volgens de
Heilige Schrift verricht Hij de verzorging van de kerk door
apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren (Ef. 4:12)
– of, anders gezegd, Zijn hogepriesterlijke werking heeft een
viervoudige uiting: Hij is in de hoogste zin de apostel (Joh.
17:18, Hebr. 3:1), de profeet (Hand. 3:22), de evangelist (Luc.
4:18-19, 24:47), de herder (Joh. 10:12, 1 Petr. 5:4) en leraar
(Joh. 13:13, Matth. 28:20) en daarom verdeeld zich Zijn
priesterdom in de kerk, in deze vier ambten. Nu zijn echter niet
alle leden apostel, niet alle profeet enz. (Rom. 12:4-6, 1 Kor.
12:5, 14:27-29), daarom zijn ook niet alle leden van de kerk
priester, in de zin zoals zij het zijn. Ook behoord de
priesterlijke werkzaamheid niet in de zin der kerk, dat alle
leden ze zouden kunnen uitoefenen, en dat alleen om des ordes
willen de totale gemeenschap daarover bevraagt, want volgens de
Heilige Schrift geeft de Heer niet aan de gemeenschap apostelen,
profeten, evangelisten, herders en leraren, en dat niet alleen
als geestesgaven, maar als mensen die Hij met dat ambt bekleed
(1 Kor. 12:28) en ook geeft Hij ze niet door bemiddeling van de
gemeente. Want de gemeente is ontvanger, niet de bemiddelaar.
Geen enkel mens kan de volheid van het priesterlijk ambt gegeven
worden, niemand kan plotseling apostel, profeet, herder of
leraar zijn, maar verricht iemand deze ambtopdracht van de Heer,
dan is hij priester. Geen enkele priester kan zijn ambt in de
kerk uitoefenen zonder in een van deze vier ambten van het
priesterambt Christi, inbegrepen te zijn. De indeling van de
dienaren van de Heer, die door iedereen in de kerk erkend wordt
als bisschop, priester en diakenen, heeft betrekking op het
ambt; want de werkzaamheid is viervoudig en het priesterschap is
een. Diakenen zijn geen priester, maar bisschoppen zijn niet
meer dan priester. De viervoudige ambtsuitoefening van de Heer,
eenmaal aan de kerk gegeven, is in feite altijd in de kerk
gebleven.
De al vroeg ingetreden afval en
de algemeen kerkelijke verwarring hebben de voortgang en
volkomen verschijning verhinderd, maar door alle tijden bespeurt
men zich in de kerk de verscheidenheid der geestelijke
werkzaamheid van de verschillende mannen. Zelfs waar ze, volgens
de titel, dezelfde geestelijke waardigheid bekleedden. Vele van
de trouwe patriarchen en bisschoppen, vele van de gelovige
pausen, hebben een apostolische waardigheid en genade bewezen in
het bestuur der kerk en in hun uiting van de christelijke leer.
Velen van de ernstige onderzoekers en geestelijke verklaarders
van de Heilige Schrift, waren ook vol van profetisch licht. Vaak
echter ook, werden ze op dwaalsporen geleid, maar zij werkten
met de kracht van een evangelist, vol met heilig vuur en ijver
en liefde, die de zondaar uit de dood opwekte De alles opofferde
liefde van de goede herder scheen over allen die zich gaven in
de zielszorg en de verzorging van de gemeenten.
.
IRVING SCHRIJFT AAN WILLIAM
DOW; EERSTE BRIEF
Voor de verdere gebeurtenissen
geven we twee brieven van Edward Irving aan William Dow weer. In
deze brieven schrijft Irving over de inzettingen van
ambtsdragers voor zijn gemeente in Newmanstreet. In de eerste
jaren van het nieuwe werk onder apostelen, bestond en nog geen
uitvoerige liturgie zoals de Katholiek-Apostolische gemeente die
later zou kennen. Wel bestond vanaf het begin een tweedeling,
ambten voor de z.g. “Algemene Kerk” en voor de gemeente. In de
praktijk kwam het wel voor dat een ambtsdrager een ambt in de
“Algemene Kerk” had en een ander ambt binnen een gemeente of
stam.
Binnen de gemeente was de engel
(of opziener) de hoogste autoriteit,binnen de “Algemene Kerk”
was dat de apostel. Hierdoor konden vreemde situaties ontstaan.
Irving was binnen zijn gemeente de hoogste ambtsdrager en daarom
vroeg apostel Cardale aan hem toestemming om weg te mogen
blijven uit de gemeente Newmanstreet.
De term "Algemene Kerk" beperkte
zich niet tot de Katholiek-apostolische gemeente maar hiermee
werd de gehele christenheid, alle gedoopten, bedoeld. Een engel
(opziener) was ook niet alleen verantwoordelijk voor zijn
gemeente maar voor het gehele gebied waarbinnen zijn gemeente
lag, dus voor alle gedoopten in dat gebied.
In de eerste brief wordt ook
melding gemaakt van dienstmeisjes. Mogelijk waren dat
diakonessen. Toen Irving uit de Regent Square kerk werd gezet
ging een groot deel van de gemeente met hem mee, ook
ambtsdragers, zijn uitzetting, had geen gevolg voor hun ambt
zodat de diakenen en diakonessen al aanwezig waren voordat de
nieuwe gemeente van start ging.
Pas in de diensten die Irving
beschrijft werden de ambtsdragers voor de eerste keer op
apostolische wijze geroepen en geordend.
Voor alle duidelijkheid, een
broeder kon door een profeet voor een ambt geroepen worden, maar
dat werd pas effektief nadat de apostel de handen opgelegd had.
Tussen beide handelingen kon vele maanden, zelfs jaren, liggen.
Enige tijd later, toen de
ceremoniële handelingen tot in detail voorgeschreven werden,
werd het de apostelen door een profetie zelfs uitdrukkelijk
verboden om iemand in de priesterlijke bediening te ordening,
zonder eerst daartoe door een profeet geroepen te zijn.
Anderzijds kwam een profetie waarin de apostelen gezegd werd
niemand te snel de handen op te leggen, alleen omdat hij door
een profeet geroepen was, maar eerst te beproeven of de
geroepene werkelijk waardig was om een ambt te dragen.
Op volgende pagina's staat een
volledig overzicht van de ambtsstructuur binnen de
Katholiek-Apostolische gemeente.
Het is goed, alvorens deze twee
brieven te lezen, het volgende in gedachte te houden: Historici
spreken over twee revoluties.
De eerste vond plaats ca.
2000-1500 v. Chr. de z.g. agrarische revolutie. Het
nomadenleven, het rondtrekken van voedselgebied naar
voedselgebied en het jagen op wild, veranderde in een
agrarische samenleving. Men vestigde zich op één plaats en
hield zich bezig met landbouw. De tweede, de industriele
revolutie, begon in de achttiende eeuw.
In de periode waarin Irving
werkzaam was stond dat in de kinderschoenen. Alle kenmerken van
de laat-agrarische en de standensamenleving bestond nog volop.
De gemeente van Irving telde vele gegoede burgers die het zich
konden veroorloven huispersoneel te houden. In die periode
bestond ook de meester-knecht verhouding volop. De rijkere
gemeenteleden kwamen vaak in koetsjes en namen hun personeel
mee. Dezen waren dus geen lid van de gemeente maar vergezelden
hun meester/es.
Terwille van de leesbaarheid
zijn de brieven van Irving d.m.v. tussenlassen ingekort. Ook
zal ter verduidelijking opmerkingen geschreven worden tussen
haakjes, dat is dus niet door Irving geschreven.
Irving was dus nu zonder
geestelijk ambt en dat had al bijna direkt gevolgen.
Londen, April 1833
Geliefde Broeder,
Ik zit aan mijn schrijftafel om
de daden des Heren te verhalen, die in deze afgelopen dagen
onder ons hebben plaatsgevonden, opdat ook u en uw gemeente de
Heer kunnen loven en prijzen.
Op de voorlaatste dag des Heren,
toen ik, zoals gebruikelijk tijdens de morgendienst, de dienst
vervolgde met het in de gemeente opnemen van een kind van één
onzer gemeenteleden, hetwelk wegens ziekte thuis gedoopt was, en
nadat ik daarom de vader gevraagd had om naar voren te komen,
hield de Heer, door de mond van Zijn apostel, mijn hand tegen,
zeggende dat wij een wijle moesten wachten. Ofschoon ik niet
wist waarvoor dit gedaan was, gehoorzaamde ik en verzocht de
vader om te blijven zitten.
Daarna duidde de Heer verder
aan, dat het Zijn wil was dat wij zouden verstaan en de gemeente
gevoelen en van Hem de ordeningen uit de Hemel moesten
afsmeken.
Irving onderkend dat alles wat
verder gebeurd vanuit de heilige Geest moet komen en dat het
"vleselijke", d.w.z. de door middel van studie verkregen
ambten, geen geldigheid meer hadden.
Tijdens onze kerkdienst van de
avond daarvoor, had de Heer temidden van vele andere kostbare
woorden, uitgesproken door de mond van Zijn apostel, gezegd:
"Heilig u! Roep een heilige vergadering bijeen!", van welke
woorden sommige van mijn broeders ouderlingen dachten, dat zij
op het afzonderen van een bijzondere dag wezen, maar in mijn
oren klonk het zo, dat wij in een geheiligde staat moesten
blijven, gewassen en gereinigd -zowel wij, als onze kleinen en
onze huizen- en voortdurend in gebed en smeking voor de Heer te
blijven, totdat Hij alle woorden van genade en liefde die Hij
over ons uitgesproken had, zou vervullen.
Daarom besliste ik dat er,
behalve de gebedsamenkomsten van elke morgen, een bijeenkomst
van zovelen der gemeenteleden zou zijn als maar mogelijk was,
opdat wij niet zouden ophouden tot God te bidden om Zijn
inzettingen bij ons te herstellen en ons uit alle dingen te doen
delen naar Zijn wil, want ik voelde dat het onze taak was Hem
daarnaar te vragen en om alle dingen in Zijn hand te leggen.
Degene van wie de Heer in ons
midden het meest gebruik had gemaakt om met gezag woorden tot
ons te spreken en die Hij sedertdien door de handoplegging tot
profeet geordend had, Taplin, was een korte tijd afwezig geweest
omdat hij in Albury had vertoefd. Maar omdat Hij door hem een
werk te doen had, bracht de Heer hem des woensdags terug en
donderdagmorgen was hij in de kerk aanwezig waar ik hem, nadat
ik mijn aandeel verricht had, vroeg de dienst voort te zetten.
Na het zingen las hij het eerste
hoofdstuk van Jeremia voor en gekomen bij de woorden: "ik zie
een amandelroede", werd hij door de heilige Geest gedreven
daarover veel te zeggen en ze te betrekken op de geestelijke
bediening die heden was begonnen uit te botten en temidden van
die woorden bracht hij de boodschap of liever, bracht hij een
bevel tot de apostel, om mij aan de avond van de volgende dag
tot engel over de gemeente te ordenen en om mij en de gemeente
met zulke woorden toe te spreken, die de Heer hem dan geven zou.
Irving bereid de gemeente op de
komende handelingen voor en de apostel legt er de nadruk op dat
deze diensten alleen voor leden toegankelijk zijn.
Na de dienst van vrijdagmorgen
(5 april 1833), verzocht de apostel, wiens zetel achter die van
mij is, om mijn instemming om de volgende dag weg te blijven om
naar Albury te gaan, omdat hij zich door de heilige Geest
gedreven voelde dat hij voor de gemeente daar iets te verrichten
had.
Maar omdat ik echter door de
ervaring geleerd had, dat het door het woord is dat de Heer alle
dingen bevestigt en onderscheidt, voelde ik, dat ik zonder het
woord des Heren mijn toestemming niet kon geven en zeker niet in
een tijd die voor de kerk zo gewichtig was, waarin de Heer een
werk onder ons door Zijn hand scheen te volbrengen.
Ik nam hem mee naar een andere
plaats, samen met de dienaar die intussen tot profeet geordend
is en de twee dienstmeisjes die door de Heer gebruikt zijn om
water des levens tot het volk te brengen. Nadat ik hun verteld
had of liever, bezig was het waarom van mijn weigering uit te
leggen, opende de Heer de mond van Zijn profetische dienaar en
beval de apostel te gaan, tevens duidde Hij aan wat daar gedaan
moest worden, namelijk het ordenen van de ouderling van de
Albury-gemeente, die reeds bij name genoemd was (Bayford) en
drie maanden in Brighton werkte.
Hierna kwam de Geest des Heren
op één van de dienstmaagden (misschien diakonessen, zie de
inleiding van dit hoofdstuk) en zij werd gedreven tot de profeet
woorden te spreken, die het vlees wel zeer kruizigden, hem
vermanend om met Jezus gebroken te zijn en de zegeningen daarvan
te smaken, hierop knielde hij neer om de volheid van zijn hart
voor de Heer uit te storten.
Nadat hij zijn belijdenis
uitgesproken had, ja voordat hij uit zijn knielende houding
opgerezen was, kwam de Geest des Heren over de apostel en werd
hij gedreven om tot hem te naderen, vervolgens zijn rechterhand
op hem te leggen en hem tot ouderling des Heren te wijden voor
de gemeente Albury, hem vermanend om getrouw te zijn en hij
eindigde met de woorden: "Sta op, roep de naam des Heren aan!"
Voor het begin van de
avonddienst, terwijl de gemeenteleden binnenkomen, leest Irving
Jesaja 50 voor.
Wij vangen altijd met gebed aan,
komende tot de Heer door het bloed, door onze zondenbelijdenis
en het smeken om Zijn genade.
Nadat dit gebeurd was zei de
Geest des Heren, door de mond van de apostel: "Zing de
veertigste psalm", welk lied wij met heel ons hart aanhieven,
want het hield verband met onze ervaring als gemeente.
Toen wij het bijna uit hadden en
het elfde vers zongen, sprak de Geest des Heren, door de
geordende profeet, over het ordenen van Gods huis, zeggende,
dat God de bedoeling had ons de verborgenheid te schenken van de
kandelaar uit het Heilige, met zijn schacht en zijn rieten, zijn
amandelen, zijn knoppen en zijn bloemen.
Hierop wees hij de plaatsen van
de ouderlingen aan, die voorheen van tijd tot tijd met name
genoemd waren; niemand van hen -uitgezonderd de beide mannen
die met mij mee gegaan waren- had echter toestemming gekregen de
ambtelijke zetels in te nemen, dat zijn drie stoelen aan de ene
en drie aan de andere zijde van mijn stoel.
De architect, die hierin evenals
in vele andere gevallen door de Heer geleid was (want hij is
diaken in onze gemeente), had ze daar laten plaatsen.
Gedreven door de heilige Geest
zette de profeet Gods dienaar Horne aan mijn rechterhand; Zijn
dienstknecht Mackenzie daarnaast; vervolgens Zijn knecht
Henderson, die Hij riep omdat Hij zijn getrouwheid had
aanschouwd; daarna Zijn knecht Perceval aan mijn linkerzijde
en Zijn dienstknecht Place naast hem.
Voor de derde nog lege zetel
beloofde hij spoedig iemand aan te wijzen, waarbij hij beloofde
de knoppen en de bloemen eraan toe te voegen. Temidden van een
onbekende taal door een profeet, volgde nu een woord dat de Heer
Zijn tafel bereid wilde hebben met ongezuurd brood, dat Hij Zijn
kerk als een volkomen ongezuurd geheel wilde hebben; dat Hij
Zijn inzettingen nieuw uit de hemel gaf en dat allen, die niet
door het bloed gereinigd waren, zouden heengaan en zo zij
aarzelden, zou het tot vernietiging van lichaam en ziel zijn,
tot nederwerping ter helle. In overeenstemming met het woord
namen wij onze plaatsen in en hervatten met grote vreugde het
zingen van de psalm, daar wij zagen hoe onze broeders door de
Heer geroepen en geplaatst waren.
Naar onze orde knielden wij toen
neder om te bidden en nadat wij de Heer aanbeden hadden en Zijn
grote genade hadden beleden, die Hij ons in de personen van
onze broeders bewezen had, vervolgden wij onze gebeden door Hem
Zijn belofte in gedachtenis te brengen om in de avonddienst een
engel over ons te wijden en onze harten met heilige verlangens
naar de vervulling van Zijn getrouwe belofte te beroeren.
Op dat moment verbrak de Heer de
stilte door de mond van Zijn geordende profeet en betuigde Zijn
trouw en Hij verlangde van mij, dat ik aan het altaar zou
nederknielen. (Dit altaar is een eenvoudig, vierkanten houten
voetstuk om de bijbel te dragen en er mijn hand op te laten
rusten als ik dien).
Tot de apostel klonk toen het
bevel, mij de handen op te leggen en mij te ordenen en alle
dingen te doen en te zeggen, die de Heer hem zou willen geven,
alsook dat de Heer de wijding van de ouderlingen uitstelde
totdat de andere, degene die nog ontbrak, genoemd zou zijn.
Hierna hield ik op te bidden en terwijl het volk geknield bleef,
was er een eerbiedige stilte van twee of drie minuten (want
ofschoon ik in mijn hart voelde dat de Heer verlangde dat ik
mijn gebed zou voortzetten, waagde ik het niet om zonder het
woord des Heren door te gaan, ik bleef dus knielen) totdat het
woord des Heren, door de mond van de apostel, uitging zeggende:
"Laat de dienstknecht des Heren met zijn smeekbede doorgaan",
wat mijn hart ook begeerde te doen. En nadat ik voor de Heer
getuigde hoe mijn hart naar de directe en onmiddellijke van Hem
uitgaande omgang verlangde, smeekte ik Hem om Zijn liefdevolle
vriendelijkheid, dat Hij Zijn wil met mij en mijn kudde
vervulle. Nadat ik "Amen" gezegd had bleef ik geknield liggen,
maar de gemeente rees op en ging zitten, wachtend op de daden
Gods.
Toen werd de apostel gedreven
(want alles werd door de heilige Geest gewerkt) te spreken:
"Laat de ouderling het derde en vierde hoofdstuk van het eerste
boek van Samuel lezen", en ik begreep dat zijn hand op de heer
Perceval rustte, want zijn plaats is juist achter die van de
ouderlingen in de bank.
De heer Horne, die de oudste
ouderling is, keek ook naar hem, want de afgelopen zondagavond
had ik hem zelf ook in mijn plaats de Schrift laten lezen.
De heer Perceval nam achter de
lessenaar of altaar plaats en terwijl hij de genoemde
schriftplaats las, opende de Heer dit bijbelgedeelte en paste
het toe door de mond van Zijn knecht de apostel en toonde ten
eerste aan, dat nu, waar de Heilige Geest door de kinderen
gekomen was, alleen de Geest des Vaders de stem kon
onderscheiden die de kinderen van dit geslacht verwierpen; dat
de zonen van Eli -de priesters van deze tijd- ontucht met de
gemeenten bedreven en de oude tucht der kerk krachteloos
geworden was en hen niet weerstond; dat de zonde van de kerk
noch met offerande noch met enig ander offer in der eeuwigheid
uitgedelgd zou worden; dat zij tevergeefs dachten dat de werken
hunner vaderen (de ark) hen zouden redden wanneer de Geest, die
in hun vaderen was, was heengegaan.
De apostel benadrukt dat nu
alles door middel van de heilige Geest gedaan wordt zoals dat
ook in de eerste apostolische tijd gebeurde. Hij beveelt
ongelovige en onreine zielen om de dienst te verlaten.
Toen kwam hij van de plaats des
getuigenis aan mijn rechterzijde maar mij toe, knielde aan mijn
linkerzijde neer en bad in de heilige Geest over de kudde en mij
en in tegenwoordigheid van onze God verbond hij ons tezamen.
Daarna stond hij op en nadat hij
zijn beide handen mij opgelegd had, wijdde hij mij tot engel
over de gemeente, zeggende: "Wordt vervuld met de heilige Geest
der genade en der wijsheid, der kennis en der vreze des Heren",
en voorts met woorden om vervuld te zijn met de gave des
heiligen Geestes voor het ambt waarin ik thans was gesteld.
Hierna gaf hij Psalm 132 op en
de hele gemeente stond op om het één van hart te zingen. Toen
wij het bijna helemaal gezongen hadden, kwam de heilige Geest
op hem en deed hem andermaal spreken: "En zal de Heer Zijn
verbond met Zijn dienstknecht niet verzegelen in het sacrament
van Zijn lichaam en bloed? Dat de diakenen uitgaan en
voortbrengen brood en wijn. Dat ze vinden ongezuurd brood, brood
zonder enig zuurdesem."
En zo gingen de diakenen volgens
dit woord uit.
Daarna sprak de apostel: "De
Here wil in uw oren de brieven aan de gemeente doen klinken en u
en uw engel verbinden om aan al Zijn vermaningen, beloften en
dreigingen die daarin vervat zijn, vast te houden. Hetgeen tot
de engel gesproken is, is tot de gemeenten in de engel gesproken
en wat tot de gemeenten heeft geklonken, heeft geklonken tot de
engelen over de gemeenten. Voor deze tijden zijn ze geschreven,
voor gemeenten die engelen (opzieners) hebben, zijn ze
geschreven."
Weer maant de apostel de
goddelozen en ongelovigen om de kerk te verlaten, ondertussen
...
waren de diakenen teruggekomen
en brachten in één van de zilveren bekers wijn binnen en op één
van de zilveren schalen van de gemeente, ongezuurde koeken, die
zij eigenhandig hadden klaargemaakt.
Twee van de diakenen stonden
klaar om de apostel behulpzaam te zijn, maar hij verzocht hun te
wachten en gaf de 35ste lofzang op: "It was on that night when
doom do to know."
Nadat wij dit als uit één mond
gezongen hadden, vroeg hij mij of ik deze zorg van Christus voor
de gemeente op mij nam, hetgeen ik ten aanhoren van allen
beaamde.
Toen liep hij op de diakenen toe
en nam een stuk van het brood en dat met zijn handen opheffend,
brak hij het en sprak: "Het lichaam van Christus, dat voor u
gebroken is", en nadat hij mij had gevraagd te knielen, gaf hij
het mij. Zo nam hij ook de beker, hief deze omhoog en zei: "Het
bloed van Christus, dat voor u gestort is", en gaf het mij.
Vervolgens sprak hij: "Geef het
de ouderlingen en andere dienaren van de gemeente en aan alle
gemeenteleden", hetgeen ik deed.
De apostel was naar zijn plaats
teruggegaan en toen de beker hem aangereikt werd, stond hij op
om hem aan te nemen en nam staande daaraan deel.
Sommige zaten, anderen knielden
en weer anderen stonden terwijl zij het avondmaal ontvingen.
Met uitzondering van mijn geval, was daarover geen woord
uitgesprokene, hetgeen ik zo opvatte dat het een teken was dat
ik door de persoon van de apostel, van de Heer het verbondszegel
ontvangen had.
Terwijl de beker onder de
broeders rondging, kwamen deze woorden van de heilige Geest:
"Gij weigerde samen met Zijn vijanden brood en wijn te nemen, nu
geeft Hij u de wijn van het Koninkrijk te drinken."
Hiermede eindigde dit gedeelte
van de dienst, waaraan ik woorden toevoegde om mijn kudde
duidelijk te maken en te onderwijzen wat de Heer onder ons
gewerkt had en ik deed dat zoals het mij door de onderwijzing
des Heren in mijn geest werd gelegd. Daarna bad ik en daarop
zongen wij de 133ste psalm en wij gingen na de gebruikelijke
lofzang en zegen huiswaarts. De hele dienst had iets meer dan
drie uur in beslag genomen.
Irving schrijft vervolgens dat
de hele last van Londen op hen rust en dat ze met de
menselijke wetten en regels in de kerk moeten breken.
De volgende avond riep de Heer
bij monde van Zijn profeet, die eerst in vreemde taal en daarna
in het Engels een prachtig lied zong. John Tudor, een man van
grote geleerdheid en wijsheid en hoofdredacteur van "The
Morning Watch", die het afgelopen jaar op de Heer wachtte om in
een bediening te worden gebruikt, riep Hij tot ouderling, wat
het aantal afrondde.
Tijdens de kerkeraadsvergadering
van die morgen had de Heer, bij monde van Zijn apostel, drie
diakenen uitgekozen om helpers te zijn, zodat er nu zes
ouderlingen en vijf helpers waren die door de Heer met name
waren geroepen; ook werd daarbij de belofte uitgesproken dat
Hij weldra nog een helper zou aanwijzen.
Tijdens diezelfde vergadering
sloot de Heer alle monden van die gemeenteleden die voorheen de
straten waren opgegaan en beval dat niemand meer zou uitgaan,
dan alleen zij die gezonden waren.
Dit noopte mij om ernstig tot de
Heer te roepen om evangelisten uit te zenden en in het
bijzonder deed ik dat in de middag van deze zondag: op die tijd
word geen kerkdienst gehouden, maar word aan allen die maar
willen komen, het evangelie verkondigd.
De Heer verhoorde dit gebed.
Tijdens de avonddienst, juist toen de gemeente naar huis wilde
gaan, riep de Geest, door de mond van de profeet John Francis,
een jonge man van goede huize die zich al langer dan een jaar
aan de Heer gegeven had en met groot geduld en vriendelijkheid
alle dingen in de straten van Londen terwille van Zijn naam
verduurd had. Ook hem droeg de heilige Geest ten aanhore van al
het volk op om het volk uit te nodigen, Babylon te verlaten en
hun de blijde boodschap van de verlossing te brengen -hierover
is tot alle evangelisten gesproken en het blijkt, dat het niet
het verkondigen van het evangelie aan de heidenen is, maar het
prediken van bevrijding en van leven aan de gevangenen in
Babylon..
Tot donderdagmorgen werd vanwege
de Heer verder niets gedaan. Toen de apostel teruggekeerd was en
bij de gebedssamenkomst aanwezig was en ik na de dienst met hem
sprak, kwam de Geest des Heren over hem en deed hem naar twee
der broederen toegaan -de ene een helper en de andere een
diaken- en hen tot evangelisten te roepen; de handen der
gemeente om haar kinderen binnen te brengen.
Het waren met name Archibald
Barclay en Charles Wallis, die ook ter wille van het evangelie
op straat geen moeite gespaard hadden. Samen met de ene die een
paar maanden eerder geordend was om te Brighton met de ouderling
daar te arbeiden, waren er nu dus vier evangelisten, van wie er
drie op ordening wachtten want hun was bevolen niet zonder
wijding uit te gaan, daarom waren zij dikwijls in gebed om die
ordening van de Heer af te smeken.
De volgende avond, een openbare
samenkomst van de gemeente, voelde ik mij in de Geest gedrongen
op te staan en de gemeente voor de volgende avond bijeen te
roepen om de Heer in het bijzonder aangaande de wijding van de
evangelisten en de ouderlingen te vragen, want tot nog toe had
ik geen helder idee omtrent de helpers. Wat was hun plaats nu en
moesten zij geordend worden of niet? Maar voor ik nog een woord
gezegd had of zelfs overwogen had hoe ik het zeggen zou, werd de
mond van de profeet geopend om te verkondigen dat de Heer de
volgende avond, door het opleggen van de handen van de apostel,
de evangelisten zou ordenen en hetzelfde zou de Heer in de
morgendienst van de dag des Heren ten aanzien van de
ouderlingen doen, waarna aan de kudde het avondmaal des Heren
zou worden bediend.
In deze zaterdagavonddienst
worden de evangelisten door de apostel de handen opgelegd en op
hun taak gewezen.
De volgende morgen kwam de
gemeente, zoals gebruikelijk op zondagmorgen, om tien uur
bijeen om de gewijdde ouderlingen van de Heer te ontvangen en
daarna het heilig Avondmaal des Heren met ongezuurd brood te
eten.
Door de Heer was bepaald dat
alleen leden aanwezig zouden zijn en toen iemand mij tijdens de
kerkdienst van de zaterdag daarvoor vroeg hoe het nu met hun
bedienden (die geen leden der gemeente waren, zie de inleiding
van dit hoofdstuk) stond, antwoordde ik dat de bedienden met hun
heren inbegrepen waren, namelijk dat de gelovige meester zijn
dienaren heiligde en de gelovige echtgenoot zijn vrouw en
kinderen.
Ik stond toe dat ze ook kwamen,
maar verlangde dat ze apart zouden zitten, opdat zij niet met de
kudde het Avondmaal zouden eten en daardoor verontreinigd
worden.
En inderdaad, de Heer heeft ons
getoond dat het Zijn wil is dat de kudde apart zou zitten en er
een onzichtbare omtuining zou worden gesteld, want zij waren Hem
door sluiting van het verbond geheiligd.
Toen wij tot deze gemeente
kwamen, had ik dit ingezien en zelfs daarvoor, maar de Heer
verhinderde het toen, totdat de gemeente door de daad van de
ordening van de engel en het verbond der wetten van Christus
(Openb. 2 en 3) en het sacrament van ongezuurd brood dat ons
daarbij gegeven werd, afgezonderd zou hebben.
Aldus op de morgen van de dag
des Heren samengekomen zijnde, riep de heilige Geest, na de
vermaning en de schuldbelijdenis, in een woord dat deels in
vreemde taal en deels in het Engels was, door de mond van de
profeet: "Zijn knecht Gambier", een marine-kapitein die veel in
Zijn dienst had gearbeid. Hem riep de Heer tot helper en vulde
daarmede de nog open plaats in: zes ouderlingen en zes helpers.
Zijn knecht Thomas Evill, degene
die de "Cry from the Desert" en andere kleine werkjes over de
advent schreef, riep Hij tot diaken. Beide mannen riep ik naar
voren in het aangezicht van de gemeente en vroeg of ze bereid
waren om het woord des Heren te gehoorzamen en in deze ambten
te dienen.
Ik droeg hen dit op, tot zij de
ordening daartoe zouden ontvangen en vroeg hun om bij de andere
broeders te gaan zitten.
De dienst werd met aanbidding
voortgezet. Wij deden dat door de 23ste psalm eerst als gebed te
lezen en daarna als lofzang te zingen, zoals we dat gewend zijn.
Hierna knielden wij neer om ons morgengebed te bidden.
Na het "Amen" bracht ik de
gemeente de goedheid des Heren in herinnering, namelijk de
belofte dat Hij op deze dag de ouderlingen zou ordenen en ik
riep hen allen op om met een vast geloof de 127de psalm te
zingen, waarna ik mij, als de Heer het mij toestond, voornam om
Hem in het gebed in het bijzonder om de vervulling van Zijn
belofte te vragen.
Maar de geloofsdaad van de
gemeente was voldoende en nadat wij de psalm gezonden hadden,
kwam de Geest des Heren op de apostel en hij begon met een
droevige klank in zijn stem woorden te uiten over de kerk, die
de ordeningen des Heren bezoedeld had: "Zurende het brood en de
wijn met water mengend" waarom de Heer hen verworpen had en Hij
ons het nieuwe gaf en nochtans niet het nieuwe, maar het oude
dat wij van den beginne hadden."
Toen legde hij de gemeente haar
grote zonde voor, want zij had het werk des Heren tegengehouden,
waardoor wij voor de dienst des Heren ongeschikt waren en
zielen en mensenkinderen omkwamen.
Hierna beleed hij in een hart en
nieren doorzoekend gebed, dat de gemeente in tranen van diep
berouw deed versmelten, onze zonden voor God en aan het slot
sprak hij de vrijspraak uit.
Daarop liet hij de ouderlingen
neerknielen, evenals de helpers ,want de helpers waren
ouderlingen en niemand dan alleen ouderlingen konden helpers
van ouderlingen zijn, nochtans waren zij aan de ouderlingen
ondergeschikt en in hun aanwezigheid zwijgend.
Toen ging hij in de kracht van
de heilige Geest van de één naar de ander en met woorden van
weergaloze genade en heerlijkste toepasselijkheid, legde hij,
in de volgorde waarin zij op de avond van mijn wijding geroepen
waren, zijn handen op de hoofden der ouderlingen en daarna, in
een volgorde waarin de Geest hem van de één naar de ander scheen
te drijven, op de hoofden van de helpers.
Over sommige van hen uitte hij
profetieën van een hogere roeping, zoals hij ook over enigen van
de evangelisten had gedaan. Alleen de helper die deze morgen
geroepen was, ordende hij niet, maar gebood hem gedurende enige
tijd te dienen in de kracht van het woord dat tot hen gesproken
was.
Nadat dit geschied was, ging hij
naar zijn eigen plaats terug en terwijl de ouderlingen en de
helpers geknield bleven, was ik begonnen te spreken en mijn taak
te verrichten -want de Heer had Zijn orde in mijn geest gelegd
en ook in het woord der profetie op de vrijdag daarvoor getoond-
toen, plotseling de heilige Geest mij ten aanhore van al het
volk ook opdroeg om de ouderlingen mijn handen op te leggen en
om daarna, samen met de ouderlingen, de handen op de helpende
ouderlingen te leggen.
Ik deed dit, hun kracht en gezag
gevend om het woord en de sacramenten binnen de grenzen van
deze stad te bedienen en met hen de gave delend die de Heer mij
had geschonken.
Hierna riep ik de helpers één
voor één en samen met de ouderlingen legden wij de handen des
ouderlingschaps op en gaven hun dezelfde kracht onder onze
handen.
Nu las ik het laatste hoofdstuk
van het evangelie naar Johannes en het laatste hoofdstuk van de
eerste brief van Petrus en sprak tot hen over hun opdracht en
onderwees hen, waarop de heilige Geest sommige van mijn woorden
met Zijn eigen woord verzegelde en in het bijzonder, dat zij
"mannen van één vrouw moesten zijn", hetgeen de Heer deed
spreken toen ik hun opgedragen had, zich niet in de dingen of
gemeenten te mengen buiten onze grenzen, maar zich bepalen
moesten bij de gemeenschap der heiligen: dus zich ook niet van
de plaats verwijderen waar hun taak lag, tenzij de Heer hen een
andere plaats aanwees.
Nadat dit gebeurd was,
verheerlijkten wij Gods naam door een paar verzen van de 46ste
psalm te zingen; alzo verheugden wij ons in elkaar als man en
vrouw in de Heer Jezus als onze Man.
Ondertussen vroeg ik de diakenen
brood en wijn te gaan halen en het voor mij neer te zetten, want
in de boodschap des Heren was mij getoond, dat zulks de diakenen
toekwam omdat zij de zorg voor de goederen van het huis hebben
totdat de elementen geconsecreerd zijn, daarna komen zij onder
de hoede van de herders of de ouderlingen.
De jaloersheid des Heren
aangaande de orde van Zijn huis werd hier opmerkzaam getoond:
onze vrijwillige voorzanger is een helper die uit de diakenen
tot het helpersambt geroepen is en omdat hij naast mij stond,
vroeg hij mij of hij zou gaan en Charles Buchan nam zijn plaats
als voorzanger in.
Omdat ik er een moment niet bij
stilstond, stemde ik erin toe, maar eer wij een regel gezongen
hadden, schoot het mij te binnen dat hij tot helpende ouderling
geordend was en onmiddelijk zond ik één der ouderlingen achter
hem aan om hem terug te roepen, hetgeen erop leek alsof twee
helpers met de diakenen meegingen, maar voordien waren zij
beide diakenen geweest.
Na een vers te hebben gezongen,
kwam de Geest des Heren op de profeet en, na vreemde taal, riep
hij uit dat de helpers niet met de diakenen vermengd moesten
worden en er werd aan toegevoegd dat, naar de inzetting des
Heren, er zeven diakenen in Zijn huis behoorden te worden
gesteld. Op dit moment waren beide helpers op mijn verzoek
teruggekeerd.
Voor allen zichtbaar gaf de Heer
hier een voorbeeld van de olie die gelijktijdig stroomt,
waardoor Hij hetzelfde in het hart van de engel als in de mond
van de profeet der gemeente legt, voorzeker is dit de
verborgenheid van de engel, om van wat in de kudde ook door de
herder, evangelist, profeet of apostel gezegd en gedaan wordt,
de bestuurder en onderkenner te zijn.
Dan volgt de voorbereiding en
viering van het heilig Avondmaal.
Na afloop van de viering van het
Avondmaal werd mij in het door God geschonken licht getoond, dat
ik één der ouderlingen de woorden des verbonds moest laten
voorlezen, waarin ik voor de gemeente verbonden was, namelijk
het tweede en derde hoofdstuk van het boek der Openbaring.
Nadat ik de heer Perceval naar
voren geroepen had om dit te doen, toonde de Heer, door van het
volk te verlangen om op te staan, dat Hem dit aangenaam was en
zij deden dat heel plechtig.
In een plechtig gebed spraken
wij hierna onze belijdenissen voor de Heer uit, zongen nog een
lofpsalm en ik sprak de zegen uit.
Maar de Heer liet ons niet toe
om zonder een machtige lofprijzing Gods, in een lied des
heiligen Geestes, weg te gaan.
Het was een dag om dikwijls,
heel dikwijls aan herinnerd te worden en gij mag met ons de Heer
daarvoor prijzen.
Irving schrijft dan over zijn
dubbel-ambt: evangelist en engel en gaat verder over de doop.
Hierover sprekend mag ik ook
gewagen van een gebeurtenis die een tijd geleden plaatsvond.
Na een kind overeenkomstig de
precise vorm van de Schotse kerk gedoopt te hebben, had de vader
het kind de trappen afgedragen die van het schip der kerk
opvoeren naar de plaats waar de bestuurders der gemeente zitten
en achter hen degenen die de boodschap des Heren verkondigen.
Ook had ik mijn knieën gebogen
en de Heer dank gebracht, was daarna opgestaan, toen de apostel
(die onmiddelijk na de doop gedreven werd om het te doen, maar
zich uit vrees en eerbied ingehouden had) gedreven werd het kind
terug te roepen, die de vader op mijn verzoek bracht.
De apostel nam het in zijn
armen, nam het in de gemeente op en zegende het.
Gedurende het verdere verloop
van de dienst deed de Heer mij inzien, dat dit ten behoeve van
mij geschied was, om mij de volkomenheid van mijn inzetting te
tonen en dat dit geen betrekking op de apostel had, maar op mij.
Toen wij samen naar huis
wandelden (ik woonde toen niet bij de kerk) antwoordde hij mij
op mijn vraag daarover, dat hij, terwijl hij het deed, voelde
dat hij het nimmer meer zou behoeven te doen en ik zei: "Ik
voelde dat de Heer u dit liet doen, opdat ik mocht inzien wat er
in de vorm van onze dienst ontbrak."
Sindsdien heb ik na het dopen
van de kleine in de armen van de vader, het altijd in de mijne
ontvangen of beter, in die van Jezus en het met Zijns Vaders
zegen gezegend.
Behalve hetgeen ik
neergeschreven heb, herinner ik mij niets meer, behalve één
ding, dat ik niet mag verzuimen te vertellen.
Tijdens één van de samenkomsten
van de gemeente besteedde ik bijzondere aandacht aan het
dankgebed van uw broer, die tot engel geroepen is en voor de
toestemming die u gekregen had om aan het Avondmaal des Heren
deel te nemen en de troost die u daarin genoot.
Door de mond van de apostel
sprak de Heer aangaande u dat, hoewel de Heer het toegestaan
had, het niet Zijn orde was want Hij wilde Zijn heilig sacrament
door geordende Herders bediend hebben, dat wij Hem danken
mochten, maar dat Hij daarover nochtans bedroefd was, dat u om
apostelen gebeden had, maar dat u uw gebeden zelf niet begreep.
Ik begreep hieruit, dat als u de
Heer zocht, Hij of een apostel zou verwekken, of hem zenden zou
die Hij hier verwekt heeft, om alles in de Geest te ordenen op
de wijze zoals Hij het ons gegeven heeft, om die reden heb ik
mijzelf ook erg berisp daar ik, toen ik u ontmoette om over uw
deelname aan het Avondmaal des Heren in te lichten, dit niet in
mijn herinnering teruggeroepen had.
Maar ik had mijn eigen ervaring
vergeten en daarom was het mij niet gegeven om u van nut te
zijn. Leg dit op uw hart, mijn broeder! Want gij zijt een zoon
die de Vader liefheeft en die Hij niet in de kastijding voeren
zal en zo is uw broeder ook.
Gij zijt zonen der vertroosting
voor mij geweest!"
TWEEDE BRIEF VAN IRVING AAN
WILLIAM DOW
Londen, Newmanstr. 14
25 april 1833.
Mijn zeer geliefde Broeder,
Na u in mijn vorige brief een
verslag gegeven te hebben dat ik naar mijn beste weten
(aangevuld door mijn beste vrienden naast mij) samengesteld heb
over Gods wegen en werk met betrekking tot de ordening van de
engel der gemeente, de ouderlingen, de profeet en de
evangelisten, ben ik van plan nu, door Gods genade, hetzelfde te
doen over de zeven diakenen die nu over de gemeente gesteld
zijn.
Toen wij, omdat wij ons aan het
werk des Geestes vasthielden en weigerden Zijn stem in de grote
gemeente te onderdrukken, uit ons mooie gebouw gezet waren, was
aan twee van de diakenen, met name James Henderson en David Ker,
de genade gegeven om samen met ons uit te gaan en de Heer aan te
kleven. Dezen, samen met de twee ouderlingen Archibald Horn en
Duncan Mackenzie, waren gewend om van tijd tot tijd met mij in
mijn studeerkamer te vergaderen en gezamelijk over de gemeente
te beraadslagen waarover wij gesteld waren en vanaf de tijd van
onze uitwerping uit Egypte, zagen wij het als onze plicht de
aanwezigheid te verlangen van degenen die door de heilige Geest
spraken, zowel mannen als vrouwen, opdat wij over geen enkele
zaak beraadslagen zouden, noch in enige zaak handelen, zonder
dan onder de terechtwijzing van de stem des heiligen Geestes
van wie wij getuigen waren geweest.
Toen wij in het allereerste
begin zo vergaderden, werden wij ertoe geleid om ons te beraden
over het aanvullen van ons aantal, dat oorspronkelijk bestond
uit zeven ouderlingen en zeven diakenen, van wie een ouderling
ons door de dood ontvallen was, een ander die zich verhoogd had
was in het oordeel des duivels gevallen, weer een ander, een
diaken, is door de Voorzienigheid Gods naar een verafgelegen
kolonie verhuisd en de overigen -drie ouderlingen en vier
diakenen- waren door gebrek aan onderscheidingsvermogen in het
huis der slavernij achtergebleven.
Terwijl wij vijven, het
overblijfsel van de vijftien, aldus in mijn studeerkamer
beraadslaagden, oordeelden wij het voor Jezus ons verheven
Hoofd, onze plicht om te bidden om de leiding van Zijn wijsheid
en in de boodschap des Heren antwoordde Hij, dat wij om leven
moesten roepen. Levende stenen die de grote Bouwheer zelf in
Zijn huis wilde plaatsen.
In gehoorzaamheid aan dit woord,
besloten wij wekelijks bij elkaar te komen en de Heer aan te
roepen.
Toen wij dit onderwerp tijdens
één van die vergaderingen weer bespraken (want de kudde was
groot in aantal, niet minder dan vijf- of zeshonderd) antwoordde
de Heer en zeide: "Kies mannen uit, vol ijver voor het huis Gods
en stel diegene voor de Heer, die van goede wil zijn om de Heer
te dienen", wij hieraan terstond gehoorzaamde.
Irving heeft dan gemerkt dat
alle namen die hij in gedachten heeft ook daadwerkelijk door
profetie geroepen worden.
Nochtans was ik in de geest zeer
bedrukt wegens het onvoldoende opzicht over de kudde en toen ik
merkte dat twee mensen geen enkele andere bezigheid hadden,
waagde ik het ze als geschikte personen aan mijn beide
ouderlingen voor te stellen om hen bij hun arbeid behulpzaam te
zijn.
Omdat allen het erover eens
waren dat zij waardig en bovendien gewillig waren, vroeg ik ze
onze wekelijkse vergaderingen bij te wonen en terwijl ik om het
in orde te maken, de zaak voorlegde, onderbrak de Heer mij met
Zijn woord en zei dat Hij ze als helpers stelde en gaf hun
opdracht de kudde te voeden in ondergeschiktheid aan de
ouderlingen.
Tot dat moment had ik mij nog
nimmer een idee gevormd over wat de bediening van "helpers"
betekende, die de Heer sedertdien als een vaste inzetting in
Zijn huis ingesteld heeft: één van de drie schaaltjes in de
zij-armen van de kandelaar.
Maar de Heer stond de helpers
niet toe om tijdens het Avondmaal mee te dienen, tot nadat zij
geordend waren en op een zekere dag, toen zij op de ambtelijke
zetels zaten waardoor één van de diakenen geen plaats meer had,
berispte de Heer dat met Zijn eigen stem en al het volk hoorde
het:
"Dat de ongeordene niet de
plaats inneme van de geordene, maar dat hij wachte!"
En op vele andere wijzen
openbaarde de Heer Zijn ijver over de wijding, zowel door het
bewaren van de overgebleven dingen, als door het ons versterken
in het uitzien naar de betere dingen die Hij weldra geven zou.
Ook riep de Heer van tijd tot tijd één der ouderlingen, ordende
en zond hem als evangelist uit, maar over de aangelegenheid der
diakenen werd er gedurende ongeveer zeven of acht maanden lang
niets gezegd of gedaan en al die tijd lag de hele last van de
gemeente op de schouders van David Ker (die de Heer sedertdien
tot hoofd der diakenen gesteld heeft) want de heer Henderson had
een zwakke gezondheid en was nauwelijks in staat om de
kerkdiensten bij te wonen. De weg die de Heer volgde om de zaak
der diakenen weer op te halen, was erg opmerkelijk en leerzaam.
Er bestond in de gemeente een
vereniging van vrome en liefdadige dames die jaarlijks,
omstreeks het begin van de winter, gewend waren hun
liefdadigheid en hun werk te combineren door de armen van kleren
en andere vertroostingen te voorzien en intussen was de tijd
weer aangebroken om met hun werk te beginnen.
Ik heb altijd betwijfeld of dit
in een gemeente juist was en inzoverre het de armen van de
kudde betrof, voelde ik dat het, net zoals in de eerste
gemeente, door diakenen of diakonessen behoorde te worden
gedaan.
En wat degenen die buiten waren
aangaat, zag ik dat hun liefdadigheid, in verhouding tot de
aangewende middelen, weinig uithaalde. Maar voorlopig wilde ik
er geen eind aan maken, noch de mensen ontmoedigen, maar het
zoals alle dingen in de hand des Heren leggen. In die tijd was
ik in de geest zeer bedroefd om de armen van mijn kudde die naar
mij toe kwamen en ik was niet in staat hen op te zoeken of ze te
helpen. Ik was zozeer bedroefd, dat ik als na een worsteling
toegedreven werd om te smeken om diakenen en mijzelf op te
leggen om van brood en water te leven en alle lasten van de
diakenen te delen, als de Heer ze mij alleen maar voor de armen
in Zijn huis wilde geven.
Een paar dagen later was de
bewuste bijeenkomst van de dames om de armen voor de winter te
verzorgen. Zij zouden bij een dame samenkomen die er een groot
aandeel in had en mijn vrouw zou er heengaan om de leiding te
hebben, maar omdat zij niet kon komen, vroeg ik aan een
vakbekwame dame, aan wie de Heer ook de gave der profetie
geschonken had, om de plaats van mijn vrouw in te nemen en samen
met een andere zuster, die ook de gave der profetie had, wachten
zij in mijn spreekkamer, terwijl ik naar mijn studeerkamer ging
om een brief aan de overige dames te schrijven.
Gedreven door de heilige Geest
kwamen zij daar bij mij en de oudste van hen werd met het teken
der tongen bewogen om mij te verkondigen, dat de Heer deze
vereniging niet liefhad, dat Hij niet alleen de gave voor Zijn
gemeente zou voortbrengen, maar ook de personen om de gave te
bedienen.
Dit vertroostte mij zeer en
terwijl ik uitlegde wat in mijn brief stond -daar ik nog aldoor
de bedoeling had om die door haar hand over te laten brengen-
toonde de Heer mij, door Zijn andere dienstmaagd verder aan,
dat het mij toekwam Zijn woord te bedienen en er grote
bemoediging aan toe, waaruit ik verstond dat het Zijn wil was
dat de dames de door Hem gesproken woorden overbrengen zouden.
Zo stelde ik de bijeenkomst uit
tot ik zelf de leiding nemen kon en spoedig was het gevolg
daarvan, dat deze wijze van mildadigheid doen moest worden
opgegeven en opnieuw waren wij tot de noodzaak gebracht te
smeken om diakenen en diakonessen en ondertussen deden wij wat
ze konden met hetgeen voorbereid was.
Kort daarop sprak de Heer
tijdens onze wekelijkse vergadering, door de mond van de
apostel, zeggende: "Het is het welbehagen des Heren dat gij
diakenen verkiest. De Here zelf noemt de ouderlingen bij name,
maar het komt de oudsten toe de diakenen te kiezen."
Nadat wij om eenheid van zin met
de Here Jezus en met elkaar gebeden hadden, zetten wij ons aan
het werk waartoe wij door de heilige Geest opgeroepen waren en
spoedig bemerkten wij, dat wij ten aanzien van acht mannen
eensgezind waren.
En toen wij hen naam voor naam
opnoemden, zei de Heer: "Het is de wil des Heren dat broeder
Trimen een wijle wachte", hetgeen wij als een aanvaarding van de
overige zeven opnamen.
Ten aanhore der broederen
verhaalde ik toen van het gebruikt der kerk om hun namen aan de
gemeente voor te leggen en van iedereen die bezwaren tegen hen
mocht hebben, te verlangen dat zij die bij de ouderlingen zouden
indienen, maar met sterke hand gaf de Heer aan, dat het aan ons
was om ze te verkiezen.
Dienoverenkomstig stelde ik ze
de volgende dag aan de leden voor als door ons gekozen en door
de Heer aangenomen mannen, want allen waren bereid dat ambt te
aanvaarden en ik vroeg de gemeente om door opstaan van haar
instemming blijk te geven, hetgeen zij zeer spontaan en
dankbaar deed.
Desondanks hoorde ik dat de
bevelen des Heren in deze aangelegenheid voor één uit de kudde
een struikelblok was en voor mijzelf was het ook niet zonder
zekere bezwaren, wanneer ik de door de apostelen in de gemeente
te Jeruzalem genomen maatregel overdacht. Maar omdat ik het
volste vertrouwen in het woord der wijsheid des Heren heb en ook
in het licht dat het in de handen van Titus gelegd was om de
ouderlingen te ordenen en nog mee, diakenen in elke stad en de
veranderde omstandigheden van de gemeente overwegend, was ik
tevreden, ja verheugd de aanwijzingen des Heren te gehoorzamen,
doordat ik immer de heiligheid en goedheid van Zijn eigen wil
bespeurde in elk woord dat Hij sprak.
Er waren nu negen diakenen en
zoals uit het verdere verloop duidelijk wordt, er behoorden er
slechts zeven te zijn.
Maar de Heer heeft voor de
mensen Zijn eigen middelen en openbaart Zijn wil op het moment
dat wij in staat zijn zulks te dragen.
Toen de tijd van de wijding van
de ouderlingen naderbij kwam (ik meen dat het de morgen na mijn
wijding tot engel der gemeente was en wij weer bijeengekomen
waren) bewoog de Heer Zijn dienstknecht, de apostel, om tot één,
een ander en nog een ander van de diakenen te gaan, zeggende tot
hen: "De Heer roept u tot helper", wat maar zes diakenen
overliet maar er waren er nog maar vijf over gebleven, want één
van hen, de heer Henderson, was op de avond na mijn ordening tot
het ouderlingenambt geroepen.
Door profetie worden een aantal
broeders genoemd om het ambt van diaken, hulp van de
ouderlingen, te ontvangen.
Toen de avond gekomen was en de
gemeente bijeen was, begon ik, na onze gebruikelijke kerkdienst,
hun uit te leggen wat ‘s morgens gebeurd was en nadat ik de heer
Trimen naar voren geroepen had en hem naar zijn bereidheid
gevraagd had en bevond dat hij er hartelijk in toestemde, ging
ik door het laten zingen van de 15de psalm en het voorlezen van
het vierde hoofdstuk van Nehemia en het zesde der Handelingen,
tot de wijding over.
Onderwijl vroeg ik de zeven
mannen om op de bovenste trede te gaan staan, aan mijn beide
zijden, voor de ouderlingen en in het gezicht van de gemeente en
zo neder te knielen.
Dan, na een plechtig gebed om de
tegenwoordigheid en kracht van het verheven Hoofd der kerk, riep
ik hen één voor één om op de kleine verhoging (waarop de
lessenaar of altaar staat en waar omheen de ouderlingen
stonden) neder te knielen en door het opleggen van onze handen
gaven wij hun kracht en gezag, alsmede de opdracht en zegen om
het ambt van diaken te vervullen.
Daarna daalden zij de treden af
en stonden voor mij en ik onderwees hen uit de woorden van
Paulus uit 1 Tim. 3:3-14 en getuigde tot elk afzonderlijk van
genade en plicht.
Na dit te hebben gedaan, nodigde
ik hen één voor één uit op de verhoging te komen om de zegen van
de apostel te ontvangen en deze stapte naar voren, voor de
ouderlingen om hen tegemoet te treden.
Zij stonden daar in dezelfde
volgorde als bij het ordenen, waarin ik hoofdzakelijk geleid was
door de tijdsduur dat zij aan de gemeente verbonden waren.
Terwijl ik van dit principe
uitging gevoelde ik, dat dit niet het zuiverste was en dat ik
mij op de heilige Geest had moeten verlaten.
Maar aan één ding twijfelde ik
niet, namelijk dat David Ker, die zo ijverig gediend had, de
eerste plaats moest hebben.
Aldus kwam hij om als eerste de
zegen van de apostel te ontvangen die, terwijl hij in de kracht
des heiligen Geestes zegende, dat plotseling in nog grotere
kracht volvoerde en gedreven werd om hem tot hoofd der diakenen
te stellen en hem de zorg over de broederen gaf.
Toen, nadat ik de volgende in de
volgorde waarin zij gewijd waren, genoemd had en hij voor mij
stond, kwam het woord des Heren zeggende: "Het is de wil des
Heren dat Zijn knecht Inglis kome."
Deze was in volgorde de vijfde.
Hij was het die door de Geest gedrongen was te bidden dat hij
tot diaken mocht worden gesteld.
Toen hij de treden opkwam,
beloofde de Heer hem, dat hij nog tot een hogere bediening
geroepen zou worden en zegende hem.
Toen zei Hij: "Het is de wil des
Heren dat Zijn knecht Wallis thans kome!" (Hij is één van de
evangelisten want ik merkte dat de evangelisten zonder
onderscheid uit de engelen, de diakenen, de helpers en uit de
gemeente genomen zijn.)
Na Zijn overvloedige zegen
ontvangen te hebben, daalde hij de trappen af. Nu was er een
lange pauze, want Hij noemde geen ander en ik, ziende dat de
Heer Zijn eigen regels volgde, zei: "Ik heb geen woorden meer",
waarop ik de overigen op de verhoging riep in de volgorde
waarin ik ze de handen opgelegd had.
Dan kwam John Carlyle, de neef
van mijn zwager Warrand, een man die in de afgelopen tien jaar
de meest ijverige, bescheiden helper van de armen is geweest en
die ze liefhad en uit alle uren die hem na zijn werk overbleven,
nog tijd stal om hen op te zoeken. De Heer beloonde hem openlijk
en ontving hem aldus: "De Here heeft u lief, de Here heeft een
welbehagen in u" en na de zegen: "Ga heen in vrede, gij
gezegende des Heren" en hem de belofte gevend dat de Heer hem
zou verhogen. Hierna volgde zang en zegen.
Sedertdien heb ik waargenomen
dat de woorden tot elk der ouderlingen gesproken, niet alleen
karakteristiek waren voor hen als persoon, maar een zekere
verscheidenheid van gave aanduidde.
Tot de eerste aan mijn
rechterhand: gehoorzaamheid en bestuur; de tweede: heiligheid en
een voorbeeld der kudde; tot de derde: licht; tot de eerste aan
mijn linkerzijde: kracht; de tweede: liefde; tot der derde:
wijsheid.
Tot de eerste van de helpers zei
de Heer, dat Hij ander werk voor hem had; tot de derde, dat Hij
zijn hart met liefde had vervuld. En zo sprak Hij tot al Zijn
dienstknechten van Zijn huis woorden uit Zijn eigen genadevolle
hart en ik schep er al schrijvende een behagen in, om ze u zoals
ze in mijn herinnering teruggebracht worden, mede te delen.
Toen de diakenen geordend en
gezegend waren en de last hen toevertrouwd was en zij aan de
voet van de treden stonden, werd de apostel terwijl hij nog op
de plaats stond waar hij de zegeningen bediend had, door de
heilige Geest gedreven om helder lichtende woorden uit te
spreken die de dingen aanroerde, welke zoëven waren geschied.
Zij hielden de verklaring in dat
de diakenen niet door de handoplegging van zijn handen
geordend waren, noch met de hemelse gaven vervuld waren, omdat
er nog geen met de heilige Geest vervulde gemeente was o m
diakenen te kiezen; dat dit echter komen zou; dat de hele
gemeente met de heilige Geest vervuld zou worden en haar
diakenen zou kiezen en dat de diakenen alsdan geordend met alle
gaven des Heilige Geestes vervuld zouden worden..
Ondertussen was het de wil des
Heren om het volk op het ontvangen van de heilige Geest voor te
bereiden, (merkwaardigerwijze heeft Irving het de ene keer over
hen die de heilige Geest ontvangen hebben, een andere keer over
het nog ontvangen van de heilige Geest) door het onderwijs van
de ouderlingen en Hij gewijd had en door wie Hij voorzeker Zijn
woord aan hen zou bedienen; dat de diakenen als het ware de
handen der gemeente waren om het woord Gods van de mond der
ouderlingen te ontvangen en dit de kudde over te dragen wanneer
zij onder de kudde rondgingen.
Het hield voor mij het idee in,
alsof diakenen de vaten waren die door de gemeente aangewend
werden om de hemelse gaven te ontvangen, die God door het
ouderlingenambt mededeelde: als het ware de handen van het
behoeftige volk, uitgestrekt om de schatten van goedheid die de
Heer door de rentmeesters over Zijn verborgenheden aan de
gemeente wilde geven.
Op deze zaak ga ik niet nader in
dan zoals het uitgesproken werd. Nadat ik de gemeente deze zaak
verklaard had en op haar had toegepast, loofden wij de Heer en
dankten Hem en na de gemeente aan Zijn hoede en bescherming
aanbevolen te hebben, zegenden wij haar en gingen huiswaarts.
Aldus hebt u een getrouw verslag
van Gods wegen in het ordenen van Zijn huis met een engel, met
ouderlingen, helpers, diakenen, profeet en evangelist.
Moge de Heer u in staat stellen
dit alles in geloof en liefde te aanvaarden en Hem dank te
bewijzen voor Zijn heerlijke daden onder ons.
Desondanks zijn wij een zeer
onnuttig volk, want ik ga u nu vertellen van het heengaan van
mijn lieve kleine Eben-Haezer die nu in de aangrenzende kamer
opgebaard ligt voor zijn begrafenis.
O! hij is zo’n gedenkteken van
ons ongeloof, waarlijk de Heer heeft ons de naaktheid van de
kerk getoond en ons tot het stof gebracht.
Dezelfde avond dat wij van dit
kerkgebouw bezit namen, waarin wij door het woord der profetie
waren gebracht, boden wij de kleine de Heer aan en wij noemden
hem onze Eben-Haezer, onze steen der hulpe.
Maar op dezelfde dag dat de
ouderlingen voor het eerst in hun ambt de gemeente dienden, de
afgelopen sabbath, kwamen zij eenparig op om voor hem te bidden
en zij vertrokken niet eerder dan nadat de Heer hem weggenomen
had en weigerde om hem op onze smekingen terug te geven.
Het was een kind dat vervuld was
met de schoonheid van zijner moederschoot: vrede, geduld en
vreugde en onbegrensde liefde waren op al zijn wegen, tot
omstreeks de tijd dat ik door de kerk uitgeworpen werd en hij
door een geleidelijke wegkwijning getroffen werd en niet meer
lachte.
Nadat ik van het proces rond
mijn uitwerping terugkeerde, lachte hij niet meer en daarvoor
deed hij niets anders dan lachen en nu ligt hij in vrede, gelijk
iemands wiens geest veilig in JezusEQ \O(', ) armen is.
En nochtans kan ik de goedheid
van de Heer zien, tot mij en tot de Ouderlingen en tot de
gemeente -want wij zijn één- in het wegnemen van mijn kind, meer
dan in hem te genezen of terug te geven.
Wij kunnnen het niet dragen,
broeder! Wij moeten nog veel dieper verootmoedigd worden eer wij
kracht van omhoog ontvangen kunnen.ik zou het niet anders
willen, behalve dat ik en mijn kudde geoefend mochten worden om
tot de gestalte te komen waarin de Heer ons wil zien. O,
broeder! bid voor ons, want wij hebben een verschrikkelijke
strijd voor ons. De ootmoedigste zal het beste varen in de
vurige strijd.
Edward Irving.
VERDERE INZETTINGEN VAN
APOSTELEN EN OPRICHTING VAN GEMEENTEN
De vijfde mei 1833 werd een
onvergetelijke dag voor de voorganger van de kerk in
Bishopsgate, de rev. Miller.
s Morgens, juist toen hij met de
gemeente het heilig Avondmaal wilde gaan vieren kwam een
profetie waarin werd gezegd dat hij daarmee moest wachten en de
gemeente gemaand werd om de vergadering niet te verlaten.
Dezelfde middag nog kwam de
verklaring, weer door middel van een profetie: "De Heer wil
apostelen en profeten hebben, heilige apostelen en profeten, om
zich te verheugen over de val van Babylon, en u (rev. Miller)
moet geordend worden door apostel Cardale."
Toen een week later weer
profetieën kwamen met dezelfde strekking, werd Mr. King naar
Newman Street gestuurd om de engel (Irving) te informeren.
King arriveerde tijdens een
dienst. Na de dienst werd besloten dat apostel Cardale met enige
andere dienaren poolshoogte zou gaan nemen in de kerk in
Bishopsgate.
De volgende dag hadden ze
gesprekken met Miller en onderzochten ze de geestelijke
toestand der gemeente. Miller werd gevraagd EQ \O(', )s avonds
naar de Newman Street te komen. Dat deed deze met een groot
gedeelte van zijn gemeente.
Die avond ontving Miller het
engel-ambt en een Mr. Harris het oudste-ambt voor de gemeente
Bishopsgate.
De vorming van nieuwe gemeenten
volgden elkaar nu snel op. Na Bishopsgate volgde de gemeente
Southwark waar Armstrong engel was, en College Street met Owen
als engel.
Bijna negen maanden lang was
Cardale de enige apostel, tot 25 september 1833 in Albury
Drummond door de Geest het ambt van apostel ontving en gemaand
werd trouw te blijven.
Nu werkte de twee apostelen nauw
samen. In november 1833 waren zij gezamelijk in Brighton waar
vele zielen door de prediking van Caird en Carré tot de gemeente
waren toegetreden.
Mr. King (de latere apostel
King-Church) ontving op 8 december 1833 middels een profetie de
mededeling dat hij een apostel des Heren was, zes dagen later
ontving Perceval, oudste in de gemeente Newman Street, eveneens
deze profetie.
Nog voor het gedenkwaardige jaar
1833 ten einde liep ontvingen Mr. Tudor, die tot dan oudste was
in de Newman Street, het engel-ambt over Brighton en William
Tait het evangelistenambt. Beide door handoplegging van apostel
Drummond op 29 december.
Zo werd 1833 afgesloten met vier
apostelen, vier gemeenten in Londen, één in Albury, één in
Brighton, allen met een engel als Voorganger en de gemeente
Chatham waar een oudste voorganger was.
In de eerste maand van 1834
openbaarde de Heer het als Zijn wil dat de engel van de gemeente
Southwark het apostelambt zou ontvangen. Op 21 januari 1834,
tijdens een avonddienst, werd Armstrong tot apostel afgezonderd.
Tevens ontvingen vier oudsten en drie diakenen de ordening in
het ambt.
De evangelisten Ryerson en Caird
ontvingen de opdracht om naar Amerika te gaan en vertrokken op 1
febuari 1834.
In Schotland waren grote
problemen ontstaan. De MacDonalds twijfelden voortdurend en
sleepten anderen in hun twijfel mee.
Desondanks kreeg ook daar het
werk voet aan de grond, met name in Edinburgh waar Walter Tait
veroorloofde dat de stem der profetie in zijn gemeente klonk.
Dat leverde hem de nodige problemen op en op 2 augustus 1833
werd hij uit zijn ambt gezet en verwijderd uit de Schotse
nationale kerk.
Tait trok met een groot deel van
zijn gemeente in een ander gebouw, maar David Dow, die sterk
onder de invloed van de MacDonalds stond, schiep een sfeer van
onvrede.
Op aanraden van Thomas Carlyle
vroeg Tait raad en bijstand vanuit Londen. Evangelist Caird werd
naar Edinburgh gezonden, waarop de warrige profetieën tot
zwijgen werden gebracht.
In januari 1834 vertrokken
Irving en Taplin naar Schotland om de gemeenten te onderzoeken,
te sterken en een bezoek van de apostelen voor te bereiden. Het
bezoek van de tweehoofdige delegatie werktte verhelderend. Tait
werd geroepen tot engel en verder werden acht oudsten en
diakenen geroepen. Sitwell werd geroepen tot engel van de
gemeente Lowick.
In gezelschap van David Dow
keerden Irving en Taplin op 19 februari 1834 naar Londen terug.
In de daarop volgende maanden
vertoefden de apostelen Cardale en Drummond in Schotland. Vele
die reeds tot een ambt geroepen waren, werden geordend en er
werden gemeenten gesticht in Edinburgh, Greenock en
Kirkcudbright.
Ook gezamenlijk bezochten de
apostelen Cardale en Drummond in juli van dat jaar het westen
van Engeland en grondvestte gemeenten in Bath, Bristol, Wells,
Chapstow en Frome.
Mr. Woodhouse, die in de
gemeente Newman Street diende als helper van de oudsten, werd
door een profetie op 13 augustus 1834 tot apostel geroepen. Met
zijn 29 jaren werd hij de jongste in het apostelambt.
Nu werden de besluiten genomen
door zes apostelen middels de heilige Geest. Een van hun eerste
besluiten was de dagelijkse ochtenddiensten om zes uur en de
dagelijkse avonddiensten om 17 uur te laten beginnen.
Irvings gezondheid liet tijdens
het voorjaar 1834 veel te wensen over. Eind mei werd hij ernstig
ziek en bad men voortdurend om zijn genezing. Ondanks zijn
zwakte bleef hij onverminderd werkzaam. Er werd echter druk op
hem uitgeoefend om rust te nemen in een warmer klimaat. Hij
besloot om naar Schotland te gaan in de veronderstelling dat de
vaderlandse omgeving hem goed zou doen.
Inderdaad trad er verbetering op
nadat hij vele oude bekenden had bezocht. Zo voerde hij
gesprekken met Thomas Carlyle, zijn jeugdvriend de historicus,
en diens vrouw Jane Welsh. Het laatste bezoek dat hij bij hen
bracht, verliep nogal emotioneel. Carlyle schrijft hierover:
"Ik zei tegen hem; "Bedenk, mijn vriend, dat is niet tot jou
gezegd. Alles wat in 1. Kor. 13 staat doe je immers. Ik vraag je
alleen: keer terug. Uit naam van onze aloude vriendschap zeg ik
je dat Ik zal niet dulden dat een van mijn vrienden het
slachtoffer wordt van bedrog en misleiding. Van ideeën van
eigen maaksel."
Gedurende deze tirade, die al
met al zeker 20 minuten duurde, zat Irving midden op de vloer,
rechts mijn vrouw, stil en medelijdend, links ik. Irving, met
zijn hoofd kaarsrecht omhoog, droeg al deze woorden met pijn,
tot ik uitgesproken was. Hij antwoordde op milde, zachte toon,
met een gezicht vol vriendelijkheid en liefde: "lieve vriend".
Dat was zijn hele verdediging. Ik moest nu eindigen en dat
speet me. Ik zei hem vaarwel voor de laatste keer. Hij wacht in
de eeuwigheid. God is met ons allen. Amen."
In een brief van 27 september
meldde Irving dat het hem "zeer veel beter ging."
Ook aan zijn gemeente schreef
hij brieven o.a. over het misbruik van zijn naam voor het
Godswerk.
Van de rust die hij nemen zou
kwam niet veel terecht. Het prediken en beleren kon hij niet
laten. Begin oktober 1834 liep hij een zware verkoudheid op
gepaard gaande met hoge koortsaanvallen. Hij vroeg zijn vrouw om
meteen te komen en ze ontmoetten elkaar in Liverpool. De reis
van daaruit naar Greenock werd over zee gemaakt. Deze zeereis
echter maakte hem nog zieker dan hij al was. Sporen van de
naderende dood waren al duidelijk zichtbaar toen het echtpaar
Irving eind oktober bij de familie Ker in Glasgow arriveerde.
Mevrouw Ker schreef hierover
onverwijld een brief naar Londen en eind oktober kwam apostel
Woodhouse in Glasgow aan.
Irving's zwager, Samuel Martin,
die tijdens de laatste dagen van zijn leven bij hem was schreef:
"De laatste twee dagen was hij voortdurend buiten kennis. Wat
op bed lag was het wrak, zowel lichamelijk als geestelijk, van
een machtig man. De laatste vierentwintig uur herkende hij
niemand, behalve af en toe zijn vrouw. Hij sprak veel, heel
veel, in tegenstelling tot de uren daarvoor, over niets anders
dan zijn Heer, het werk van de Heer en de kerk.
Eind november 1834 werd Irving
steeds zwakker en hij ontsliep op 8 december. De laatste woorden
die hij sprak waren:
"Als ik sterf, zo sterf ik in d
e Heer. Amen, amen!"
Op dezelfde dag dat Irving
overleed kwamen in Albury en elders profetieeen waarin gezegd
werd dat de Heer zich verheugde in Irving's komst. Francis
Sitwell één van de latere apostelen had dezelfde ervaring: "Ik
voelde me gedwongen om op de avond van Mr. Irving's ontslapen
te knielen en te bidden en er kwam een kracht over mij die me
gelukkig maakte, maar ik dacht dat dat een boze kracht was
(waarvoor ik de Heer om vergeving vraag) omdat ik het niet
passend vond."
Na zijn dood brak geweeklaag
uit, ook van hen die hem tijdens zijn leven verguisd hadden en
als ketter hadden veroordeeld.
Zo schreef het "Fraser's
magazine", een veelgelezen theologisch tijdschrift uit die
tijd: "Een van de nobelste figuren, een man van een antiek
heroïsche gestalte in een bedenkelijk modern kostuum, dat hem
slecht paste." Carlyle, de historicus, beschreef hem zo: "Hij
was de openhartigste, broederlijkste, moedigste man waarmee mijn
ziel ooit in kontakt gekomen is. Alles in alles noem ik hem de
beste mens die ik ooit op de wereld gevonden heb of ooit nog
hoop te vinden."
Cardale schreef: "Begaafd met
een leeuwenhart, trots maar bewogen als een vrouw, edel,
grootmoedig, totaal niet in staat om te bedriegen. Iemand, die
door de adel van zijn karakter, in de heiligheid van zijn leven
en trouw aan zijn dienst nooit overtroffen is en wiens inzet,
bereidwilligheid en vroomheid van onschatbare waarde voor de
kerk van Christus was."
Vele tegenstanders van het
apostolische werk, w.o. de biografe van Irving, Mrs. Oliphant
die ten onrechte schreef dat de Engelse Apostelen Irving naar
Schotland en dus de dood hadden gestuurd, hebben gespeculeerd
over wat er zou zijn gebeurd als Irving was blijven leven.
Zou echter God, waarin Irving
onvoorwaardelijk vertrouwde, die een God van orde en liefde is,
zich hierin hebben vergist?
Irving zelf zou deze
veronderstelling met kracht hebben teruggewezen.
Hij werd begraven in de St.
Mungo-kathedraal van Glasgow.
.
LAATSTE BRIEVEN VAN EDWARD
IRVING
Aan de kerk
Gods in Londen met de Oudsten en Diakenen.
Geliefden
in de Heer,
Ik stuur u
een afschrift van de laatste woorden (opgetekend in twee
brieven) van uw geliefde en geëerde Herder, als hoogst
waarneembaar getuigenis van hem over wiens lippen op deze aarde
nooit meer woorden des levens te horen zullen zijn en die aan u
gericht waren toen hij in de afgelopen tijd van u gescheiden was
en die hierbij, zoals in alle woorden die God via zijn mond
gesproken heeft: “hoewel dood, toch nog spreekt”.
Ik heb
daarbij een uittreksel uit een andere brief, die later aan mij
gezonden was, gevoegd. Verder een uittreksel uit een brief van
een broeder die gegevens over zijn laatste levensuren bevat.
Ik verzeker
u, geliefde broeders, dat ik uw trouwe en liefhebbende dienaar
ben.
24 december
1834
John Bate Cardale
Aan de
gemeente Gods die de Heer Jezus Christus aan mij toevertrouwd
heeft om ze te bewaren en te zegenen, met de Oudsten en
Diakenen.
Innig
geliefde mede-arbeiders en leden van de Kerk van Jezus Christus.
Het betaamd
mij, omdat ik het hoofdinstrument was, elke zonde te bekennen
waarom de hand Gods lang op mij gelegen heeft, en om alles te
doen wat in mijn vermogen ligt om het te overwinnen, zodat Hij
Zijn aangezicht weer tot ons wenden kan, en omdat geen zonden op
een andere manier en wijze, gedelgd kan worden, daardoor dat men
ze bekend.
Onze
bekentenis wordt nog ondersteund door ons weten, ons inzicht en
het laten van de zonden die wij bekennen willen. Ik denk dat ik
mijn God en mijn gemeente en de rust van mijn ziel en ook de
gezondheid van mijn lichaam, het beste kan dienen door het
streven u in de natuur en in de ergenis om deze zonden duidelijk
te maken, die de Heer noemde en beschreef als “ze maken een
kalf”.
U zult dan
begrijpen, mijn geliefden, dat de Heer in Zijn grote genade met
Londen, de stad die onze woonplaats is, tot het welzijn van de
gehele kerk besloten had, daarin een volledig en perfect
voorbeeld van datgene op te richten, van wat Zijn kerk moet
zijn, toegerust met de volheid van de heilige Geest. Dat
betekend, geen gebrek hebben aan enige gave of genade of vrucht
des Geestes, met heilige reinheid die niet alleen over ons land
zou uitstralen, maar over de gehele aarde, dat het volk hier
tezamen zou komen, zoals eens naar Zion en Jeruzalem, om de weg
en de woorden van de Heer te vinden.
Dat is het
grote raadsbesluit Gods, dat onze God op het geloof en op de
gebeden van Zijn kinderen die Zijn naam aanroepen, langzaam maar
zeker vervullen zal. Ondanks dit raadsbesluit hebben wij het
gewaagd, Hem daarbij te hinderen. Wij hebben Hem tegengewerkt
door iets anders tot stand te brengen. En het is door Zijn
genade, dat wij niet vernietigd zijn in het brandhout voor Zijn
toorn.
Het is
waar, we deden het in onkunde, maar wij mogen met betrekking tot
het werk van onze God niet onwetend zijn, omdat we toch profeten
hebben die ons de weg openbaren, en apostelen die ons leiden
naar de wil van de heilige Geest, die daardoor praten en
verordenen. Wij hebben herders die de Openbaringen Gods in een
eenvoudige en trouwe dienst voor het volk duidelijk maken. En
boven dat alles uit hebben we de heilige zalving met het lichaan
Christi, waardoor wij de mogelijkheid hebben om de waarheid te
herkennen en ons van alle verleidingen verre te houden. Maar is
onze gezindheid van genoegzaamheid, onze materieëele instellling
en ons misbruik van de zegende werking van Zijn woord dat in ons
midden gebracht wordt, voerde ertoe dat wij gemakkelijk in de
listen van de duivel vielen, die van plan is om het raadsbesluit
van onze God te vervalsen en te doorkruizen.
O, ik bleef
ver achter in het ambt van goede herder, ben niet uw bewaker en
beschermer geweest in deze dagen.
Daarom heb
ik bitterheid en zorgen in mijn hart en de hand van de Heer op
mij doen ervaren. Maar om op mijn bedoeling, u onze zonden
duidelijk te maken, terug te komen: U zult begrijpen, geliefden,
dat de volheid van de Geest, zoals onze God aan Zijn kerk in
Londen, schenken wilde, alleen maar onder de leiding en het
bestuur van de Heer Jezus Christus staan kan. Geen apostel, geen
profeet, evangelist, herder noch engel van welke gemeente ook,
geen enkele mens of welk ander creatuur ook, heeft meer als één
maat van de Geest, noch zal hij meer dan één maat of een deel
van deze Geest bezitten of regeren kunnen, want alleen Jezus
bezit die volheid in de kerk, waarover Hij regeert.
En als wij
zien, dat Hij het in Zijn raadsbesluit zo bepaald heeft om aan
Zijn kerk in Londen de volheid des Geestes te schenken, dat moet
Hij zelf daarover heersen. Hij die tussen de cherubim zit,
heerst alleen over haar.
Maar wij
beginnen een domheid door te denken dat de volle maat van het
tabernakel der Heer, aan de kerk gegeven had waarin ik als engel
fungeerde. Dat zou niet minder te betekenen hebben dan een
verhoging van de Engel der kerk, in de plaats van Christus. Ik
beef, als ik aan die vreselijke gevaarlijke plaats denk, waarop
ik gezet ben. Nu, deze afgod, waarover we het hebben is in de
Schrift bekend als het kalf. En deze verheffing van de Engel der
kerk, om aan de top te zitten over de volheid van de geest, was
werkelijk als het maken van een kalf om te aanbidden, inplaats
van Hem te aanbidden die tussen de Cherubin zit.
Ik spreek
nu niet van het onrecht en de oneer die op de andere
ambtsdragers van werk Christus gelegd wordt, door de verheffing
van de één. Ik beschouw onze zonden als één die Christus zelf
treft, de Godszoon. En ik zie het niet anders dan als een listig
verzonnen voorbeeld om Zijn handen, de duurzaamste en edelste
van allen, Zijn voorrecht als Hoofd der kerk, te vervreemden en
aan een ander te geven.
In
hetzelfde licht zie ik de benoeming van evangelisten door mij,
dat wat aan geen ander toekomt dan aan de tweede Adam. Hij is
het, die elk dier en elke boom in het geestelijk Eden, zijn naam
geeft. Ook daarover heb ik berouw en ik roep de gehele gemeente
op, dit met mij te berouwen. Ook in dat licht zie ik het
uitzenden van niet-geordende evangelisten, dat een
geringschatting van Jezus, de Apostel in Zijn apostelen was, die
alleen het recht van uizending heeft. In al deze zaken heb ik
zwaar tegen de Heer gezondigd, en u met mij. Wij waren verblind,
wij waren niet waakzaam, wij waren eigengereid. Wij waren
tevreden, rijk geworden te zijn. Wij dachten niet aan de armoede
van anderen. Wij waren ongeduldig tegenover de leiding der
Apostelen, de Heer in hen. Wij zochten de onafhankelijkheid van
de kerk, maar in plaats van de genade Gods oogsten wij de
onafhankelijkheid van Satan.
God zag dat
deze stand van zaken niet uit ons hart kwam. Hij zag dat in ons
hart verder niets was en dat wij door onze eenvoud, door de
macht van het boze, gegrepen waren, En daarom had Hij medelijden
met ons en begon de sluier voor onze ogen weg te nemen door de
hand van Zijn Apostelen aan wie Hij het juiste inzicht in deze
dingen gegeven heeft en die uitspraken wat zij zagen.
Maar voor
wat mijzelf betreft ging ik aarzelend, ja tegenstribbekend, van
mijn verkeerde weg af waardoor ik de zware tuchtiging der liefde
van mijn God naar mij toe getrokken heb. En de Heer heeft
duidelijk gemaakt dat dezelfde neiging tot de boze zaken onder
de Oudsten en het volk aanwezig was.
Laat ons
nu, mijn lieve kinderen, één van zin zijn zodat wij met afschuw
en weerstand afleggen, waardoor wij in zo’n vergissing en zo
verschrikkelijk misleid, gevonden zijn. Want ik ben er zeker
van dat de Heer ons bij het laatste avondmaal daarvoor een teken
van goedheid toonde, dat het tot ons ontwaken gebeurde, dat wij
door Zijn wederkerende liefde onze vorige eigen weg verafschuwen
en snel onze voeten op de weg van Zijn heerschappij plaatsen.
Als wij
echter in een toestand der verdoving volharden, ons de
aangelegenheid weer ter harte nemen noch ze van harte te
berouwen, weet ik niet met welk nieuw en nog ernstiger gerecht
Hij zowel U als mij, beproeven wil.
Ik heb
echter in mijn hart een goede hoop dat er een opwekking komt,
dat we de bedoelingen van de Heer begrijpen en geduldig op Hem
hopen. Toch ben ik over enigen niet zonder vrees, dat ze zich
van de weg des levens afkeren en op hun vroegere wegen, die niet
goed zijn, blijven.
O, herinner
u, mijn geliefden, dat wij nu niet meer die zijn, die we waren
toen de Heer ons vond. Wij zijn geroepen en uitverkoren en zijn
afgezonderd tot een groot werk dat de Heer wil beginnen in ons
en door ons en voor Zijn gehele kerk, ja voor de hele wereld,.
Wij willen niet meer in ons huis van de ander huizen gescheiden
wonen, wij willen niet in de schaapssstallen vertoeven, nog
minder willen wij ons neerzetten bij de vleespotten van Egypte,
maar we moeten onze lendenen omgorden en voorwaarts trekken. Wij
moeten de last van de Heer dragen. Wij moeten beseffen dat Zijn
tegenwoordigheid midden onder ons is en onze schoenen uittrekken
omdat de plaats waarop wij staan, een heilige plaats is. Het is
het woord van de Heer dat wij ontvangen hebben, om het heilig te
houden en Hem te gehoorzamen. En gelooft zij de Heer, dat Hij
het getuigenis van de Geest in ons midden bewaard heeft en
iedereen teruggewezen die tot enige misvorming van Zijn woord
verleid waren.
O, eer zij
het woord van de Heer steeds wanneer het onder ons verkondigd
wordt. Gij, oudsten, vereerd het, U volk Gods, vereerd het.
Roep tot de profeet, want hij is het verkoren werktuig. Belemmer
hem tegen zijn rebellerende hart, laat hem niet gaan, en als hij
niet wil terugkeren, o wees dan niet mede schuldig aan zijn val.
Ik
mijnerzijds, terwijl ik mij bewust ben dat ik door de Heer onder
Zijn dienaren verkozen ben en door Hem gebruikt is om u raad te
geven, ben mij ook van Zijn hand bewust die op mij ligt, om mij
zwak te maken.
Maar ik
verwacht niet dat Zijn hand terug genomen wordt voordat wij
gemeenschappelijk vol en geheel al onze zonden berouwt hebben en
innerlijk door Hem gereinigd zijn.
De genade
van onze Heer Jezus Christus, en de liefde van God de Vader en
de gemeenchap met de heilige Geest, zij met u allen, Amen.
Uw trouwe
en liefhebbende Herder
Edward
Irving
Glasgow, 25
October 1834.
Ik weet dat
noch tijd, noch plaats u van mijn hart scheiden kan, dat u mij
zo waardevol bent als mijn eigen leven. Het is de Heer die deze
band der liefde geknoopt heeft, die zelfs de dood niet verbreken
kan, want krijgen wij niet onze kroon der vreugde in de
nabijheid van de Heer bij Zijn komen?
Geliefden,
u moet niet bedroeft zijn els ik u zeg dat de hand van de Heer
zwaarder op mij drukt, dan ooit tevoren. Ik ben erg verzwakt en
duizelig en heb nauwelijks nog kracht om iets anders te doen,
dan alleen om de Heer te roepen. Want ik ben zonder wijsheid, in
de geest neergeworpen en wens dat de Heer Zijn heerlijkheid, op
welke wijze dan ook, genadig zal openbaren.
Toch is het
een pijnlijke aangelegenheid, dat wij door onze zonden, door de
hand van een genadige God zo geteisterd worden. Laat ons berouw
tonen en ons meer verdeemoedigen en meer en meer zacht en teder
in het aangezicht van onze God wandelen, elke ijdelheid en
afgoderij afleggen, waardoor onze Heer barmhartig met ons is en
de zwaarte van Zijn hand ver van ons neemt.
Lang heb ik
geprobeerd om te ontdekken en steeds heb ik de Heer gesmeekt, om
mij de velerlei redenen voor onze pijnlijke scheiding en de
volledige zwakte van uw hoofd, te openbaren; en het is mij
geopenbaard, dat wij niet uit het woord van de Heer de lessen
getrokken hebben. Wij zijn daardoor niet gekneed geworden, ik
noch u, en daarom is de Heer met Zijn gerecht over ons gekomen
en heeft Zijn hand op het hoofd des aanstoots gelegd en wil ons
helemaal afbreken, als wij geen boete doen.
De hardheid
en verstoktheid van onze harten, ondanks de stromen van liefde
die direct uit het hart van God vloeden, heeft zijn toorn
gewekt. Hij heeft zich in Zijn trouw opgemaakt de Herder der
gemeente te vellen.
En ik erken
dat Hij terecht bedroeft is, en desondanks vol barmhartigheid en
liefdevolle vriendlijkheid.
En als Hij
mij met het zwaard en het gerecht wil slaan, zal ik deze
handeling van Zijn barmhartigheid goedkeuren en mijn vertrouwen
in Hem stellen. O, ik had veel ernstige beproevingen der ziel
tijdens mijn afwezigheid van u, en Satan had verlof ontvangen om
mij met zijn vuist te slaan. Maar de Heer heeft mij ook
bijgestaan en heeft mij uit de diepte omnhoog geholpen en mij
met Zijn eigen vrije Geest getroost. Mijn vertrouwen is in Hem,
aan Hem waarin ik gelooft heb, is groter geworden, tesamen met
het vooruitzicht dat Hij zich opgemaakt heeft om Sion en
Jeruzalem te bouwen, dat alle natieën en koningen zich
verzamelen zullen om de Heer te prijzen. Ik en u hebben
gezondigd toen wij de stem van de Heer door de verharding van
onze harten niet gehoord hebben. En nu heeft de Heer onze harten
met droefheid vervuld. Ik ben er zeker van dat deze droefheid
ertoe dienen zal om, zowel bij u als bij mij, te
bewerkstellingen dat onze harten open gebroken en ontvangst
bereid worden.
Daarnaast
merk ik, dat de Heer mijn naam helemaal van het werk scheiden
wil, dat Hij tot zegen voor de gehele mensheid opgericht heeft.
O, wat voor een zorg is het voor mij geweest dat mijn naam
gewoonlijk aan het werk des Heren gekoppeld werd. Vaak ben ik
daarover heel bedroefd en beschaamd geweest, omdat er geen
andere naam dan de naam van Jezus zal zijn, zodat ik de Heer
bijna gesmeekt heb om liever weg genomen te worden dan dat de
naam van Zijn hooggeloofde Zoon in de schaduw van mijn naam
komt. En het is inderdaad mijn grootste troost, hoewel ik van u,
mijn geliefde kinderen en van onze broeders, zo ver verwijderd
ben, dat het duidelijk zal worden, zelfs voor de vijanden van
het werk van de Heer, die mij sterk in het lichaam gemaakt heeft
en Hem te dienen en om mij en vooral aan de kerk de vervulling
van het woord duidelijk te maken.
Al het
vlees is als gras en alle heerlijkheid als de bloemen in het
gras. De hand van de Heer heeft mij aangeraakt en het vergaat
mij als in het motto: “Hij echter zendt verder Zijn levend
makende Geest, en het vervallen uiterlijk van de aarde zal nog
eenmaal vernieuwd worden”.
O, roept
naar de uitgieting van de heilige Geest, dan zal het lied der
vreugde in de woningen van de rechtvaardigen zijn
Innig
geliefden in de Heer, brengt lof en dank, want de Heer heeft uw
gebeden verhoord en helpt Zijn dienaar.
Sinds de
laatste dag van de Heer (zondag), toen u aan het sacrament van
het heilig Avondmaal deelnam, ben ik duidelijk weer vervult met
een zekere kracht en ben in staat geweest om de aanbevolen
oefeningen weer te doen, namelijk paardrijden. En ik was in
staat om een godsdienstoefening binnen de familie, waarin ik een
hartelijk onthaal gevonden heb, te houden.
O, verheug
u weer in de zegeningen van Gods kerk, want treurig is de
toestand van velen in de kerkafdelingen, die wel vrolijk het
evangelie ontvingen, maar niet tot een kerk behoren. Het is de
grote genade Gods aan deze stad Greenock en aan Paisley, dat Hij
eraan begonnen is Zijn volk tot een kerkelijke eenheid op te
bouwen.
Veilig is
de gemeente waar de deurwachter de deur solide dicht houdt. Maar
geef Hem de eer voor uw veiligheid, dan zal u bij het in- en
uitgaan op de vruchtbare weide geen gevaar dreigen.
U, Zijn
dienaren, laat het woord dat bij God was, dat God was, door u
gesproken worden.
En U, volk
des Heren, laat het woord van God in het oor van de heilige
Geest die in u woont, ingaan. Dan zal u Zijn getuige zijn, zij
aan zij met de andere kerken en broeders, als pijlers en
toetssten der waarheid. Wees één van zin en één van Geest met de
Heer. Leg af alle strijd en twijfel, want is niet de eeuwige God
uw steun?
De vrede
Gods zij met u en met heel Israël.
Uw trouwe
en liefhebbende Herder,
Edward
Irving.
Gedeelte
uit een brief van Edward Irving aan de Heer Cardale.
Glasgow 5
november 1834.
De hand des
Heren ligt nog even zwaar op mij als voorheen. Onder deze deze
hand verlang ik er naar mij met de gehele gemeente te
verdeemoedigen en daarbij te wachten op het raadsbesluit van
God. Vaak denk ik, dat het de zachte hand van de Heer is die
iedere band tussen mij en mijn gemeente geleidelijk verbreekt,
omdat het dreigdE tot een soort aanhankelijkhieid over te gaan,
ja zelfs tot een afgoderij dreigde uit te groeien. O, hoe ik van
ze hou! Hoe dankbaar ik voor ze ben! Hoe werd ik door hen
verwent! En ik weet zeker dat hun liefde voor mij sterker is,
als mijn liefde voor hen. En ik zie, het is de grote goedheid en
geduld van onze God, daarvoor te zorgen dat dat verhinderd
wordt. Omdat deze neigingen in onheiligheid overgaat en dat Hij
ons een grote dienst bewezen heeft om ons zover uit elkaar te
brengen, zodat we onze harten onderzoeken kunnen en zelf kunnen
vaststellen dat onze wederzijdse liefde uit God is! O, wat voor
een verschrikkelijke zaak is het, een broeder bedroeft of
bedrogen te hebben, omdat elke ziel door het bloed Gods
duurgekocht is.
O, wees vol
ijver voor Hem, mijn lieve zoon, en vol van ijver voor deze
kerk, dat Hij Zelf, als een kuise maagd, tot Zijn bruid gemaakt
heeft. O, laat geen dienaar proberen de opmerkzaamheid op
zichzelf te vestigen, want trekt hij dan niet daardoor de
gemeente van haar bruidegom -van de Heer- af?
Gedeelte
uit een brief van een vriend en broeder van de Heer Cardale.
December
1834.
Uit alles
is het duidelijk dat het in deze laatste uren waren, voordat
hij de rust Gods ingaat, die een bron van vreugde maar ook van
droefheid zijn. Het is hem aan de zien, dat hij naar het lichaam
veel pijn lijdt, hoewel hijzelf als ook zij die rondom hem
stonden.
In zijn
geest was merkbaar vrede en vreugde. Op zondag zei hij tot zijn
vrouw: “Als ik sterf, sterf ik in de Heer”. De laatste woorden
die hij tegen zijn vrouw zei, bevatte de wens, hem Psalm 18
helemaal voor te lezen. Als zij even haperde vroeg hij haar
steeds om verder te lezen. Aansluitend vroeg hij om het vierde
en bvijfde hoofdstuk van de eerste brief aan de Thessalonikers.
Toen zei hij: “Vrede zij met je”.
Dat waren
de laatste woorden die hij duidelijk tot haar richtte. Tegen de
heer Taylor, bij wie hij in huis woonde, waren zijn laatste
woorden: “Baant een weg naar de kerk, baant een weg naar de
kerk”.
Tegen zijn
schoonvader zei hij: “O, de diepte des vredes en de vreugde van
Jezus Christus”.
Zijn
gebeden golden voornamelijk de kerk en in het bijzonder zijn
eigen gemeente en toen zijn moeder hem vroeg, of hij nog iets
tot zijn vrouw of kinderen wilde zeggen, antwoordde hij: “Nee,
wat zou ik nog moeten zeggen? De Oudsten zullen zich over hen
ontfermen”, of “ik vertrouw de zorg over de gemeente aan de
Oudsten toe”. Aannemelijk is dat de woorden die hij wilde
spreken moesten zijn: “Ik geef de Oudsten de gemeente in Londen
en alle gemeenten, om voor te zorgen”.
De laatst
verstaanbare woorden die hij sprak waren “bewaren tot die dag”,
wat, zoals ik aanneem uit de tekst van 2 Tim. 1:12, “ik weet,
wie ik geloof enz.” stamt. Dan gleed hij voor ongeveer zes uur
in een bewusteloze toestand, kreunde erg veel en toen ging de
geest van Edward Irving heen naar de rusttoestand, waar hij
nooit meer kreunen zal. De pijlenschieters hebben op hem
geschoten en pijn bezorgd, maar nu is hij heengegaan in Zijn
heerlijkheid. Hij heeft zijn werk voltooid, hij heeft zijn
loopbaan gelopen. Hij heeft zijn strijd gestreden en God heeft
hem weggenomen. Het is niet aan mij, of wie dan ook, speculaties
te doen, waarom of waar het uur ligt of lag, die oorzaak waren
voor dit wegnemen. Ten dele misschien aan het land waarheen hij
gezonden was, ten dele aan de gemeente, en misschien ten dele
aan zichzelf. Want zelfs de besten onder ons (en zeer zeker was
hij de beste) zijn allen koppige en eigenwijze wezens. Maar
zeker geloof ik dat dit verlies, deze zware slag, zal de kerk
van de Heer drukken op haar zonden, haar afgoderij van een mens,
haar ingeloof in God en haar geringschatting van de heilige
Geest. Ik zie veel in de tegenwoordige toestand van de kerk dat
de Heer niet zonder schade kon laten voortduren. Als één lichaam
zijn we zwak, erg zwak,ontrouw, onverschillig en zorgeloos, en
als de Heer onze gebeden verhoord had, en hem genezen had,
zouden wij ons voor goed en rijk en vol van geloof gehouden
hebben. Daarom was deze slag, deze tuchtiging, absoluut nodig om
op te waken uit onze slaap, de zelftevredenheid en de wereldse
gezindheid.
Ik zie heel
precies, dat sinds de stichting van de gemeenten en de
inrichting, een stilstand gekomen is, tevredenheid met de
uiterlijke zaken en dat, zodra wij ontvangen hadden waarom wij
gebeden hadden -een Herder, Oudsten, sacramenten- de roep naar
de doop met de heilige Geest, sterk afnam, en dat het beijveren
voor de eer van onze heer Jezus Christus, als Hij die met de
heilige Geest doopt, minder werd.
Wij
ijverden niet meer om getuigen ervan te zijn, dat het Zijn naam
en ambt is (en hoe kunnen wij getuigenis afleggen, als alleen
door dat wat wij ontvangen hebben en wat ons geopenbaard is).
ja, wij
rusten uit in ons zelf getimmerde huisjes, terwijl het Huis van
de Heer, hoewel niet geheel en al verwoest, tenminste
onvoleindigd en onbewoond bleef. Wij zijn ongevoelig voor de
eenzaamheid, dat wij zonder Hem zijn, omdat wij zelfzuchtig en
vergramt zijn en ons zeker voelen en ons niet bekommeren om hen
die in gevaar zijn. Daarom moet de Heer over ons heen vallen en
onder ons treden, hoewel Hij dat niet wilde en wij ook niet. En
net zoals men verplicht is, om iemand die teveel gedronken
heeft, wakker te maken om zijn leven te redden, zo is Hij in
Zijn barmhartigheid verplicht ons te wekken, om ons door de
vreselijke slag die ons getroffen heeft, ons uit onze
verlammende onverschilligheid te trekken.
Ach, het is
een vreselijke slag. Er was niemand die wij zo lief hadden als
hem, want hij had de eenvoud van een kind, de liefde van een
vrouw en het hart van een leeuw. Hij was waarlijk een man met
een katholieke geest, een groot hart. En hoewel hij soms toonde
dat hij menselijk vlees had, zo is zeker dat het lichaam heeft
geleden en nu zal niemand hem meer kunnen verleiden, want hij
slaapt rustig en vredig in de kathedraal van Glasgow, wachtend
op de dag van de Heer, de dag van zijn opstanding in
heerlijkheid.
Hoewel er
ook met betrekking tot het lichaam veel reden voor droefheid
geeft, zo hebben wij toch voor het betere, onstervelijke deel,
alle reden voor vreugde en brengen God de dank, dat heel zeker
het einde van alles de vrede is, en dat zijn geloof en zijn
vertrouwen op God en in het werk van de Heer, onveranderlijk is
en vast is gebleven tot het einde. En nu hebben wij hem in het
graf gelegd “in het vertrouwen en zekere hoop op een zalige
opstanding”.
Hij heeft
zijn deel aan het werk gedaan. Wat nu voor de achter geblevenen
geldt is om onze plichten na te komen, te waken, onze
zorgzaamheid te verdubbelen en trouw te zijn, zoals hij het was,
zelfs in de dood!
Niets van
zijn theologisch denken en geschriften heeft Edward Irving op
zo’n doodsbed terug genomen, zoals de Geneefse professoren
suggereerden. Integendeel, de beide brieven getuigen van een
diepe deemoed, een groot geloof en een groot vertrouwen in de
Heer.
CHRISTOLOGIE VAN EDWARD IRVING.
... en de rivieren
van kennis moeten vloeien in de oceaan van het geloof ...
“Dat het leven maar kort is, dat
zie ik. Dat het verwaarloost wordt. Daar ben ik mij van bewust,
de verantwoordelijkheid overstelp mij en de ijdelheid ervan,
daar schaam ik me voor.” (uit een brief aan Jane Welsh, 9
september 1822).
Nauwelijks 30 jaar werd Edward
Irving zich dus al de betrekkelijkheid van het leven en het
korte verblijf op aarde bewust.
Hij overleed jong, op 42-jarige
leeftijd. Het is nauwelijks voorstelbaar wat deze grote man,
niet alleen geestelijk maar ook qua gestalte, in de weinige
jaren die hij werkzaam is geweest, heeft volbracht. Door velen
werd vergeleken met Johannes de Doper, Martin Luther en John
Knox.
Vogens de mening van sommige
biografen dat Irving zou stammen uit het geslacht Luther, de
naam van zijn moeder was Mary Lowhter wat een verbastering zou
zijn van Luther. Daarvoor is echter geen enkel bewijs te vinden.
Hij werd bewonderd en vergruisd.
Hij werd uit zijn kerkgenootschap, de Nationale Schotse Kerk
gestoten maar toch ligt hij in de St.Mungo Cathedraal te
Glasgow begraven en daar is ook een glas-in-lood raam
aangebracht met het gezicht van Irving in de gedaante van
Johannes de Doper.
Veel van zijn geschriften
vormden een bron voor latere schrijvers.
Zijn biografen beschrijven
weliswaar Irving's kinderjaren maar trekken daar geen
conclusie's uit voor wat betreft zijn latere inzichten omtrent
religieuze zaken. Zoals al eerder beschreven, bezocht Irving
met zijn onderwijzer en klasgenoten regelmatig de diensten in
het nabij gelegen Ecclefechan waar ds. Johnstone voorging.
Deze Johnstone was een z.g.
Dissenter. Dissenters (dissidenten) was een verzamelnaam voor
allen die in hun geloof verschillenden van de staatskerk, in
Irving's geval de Schottish National Kirk, b.v. Baptisten en
Methodisten. Het dissident zijn had nogal wat consequenties.
Groot-Brittannië had nog een sterke theocratische staatsvorm.
Het was voor Dissenters niet mogelijk om in overheidsdienst te
treden, allerlei beperkingen werden hen in de weg gelegd. Pas in
1828 werd de "Act of Supremacy", waarin het bovenstaande vervat
was, opgeheven. overigens niet zonder tegenstand. Velen, w.o.
ook Irving (A Letter to the King, 1828) vreesden dat de
"roomsen" en de Paus, die gezien werd als de verpersoonlijkte
duivel, maar ook de reformatorische kerken aan invloed in
Engeland zouden winnen.
Thomas Carlyle heeft deze
periode uit het leven van Irving beschreven: De zondaagse
diensten in het gebouwtje van Mr. Johnstone waren de
hoogtepunten van de week. Sommigen kwamen helemaal vanuit
Carlisle, een andere groep, en één van hen werd mij later bekend
als Edward Irving, uit Annan. Hun stomende jassen hingen, bij
nat weer, uit te druppelen.
(Thomas Carlyle. A
history of the first forty years of his life, 1795-1835, vol. 1,
by James Anthone Froude.
Eén van de bekendste werken van
Carlyle "Sartor Resartus" is fictief maar bevat ook vele
elementen die overeenkomen met de gymnasiumperiode te Annan.)
Uit Schotland waren altijd al
afwijkende theologische geluiden te vernemen. Het leven in de
"highlands" was hard, de mystiek bloeide en hier was het leven
anders dan in het “gecultiveerde” Engeland.
Twee namen van Schotten die ook
een rol hebben gespeeld in Irving’s leven willen we hierbij
vermelden: McCampbell of Row en Thomas Erskine.
Nogmaals, het is niet na te gaan
in hoeverre deze jeugdervaringen Irving hebben beïnvloed maar
ze hebben zeker bijgedragen tot zijn vorming. Niet alléén bij
Irving maar bij vele anderen die in het verloop van dit
hoofdstuk de revue zullen passeren.
Ook de jaren die Irving als
assistent van Ds. Thomas Chalmers werkzaam was zullen zeker
sporen hebben nagelaten. Chalmers had niet veel op met Irving's
latere meningen en publicaties maar tot een echte veroordeling
van Irving is hij nooit gekomen.
De eerste publicatie van Irving
was speciaal geschreven voor Chalmers: "Farewell Discourse on
leaving St. John's Glasgow", een brochure van 41 pagina's, maar
ook het eerste boek dat hij schreef: "For the Oracles of God" (4
Orations, 1823) droeg hij op aan Chalmers. Hij schreef in het
voorwoord o.m.: "Toen ik als uw assistent werkte was ik
onvermoeibaar. Ik kan God niet genoeg danken omdat Hij mij met u
in contact bracht."
Irving heeft niet alléén maar
het goede van God ervaren. In zijn privé-leven is hem niets
bespaard gebleven. Vooral het verlies van zijn eerstgeboren
zoon, Edward, was een smartelijk verlies dat hij dragen moest.
Niet alleen ontviel hem de kleine Edward, van de 7 kinderen
bleven er slechts 2 in leven. Mede door het vroegtijdig
ontslapen van zijn kinderen werd één van de thema's waarover
hij schreef de doop.
Tot volledige ontplooiïng van
Irving's christologie kwam het pas nadat hij in juli 1822
voorganger werd van de ca. vijftig zielen tellende gemeente van
de Schotse kerk in de Caledonian Chapel.
Van een kleine ingedommelde
gemeente werd het de belangrijkste kerk in Londen. George
Cunning, parlementslid en later minister-president, bezocht
één van Irving's predikingen, beschreef deze dienst als de
"…het meest welgesprokene wat hij ooit had gehoord en Irving als
de "de grootste openbare spreker van onze tijd".
Hij sprak hierover in het
parlement en vele Engelse prominenten uit die tijd, vooral op
literair gebied, wilden hem wel eens horen.
Zo bezochten o.a. Macaulay,
Charles Lamb, William Hazlett, Dorothy en William Wodsworth, Sir
Walter Scott en S.T. Coleridge diensten van Irving. Ook de
latere minister-president Wlliam Gladstone bezocht als kleine
jongen Irving’s prediking en was diep onder de indruk.
Zo groot werd de toeloop dat de
hele omgeving van de kapel verstopt raakte van de rijruigen en
de kranten daarover steen en been klaagden. Uiteindelijk moest
Irving toegangskaarten persoonlijk liet verstrekken omdat het
aantal zitplaatsen te beperkt was.
Allerwege werd de aandacht naar
Irving getrokken. Zijn kerk bleef volstromen. Carlyle, de
historicus, heeft een nogal tweeslachtige houding aangenomen ten
opzichte van Irving. Een zekere jaloersheid kan een opmerkzame
lezer in zijn ge
schriften over Irving
bespeuren.
Irving was "rijk", had een
goedgevulde boekenkast en werd bekend, Carlyle moest vechten om
erkenning te vinden en leefde lange tijd in erbarmelijke
omstandigheden. Later, toen Irving in conflict met de gevestigde
kerk kwam, trok Carlyle openlijk Irving's verstandelijke
vermogens in twijfel. Maar, terecht, merkt één van zijn
biografen op: “hoe had Irving zulk magnifieke boeken kunnen
schrijven als hij zo in de war zou zijn geweest als enkelen
het wilden voorstellen”.
In de eerste periode van zijn
verblijf te Londen was Irving bevriend geraakt met het echtpaar
Montague. Mrs. Basil Montague zorgde als een moeder voor de
jongeman. Het was ook ten huize van de Montague dat Irving
kennis maakte met Samuel Taylor Coleridge.
Deze Coleridge (1772-1834) had
al het één en ander meegemaakt. In zijn jeugd was hij een
aanhanger geweest van het Unitarisme. Het Unitarisme ontstond in
de 16e eeuw. De aanhangers hielden vast aan de
concilies van Nicea (325) en Chalderon (451). Zij werd massaal
vervolgd en emigreerden daarom in de negentiende eeuw
groepsgewijs naar Amerika. Zij erkennen Christus slechts als
mens en verwerpen de Drie-Eenheid. Zij gingen er vanuit dat niet
de letter van de bijbel, maar de geest belangrijk was.
Coleridge was verslaafd geweest
aan alcohol en narcotica, waarmee hij zijn gezondheid ruïneerde.
Nadat hij in 1815 door een psychiater weer in goede banen
gebracht was keerde hij het Unitarisme de rug toe en werd weer
lid van de kerk van Engeland. Coleridge raakte sterk onder
invloed van Duitse filosofen w.o. Schleiermacher en nam van hen
het z.g. evangelische christendom over. Zo schreef hij o.m.:
“Met deze bedoelingen, met deze gevoelsns heb ik de boeken van
het Oude en Nieuwe Testament –ieder boek als een geheel en ook
als een compleet deel- onderzocht. En het is nodig te zeggen dat
ik overal min of meer dezelfde bron van waarheid en krachtt en
reinigende werking heb gevonden – dat ik woorden heb gevonden
voor mijn diepste gedachten, liederen voor mijn blijdschap,
uitingen voor mijn verborgen verdriet en een pleidooi voor mijn
gebreken en zwakheden”. En “al te snel waren de theologen van de
kerk vergeten dat het hart, de zedelijke natuur, het begin en
het einde zijn en dat waarheid, kennis en inzicht nodig zijn
voor de uitbreiding … Want het geloof is praktijk, christen zijn
is leven, niet een filosofie”. . (Confessions of an Inquiring
Spirit, 1840).
Als iemand aan Coleridge vroeg
dit het te bewijzen, dan was zijn antwoord eenvoudig: "Probeer
het, de waarheid van het Christendom bewijst zichzelf."
(Aids on Reflections,
blz. 108, 126 en 134).
Vooral van Lessing nam Coleridge
de stelling over dat de geschiedenis één doorlopend proces is,
zonder verleden is het heden niet mogelijk.
Hij raakte diep onder de indruk
van Irving´s preken en schreef over hem: "Ik blijf erbij dat
Edward Irving meer van de geest en het streven van de eerste
Hervormers bezit, dat hij meer van het hoofd en hart, het leven
en de geestelijke kracht van Martin Luther heeft dan iedereen
die vandaag leeft”. (Collected Works of S.T. Coleridge).
Coleridge gaf de Engelse
theologie een bredere horizon, een frisse inspiratie zoals
Schleiermacher het in Duitsland had gedaan. Ook Carlyle
beschrijft de vriendschap tussen Coleridge en Irving. Coleridge
schildert hij af als een onafzichtelijk monster en verwijt
Irving dat deze een bijna devote achting voor Coleridge heeft.
De hechte vriendschap tussen
beide mannen duurt van 1823 tot 1826, het jaar waarin de eerste
Albury-conferentie plaatsvind. Dan volgt een verkoeling omdat
Irving meer aansluiting zoekt met James Hatley Frere (1779-1866)
en diens stellige overtuiging van JezusEQ \O(', ) spoedige
wederkomst naar de aarde.
Enigzins spottend schrijft
Coleridge dat Frere schreef en praatte over "… “duizendjarig
rijk - en ik weet niet wat Armath Geddon (Armageddon) en de
Joden" (Brief 8 febr. 1826 aan zijn broer Edward Coleridge.)
Na IrvingEQ \O(', )s vertaling
van het werk van Lacunza schreef hij:
"O, Edward Irving! Edward
Irving! door welke betovering is jouw geest weggetrokken van
passage’s zoals deze 2 Thess. 2:1-10, om te gissen en te dromen
over de voltrekking van de Openbaring". (Literary Remains, vol.
5 Compl. Works, blz. 518)
Later schreef Coleridge:
"Tenslotte is de aard van de christelijke kerk algemeen. Ze is
noch Latijn noch Grieks! In Engeland bestaat een Katholiek en
apostolische kerk, die ik liever gewoon de kerk wil noemen, of
de katholieke kerk van Christus in Engeland. De roomse heeft
geen nationaal karakter, maar is ook niet universeel. De Engelse
kerk heeft alle betrouwbare gewoonten behouden en beantwoord aan
de behoeften van de Engelsman.”.
Dat we langer stilstaan bij
Coleridge komt omdat zijn invloed op Irving later van groot
belang zou blijken te zijn. Zo b.v. in IrvingEQ \O(', )s
geschriften over de mogelijke zondigheid die Jezus Christus,
op aarde, zou kunnen hebben gehad.
In 1830 begon het proces tegen
IrvingEQ \O(', )s vrienden McLeod Campbell of Row, Hugh Maclean
en A.J. Scott.
Hoewel Irving hierbij niet
direct betrokken was raakte dit hem wel en hij hield speciale
kerkdiensten om te bidden voor hen en om een helder inzicht bij
leden van de General Assemblee die moesten oordelen. Samen met
McLeod Campbell verzette Irving zich tegen de destijds
heersende predestinatie-leer. Een ander woord voor
predestinatie is voorbeschikking. God heeft in Zijn raadsbesluit
alles beschikt en hoe de mens zich ook wendt of keert, hij is
uitverkoren of niet. Daarin is geen verandering te brengen, God
heeft het nu eenmaal zo beschikt.
Veelvuldig wordt daarbij
verwezen naar Rom. 8:29, 9:11 en Efeze 1:4.
Maar wie bepaalt wát door God
verordineerd is of wat uit menselijke overwegingen is
voortgekomen?
Dat een toestand niet statisch,
dus onveranderlijk, hoeft te zijn bewijst apostel Paulus in zijn
brieven aan de verschillenden gemeenten waarin hij oproept tot
be- of terugkering naar God en de eerste liefde.
Ja, zelfs is apostel Paulus
bereidt om door Christus verbannen te worden terwille van zijn
broeders (Rom. 9:3).
Gods plan met de wereld, met
Zijn kinderen, staat vast. Maar daarbij veronachtzaamt Hij niet
de vrije wil van de mens. Daarom hoorde apostel Johannes op
Patmos zeggen: "laat wie dat wil vrij drinken van het water dat
leven om geeft" (Openb. 22:17).
Dit alles zou toch niet nodig
zijn als God geen beweging, geen verandering zou toelaten?
De Predestinatie-leer werd ten
volle tot ontwikkeling gebracht door de "kerkvader" Augustinus
die het christendom zoals deze in het westen, d.w.z. Europa
beleden werd, sterk heeft beïnvloed.
Ook Reformatoren zoals Luther en
Calvijn bleven onverkort vasthouden aan deze leer. Calvijn
zwakte deze leer van de uitverkiezing later enigzins af, hij gaf
toe dat de mens zelf aan zijn uitverkiezing moest werken om
deze te behouden en niet moest gaan zitten afwachten omdat alles
toch al door God beslist zou zijn: "Er wacht u, die door Gods
kracht wordt beschermd omdat u gelooft, in de hemel een
onvergankelijke, ongerepte erfenis die nooit verwelkt. U ziet de
redding tegemoet, die aan het einde van de tijd zeker
geopenbaard zal worden” zoals Petrus zegt (1 Petr. 1:5) is het
toch God die ons bewaart. Indien ons geloof dus niet gegrond was
in de eeuwige uitverkiezing Gods, is het zeker dat het ons
iedere minuut door de Satan zou kunnen worden ontrukt. Al zijn
wij vandaag de meest standvastigste mensen ter wereld, morgen
kunnen wij bezwijken."
(Corpus
Reformatorum. Opera Calvini, 1863-1900, dl.
LI, blz. 265)
McLeod Campbell predikte een
universele genade voor álle mensen. In Zijn onmetelijke liefde
neemt Hij iedereen die een oprecht verlangen toont, aan.
Apostel Thomas Carlyle (dus nu
eens niet de historicus!) schreef: "Een priester in het westen
van Schotland, (Rev. J. MacL. Campbell of Row, aan de westkant
van de Clyde) begon te preken over de machtige liefde van God
voor zondaren. Ik ken hem en hoorde hem vaak. Menige gevangenen
van de zonde kregen tranen van vreugde en berouw in hun ogen bij
zijn woorden. Maar zij die zich niet veranderen wilden werden
getroffen door de scherpte van zijn heilige boodschap en
gingen weg.
McLeod Campbell dreigde niet,
hij boezemde geen angst in door schildering van de
verschrikkingen van de hel. Het schilderij dat hij maakte was
van de liefde Gods en dat was onverdraagbaar voor hen die in hun
zonden volhardden.
In de Schotse kerk van die dagen
leefde de leer dat Christus alleen gekruisigd was voor de
uitverkorenen. Vele vrome mensen hadden geen vreugde in God maar
werden altijd heen en weer geslingerd door onzekerheid en
benauwdheid, want er was niemand die hen vertellen kon of ze
uitverkoren waren of niet. Daarom leefden ze een z.g.
christelijk leven in de hoop op hun doodsbed vergeving te
ontvangen voor hun zonden en in vrede te kunnen sterven.
McLeod Campbell predikte dat
Christus een menselijke natuur had aangenomen dat perfect heilig
was, niet door Zijn almacht maar door Zijn geloof. Hij wandelde
in het menselijke kleed, ons tot voorbeeld. Verder dat onze
Heer Zijn leven gaf, in menselijke gedaante, aan het kruis,
plaatsvervangend dragend de zonden van alle mensen in Zijn
eigen lichaam".
Het geloof terugbrengen tot een
realiteit waaraan gewerkt moest worden was het kernstuk van
Irving’s christologie.
In 1830 verschenen van zijn hand
de volgende publikaties:
"Opinions
circulating concerning our Lord's human nature tried bij the
Westminster Confession", "The Orthodox and Catholic Doctrine of
our Lord's Human Nature" en een jaar later "Christ's Holiness
in Flesh".
Telkens keert daarin het
volgende terug: "Elk mens is, door afstamming, verbonden met
Adam en heeft daarom deel aan de schuld en ellende van Adam.
Ieder kind dat door een vrouw ontvangen wordt, evenals elk kind
dat het licht aanschouwt, iedereen van Adam's afstamming, mag
alleen maar hopen op vergeving van de zonden, op de opstanding
en het eeuwige leven, de zegen die God de zondaren aanbiedt."
Er bestaan drie "modellen"
waarin het lichaam wordt beschreven:
1. zoals het was bij Adam vóór
de zondeval,
2. zoals het nu is, sinds de
zondeval,
3. zoals het zal zijn ná de
opstanding uit de doden, onsterfelijk en geestelijk.
In de heilige Schrift wordt het
tweede model gebruikt, b.v. daar waar staat geschreven over de
"wet van het vlees" (Hand. 7:26), de vleselijke geest (1 Petr.
1:24), de "wil van het vlees" (Joh. 1:13 en 2 Kor. 1:17), "hij,
die is in het vlees" (1 Joh. 4:2), "hij die wandelt naar het
vlees" (Hand. 8:4), "het vlees is als gras" (1 Petr. 1:24), maar
ook "Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk niet beërven" (Rom.
15:50 en Gal. 5:21).
Laten we, om een juist beeld te
krijgen Irving zélf aan het woord: Uit het voorwoord van "On the
human nature of Christ".
Het is allereerst noodzakelijk
erop te wijzen dat, zo vaak ik in dit geschrift aan de
menselijke natuur van onze Heer Jezus Christus zondige
eigenschappen en neigingen toeschrijf, ik dit als gescheiden
van Hemzelf bedoel. Ik beschrijf de eigenschappen van de natuur
die Hij aannam en probeer daarmee te bewijzen dat deze
eigenschappen geheel aan de onze gelijk is geweest. Om het
werk dat de Heer gedaan heeft te kunnen begrijpen, moet men
eerst weten waarmee Hij het uitvoerde. Zijn werk bestond
daaruit: onze natuur, die vol van zonde, dood, opstand en onrust
is, te verzoenen, te heiligen, te bekeren en te verheerlijken.
Zij die dit geschrift over de
menselijke natuur van Christus verwerpen, geven dit wél toe. Hun
zienswijze wijkt echter van de onze af, als ze beweren dat met
het wezen van de menselijke natuur van onze Heer een verandering
heeft plaats gevonden bij de wonderbare ontvangenis.
Wij verwerpen dit en zeggen: er
heeft zich toen geen verandering voorgedaan maar pas bij de
Opstanding. Bij de ontvangenis kreeg Maria een heilige
geestleven, een leven der wedergeboorte zoals wij die bij de
wedergeboorte eveneens zullen ontvangen. Echter, bij Christus
was het in groter mate terwille van Zijn volmaakt geloof, welk
volmaakt geloof Hij daarom kon aanbieden omdat Hij een
goddelijk persoon van het wezen van de Vader was.
Wat wij beweren is dus dit:
Zoals Adam dé volmaakte mens bij de schepping was, zo was
Christus de volmaakte mens bij de Wedergeboorte. Volmaakt in
heiligheid door volmaaktheid in het geloof en volmaakt in het
geloof, ondanks dat de hele schepping ernaar streefde om Hem
van God te vervreemden.
De kostelijke, wonderbare
waarheid waarvoor wij strijden is niet, of Christus lichaam
heilig was, want waarlijk, elk mens die zegt dat wij dat
verwerpen, lastert tegen de waarheid, maar of dit vlees tijdens
Zijn rondgang op aarde hetzelfde was als dat van ons, met z'n
zwakheden en met de mogelijkheid van verleiding, of dat door de
wonderbare ontvangenis een verandering met Hem heeft plaats
gevonden, zodat het een ander lichaam werd, een lichaam anders
dan het onze.
Onze tegenstanders beweren
alleen een identiteit van de oorsprong. Wij echter beweren ook
een identiteit van het leven.
Zij beweren een inwonende,
blijvende heiligheid. Wij beweren een heiligheid die door de
Zoon voortdurend in stand gehouden moest worden door de kracht
en het vermogen en de werking van de heilige Geest. Zij zeggen:
hoewel Zijn lichaam door de verwekking een verandering heeft
ondergaan is Hij toch nog een broeder van ons geweest in alle
verleidingen en het lijden. Wij bestrijden dit want verandering
is verandering en als Zijn lichaam door de ontvangenis anders
zou zijn, dan was Hij ook in het werkelijke leven niet zoals
wij.
In één woord, wij houden de
gelovigen voor een werkelijk leven, een lijdend en stervend
lichaam, een werkelijke dood en een werkelijke Opstanding. Zij
houden het vlees, de dood en de Opstanding van veranderd vlees
voor en scheppen zo een kloof tussen Hem en ons. Dit gaat onze
inbeeldingskracht te boven. Daarmee verwerpen ze het hele
geloof, al onze hoop op de verlossing van ons lichaam. Niets
blijft meer over van ons geloof aan God, niets van onze hoop
voor de mensheid.
O, het doet me dagelijks pijn
als ik zie hoe ongezond en wankelmoedig het geloof van zovelen
met betrekking tot de ware mensheid van Christus is, het geloof
in de mens die het wezen van de heilige maagd geweest is.
Mens naar lichaam en ziel, na en
door alle verbindingen met de zondeval: in alle delen, innerlijk
en uiterlijk, verleid zoals wij verleidt worden, maar steeds
zegevierende over de verleidingen. Een mens die heilig was, ja
volkomen heilig in lichaam en geest. Niet omdat Hij vrij was van
de eigenschappen, neigingen en driften zoals wij die ook
hebben, maar alleen de kracht van de heilige Geest die hij
tijdens de verleiding in stand hield, die Hem voor iedere zonde
bewaarde en steeds met de wille Gods in overeenstemming hield.
Dat is het, wat ik het mens zijn
noem. Wel weten we dat de menselijke natuur in verschillende
toestanden is geweest en ook weer zal zijn: in die waarin ze
zich gezond bevindt. Zulke toestanden echter zijn alleen gegeven
door het geloof en de hoop, niet door weten en ervaring.
Als er gezegd wordt, de
menselijke natuur van onze Heer was in Zijn eigenschappen
verschillend van het onze, dan wordt gewezen op Adam vóór de
zondeval, of zoals het onze zal zijn na de Opstanding,
onsterfelijk, onvergankelijk, of als ergens tussen deze beide
als mogelijk gehouden toestanden, alleen verschillend van de
gevallen toestand, dat het vlees van de eerste mens tot op ons
geslacht altijd gebleven is.
Zo mag het echter een vooruit
bepaalde, aangenomen en in de verbeelding een plaatsvindende
natuur genoemd worden, de menselijke natuur die ik ken en
begrijp is het niet. Het is dan van alles wat bestaat
verschillend. Een wezen waarover ik kennis noch ervaring heb,
iets nieuws, vreemds en onbekends.
Dit werk omvat vier delen. Het
eerste zal een verklaring van de ware leer bevatten zoals dat
uit de heilige Schrift naar voren komt. Het tweede een
bevestiging hiervan door de ervaringen van de eerste
christengemeente en de symbolen van de Schotse Nationale kerk.
Het derde zal de in betrekking tot de wonderbare ontvangenis en
het werk der verzoening gemaakte bezwaren opruimen en het vierde
tenslotte de gevolgen opsommen die uit deze grote waarheid
voortvloeien. Uit ieder van deze verschillende delen volgt
hieronder een uittreksel.
Getuigenis over de zondige
natuur van Christus zoals dat uit de heilige Schrift naar voren
komt.
Vast staat dat Christus uit een
vrouw geboren werd (Gal. 4:4) dus was zijn vlees vlees van een
mens en dat is zondig.
Vast staat dat Hij uit het
geslacht Davids stamde naar het vlees (Rom. 1:3) en het zaad
Davids is zondig.
Vast staat dat Hij niets van de
engel maar het vlees van Abraham overgenomen heeft (Hebr. 2:16)
en het zaad Abrahams is zondig.
Vast staat dat Hij onder de wet
geboren werd (Gal. 4:4) en de wet is er niet voor de
rechtvaardigen maar voor de zondaren, want de wet brengt het
bewustzijn van de zonde (Rom. 7:7).
Vast staat dat Hij wist van het
goede en het kwade en die kennis is van ná de zondeval, niet van
daarvoor.
Vast staat dat Hij sterfelijk
was, want op het eind kwam uit Zijn lichaam bloed, opdat Hij
door Zijn dood hem verstoren zou die macht heeft over de dood.
De sterfelijkheid behoort niet bij een zondeloze, maar bij een
zondig wezen.
Zeker, Hij werd voor ons tot
zondaar gemaakt opdat Hij van de zonden zou weten. Hij droeg
onze zonden en onze ziekten nam Hij op zich, die niet de
menselijke natuur van vóór de val, maar die van na de val zijn.
Hij werd ook in alles verzocht, net als wij, wat bij Adam niet
het geval was.
In Hem was een wil, die anders
was dan de wil van de Vader. Dat was de wil van het lichaam, die
daarom was als de wil van ieder ander, maar die door Hem steeds
onderworpen werd. Vast staat ook dat Hij leed, maar dat Hij door
strijd en lijden volkomen gemaakt werd.
Zeker is ook dat Hij voor God
offerde, bad en smeekte, met geschrei en tranen tot Hem die uit
de dood kon helpen (1 Petr. 2:21).
Vast staat dat de kruisiging van
Zijn vlees ook de kruisiging van het onze is, wij zijn met Hem
gekruisigd (Rom. 6:6).
Vast staat dat de Opstanding van
Zijn lichaam ook de Opstanding van het onze is, wij worden met
Hem opgewekt (Rom. 6:4) Wie nu ondanks al deze zekerheden nog
beweert dat Christus niet ons eigen zondig lichaam heeft
aangenomen, die is door dwalingen bevangen.
Christus, hoewel allerwege
verzocht zoals wij, bleef toch zonder zonden omdat Hij daaraan
niet toegaf.
Iedereen zal moeten toegeven dat
voor een zondige handeling de wil aanwezig moet zijn. Het
lichaam kan door kwelling en marteling, door onthouding van de
dingen die voor het behoud nodig zijn, gedwongen worden de wil
(geest) te beproeven, alleen als onze wil daar niet aan
toegeeft, hoezeer ook het vlees knelt, begaan we geen zonden.
De wil van Christus heeft deze
verleidingen ook ondervonden net zoals wij, maar Hij gaf aan die
verleidingen niet toe en bleef dus zonder zonden. Door de honger
van het lichaam was het dat Satan probeerde Hem te verleiden om
van stenen brood te maken, door ogenlust, eerzucht en
heersersgeest, lichamelijk en geestelijk, probeerde hij Hem te
verleiden toen hij Hem alle rijken van de wereld toonde en ze
Hem aanbood als Hij maar voor hem zou knielen en hem zou
aanbidden.
Christus, hoewel evenzeer
verzocht als wij, bleef toch zonder zonde omdat Hij niet aan de
verleidingen toegaf.
Bekendheid met God en het
onjuiste verlangen naar Gods onmiddelijke hulp, evenals
geestelijke drogbeelden waren het die de Satan gebruikte toen
hij Hem op het dak van de tempel probeerde te verleiden (zie
Matth. 4:5).
Zou Satan deze pogingen hadden
ondernomen als hij wist dat Jezus niets menselijks had? Maar
tijdens al deze valkuilen beheerste Hij Zijn wil door Zijn
reinheid en oprechtheid. Als in de natuur van Christus geen
begeerte, geen drijfveer naar het duistere aanwezig geweest was,
hoe had Satan dan ooit ter wereld deze verleidingen aan Zijn wil
kunnen opdringen?
Niemand zal kunnen zeggen dat de
Satan, toen hij Hem probeerde te verleiden, Hem ook voor de
verleidingen toegankelijk wilde maken door van alles te beloven
als Hij maar God zou verlochenen.
Echter, op de momenten en
ogenblikken, dat Christus ontvankelijk was voor verleidingen,
heeft dat toch niet plaatsgevonden. Waarom niet? Waren dat dan
geen verleidelijke dingen voor Hem? Verlangde ook niet Zijn
lichaam dagelijks de natuurlijke spijs? Lag niet de wereld met
al haar verlokkingen voor Hem open? Werd ook af en toe niet voor
Hem het aangezicht Gods verborgen en moest ook Hij niet het
geloof opbrengen om verder te kunnen leven, zoals wij allen?
Of wil iemand beweren, dat Adam
(voor de zondeval) door honger geplaagd werd, of dat diens
lippen spleten door de dorst, of dat zijn hart smolt bij het
aanblik van verlokkingen? Wil iemand beweren, dat Adam, heer
over alles, voor koninkrijken en bezit verleid kon worden? Of
dat door twijfel, duisternis en andere remmingen Gods aangezicht
voor hem verborgen bleef?
Was dat wel zo geweest, dan zou
er geen verschil tussen een ongevallen en een gevallen kreatuur
bestaan en dan was God alleen maar de Schepper van een zwak,
machteloos en ongelukkig wezen. Alleen tijdens Christus rondgang
in het lichaam was de mogelijkheid van verleiding aanwezig. Niet
zoals bij Adam (voor de zondeval), maar zoals bij Abraham en
David en Maria. Hoewel Hij gekweld werd door de duivel en de
wereld en de boosheid der mensen, gaf Hij toch niet toe aan het
boze maar streefde steeds naar het goede. Hij dwong Zijn wil
tong, hand, voet, oog, oor en elk ander lichaamsdeel om de wil
van God te doen.
Zegt iemand, dat wij allen door
verleidingen van het vlees zonden begaan, dan heft hij het
onderscheid op tussen een heilige, die het vlees overwint, en
een zondaar die door het vlees overwonnen wordt.
Zo iemand wil niet toegeven dat
het vlees van een vrome op de één of andere manier anders is dan
het vlees van een zondaar. Ook Paulus, de apostel Paulus,
bekend: “Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil,
dan erken ik dat de wet goed is” (Rom. 7:16).
Als dus het zondigen daaruit
bestaat, dat men aan verleidingen toegeeft, dan zondigde onze
Heer en Heiland niet hoewel hij voortdurend aan verleidingen
blootstond: omdat Hij daaraan niet toegaf.
Christus lichaam verloor
geensins door de bij de ontvangenis meewerkende kracht de
mogelijkheid van verleiding.
Als het lichaam van Christus bij
de vorming of de ontvangenis een verandering onderging, zodat
het een ander lichaam zou zijn dan het mijne en voor de
verleidingen van de wereld of van de geest ongevoelig gemaakt
werd, dan zouden de onderstaande gevolgen ontstaan zijn:
1. Hij zou niet in verleiding
gebracht kunnen worden, zoals ik,
2. Hij kon dan onmogelijk een
Hogepriester voor mij zijn, omdat dat alleen maar kon omdat Hij
in alle dingen aan Zijn broeders gelijk was,
3. Hij had alleen met twee van
mijn vijanden te strijden: de duivel en de wereld, en ik zou
er dan geen bewijs voor hebben dat Hij de derde vijand, het
vlees, ook kon overwinnen,
4. Hij zou nooit één zijn met
mij en ik begrijp niet hoe ik dan één met Hem zou kunnen worden,
5. Ik zou geen zekerheid hebben
dat de Heilige Geest in staat is om tegen het boze vlees te
strijden, noch dat Hij in staat was het vlees te overwinnen,
6. Dan zou Christus leven geen
voorbeeld zijn van de kracht van de heilige Geest over het
zondige vlees, dan zou ook Christus opstanding geen zeker pand
zijn voor mijn opstanding.
7. Zouden de gezamelijke
Evangelieën slechts onwaarheid bevatten over Zijn leven. Ze
zouden zijn geschreven alsof Hij niet aan elke verleiding en
iedere natuurlijke begeerte onderworpen zou zijn geweest, zoals
ieder mens. Wie zoiets zegt die heft daardoor alle
getuigenissen van de Schrift op.
Deze punten zouden met nog veel
meer uit te breiden zijn. Ik zal zodra dat nodig is, meerdere
leveren.
De heiligheid van Christus zou
ons niet als voorbeeld kunnen dienen als Hij niet in een zondig
lichaam gekomen was.
Hoe zou Christus een voorbeeld
van heiligheid genoemd kunnen worden, als eerst niet, zoals
beweerd wordt, zijn menselijke substantie geheiligd werd, als
ook Hij niet onder de zondeval was, Zijn heiligheid niet
eveneens door de kracht van de Heilige Geest bewerkt werd?
Omdat in de heilige Schrift, het oude en
nieuwe Testament, zonder onderscheid, dezelfde uitdrukkingen
steeds gebruikt worden als bewijs van de heiligheid van Hem, dan
kan van deze twee dingen slechts één waar zijn: of de mensen,
Christus broeders, worden, terwijl zij nog op deze wereld zijn,
eveneens in de scheppingsgedaante van Adam voor de zondeval
teruggezet, of Christus heiligheid was, zoals het hunne, door
de kracht van de Heilige Geest in de gevallen kreatuur bewerkt.
Als we het over de heiligheid
van Christus hebben, dan is het niet alléén over Zijn goddelijke
natuur, maar ook over Zijn mensheid. Als dus deze heiligheid
door de kerk als reden voor hun geloof geldt, dan kan alleen de
heiligheid van Zijn menselijke natuur bedoelt worden, waarmee de
kerk alleen gemeenschap kan hebben.
Want wat voor gemeenschap kunnen
schepselen van ná de zondeval wel hebben met schepselen die zich
niet in deze toestand bevinden. Of hoe kan anders Christus als
het Hoofd der wedergeborenen gezien worden, als in Hemzelf geen
wedergeboorte had plaats gehad?
Het enige verschil tussen Zijn
menselijke natuur en de natuur van een wedergeboren mens bestaat
uit twee zaken:
1. dat Christus van het eerste
ogenblik van Zijn verblijf op aarde zich al in de gedaante van
een wedergeboren mens bevond,
2. dat de geest Gods zonder maat
in Hem woonde en juist daardoor Zijn wedergeboorte werkzaam
maakte ter volmaaktheid van Zijn geloof en Zijn heiligheid en
ter volkomen onderwerping van de begeerte en de natuurlijke
drijfveren van de gevallen mensheid.
Vraagt iemand wat wij onder wedergeboorte
verstaan, dan antwoorden wij, niet de schepping van een nieuw
vermogen, een nieuwe kracht in het gevallen wezen, maar de
instandhouding daarvan in haar tegenwoordige toestand door
inwerking van de onzichtbare God. Niet ikzelf leef een nieuw
leven, maar Christus leeft in mij. Hem, niet mij, komt alle eer
toe.
HENRY
DRUMMOND EN ZIJN VRIENDEN TOT 1826.
In de meeste biografieën komt
Henry Drummond pas echt in beeld bij de zg. Albury-conferenties.
Dat Henry Drummond ook een rol speelt in het Réveil in Genève is
minder bekend, maar daarom niet minder interessant.
Het onderstaande is ten dele een
ingekorte en licht gewijzigde tekst dat werd overgenomen uit het
boekje "In de schaduw van de Mont Blanc: Henry Drummond
1786-1826" van B. Flikkema. Dit werkje verscheen in 1993.
Met deze beschrijving is tevens
het driemanschap (Irving-Cardale-Drummond) beschreven die aan de
wieg van de Katholiek-apostolische kerk hebben gestaan.
Henry Drummond komt voort uit
een oud, rijk en adelijk Schots geslacht. Reeds in de
middeleeuwen (1225) is er sprake van een familie Drummond. Een
familiekroniek waagt het niet te spreken over de eerste
Drummond: 'Their origens are lost in the mists of antiquity.'
Enige vrouwen uit het geslacht
worden door het huwelijk opgenomen in de koninklijke adel. In
1691 komt een John Drummond, 15 jaar oud, naar Amsterdam, dan
het handelscentrum van de wereld, om het handelsvak te leren. Al
spoedig volgt er een huwelijk met 'a good Dutch wife'. Ook met
de handel gaat het voorspoedig, en tot 1712 bestaat er in
Nederland de 'Handelsmaatschappij Van der Heyden en Drummond'.
John gaat terug naar Engeland en
helpt zijn neef Andrew Drummond wanneer die in september 1717
op het Charing Cross een geldhandel begint. Deze handel groeit
in later jaren uit tot Drummond’s Bank. Tot op de dag van
vandaag staat de bank aan dat plein, het heeft vele Drummonds
een inkomen verschaft. Het is in de familie de gewoonte dat de
oudste zoons als partners op de bank werkzaam zijn. Een
achterkleinzoon van de broer van de oprichter Andrew Drummond is
het onderwerp van deze beschrijving. Zijn ouders, Henry Drummond
Junior of the Grange en Anne Dundas hebben vier kinderen,
waarvan Henry, geboren op 5 december 1786 op het landgoed The
Grange (bij Alresford, Hampshire), de oudste is.
Henry is nog geen zeven jaar als
hij in 1793 naar Harrow gaat, een goed bekend staand internaat.
Tegelijkertijd met hem zijn op Harrow ook Robert Peel, de latere
premier en Byron, de latere Lord die z'n sporen in de literatuur
zou verdienen. Henry Drummond volgt daar tot z'n zestiende zijn
schoolopleiding. In de archieven van de Hertog van
Northumberland zijn nog een aantal kinderbriefjes te vinden die
Henry aan zijn ouders schrijft. In maart 1794 schrijft hij:
'...Ik heb mijn geld nog niet uitgegeven. En ik vind Harow
leuk...' Twee weken later schrijft hij zijn vader: '...Mama
schreef in haar vorige brief dat u zich niet goed voelt. U moet
gauw weer beter worden. Ik voel me goed, maar ik heb maar een
penny over. Ik zal er een ei van kopen. Ik heb een tekening
gemaakt. Die geef ik aan Eliza (zijn zusje) als ik in de
vakantie thuiskom.'
Op 10 april laat hij weten: 'Ik
wil heel graag weten hoe het met papa gaat...Harrow is niet meer
zo leuk als eerst...'
De bezorgdheid om de gezondheid
van zijn vader is begrijpelijk: al op jonge leeftijd (32 jaar)
is deze gegrepen door, zoals wordt beschreven, een vreemde, niet
te behandelen ziekte. Hij overlijdt op 4 juli 1794, zijn oudste
zoon is dan zeven jaar.
Bijna een jaar later, in juni
1795, overlijdt Henry Senior. Het gezin heeft dan geen vader en
grootvader meer.
Henry's moeder trouwt in 1798
opnieuw met James Strange. In 1802 gaat ze samen met haar nieuwe
echtgenoot naar de toenmalige Engelse kolonie India.
De opvoeding van Henry wordt ter
hand genomen door zijn grootvader van moederszijde, Henry
Dundas, later de First Viscount Melville, in 1804 First Lord of
the Admirality. Deze heeft in die tijd veel politieke invloed in
Schotland, wat de oorzaak is van het feit dat hij door zijn
tijdgenoten vaak 'King of Scotland' wordt genoemd. Hij mag zich
verheugen in de gunst van koning George III en de vriendschap
met William Pitt Jr., premier van Engeland van 1783 tot 1801 en
van 1804 tot 1806.
Ook Pitt is invloedrijk; Henry
Dundas maakt hier weer gebruik van om zijn invloed in de Schotse
politiek te verstevigen. In deze omstandigheden leert Henry
wanneer hij thuis is veel belangrijke, bekende en beroemde
tijdgenoten kennen. Vooral door Pitt, waarmee hij veel praat en
die hem zeer schijnt te mogen, leert hij de politiek kennen en
raakt daardoor conservatief geëngageerd. Twee keer in z'n leven,
van 1810 tot 1813 en van 1847 tot zijn dood in 1860, zal hij dan
ook Member of Parliament, afgevaardigde in het Engelse Lagerhuis
zijn. Pitt is ook uitstekend thuis in de bijbel. Waarschijnlijk
is hij de eerste die Henry op indringende wijze in aanraking
brengt met de bijbelse geschriften.
Ook Robert Haldane of Airthrey
dineert een keer bij Henry Dundas. Henry Drummond maakt na het
diner kennis met de beroemde Schotse theoloog, die samen met
zijn broer James Alexander bekend staat als zendeling en
verdediger van het 'rechte geloof'. Vele jaren later zal Henry
aan deze kennismaking refereren wanneer hij in Genève Robert
Haldane weer ontmoet.
In 1802 vertrekt Henry naar
Oxford, om te studeren aan Christ Church College. Al na twee
jaar houdt hij daar weer mee op en verlaat Oxford zonder een
graad te hebben behaald. Hij zet zijn eerste beroepsmatige
schreden in de familiebank, maar schijnt daarbij niet bijzonder
betrokken te zijn. Hij leeft het leven van een jonge en rijke
man van adel, die zich graag vertoont in de 'society' van die
dagen. Vroeg in het jaar 1807, 20 jaar oud, maakt Henry een
rondreis door Rusland. Op dat moment zijn ook de troepen van
Napoleon daar in actie, hij zal dus wel gezorgd hebben wat uit
de buurt te blijven.
Vlak na zijn terugkeer uit
Rusland trouwt hij op 23 juni 1807 met zijn nicht, Henrietta
Hay. Henrietta is de oudste dochter van de 10e Earl of Kinnoull,
en dus een 'goede partij'. Dat Henry dan nog net niet
meerderjarig is wordt in verschillende biografieën expliciet
vermeld. Ze gaan wonen op het landgoed The Grange, dat Henry van
zijn ouders erfde.
Het huwelijk wordt gezegend met
vijf kinderen, maar de drie zonen overlijden alle op jonge
leeftijd. De beide meisjes blijken gezonder en één van de
dochters, Louisa, huwt later (1845) de Duke of Northumberland,
A.G. Percy.
Na enige jaren huwelijk komt
voor het eerst zijn religieuze betrokkenheid openbaar. In 1811
en 1812 schrijft Henry Drummond voor gebruik in de Anglicaanse
Northington Church een verzameling gezangen (hymns), tevens de
eerste publicatie van zijn hand.
Door zijn maatschappelijke
positie en connecties bij de Drummond Bank, zijn politieke
betrokkenheid en de bij zijn grootvader opgedane contacten lukt
het Henry al spoedig een van zijn grootste ambities waar te
maken. In 1810, op 23‑jarige leeftijd, wordt hij gekozen als
afgevaardigde in het Engelse Lagerhuis voor het district
Plympton Earl's. In 1812 wordt hij door de bank benoemd als
partner, waarbij hij de gebruikelijke verklaring van
goedkeuring en een brief met veel adviezen met betrekking tot
het schone bankiersvak van de bankdirecteur, zijn oom Andrew
Berkeley Drummond, ontvangt. In het jaar daarna gelukt het hem
een wet met betrekking tot het beschermen van deposito's tegen
al te gretig misbruik makende bankiers te doen aannemen. De
aangenomen wet krijgt als ambtelijke aanduiding: 52 Geo.III,
c.63. Het lijkt er op dat Henry met de wet de beroepsstand der
bankiers wil verbeteren, alsof het hem gaat om het aanzien en de
integriteit van de banken te vergroten en te garanderen.
Is het misschien een merkwaardig
toeval, of bestaat er een verband tussen het wetsvoorstel van
Henry Drummond en de brief, die de bankdirecteur, oom Andrew,
vlak na zijn aanstelling in februari 1812 aan hem richt?
De brief bevat een soort Tien
Geboden voor aankomende bankiers: '... Wat bij de bankier wordt
gedeponeerd is niet van de bankier! Neen, het is het eigendom
van de vriend die je vertrouwt. Het is het eigendom van de
weduwe of wees die het in jouw hand als veilig beschouwt. Het
is eigendom van de kroon en het land die ons vertrouwen en die
bij ons eerlijkheid, integriteit en gentlemen's eer verwachten
te vinden zoals gebruikelijk bij Men of Business...' De
bankdirecteur gaat zo nog even door. Zou de enige wet die Henry
Drummond in deze parlementsperiode heeft laten aannemen dan niet
uit zijn eigen koker komen? Het zal wel nooit achterhaald
kunnen worden.
Nog een korte tijd blijft hij
parlementslid. Hij beschouwt zichzelf als een “Tory” van de oude
stempel, maar stemt altijd onafhankelijk van de zittende
regering en volgt in alles zijn geweten. Door zijn vaak wat
opmerkelijk en onafhankelijk optreden in het Lagerhuis trekt hij
veel aandacht. In 1813 trekt hij zich terug en vermeldt als
reden daarvoor de te grote lichamelijke belasting die het ambt
met zich meebrengt. Hij lijdt dan ook aan TBC. Drummond heeft
zijn hele leven slechts één ademende long en zal daarom extra
voorzichtig zijn geweest.
In 1814 vinden we Henry
Drummond, nog steeds jong, rijk en van adel, terug in Parijs.
Samen met zijn vier jaar jongere neef John Drummond reist hij,
vergezeld door vele Engelse adellijke tijdgenoten naar de
Franse hoofdstad ter gelegenheid van de kroning van Louis XVIII.
De adel viert het einde van de Napoleontische oorlogen. De
verbannen keizer wacht op het eiland Elba op zijn kans om voor
de laatste keer de macht te grijpen.
Nog enige jaren blijft Henry min
of meer actief werkzaam bij Drummonds Bank. Er wordt niet veel
over deze activiteiten bericht, maar hij staat niet bekend als
een bankier in hart en nieren. Afgezien van de soms hoge
bedragen gelds zal het leven van een bankier niet zo opwindend
zijn. Zijn betrokkenheid loopt in latere jaren zelfs zo terug
dat de partners van de bank de statuten aanpassen en Henry, met
behoud van een riante jaarvergoeding, uitkopen.
In 1817 doet Henry een
opmerkelijke stap: hij trekt zich terug uit de Anglicaanse Kerk.
Is het omdat hij ontevreden is over de wat gezapige, door de
Verlichting steeds vlakker geworden godsbeleving?
Zoekt hij naar een manier om op
praktische wijze het geloof te beleven en uit te dragen? Hij
laat zich dopen door James Harrington Evans en treedt toe tot de
kringen der 'Evangelicals'. Deze stroming is primair als
Church-Evangelicals in de 18e eeuw voortgekomen uit de
Anglicaanse Kerk, onafhankelijk, niet centraal bestuurd en
hecht groot belang aan individuele bekering en persoonlijk
geloof aan de verzoenende kruisdood van Jezus Christus.
Kerkorde, dogmatiek en uiterlijke schijn zijn zaken waarover de
Evangelicals zich het hoofd niet breken. Hun aandacht is gericht
op een praktische bijbelleer als uitgangspunt voor een
waarachtig vroom leven. De erfzonde, in uiterste consequentie
beleden, staat naast de zekerheid van de verzoening door
Christus' bloed. Niet het traag berusten in de genade, maar een
actief belijden van de zonde en verlossing is belangrijk. De
stroming bestaat niet uit een organisatie, maar is te beschouwen
als een protestbeweging tegen de vastgeroeste Church of
England, die in de tijd van de Verlichting veel van de oude
geloofswaarheden had verloren. Het Engelse Réveil vindt hier in
de Evangelicals en andere buitenkerkelijke groeperingen haar
begin, een beweging die bepaald wordt door de werkzaamheden
van Henry Thornton, William Wilberforce, Thomas Chalmers,
Edward Irving, James en Robert Haldane en vele anderen.
Juist in deze tijd richten de
Evangelicals veel genootschappen op ter verdieping van het
geloof en verbreiding van het evangelie: Church Missionary
Society, Religious Tract Society, London Society for Promoting
Christianity amongst the Jews en talloze andere. Voor Henry is
de overstap niet zozeer een stap uit het conservatieve
Toryisme, maar veeleer een bewijs van zijn diepe overtuiging
dat het evangelie zuiver en actief wederom onder de mensen moet
worden gebracht. Een jaar later, in 1818, laat hij op eigen
kosten voor J.H. Evans een kerk bouwen in John St.Bedford Row,
niet ver verwijderd van het British Museum in London.
In hetzelfde 'omslag'‑jaar 1817
ontplooit Henry een nieuwe activiteit die van grote invloed zal
blijken te zijn op hemzelf en anderen. Hij is voornemens om
naar het Heilige Land te gaan. Dat is voor een Evangelical niet
ongebruikelijk. De tien verdwenen Joodse stammen, de terugkeer
van de Joden naar hun geboorteland en de bekering der Joden zijn
voor de bijbelgetrouwe Evangelicals veelbesproken en
veelbeschreven onderwerpen.
Veel rijkere Evangelicals,
zendelingen en actieve christenen hadden als doel om minstens
één keer in hun leven de heilige grond waarop Jezus Christus had
gelopen, te betreden. Ook Drummond volgt deze gedachte en wil
tegelijkertijd in de Engelse kolonie aldaar zijn kennissenkring
uitbreiden. Vanaf 1817 zal hij zijn energie, tijd en niet
onaanzienlijk vermogen in dienst stellen van religieuze zaken.
Hij verklaart 'satiated with the empty frivolities of the
fashionable world', verzadigd met de lege frivoliteiten van de
grote wereld, te zijn. Hij verkoopt het landgoed The Grange aan
een andere bankier, Alexander Baring, negeert verder zijn
bankverplichtingen en geeft zijn buitenverblijf op.
Henrietta en Henry Drummond gaan
tenslotte scheep naar het Heilige Land. Aangezien Henry de
kleinzoon is van de First Lord of Admiralty, Henry Dundas, lukt
het hem een plaats aan boord van het fregat van de bevelhebber
van de Middellandse Zeevloot, admiraal Deans Dundas, te
verkrijgen. Onderweg spreken de admiraal en Henry veel over het
werk van de gebroeders James Alexander en Robert Haldane. De
admiraal blijkt een geregeld bezoeker te zijn van de
zendingsvoordrachten van James Haldane. Op de Middellandse
Zee, terwijl ze aan dek nog even staan te praten voor het diner
begint, merkt Henry plotseling een rimpeling van het water op.
Hij wijst admiraal Dundas er op en deze besluit de zeilen in te
nemen. De rimpeling blijkt de voorbode van een hevige storm te
zijn, zoals die ook in Handelingen der Apostelen 27 beschreven
staat. Het schip zoekt beschutting in de haven van Genua. Lady
Henrietta is zeer bevreesd en haalt Henry over om aan wal te
gaan. Ze ontmoeten in Genua andere Engelsen en weer komt het
gesprek op de gebroeders Haldane, deze keer voornamelijk op
Roberts werk in Genève en de opschudding erover die daar
ontstaan is.
Henry's overleggingen beginnen
nu vaste vormen aan te nemen, nadat hij al eerder met het idee
had gespeeld: hij besluit naar Genève te gaan.
Genève staat al sinds de dagen
der Reformatie bekend als de stad van het Calvinisme. Toch is de
kerk in Genève in de loop der eeuwen niet onaangetast door de
tijdgeest gebleven. Mevr. Kluit (in 'Het Réveil in Nederland en
daarbuiten 1815-1865) drukt dat op z'n kortst uit: 'Het
rationalisme vierde er hoogtij.' D'Alembert schrijft in zijn
Encyclopedie (1785) over Genève: 'Meerdere predikanten geloven
niet aan de Goddelijkheid van Jezus Christus; terwijl ze beweren
dat men in de Schriften nooit letterlijk moet nemen wat de
menselijkheid en de rede niet kan verdragen... De godsdienst te
Genève is bijna geheel teruggebracht tot de aanbidding van een
God, slechts de eerbied voor Christus en de Schriften
onderscheidt het nog van een volledig deïsme.'
Jean Jacques Rousseau drukt het
nog krasser uit: 'Als men de predikanten van de kerk van Genève
vraagt of Jezus God is, durven ze niet te antwoorden... Ze weten
niet wat ze geloven of niet geloven!'
De 'Venerable Compagny' (het
predikantencollege van Genève) protesteert furieus tegen deze
aantijgingen, maar weet niet aan te geven waar het wel voor
staat.
Het antitrinitaire socianisme,
het rationalisme, de onkunde onder predikanten en theologische
studenten, het 'verlichte' denken der Christenheid blijven
buiten Genève beslist niet onopgemerkt. Al in 1741 sticht Graaf
Zinzendorf er een Broedergemeente. Deze Hernnhutters en hun
piëtistische levenshouding trekken de aandacht en
belangstelling. Veel studenten treden toe, onder nauwelijks
verholen protesten der theologen. Het blijkt dat ze pas in deze
Vriendenkring, zoals de vergaderingen al spoedig worden
genoemd, hun geloof ook kunnen beleven. Uiteindelijk eist het
Geneefs predikantencollege de opheffing van de gemeente.
De studenten wordt door de
professoren meer of minder subtiel het vuur na aan de schenen
gelegd. Ook in de toekomende tijd zal de Venerable Compagny nog
vaak dwars gaan liggen en proberen de status quo te bewaren ten
koste van de wederopleving van het geloof.
In 1813 bezoekt Madame von
Krüdener de stad Genève. Deze wel zeer opmerkelijke vrouw is de
weduwe van een Russische diplomaat in Venetië en Kopenhagen.
Haar volledige naam luidt: Barbara Juliane Freifrau von Krüdener
‑ Von Vietinghoff. Geboren in Riga komt ze in aanraking met de
Hernnhutters, maar pas na een onrustig en lichtzinnig
diplomatenleven komt ze in 1804 tot bekering. Ze reist door
Europa en komt in Duitsland in contact met Heinrich
Jung‑Stilling. Deze illustere arts, schrijver, econoom en
chiliast getuigt haar van zijn geloof dat de Franse Revolutie
het laatste tijdperk van de christelijke huishouding heeft
ingeluid en dat God nu, voor het komen van Zijn Rijk, de laatste
arbeiders in Zijn wijngaard zal zenden.
Barbara von Krüdener belijdt een
geloof dat gekenmerkt wordt door een mengsel van piëtisme,
hernhuttervroomheid en chiliasme. In 1813, op één van haar
zendingsreizen waarin ze de profetieën over de eindtijd onder de
aandacht brengt, lukt het haar de onder zware druk levende
Broeder-gemeente ('de Vriendenkring') in Genève nieuw leven in
te blazen.
Het predikantencollege reageert
woedend op de vrome, piëtistische invloeden en eist wederom
ontbinding van de groep. Eén van de leden, Henri Empaytaz, een
theologiestudent, wordt gedreigd te worden uitgesloten van het
predikambt als hij zijn bezoeken aan de Broedergemeente niet
staakt. Hij negeert alle verboden, wordt secretaris van Madame
von Krüdener en vergezelt haar op haar zendingsreizen. De
Vriendenkring blijft onder druk staan, maar onder leiding van
vooral J.H. Merle d'Aubigné en Frédéric Monod blijft ze
waarachtig protestants en protesterend tegen de Venerable
Compagny. Langzamerhand groeit ze uit tot een kerkgemeente met
regelmatige bijeenkomsten en diensten.
Richard Wilcox, een Schot, wordt
hun voorganger. Hij wordt al na korte tijd opgevolgd door een
landgenoot, Robert Haldane.
Deze gewezen marineofficier
staat samen met zijn broer James Alexander in grote gedeelten
van Europa bekend als zendeling. In Schotland, zijn vaderland,
in Engeland, Frankrijk, Zwitserland, onophoudelijk is hij
onderweg om het ware geloof uit te dragen. Hij heeft daarvoor al
aan het begin van zijn zendingsreizen zijn huis in Airtrey
verkocht en grote sommen geld besteed aan de opleiding van
studenten, het drukken van tractaten en de financiering van de
opvoeding van Afrikaanse kinderen. Een actieve, positieve
Christen die zijn geloof leeft.
In 1816 komt hij voor het eerst
in Genève en treft daar de hierboven geschetste omstandigheden
aan. Al spoedig wil hij weer vertrekken, omdat het hem zeer
veel moeite kost contactpersonen te vinden waardoor hij ingang
in de kerk van Genève kan krijgen. Hij ontmoet dan een
theologiestudent uit Crête, James. Louis Gabriel James, in zijn
jeugd een vurig bewonderaar van Rousseau. Deze liet zich, om
zijn vader niet teleur te stellen, als student in de theologie
te Genève inschrijven, maar was voornemens zich na zijn studie
aan het onderwijs te wijden. Door de ontmoeting tussen Haldane
en James, waarbij de eerste bemerkt hoe weinig geestelijk leven
er bij de laatste aanwezig is, besluit Robert Haldane in Genève
te blijven. Hij bespeurt namelijk naast het gemis aan geestelijk
leven ook een verlangen naar het evangelie. Hij ontmoet ook
andere theologiestudenten en bemerkt hoe onkundig ze zijn ten
opzichte van het ware godsbegrip, de verzoening en de vergeving
van zonden.
Door James kan Haldane
verschillende contacten aangaan. De reeds afgestudeerde L.
Gaussen en Cèsar Malan komen hem vaak bezoeken. Al spoedig
verzamelt zich een groep studenten om Robert, die driemaal per
week bijbelles over de Brief aan de Romeinen geeft.
Ondertussen lopen de professoren
en de leden van de Venerable Compagny 'onopvallend' voor het
huis langs om de belangstelling te peilen en de bezoekers te
noteren.
Ondanks de tegenwerking van de
officieele kerk van Genève blijft Roberts strijd tegen het
socianisme (ontkenners van de drieëenheid, de heiligheid van
Christus en de sacramenten) niet zonder gevolg. Al in maart 1817
predikt Cèsar Malan in de "Getuigeniskapel" over het
onderwerp: 'De mens kan slechts door Jezus Christus gered
worden.' Reeds de volgende dag wordt hij door het college
aangeklaagd. Het predikantencollege ziet de preek als de
spreekwoordelijke waterdruppel, de strijd breekt openlijk uit.
De Venerable Compagny stelt dat Genève "gekastijd wordt door
schorpioenen". Ze vaardigen op 3 mei 1817 het beruchte reglement
uit (geldend voor het hele kanton Genève): 'Het is verboden in
de preek te noemen of te bespreken: de wijze waarop in Jezus
zich de Goddelijke met de menselijke natuur heeft verenigd; de
erfzonde; de werking der genade of de doelmatigheid der
genade; de predestinatie'. Jonge leraren, studenten en
proponenten moeten het reglement tekenen op straffe van
uitsluiting van het ambt.
Er ontstaat grote beroering. Een
scherpe tweedeling laat zich al spoedig waarnemen, omdat onder
de weigeraars zich een bruisende, nieuwe en bewuste
geloofsgemeenschap vormt. Robert Haldane heeft de aanzet gegeven
tot een duidelijke scheiding der geesten.
Aan het eind van zijn
werkzaamheid in Genève is de situatie duidelijker dan daarvoor.
De kerk van Genève blijft socianistisch, daartegenover staat de
strijdbare Société des Amis, de Vriendenkring. Haldane wil in
juni 1817 vertrekken naar Montauban. Deze Zuid‑Franse stad is
het centrum van het Franse protestantisme. Daar is ook de
theologische faculteit voor het gereformeerde of
Calvinistische deel van Frankrijk te vinden. Op die plek wil
Robert Haldane zijn werk voortzetten. Twee dagen voor zijn
vertrek meldt zich Henry Drummond aan zijn deur.
In juni 1817 komen Henry en zijn
vrouw Henrietta in Genève aan, nadat ze de reis naar het Heilige
Land in Genua hebben afgebroken. Het eerste wat Drummond
onderneemt is een bezoek aan Robert Haldane, die dan
waarschijnlijk dus z'n koffers staat te pakken.
Haldane ziet de storm die
Drummond op de Middellandse Zee beleefde, als een bijzonder
teken. Wat kon Drummond anders doen dan zijn rug naar de wereld
keren, zijn kapitaal voor het evangelie beschikbaar stellen en
de profetische mantel aan te trekken?
En zo stelt Drummond, rijk en
goedgeefs, zich achter de nieuwe kring op. Hij neemt zijn intrek
in het hotel van Sêcheron, vlak buiten de stadsmuren, maar op
Geneefs grondgebied. Al spoedig staat zijn appartement daar vol
met kisten gevuld met bijbels en tractaten en open voor allen
die geïnteresseerd zijn in het Evangelie. De Venerable Compagny
hoopte op een gemakkelijke manier van Robert Haldane af te zijn,
maar ziet zich nu geconfronteerd met een nieuwe 'tegenstander'.
Aangezien Henry Drummond zich al
spoedig laat kennen als een vurig ijverend strijder tegen de
standpunten der gevestigde kerk en al gauw de aanvoerder der
Vriendenkring wordt, vaardigt het predikantencollege een
deputatie af om hem ter verantwoording en tot de orde te
roepen. In de tuin van het hotel vindt de eerste ontmoeting
plaats. Professor Chenevière, de leider van de deputatie, vraagt
hem op de man af of hij voornemens is dezelfde leerstellingen
als Haldane te verkondigen. Ad rem vraagt Henry aan Chenevière
een uitgebreid exposé van de leer van Haldane.
De deputatie ziet zichzelf staan
tegenover een waardige tegenstander en vertrekt in woede.
Vanuit het predikantencollege
wordt aan Henry een heftige brief geschreven, die hij even
krachtig beantwoordt. In een Geneefse krant van 5 september 1817
wordt de brief beschreven. Henry beschuldigt daarin het college
van ketterij en het bezoedelen van de naam van Christus. Gaussen
schrijft later over de brief: 'It was very well done.' Het
predikantencollege, gesteund door de kantonregering, daagt hem
voor de Staatsraad.
Daar probeert het college
Drummond te intimideren en hem te bewegen de gewraakte brief
weer in te trekken. Henry houdt voet bij stuk. Hij verhuist
daarop naar Ferney, de plaats waar Voltaire zijn oude dag
doorbracht, op Frans grondgebied, maar op een steenworp afstand
van Genève. Op die manier is hij goed bereikbaar, vlak bij zijn
arbeidsveld maar buiten de Geneefse jurisdictie. Zijn villa,
Campagne Pictet, blijft hetzelfde open‑huis‑karakter behouden.
Korte tijd hierna komt de nieuwe
kerkelijke gemeente in Drummonds huis tezamen om er
kerkdiensten te houden. De eerste Avondmaalsviering buiten de
officiële kerk van Genève wordt gehouden op 21 september 1817 in
Campagne Pictet. In een later van deze gebeurtenis gemaakt
verslag staat het volgende te lezen: 'Het was in het huis van
Drummond en Dr. Malan ging voor. We waren met tien personen,
waarvan zeker zeven bekende namen droegen. Naast de beide net
genoemde mogen worden genoemd: Pyt, Méjanel, Gonthier, Guers en
C. Burckhardt... Het deed ons denken aan een ander Avondmaal, in
1536, de eerste viering van de protestanten in Genève.'
Een andere belangrijke
werkzaamheid van Henry Drummond is het verspreiden van tractaten
en bijbels. Hij laat ze op eigen kosten drukken. Ondertussen
klaagt de bank in Engeland over de hoeveelheden geld die de
bankpartner in Zwitserland uitgeeft! Vele, ook bevriende
theologen, vinden het intussen “typisch Engels” om zo met het
gedrukte woord te strooien. Daarbij val te denken aan de vele
tractaat- bijbel- en zendingsgenootschappen in Engeland, veelal
door Evangelicals opgericht.
Eén van hen vaarschuwt zelfs:
“Het ware evangelie is noch te vinden in karrevrachten of
kisten, noch wordt het bereikt met geld en comitees”.
Martin vertaalde in de 16e
eeuw rechtstreeks vanuit de Vulgaat. De Hugenoten gebruikten
hiervan al de Franse versie.
Ook deze vertaling is tegen het
zere been van het doorluchtige predikantencollege, dat immers
zelf in 1805 een socianische vertaling het licht heeft doen
zien. Ze verspreiden het bericht dat “de secte een
bijbelvertaling uitgeeft aangepast aan hun eigen opmerkelijke
inzichten”. Via een krant weerspreekt Drummond deze mening. Hij
toont daarin ook aan hoe gemakkelijk het te bewijzen is dat
degenen die de godheid van Christus loochenen blasfemisten zijn.
Hij voegt er aan toe dat hij alle nieuwe bijbelvertalingen
wantrouwt en de versie van de kerk van Geneve (1805) verfoeit.
“Zoals de kerk gekend wordt, zo
gezond zijn de kerk en haar kudde. Zoals de bijbel wordt
verborgen, zo verborgen zijn de kerk en haar leden”, aldus
Drummond.
Het is ook in 1817 in Geneve als
Drummond met pen en tong de strijd voert tegen de opnemen van de
apocriefe boeken in de bijbel. Hij is ervan overtuigd dat de
apocriefen niet alleen ongewenst, maar ook schadelijk zijn voor
de lezers.
Ook in Engeland raakt hij
vanwege dit standpunt dan ook verwikkeld in de
apocriefencontroverse. The British and Foreign Bible Society,
opgericht vanuit de Evangelische kringen in 1804 in Londen, was
gericht op het verspreiden van de Heilige Schrift “zonder
aantekeningen en commentaar”, zoals vermeld in de
oprichtingsstatuten. Deze verspreiding van de bijbel richtte
zich ook op het buitenland, waarvoor speciale vertalingen en
edities in ruime omloop werden gebracht. (In 1827 al in 147
verschillende talen).
Bevreesd voor menselijke
beïnvloeding van het woord Gods, het rationalisme, het
socianisme en andere stromingen en gedachten die schadelijk en
devalueerd zouden kunnen werken, verklaart het Britse
Bijbelgenootschap nog in 1815 de bijbel te drukken exclusief de
niet-canonieke geschriften.
Al op het Concilie van Trente,
waar de uiteindelijke vorm der bijbelse canon wordt bepaald, is
volgens de meer rechtzinnige reformatoren onrecht gedaan aan het
zuivere woord van God door de apocriefen toe te staan.
De orthodoxe Calvinisten in
Schotland en Engeland reageren dan ook furieus tegen elke vorm
van toevoeging, annotatie, commentaar, inleiding of verklaring
in één band met de bijbel. Uit Schotland komt in die tijd de
uitspraak: “All Scotland would rise as one man against the
Apocrypha”.
Door de anti-apocriefisten
worden deze geschriften beschouwd als niet-geïnspireerd,
bijgelovig, in tegenspraak met Gods woord, in tegenspraak met de
canon en daarom verwerpelijk.
Zowel Robert Haldane in
Montauban als Henry Drummond in Geneve werpen zich op als
krachtige verdedigers van het “zuivere” woord. Het
Bijbelgenootschap daarintegen ziet zich geconfronteerd met
practische overwegingen. Om, juist op het contignent, ook de
Grieks-Orthodoxe, de Rooms-Katholieke en bepaalde Protestantse
kerken te bereiken is het noodzakelijk de apocriefe boeken aan
de bijbel toe te voegen. Zo kan een betere aansluiting bij de in
die kringen levende traditie van toevoeging der apocriefen
worden gevonden.
Daar worden de aprocriefen als
waardevol beschouwd, zoals Luther ook benadrukte.
Als Robert Haldane, terug in
Londen vanuit Montauban, op het hoofdkantoor van de British
Bible Society in augustus 1821 ontdekt dat, mede op zijn kosten,
Franse vertalingen inclusief de apocriefen worden gedrukt,
ontstaat een heftige polemiek. Ijn de volgende jaren wordt er in
Engeland een bittere strijd gevoerd tussen voor- en
tegenstanders.
Vanuit de burelen van het
Bijbelgenootschap wordt geprobeerd de zaak te sussen met
pragmatische argumenten. De tegenstanders waaronder Drummond en
Haldane, blijven het Genootschap bestoken met petities, brieven
en aanklachten.
Ondanks aanvankelijke beloften
blijkt het Genootschap de apocriefen te blijven toevoegen.
Landelijk vergaderingen waar bekende namen elkaar ontmoeten
(Edward Irving, Thomas Chalmers, Robert en James Haldane en vele
anderen), kunnen op een grote belangstelling rekenen. Voor
Drummond en Haldane is de appel extra zuur omdat de Continental
Society bijbels verspreidt die worden gedrukt door de Bible
Society.
De Continental Society is
medefinancier van het Bijbelgenootschap. De strijd zet zich
zelfs voort op het continent waar mannen als Empaytaz, Pyt, Bost
en anderen veel tijd en energie besteden aan de kwestie.
Het blijkt niet alleen een
felle, maar ook een zeer langdurige strijd te zijn (1821-1830).
Pas in 1850 treedt er een belangrijke verandering in wanneer er,
na een “zuivering” in het Bijbelgenootschap, het besluit valt de
apocriefen niet meer aan de bijbel toe te voegen.
De heikele kwestie is eigenlijk
nooit tot een goed einde gebracht, doordat er zoveel bitterheid,
verwijdering en controverse was ontstaan. In de loop van de
strijd is bijna een hele bibliotheek over de zaak geschreven en
dat veelal vanuit eeen polemische gedachte. Al in 1822
publiceert Henry Drummond: “Observations on Circulation of the
Apocrypha”, in 1829 zijn “Letter to Alexander Haldane, Esq.,
respecting the Septuagint”, waarin hij zijn canoniek begrip
uitwerkt.
Robert Haldane heeft aan het
eind van zijn leven spijt dat hij zoveel energie in de strijd
heeft gestoken en dat er zoveel verbittering door is ontstaan.
Henry Drummond zal er in zijn latere werkzaamheid in de
Katholiek-Apostolische Gemeente mede voor zorgen dat deze de
apocriefen als niet-canoniek volledig afwijst.
De al genoemde L.G. James, die
de oorzaak is van Haldanes verblijven in Geneve, komt in 1818
naar Nederland omdat hij in Geneve weinig kans heeft op een
aanstelling. In 1820 wordt hij benoemd als predikant van de
Franstalige Waalse kerk te Breda.
Zijn enthousiasme, al bekend
door zijn rol in het Geneefse Réveil, steeks zelfs Isaac da
Costa aan. Deze spreekt over hem als “de van ijver brandende
James”. Ook met Abraham Capadose heeft James goede contacten.
Capadose wordt peet van James’ elfde kind. James behoort dus tot
de eersten die het nieuws van het Geneefse Revéil en de verhalen
over Haldane en Drummond in Nederland verkondigen.
Een opmerkelijke ontmoeting
vindt in dezelfde tijd plaats als Francis Sitwell (1797 ‑ 1864)
Genève bezoekt. Sitwell komt uit een oud adellijk geslacht
waarvan het begin teruggaat tot in de Saksische tijden. Net als
bij Henry Drummond, is hij ook van adel en overlijdt zijn vader
als hij nog jong is. Al op jonge leeftijd beheert hij het
kasteel, Barmoor Castle, in Northumberland, vlakbij de Schotse
grens.
Zijn jonge jaren brengt hij op
een actieve wijze door, hij besteedt veel tijd en inspanning aan
de jacht en sport. Godsdienst en geloof, zo vertelt hij in
latere jaren, spelen in deze periode een ondergeschikte rol.
Alleen uit plichtsbetrachting bezoekt hij de kerk. Zijn
opleiding valt op door zijn goede resultaten op het gebied van
de talen. Latijn, Grieks, Frans en Spaans. Talen waarin hij ook
later lesgeeft. Op grond van zijn maatschappelijke positie en
de familietraditie dient hij in het Engelse leger als officier.
Jaren later bericht hij zijn
zuster over zijn vroegere ontmoeting met Drummond. Aan Mary
Tait ‑ Sitwell, gehuwd met de Aartsbisschop van Canterbury,
Campbell Tait, schrijft hij, waarschijnlijk in het jaar 1847,
hoe hij door het geloof gegrepen wordt op een reis door
Europa: 'Je weet dat ik tot de kennis des Heren en Zijn
waarheid ben gekomen in Genève...
Geen geestelijke kwam ooit tot
mij om te zeggen: "Sir, weet u dat u verkeerd handelt?"...
Niemand deed ooit een beroep op me berouwvol te zijn omdat mijn
zonden waren vergeven. Niemand predikte mij de vergeving der
zonden... De Heer legde Zijn liefdevolle hand op mij op meerdere
manieren en leidde me naar Geneve... en toen, op een gezegend
uur, bracht hij Drummond, die het eenvoudige Evangelie
predikte. Mijn zonden werden vergeven in Jezus' naam, en ik zou
van God een leugenaar maken als ik het niet geloofde... Vanaf
dat moment veranderde Hij mijn hart... ik wilde mezelf in Zijn
dienst stellen... Tot dat uur was ik een vossenjager, daarna
werd ik een jager op mensen.'
De verandering in Sitwells leven
door de aanraking Gods en de prediking van Henry Drummond
resulteren na terugkeer in Engeland in gebedsbijeenkomsten op
Barmoor Castle en een geestelijk opwekking aldaar.
In Londen bezoekt Francis
Sitwell later de gebedsbijeenkomsten ten huize van J.B. Cardale.
De vriendschap tussen Henry Drummond en Sitwell wordt ook in
latere jaren voortgezet. Drummond bezoekt dan zelfs samen met
Edward Irving Barmoor Castle.
Ondertussen blijft Henry
Drummond naarstig het evangelie verkondigen in Genève en
omgeving. Doordat hij steeds meer contacten in evangelisch-
theologische kringen krijgt en bezoeken brengt aan andere
steden, vooral in Zwitserland en Frankrijk, krijgt hij steeds
meer oog en oor voor de geestelijke noden op godsdienstig
gebied.
In Montauban is Robert Haldane
op dezelfde wijze als voorheen in Genève bezig het socianisme,
het rationalisme en de onkunde der geestelijkheid en studenten
te bestrijden. Hij merkt in een latere brief op dat hij hier
niet zo'n uitgelezen groep mannen ontmoet als in Genève.
Veel tijd en veel inspanningen
kosten het drukken, uitgeven en verspreiden van vooral bijbels.
Ook tractaten en theologische boeken worden door Haldane ingezet
als wapen tegen het christelijk analfabetisme. Toch zoekt hij
naar wegen en manieren om het werken effectiever te maken en het
werkgebied uit te breiden. In Ferney en Genève spelen bij de
inmiddels uit Rome teruggekeerde Henry Drummond dezelfde
overwegingen.
De enthousiaste leden van de
Bourg de Four‑gemeente zijn ondertussen al in Lausanne en Bern
met succes werkzaam. De theologen uit deze kring worden echter
door de officiële kerk niet erkend en krijgen op grond van het
reglement van mei 1817 geen aanstelling. Het direkte gevolg van
dit reglement is het beschikbaar komen en voorhanden zijn van
een zeer grote groep enthousiaste, goed geschoolde en kundige
predikers, ijverig en vervuld van hemelse geestdrift.
Terwijl Haldane, Drummond en
anderen corresponderen over de oprichting van een genootschap
ter verbreiding van goddelijke kennis over het Europese
continent, stuurt Drummond in 1818 alvast op eigen kosten Ami
Bost, uit de Bourg de Four‑kring, op zendingsreis naar de Franse
Elzas. Een betere zendeling had Drummond nauwelijks kunen
kiezen. Ami Bost is de zoon van een Geneefse Hernnhuter en
bezocht de school van de Broedergemeente in Neuwied bij Koblenz.
Hij organiseerde na zijn terugkeer in Genève bijbelkringen
waaruit mannen naar voren kwamen die een rol in het Geneefse
Revèil speelden. De zendingsreis van Ami Borst heeft grote
resultaten!
Hij is hiermee de eerste
zendeling van de nog niet officieel opgerichte Continental
Society.
Deze Continental Society for the
Diffusion of Religious Knowledge, zoals de officiële naam
luidt, wordt opgericht in 1819 in Ferney vanuit de
bovengeschetste gedachte het arbeidsgebied uit te breiden en
effectiever te werken. Henry Drummond is de grote initiator en
stimulator, Robert Haldane speelt ook een belangrijke rol.
Andere leden van de Geneefse Bourg de Four‑gemeente zijn
enthousiaste medewerkers.
Nog vele jaren zal Drummond
grote sommen gelds schenken om het werk van dit genootschap te
ondersteunen.
Over de doelstellingen van de
Continental Society staat te lezen in het eerste rapport (First
Report of the Continental Society, 1819): 'Het genootschap is
opgericht om het nog steeds aanwezige ongeloof in Frankrijk en
Italië, en het socianisme in de Geneefse kerk te bestrijden.
Verder de bestrijding van de verspreiding van de Toulouse‑editie
van de bijbel, die voorzien van de apocriefe boeken wordt
verspreid in Frans Gereformeerde kerken in Zwitserland,
Frankrijk en Nederland. Andere bedreigingen die moeten worden
weerstaan zijn de infiltratie van de zg. Duitse neologie in de
grote Duitse universiteiten en de ontwikkeling van een mystiek
spiritisme onder de ongeletterden.'
Hoofdmotief van het genootschap
is echter: 'De verkondiging van de komende Dag des Oordeels,
die, op zeer korte termijn, aanstaande is!' Dit hoofdmotief is
terug te voeren op een combinatie van de praktische
'Evangelical'-gedachte, het in deze tijd sterk in de
belangstelling staande millenialisme en de hernieuwde
belangstelling voor de profetische geschriften (Vnl. Daniël,
Openbaring).
De gedachten van de Continental
Society worden later (1826) door Irving verwoord in zijn boek
"Babylon and Infidelity Foredoomed", vooral gericht aan de
"warrige Duitsers, de flegmatise Hollanders en de harde
Zwitsers".
In Engeland bestonden, of werden
gesticht, verenigingen die zich ten doel stelden de
evangelisatie over de wereld te brengen. Naast de Continental
Society voor de zending op het vasteland van Europa, bestond ook
het eerder opgerichte Missionary Society.
In 1801 kwam Joseph Frey met
Palm en Ulbricht (over de laatste twee is niet meer bekend)
vanuit Berlijn naar Engeland om een bijeenkomst bij te wonen van
de toenmalige “Missionary Society”. Dit gezelschap was opgercht
in 1795.
Later werd de naam gewijzigd in
“The London Missionary Society”. Het viel Frey op hoe de Joden
in Londen leefden en hij begon met evangeliseren onder hen. In
1805 zocht hij aansluiting bij de “London Missionary Society” en
stichtte een school voor Joodse kinderen. Later werd een oude
Franse kerk in gebruik genomen die de naam van “The Jews Chapel”
kreeg, om lezingen en diensten voor Joden te houden. Namen van
mannen die in deze dienst voorgingen zijn o.a.
J.W. Cunningham en W. Marsh,
namen die we ook weer later tegen komen..
Weer wat later werd de
“Palestine Place” gehuurd voor de duur van 99 jaar. Hiervoor
werd op 7 april 1813 de eerste steen gelegd door de Duke of Kent
in het bijzijn van o.a. William Wilberforce en Lewis Way.
Op 16 juli 1814 werd dit
kerkgebouw, dus speciaal voor christelijke Joden, geopend.
Toen op 14 maart 1815 een nieuw
reglement werd opgesteld werd de Society een onderdeel van de
Church of England.
De levensloop van Lewis Way is
opmerkelijk. Hij beschikte over weinig geld. Op een dag
passeerde een Mr. John Way het huis van Lewis Way en zag zijn
(achter)naam op de deur staan. Lewis en John Way maakte kennis
met elkaar en toen de oude man overleed liet hij Lewis een
fortuin na van 300.000 pond met de bepaling deze te gebruiken
voor de eer van God.
Lewis Way hoorde dat er een
Society was om het evangelie onder de Joden bekend te maken. De
Society verkeerde in geldnood. Way doneerde 20.000 pond met de
bepaling dat het oude bestuur moest aftreden en het hele beleid
aan de kerkmensen overgedragen zou worden. Dat werd
geaccepteerd.
Zelf nam Way zestien Joden in
zijn huis op, onderwees en doopte hen. In 1817-1818 kwam Way op
eigen kosten naar het vasteland en bezocht o.a. Nederland waar
hij een geopend oor vond. Het merendeel van de Joden in
Nederland waren arm. Slechts enkelen werkten als bankier of
waren rijke kooplieden.
Way is ook de inspirator tot de
bouw van een kapel en daarnaast een instituut.
Christen-evangelisten en bekeerde Joden ontvangen aan het
instituut, gevestigd aan de Randolph Street, een opleiding tot
zendeling.
Ook een weeshuis voor Joodse
kinderen behoort tot het complex. Drummond, als Réveil-man, is
natuurlijk zeer betrokken bij dit gebeuren, zowel als
bestuurslid als in praktische kwesties. Ook financieel laat hij
zich van zijn positieve kant kennen.
De komst van Joden in ons land
valt in twee perioden te verdelen. De eerste periode is rond de
negentiende eeuw, ze zijn dan vooral te vinden in Vlaanderen,
Brabant en Gelderland. Rond 1370 werden ze verdreven.
De tweede golf is aan het einde
van de zestiende eeuw. De toen opgerichtte Republiek der
Vereenigde Nederlanden was een veilige haven voor de Joden uit
Spanje tijdens de gruweldaden van Philips II en de fanatieke
Mary van Engeland. Deze asylzoekers waren meestentijds Marranos
of “Nieuwe Christenen”. Hun voorouders in Spanje hadden voor de
schijn, uit lijfsbehoud, het christendom aangenomen.
Voor hun nazaten, die de wijk
uit Spanje namen waren de Europese grenzen gesloten of het
verblijf in die landen was niet gunstig. Dat in tegenstelling
tot de Republiek der Vereenigde Nederlanden waar ze zich
vrijelijk konden vestigen.
De eersten kwamen hier rond 1590
en in Amsterdam werd in 1598 een synagoge opgericht. Deze stad
werd niet voor niets “Nieuw-Jeruzalem” genoemd. Volledige
burgerrechten werd in 1619 verkregen. Bekende namen waren o.a.
Uriel Da Costa
(een voorvader van de latere
Isaac da Costa) en Baruch Spinoza.
Willem van Oranje ontving van de
jood Baron Suasso een miljoen gulden om de invasie naar Engeland
te kunnen financieren.
Tussen de Askenazie joden, die
later vanuit Duitsland vluchten, en de aristocratische Sefardim
gaapte een diepe afgrond.
Uiteindelijk beliep het aantal
joden in Nederland zo’n 100.000 peronen waarvan er ongeveer
75.000 in Nederland woonden. Nu zou het een onbeduidend aantal
zijn geweest, maar het Nederland van die dagen telde ten hoogste
2 ½ miljoen inwoners.
In Rotterdam, waar Lewis Way en
zijn helpers aankwamen, maakten zij kennis met een jood met de
naam Erasmus, genoemd dus naar de grote humanist. Deze bracht
hen in kennis met de hoofdrabbijn in die plaats, maar ondanks
het werken van Lewis Way lukte het niet de rabbijn te
overtuigen. Hij noemde het Nieuwe Testament een “onheilig ding”.
Anders was zijn broer in Den
Haag, ook rabbijn, die het Nieuwe Testament wel aanvaardde.
Maar, zoals al geschreven, de
grootste concentratie Joden was te vinden in Amsterdam. Velen
van hen accepteerden de christelijke boeken en twee drukkers
wilden de traktaatjes van de Society drukken op eigen risico.
In 1822 werd een kapel opgericht
met A.S. Thelwall als voorganger en als assistent E.H. Simon die
het Nederlands goed beheerste. Door de Society werd veel gedaan
om de Joden met het evangelie bekend te maken. Ze werden daarbij
krachtig ondersteund door Isaac da Costa en Abraham Capadose. Op
hen komen we later terug.
Rond die periode werd ook de
vijfde conferentie van de Society gehouden in de Freemasons-Hall
met bekende sprekers die we ook weer ten dele bij de
Albury-conferenties vinden zoals William Wilberforce, Lord
Calthorpe, John Owen en J. Haldane Stewart.
Overigens zijn da Costa en
Capadose later, rond 1851, in dezelfde Freemasons-Hall te vinden
waar ze spreken voor de Evangelische Alliantie en ook weer over
de evangelisatie onder de Joden. Da Costa schreef er een verslag
over onder de titel
“Een-en-twintig dagen te
Londen”, (Amsterdam, Höveker, 1852)
In 1823 was Henry Drummond
vice-voorzitter van de Society. Sprekers voor de Society waren
in die periode (1820-1829) o.a. de al genoemden Lewis Way en
William Wilberforce, Henry Drummond en Edward Irving.
Joseph Wolff werd geboren in
1795 of 1796 in Weilersbach, destijds een klein plaatsje in
Beieren. Zijn vader was rabbijn van de stam Levi.
Na vele omzwervingen, waaraan we
nu voorbijgaan, kwam Wolff terecht in het Vaticaan bij de
Congregatie voor Propaganda, om daar opgeleid te worden. Door
zijn onafhankelijke opstelling maakte hij zich daar niet
geliefd.
Zo zei hij dat de kerk niet het
recht had om mensen te verbranden, zoals in de middeleeuwen was
gebeurd. De rector vroeg:
“Hoe wil je dat bewijzen,
Wolff?”. Wolff antwoordde: “Dat is duidelijk. Gij zult niet
doden”.
Waarop de rector: “Mag een
herder een wolf doden als deze de kudde aanvalt?”. Wolff: “Een
beest is geen mens”.
De rector: “Zeventien pausen
hebben het zo geleerd”. Wolff: “Dan hebben zeventien pausen het
verkeerd gedaan”.
Tijdens deze hele conversatie
stonden twee mannen in de deuropening: Henry Drummond en
Hallyburton, de latere Douglas of Edinburgh. Ze kwamen brieven
brengen aan Wolff van o.a. Pestalozzi en Felleburg vanuit
Zwitserland.
Wolff ontving in die tijd ook
veel bezoek van zijn vrienden zoals Niebuhr, Bunsen en Brandis,
bepaald geen aanhangers van de R.-K. leer. Uiteraard werd
Wolff’s positie bij de Congregatie voor Propaganda onhoudbaar.
Wel waren de leerlingen en
opleiders amicaal tegenover hem. Op een dag zonden ze hem een
grote taart die hij mee nam naar zijn kamer. De volgende morgen
nodigde hij zijn vrienden uit, de Duitse artiesten, katholiek en
protestants, en gebruikte met hen het diner met de taart. Buiten
stonden de leerlingen en leraren zich te verbijten omdat hij de
taart verorberde met ketters.
Op een avond arriveerde bij
Wolff een brief van Henry Drummond waarin deze schreef: “Wolff
vlucht uit Babylon”.
Wat noch Wolff noch Drummond
wisten was dat de post gecensureerd werd. Nu werden ’s avonds,
na het avondgebed, alle deuren van de kamers van de leerlingen
afgesloten.
Wolff schreef een brief aan
kardinaal Litta met o.a. daarin de opmerking: “De protestanten
van Duitsland hebben gelijk, de Congregatie voor Propaganda zit
verkeerd”. Aan een vriend schreef hij: “Als Christus niet voor
iedereen de dood inging, hoeft niet iedereen hem te aanbidden”.
De volgende dag kwam Litta naar
Wolff’s kamer, zei dat hij de brieven gelezen had, en dat het
grootste gedeelte onzin was.
In dezelfde tijd ontving Wolff
brieven van Testa, de privé-secretaris van de Paus, waarin deze
hem schreef dat hij in gevaar verkeerde. Tevens schreef Testa
aan Litta waarin deze vroeg Wolff te beschermen.
Litta antwoordde: “Dat kan ik
niet langer”.
Enige dagen daarna kwam een
kleermaker naar Wolff’s kamer en nam zijn maten, een schoenmaker
kwam en mat de maat van zijn voeten, een hoedenmaker kwam en nam
de maat van zijn hoofd. Wolff wist niet wat er gaande was.
Op 15 april 1818 stuurde
Kardinaal Litta Wolff een briefje met de vraag om hem te
ontmoeten.
Tijdens dze ontmoeting zei
Litta: “Jouw gevoelen, mijn beste Wolff, zijn nu bekend”. Al
zijn brieven aan o.a. Bunsen waren gelezen. “Ik heb dat
doorgegeven aan Paus Pius VII. Deze zei dat je verwijderd moet
worden. Je moet terug naar Wenen. Hier zijn twee brieven, één
voor Kardinaal Lanta in Bologna en één voor graaf Leardi, de
pauselijk nuncius in Wenen. Nu moet je met iemand naar een huis
waar je moet blijven tot je uitgezet wordt”.
In dat huis vond Wolff de
kleding en schoenen waarvoor de maten genomen waren. Daarna
verliet hij het huis onder begeleiding van een heer die in
werkelijkheid lid van het Heilig College, m.a.w. de inquisitie,
was.
Onderweg ontmoette hij Bunsen
waartegen hij zei dat hij onderweg naar de inquisitie was.
Bunsen rende naar Niebuhr en vertelde hem dat.
Wolff werd naar monsigneur
Degeler gebracht, de advocaat van het Heilig College. Hier werd
hij vijftien uur onder arrest geplaatst en mocht zijn vrienden
niet ontmoeten.
Om 3 uur ’s morgens kwam een
koerier van het kabinet van de Paus, geëscorteerd door 25 leden
van de Zwitserse garde om hem buiten het Vaticaan te zetten.
Toen hij buiten op straat was
ontmoette hij een Engelse dame. Wolff vroeg haar of ze Henry
Drummond kende. Dat was inderdaad het geval, ze was speciaal
gestuurd om hem op te vangen. Ze bracht hem naar het huis van
een Prof. Levade en zei: “U moet naar Engeland gaan. Henry
Drummond wacht op u. Wij zullen alles nazenden”.
De naam van de Engelse dame was
Greaves. Ze was een zuster van de man die negen jaar eerder miss
Fancourt, die bedlegerig was, in de naam van Jezus bevolen had
om op te staan en te gaan lopen.
Allen vertrokken naar Lausanne
waar ze iemand ontmoette van de Whitchall Chapel, ds. Thomas
Jones, die met Wolff naar Engeland zou gaan.
In juli 1819 arriveerden ze in
Geneve waar Jones, samen met Wolff, een ontmoeting had met zijn
oude vrienden Empaytaz en Madame d’ Armnaud die hij via Madame
de Krüdener in 1816 had leren kennen.
Samen met Jones kwam Wolff in
Parijs aan waar hij Robert Haldane leerde kennen. Tussen Jones
en Haldane boterde het niet zo goed.
Daarom werd besloten dat Wolff
met Robert Haldane en zijn vrouw, naar Engeland zou vertrekken.
Zo reisden ze samen naar Calais en vandaar naar Dover. Wolff
reisde door naar Londen.
Daar begaf hij zich naar Charing
Cross waar dus Drummond’s bank gevestig was. Drummond bracht
Wolff onder bij een mrs. Stennet en een week later in zijn eigen
residentie, England House, Kensington.
Bij Drummond thuis maakte Wolff
kennis met Lewis Way en Simeon. Er groeide een hechte,
levenslange vriendschap tussen Drummond, Wolff en Way.
Samen met Drummond bezocht Wolff
enige kerken, maar niets kon hem boeien. Tenslotte zei Drummond:
“Wolff, ik zie wat je nodig hebt”, en bracht hem naar de Joodse
kapel op Palestine Place, Bethnal Green Road.
Dat beviel Wolff beter en zo
werd hij lid van de Church of England, maar voelde zich niet
gebonden. Hij ontving de sacramenten van een Dr. Steinkopf in de
Lutherse Kerk en de volgende zondag van een dienaar van de
Church of England.
Wolff zou tot missionaris
opgeleid worden in Stansted Park te Cambridge. Daar leerde hij
velerlei op het gebied van het missiewerk. Tijdens deze studie
maakte Wolff kennis met een man met de naam La Roche. Deze
arriveerde in Cambridge zes weken na Wolff. Van hem leerde Wolff
het e.e.a. waaronder Arabisch, Perzisch en Chaldees.
De totale opleiding zou twee
jaar duren maar werd veel langer dan de tijd die voorgeschreven
was. Dit tot grote ergernis van Drummond die hem schreef:
“Mijn beste Wolff,
Het doet me pijn dat je zolang
bij de London Society for promoting Christianity among the Jews
blijft. Wat kan je van hen leren dat je zelf nog niet weet? Zeg
hen dat ze je onmiddellijk moeten uitzenden en als ze dat niet
willen, doe ik het zelfr. Bij de Church of England heerst net
zoveel trots als bij de Kerk van Rome”.
Wolff’s antwoord
“Mijn beste vriend,
Ze willen dat ik hier nog iets
langer blijf, zodat ik meer over de wereld weet. De Society is
tot nu toe teleurgesteld over elke Jood die uitgezonden werd.
Eén werd Mohammedaan, een ander een dief en een derde een
zakkenroller. Ik blijf hier om ze te laten zien dat er ook
eerlijke Joden zijn. Ze willen me na enige maanden met Lewis Way
wegzenden om de wereld beter te leren kennen”.
Wolff wilde Stansted dus nog
niet verlaten en voerde als argument aan dat hij zichzelf nog
niet kon scheren, thee zetten enz. Hij schreef dat aan Drummond
en Way. Drummond schref daarom aan de Society: “Het is inderdaad
een Joodse Society! Oog om oog, tand om tand. Ik sta niet toe
dat jullie Wolff nog langer houden. Ik zend hem zelf uit”, en
aan Wolff zelf:
“Je bent al net zo groot in
kennis als mijn vrienden Lewis Way en Charles Simeon. Wat kan je
over de wereld leren in Stansted Park? Kennis over de wereld kan
je alleen leren in de wereld”.
Om te oefenen trok Wolff naar
Portmouth om voor de Joden te prediken, waarvoor hij een briefje
zond aan Way:
“Beste Mr. Lewis Way, ik weet
dat het misschien tegen de regels is als ik je vertel dat ik ga
prediken voor de Joden nin Portmouth. Ik ga daarheen zonder je
toestemming”.
Nu ging de Society overstag en
stuurde Wolff naar Gibraltar en Malta. Voor Gibraltar scheepte
hij in op 17 april 1821. Na twee maanden trok hij naar Malta
waar hij contact opnam met Cleordo Naudi, agent van het Britse
bijbelgenootschap en de Society. Deze had al vele
bijbelgedeelten in het Maltees vertaald. In 1816 had Naudi
kennis gemaakt met Henry Drummond die toen op Malta was.
Drummond had steeds contact met hem gehouden. Om kort te gaan:
in 1835 vertrok Naudi naar Engeland, sloot zich daar aan bij de
Katholiek-apostolischen en ging als evangelist naar Malta terug,
waar hij overigens kort daarna overleed.
Terug naar Wolff’s bezoek op
Malta in 1821, waar Naudi alle tijd had om hem bij te staan. Mr.
Joseph Greaves stuurde Wolff naar een rijke jood, Ben Simra, die
net bezig was in zijn warenhuis temidden van vele Joden en
Engelsen. Toen verteld werd wat Wolff kwam doen, was zijn
reactie negatief en toen Wolff verzocht om in de synagoge te
mogen prediken werd hem dat geweigerd. Een slecht begin voor
zijn missiewerk. Later vinden we Wolff terug in Arabië en in de
Sinaï. Hier vandaan schrijft hij brieven aan Drummond en
Bayford. Veel van deze correspondentie staat afgedrukt in het
boek
“Travels and
adventures of the rev. Joseph Wolff …late missionary to the Jews
and Muhammadans in Persia, Bokhara, Cashmer etc.” , London,
1861.
Toen Wolff, tijdens een
“tussenstop” in Londen arriveerde zocht hij contact met Edward
Irving. Over Irving had Chalmers gezegd: “Hij is net zoals de
zon die zijn licht verspreid”. Het was negen uur ’s avonds en de
Irving’s waren niet thuis. Een achtergelaten briefje zei hem dat
hij hen kon vinden in het huis van Lady Olivia Sparrow.
Dat was de eerste keer dat Wolff
voorgesteld werd aan Lady Georgiana Walpole, dochter van de Earl
Sparrow. Zij trouwden in februari 1827, waarbij Wolff ook het
Britse staatsburgerschap ontving.
Tegen elf uur vertrokken de
Irvings en Wolff naar huis. Wolff zei tegen Irving: “Ik kan
mezelf niet scheren, kan je me morgen een barbier wijzen?”. “Hoe
laat”, vroeg Irving. “Om zeven uur”, was het antwoord.
De volgende morgen om zeven uur
werd er op Wolff’s deur geklopt. Toen hij “binnen” riep trad
Irving in de kamer met de uitrusting van een barbier. Irving
schoor hem met vaste hand, vele dagen lang.
Korte tijd daarna wandelden
Wolff en Irving in de nabijheid van Oxford Street, waar voor de
etalage van een boekhandel een kleine oploop was. In de etalage
stond een karikatuur waarop Irving te zien was terwijl hij een
wolf stond te scheren. Dat tot groot ongenoegen van Irving.
Wolff en Lady Georgiana waren
dus in februari 1827 getrouwd, in april vertrokken zij naar
Amsterdam om het evangelie onder de Joden te prediken. Ook
maakte hij hier kennis met da Costa en Capadose. Wolff doceerde
aan het Athenaeum van Amsterdam en de universiteiten van Utrecht
en Leiden. In Amsterdam zocht Wolff ook contact met een
vooraanstaande Joodse advocaat, lid van de gemeenteraad, die
echter niets van het christendom wilde weten. Daarop vertrok
Wolff met Lady Georgiana naar Zeist waar hij een ontmoeting had
met Mr. Reichardt, misionaris van de London Jew’s Society. In
Zeist bevind zich de Hernnhüter Gemeenschap (Broedergemeente)
waar mannen en vrouwen tot op heden gescheiden leven. Samen met
Reichert bezochten ze enige kerkdiensten van de Hernnhüters.
Korte tijd later nodigde
Drummond Wolff en Irving uit voor een conferentie op Albury
Park, nabij Guilford in Surrey.
Daar werd geconfereerd over het
komende Rijk Gods en het herstel van Israël.
De dialogen die daar gevoerd
werden, werden gebundeld. De sprekers hanteerden fictieve namen.
Zo was Wolff “Josephus” en Irving “Athanasius”.
We zullen Wolff niet verder
volgen op zijn verre reizen. Het “spreken-in-tongen” heeft hij
nooit kunnen accepteren en hij is ook, evenmin als Lewis Way,
meegegaan in het katholiek-apostolische werk. De vriendschap
echter tussen Drummond, Irving nog de korte tijd die hij daarna
leefde, en Way heeft altijd voortgeduurd.
Na dit “intermezzo” terug naar waar we
gebleven waren. De werkwijze van het Continental Society
bestaat, vooral in de aanvangsperiode, uit het opleiden en
begeleiden van zendelingen, die, voorzien van
introductiebrieven en benodigde gelden, tractaten en bijbels,
naar een bepaalde streek of stad worden gestuurd. Eén van de
eerste vertegenwoordigers van het genootschap is Méjanel. Zijn
arbeid in Parijs en enige andere streken in Noord‑Frankrijk
wordt rijk gezegend. Het aantal uitgezonden zendelingen neemt
snel toe: Henri Pyt, Felix Neff, Guers, Porchat en vele anderen.
In 1820 staat in het tweede
rapport van de Continental Society een lijstje afgedrukt met
daarin de namen van het bestuur. Enige bekende namen daaruit:
Sir Thomas Baring, M.P., president; Henry Drummond en Lewis Way
als twee van de zes vice‑presidenten; John Bayford en Joseph
Wolff als leden van het bestuur. Een nadere omschrijving van de
taakstelling is ook in dit rapport te vinden: 'Het aan het licht
brengen van de verdorvenheden van het Christendom', waarvoor
het noodzakelijk is een totale stilte te bewaren omtrent de
namen van personen en plaatsen om leden en vertegenwoordigers
van de Society niet in gevaar te brengen. Onder het
hoofdstukje 'Bepalingen' staat te lezen: 'Onderwerp van het
genootschap is het assisteren van de plaatselijke predikanten
bij het verbreiden van het Evangelie, het verspreiden van
bijbels, testamenten en andere religieuze publicaties over het
continent van Europa, maar dit alles zonder de achterliggende
gedachte om enige afgescheiden richting of secte op te richten.'
Het bestuur zou maandelijks bijeenkomen op een plaats 'in of
nabij Londen'.
Niet alleen Franstalige
gebieden worden door de zendelingen van de Continental Society
bezocht. Vanuit Londen worden in de volgende jaren veel, later
bekend geworden, mannen uitgezonden naar verschillende landen
van het Europese continent. In Hamburg werkt Johann Gerhard
Oncken. Op 8 augustus 1823 schrijft hij aan Drummond:
'O Sir, als u met eigen ogen
zich ervan kon overtuigen hoe treurig de omstandigheden hier
zijn, dan wist ik zeker dat u uw ziel geen rust meer zou gunnen
alvorens u alles had gedaan om deze arme zondaars tot Christus
te brengen.'
Oncken arbeidt hierna met grote
zegen in de Duitse Innere Mission (Inwendige Zending). Zijn
opvolger J.H. Wichern is de oprichter van het in Hamburg zo
bekende 'Rauhe Haus', een opvoedingstehuis voor verwaarloosde
kinderen.
Carl von Bülow wordt in dezelfde
tijd door de Continental Society naar Denemarken gestuurd om ook
daar 'inwendige zending' te bedrijven.
Nadat Henry Drummond mee heeft
geholpen de Continental Society op te richten, ziet hij minder
reden om voortdurend op het Europese continent aanwezig te zijn.
Bestuur en organisatie van het Vastelandsgenootschap kunnen
immers ook vanuit Engeland ter hand worden genomen. Henry en
Henrietta gaan daarom in 1819 terug naar hun vaderland. Ze
bezitten een huis in Londen, Belgrave Square. Daarnaast koopt
Drummond van Charles Wall een landgoed in Albury, 30 kilometer
ten zuiden van Londen gelegen. Op die manier kan hij zowel in
Londen, 'where it all happens', als op het rustige platteland
van Surrey zijn.
Hij laat het landhuis in latere
jaren door de beroemde architect Augustus Welby Northmore
Pugin, om het aan te passen aan zijn voorliefde voor de gotiek,
volledig verbouwen en renoveren. Het verbouwingsplan blijkt zo
ambitieus te zijn dat de zoon van Pugin het pas in de vijftiger
jaren afkrijgt. De bij het landgoed behorende tuinen en
landerijen worden gereorganiseerd en door tijdgenoten
uitzonderlijk bewonderd om de goede verhoudingen, prachtige
aanleg en interessante inrichting. Tot voor enkele jaren waren
de gebouwen in Albury in handen van de Trustee’s van de Catholic
Apostolic Church, maar nadien aan een, ons onbekende, verkocht.
Door de aankoop van Albury Park
komt Drummond ook in het bezit van een oud Saksisch kerkje, één
van de oudste in Engeland, Albury Old Parish Church. Het staat
op enige tientallen meters van het landgoed. In latere jaren
laat hij daarin een familietombe bouwen. Tevens wordt hij
grootgrondbezitter en drager van de titel High Sheriff. De vele
landerijen worden verpacht aan boeren. Al in 1819 krijgen deze
allemaal een stukje grond voor zichzelf, in die tijd een
ongehoord fenomeen, wat dan ook in alle biografieën vermeld
staat.
Onder de plaatselijke bevolking
staat hij bekend als een misschien wat autocratische, maar
genereuze en rechtvaardige landheer.
Drummond speelde binnen het
Continental Society dus een vooraanstaande rol. In de
Theologische Literatur Zeitung van 18 februari 1829 blijkt dat
ook, er staat in dat blad een jaaroverzicht van de Continental
Society (dat in dit stuk vertaald werd in “Continentaal
genootschap”) over 1827-28, waarin ook blijkt welke rol Drummond
binnen dat genootschap speelde.
“Het doel van dit genootschap is
om een levend christelijk geloof in de katholieke en
protestantse landen op het vasteland van Europa te verbreiden.
De middelen van het genootschap zijn, om redenen die we verderop
zullen verklaren, beperkt. De inkomsten over het jaar 1827-1828
bedroeg 2649 pond, d.w.z. 784 pond meer dan het jaar daarvoor.
Het genootschap heeft, met zeer
matige salarissen, enige colporteurs en bijbellezers in
Frankrijk, drie agenten in Duitsland die zich in het Rijnland,
in Hamburg en Hannover bevinden, en een agent in Noorwegen. De
werkzaamheden bestaan uit het voorlezen uit de heilige Schrift,
het verdelen van traktaten en het houden van lezingen. Vanuit
Frankrijk bevat dit verslag meerdere bemoedigende berichten. Een
geestelijke schrijft b.v. “U zult zeker met genoegen vernemen
dat nog steeds enige katholieken in mijn omgeving opgewekt
worden. De uitdeling van de heilige Schrift werd steeds
omvangrijker. Bijzonder opvallend is de geestelijke beweging in
Parijs, waar meerdere personen uit de hogere stand opgewekt
worden. Men bemerkt de voortgang van de verbetering”.
De colporteurs vinden steeds
meer toegang in de huizen en de mensen laten zich in veel
gevallen, en ook na de vele aanvallen van de Rooms-katholieke
priesters, niet verhinderen om te komen als de reizende prediker
het evangelie uitlegt. – De agent in Hamburg is bijzonder
ijverig geweest in het prediken van het evangelie aan de
zeelieden aan boord van de schepen, en door het stichten van een
Zondagsschool.
De agent in het gebied van
Hannover is wegens het uitdelen van traktaten opgepakt en
gevangen gezet. – In Noorwegen werkt een zekere heer van Bülow
in dienst van het genootschap. Hij heeft een avontuurlijk plan
aan de leden van het genootschap voorgelegd en verdedigd, om een
eigen schip op te tuigen en dan naar de Noorse eilanden tot aan
de Noordkaap te zeilen, bijbel en traktaten te verdelen en met
de mensen te spreken.
Het is niet te begrijpen waarom
hij niet over het vasteland van Noorwegen wil reizen, waar hij
met minder kosten hetzelfde doel –dan wel niet bij de
eilandbewoners- dienen kan. Er werd gezegd dat het volk op de
eilanden over de heilswaarheden zeer onwetend zijn. Zelfs
herleven daar de oude dagen, de tijd waarin afgoden aanbeden
werd. Iets wat door andere bronnen zeer bestreden wordt.
De geest waardoor het
genootschap werkt is niet helemaal zuiver. Haar leden hebben ten
dele zeer eenzijdige denkbeelden. Enigen zijn tegenstander van
de kinderdoop en ook enige van haar agenten in Frankrijk droegen
ideeën uit die tegengesteld zijn aan die in de gehele
christelijke kerk, waardoor in vele protestantse gemeenten in
Frankrijk splitsingen en onrust veroorzaakt werd. Maar nu zouden
deze agenten door het genootschap ontslagen zijn.
Enige leden en ook agenten
richten zich op het separatisme. Over het algemeen maken zij
zich schuldig aan een te snel oordeel over hen die nog niet tot
een volkomen christelijk geloof en christelijk geloof gekomen
zijn en omdat ze er niet aan denken om de christelijke
elementen, die ook bij de minder gelovige christenen aanwezig
zijn, vreugdevolle erkenning te schenken. Zo stellen ze in de
regel de toestand op het continent, in betrekking tot het
christendom, slechter voor dan het in werkelijkheid is.
Elke nieuwe opmerking van een
reizende Engelander over het houden van de sabbath op het
vasteland, is voor hen een bevestiging van hun meningen. Daarbij
komt dat in de laatste tijd enige leden van het genootschap, ook
in openbare bijeenkomsten, de overdreven verdedigers zijn van
een volkomen Calvinisme en een, daarmee in verband staande,
eigen uitlegging van de profetieën brengen. Deze profetische
theologie hebben ze openbaar gemaakt in het werk: “Dialogues on
prophecy”, London, 1828, 2 delen.
Het grondidee is de volgende:
God heeft, uit vrije willekeur, het volk Israël verkoren om Hem
voor alle overige volken te verkondigen. Toen ze de Messias niet
aannamen verloren ze, nadat het strafgericht bij de verwoesting
van Jeruzalem over hen gekomen was, voor een tijd dit voorrecht
aan de heidenen (Rom. 11), en zij die de vrije genade aannamen,
werden zalig. Aan het einde echter zal over de massa der
heidenen, nadat dus enigen zalig geworden zijn, net zulk een
strafgericht aanrichten als over Israël. Deze gegevens zijn te
vinden in Luc. 21, 24.
In die tijd wordt dan het volk
van Israël naar Palestina gevoerd, waarbij Christus persoonlijk
vooraan gaat. Er volgt dan een wonderbare bekering van het volk
en de stichting van een zichtbaar Rijk van Christus op aarde.
Ook in dit jaaroverzicht spreken
enige leden, met zure gezichten en strengheid, deze
Calvinistische ideeën uit.
Zo in het bijzonder de rede van
de bankier H. Drummond die zei: “Het doel van dit genootschap
is, predikers in het hart van de christenheid te brengen, om hen
te zeggen dat zij Christenen zijn. Dat klinkt hard in de oren
van hen die zich niet alleen als christenen beschouwen, maar ook
van hen die het voorrecht van zaligheid hebben. Maar niet alleen
hen zal deze boodschap gebracht worden, maar ook aan hen die in
het protestantse ongeloof verzeild zijn geraakt. Ik spreekt
hiermee niet volgens de ideeën van het genootschap, maar wel
volgens mijn eigen rotsvaste overtuiging, als ik zeg, onze
agenten moeten uitspreken dat Babylon niet geleerd moet worden,
maar verdoemd. We moeten daarom iedereen oproepen om uit haar te
vluchten, om niet met haar verdoemd te worden. Een andere
misvatting waartegen ons genootschap op te treden heeft, is de
zonde zich met Socianer, Arianer en ongelovigen te verbinden, om
dat te propageren wat zij religieuze doelen noemt. Ik wil hier
niet mijn eigen argumenten naar voren brengen, de Schrift moet
spreken. Josafath was een vrome koning, het afgoden dienende
Israël vroeg hem, hun tegen hun vijanden bij te staan, hij deed
dat, en toen hij terugkwam, vroeg de profeet van de Heer aan
hem: “Moest je de goddelozen helpen en liefhebben, hen die de
Heer haat? Daarom is de Heer vertoornt over je”. Toen Cherubabel
een tempel voor de Heer bouwen wilde, kwamen de inwoners van het
land naar hem toe en zeiden: “Laat ons met u samen bouwen, dan
zoeken wij de Heer net als U”. Maar hij zei:
“Jullie heben niets daarmee te
doen om voor de Heer een huis te bouwen”.
Dat werkte er aan mee dat ze
zich tegen hem verzetten. Ik ben van mening dat het een
werkelijke plicht van onze agenten is, hen als ongelovigen te
behandelen en te zien, die de Engelse kerk in een ander licht
voorstellen. We hebben voor alles elke vezel van het ongeloof te
bestrijden, des te meer, omdat het ongeloof zelf zich steeds
meer verbreidt. De grondslag waarop de universiteit in Londen
rust, is het ongeloof. Ik weet dat enkele vrome mannen hulp
geboden hebben, maar dat zegt niets om de grondslag waarmee ze
opgericht is, als ongelovig te verklaren. De opleiding, zoals
die daar gegeven wordt, is niet op God’s woord gebaseerd, daarom
moet het geheel een ongelovig werk zijn. (Luid bijval vanuit de
zaal en het podium). Ik ken een vroom man die zei:
Hij is er voor om een blok aan
hun roer te zijn, men had gevraagd deel te nemen om door zijn
votum de vota van de ongelovigen te overstemmen. Deze man
antwoordde ik: “Het woord Gods zegt mij niet om een blok aan het
roer der ongelovigen te zijn, maar om van hen uit te gaan en
zich van al te onreine te scheiden.”
In dezelfde wijze praat de geestelijke
heer MacNeile, die niet genoeg zeggen kan, hoe noodzakelijk het
is een voortdurend prediken van de Calvinistische
verkiezingsleer. Onder de redenaars van deze jaarvergadering is
ook Dr. Bialsoblossky uit Göttingen, die in zijn bijdrage
opmerkzaam maakt, dat men in de verschillende graden van het
ongeloof niet alleen een afzinken maar ook een voortgang
bemerken moet. Deïsten, Unitariërs, Arminianen zijn niet alleen
afgevallenen, maar ten dele ook zich verheffende Christenen,
want het gebeurt dat in onze tijd de huidige Arminianer eens
Unitariër, de Unitariër Deïst, en de Deïst atheïst was. .
Vanuit Albury, dus het leven van
een landheer en grootgrondbezitter leidend, houdt Henry zijn
vele contacten in de evangelische wereld aan. Hij reist nog wel
eens naar Europa, correspondeert met de vele zendelingen van de
Continental Society, probeert internationaal om plaatselijke
voorgangers te stimuleren en financiert vele projecten. De
eerder begonnen vriendschap met Joseph Wolff wordt voortgezet.
Naast de bovengenoemde Londense
kapel ontstaat in Engeland een instituut. Christen‑evangelisten
en bekeerde Joden ontvangen aan het instituut, gevestigd aan
Randolph Street, een opleiding tot zendeling.
Een weeshuis voor Joodse
kinderen behoort ook tot het complex. Drummond, als Réveil‑man,
is natuurlijk zeer betrokken bij dit genootschap, zowel als
bestuurslid als in de practische kwesties. Ook financieel laat
hij zich van zijn positieve kant kennen.
Als Henry Drummond in 1819
Joseph Wolff bij Lewis Way introduceert, ontstaat al spoedig
het voornemen Wolff op te leiden tot zendeling onder de Joden,
in dienst van de 'London Society'. Wolff verklaart zich daartoe
bereid en studeert met een bewonderenswaardige ijver. Verder
onderwijs mag hij, als speciale protégé van Way en zijn Society,
volgen aan het King's College te Cambridge. Naast Oosterse talen
vormen natuurlijk de theologie, missiologie en
Joods‑Christelijke standpunten en raakvlakken de belangrijkste
onderdelen van zijn studies. Hij gaat over naar de Anglicaanse
Kerk en reist in 1821 naar Palestina. Daarmee is hij de eerste
'moderne' christelijke zendeling onder de Joden aldaar.
De kosten van deze reis worden
gedragen door Henry Drummond en John Bayford. Deze reis zal de
eerste zijn van een leven lang Evangelie-verkondiging in de
meest exotische landen en onder de grootst mogelijke
verscheidenheid aan volkeren dezer wereld.
In later jaren brengt Edward
Irving hem in contact met Georgiana Mary Walpole, die hij in
1827 huwt. Hun eerste zoon noemen ze 'Henry Drummond Wolff'.
Reeds in 1817 voert Drummond in
Genève met pen en tong de strijd tegen het opnemen van de
apocriefe boeken in de bijbel. Hij is ervan overtuigd dat de
apocriefen niet alleen ongewenst, maar ook schadelijk zijn voor
de lezers.
In Engeland raakt hij vanwege
dit standpunt dan ook verwikkeld in de apocriefencontroverse.
The British and Foreign Bible Society, opgericht vanuit de
Evangelische kringen in 1804 te Londen, was gericht op het
verspreiden van de Heilige Schrift 'zonder aantekeningen en
commentaar', zoals vermeld in de oprichtingsstatuten. Deze
verspreiding van de bijbel richt zich ook op het buitenland,
waarvoor speciale vertalingen en edities in ruime omloop worden
gebracht. (In 1827 al in 143 verschillende talen.)
Bevreesd voor menselijke
beïnvloeding van het woord Gods, het rationalisme, het
socianisme en andere stromingen en gedachten die schadelijk en
devaluerend zouden kunnen werken, verklaart het Britse
Bijbelgenootschap nog in 1815 de bijbel te drukken exclusief de
niet‑canonieke geschriften.
Al op het Concilie van Trente,
waar de uiteindelijke vorm der bijbelse canon wordt bepaald, is
volgens de meer rechtzinnige reformatoren onrecht gedaan aan het
zuivere woord van God door de apocriefen toe te staan.
De orthodoxe calvinisten in
Schotland en Engeland reageren dan ook furieus tegen elke vorm
van toevoeging, annotatie, commentaar, inleiding of verklaring
in één band met de bijbel. Uit Schotland komt in die tijd de
uitspraak: 'All Scotland would rise as one man against the
Apocrypha'.
Door de anti‑apocriefisten
worden deze geschriften beschouwd als niet‑geïnspireerd,
bijgelovig, in tegenspraak met Gods woord, in tegenspraak met de
canon en daarom verwerpelijk.
Zowel Robert Haldane in
Montauban als Henry Drummond in Genève werpen zich op als
krachtige verdedigers van het 'zuivere' Woord. Het
Bijbelgenootschap daarentegen ziet zich geconfronteerd met
practische overwegingen. Om, juist op het continent, ook de
Grieks-Orthodoxe, de Rooms‑Katholieke en bepaalde Protestantse
kerken te bereiken, is het noodzakelijk de apocriefe boeken aan
de bijbel toe te voegen. Zo kan een betere aansluiting bij de in
die kringen levende traditie van toevoeging der apocriefen
worden gevonden.
Daar worden de apocriefen als
waardevol beschouwd, zoals Luther ook benadrukte.
Als Robert Haldane, terug in
Londen vanuit Montauban, op het hoofdkantoor van de British
Bible Society in augustus 1821 ontdekt dat, mede op zijn kosten,
Franse vertalingen voor Frankrijk inclusief de apocriefen
worden gedrukt, ontstaat een heftige polemiek. In de volgende
jaren wordt er in Engeland een bittere strijd gevoerd tussen
voor‑ en tegenstanders. Vanuit de burelen van het
Bijbelgenootschap wordt geprobeerd de zaak te sussen met
pragmatische argumenten. De tegenstanders, waaronder Drummond en
Haldane, blijven het Genootschap bestoken met petities, brieven
en aan‑ klachten. Ondanks aanvankelijke beloften blijkt het
Genootschap de apocriefen te blijven toevoegen. Landelijke
vergaderingen, waar bekende namen elkaar ontmoeten (E. Irving,
T. Chalmers, R. en J.A. Haldane, A. Thomson en vele anderen),
kunnen op een grote belangstelling rekenen. Voor Drummond en
Haldane is de appel extra zuur omdat de Continental Society
bijbels verspreidt die worden gedrukt door de Bible Society.
De Continental Society is
medefinancier van het Bijbelgenootschap. De strijd zet zich
zelfs voort op het continent, waar mannen als Empaytaz, Pyt,
Bost en anderen veel tijd en energie besteden aan de kwestie.
Het blijkt niet alleen een
furieuze, maar ook een zeer langdurige strijd te zijn
(1821‑1830). Pas in 1850 treedt er een belangrijke verandering
in wanneer er, na een 'zuivering' in het Bijbelgenootschap, het
besluit valt de apocriefen niet meer aan de bijbel toe te
voegen.
De heikele kwestie is eigenlijk
nooit tot een goed einde gebracht, doordat er zoveel bitterheid,
verwijdering en controverse was ontstaan. In de loop van de
strijd is bijna een bibliotheek over de zaak geschreven, en dat
veelal vanuit een polemische gedachte. Al in 1822 publiceert
Henry Drummond:
'Observations on Circulation of
the Apocrypha'; in 1829 zijn: 'Letter to Alexander Haldane,
Esq., respecting the Septuagint', waarin hij zijn canoniek
begrip uitwerkt. Robert Haldane heeft aan het eind van zijn
leven spijt dat hij zoveel energie in de strijd heeft gestoken
en dat er zoveel verbittering door is ontstaan.
De heikele kwestie is eigenlijk
nooit tot een goed einde gebracht, doordat er zoveel bitterheid,
verwijdering en controverse was ontstaan. In de loop van de
strijd is bijna een bibliotheek over de zaak geschreven, en dat
veelal vanuit een polemische gedachte. Al in 1822 publiceert
Henry Drummond:
'Observations on Circulation of
the Apocrypha'; in 1829 zijn: 'Letter to Alexander Haldane,
Esq., respecting the Septuagint', waarin hij zijn canoniek
begrip uitwerkt. Robert Haldane heeft aan het eind van zijn
leven spijt dat hij zoveel energie in de strijd heeft gestoken
en dat er zoveel verbittering door is ontstaan. Henry Drummond
zal er in zijn latere werkzaamheid als Apostel in de
Katholiek‑Apostolische Kerk mede voor zorgen dat deze de
apocriefen als niet‑canoniek volledig afwijst.
Elders werd al beschreven hoe
aan het eind van de zeventiende en begin van de achtiende eeuw
een vloedgolf van profetisch-apocalyptische literatuur
verscheen.
Henry Drummond is door al zijn
contacten goed op de hoogte van wat er zich afspeelt in de
profetisch‑apocalyptische kringen. Zijn connecties met Way,
Frere, Irving en vele anderen maken in hem een grote interesse
en een groot verlangen naar de vervulling van de bijbelse
profetieën wakker.
Vaak treedt hij op als
catalysator en stimulator bij het bijeenbrengen van groepen
profetie‑studenten, hij brengt Wolff in contact met de groep,
bestudeert de geschriften uit oude en nieuwe tijd, maar
publiceert er nog niet over.
Pas na de Albury-conferenties
zal hij via de pers over dit onderwerp van zich doen horen.
Irving ontmoet hij in 1824 in diens Hatton Garden‑gemeente te
Londen, de kennismaking wordt hernieuwd wanneer Irving in 1825
een toespraak voor de Continental Society in Albury houdt. Nog
10 jaar zal een diepe vriendschap beide mannen met elkaar
verbinden.
In het begin van 1826 rijpt bij
J.H. Frere het idee een genootschap ter bestudering der
profetieën op te richten. Hij verkrijgt van Edward Irving de
toezegging in zo'n genootschap mee te werken. Frere schrijft
enige ideeën over zo'n genootschap op en maakt alvast notities
voor een openingstoespraak. Na enige tijd laat hij het idee
rusten met de gedachte dat God, als het genootschap echt nodig
is, anderen wel op hetzelfde idee zal brengen. Niet lang daarna
komt Lewis Way terug van Frankrijk naar Engeland en wil Irving
spreken.
In een verlangen de resultaten
en conclusies van het genootschap te toesten aan de inzichten
van anderen en dit te doen in een breder verband, neemt Way
contact op met Henry Drummond in het najaar van 1826.
Na overleg besluiten ze een
grote groep theologen, profetiestudenten, geïnteresseerde leken
en andere belangstellenden uit te nodigen voor wat later bekend
komt te staan als de z.g. Albury-conferenties.
Frere vergezelt hem en bij
aankomst vertelt Way over de noodzaak en licht van de kerk om
de profetieën met betrekking tot de wederkomst des Heren te
bestuderen. Enthousiast zoekt Way een behuizing in de buurt van
Frere's huis om samen met hem de Openbaring te bestuderen. In
juni 1826 wordt in Londen, onder auspiciën van Way, de 'Society
for the Investigation of Prophecy' opgericht. Een van de eerste
leden is John Tudor, die in het genootschap vooral bekendheid
krijgt als redacteur van de verslagen en schrijver van
artikelen in de 'Papers Read before the Society for the
Investigation of Prophecy'.
Ook C. Hawtrey,
secretaris van de Society for Promoting Christianity amongst
the Jews sluit zich aan.
Later voegen zich onder anderen ook J. Haldane Stewart, H.
Drummond en H. McNeile onder de leden van het genootschap. De
vergaderingen, tijdens de zomer van 1826 enige keren, worden
veelal in Londen belegd. Belangrijke onderwerpen vormen de
tijdvakberekeningen, de tekenen der tijd en de beschrijving door
de kerkvaderen van de wederkomst des Heren.
In een verlangen de resultaten
en conclusies van het genootschap te toetsen aan de inzichten
van anderen en dit te doen in een breder verband, neemt Way
contact op met Henry Drummond in het najaar van 1826.
Na overleg besluiten ze een grote groep
theologen, profetiestudenten, geïnteresseerde leken en andere
belangstellenden uit te nodigen voor wat later bekend komt te
staan als de zg. Albury-conferenties.
LEVENSBESCHRIJVING DER OVERIGE ENGELSE APOSTELEN.
Na Cardale en door zijn handoplegging,
ontvingen alle overige apostelen der Katholiek-Apostolische
Gemeente hun ambt. Onderstaand volgt een korte beschrijving van
hun leven en handelen. Dit overzicht werd voornamelijk
samengesteld aan de hand van een beschrijving van J. Aarsbo,
katholiek-apostolisch en in het dagelijks leven bibliothecaris
te Kopenhagen, en andere bronnen.
Henry Drummond (1786-1860).
Omdat over Drummond is al het
één en ander is bericht, op deze plaats een korte,
complementaire beschrijving.
Op 21 maart 1834 richtte hij
samen met Cardale de hoofdgemeente Edinburgh op. Drummond
ontving de zorg over Schotland en Zwitserland. In 1838
overhandigde hij samen met Perceval en Woodhouse het Testimonium
aan de vertegenwoordiger van de Paus en de keizer van
Oostenrijk.
Vanaf 1847 tot aan zijn
ontslapen nam hij de zorg voor de stam Frankrijk over van Dalton
die lange tijd afwezig is geweest. In 1849 richtte hij de
gemeente Bazel en in 1850 de gemeente Parijs op. Zes jaar later
nam hij in Ulm en Bazel de eerste gemeenten van de uit Beieren
verdreven rooms-katholieke Priester Lutz, voor het werk onder
Engelse apostelen over.
De bouw van de Apostelkapel in
1840 kostte hem 16.000 pond, gezien het prijspeil van die tijd
een heel kapitaal. Drie jaar later bekostigde hij de bouw van
een nieuwe kerk in Albury.
Omdat hij als grootgrondbezitter
(het z.g. collatie-recht zoals het in Nederland heette, en
tevens patroon der plaatselijke kerk was, had hij het recht om
de plaatselijke geestelijke te kiezen. Na McNeils vertrek werd
dat John Hooper, één van de deelnemers aan de
Albury-conferenties die zich bij het werk der apostelen
aansloot, maar ook trouw op zijn plaats in de staatskerk bleef.
De lijfspreuk van de familie
Drummond was: "Liever sterven dan het geloof verloochenen."
De Co-Adjutoren van de Drummond
voor de stammen Schotland en Zwitserland waren William Rennie
Caird (1805-1894) en Emil Geering (1827-1894).
Henry John King-Church
(1787-1865).
In Hackney, een klein stadje dat
inmiddels deel uitmaakt van de gemeente Groot-Londen, werd op 10
mei 1785 Henri John King geboren. Waarschijnlijk was hij in
aanzien de minste van alle Engelse apostelen die
maatschappelijk hoge posities hadden. Hij was beambte bij de
Londense Tower, de staatsgevangenis.
Hij trouwde met een
plaatsgenote, Lydia, en uit dat huwelijk werden tien kinderen
geboren. Zolang hij in staatsdienst was, waren de inkomsten van
het gezin King zeker, maar toen hij geroepen werd tot apostel
stond hij als vijftigjarige voor een moeilijke beslissing.
Vroegtijdige pensionering werd
niet toegestaan. Omdat zijn gezin volledig achter hem stond
waagde hij de stap en verhuisde naar Albury. Enige tijd konden
ze daar leven dank zij de ondersteuning van Drummond.
Toen een ver familielid van King
overleed bleek hij een aanzienlijk fortuin geërfd te hebben.
Eén van de testamentaire voorwaarden was wel dat hij de naam
van dat verre familielid, Church, bij zijn eigen naam voegde.
Hiervoor kreeg hij koninklijke toestemming en vanaf 13 februari
1849 voerde hij de naam King-Church.
Henry John King-Church had zich
in de dertiger jaren van de vorige eeuw aangesloten bij de
Vrijgemaakte Kerk onder leiding van J.L. Miller die in
Bishopgate, Londen, bijeenkwam. Deze rustige en vrome man was
Oudste in deze gemeente en door de medewerking van priester (en
latere apostel) Nicolas Armstrong werd hij door de geestelijke
opwekking gegrepen.
Op 18 december 1833 werd
King-Church door de Geest tot apostel afgezonderd. In 1836
werden de stammen Denemarken, Nederland en België aan zijn
zorgen toevertrouwd.
Verschillende malen heeft hij
dan ook, samen met zijn medewerkers, Nederland bezocht. We
komen daar later nog op terug. Samen met de Evangelist Böhm
bezocht hij in 1838 voor de eerste keer Denemarken. Böhm was
Deen maar zijn werkgebied was Duitsland, voor welk land hij in
1859 co-adjutor werd.
Op 14 juni 1861 kon de
King-Church een kerk in Kopenhagen oprichten.
In België kon King-Church in
1853 in Luik een gemeente stichten. Een voormalige
rooms-katholieke Priester, Abbé Vleughel, werd de eerste
Voorganger.
De co-adjutors voor de stammen
Denemarken en Nederland waren Sir Georg R. Hewitt (1818-1876) en
Dr. Isaac Capadose (1834-1920). Onder hun leiding werd ook met
de arbeid in Noorwegen en Zweden begonnen, waar de
hoofdgemeenten in Christiania en Stockholm in 1877 en 1887
werden opgericht. De eerste katholiek-apostolische gemeente in
Nederland ontstond in Den Haag in 1864.
Spencer Perceval (1795-1859).
Spencer Perceval werd op 11
september 1795 in Londen geboren als één van de elf kinderen van
de Engelse premier die in 1812 vermoord werd.
Zijn loopbaan begon Perceval als
ambtenaar; in de jaren 1818-1832 was hij driemaal parlementslid.
Van zijn vrome ouders had hij
een diep-geestelijk begrip geërfd en omdat hij een kennis was
van Henry Drummond werd hij uitgenodigd voor de
Albury-Conferenties. Hij trouwde op 3 juli 1823 met Anna Eliza.
Uit dat huwelijk werden drie zonen en drie dochters geboren.
Toen hij zich later aansloot bij
de golf van geestelijke opwekkingen en zijn woning voor
gebedsbijeenkomsten open stelde, probeerde zijn vriend, de
pastoor van Albury Hugh McNeile, hem in een serie van brieven,
die ook gepubliceerd werden, tot andere gedachten te brengen.
Echter tevergeefs.
In 1833 werd Perceval Oudste in
Irvings gemeente en leidde een tijdlang de nieuw opgerichte
gemeente in Oxford. Op 14 december van dat jaar werd hij als
apostel afgezonderd.
In 1836 werd hem opgedragen een
"Testimonium" aan de koning van Engeland te schrijven, dat
Drummond en hij bij koning William IV bezorgden. Bronnen
vermelden dat de apostel werd toegestaan om het 45 pagina’ s
tellende document aan de koning voor te lezen. De koning zou tot
tranen toe geroerd zijn geweest. Tastbaar resultaat van deze
ontmoeting was dat het ministerie van Buitenlandse Zaken
aanbevelingsbrieven schreef voor de Engelse apostelen die ze
bij hun missie-reizen konden gebruiken.
Aan Spencer Perceval werd de
zorg voor de stam Italië opgedragen. Het werk in zijn stam
begon in 1838 toen de beide genoemde apostelen aan kardinaal
Acton, een Engelsman van geboorte, het Testimonium voor de Paus
brachten. Toen al was de eerste Italiaanse medewerker van
Perceval, de Evangelist en arts Dr. Cleardo Naudi van Malta,
overleden.
Van 1841 tot 1853 werd onder
leiding van de Perceval een grootscheepse evangelisatie in
Italië verricht. Vijf Engelse en Italiaanse, voorheen
rooms-katholieke, priesters namen daaraan deel.
Het zichtbare resultaat was
echter gering. Kort voor zijn vroege ontslapen (1859) had de
Perceval de uitgave van het Liturgieboek in het Italiaans
voorbereid en eveneens de oprichting van het altaar in
Florence, dat twee jaar later tot stand kwam. De co-adjutor voor
de apostel voor de stam Italië was Dr. William Flewker
(1805-1876).
Nicolas Armstrong (1801-1879).
Armstrong werd in 1801 in
Ierland geboren en studeerde theologie in Dublin. Op jonge
leeftijd werd hij pastoor van de St. Jameskerk in Dublin, later
van de St. Dunstan-kerk in Londen-West.
Hij werd medewerker van het
tijdschrift "The Morning Watch" en kwam daardoor in kontakt met
geestelijke en gelovigen leken die later tot het Engelse
apostolische werk zouden behoren. De St. Dunstan kerk brandde in
1830 volledig af, waarop hij een vrije predikantenplaats aannam
en spoedig een graag gehoorde predikant werd.
In augustus 1831 bezocht hij een
openbare prediking van Edward Irving en werd ook uitgenodigd om
een gebedsbijeenkomst bij Irving thuis mee te maken. Daar kwam
hij voor het eerst in kontakt met profetieën.
Ook bezocht hij bijeenkomsten in
het huis van Spencer Perceval en na mei 1832 trok hij, met
zestig anderen door de straten van Londen om te
evangeliseren..Op 6 januari 1834 werd Armstrong tot Engel voor
de gemeente Sothwark gewijd die hij voor bleef gaan, ook nadat
hij twee weken later tot apostel afgezonderd werd.
Pas in juni 1835 kwam een andere
voorganger voor de gemeente en kon Armstrong in 1836 de zorg
over de stam Ierland, met Griekenland en het Nabije Oosten op
zich nemen. De hoofdgemeente in de stam van deze Engelse apostel
werd al in 1835 in Dublin met de vroegere priester van de
Staatskerk, J. Wardmann als Engel, opgericht.
In 1838 ondernam Armstrong zijn
eerste reis naar Griekenland en het Nabije Oosten. Tien jaar
later, nadat de heilige Verzegeling was ingevoerd, maakte hij
een tweede reis.
Vanaf april 1848 predikte
Armstrong in Dublin en in oktober van dat jaar trok hij met
Evangelist White naar Griekenland. Daar hield hij op Korfu een
serie advent-predikingen. In februari 1850 vinden we hem in
Athene in de St. Paulskerk waar hij predikt voor Engelsen,
Grieken en Armeniërs. Een half jaar later is hij weer in Ierland
terug.
In de volgende jaren werkt
Armstrong veel in Canada en de Engelse koloniën, in nauwe
samenwerking met Woodhouse. Later woonde hij in Albury waar
hij, ziek zijnde, zijn laatste jaren op aarde doorbracht.
De co-adjutor voor de stam
Ierland was Edmund Lewis Hooper (1820-1888).
Francis Valentine Woodhouse
(1805-1901)
Woodhouse was, evenals Cardale,
Carlyle en Perceval, jurist en werkte enige jaren als advocaat
in Londen. Hij behoorde tot die gelovige, jonge mensen uit de
gemeente van Irving die ondanks tegenstand van familie en
bekenden en met verlies van werkkring en aanzien, als
evangelisten rondtrokken om in de straten van Londen de
boodschap van het komen van de Heer en de val van Babel, te
verkondigen.
In februari 1842 trouwde
Woodhouse met Harrietta Liston, een zuster van de vrouw van
Carlyle.
Nadat Woodhouse een tijdlang
Oudste in de gemeente in de gemeente van Irving was, werd hij op
13 augustus 1834 tot apostel afgezonderd. Met de vijf reeds
geroepen broeders werd hij nu bij de eerste beraadslagingen in
de kring der Engelse apostelen opgenomen.
Hij werd spoedig voor
ambtshandelingen naar gemeenten buiten Londen gezonden. In
december van hetzelfde jaar was hij in Glasgow en bracht Irving
op zijn sterfbed het laatste heilig Avondmaal.
Daarna bezocht hij de gemeente
te Edinburgh en onderwees de ambtsdragers over het apostelambt.
In 1836 werden Oostenrijk en
Zuid-Duitsland aan zijn zorg toevertrouwd.
Samen met de evangelist Caird,
echtgenoot van Mary Campbell, bezocht hij in 1838 deze landen.
De apostelen Drummond en Woodhouse brachten het “Testimonium”
aan Prins Metternich voor de keizer van Oostenrijk. In de landen
die Apostel Drummond als werkgebied waren aangewezen bestond
geen godsdienstvrijheid. Daarom werkte Woodhouse, ter
ondersteuning van Cardale, in een deel van Noord-Amerika.
In de veertiger jaren bezocht
hij meerdere keren de gemeenten in Noord-Amerika en Canada waar
de evangelisten Ryerson, Andrews en Davenport werkten en waar
de eerste gemeente in Kingston in 1840 was opgericht.
Het jaar 1849 is het
oprichtingsjaar van de gemeente New York. Beide en later ook
andere gemeenten werden geleid door vroegere priesters van de
Episcopal Church.
In de daarop volgende tien jaar
begon de boodschap in Zuid-Duitsland gehoor te vinden, eerst
bij de leerlingen van de vrome bisschop Sailer, hoofdzakelijk
bij de priester Lutz en zijn vrienden.
Na het ontslapen van Carlyle nam
apostel Woodhouse ook de stam Noord-Duitsland over. De
ontwikkeling van het godswerk in dat gebied was nogal
stormachtig. In de paar maanden van september tot december 1863
kon apostel Woodhouse daar ruim 500 zielen verzegelen.
Eerder in dat jaar zorgde een
beslissing van Woodhouse voor een historische wending. Zonder
pardon excommuniceerde hij, op aandringen en na "voorlichting"
van de opziener Rothe, de complete Hamburgse gemeente nadat daar
Duitse apostelen waren geroepen om de leeg gekomen plaatsen op
te vullen. Deze zijn echter daarmate van het oorspronkelijke
idee van de Engelse apostelen afgedwaalt zodat wij daar verder
geen aandacht aan besteden.
Zo werd Woodhouse indirect
medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de latere
apostolische beweging. In het jaar 1867 hield de apostel een
raadsvergadering in Berlijn met veertig engelen en evangelisten.
De gemeenten in Wenen (1872) en St. Petersburg (1871) werden
door hem opgericht.
In 1871 bezocht Woodhouse voor
de eerste keer Karlshuld waar de stem van de heilige Geest al
in 1828 in Lutz gemeente geklonken had. In datzelfde jaar was
hij in Rome.
Na 1874 werden alle reizen en de
arbeid in de plaatselijke gemeenten aan de co-adjutoren
opgedragen. Maar tot 1891 kon Woodhouse de bijzondere
apostolische diensten in Albury en Londen leiden.
Toen op 3 februari 1901
Woodhouse ontsliep had hij 66 jaar lang het apostelambt
gedragen.
Hij was de laatste levende
apostel van de Katholiek-Apostolische beweging en na zijn
heengaan, ging de lang aangekondigde "Tijd der Stilte (Openb.
8:1)" in, de onderbreking van alle werkzaamheden naar buiten.
Apostel Woodhouse is de auteur
van verschillende belangrijke apostolische geschriften. De
co-adjutor voor de stam Oostenrijk was Max von Pochhammer
(1822-1895) en later Edward Heath.
Thomas Carlyle (1803-1855).
Carlyle stamde uit een Schots
adellijk geslacht en studeerde in Edinburgh rechten. Hij
verdedigde in 1830 de Priester John Campbell die veroordeeld
werd omdat hij leerde dat God alle mensen lief heeft en dat
Christus gekruisigd is ter verlossing van het gehele mensdom.
Door Campbell leerde Carlyle diens medestrijder Edward Irving
kennen en sloot zich aan bij de gemeente van Tait in Edinburgh.
Hier werd Carlyle oudste. Zijn
wijsheid en inzicht werkten eraan mee dat de geestelijke
opwekkingen in Schotland door de apostelen in Londen als echt
werden erkend. Ook hij was een regelmatige medewerker van het
tijdschrift "The Morning Watch". Zelf werd hij in mei 1835 tot
apostel afgezonderd en ontving een jaar later de stam
Noord-Duitsland ter verzorging. Vanaf 1838 tot zijn heengaan
werkte Carlyle onvermoeibaar in deze stam.
Door zijn reizen leerde hij het
land goed kennen, bestudeerde gebruiken en gewoonten, las de
Duitse literatuur, leerde de Duitse taal als een Duitser en ging
om met invloedrijke mannen uit alle lagen van de bevolking.
Zijn "Blicke eines Engländers in
die kirchlichen und sozialen Zustânde Deutschlands" is een
veelgelezen studieboek geworden. Dat boek wekte ook de
belangstelling van koning Friedrich Wilhelm IV van Pruisen.
Samen met een vertrouweling, Bunsen, komt Wilhelm tot de
conclusie dat het opzienersambt onmisbaar is binnen de kerk. Zij
zorgen dat in Jeruzalem een kerk komt waarin een bisschop de
leiding heeft. Indirect dus het gevolg van het werken van Thomas
Carlyle De Deense theoloog Rudelbach noemde Carlyle het "oog van
de kerk".
Toen zijn evangelist Charles
Böhm in 1843 de beroemde theoloog Prof. Thiersch tot het nieuwe
apostolische geloof gebracht had, hield Carlyle in zijn huis in
Marburg preken voor een uitgelezen kring van vrienden.
"Nog nooit heb ik iemand met
zulk een goddelijke ingeving en kracht horen getuigen", zei
Prof. Thiersch over hem. In de herfst van 1847 begon het werk in
Noord-Duitsland voet aan de grond te krijgen.
In de toenmalige bondsdagstad
Frankfurt am Main hield de apostel op 17 oktober de eerste
verzegelingsdienst.
Temidden van het revolutiegeweld
en herrie werd de hoofdgemeente in Berlijn 19 maart 1848
opgericht, alle andere kerken bleven gesloten, hier werd echter
ongehinderd het heilig Avondmaal gevierd.
Maar dan twaalfhonderd
catechesanten ontvingen in het verloop van de weinige jaren voor
zijn ontslapen de handoplegging door deze apostel en tot kort
voor zijn dood werd nog een serie van ijverige medewerkers voor
het goddelijke werk gevonden o.a. de vroegere pastoor van de
Evangelische Landeskirche Carl Rothe. apostel Carlyle kon in
zijn werkgebied 12 engelen en 35 priesters inzetten.
Carlyle overleed na een
vermoeiende reis door Zweden in 1855.
Thomas Carlyle wordt vaak en
gemakkelijk verwisseld met Edward Irvings vriend, de historicus
en schrijver Thomas Carlyle (1795-1881).De beide Carlyles kenden
elkaar wel maar voelden geen sympathie voor elkaar.
Zowel de apostel als zijn
co-adjutor Charles F.T. Böhm (1812-1880) schreven veel en van
beiden is in de Duitse bibliotheken nog veel werk aanwezig.
Buiten Engeland was het nieuwe apostolische werk het wijdst
verbreid in Duitsland wat voor een goed deel te danken was aan
de inzet van Carlyle.
Henry Dalton (1805-1869).
Dalton werd in 1805 in Ierland
geboren en tot theoloog aan het seminarie in Dublin opgeleid. In
1827 werd hij al tot Priester gewijd en was vanaf 1832 werkzaam
bij de St. Leonardskerk in Bridhnorth als vicaris.
Uit deze functie werd hij op 21
maart 1833 geschorst wegens zijn opvattingen.
Hij was één van de eerste
verkondigers van de boodschap van het apostolische godswerk en
het komen van de Heer. Een proces om hem uit het ambt te
verwijderen, duurde twee jaar, op 28 juli 1833 werd hij uit zijn
ambt gezet.
Gedurende die tijd werkte hij al
meerdere maanden als engel in Birmingham. Op 4 april 1835 werd
hij tot apostel afgezonderd. De stam Frankrijk werd aan zijn org
toevertrouwd. Voor die tijd was daar al gewerkt door de
evangelist Dr. C.M. Carré en de vroegere protestantse
geestelijke Pierre Mejanel.
Meerderen reizen volgden en in
1836 werden de gemeenten Londouzy la Ville en Saulzoir, als
eerste gemeenschappen op het Europese vasteland, opgericht.
Dalton wijdde voor deze gemeenten de engelen L. Duproix en F.L.
Petitpierre. In Frankrijk echter werd het werken door de wet
onmogelijk gemaakt. Toch reisden de Drummond en Dalton in
oktober 1838 naar Parijs om het Testimonium aan koning Louis
Philippe te overhandigen. Deze audiënte werd geannuleerd wegens
rouw binnen de vorstelijke familie.
Het geloofsleven van Dalton was
bijzonder levendig. Zo stelde de Ierse hertog van Leinster
(Zuidierland) hem in 1846 aan als zijn kapelaan. Deze functie
heeft Dalton tot aan zijn levenseinde behouden.
Eveneens in 1846 werkte hij als
vicaris in Middleston en vanaf februari 1847 in dezelfde functie
in Clovelly. In 1856 verhuisde hij naar Frithelstock Devon waar
hij tot 1860 als pastoor diende. Hij genot hier groot aanzien en
diende de anglikaanse bisschop als adviseur.
Het is altijd een raadsel
gebleven waarom Dalton vanaf 1846 tot 1853 niet aan de
Raadsvergaderingen in Albury deelnam en pas weer na 1859/1860
actief zijn ambtsopdracht als Apostel vervulde.
Henry Drummond had tijdens deze
jaren de zorg voor de Franse gemeenten.
Na het heengaan van apostel
Drummond trad Dalton dus weer toe tot de kring der Engelse
apostelen en kreeg behalve zijn werkgebied Frankrijk de zorg
voor de stam Schotland erbij. Vanaf die tijd bezocht hij ook
vijfmaal zijn stamgebied Frankrijk. Tijdens zijn afwezigheid
was in 1850 een gemeente in Parijs opgericht waar de vroegere
rooms-katholieke Priester Celeste Massiot als Engel diende.
Dalton overleed op 6 november 1869.
De co-adjutor voor de stam
Frankrijk was Langford E. Symes (1801-1875).
John Owen Tudor (1784-1861).
Tudor werd in Wales geboren en
leefde in Londen. Hij was schrijver en tevens leraar Grieks en
Hebreeuws. Al vroeg kwam hij bij Irving thuis, met wie hij de
profetieën van Ezechiël bestudeerde. Irving beschreef hem als
een geleerde, bescheiden en godvrezende man.
Tudor nam aan de
Albury-conferenties deel en werd redacteur van "The Morning
Watch" (deze titel was gebaseerd op Jesaja 21:11-12 ) waarin
hijzelf ook veel over de profetieën en de profetische
geschriften schreef.
Op 14 april 1833 was hij één van
de zes oudsten die in de Centrale Kerk geordend werden, maar al
op het eind van dat jaar werd hij tot engel voor de gemeente
Brighton gewijd en in februari 1835 tot apostel ingezet..
Polen, Indië en Australië
ontving hij in 1836 ter verzorging. In Polen, dat destijds door
politieke verwikkelingen verscheurd werd, konden geen
ambtshandelingen verricht worden.
In de toenmalige Pruisische, nu
Poolse, provincie Posan werd Bromberg "Aartsengel-gemeente" en
ook in andere steden in deze provincie ontstonden gemeenten,
echter alle met Duitse leden en ambtsdragers.
Dat Tudor met evangelist
Wilkinson enige keren Indië bezocht zou hebben, is niet met
zekerheid te achterhalen. De gemeente Melbourne werd al in 1856
opgericht.
Apostel Tudor was Cardale’s
naaste medewerker bij de uitgave van het eerste Liturgie-boek.
Bovendien onderwees hij de Profeten die jaarlijks voor studie in
Albury bijeen kwamen.
Hij schreef drie werken over het
bijbelboek "Openbaring", in 1847 het boek "De heilige geologie".
Dit laatste werk bevat een
verhandeling over de houding van de natuurwetenschappen tot het
christendom.
Toen hij op 77-jarige leeftijd
op 4 maart 1861 overleed, was hij de zesde Engelse apostel die
heenging.
Francis Sitwell (1787-1864).
Sitwell kwam uit een oud
geslacht van officieren en grootgrondbezitters in
Northumberland. Hij diende als officier in het Engelse leger
terwijl hij tegelijkertijd het bezit van zijn vader, Basmoor
Castle, dicht bij de Schotse grens, beheerde. Als jonge edelman
hield hij zich hoofdzakelijk bezig met de jacht en sport. Op één
van zijn reizen door Zwitserland maakte hij kennis met Henri
Drummond en zijn missiewerk in Genève. Hier werd Sitwell
geestelijk wakker en besloot zich geheel in het werk des Heren
te begeven.
Toen hij in Engeland terug was,
verzamelde hij een kring van gelovigen mannen en vrouwen om zich
heen om gezamelijk een school te bouwen. Tijdens een zakenreis
naar Londen had hij gelegenheid om een gebedsbijeenkomst bij de
familie Cardale bij te wonen en ook om Irving te horen prediken.
Na zijn terugkeer in
Port-Glasgow nam hij aan soortgelijke bijeenkomsten van de
familie MacDonald deel.
Vanaf toen begon ook een kleine
schaar in Barmoor om de gave van de heilige Geest te bidden en
steeds meer zielen sloten zich daarbij aan. Toen de plaatselijke
geestelijke hiervan kennis nam, waarschuwde hij scherp tegen
deze "valse geesten".
Op zichzelf aangewezen zocht men
hulp in Londen. Op een reis naar Schotland in 1833 kwamen Irving
en Taplin naar Barmoor en werd Sitwell ingezet als herder over
deze kleine gemeente.
Enige maanden later ontving hij
de wijding tot engel door de Drummond en Armstrong, de arts van
het plaatsje werd als evangelist en de slottuinier als diaken
ingezet. Een paar maanden later, in 1835, werd Sitwell tot
apostel afgezonderd en het jaar daarop werd de stam van Spanje
en Portugal aan zijn zorg toevertrouwd.
Door de strenge
godsdienstwetten, die tot voor enige jaren in Spanje van kracht
waren, kon van openlijke evangelisatiearbeid geen sprake zijn.
In de plaats van de apostel werkte een Sebastian Arnold in
Spanje in stilte vanuit zijn woonplaats Gibraltar.Na het
heengaan van Drummond nam Sitwell de zorg voor Schotland over.
In Edinburgh hield hij een serie lezingen met als titel: "Het
Raadsbesluit Gods met de kerk vanaf de grondvesting tot de
voleinding". Na zijn ontslapen verschenen de lezingen in
boekvorm met als titel "Licht zur Abendzeit". Evenals Drummond
was Sitwell kerkpatroon van de plaatselijke kerk waarvan de
inwoners tot drie verschillende kerkgenootschappen behoorden.
De vrome landbezitter werd als
een vader en geestelijke raadgever door allen geêerd en was
zeer geliefd.
William Dow (1800-1855).
Als jongste zoon van de
geestelijke Dr. Anthony Dow werd William Dow op 10 maart 1800 in
Kirkpatrick geboren. Omdat de naam Dow van Keltische oorsprong
is, behoord het als "Doeh" uitgesproken te worden, hetgeen
"zwart" betekend.
Nadat hij zijn studie beëindigd
had werd hij, op voorstel van koning Georg IV, Kapelaan in de
kerk van Tongusland en diende, evenals zijn broer, meerdere
jaren als geestelijke in de Presbyteriaanse kerk.
William Dow gold als een kenner
van de Griekse taal en behield daarvoor de academische graad
"Master of Art" in 1839. Evenals zijn landgenoten Irving en
Story was hij deelnemer aan de Albury-conferenties.
Beide broeders waren bevriend
met de priester John Campbell en werden evenals hij, uit hun
ambt gezet. Voor William Dow was dat op 23 mei 1832.
Terwijl David Dow een tijdlang,
zonder succes, probeerde een sekte uit te bouwen en zich met
apostolische volmachten voorzag (hij werkte in de gemeente van
de MacDonalds, die slechts korte tijd bestaan heeft) erkende
William Dow spoedig de bevoegdheid die van het apostelambt in
Albury uitging.
Hij werd engel over de kleine
schaar die hij in Kirkudbright verzameld had. Op 3 juni 1835
werd hij tot apostel afgezonderd en ontving een jaar later de
stam Rusland ter verzorging. Dow werkte in zijn stam onder zeer
moeilijke omstandigheden, door de harde godsdienstdwang der
Russische kerk.
Alleen onder de Duits sprekende
bevolking van de Oostzeelanden en onder de Duitse kolonisten bij
het Zwarte Meer vond de boodschap gehoor. Later ook bij de Letse
en Estlandse bevolking.
In Zuid-Rusland werkte al vanaf
1852 de Duitse engel W. Hermes uit Frankfurt a.d. Oder onder de
kolonisten.
Pas na jarenlange arbeid van de
evangelist Victor von Dittmann werd de Russische hoofdgemeente
in St. Petersburg door Woodhouse in 1871 opgericht, hetgeen Dow
niet meer beleefd heeft.
In het jaar 1851 reisde Dow naar
Zweden en schreef een boek over de kerkelijke toestanden in dat
land.
Hij was een voortreffelijk
spreker.
William Dow overleed op 3
november 1855 en werd in Albury begraven, zoals bijna alle
Engelse apostelen. Deze begraafplaats heet dan ook het
"Opstandingsveld". De co-adjutor van Dow voor de stam Rusland
was F. Diestel (1821-1899).
Duncan Mackenzie (voormalig
apostel).
Waarschijnlijk uit
teleurstelling omdat Mackenzie zijn ontvangen ambtsvermogen niet
tot zijn dood vervuld heeft, hebben de overige Engelse
apostelen niets over zijn levensloop bewaard en zelfs nooit
zijn portret gepubliceerd.
Toch is er nog wel iets over
Duncan Mackenzie als mens en zijn werk als apostel bekend. Een
geboortedatum weten we niet, waarschijnlijk was dat in het jaar
1897 ergens in Schotland. Zijn beroep was apotheker en hij bezat
in Londen een groothandel in medicijnen en
drogisterij-middelen. In de Kerk op London Square in Londen,
waar hij de funktie van Presbyter (Oudste) bekleedde, was hij
medewerker van Edward Irving.
Toen deze wegens het toelaten
van geestesuitingen en het “spreken in tongen” uit deze kerk
verwijderd werd, ging Mackenzie als enigste Presbyter met hem
mee.
Ook bij de kerkelijke rechtbank
waarvoor Irving moest verschijnen, verdedigde Mackenzie hem met
vuur.
Nadat Irving met zijn schaar
volgelingen de eerste apostolische gemeente gevestigd had in de
Newman-Street volgde de ordening van Mackenzie als apostolische
oudste op 14 april 1833 door Cardale.
Mackenzie wist in het Londense
stadsdeel Islington zielen te winnen en werd op 7 oktober 1834
als engel (voorganger) geordend.
Het ambt van apostel ontving hij
in de Centrale Kerk op 14 juli 1835, wat ook de datum is van de
dag dat de apostelen zich afzonderden in Albury. Als
missiegebieden kreeg Mackenzie Noorwegen en Zweden toegewezen.
Samen met Dalton bracht hij in oktober 1838 het “Testimonium”
aan de kanzelier van koning Karl XIV. De laatste
apostelvergadering waar Mackenzie aan deelnam was in augustus
1840 en ondanks de inspanningen van de overige Engelse apostelen
was hij niet tot terugkeer te bewegen.
In 1855 ontsliep hij als eerste
van de twaalf Engelse apostelen, slechts enkele dagen voor
Carlyle.
HET WAARMERK VAN APOSTELEN
(bewerking naar een artikel van Carlyle)
Nadat de apostelen hun ambt
hadden ontvangen, is het nu zaak de rechtmatigheid en de
waarheid daarvan te onderzoeken.
Volgens menselijke opvattingen
kan een buitenstaander, als onpartijdige, het best de zaak
beoordelen. Aan de ene kant is dat waar, vaak echter ook niet.
Natuurlijk, zij die de
goddelijke waarheid erkennen, die er naar verlangen om weer
apostelen te hebben, zijn niet onpartijdig. Maar het is de
vraag: “wat is de meest gunstige houding om achter de waarheid
te komen, welke houding is dat”?
Het antwoord is: niet de
neutrale houding van een buitenstaander of de onkunde van een
onwetend iemand, maar alleen van degenen die geleerd hebben om
de waarheid te kennen.
We kunnen die waarheid van God
aannemen of verwerpen, naar het ons uitkomt. We moeten echter in
de waarheid gegroeid zijn anders ontbreekt het ons aan de
mogelijkheid om die te herkennen. Jezus toonde Zich na Zijn
opstanding alleen aan degenen die Hem hadden nagevolgd. Hij koos
die mannen uit die over Zijn opstanding konden getuigen, hoewel
ze bij de mensen zouden gelden als partijdige getuigen.
En waarom dat? Omdat ze vanaf
het begin aan bij Hem geweest waren. Immers, zij konden het
beste over het apostolische ambt oordelen. Zij hadden de
ontwikkelingen meegemaakt, hadden deel gehad aan en waren samen
met Hem opgegroeid. Het geloof werd door God in een uiterlijke
onwetendheid, zwakheid en verwarring gevonden.
De apostelen, die niet deze
zwakheden hadden, werden als misvormden uit de synagoge gegooid
en dat gold als een bewijs tegen hen. Zeiden ze het geloof te
willen redden, dan moesten ze met het geloof gered worden. Ze
moesten uit de onwetendheid en zwakheid, tot kennis en kracht
uitgroeien. De rechtvaardige valt zeven maal en staat weer op.
Er moest een dag komen, niet om
onfeilbaar te worden, maar dat de onfeilbare God hen leidt naar
onfeilbaarheid, dat een voorrecht is voor de kerk die in
Christus blijft en waarvan door de apostelen gezegd kan worden
dat, wat ze op aarde binden en verlossen, ook in de hemel
gebonden of verlost zal zijn. Als ze niet door het geloof en
gehoorzaamheid van de kerk ondersteund worden, kunnen ze dat
doel niet bereiken. De weg tot het geloof is het getuigenis
aannemen, de weg van het ongeloof is de vraag een bewijs te
ontvangen en geen mens te vertrouwen.
Er moeten meer bewijzen getoond
worden, buiten het getuigenis dat gegeven wordt.
De Heer zei: “Zalig zijn zij die
niet zien en toch geloven”. Maar in een zaak van zo een
belangrijk gewicht, waarbij we of het grote heil of een grote
teleurstelling ontvangen, en in een tijd waarin we valse
apostelen van allerlei slag verwachten kunnen, van politieke,
sociale of religieuze aard, is het niet onverstandig bewijzen
voor de ware apostelen te verlangen. Maar wat voor bewijzen?
Bewijzen voor het geloof, niet voor het ongeloof.
Paulus maakt uitdrukkelijk
onderscheid tussen zijn ambt als heraut en verkondiger, en als
apostel (om dit te verkondigen, ben ik als apostel aangesteld …
1 Tim. 2:7; Van dit evangelie ben ik verkondiger, apostel en
leraar, 2 Tim. 1:11). Hij zegt echter ook: Alles wat een apostel
tot een apostel maakt, heb ik u laten zien: elke volharding,
alle tekenen en wonderen, elke kracht (2 Kor. 12:12). Dat was
toen hij tijdens zijn aanwezigheid, met de bewijzen van een
apostel, onder de Korinthiers heeft gewerkt, met wonderen en
geweldige daden.
Als we dat echter verbinden met
Rom. 15:19, zien we dat dit voor hun bekering gebeurde, in de
tijd dat ze nog heidenen waren, niet toen ze een gemeente
vormden. Waar de apostelen als evangelisten handelden, daar
werden hun woorden door wonderen bevestigd.
Maar de huidige vraag betreft de
kerk van nu: wat zijn de bewijzen van het apostolisch ambt voor
de kerk? In dit opzicht vergaat het de apostelen net zoals elke
andere ordening Gods, en met haar heroprichting is het net zoals
met elk ander werk van God. God zond het tot de gelovigen. Hij
heeft het niet tot de ongelovigen gezonden, hij verlangt geen
gehoorzaamheid van ongelovigen.
Daarom zijn apostelen een teken
voor dit geslacht, die het ongeloof openbaard en daarom door Hem
verworpen worden. Zolang de kerk in haar tegenwoordige toestand
blijft is het vergeefse moeite van haar de erkenning van
apostelen te verwachten.
Menselijke overwegingen kunnen
het vlees erkennen, maar niet het goddelijke. Apostelen te geven
die door de tegenwoordige kerk, in haar huidige gedaante, wel
erkend zouden worden, moeten valse apostelen zijn. Kerkhoofden
die door mensen aangesteld zijn, of zichzelf opgeworpen hebben,
Herders die als stomme honden zijn, die zich met het wol van de
kudde kleden maar de schapen niet lief hebben, een kerk waarin
het aan goddelijke ordeningen ontbreekt of waarin goddelijke
ordeningen misbruikt zijn, christenen die noch hun plaats in
Christus kennen, noch hun heilige voorrechten eren, noch hun
macht gebruiken, maar dit alles verloochenen, verachten en
misbruiken, in Christus gedoopte mensen die, net zoals de
heidenen, alleen in de macht van het boze denken en alles
volbrengen, mensen die voorgeven God te aanbidden maar in plaats
daarvan hun eigen afgoden, ja, de werken van hun eigen handen
vereren, die de religie tot een wetenschap maken, waarin alles
van Hem en over Hem geleerd kan worden, die Gods geboden niet
houden, mensen die zichzelf leiden, de Almachtige beoordelen en
met het profaan gewicht van het menselijk verstand zeggen: breng
die mannen naar voren die wij erkennen; een volk wiens hart niet
verlangt naar God en niet hongert en dorst naar de
gerechtigheid, en die nooit de Mensenzoon vanuit de hemel
verwachten, mensen die hun eigen weg volgen naar hun eigen
verlangens, die Gods werk naar eigen smaak omvormen, die de
schijn van godzaligheid hebben, in plaats het geheim van de
godzaligheid te leren en het geheim zelf te zijn, die de kracht
van godzaligheid verloochenen en ze in een verdienste
veranderen, een volk verloren in de duisternis, verzonken in
gebreken, trots op splitsingen, die de eerste grondregels van
Christus vergeten en elke band met Hem verbroken hebben, die het
geloof in de Vader met voeten treedt en andere goden aanbidt,
een kerk die niet weer hoe ze de geesten beproeven moet, of ze
van God zijn, ja aan de Heilige Geest totaal niet meer geloven,
een kerk die niet meer weet wat apostelen zijn, niet gelooft dat
er apostelen moeten zijn en ze ook niet verlangt. Een kerk die
elk geloof daarin verloren heeft, dat Christus leeft en door
mensen werkt om alles in allen te vervullen, die elke
vaardigheid verloren heeft Zijn hand en Zijn stem te verkennen,
een ontrouw getrouw geslacht dat uit gebrek aan geloof en aan
gemeenschap met God, een bewijs eist, zulk een volk kan nooit
aan de echtheid en instelling van het apostelambt geloven. Aan
hen zal nu ook een bewijs geleverd worden, buiten het gerecht.
Zulke mensen zullen geen bewijs krijgen buiten het teken van de
profeet Jonah – een lichaam dat met Christus gestorven is en
voor God leeft, die ze niet zien kunnen, een geestelijk werktuig
waarvoor ze geen geestelijk zintuig beschikken.
Als ze David zoeken, zullen ze
alleen het beeld vinden (1 Sam. 19:13). Zoals de mannen van
Sodom, zullen ze tevergeefs naar de boden roepen die ze erkennen
willen. Als ze de profeten niet geloven, kunnen ze ook de uit de
dood opgestane niet geloven. Voor een kerk die Gods wil niet
kent en Zijn woord niet hoort zijn alle bewijzen over het
apostelambt tevergeefs. Maar zij, die de liefde voor God hebben
en allen die door de doop Zijn heilige naam dragen, die Zijn
geboden houden en op Zijn heil wachten, die het geloof en het
werken van hun Vader eren en geloven dat Christus leeft, dat
Zijn genade niet tevergeefs is en Zijn wegen onveranderlijk
zijn, wiens tranen in de hemel opgetekend zijn, wiens gebeden en
aalmoezen door God zijn aangenomen, die worden door God
gesterkt. Hun hart bereidt Hij voor, hen vallen de zegeningen
toe en voor hen is voldoende: “Mijn schapen luisteren naar mijn
stem, Ik ken en zij volgen mij” (Joh. 10:27). Hij, die het
getuigenis over Hem gelooft (1 Joh. 5:10) hebben de Geest
ontvangen die van God is, zodat ze erkennen kunnen de dingen die
ons door God geschonken worden (1 Kor. 2:12-15). Toen God aan
Mozes een teken gaf, gebeurde het om hem te overtuigen, zodat
hij de roep van God gehoorzaamde. Maar zoals in de oude tijden
de Joden niet wisten wat het manna was, zo is het nu met de
tegenwoordigheid van Christus in Zijn kerk –Immanuel- het
geestelijk bewijs van de apostelen, iets wat de kerk niet kent,
dat het vlees niet omvatten kan (2 Kor. 3:3).
Wie echter zullen de waarheid
over de apostelen controleren? Zijn we alleen, dan kan een ieder
voor zich beoordelen en handelen. Zijn we echter één lichaam,
niet figuurlijk, maar werkelijk, dan moet het lichaam met de
daarvoor bestemde organen Christus woorden horen en vervullen.
Hieruit bestaat de gemeenschap der heiligen, dat wat de door
God geschonken organen doen, door allen en voor allen gedaan
wordt en dat door niemand anders volbracht kan worden. Hoewel
een ieder van ons, voor zichzelf, God rekenschap wil geven, zo
is toch weer zijn eigen geweten, noch zijn eigen
oordeelskracht, zijn God. Dat iedereen voor zichzelf de kracht
zal hebben apostelen te onderzoeken, de geesten te onderzoeken
of iemand anders, de hele kerk. De in de bijbel gegeven
verordeningen te vervullen komt niet ter sprake. Zoals de
apostelen één geest en één wet aan de kerk schenken, zo zijn de
Engelen of Bisschoppen, kortom de hoofden van alle bijzondere
verenigingen verplicht de apostolische gaven aan te nemen.
Daarom zijn ze ook verplicht en gerechtigd om te zien, dat geen
verwisseling door de duivel bewerkt wordt.
De engelen der gemeente te Efeze
ontvingen de lof omdat ze de valse apostelen ontmaskerd hadden.
Waarschijnlijk zullen zij, die het zo gewoonlijk verlangde
bewijs leveren konden, de Heer gezien hebben, zoals men zegt.
Daarbij werd de Engel door het geloof van zijn gemeente
ondersteund. Hij stond daar als het hoofd van een gelovige
gemeente, en toch had hij alleen de opdracht de geesten te
beproeven. En om nu zo’n beproeving te kunnen uitvoeren moest
het hoofd van de gemeente net zo zijn als de engel van Efeze. En
wat was daarbij de eerste aan de orde komende eigenschap – dat
hij een echte apostel opnam en hem gehoorzaamde.
Een gemeente, die Johannes
verwierp of los van hem stond en van zijn bijstand beroofd was,
had nooit de valse apostelen kunnen toetsen en herkennen. De
apostel is de rechterhand van Christus, de engel de ster die hij
vasthoudt aan Zijn plaats. Ontvalt hem de ster, dan is zijn
licht weg, veranderd alles in duisternis.
Waar is nu echter de gemeente
zoals Efeze. Waar de bisschop die op de engel van Efeze lijkt?
Die gelijkenis kan niet gevonden worden. Wat God in Zijn grote
erbarmen gedaan heeft, toen Hij de armzalige resten van Zijn
ordeningen steun gaf, toen Hij het geringste spoor van trouw
voor Hem, en de zwakke zorg voor Zijn schapen beloonde – dat is
een andere vraag. We spreken hier over de door Hem gestelde weg
en beweren dat de gemeente en geestelijken die niet door hen
geeerd worden, noch recht, noch macht hebben om de valse
apostelen te beproeven, en dat zulke die de echte apostelen
verwerpen, maar toch de beproeving willen doen, verkeerd
uitkomen en in verwarring raken. De apostelen die de Heer geeft,
hebben in de zonden en het lijden van de kerk gedeeld. In de
schoot der kerk zijn ze opgegroeid. In dat deel van de
christenheid zijn ze terecht gekomen
Waarin waarheid en vrijheid,
niet waarheid zonder vrijheid en geen vrijheid zonder waarheid
is, alleen beiden tezamen zijn volkomen. Ze hebben niet zichzelf
verheven, maar zijn door God geroepen, niet d.m.v. een
innerlijke fanatieke overtuiging, maar door de uiterlijke kracht
van de heilige Geest. Niet in het verborgene, maar midden in de
kring van hen die geloofden dat apostelen noodzakelijk zijn. Ze
hebben zichzelf niet opgedrongen en gejaagd met de haast van
onwetendheid en eigen streven, maar stap voor stap, vaak tegen
hun eigen wil in, zijn ze tot hun ambt gevoerd. Door een
openlijk handelen van de gemeente zijn ze van elke andere
werkzaamheid voor hun heilig werk afgezonderd. Nadat ze deze
plaats ontvangen hadden, zijn ze door de gemeente voortdurend
aan de Heer voorgesteld als hun offer, opdat Hij hen in genade
aanneemt, met kracht uitrust en gebruiken wil.
Ze zijn aan hun werk begonnen,
zonder in het bezit te zijn van een eigen volkomen systeem. Ze
hebben met elkaar, door Zijn woord geleerd, het licht door Zijn
profeten ontvangen, met de hulp van alle andere ambten, ja, van
Zijn hele volk. In hun volledig blanke stelling hebben ze op de
goedkeuring door Zijn woord en op een wenk voor Zijn steun
gewacht. Bevangen door zwakte, geplaagd door fouten en strijd
tegen toenemende verleidingen, voorwaarts gegaan. Door niets
minder als een waar wonder van genade, zijn ze bewaard gebleven.
Ze blazen zich niet op, ze prediken niet zich niet op, ze
prediken niets uit zichzelf. Ze vormen een front van de
zwakkeren, ze worden door anderen geloofd, ze zijn gerechtigd om
te regeren en de zegen te schenken in de mate die voor Gods
kinderen te dragen is. Ze baren geen opzien door wonderdaden. Ze
verleiden niemand tot navolging. Ze verleiden ook niemand om
grote mensenmenigten en vleselijk gezinde massa’s om zich heen
te verzamelen. Ze verleiden niet door spelen, oorlogszucht of
staatsgrepen zijn niet hun zaak en ze wensen dat ook niet.
Ze willen ook niet door gunsten
der wereldmachten de kerk winnen. Hoe het hen toestaat, wat de
basis voor het bouwen is, ze worden niet gezien en veracht. Ze
zijn ermee tevreden, dat zij het zijn, waardoor de bouw zich
verheft als ze aan de dag overladen om haar werk te openbaren (1
Kor. 3:13; 4:9). Zij zijn de zwakke zijde Gods, die sterker is
als die van mensen. Johannes deed geen wonder (Joh. 10:41) maar
hij werkte aan de terechtbrenging van zijn volk. Hij wees op de
Verlosser en alles wat hij over Christus zei was waar. Paulus
schreef aan de Korinhiërs: “Ik zou geen apostel zijn? Maar heb
ik dan niet Jezus, onze Heer, gezien?” (1 Kor. 9;1). Dat was
zijn getuigenis. Hij wees op de daad van zijn apostelambt, hij
wees erop, dat hij de opdracht noch onderwijs van mensen had
ontvangen, omdat hij vrij was van alle autoriteiten, om in de
vreze des Heren en om in de eenheid der apostelen, te regeren.
Hij verteld hoe Jezus met hem gehandeld had, hij wees erop wat
hij al gedaan had.
Op dezelfde manier is de
inzetting van apostelen ook nu. Ze werken in hun ambt. Ze zijn
door profetie geroepen, maar apostelen door de Heer. Ze beroepen
zich niet alleen op voorbije geschiedenissen, ze wijzen op
voortdurende gebeurtenissen. Ze kunnen over de manier en wijze,
ter voorbereiding van hun ambt, vertellen.
En God zij dank, ze kunnen naar
hun werk verwijzen. En op wat voor werk wijzen zij dan? Op de
gemeenten die ze opbouwen, zegenen en ordenen. Op de katholieke
gezindheid van deze gemeenten, of die nu bestaan uit honderd of
vele duizenden zielen. Op hun heilige wandel, op hun trouw in
het maatschappelijke leven, op de orde in hun huizen en
beroepsleven, op hun kennis en juist gebruik van de heilige
schriften, op reinheid en vreugde in hun godsdiensten, op de
volledigheid en op het zegenrijke werk van de in deze gemeenten
bestaande ambten, op de rijkdom en troost van hun gaven, op de
wijsheid, de kracht en barmhartigheid in hun werk en het
wederkerende hulpbetoon van hun leden. Op de standvastigheid in
hun hoop, op de waarheid, de kracht, de ijver, het geduld en de
liefde in hun getuigenissen, op de hemelse matiging in het
gebruik van hun wapenen ten strijd en verdediging. Tegen de
listige aanvallen van de Satan die ze ontmaskeren in zijn kwaad,
dat ze verminderen en verwijderen. Op de zegeningen die ze
uitdelen, op de wijze waarop ze de antichrist ontmaskeren en
weerstaan, of hun liefde en voorbereiding voor de komst van
Christus. Dat is het werk. Niet een in het oog springende
wonderwerk of kunststuk, maar een gestage voortgang van de
reinigingsordening en zegening door de werkzaamheid van Christus
in hun midden, door de reiniging die alleen zij voltrekken
kunnen in wiens hand zij de werktuigen zijn,
Door de ontdekking en wegneming
van de zonden, door een waar dragen van het kruis en hoop op de
kroon. Elk gedeelte van dat werk is een bewijs dat Jezus in het
vlees gekomen is (1 Joh. 4:2). Bij dit alles wordt het zekere en
zorgeloos lachen, en de nog onontdekte farizeeërs zullen met de
vinger wijzen naar hen door wie Hij anderen heeft geholpen, maar
die zichzelf niet kunnen helpen (Nehem.. 4:2).
Wij moeten de smaad dragen dat
onze toestand openbaar wordt met onze vergankelijke
onaangenaamheden en zondevallen. Het is een last van de Heer,
maar Hij zal degenen rechtvaardigen die ze dragen. Voor zover
het God lukt ons te reinigen en te leiden, voor zover Zijn volk,
de gemeenten, het zegel van het apostelambt dragen. En Hij zal
dat zegel volkomen maken. Dan zullen de apostelen hun volledige
erkenning hebben, dan zal hun werk volbracht zijn.
De tijd is gekomen voor God, om
Sion te gedenken en Jeruzalem weer op te bouwen. De roep van de
weduwe wordt door de barmhartige rechter gehoord. De vijgenboom
bloeit op. De ark wordt nu gebouwd, want zie, de stellingen zijn
gevallen, er is geen man meer daar, het Huis der Heren is een
dievenhol, Babylon een huis van de duivel geworden. De
afgodendienaren vergaderen zich, de naam des Heren wordt
belasterd, de religie der mensen heet zonde.
Daarom zend God nieuwe
apostelen, met hun profeten, evangelisten, herders en leraren.
Hij heeft hen geroepen, opgevoed, afgezonderd en uitgezonden.
Hij heeft hen hun werk aangewezen en medewerkers gegeven. Hij
heeft hen hun werk aangewezen en hen de hemelse voorbeelden
getoond volgens welke ze werken moeten.
Hij heeft hen met Zijn hemelse
macht uitgerust. Hij zendt niet om iets nieuws te beginnen, maar
om weer op te richten. Niet om te zaaien, maar om te oogsten,
niet om te beginnen, maar om te eindigen. Niet om te verzamelen,
maar om volkomen te maken, niet om de kerk te stichten, maar om
haar kroon te zijn, niet om de bruid te vinden, maar om haar
kroon te zijn, niet om macht te scheppen, maar om die te
handhaven. Niet om op de Geest te wachten, maar om hem uit te
delen. Niet om het A te leren, maar om het O. Niet om van de
opgestane Heer uit te gaan, maar om Hem bij Zijn wederkomen te
ontvangen.
Ze kunnen en zullen niet
berechten de steden Israels, voordat de Zoon der mensen komt.
Nu echter werken zij om te
redden hen die gered willen worden, en de resten van het
christendom weer volledig te maken, om, zoals David, hun derde
en laatste zalving te ontvangen, als de verzamelde stammen met
een mond en een hart haar ambt erkennen en de Heer hen zal
zetten over Zijn gehele erfdeel. .
RECHTVAARDIGING prediking, in
Dundee, Schotland, door Francis Sitwell, pinksteren 1860.
In deze prediking gaat Sitwell
in het bijzonder in op de gedragingen van de protestantse en
katholieke kerk en hoe de apostolischen hiermee moeten omgaan.
Hoe de kerkeenheid te bereiken.
Epistel: Rom. 6:19- “Gelijk gij
uw leden gesteld hebt om dienstbaar te zijn aan onreinheid en
ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uw leden om
dienstbaar te zijn aan de gerechtigheid, tot heiligmaking. Want
toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van
de gerechtigheid. Wat vrucht da n hadt gij toen die dingen,
waarover gij u nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood.
Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en Gode dienstbaar gemaakt
zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het
eeuwige leven.”
Het Epistel van deze zondag
geeft mij aanleiding om tot u te spreken van wat men gewoonlijk
de rechtvaardiging noemt. De vraag, die vandaag bij mij opkomt,
is: gelooft ge het Evangelie? Weet ge wat rechtvaardiging is?
Gelooft de gemeente in deze stad met al haar leden in het
Evangelie en wandelen zij in het geloof in de rechtvaardiging?
Aanvaarden zij haar in al haar betekenissen, begrijpen zij de
betekenis van wat zij zeggen – wat rechtvaardiging is, langs
welke weg rechtvaardiging verkregen wordt, wat haar oogmerk is,
en wat haar uiteindelijke bedoeling?
Welnu, om dit onderwerp te
begrijpen is het nodig te weten, dat het woord rechtvaardiging
verschillende betekenissen kan hebben. De bijbelvertalers hebben
het betreffende Griekse woord, en sommige daarmee samenhangende
woorden, niet altijd op dezelfde manier weergegeven; zo vertalen
zij het woord dikaiosune nu eens met rechtvaardigheid, dan weer
met gerechtigheid, maar in het Grieks staat er steeds maar een
woord. Maar dat ene woord wordt in het Nieuwe Testament in twee
verschillende betekenissen gebruikt. De ene betekenis is die van
toegerekende gerechtheid of rechtvaardigheid (Gen. 15:6, Rom.
4:3), dat wil zeggen dat men wat als rechtvaardig bechouwd, ook
rechtvaardig verklaard wordt, en de andere betekenis is die van
toegediende rechtvaardigheid of gerechtigheid, dat wil zeggen,
dat zij ons meegedeeld, in ons teweeggebracht wordt. En de
betekenis waarin het woord rechtvaardiging verstaan moet worden,
als toerekening of toediening van rechtvaardigheid of
gerechtigheid, moet uit het verband waarin het gebruikt wordt
opgemaakt worden.
Het feit dat men hier
onvoldoende acht op heeft geslagen heeft geleid tot al de
disputen over het woord rechtvaardiging, die de christelijke
Kerk verscheurd hebben, en die totaal onnodig zijn geweest. De
rooms-katholieken bestrijden de protestantse opvatting van
rechtvaardiging, en de protestanten bestrijden de
rooms-katholieke opvatting van rechtvaardiging, en beide
partijen hebben volmaakt gelijk in wat ze staande houden, en hun
dwaling ligt niet in wat zij beweren, maar hun dwaling is dat
zij niet van hun broeder willen aannemen wat hij zegt en wat
evenzeer waar is.
De rooms-katholieke, en het
algemeen hoogkerkelijke, partij strijdt voor rechtvaardiging
door het geloof in die betekenis, dat rechtvaardigheid,
gerechtigheid, aan de mens wordt meegedeeld in het gebruik van
Gods ordeningen: en zij strijden voor een groot, wezenlijk en
belangrijk punt, in feite een waarheid zonder welke het
onmogelijk is de bijbel ook maar enigszins te begrijpen.
Aan de andere kant strijden de
protestanten en laagkerkelijken voor de toerekening van de
gerechtigheid van Christus aan het geloof en door het bloed van
Christus; en ook zij strijden voor een waarheid, zonder welke
het geweten van de mens niet zuiver kan zijn en hij nooit God
zal dienen als een kind, maar in een geest van dienstbaarheid,
ondanks het gebruik van sacramenten en ordeningen.
En daarom, broeders, is het onze
taak om die beide te combineren, ze allebei te gebruiken, ze
allebei aan te nemen, en zo te wandelen in vrede met God en in
gerechtigheid van leven. Er zijn twee boeken in het Engels, het
ene geschreven door bisschop Bull, het andere door bisschop
Rigman, de eerste van de hoogkerkelijke, de tweede van de
laagkerkelijke partij: beide boeken zijn vol waarheid aan de
kant die zij verdedigen en vol dwaling aan de kant die zij
bestrijden.
Laten wij het eens bekijken in
het tegenovergestelde: toerekening en mededeling van
ongerechtigheid. Wij zijn allemaal kinderen van Adam. Adam is
van nature en door voortplanting onze stamvader: in hem hebben
wij gezondigd, in hem zijn wij gevallen, in hem zijn wij
bedorven, in hem zijn wij verkocht onder de macht van de duivel,
in hem zij wij veroordeeld tot smart, harde arbeid en de dood.
Zij zonde wordt ons toegerekend. Wij sterven niet omdat wijzelf
zondigen! Een kindje van een uur oud sterft al, ja, zelfs al
voordat het geboren is, en het sterft omdat Adams zonde het
wordt toegerekend. Wij worden geoordeeld in hem in wie wij
allemaal gezondigd hebben en wiens zonde ons wordt toegerekend.
Maar bovendien, als ge het onbevooroordeeld bekijkt, dan ziet ge
dat de zonde van Adam niet alleen toegerekend wordt, maar ook
meegedeeld, zodat ge in een kind van het allereerste ogenblik af
zonde waarneemt. Het slaat naar zijn moeder als het nog geen
week oud is; en zodra het allereerste besef van zijn omgeving
ontwaakt is, zal het, als het iets geweigerd heeft dat hem
aangeboden werd, en vervolgens wordt dat aan zijn hroertje
aangeboden, er dan naar grijpen, waaruit blijkt dat jaloezie en
schijnheiligheid al in het jongste kind aanwezig zijn. Zo ziet
ge dus, dat de zonde van Adam niet alleen toegerekend, maar ook
meegedeeld wordt, zodat een kind dat nog niet willens en wetens
gezondigd heeft, sterft tengevolge van Adams zonde. En niemand
van ons, hoe groot ook zijn zonde mag zijn, sterft de eerste
dood tengevolge van zijn eigen zonde.
Zo zien we dat, zoals ik gezegd
heb, dat niet alleen de zonde van Adam toegerekend wordt, maaar
dat er ook een levende kiem van boosheid, een “wet der zonde”
aan het werk is in het gevallen schepsel, waarover Paulus
klaagt: Ik wil het goede doen, maar ik zie in mij een wet der
zonde en des doods, die mij, ellendig mens, tot zonde en
boosheid brengt (Rom. 7:15-26).
Er is in Schotland (waar de
mensen erg van filosofische discussies houden) veel
gediscussieerd over de “vrije wil”. Ik heb in een kathedraal in
het buitenland een dispuut gehoord onder priesters, speciaal
georganiseerd om het vraagstuk van alle kanten te bespreken. Ik
heb hen er een uur lang over horen redetwisten of de wil vrij
is, dan wel gebonden, waarbij de ene het protestantse standpunt
verdedigde dat hij gebonden is, de ander dat hij vrij is,
enzovoort. Ik had het gevoel dat zij streden over strohalmen! De
vraag is niet, of de wil vrij is: Paulus zegt, dat zijn wil vrij
was, en hij kon willen doen wat de Wet zei dat heilig en
rechtvaardig en goed is; maar was hij vrij? Hij zegt: “Ik
ellendig mens, wie zal mij verlossen van dit lichaam van zonde
en van dood?” (Rom. 7:24). Dat was het: het lichaam was in
dienstbaarheid!
Welnu, laten we, om
“rechtvaardiging door het geloof” te begrijpen, bezien wat de
oorsprong was van de zonde. God heeft de zonde niet gemaakt –
alles wat God maakte was goed; en toen Hij de engelen maakte,
vervulde Hij hen met macht en heerlijkheid, heerschappij en
wijsheid, en al wat goed was. En één was er onder hen, die –
voorzover wij kunnen onderscheiden achter het voorhangsel,
voorzover wij kunnen beoordelen – de machtigste, de meest wijze,
de geweldigste was, - Gods voornemen was van alle eeuwigheid af,
zichzelf zichtbaar te maken. “Niemand heeft ooit God gezien”, ja
en nooit zal dat het geval zijn: de wezens eigenschappen van de
Almachtige maken het onmogelijk voor het schepsel om Hem te
zien. De Almachtige is oneindig, Hij is onzichtbaar. Als enig
schepsel Hem zou kunnen zien, zou Hij niet langer onzichtbaar
zijn; als enig schepsel Hem zou kunnen bevatten, zou Hij niet
langer oneindig zijn. Het eindige schepsel kan de Onmetelijke
niet bevatten, het is niet geweldig genoeg, het is er niet toe
in staat. En toch, om geliefd, gevreesd, begrepen te kunnen
worden, om gezien te kunnen worden, moest God een weg vinden
waarlangs de Onzichtbare zichtbaar kon worden, de
Ondoorgrondelijke begrijpelijk, de Oneindige omvat kon worden,
In onze ogen zijn dat tegenstrijdigheden, en zijn ze volslagen
onverenigbaar; maar voor God zijn ze dat niet. In de Persoon van
Zijn Zoon, Mens geworden, wordt Hij zichtbaar en begrijpelijk;
in de persoon van de heilige Geest wordt het mogelijk dat Hij
omvat wordt door het schepsel.Als er geen Heilige Drieeenheid
was, als de leer van de Unitariers waar was, dan moest God
onzichtbaar blijven, onbegrijpelijk, onbekend, ongezien; maar
door de ware leer, die van de Kerk, de leer van de
allerheiligste Drieeenheid, Vader, Zoon en heilige Geest,
waarbij de Zoon gekarakteriseerd wordt als het afschijnsel
Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner
zelfstandigheid, de Openbaring van Hem Die op geen andere manier
geopenbaard kan worden,- daardoor kunnen we begrijpen hoe de
wezenseigenschappen van de Almachtige zuiver behouden kunnen
worden, en dat Hij toc h gezien en begrepen kan worden, en hoe
Hij, doordat Hij gekend en gezien wordt, gewaardeerd, geliefd
kan worden. Uw vrouw houdt van u, omdat zij u ziet, u kent, en u
begrijpt.
En daarom, toen God in Zijn
oneindige begrip en goedheid geliefd wilden worden, - begrepen
wilde worden om geliegd en gekend te worden, - toen openbaarde
Hij zich in Christus Jezus; en dat voornemen was bekend gemaakt
in de hemel eer de wereld er was. “Hij heeft ons uitverkoren in
Hem (in de Zoon) voor de grondlegging der wereld” (Ef. 1:4) -
dat was dus niet na de grondlegging maar daarvoor. “Geloofd zij
de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die naar Zijn
grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende
hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot
een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke
erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u” (1 Petr. 1:3-4).
Maar er was één die weigerde
zich hierbij neer te leggen, en dat was hij: de geweldige, de
machtige, de aartsengel Satan; en hij weigerde ondergeschikt te
zijn aan Christus. Hij weigerde afhankelijk te zijn van God; hij
dacht, dat omdat hij machtig en sterk en wijs was, hij zijn
krachten kon meten met de Almachtige. Hoogmoed drong binnen, en
met de hoogmoed de zonde, en met de zonde de val, en het verlies
van zijn hoge plaats, en eeuwig verderf.
Welnu, God wil u verhogen tot de
hoogste plaats in de schepping. Hij wil u verheffen tot de troon
van de Heere Jezus, welke troon verheven zal zijn boven alle
engelen en overheden en machten, en boven alle machten van deze
aarde. Gij zijt daartoe voorbestemd; maar God moet iedereen
leren beseffen en weten, dat er maar Eén goed is, en dat is God.
– Een jongeling kwam tot Jezus en zei: “Goede Meester” (dat
woord moest eigenlijk vertaald worden: Leraar); maar de Heer
berispte hem en zei: “Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed,
dan Een, namelijk God.” En geloof me, geliefde broeders, dat is
de sleutel tot het hele vraagstuk van de rechtvaardiging; en
tenzij ge dat goed in uw gedachten geschreven hebt, dat er maar
Eén goed is, zult ge nooit ooit maar een deeltje van de Schrift
begrijpen, en waarom ge vergaderd bent in de kerk. Maar wanneer
ge deze fundamentele waarheid weet, dat alleen God goed is, en
dat niemand in Zijn nabijheid kan verblijven dan degenen die
goed zijn, en dat Hij alleen u goed kan maken en goed kan
houden, - dan kunt ge begrijpen waarom wij u oproepen om u te
bekeren en het evangelie te geloven.
Bekeert u! Ik wilde dat wij
bovenop de kathedraal van Dundee konden staan en tot iedereen
roepen: bekeert u! En waarom dat bekeren? Omdat niemand kan
vertoeven in de tegenwoordigheid van de Goede, dan wie goed is!
Zal iemand van u een slecht, verdorven mens in huis brengen om
bij uw kinderen te wonen? Natuurlijk niet! Natuurlijk zoudt ge
tot zo iemand zeggen: In mijn huis is er voor u geen plaats! En
de mens is het beeld van God, en hij beeldt in een kleine mate,
voor het geopende oog, uit wat de Onzichtbare is. Er is niemand
goed, dan God; en als gij en ik bij Hem willen wonen, dat moeten
we eerst rechtvaardig gemaakt worden, en als wij niet
rechtvaardig gevonden worden op de dag van de openbaring van de
kinderen Gods, dan zullen wij niet temidden van hen geopenbaard
worden als kinderen Gods.
Satan kwam en verleidde de mens
en vertelde hem dat hij goed kon zijn buiten God om; en hij
beweerde God heeft u dat niet verboden omdat Hij u liefheeft, of
weet wat slechts voor u is, maar Hij gunt u de boom niet, omdat
ge onafhankelijk zoudt zijn en wijs en goed, als ge eet van de
boom. En zo drong de hoogmoed bij de mens binnen en werd ook hij
een gevallen schepsel, en werd de toestand van de mens verdorven
tot in het diepst van zijn hart (tenzij een mens wederom geboren
wordt!). Hij hij werd weggezonden uit Gods nabijheid; hij werd
uit het paradijs verbannen; en als God ons daar had gelaten,
toen wij de Cherubim de rug toekeerden, en Hij niet een middel
gevonden had waardoor wij ons konden omkeren, met ons gezicht
naar de Cherubim, naar het Hof van Eden, en konden terugkeren in
het paradijs en in de tegenwoordigheid van onze Vader, dan
zouden we in eeuwigheid daarbuiten hebben moeten blijven.
De mensen gebruiken het woord
bekering – wat is bekering eigenlijk? Ik loop weg met mijn rug
naar het altaar; ik keer mij om en loop ernaar toe: dat is
bekering! Bekering is het omkeren van wat we deden toen we uit
het paradijs weggingen; het is terug gaan naar God onze Vader.
En bekering is niet iets dat even begonnen wordt en waar we in
een ogenblik klaar mee zijn; maar bekering is iets dat op een
bepaald ogenblik, zolang we hier zijn, begonnen moet worden,
maar dat, geloof me broeders, niet voltooid is voor de dag van
onze verlossing. Onze gezegende Heer is gekomen om de verbannen
mens terug te brengen. God legde op Hem de last van onze
menselijke natuur. Hij rustte niet voordat Hij teruggekeerd was
in de tegenwoordigheid van Zijn Vader, welke tegenwoordigheid en
Wiens schoot Hij om onzentwil verlaten had. En nu is het aan
ons, om ons in de kracht en in de genade van Christus te
bekeren, dat is: ons gezicht naar Hem toe te keren en naar Hem
toe te lopen, ons voorwaarts te haasten, wetende dat de duivel
die ons uit het paradijs verdreven heeft, ons indien maar
enigszins mogelijk zal beletten terug te keren, en dat ons eigen
vlees en de wereld om ons heen, die in het boze ligt, ons zullen
hinderen zoveel ze maar kunnen. O, weet ge niet de macht van de
boze, de reusachtigheid van zijn leger, de aanwezigheid van zijn
boze geesten die de wereld vervullen, en die u trachten te
beletten, niet zozeer om een begin te maken met de bekering,
maar om het pad van bekering te blijven volgen!
En nu, waarvan hebben we ons te
bekeren? In de eerste plaats: van de jongste tot oudste onder
ons hebben wij ons ervan te bekeren dat wij een verdorven
schepsel zijn. Doet het u leed, dat ge verdorven bent? Is het u
een diepe smart, dat ge zonde in uzelf aantreft? Heeft de
almachtige God, Die u gemaakt heeft, dat soms in u gelegd? Hoe
is het daar dan gekomen? Ge hebt u ervan te bekeren, elk van u,
dat ge in Adam gezondigd hebt, dat ge in de wereld gekomen bent
als een met schande beladen, ontaard, zondig, verdorven schepsel
dat een wet van zonde en van dood in zich draagt die, als ge
haar niet kwijt raakt, u zal meesleuren in de tweede dood. Wie
kan u dus goed maken, wie kan u verlossen van deze wet van zonde
en dood? Er is slechts Eén goed, dat is God, en ge moet tot Hem
naderen teneinde gerechtvaardigd in de betekenis van toediening
van gerechtigheid te zijn. Maar hoe kunt gij, een zondig
schepsel, naderen tot de Ene Goede, teneinde goed gemaakt te
worden? Door toerekening van gerechtigheid, doordat uw geloof
gerekend wordt tot gerechtigheid! Want als het de boosheid was
van het schepsel dat het tegen God in opstand kwam, dan zal op
het moment dat ge u bekeert van een gevallen schepsel te zijn,
en van uw eigen zonden die gij daaraan hebt toegevoegd, en ge
het Evangelie gelooft dat Hij gestorven is opdat Hij u een
rechtvaardig mens zal maken (op dezelfde manier waarop Abraham
geloofde dat God aan zijn vrouw een kind zou geven, ondanks haar
hoge leeftijd), op Hem vertrouwend, tot Hem naderend in dat
geloof, Hem erkennend als de Ene Goede, - dan zal op dat moment
uw geloof u toegerekend worden als gerechtigheid. Als ge gelooft
dat Hij het zal doen, ook al verzetten al de machten van de hel,
en uw eigen boze hart, zich ertegen, dan rekent Hij u
gerechtigheid toe, opdat ge tot Hem kunt naderen zonder vrees.
En zoals Hij Abraham
gerechtigheid toerekende, zo rekent Hij u Zijn gerechtigheid
toe, - en wel opdat ge van de oude Adam bevrijd zult worden. Ge
ontvangt de Heilige Geest, ge verkrijgt het nieuwe leven, om u
in staat te stellen om op de rechte weg te wandelen; en dan hebt
ge de bedieningen van Zijn Huis om u te helpen voort te gaan tot
aan de opstanding.
Zo wordt ge dus gerechtvaardigd
door:
-
geloof,
-
het Bloed van Christus,
-
de gerechtigheid van
Christus,
-
het Woord van Christus,
-
de bedieningen van Christus,
-
de sacramenten van Christus,
-
de werken, en uiteindelijk
door:
-
de opstanding.
En wanneer ge dan van dit
lichaam van zonde en van dood verlost bent, en ge ontvangt uw
nieuwe lichaam bij de Opstanding, dan wordt ge niet meer alleen
als een rechtvaardige gerekend, maar dan bent ge er ook één in
werkelijkheid. En wanneer God dit met u bereikt heeft, dan zal
Hij u aanstellen om bedienaren van gerechtigheid te zijn voor de
hele wereld in eeuwigheid.
Daarom, geliefde broeders, denk
hieraan: bekeer u van de zonde van Adam, en, om Gods
barmhartigheid wil, houd ermee op de zonde van Adam nog te
vermeerderen! Gij zijt hier bijeen vergaderd om te laten zien
wat rechtvaardigheid betekent. Laat de wereld om ons heen
zeggen: Waarin zijn deze mensen nu eigenlijk beter dan wij? En
terwijl ge berouw hebt – wat een deel is – om verlangt
rechtvaardig gemaakt te worden – wat een tweede bestanddeel is –
en geloof hebt ook al lijkt het onmogelijk, komt tot Hem om het
aan u te laten voltrekken. Weet dat het bloed van Christus
reinigt van alle zonden! God ziet uit naar de tijd dat Hij Zijn
voornemen aan u zal verwerkelijken, wanneer ge ten volle zult
verstaan dat rechtvaardiging twee betekenissen heeft. In
eeuwigheid zal gerechtigheid u toegerekend worden. Het is de
rechtmatige instelling van het schepsel tegenover God, zich van
Hem afhankelijk te weten. En in eeuwigheid zal er de toediening
van gerechtigheid zijn. Hij Die u gemaakt heeft zal u in alle
eeuwigheid goed houden, omdat ge vertrouwt op de Almachtige.
REISDAGBOEK VAN EEN ENGELSE APOSTEL
Hieronder volgt een vertaald
uittreksel uit de aantekeningen die een Engels geestelijke, John
Henry Church (10-05-1787/16-9-1865),in het voorjaar 1837 maakte
tijdens zijn reis door ons land.
1837
19 maart: In gezelschap van Mr.
Hill uit Albury vertrokken naar Londen, op weg naar Nederland.
21 maart: Om 7 uur v.m.
ingescheept op de "Columbine".
22 maart: Om 1 uur n.m. in
Rotterdam aangekomen en ons intrek genomen in het ons aanbevolen
hotel "Pays Bas". Bezochten de heer Moens; deze druk "in zaken",
wat het karakter van de stad medebrengt. Maakten de
avonddienst in de Grote Kerk mede; ongeveer 500 aanwezigen;
eerbied bij sommigen, onverschilligheid bij anderen; allen
zingen zeer luid en hebben kerkboeken.
23 maart: Vroeg op voor een
dienst in de Joodse synagoge..s'Middags per diligence
doorgereisd naar Den Haag, via Delft, en daar het door de heer
Corbet gerecommandeerde Hotel "Het Hof van Berlijn" opgezocht in
de Heerenstraat.
24 maart: Onze introductiebrief
afgegeven bij Monsieur Hengepeter van het museum. Hartelijk
ontvangen als Christelijke broeders.
25 maart: Bezochten de
Kloosterkerk. De Koning en zijn zoon waren aanwezig en bogen bij
het binnenkomen naar de gemeente, precies zoals ook in Londen
gebruikelijk is bij gewone diensten ... s'Avonds in de
Franse Kerk. De voorganger Monsieur Secretain,
preekte voornamelijk over de predestinatie. Door de
heer Hengepeter geintroduceerd bij de heer
Schijff, Boekhorststraat, en afgesproken daar te logeren.
27 maart: Intrek genomen bij de
heer Schijff. s'Morgens wandeling naar Scheveningen gemaakt en
daar geluncht. Naar huis geschreven.
28 maart: De studie van de
Nederlandse taal aangevangen: een leraar om 7 uur 's morgens a
fl. 1,50 per les en een om 10 uur a fl. 1,--.
30 maart: Onze opwachting
gemaakt bij de heer Capadose, een bekeerde Jood, en langdurig
met hem gesproken over de Hoop op het Koninkrijk Gods ...
31 maart: Studie. Onze
introductie voor de Britse ambassadeur afgegeven.
1 april: Zondag. 's Morgens in
de Kloosterkerk ... Om 5 uur in de Lutherse Kerk. Er werden 2
kinderen gedoopt ...
2 april: De gehele morgen
gestudeerd. En familie gedineerd met de Britse ambassadeur, Sir
Alex en Lady Mallet.
4 april: Tot half twee
gestudeerd. 's Avonds een lang gesprek met de heer Henzepeter
(over het Raadsbesluit Gods met Zijn Kerk).
5 april: Wandeling naar het
Huis ten Bosch en dit van binnen bezichtigd.
8 april: In de Franse Kerk. Ds.
Secrestan wijdde uit over het lijden van Christus, daarbij zeer
werkend op het menschelijk gevoel. In de Engelse Kerk
niet meer dan 30 personen: dienst zonder veel leven. In de
middag dienst om 2 uur in de Grote Kerk: Ds. Mol;
eenvoudig en, voor zover ik de preek kon volgen, ernstig
opko- mend voor de waarachtige Mensheid van Christus.
Om 5 uur weer in de Grote Kerk (ca. 1500 mensen), waar
Ds. Molenaar, een ernstig
prediker, zijn rede eindigde met de uitroep "Kom Heer Jezus, ja
kom haastig".
10 april: Op bezoek bij de heer
Capadose en anderhalf uur met hem gesproken (over de Wederkomst
van Christus).
12 april: Donderdag. Naar Delft
per trekschuit. De heren Schijff en Jongbloed, Leidse studenten,
toonden ons het monument voor Willem I. Grotius.
16 april: Studie tot half een.
In de Nieuwe Kerk: Simon Verhoeven, een bijzonder begaafd
prediker...
17 april: Sir E. Disboro
bezocht. 's Avonds Nederlandse les: "Moeder en Suigeling" (bij
Schijff). Volgens Heer
Jongbloed zijn hier de
huwelijkswetten als in Frankrijk ...
18 april: Naar Rijswijk
gewandeld. Opnieuw bij de heer Capadose.
19 april: Bij de Britse
ambassadeur.
20 april: Brieven van mijn
broeder, mijn vrouw en Mr. Cardale. 's Avonds een gesprek met
Monsieur van Renesse, een zeer scherpzinnig man ...
21 april: Bij de heer G. la
Grand, onze leraar Nederlands, een document achtergelaten ter
vertaling van het Frans in het Nederlands ... 's Avonds bij
de heer Hengepeter.
22 april: Zondag. In de Grote
Kerk: Ds. Rooseboom. Viering van het Heilig Avondmaal (ca. 1500
deelnemers) ...
24 april: Per trekschuit
vertrokken naar Haarlem: vonden het een prettig vervoersmiddel.
Ongeveer 3 uren. De heer Schijff jr. vergezelde ons. In Leiden
door tussenkomst van de heer Jongbloed kennis gemaakt met
een jong student die ons het Historisch Museum
toonde Logeerde in "De Leeuw". Aan de table d'hotel een 12-tal
studenten.
25 april: Tegen de avond
doorgereisd naar Haarlem. Om 9 uur in "De Gouden Leeuw" ...
26 april: Voor de lunch de stand
verkend en een lijkwagen gevolgd naar een begraafplaats bij
Bloemendaal. Blijkbaar een arm persoon die geen
enkele familierelatie of vriend had om hem op zijn laatste
tocht te vergezellen en die zonder enig godsdienstige
plechtigheid onder de grond gestopt werd. Bezochten het Museum
Teylers en daarna de kwekerijen van ... (naam ontbreekt) waar we
enkele zaden kochten voor de heer Irving. Bezichtigden een groot
buiten, vroeger eigendom van Mr. Hope in Amsterdam, later
aangekocht door Louis Bonaparte, en thans eigendom des Konings.
Verlieten Haarlem om 5 uur per trekschuit, op weg naar
Amsterdam. Ongeveer halfweg is er een interessant punt waar men
van de ene schuit in de andere moet overstappen. Enkele sluizen
hier scheiden het Y van de Haarlemmer Meer ... Naast het kanaal
is een spoorweg in aanleg. De rijweg loopt er vlak
naast. Het zal curieus zijn, de
vervoersmiddelen op deze 3 paralelle wegen straks tegelijk in
bedrijf te zien; op de ene baan met een snelheid van misschien
wel 3 mijl per uur, op de andere met een snelheid van resp. 10
en 3 mijl per uur. De schipper scheen geen vrees voor
concurrentie te hebben. In Amsterdam ons bivak opgeslagen in
"Het Wapen van Londen", Warmoesstraat.
27 april: Onze kaartjes
afgegeven bij de heer Koenen, Keizersgracht, bij Utrechtsche
straat. Daarna de stad beke-
ken ...
28 april: Een gesprek van bijna
3 uur met de heer Koenen (over de werkingen van de Heilige
Geest) ... Bij het afscheid gaf hij ons een introductie
voor de heer W. de Clercq, die we later op de dag bezochten. Hij
had van onze aanwezigheid in Den Haag gehoord. Met hem
dezelfde onderwerpen besproken ... De heer de Clercq
introduceerde ons bij Mr. Is. Da Costa. 's Avonds bezochten wij
de Portugese Synagoge, die naar men zegt, gebouwd is volgens de
Tempel van Salomo. Een ruim gebouw, maar helaas geen glorie.
29 april: 's Morgens in de
Nieuwe Kerk. Preek over Titus 2 ... De Koning en andere leden
van het Koninklijk Huis
aanwezig. De heer Koenen, die
ons opzocht, informeerde naar een brief die hij destijds aan
Irving had geschreven s Avonds in de Franse Kerk nog geen 100
personen; de dominee, een man op leeftijd, moet niet erg
populair zijn. Hij preekte over Col. 2:11.
30 april: Bezochten de heer
Huet, 252 Bloemmarkt, met wie wij al eerder kennis hadden
gemaakt. Een zeer voorkomend man... Bezochten ook de heer
Mollet, de enige Quaker in Nederland, Reguliersgracht bij de
Heerengracht. Hij bleek geen erg hoge dunk te hebben van de
toestand waarin de Christenheid verkeerd ..Hij had juist een
brief gekregen van een zekere heer Ross, een Quaker in
Hammersmith, die hem het bekende tractaat had
toegestuurd, waarin Steward de Christenen oproept om zich in
gebed te verenigen en te smeken om een uitgieting van de Geest.
De heer Mollet was van plan te voldoen aan het verzoek van Ross
om het stuk in het Nederlands te vertalen.
1 mei : Naar Zaandam ... In de
kerk viel ons een schilderij op, voorstellende de kerk zelf,
geheel gevuld met koeien, hoornvee en mensen. Dit
moet werkelijk gebeurd zijn in 1825 toen hoog water allen
dwong daarheen te vluchten omdat de wijde
omgeving geheel overstroomd was: een treffende voorstelling van
de waarheid dat de Kerk de plaats van redding is
voor alle schepselen. s Avonds doorgereisd naar
Utrecht, een reis van ongeveer 4 uur ...
2 mei : Ons eerste bezoek gold
Dr. Kohlbrugge, met wie ik vroeger had gecorrespondeerd. Drie
uur lang hadden
we een interessant gesprek ...
3 mei : Weer bij Dr. Kohlbrugge
(Zuilenstraat) ...
4 mei : Per diligence naar
Leiden, maar direct doorgereisd naar Den Haag, waar we ons oude
kwartier in de
Boekhorststraat weer opzochten
...
6 mei : In de Nieuwe Kerk: Ds.
Molenaar over Joh. 18. Om 2 uur in de Franse Kerk, war Ds.
Secretain sprak over "het gebed".
7 mei : ...'s Avonds naar de
heer Hentzepeter; hij bleek niet thuis. Trof hem later bij de
heer Schijff.
8 mei : Bij de heer Capadose
een zeer interessante jongeman ontmoet, die in dienst stond van
de Prins van Oranje. Hij verlangde ernaar Christus te
dienen.
10 mei : Op zijn verzoek
nogmaals bij de heer Capadose geweest. Hij wilde van gedachten
wisselen over het vaccinatievraagstuk ...
11 mei : Afscheidsbezoek bij de
heer Hengepeter.
12 mei : Om 8 uur v.m. naar
Rotterdam gereisd en ingescheept op het s.s. "Giraffe" dat om 12
uur naar Londen vertrok.
HET DONAUMOERAS IN
ZUID-DUITSLAND.
Het gebeurt vaak dat praktisch
identieke gebeurtenissen bijna te gelijkertijd in verschillende
delen van de wereld voorkomen.
.Ook de Heilige Geest, de geest
die van Hem uitgaat, werkt tijd- en plaatsovereenkomstig.
Weliswaar blijft het doel, de mensheid weer tot God terug te
leiden, dezelfde, de wijze waarop kan verschillen. Rond de
overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw begon zich
op vele plaatsen tekenen te openbaren van een spoedige
uitstorting van een "tweede spade regen" die zou leiden tot
herstel van de, in het verleden verloren gegane, gaven en
geestelijke ambten. In het voorgaande werd reeds geschreven over
de verschillende publicaties met betrekking tot de spoedige
wederkomst van Jezus. Deze publicaties verschenen onafhankelijk
van elkaar in vele landen van Europa. Ook geestesgaven, die in
de vroege kerk reeds voorkwamen en die in de bijbel beschreven
staan, kwamen opnieuw tot uiting.
Omstreeks 1800 baarde Ds.
Wangemann, een geestelijke in Pommeren, groot opzien en
beroering door het genezen van zieken na het bidden en smeken
daarom, door de kracht van de heilige Geest.
Voor het jaar 1790 bestond het
moerasgebied van de Boven-Donau in Beieren uit een enorme
modderpoel van ongeveer vijftien kilometer in de breedte en
dertig kilometer in de lengte. Het was het hele gebied tussen
Neuburg a.d. Donau en Ingolstadt. Voor de drooglegging was dit
gebied, op enkele plaatsen na, bijna ontoegankelijk en velen
hadden er reeds de dood gevonden. Heel sinister heette een plek
in het moeras de "Bruidsvloer" omdat een grote bruidsstoet die
verdwaald was, erin verdwenen was. In 1790 begonnen de
werkzaamheden om het moeras droog te leggen.
De geestelijke Lanz had daarvoor
een plan ontworpen en de fondsen in het leven geroepen om het
geheel te financiëren.
Vijf jaar later was het hele
gebied drooggelegd.
Daarna verbeterde snel het
klimaat en de grond zette zich om in turf van het goede soort en
van een enorme laag.
Na de drooglegging stroomden van
alle kanten mensen toe en werden zonder veel formaliteiten in de
kolonie opgenomen.
Terwijl de eerste families die
zich er vestigden vrijgesteld werden van belasting en
rente-afdracht, werden de latere kolonisten zo zwaar belast dat
de afdracht vaak de inkomsten overtrof, waardoor een verdere
groei van de kolonie uitbleef.
De plaatselijke overheid
verhielp dat door overal bedelaars van de straat te halen,
toestemming gaven om te trouwen (een toestemming die in het
toenmalige feodale Beieren nodig was) en een stuk land gaven om
te bewerken. Zo werd het Donaumoeras een kweekplaats van
bedelaars en dieven.
In het midden van het
Donau-moeras lag de grootste kolonie: Karlshuld.
De eerste kolonisten vestigden
zich in de jaren 1796 en 1797 op het land dat behoorde aan een
adelijke bezitter. Karlshuld zou model moeten staan voor wat
een nederzetting zou moeten zijn. De landheer wilde daarom niet
meer dan 20 gezinnen huisvesten. Deze gezinnen zouden dan
zoveel land verbouwen als ze voor hun levensonderhoud nodig
zouden hebben.
Helaas ging dit voornemen niet
door. Weldra leefde binnen het kleine gebied zo'n 126 gezinnen.
Door dat grote aantal heerstte in Karlshuld bijzonder slechte
sociale omstandigheden.
Toen Lutz er in 1826 arriveerde,
leefde het grootste deel van de bevolking in hutten,
opgetrokken van hout, op de sponsachtige turfbodem. Een lage en
donkere kamer, een tweede "kamer" nog slechter, was de
slaapkamer voor het hele gezin. De vloer was de kale aarde
bedekt met wat karton. Als het lang regende sloeg de damp,
doortrokken van de turfgeur, door het hele "huis", wat de
gezondheid niet ten goede kwam.
Bedden waren bijna nergens
aanwezig, de slaapplaats bestond uit een bundel stro. De
kleding, lompen, dienden sEQ \O(', )nachts als dekens. De
voeding was weinig en slecht. Degenen die dagelijks brood hadden
golden als rijk. De meesten hadden voor een paar weken brood en
moesten dan leven van de slechte moeras-aardappels.
"Ik zou met mijn aardappels
tevreden zijn" zei in de strenge winter van 1820 een kolonist,
"als ik er maar wat zout bij had".
"ik hoef geen zout", zei een
ander, "als ik voor mijn kinderen maar wat aardappelen had".
Het behoeft verder geen betoog
dat in dit ellendige verpauperde gebied voor religieuze en
onderwijszaken weinig tot niets werd gedaan.
Geld had men er niet voor en ook
de landeigenaren hadden daar niets voor over, integendeel, zij
verlangde ook nog een onredelijke belasting in natura. Mensen,
die zich het lot van de kolonisten aantrokken, klaagden over
deze toestand bij de dekaan en priester van Weichering, Eustach
Rieger, de latere Domkapittel van Augsburg.
Hij bracht deze klachten over
aan Keizer Maximilian. Deze grootmoedige vorst kocht in 1825
voor een niet gering bedrag Karlshuld dat toen staatseigendom
werd.
Nu zou voor de kolonie een
betere tijd aanbreken. Er werden plannen gemaakt voor het bouwen
van een kerk, een pastorie en een school. Helaas overleed Keizer
Maximilian in 1826 en ging de regering over aan zijn zoon
Ludwig. De mooie plannen verdwenen weer in een bureaulade en
bleven daar voorlopig liggen.
Hoewel het in onze huidige tijd
vaak ontkend wordt is in het verleden bevestigd dat geloof en
zedelijkheid een door niets anders te vervangen grondslag vormt
voor het burgerlijke en maatschappelijke welzijn.
Religie, als die is wat het
behoord te zijn, hereniging van de van God afgevallen mensheid
met God, de oerbron van alle waarheid, heiligheid en zaligheid,
door de ene bemiddelaar, Gods Zoon, Jezus Christus, bepaald het
hele handelen en leven van de mens, brengt hem in onmiddellijke
nabijheid met God, door Christus, doordringt en vervult hem zo
met hemelse wijsheid, goddelijke gerechtigheid en eeuwige
zaligheid.
Het ontwikkelen en in stand
houden van een gezond geloofsleven moet voor de mens die
streeft naar harmonie en vrede, het belangrijkste zijn.
Daarvoor zijn nodig de juiste leraren en middelen.
Dat alles ontbrak in Karlshuld.
De arme kolonisten vormden een aan zichzelf overgeleverd leger
dat alleen maar voor het welzijn van de grootgrond-bezitter had
te zorgen. Religie- en schoolonderwijs bestond in de eerste
jaren totaal niet.
Daarvoor moest naar Weichering
getrokken worden, zo’n anderhalf uur lopen.
De geestelijke verzorger van
Weichering, die ook de zorg voor de kolonie Karlshuld had, kon
dan ook weinig doen. Als in de loop der jaren de onzedelijkheid
in Karlshuld hand over hand toeneemt, groeit het besef dat de
kolonie een eigen zielsverzorger nodig had.
De man die deze taak op zich zou
nemen had de verantwoordelijkheid voor ruim 900 zielen, waarvan
ruim 100 kinderen die ook schoolonderwijs moesten ontvangen.
Hij moest priester, onderwijzer, misdienaar, organist en
lijkbezorger zijn, een armoedig hout huisje als woning hebben en
per gezin 2 gulden en 20 franken per jaar ontvangen.
Dat alles was zo karig dat er
voor de kolonie jaren geen zielsverzorger te vinden was. In die
jaren zonk het geestelijk en zedelijk peil op schrikbare wijze.
Zo waren er onder de 60 à 70 ongehuwde vrouwen velen die
meerdere kinderen hadden, vaak van verschillende mannen.
Bloedschande en overmatig alcoholgebruik met alle gevolgen van
dien, waren aan de orde van de dag.
Zo was de toestand in Karlshuld
tot de lieve God besloot in te grijpen.
In de zomer van het jaar 1826
bezocht de Bisschop van Augsburg, Ignaz Albert von Riegg, het
noordelijke deel van zijn bisdom, waaronder ook het beruchte
Donau-moeras en de kolonie Karlshuld. Hij zag daar de door
brand aangetaste pastorie, het vervallen kerkhutje en de
erbarmelijke situatie van de kolonisten. Hij zag een kudde
zielen, in lompen gehuld, mager, als schapen zonder herder. De
bisschop was tot in het diepst van zijn ziel getroffen en bracht
woorden vol vuur en kracht, genade en erbarmen. Die woorden
hadden effekt. Er werd hem gesmeekt een geestelijk verzorger te
zenden die orde kon scheppen en het evangelie prediken, die de
genademiddelen kon verstrekken. Vol zorg vertrok de bisschop
naar de pastorie van Weichering en schreef dezelfde avond nog
een brief aan de koning over datgene wat hij had gezien.
Hier, in de pastorie van
Weichering, was het ook dat de bisschop de gedachten kreeg en
tot het besluit kwam om Johannes Evangelist Georg Lutz, de
toenmalige vicaris van Grimoldsried, naar Karlshuld te halen.
Lutz werd geboren op 12 maart
1801 in Burg. Zijn ouders waren boeren en hij was de oudste van
zes kinderen.
Tot zijn zeventiende jaar volgde
hij het Gymnasium en het Lyceum. Omdat door het overlijden van
zijn vader het gezin in armoede verviel, was er geen geld meer
om verder te studeren. Het zag er slecht voor Johann uit maar
ook hier toonde de lieve God Zijn oneindige liefde. Invloedrijke
personen trokken zich zijn lot aan en stelden Lutz in staat om
zijn studie voort te zetten en met de bemerking "uitstekend" af
te sluiten.
In 1823, dus 22 jaar oud, werd
hij gewijd tot priester, zielzorger en biechtvader voor de
plaatsen Weissenhorn, Burg, Unterroth en Grimoldsried, Een jaar
later werd hij vicaris (plaatsvervanger van o.a. de pastoor)
van Grimoldsried.
Met grote trouw en ijver oefende
hij zijn ambt uit, steeds erop bedacht zijnde om te dienen als
een knecht des Heren.
Uitgerust met een buitengewone
predikersgave verstond hij het om zijn toehoorders te boeien.
Ondanks deze natuurlijke gave hoedde hij zich voor eigenwaan en
bereidde elke dienst terdege voor.
Het was geen gemakkelijke taak
en na twee jaar wilde hij de Bisschop van Augsburg om
overplaatsing vragen. Toen hij de brief aan het schrijven was
kwamen twee vrienden, die aanwezig geweest waren bij het
bisschoppelijke bezoek aan Karls-huld, met de mededeling dat
hij daarheen gezonden zou worden.
Toch bleef de bisschoppelijke
verordening uit omdat er twijfels waren of Lutz zijn post, waar
ook zijn moeder en de andere kinderen woonden, zou kunnen
verlaten. Na een reis naar Augsburg kwam eindelijk het decreet
met als datum 26 mei 1826. Daarin stond o.m.
"In bijzonder vertrouwen op de
kennis, wijsheid en beroepseer, verbonden met een geheiligde
priesterlijke wandel van de heer vicaris Georg Lutz in
Grimoldsried, werd als maatregel genomen hem naar Karlshuld
over te plaatsen".
Voordat Lutz naar Karlshuld
vertrok wilde hij eerst samen met zijn moeder zijn nieuwe
woonplaats bekijken. Voordat ze echter Karlshuld bereikt
hadden werd zijn moeder angstig door de spookachtige omgeving
en wilde terug. In de hele omtrek voor geen behoorlijke weg te
vinden. Bij elke stap zakte de schoenen diep in de modder. Lutz
wilde als eerste de burgemeester bezoeken en vroeg een man,
bedekt met modder en vuil van het turfsteken, waar hij deze kon
vinden. Tot verrassing van Lutz antwoordde de man: "De
burgemeester, dat ben ik."
Op 23 augustus 1826 kwam Lutz in
zijn nieuwe gemeente, Karlshuld, aan. De zondag daarop, 27
augustus hield Lutz de eerste dienst in de open lucht omdat de
kerk niet te gebruiken was. Op het erf van een inwoner, Joseph
Schedelbauer, werd een platform gebouwd dat dienst deed als
altaar. Rondom stonden, zaten en lagen de toehoorders. Mensen
die uit alle woonstreken van Duitsland naar het Donau-moeras
waren getrokken, uit allerlei geloofsgemeenschappen.
Als tekst gebruikte Lutz 1 Kor.
2:2: “Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die
over Jezus Christus”.
Behalve de kerk was ook de
school onbruikbaar. Naar allerlei vrienden en instanties
schreef Lutz over de erbarmelijke toestanden in Karlshuld. Dat
bracht vele harten in beweging en er werd hulp geboden. De
regering stelde ruim 650 gulden ter beschikking voor de bouw van
een school. Particulieren schonken schoolboeken en andere
leermiddelen.
Door de predikaties van Lutz,
vol erbarmen, kracht en genade, nam het geloof toe en berouwde
men de tot dan gevoerde levenswijze. Velen vonden het geloof
terug dat ze door de bittere omstandigheden verloren hadden.
Op een avond vervoegde zich een
man bij Lutz aan de deur, vertelde dat hij en zijn broer de weg
tot God terug gevonden hadden en wilde biechten. Lutz nam de
biecht af, schonk de genade Gods maar liet ook de andere broer
bij zich komen.
Aan hem vroeg Lutz wat er
precies gebeurd was. Deze vertelde: "Toen we gisteravond met
elkaar tot 10 uur gelezen hadden, ging ik de kamer uit om naar
bed te gaan. Mijn broer bleef nog op. Toen ik in bed wilde
stappen voelde ik mij gedreven om voor mijn broer te bidden. Ik
knielde voor mijn bed en bad tot 11 uur dat de Heer met mij en
mijn arme broer erbarmen zou hebben en ons zou willen bekern van
onze zonden. Hij kan dat, als Hij wil. Om 11 uur hoorde ik uit
de kamer een schreeuw en lawaai. Ik snelde naar beneden en vond
mijn broer".
Zelf had deze man enige weken
eerder een boekje gelezen dat hem tot inkeer had gebracht en hem
ertoe had aangezet weer regelmatig te bidden. Het openbaar
worden van Gods genade beperkte zich niet alleen tot deze
broers. Zo berouwden vele kolonisten hun voormalige
levenswandel en kwamen opnieuw tot geloof.
Toch zonk de gemeente weer
ineen, vooral na de hongerwinter die volgde. In de winter van
1829/1830 steeg de nood bijzonder hoog. Het vroor bijzonder
streng. In de zomer had een zware storm praktisch alle koren
vernietigd, nu bevroren de opgeslagen aardappelen.
In januari 1830 viel het Lutz op
dat de schoolkinderen tussen de middag niet naar huis gingen.
Het bleek dat er thuis toch niets te eten was. Toen hij één van
de kinderen vroeg of deze s'morgens wel gegeten had antwoordde
deze huilend: "Nee". "En gisteravond?", vroeg Lutz, "ook
niets". Van alle andere kinderen hoorde hij hetzelfde. Voor hem
zaten vijftig uitgemergelde kinderen. Thuis had Lutz nog enige
broden en drie of vier gulden. Dat was voldoende voor de
eerstvolgende dagen.
In deze dagen (1829/30) liet
Lutz ook een vlugsschrift drukken met de volgende tekst::
In de kolonisten-gemeente op het
Donaumoeras, heerst, zoals bekend grote armoede en nood. Deze
armoede en nood bereikte in de afgelopen winter een punt, zoals
dat tot nu toe zelden het geval was. De kolonisten verloren in
de zomer van het afgelopen jaar door slechts weersomstandigheden
het grootste gedeelte van hun graan en hennep, de nu al lang
aanhoudende en op het moeras buitengewoon strenge kou, beroofde
hen van hun laatste voedingsmiddelen –de aardappels waren
bevroren en onbruikbaar. Zeer vele, en daaronder zeer nette
families, hebben al wekenlang geen stukje brood meer te eten, om
zich van de hongerdood te redden, voeden zij zich met de
bevroren, half vergane aardappels, en vielen hebben dat zelfs
niet meer. Vele vechten tegen een hongerdood, en dat in de ware
betekenis van de uitspraak. Deze ellende laat zich ook bijzonder
bij de schoolkinderen bemerken. Velen moeten een half,
driekwartier of een heel uur lopen om de school te bereiken.
Daar zitten ze dan, en hebben de hele dag honger. Komen ze ’s
avonds thuis, dan is ook hier niets, of –als het goed gaat- half
verrotte moerasaardappelen te eten. Om tenminste de kinderen
voor de hongerdood te redden, laat ondergetekende tweemaal, ‘s
middags en ’s avonds, brood verdelen aan 52 kinderen (dat getal
groeit echter uit naar 74 tot 80). Omdat echter zijn maandelijks
inkomen niet voldoende is, om zo velen te voeden, en er gevreesd
moet worden dat, als er niet snel hulp komt, ziekten zullen
uitbreken, als het al geen hongerdood is, en omdat de
ondergetekende de nood van zijn hulpbehoevende gemeente het
beste kent, voelt hij zich door zijn geweten verplicht, elk
middel te proberen om aan deze ellende een eind te maken. Daarom
wendt hij zich vol vertrouwen tot edele mensenvrienden met het
hartelijke verzoek hem zoveel mogelijk brood, aardappelen of
ander eetbaars te zenden, zodat de bovengenoemde schoolkinderen
nog enige weken voedsel krijgen, evenals de allerergst getroffen
familie’s.
Geldbedragen zullen voor aankoop
van brood gebruikt worden. Als enige mensenvrienden zich
hierdoor aangesproken voelen om hun hongerende medemensen een
helpende hand te bieden, dan worden ze eerbiedig verzocht hun
bijdragen te zenden of door een vertrouwd persoon aan hem te
overhandigen. Voor het mogelijk beste gebruik van de gelden
stelt zich garant,
Karlshuld, 31 januari 1830.
J.E.G. Lutz, prediker-vicaris
Van de ingekomen gelden bracht
Lutz ook verslag uit:
“Verslag over de inkomsten en
het gebruik van de voor Karlshuld in het Donaumoeras, von 1
januari 1830 tot 21 december 1830 binnengekomen milde bijdrage.
En daarbij de hartelijke dank. Gemaakt door J.E.G. Lutz”.
De periode van 1 januari tot 30
april 1831 sluit hij af met:
Totaal-inkomsten 7063 fl. 24 kr. 6
hl.
Totaal-uitgaven 7482 fl. 12 kr.
Daardoor een rest
van 418 fl. 47 kr. 2 hl.
De waarde van het binnen gekomen
bedrag kan men meten, als het vergeleken wordt met de inkomsten
van 1 dag werken in het Donaumoeras, dat was 9 fl. (Guklen).
Voor rundvee moest destijds 19 fl. betaald worden.
Het door Lutz gestichte “Armen –
zieken en schoolfonde” had volgens een overzicht van 1865/66 nog
een vermogen van 4681 fl. 27 ½ kr.
Van vrienden vanuit Neurenberg
en Augsburg wist Lutz steun te krijgen om de eerste nood te
lenigen. Alom werd de situatie zoals die in Karlshuld was,
bekend. In maart 1830 arriveerde een heer en wenste Lutz te
spreken. In het huisje van Lutz legde hij 110 gulden op tafel en
zei: "Dit is voor uw gemeente". Lutz bedankte de man en sprak
hem aan met "bisschop". "Hoe weet u dat", vroeg deze. De ring
aan z'n vinger had hem verraden. Hij weigerde echter te zeggen
hoe zijn naam was en vroeg slechts om God de dank te brengen.
Later bleek dat het de Bisschop van Eichstatt was geweest.
Op 27 juni 1830 raasde een
wervelwind over Karlshuld. In minder dan twee minuten waren de
armzalige huisjes met de grond gelijk gemaakt en stond het
gebied onder water. Vanuit München ontving Lutz 2581 gulden en
ook van andere kanten kwam.
Zo was Lutz, naast de
geestelijke verzorging, ook druk met sociale hulpverlening.
Hier leerde hij, in deze
verlaten uithoek, het praktische geloof kennen. Te handelen
naar de praktijk, ver weg van boekenwijsheid.
Pas veel later vertelde Lutz
zelf: "Ik had de genade en waarheid van het Evangelie zelf nog
niet grondig ervaren. Ik had wel veel kennis over het werk en de
wegen van de Heer, maar dat waren geen vruchten van eigen
ervaring maar grotendeels uit boeken. Tot een eigenlijke
volledige zegen der genade, tot een eigenlijk genieten van het
alles omvattende heil in Christus, dat had ik nog niet beleefd.
Men had mij bij mijn opleiding telkens geprezen voor mijn
bijbelgetrouwheid, mijn duidelijke verklaring van het
Evangelie, voor mijn bescheiden levenswandel.
Dat alles belemmerde mij zeer te
geloven dat juist zij, de slechten en grootste zonderen in mijn
parochie, tot Jezus konden komen en door Zijn genade
schuldenvrij gemaakt en zalig werden.
Maar het gaf mij een gevoel van
zelfvoldoening en trots, wat ik niet graag toegaf. Daarbij
voelde ik diep in mij, dat alles waar het op aankomt, het leven
uit God, de God uit God, bij mij ontbrak
Ik geloof en kon bewijzen, Jezus
Christus is de Zoon van de levende God, is de Verlosser van de
wereld. Had iemand mij gevraagd: Geloof je, dat Christus ook
jouw Heiland is, dat had ik ja gezegd, maar ik was mij mijn
aandeel in het heil van Christus niet bewust en daarover niet
blij. Integendeel was in mij steeds een heimelijke onrust,
angst, vrees voor God, de dood en het gerecht. Ik kon mij en
anderen precies vertellen wat er in ons veranderen moest als we
echter christenen wilden zijn, hun uitvoerig beschrijven wat
voor een zaligheid het is om door Christus vergeving der zonden,
de gerechtigheid die voor God geldt, de vrede Gods en het
eeuwige leven te vinden. Maar ik bezat dat alles niet. Ik had
wel woorden der waarheid, maar niet de waarheid over het Woord.
Urenlang huilde, smeekte en riep
ik tot de Heer en vervloekte dit en dat. Duizendmaal heb ik
gewenst, de Heer zou mij maken tot een volgeling zoals eens
Paulus, Petrus en Johannes Zijn volgelingen waren".
(Citaat uit een brief van Lutz.)
Zo voer de gemeente van Lutz in
Karlshuld van de ene erkenning in de andere en ook hier evenals
in Schotland, klonk de stem der profetie.
De eerste profetie die in de
gemeente van Lutz klonk, door één van de twee eerder beschreven
broers, luidde: "Weet u niet, kinderen Gods, dat u in de laatste
tijd leeft. In de tijd waarin de Heer zal komen. Weet u niet,
dat de Heer, voor Hij komt, weer apostelen, profeten,
evangelisten en herders geven zal en gemeenten zoals in het
begin was".
Ook de profetie: "Ik wil u",
spreekt de Heer, "weer apostelen zenden en Mijn Geest
uitgieten, zoals in het begin", werd gehoord.
Al op 29 maart 1830 vernam Lutz
het gerucht dat de priester Seel van Weichering en Stark van
Zell hem bij de bisschop in Augsburg hadden aangeklaagd en
verklaard dat zij niet zouden rusten voor Lutz uit Karlshuld weg
zou zijn.
Met moeite kon Lutz enige mannen
uit zijn gemeente ervan weerhouden om naar Augsburg te gaan om
van de bisschop opheldering te verlangen. Lutz wilde afwachten
wat er zou gebeuren. Ondertussen gingen zijn tegenstanders door
om belastend materiaal tegen hem te verzamelen. Niet alleen om
hem als ketter te kunnen afschilderen, maar ook als politiek
rebel. Lutz schreef naar aanleiding daarvan: "Met net zoveel
tegenzin ik voor Rome een haar zou willen verliezen, zo graag
wil ik voor mijn koning mijn hoofd geven. Een christen wordt wel
een martelaar, maar nooit een revolutionair".
Weldra ontving hij het verzoek
om naar Augsburg te komen waar hij van 26 tot 30 april onder
leiding van de domkapittel Kiechle verhoord zou worden. Als
eerste punt werden tijdens het verhoor dogmatische vraagstukken
behandeld waarbij Lutz naar eer en geweten antwoord gaf en zich
onvoorwaardelijk stelde achter de paus als primaat van de kerk.
Een uitspraak die hij later ingetrokken heeft.
Toen werden hem de klachten van
zijn ambtsbroeders voorgelegd maar Lutz wist ze als leugens,
misverstanden of vergissingen te ontmaskeren.
Over Kiechle schreef Lutz: "Hij
won mijn liefde en achting. Hij kent het evangelie niet alleen
uit boeken maar ook uit ervaring. Hij behandelde mij met liefde
en begrip, wat mij ontroerde".
Nadat Lutz nog enkele
schriftelijke verklaringen had afgegeven werd hem op 11 juni
1830 de verzekering gegeven dat de bisschop volkomen gerust
gesteld was en dat verdere verhoren voorlopig niet nodig waren.
Wel werd hem verzocht onverkort
aan de kerkelijke leer vast te houden en alles te vermijden wat
opzien zou kunnen baren. Verder werd hij onder toezicht gesteld
van de geestelijke Mayr uit Hollenbach.
Gerustgesteld was Lutz echter
geenszins en hij voelde innerlijk dat de zaak hiermee niet
afgesloten zou zijn.
Meer dan ooit verdiepte hij zich
in de studie van de Schrift en de kerkgeschiedenis. Deze
periode, waarin hij rust uitstraalde, werkte zegenend op de
gemeente Karlshuld. Deze rust was echter maar uiterlijk.
Lutz was in verwarring en zijn
studie bracht hem steeds meer aan het twijfelen aan de juistheid
van de katholieke geloofsleer.
Aan een vriend uitte hij op 28
augustus 1830 als zijn mening dat aan de evangelieverkondiging
in de gemeente grote gebreken zaten, dat in de plaats van het
evangelie bijgeloof en geesteloze kerkgebruiken waren gekomen.
De rust na het verhoor in
Augsburg was slechts schijn. Een pastoor, wiens naam Lutz niet
noemt, verzamelde in het geheim nieuw belastend materiaal en
vroeg leden van de gemeente Karlshuld uit. Of hij nog wel eens
een kruis sloeg, de rozenkrans bidde. Terwijl Lutz zelf steeds
bezig was om dieper in het reine evangelie door te dringen
hechten zijn tegenstanders grotere waarden aan uiterlijkheden.
Lutz predikingen werden inhoudelijk dieper en ernstiger.
Dat alles had gevolgen bij zijn
gemeente-leden. Plechtig beloofden zij van hun zondige
levenswandel af te zien en te dienen en te leven naar Christus
voorbeeld. Velen ondertekenden een verklaring met deze
strekking.
In februari en maart 1831 begon
Lutz met lessen voor geestelijke verrijking. Er werd
gezamelijk gelezen in het Nieuwe Testament, Thomas a KempisEQ
\O(', ) "De navolging van Christus" en andere boeken.
Lutz stelde de regering en het
bisdombestuur op de hoogte van deze lessen. Het bisdombetuur
(ordinariaat) verbood deze lessen, de regering besloot ze te
dulden "zolang ze onder de leiding van de uitstekende vicaris
Lutz en zijn vervanger Ebenhoeck bleven", verlangde echter dat
de boeken voor gebruik werden goedgekeurd door de rechtbank van
Nuernburg en dat ook andere onderwerpen, van algemeen nut,
behandeld zouden worden.
Daarop verzocht Lutz het
bisdombestuur om het verbod op te heffen maar er kwam geen
antwoord. Zo vonden de lesuren plaats zonder bisschoppelijke
toestemming. Een verdere verwijdering van het katholicisme.
Dat was koren op de molen van
Lutz’ tegenstanders. Eén van hen verklaarde zich bereid alles te
betalen wat het zou kosten om Lutz uit Karlshuld weg te krijgen.
Lutz merkte dat alles wel maar reageerde er niet op. Wel
predikte hij in zijn gemeente steeds meer het wezen van het
christendom, over Christus en over de betekenis van het
apostelambt.
Het Mariabeeld werd uit de
Consistorie verwijderd en de Duitse liturgie werd ingevoerd, dit
alles in overleg met zijn gemeenteleden.
Vreemde geruchten werden
verspreid. Zo zou Lutz in binnen- en buitenland 40.000
aanhangers hebben, 36.000 voor een nieuwe kerk hebben en, indien
het bisdombestuur niet zou toegeven, apostolisch-katholiek
worden.
Let wel, dat alles was in 1831,
dus nog voordat de gebeurtenissen in Schotland in een
stroomversnelling waren geraakt.
Lutz zelf ging gebukt onder
zware aanvechtingen. Een breuk met de Rooms-Katholieke kerk werd
bijna onvermijdelijk.
Op 7 augustus 1831 ontving hij
een brief van een vriend die hem waarschuwde voor acties van
zijn tegenstanders. Deze vriend raadde hem aan zich voor de Heer
te verootmoedigen en om zijn verplaatsing te vragen. Deze vriend
was geen geringere dan de bisschop Riegg persoonlijk. Verder
schreef hij dat de regering Lutz verdienste erkende en een
bevordering zou goedkeuren. De grens tussen kerk en staat zijn
in Beieren altijd heel vaag geweest.
Het was waarschijnlijk de wens
van de bisschop zonder ophef Lutz te laten verdwijnen en de zaak
te sussen.
Lutz echter besloot in Karlshuld
te blijven. Hij wilde zijn gemeente in deze zware tijd niet
verlaten.
Op 10 augustus kwamen enkele
gemeenteleden bij hem die naar de bisschop in Augsburg wilde
gaan om toestemming te halen voor persoonlijk gebruik van de
bijbel, het gebruik van de Duitse taal in de eredienst en de
afschaffing van bepaalde katholieke ceremoniên zoals het gebruik
van wierook. Dat ging Lutz in eerste instantie te ver. Hij wilde
eerste afwachten wat de uitkomst zou zijn van het onderzoek dat
door het bisdombestuur tegen hem zou worden ingesteld.
Besloten werd dat, indien het
onderzoek zou plaats vinden, te verlangen dat de gemeente ook
gehoord zou worden.
Iets later vernam Lutz dat dat
inderdaad het geval zou zijn. Enigszins gerustgesteld ging hij
met vakantie.
Bij terugkeer vernam hij, ook
weer via geruchten, dat hij zonder onderzoek overgeplaatst zou
worden naar een plaatsje aan de grens met Tirol.
Inderdaad kwam op 15 oktober
1831 een overplaatsingsbevel naar Bayeroyen. Het decreet
bevatte de zinsnede "dat het Zijne Koninklijke Hoogheid de
koning het in zijn genade bewogen had, Lutz, met bijzondere
erkenning voor de verdiensten die hij jarenlang voor Karlshuld
had gehad, de parochie Bayeroyen te overdragen".
Lutz verzocht de Koning hem in
Karlshuld te laten en zijn gemeente richtte eveneens zoEQ \O(',
)n verzoek tot de koning.
Hetzelfde verzoek richtte Lutz
aan het bisdombestuur. Verder verblijf in Karlshuld werd hem
geweigerd met de mededeling dat hij bij aankomst van de benoemde
vicaris Baur, alle functies in Karlshuld zou verliezen.
Later ontving hij per
expresbrief de mededeling dat op 29 oktober Baur in Karlshuld
zou aankomen en dat hij de pastorie aan hem moest afstaan. Lutz
weigerde Baur toegang tot zijn huis en werd daarin gesteund door
de Landsrechtbank.
Toen het bisdombestuur echter
van de rechtbank eiste dat tegen de “Schwärmer” Lutz opgetreden
moest worden ontving hij van de politie bevel zich uit Karlshuld
te verwijderen en terug naar zijn geboorteplaats Burg te gaan.
Dat deed Lutz niet, hij trok
zich terug naar Untermaxfeld waar twee zusters van hem woonden.
Uiteindelijk werd er toch een
onderzoek naar het handelen van Lutz ingesteld. Dit onderzoek
werd niet begonnen op initatief van het bisdombestuur, maar door
hemzelf aangevraagd.
Tijdens zijn verblijf in
Untermaxfeld schakelde hij de advovaat Touissaint uit Augsburg
in om te appeleren tegen de uitwijzing uit Karlshuld. De
uitwijzing werd echter niet ongedaan gemaakt.
Hij vertrok toch niet naar zijn
geboorteplaats Burg maar vond onderdak bij de evangelische
azijnfabrikant Volk in Ausburg.
Ausburg.
Voordat hij vertrok gaf hij zijn
gemeenteleden in Karlshuld nog een verklaring in een boekje
getiteld “Worte der Ermahnung, der Bitte und des Trostes an
meine ehemaligen Pfarrkinder auf dem Donaumoose”.
.
Kort daarop had Lutz een
audiëntie bij koning Ludwig I in München die hem aanraadde naar
de parochie Bayersoyen te gaan. Lutz voelde echter dat hij niet
meer in de Rooms-Katholieke Kerk thuishoorde. Het onderzoek
tegen Lutz ging onverminderd door. Dat Lutz een vroom leven
leidde, het evangelie met liefde en duidelijkheid verkondigde,
dat alles kon niet ontkend worden. Dat Lutz staatsgevaarlijk zou
zijn kon ook niet waargemaakt worden.
Het onderzoek tegen Lutz moest
daarom afgebroken worden en de kosten kwamen voor rekening van
de staat.
EEN ANDERE RICHTING EN EEN
KENNISMAKING
Sinds een aantal jaren stond Lutz in
contact met een reizend prediker van de Herrnhuters, Enkelmann.
Ze hadden elkaar voor het eerst in december 1829 ontmoet en
Enkelmann schreef over deze ontmoeting: “dat men in het gesprek
met Lutz totaal vergat dat hij een katholiek priester is”.
Ook leerde Enkelmann vele van
Lutz gemeenteleden kennen.
Dat alles leidde ertoe dat Lutz
in september 1831 een verzoek deed om met zijn hele gemeente tot
de Broedergemeente (Herrnhuters) te mogen oevrgaan. Dat werd
door de centrale kerkleiding van de Broedergemeente afgewezen.
De Broedergemeente werd door
Beierse overheid niet erkend en men vreesde dat een verzoek tot
erkenning ter willen van de gemeente Karlshuld, afgewezen zou
worden omdat het de overgang van een hele Rooms-Katholieke
gemeente betrof.
Bovendien zou dat de
onderhandelingen met de regering van Saksen over erkenning
negatief kunnen beinvloeden.
Verder hadden de Herrnhüters
niet de financieële middelen om een gemeente van een dergelijke
omvang te kunnen stichten en te onderhouden.
Lutz werd de raad gegeven zicfh
met zijn gemeente aan te sluiten bij de Evangelische Kerk. Op 11
januari 1832 richtte Lutz aan het Oberkonsistorium in München
het verzoek om met zijn gemeente opgenomen te worden in de
Protestantse Kerk. Ook verzocht Lutz om opname als
Pastor-kandidaat.
Op 15 februari 1832 werd hij
inderdaad opgenomen in de Protestantse Kerk door de Dekaan
Gender in Augsburg,
Met Lutz ondernamen ruim 600
leden van zijn voormalige Rooms-Katholieke parochie in Karlshuld
deze stap.
In de periode van zijn afscheid
als RK-geestelijke in Karlshuld en de opname in de Protestantse
Kerk schreef Lutz de eerste vier delen van zijn boek over de
voorvallen in Karlshuld.
Op 9 april moest Lutz examen
afleggen om als Protestantse prediker te kunnen werken. Hij
sloot het examen af met de bijzondere opmerking “zeer goed”.
Als tekst voor de
proefpredikatie was gekozen Joh. 4:10-11 “Als u wist wat God wil
geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hem erom
vragen en dan zou hij u levend water geven. Maar heer, zei de
vrouw, u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan
levend water vandaan halen?”
Vervolgens werd Lutz getest over
zijn kennis van de kerkgeschiedenis, de exegese van het Oude en
Nieuwe Testament.
Als Protestants prediker werd
hij in Ansbach geordend en vanaf 1 juli als predikant in
Wassertrüding benoemd.
Deze benoeming echter aanvaardw
Lutz niet met als argument dat hij door het Landsgerecht van
Nürnberg onder toezicht was gesteld en dat hij nog steeds niet
van alle blaam gezuiverd was en dat een nieuw gerechtelijk
onderzoek tegen hem op gang werd gebracht.
Daarmee nam de leiding van de
Protestantse Kerk in Augsburg geen genoemen. Volgens hen zou
Lutz zich vanzelf rehabiliteren als eerzaam staatsburger als hij
de predikantenpost in Wassertrüding zou aannemen en dat hij
verder alleen maar te gehoorzamen had.
Deze brief van de Protestantse
kerkleiding kwam te laat …
Nu leerde Lutz ook een andere
kant van de Protestantse Kerk kennen.
Voelde hij de sterk
georganiseerde Rooms-Katholieke kerk met haar vele wetten en
voorschriften, met de inquisitie van waaruit een complete
kerkelijke rechtbank was gegroeid als een benauwd keurslijf, de
vergaande vrijheid in de Protestantse kerk waarbij elke
gemeente, elke voorganger een eigen separate kerk vormde, was
hem vreemd.
Hij vond er vele schakeringen
aan predikanten, van zeer ruimdenkend tot zeer behoudend en vaak
had de ruimdenkende lijn de orthodoxie (rechtzinnige lijn)
overvleugeld.
Juist deze vrijheid in het
preken had bewerkstelligd dat enige protestantse geestelijken
vele van de reformatorische waarden overboord hadden gezet.
Hoewel Lutz de aanvaarding van ambtsdrager in Ansbach had
afgewezen ging hij wel een bezoek afleggen bij de man di daar nu
dat ambt droeg. Ze hadden een prettig gesprek met elkaar tot
deze predikant aan Lutz vroeg wat hij geloofde over Jezus
Christus.
Lutz gaf ten antwoord: “Christus
is de Zoon van God”. Dat beaamde ook de predikant maar zei
verder: “Ja, maar zo is een ieder van ons een zoon van God. U en
ik zijn zonen van God”.
Toen Lutz daarover later met een
protestantse vriend sprak zei deze: “Onze geestelijken geven
altijd zulke antwoorden, de meesten van hen geloven niets”.
Dat alles was voor Lutz
aanleiding om afscheid te nemen van de Protestantse kerk. Zijn
verblijf daar was dus van korte duur. De ervaringen die hij dar
had opgedaan beschreef hij in zijn boek: “Prüfung des Geistes
unserer Zeit”.
Nu was Lutz dus totaal
ambteloos. Hij bezocht enkele van zijn Rooms-Katholieke vrienden
en het was vooral zijn oude vaderlijke vriend, de pastoor van
zijn geboorteplaats Burg die zijn terugkeer in de
Rooms-Katholieke kerk mogelijk maakte.
Ook de man die hem als
zielszorger van Karlshuld had opgevolgt, Pächtner, zette zich
voor Lutz in. Lutz maakte ook aan hen die hem naar de
Protestantse kerk wareen gevolgt duidelijk waarom deze terugkeer
nodig was.
We zullen de theologische
verhandeling die Lutz hierover schreef, waarin hij o.a.
verklaarde dat de Rooms-Katholieke kerk de rechtmatige opvolger
was van de kerk onder de apostelejn der oude tijd, verder loaten
rusten.
Op 16 november 1832 werd Lutz
weer opgenomen in de Rooms-Katholieke kerk. Na zijn terugkeer
werkte hij enige tijd onder de hoede van de priester
Lutzenberger en daarna als pastoor in Tafershoven en Unterroth.
In 1839 werd hem Oberroth als
standplaats aangewezen waar zijn eerrste werk was om de kerk die
in een bouwvallige staat verkeerde, te laten restaureren en een
pastorie met een schoolgebouw te laten bouwejn. In Oberroth kon
Lutz, wiens lichaam door de gebeurtenissen van de jaren daarvoor
danig was verzwakt, tot zegen dienen.
Het geduldig wachten van Lutz op
de vervulling van de profetieën die in Karlshuld gesproken
waren, was niet tevergeefs.
De vervulling van de profetieën
in Schotland, waaruit het Engelse apostelambt was voortgekomen,
zouden ook Lutz bereiken.
Hoe hem dat ter ore kwam
beschreef hij aldus:
“In 1842 schreef mijn vriend,
priester Leinfelder, mij vanuit Augsburg over een man die uit
Engeland kwam en die hem bezocht had. Een man vol wijsheid en
met een duidelijke uitleg van het goddelijk woord, speciaal met
betrekking tot de profetieën. Zulk een wijsheid en uitleg is bij
onze theologen nog niet aangetroffen. Mag hij ook jouw bezoeken?
Mijn antwoord was: Nee, hij mag
hier niet komen om mij te spreken. Er zijn zoveerl sekten in
Engeland en je weet dat ik die niet welgezind ben. De man
waarvan je sprak is mischien de leider van één zo’n sekte. Ik
heb al eens mijn vingers gebrand en wens dat geen tweede keer
meer”.
Leinfelder schreef terug: “De zaak is niet zoals jij denkt, er
is hier geen sprake van een sekte. Dat kan met een man die zo
hartelijk is en met zo’n karakter. Laat hem je bezoeken”.
Lutz stemde toe maar nam zich vast voor om niet te gaan
argumenteren.
De man die hem bezocht kwam uit Schotland en heette William
Caird.
Lutz kon het weldra goed met hem vinden en moest Leinfelder
gelijk geven. Caird’s uitleg van de heilige Schrift en van de
profetieën was voor Lutz een openbaring. Samen maakte zij lange
wandelingen waarbij ze elkaar veel te vertellen hadden. Lutz
waakte er echter voor om zich tegenover Caird volledig uit te
spreken.
Bij het afscheid spraken ze meteen af voor een volgende
ontmoeting. Bij deze tweede ontmoeting zei Lutz tegen Caird:
“Nu gaan we aan tefel ziten met de bijbel voor ons en beginnen
met bladzijde 1 tot en met het einde en je moet zolang bij me
blijven tot we klaar zijn”.
Uiteraard nam dat vele bezoeken in beslag. Het resultaat van dit
Bijbelonderzoek werd beschreven in het boek
“The purpose of God”.
Lutz was onder de indruk van Caird’s bijbelkennis, vooral omdat
Caird vele bijbelgedeelten uit het hoofd kende en niet alleen
met het verstand maar ook met zijn hart.
Lutz en Caird werden goede vrienden. Lutz, op zijn beurt, leerde
Caird veel over de Rooms-Katholieke kerk.
Lutz schreef verder: “Mr. Caird ging zeer omzichtig met mij te
werk en was zo verstandig niets te zeggen over het apostelambt.
Op een dag, toen we met de vierde hoofdstuk van de brief aan de
Efezen voor ons zaten,
spraken we over de ambten in de kerk zoals die waren in de
begintijd.
In de loop van het gesprek liet Caird zich de woorden ontvallen:
“In Engeland zijn er kerken zoals die er in het begin waren. Ik
was zeer verbaasd over deze uitspraak en vroeg om meer
bijzonderheden.
“Mannen vol van verstand”, was zijn antwoord.
Maar hoe worden dan die mannen vol van verstand dan genoemd,
vroeg ik verder.
“Apostelen”, zei Mr. Caird.
Wat, Apostelen, zei ik, is dat werkelijk zo? Ik wacht op
apostelen en het bijzondere werk van God in de kerk al veertien
jaar!
“U wachtte op aposteeleln?”, vroeg Caird verrast en
nieuwsgierig, “Waarom dat?”
Ik vertelde hem over alles wat er in Karlshuld voorgevallen
was.
“Wanneer zijn die profetieën
begonnen?” vroeg Caird.
Ik vertelde hem dat dat tegen
het einde van 1826 geweest was. Iets later was dat ook in
Schotland begonnen.
Lutz was zeer ontvoerd en
overtuigd van de hoogheiligheid van dit goddelijk werk. Niets
kon Caird verder nog verzwijgen. Alles wilde Lutz horen. Hij
hoorde over de roeping van de apostelen, het ontstaan van het
“Testimonium” en de aanbieding daarvan aan kerkelijke en
wereldse leiders.
In dat alles zag Lutz de hand
van de lieve God. Het viel hem niet moeilijk de zending der
Engelse apostelen te aanvaarden, hij had er veel te lang op
moeten wachten.
Uiteraard kon Lutz zijn mond
niet houden. In zijn preken in Oberroth sprak hij keer op keer
over het nieuwe apostelambt.
Ook onder zijn mede-priesters
getuigde hij over het apostelambt, maakte hen bekend met Caird.
Meer dan dertig priesters namen zijn getuigenis aan.
Natuurlijk kon tegenstand niet
uitblijven. De hele pers, zowel de kerkelijke als de
burgerlijke, viel over Lutz en het “Irvingisme” heen.
Maar ook de kerkelijke overheid,
die al het één en ander met Lutz had meegemaakt, greep in. In
een brief met als datum
4 okotober 1854 werd Lutz
beshuldigd van “Irvingisme”. Er volgde een briefwisseling over
en weer, vooral nadat er enkele publikaties verschenen waren die
door Lurtz en Caird gezamenlijk waren geschreven. Over dat
mede-auteurschap werd Lutz ondervraagd. Een fel debat volgde
over geloofszaken en Lutz’s vriendschap met Caird.
Er werd hem een lijst overlegd
met zeven punten inhoudende de erkenning van de R.K. kerkleer
als het enig zaligmakende, het primaatschap van de paus en de
onjuistheid van de apostolische leer. Lutz weigerde keer op
keeer deze lijst te ondertekenen. Daarop werd hij geschorst uit
de aktieve dienst.
Op 25 september 1856 kreeg hij
een bijzonder scherpe brief van de bisschop van Augsburg waarin
hem te verstaan werd gegeven óf loyaal katholiek te blijven óf
met “de secte” verder te gaan.
Uiteindelijk werd Lutz op 8
maart 1857 geëxcommuniceerd.
Met Lutz werden nog vijf andere
geestelijken w.o.. de Domvicaris Philip Jakob Spindler en 400
gelovigen geëxcommuniceerd.
Hoewel het de wens van Lutz was
te werken onder de leiding van de Engelse apostelen was hem
gevraagd daar te blijven waar God hem gesteld had, namelijk in
de Rooms-Katholieke kerk. Na zijn excommunicatie was dat
natuurlijk onmogelijk.
Spindler verbleef zes maanden in
Engeland om het nieuwe apostolische werk te onderzoeken.
Hij schreef enthousiaste brieven
aan Lutz waarin hij betuigde dat alles, de profetieën, de
roepingen, volgens hem werkelijk het werk van de lieve God was
middels de heilige Geest. Ook Lutz werd uitgenodigd om naar
Engeland te komen.
Drummond was vol interesse over
de gebeurtenissen die in Zuid-Duitsland hadden plaatsgevonden.
Lutz woonde vele diensten bij,
was getuige van het “spreken in tongen” en hij ontving de
heilieg Verzegeling.
Na zijn terugkeer in Duitsland
bezocht hij vele van zijn voormalige ambtsbroeders in Beieren en
raadde hen aan getuige te worden van het grootse werk dat in
Engeland begonnen was.
Het werkterrein, nu als
ambtsdrager in de Katholiek-Apostolische gemeente, was voor Lutz
Bazel.
Lutz’ liefde voor de gemente,
voor alle mensen, zijn godsvertrouwen en eerbied voor het
goddelijk werk, werd in een groot gebied bekend.
Eén voorbeeld van zijn
liefdesdaden die tevens zijn nauwe verbondenheid met de
evangelist Caird ullustreerd, willen we hier verhalen.
Op een dag, toen hij door de
weilanden van Bazel wandelde, zag hij een boer in gebed
geknield. Lutz ging op hem af en stelde vast dat de man in nood
verkeerde. Hij had zeer dringend 400 franc nodig maar wist niet
waar hij dat vandaan moest halen.
Lutz voelde sympathie voor de
man en wilde hem wel helpen maar wet hij ontving vanuit de kerk
was net voldoende voor het allernoodzakelijkst.
Hij bezat nog wel het gouden
ornament dat hij ontvangen had uit handen van de koning voor het
verdienstelijke werk in het Donaumoeras. Zonder aarzeling gaf
hij het aan de man, vertelde dat het van grote waarde was en
vervolgde zijn weg.
Mr. Caird, die net in die tijd
bij Lutz aan huis was geweest, was Lutz achterna gegaan en
ontmoette eveneens de boer.
Deze vertelde aan Caird dat een
vriendelijke heer hem het ornament had gegeven en dat het een
waarde van 400 franc had.
Caird betaalde het bedrag en gaf
het ornament enige tijd later aan Lutz terug die zeer verbaasd
was.
In het totaal verbracht Lutz 14
jaar in Bazel. Omdat hij vrijgezel was kan hij het zich
veroorloven nogal mobiel te zijn.
Darom was hij ook vaak in Zürich
om te dienen. In deze gemeente diende Lutz’ neef Egger als
voorganger. In Zürich bestond een kleine apostolische gemeente.
In 1869 bezocht Lutz zijn
voormalige woonplaats Augsburg. Ook daar was inmiddels een
kleine apostolische gemeente ontstaan. Ondanks zijn 68 jaren was
Lutz nog een energieke man met veel begrip en geduld voor zijn
medemensen.
Hoewel de meesten van zijn
vooormalige gemeenteleden in Karlshuld en Oberroth overleden
waren, had hij toch nog enkele ontmoetingen met oude vrienden.
Groot was de ontroering bij elke ontmoeting als bleek dat een
vroegere droom, een profetie, zich tot op de letter had vervuld.
Alleen de invitatie om naar
Karlshuld te komen sloeg Lutz af, hij wilde de Rooms-Katholieke
kerk geen ergernis bezorgen.
Zelf vergeleek Lutz dit bezoek
mjet het leven van Mozes die ook na veertig jaar zijjn volk
bezocht.
Karlshuld is een weerspiegeling
van Lutz leven geworden. Er staat een grote Rooms-Katholieke
kerk en een kleinere Protestantse kerk vlak bij elkaar. In
dezelfde straat, enige tientallen meters verder, een kleine
Apostolische Kapel.
In de volgende jaren bleef Lutz
jaarlijks zijn oude geboorteomgeving bezoeken. Hij diende daar
in Ulm, Geisslingen, Gerstetten en Altheim. Ook diende hij in
Stuttgart, Heilbronn en Nürnberg waar hij ook enige tijd woonde.
Op zondag 9 juli 1882 was Lutz
gekleed om naar de kerk te gaan en wachtte op het ontbijt dat
zijn huishoudster klaar maakte. Hoewel het niet langer duurde
dan anders maande hij har aan op te schieten, hij was rusteloos.
De hand van de engel des doods
had hem beroerd en toen de huishoudster het ontbijt binnenbracht
zat Lutz vredig in zijn armstoel en was ontslapen.
Zo eindigde het aardse bestaan
van een groot godsman die door diepe dalen was gegaan maar nooit
de godsvreze had verloren.
Zijn leven had bestaan uit
geven, medeleven met armen en verdrukten. Rustend in de machtige
liedesarmen van zijn hemelse Vader kan hij terugzien op een rijk
gevuld, gezegend en zegenrijk leven.
De gemeente Karlshuld is haar
“grote man” niet vergeten. Vooral de daar bestaande vereeniging
houdt de herinnering levendig.
Op 2 oktober 2004 werd de steen
op het graf van Johann Evang. Georg Lutz onthuld. Het
merkwaardige is dat op deze grafsteen vermeld staat dat Lutz
pastoor en predikant is geweest, maar met geen woord dat hij
later een apostolische dienaar was. De rede die bij de
onthulling van de grafsteen in Karlshuld (tegenwoordig een
plaats met moderne en luxe huizen. Ook de apostolische kapel is
verdwenen) laten we in vertaling volgen.
Zeer geëerde dames en heren en
geëerde gasten, ik mag u in naam van de KHV (=Karlshulder Hist.
Verein) bij de onthulling van de grafsteen van Joh. Evang. Georg
Lurz, hartelijk begroeten.
Voor de geschiedenis van Lutz en
zijn grafsteen, en de verbinding met Karlshuld, moeten we naar
het jaar 1826 teruggaan. De toenmalige katholieke gemeente
Karlshuld was voor alle katholieken van het westelijke
Donaumoeras verantwoordelijk en had toen al 939 zielen, maar was
sinds vier jaar zonder pastoor.
Toen in de zomer van hetzelfde
jaar de Augburger bisschop het noordelijke gebied van zijn
diocee bezocht en ook in de toenmaals beruchte Donaumoeras en
naar Karlshuld kwam, was hij diep getroffen door de armoede en
ellende die hier heerste. Op het dringende verzoek van een
geestelijke antwoordde hij: “Ja, u zult er een krijgen, en wel
de beste”, en dat was de vicaris Lutz.
Zo komt Lutz dan nog in
hetzelfde jaar naar Karlshuld, “het pastoorhutje was twee jaar
eerder afgebrand, de kerk, een nauwe hut door instorting
bedreigt en onbruikbaar”, zo bericht Lutz later. Op 27 augustus
hield hij de eerste godsdienst in de buitenlucht onder de wijde
hemel, als kansel diende een stapel hout. De evangelische
predikant Dr. Georg Pickel bericht later over Lutz: Hij was
werkelijke de juiste man in de Karlshulder omstandigheden en
ontvouwde een roerende activiteit ter religieuze, morele en
sociale vermeerdering van zijn gemeente”.
Wat de oorzaak van de nood en
armoede in Karlshuld betreft, wil ik een ooggetuige citeren
(volgt een citaat dat boven reeds is weergegeven).
Naast zijn werk in de zielzorg
verwierf Lutz zich buitengewone verdiensten in sociaal gebied,
dat in de geschiedenis van het Dounaumoeras behoorlijk heeft
ingegrepen. Zo gaf hij de schoolkinderen, waaraan te zien was
dat ze niet gegeten hadden, te eten – de pastoor was destijds
ook schoolmeester, en als zijn geringe vicarissalaris niet meer
voldoende was, ging hij naar zakenlieden in Neuburg om voor zijn
schoolkinderen te bedelen.
Toen de armoede en nood in de
winter 1829/30 in de gemeente een buitengewone hoge stand had
bereikt, liet hij een brief drukken en de oproep om geld te
geven. De brief werd op grote schaal verspreid. Deze brief werd
met onverwachts succes bekroond. Van alle kanten kwam er hulp en
werd het, voor toen geweldige bedrag, 6000 gulden opgebracht. De
gelden werden gebruikt voor de noodzakelijkste dingen; de
school, leningen aan kolonisten en handwerkers en de stichting
van een school- armen- en ziekenfonds. Voor deze sociale
activiteiten werd aan Lutz door koning Ludwig I, het
“Goldene-Civilverdienst-Ehrenzeichen” verleend.
Met heel veel ijver is Lutz ook
bezig met de zielzorg binnen zijn gemeente, hij vindt vele
aanhangers, maar ook vele vijanden die hem beschuldigen van
overdreven hervormingsstreven die als een valse leer en ketterij
werden omschreven. In april 1830 moet Lutz zich bij het
ordinariaat in Augsburg aan een verhoor onderwerpen en onder
toezicht gesteld van de pastoor van Hollenbach. In het voorjaar
van 1831 ontstaat in Karlshuld een religieuze jeugdvereniging en
nieuwe beschuldigen worden tegen Lutz ingebracht.
Op 7 october ontvangt hij een
verplaatsingsdekreet naar Bayersojen. Hij gaat daar niet op in
hoewel het een geweldige inkomenspositie zou betekenen
(jaarinkomen in Karlshuld 480 fl. in Bayersojen 1200-1500 fl.).
Maar hij wilde onder alle omstandigheden binnen zijn gemeente
blijven en richt daarom een schrijven aan de koning, dat
tevergeefs is.
Zijn laatste godsdienst in
Karlshuld is op 27 october en nog een godsdienstoefening in de
kapel te Obermaxfeld. De volgende dag moest hij de pastorie
ontruimen en begeeft zich naar Untermaxfeld waar hij sinds 1830
een huis heeft.
Op 17 december verzoekt hij het
ordinariaat om ontslag uit de katholieke kerk, en op 11 januari
1832 om opname in de Evangelische Kerk. Hij wordt in Ansbach
geordineerd en krijg in Wassertrüdingen een predikantenplaats.
Vanaf februari lopen tegen Lutz onderzoeken door de politie
wegens religieuze zweverige uitlatingen. Hij wordt voor het
landsgerecht Neuburg meerdere malen verhoord. Op bevel van het
landsgerecht wordt het verblijf in Karlshuld en omgeving
verboden.
Het uittreden van Lutz uit de
Katholieke kerk had tot gevolg dat van de ca. 1300 zielen, die
de Katholieke kerk toen telde, 600 zielen hem volgden. Van deze
hebben zich 462 in de Evangelische kerk van Untermaxfeld laten
inschrijven.
Omdat ook de Evangelische kerk
een terugkeer naar Karlshuld niet toestond, keerde Lutz haar de
rug toe en werd op 12 december weer in de katholieke kerk
opgenomen. Deze gebeurtenissen hadden natuurlijk het nodige stof
doen opwaaien, en het is te begrijpen dat beide kerken (de
Katholieke en de Evangelische) Lutz niet meer in Karlshuld
wilden hebben.
Met het besluit van de
appellatie-rechtbank van 15 februari 1833 worden de
onderzoekingen tegen Lutz opgeheven.
In Juni kwam hij nog eenmaal
naar Karlshuld en mocht een mis houden, waarin hij tot terugkeer
naar de katholieke kerk opriep. Niet iedereen volgde hem, 180
personen bleven evangelisch en legden daarmeee de grondslag voor
de huidige evangelische gemeente te Karlshuld.
Na zijn herintrede in de
katholieke kerk is Lutz als kapelaan en pastoor in verschillende
plaatsen werkzaam. In 1839 komt hij naar Oberroth, waar hij na
enige jaren dekaan wordt. In 1842 ontvangt hij bezoek van
William Renny Caird uit Schotland, een van de belangrijkste
wegbereiders voor de Katholiek Apostolische Kerk in Duitsland.
Zij schrijven het boek “Het raadsbesluit Gods” en om dit boek en
andere geschriften stelt het bisschoppelijk ordinariaat een
onderzoek tegen hem in. In 1855 wordt hem zijn ambt ontnomen en
zijn geschriften verboden.
Twee jar later wordt Lutz
geëxcomminiceerd, treed in de Katholiek Apostolische Kerk en
gaat als prediker naar Bazel en Bern en wordt daar later Engel
(Bisschop). In 1869 komt hij naar Duitsland terug, in enige tijd
in Augsburg en komt in 1870 meermalen in het Donaumoeras en
Untermaxfeld. Door sticht hij met bekenden en familieleden een
kleine Katholiek-apostolische gemeente die in Grasheim een
kerkje bouwen. De ouderen onder u zullen het Irvingianer- en
Lutzenkerkje nog gekend hebben. Deze geloofsgemeenschap kon zich
in het Donaumoeras niet verder ontwikkelen. Lutz had niet meer
de aantrekkingskracht van 40 jaar geleden. De nood en ellende
was grotendeels opgeheven. Ongeveer 100 personen had de
Katholiek-apostolissche gemeente in het begin, nam echter steeds
meer in omvang af en in 1926 zijn de godsdiensten stilgezet.
Vanaf 1876 is de woonplaats van
Lutz Esslingen en hij gaat in 1882 met pensioen, op 9 juli, op
een zondag, als hij al voor de kerkgang aangekleed is, overleed
hij aan een hartkwaal.
En nu kort naar de gechiedenis
van de garfsteen. Het KHV was het graf in Esslingen bekend en
van de steen is ook een foto in het archief. Aan het eind van
2003 vernamen wij dat de plaats van het graf in Esslingen
geruimd is. Naspeuringen brachten aan het licht dat de huidige
grafsteenmaker de steen in zijn bezit had. Deze wilde de steen
aan de vereniging afstaan, waarvoor onze bijzondere dank. Ons
bestuur was van mening dat de steen, als een stukje
gemeentegeschiedenis, van belang is en naar Karlshuld moest
komen. De Evangelische gemeente stond positief tegenover het
plan, en zo zijn we dan bij elkaar om de steen te onthullen.
Afsluitend richt ik woorden van
dank aan allen die hebben meegeholpen de grafsteen in Karlshuld
te krijgen, voor de reiniging van de steen, de financieeele
ondersteuning en hen die deze bijeenkomst muzikaal omlijsten.
Hoewel in deze rede veel werd
verhaalt van wat boven al was geschreven, lijkt het van belang
om erop te wijzen hoezeer de geschiedenis van bijna 200 jaar
geleden, nog in het Donaumoeras, in Karlshuld, leeft.
HET TESTIMONIUM DER ENGELSE
APOSTELEN
Om de samenhang te bewaren is in
het vorige hoofdstuk het verloop van de gebeurtenissen in
Zuidduitsland als één geheel beschreven.
Nu gaan we weer terug naar
Engeland en verplaatsen we ons ook weer even terug in de tijd en
gaan zelfs nog even de oceaan over. Nadat de Engelse apostelen
zich op het landgoed Albury hadden terug getrokken, alleen als
een bezoek aan één der gemeenten noodzakelijk was verlieten zij
Albury, werd een begin gemaakt met ernstige bijbelstudie. Dat
gebeurde samen met de zeven Profeten. Over deze periode schreef
Carlyle: "Wij trokken ons terug om rustig samen te blijven in
gezelschap van enige der belangrijkste mannen onder hen die
profeteren en de geheimen van de Heilige Schrift kunnen
verklaren. We lazen gezamelijk de hele Heilige Schrift door,
waarbij we onze gedachten uitwisselden en steeds nieuwe
inzichten ontvingen door de profetische stemmen. Alle
verborgenheden van de kerk en haar betekenis, de godsdienst,
de orde - alles werd ons verklaard door profetieën. Bij het
lezen van het Oude Testament werden verborgenheden geopenbaard
die wonderbaar waren.
We werden gewaarschuwd voor de
zonden en gevaren, we werden getroost door beloften die anderen
niet begrijpen of geloven. De geschiedenis van het christendom,
haar huidige toestand en haar toekomst werd door het profetisch
licht verklaard.
Zo werden wij uit de
onwetendheid tot de kennis van het raadsbesluit van onze God
geleid. Door dit alles werd de Heilige Schrift voor ons met
lichtstralen gevuld. Niets werd erkend en gedaan zonder
overeenstemming met het geschreven woord. Want wij verwachten
geen nieuwe openbaring, maar licht over de Openbaring Gods die
al gegeven is".
Nu werd ook een begin gemaakt
met de samenstelling van een getuigenis (Testimonium) over het
nieuw apostelambt en het spoedige wederkomen van Jezus.
Woodhouse schreef in "A narrative of events" over het ontstaan
van het Testimonium:
De heilige Geest, werkende door
de profeet, verklaarde dat de kerk der gehele christenheid in
verval was geraakt, dat ook de heersers over de staat van God
waren vervreemd en dat de tijd van het Oordeel nabij was.
Nu al stonden de woorden "Mene
mene tekel perez" op de christelijke instellingen geschreven.
De Heer wilde echter een
getuigenis aan de hoofden in kerk en staat afleggen en gaf
daartoe de Engelse apostelen de opdracht. Tijdens de vele
woorden die over deze aangelegenheid geuit werden werd
uitdrukkelijk gezegd dat de zorg over deze landen lag op de
apostelen. Zij zouden nu de last van hun hart wegens de zonde
van het land en zijn regeerders en van de hele christenheid,
apart opschrijven en hun opstellen aan de eerst geroepen
apostel Cardale geven. Deze opstellen moesten door hem tot één
geheel verwerkt worden en het aldus ontstane geschrift moest
door de Apostelen aan de hoofden der kerk en staat worden
overhandigd.
Als eerste werd een geschrift
van 71 bladzijden op de raadsvergadering van kerstmis 1835
door Cardale voorgelezen en aangenomen. Dit geschrift werd
begin 1836 aan William Howley, de Aartsbisschop van Canterbury,
door de Drummond en Woodhouse overhandigd, daarna aan alle
bisschoppen en geestelijken van de Anglikaanse kerk. Spencer
Perceval schreef een versie van 45 bladzijden over de toestand
van de staat en het Engelse volk. Drummond en Perceval konden
het document op 18 april 1836 persoonlijk aan koning William IV
overhandigen.
In de zomer van het jaar 1836
werd door een profetie van Drummond gevraagd een getuigenis op
te stellen voor de gehele christenheid in kerk en staat.
Weer leverden de apostelen hun
bijdragen die door Cardale, met de beide reeds verschenen
getuigenissen tot één geheel werden verwerkt. Met wijzigingen,
voorgesteld door de Raadsvergadering, verscheen de definitieve
versie in de zomer van 1837.
Het werd vertaald in Latijn,
Frans en Duits. Later ook nog in het Deens en Spaans zodat de
gedrukte versie pas in de zomer van 1838 beschikbaar was.
Koning William IV blijkt het
Testimonium dat voor hem bestemd was ook werkelijk gelezen te
hebben.
Uitdrukkelijk schreef Woodhouse
in zijn "Narrative ..." :
De uiteindelijke bedoeling van
God met het Testimonium was niet de afschaffing of vernietiging
van de waardigheid en autoriteit van koningen en priesters,
maar juist het tegenover gestelde, hen te voeren tot een juist
en legitiem gebruik van hun autoriteit die zij ontvangen hadden
van God om de mensheid voor te bereiden op Zijn wederkomen.
Een uittreksel uit het
Testimonium zoals dat samengesteld werd door Cardale in overleg
en onderling goedkeuren der Engelse apostelen in het jaar
1838:
De aanhef van het epistel luidt:
Aan de patriarchen,
aartsbisschoppen, bisschoppen en andere hoofdbestuurders in de
kerk van Christus over de gehele aarde., en aan de keizers,
koningen, souvereine vorsten en opperhoofden der Natiën van de
gedoopten.
In de naam des Vaders en des
Zoons en de heilige Geest, één God, Amen.
De kerk van Christus is de
gemeenschap van allen, zonder onderscheid van tijd of plaats,
die in de Naam des Vaders en des Zoons en de Heilige Geest
gedoopt en door hun doop van alle andere mensen afgezonderd
zijn.
Eén lichaam (Ef. 4:4). De pilaar
en grondvest der waarheid (1 Tim.3:15). De woonstede Gods. De
tempel van de Heilige Geest (2 Cor. 4:16). De verklaarster van
Gods wil voor alle mensen. De bewaarster van Gods woord en
instellingen.
In haar wordt alle ware
aanbidding gebracht die God van Zijn kinderen ontvangt. Door
haar zijn al die zegeningen aangebracht in het maatschappe-
lijk en huiselijk leven, waardoor de christenheid van andere
volkeren wordt onderscheiden. Zij bevat de enige hoop voor de
mensheid, is eveneens het enige middel ter vervulling van dat
raadsbesluit, waarop God wacht en waarop het schepsel
reikhalzend wacht (Rom. 8:19).
Zoals de kerk de vereniging is
der gedoopten, zo is de christenheid de gemeenschap van de
natiën, die als volk het geloof der kerk Christi belijden en
wiens hoofden en bestuurders niet alleen erkennen, dat zij al
hun macht aan God ontlenen waardoor zij hun wijding over hun
volk in Gods kerk ontvangen hebben, maar tevens daarmee
aanvaarden dat zij hun tronen beheren voor Christus, totdat Hij
komt om het Koninkrijk in bezit te nemen. Die door het aannemen
van de zalving, uit de hand van Gods priesters, ook hebben
erkend dat hun bekwaamheid tot regeren voort komt uit de genade
van Zijn Geest, hun door Zijn kerk toebedeeld en die in
diezelfde heilige daad zich en hun volk metterdaad, of althans
uiterlijk, hebben overgegeven om onderwijs in Gods wegen te
ontvangen van de lippen van hen, wiens handen hen gezalfd
hebben.
De christenheid is één geheel,
één lichaam, van alle andere volkeren der aarde afgezonderd,
omdat zij de leer van Jezus Christus erkent als de grondslag van
het internationaal recht en onderling verkeer. Van alle andere
volkeren hierin verschillende dat zij door hun wettige hoofden,
als staten, in verbond met God zijn gebracht, en dus aanspraak
hebben op alle zegeningen. Dat ze zijn verantwoordelijk zijn
voor alle verplichtingen en blootgesteld aan alle oordelen, die
uit zodanig verbond voortvloeien of volgen.
De eeuwige en onveranderlijke
God, die in den beginne vanuit de duisternis beval dat het licht
zou schijnen, heeft zich in al Zijn bemoeiïngen met de mensheid
steeds dezelfde God betoond, barmhartig, genadig en
vergevingsgezind. En altijd wanneer de mensen door hun
ongerechtigheden ellende over zichzelf hebben gebracht, is Hij
in de angstigste uren hun nabij geweest. Niet alleen om hen uit
de bestaande nood te redden, maar om hen dieper te leiden in
Zijn raadsbesluit van barmhartigheid en genade.
Toen de mens gezondigd had en de
ganse schepping daardoor tot onherstelbare ondergang gebracht
scheen, was Hij meteen bereid om de belofte van verlossing te
geven en wel in het zaad van haar, die in de zonde was
voorgegaan.
Toen later de zonen Gods zich
verdorven hadden, en de wereld der goddelozen rijp was ter
verdelging, beval Hij Noach een ark tot redding van zijn gezin
te bouwen. Na de zondvloed, toen de mensen de aanbidding van de
waarachtige God hadden vergeten, riep Hij Abraham en zijn zaad
om Zijn getrouwen te zijn temidden van de omringende afgoderij.
En is niet juist nu de tijd,
waarin God zich zal opmaken om Zijn volk te bezoeken. Om Zijn
stem te verheffen tot allen die getrouw gebleven zijn temidden
van de alles overstromende goddeloosheid?
Nu wij van alle kanten de zee en
de watergolven groot geluid horen geven (Luc. 21:25), nu
degenen, die in hun hart overleggen dat de tijd gekomen is om
alle tronen omver te werpen en Gods altaren om te stoten, zich
opmaken tegen alle geloof en alle eerbied en beraadslagen tegen
de gezalfde des Heren; nu de mensen het hart bezwijkt van vrees
en verwachting van de dingen, die over de aarde zullen komen,
zal dan God, die dezelfde is als altijd, die Zijn kerk nooit
verlaat, Zich niet opmaken om de dwaasheid van het volk te
bestraffen? Om het hart sterken van Zijn kinderen die naar Hem
opzien om hulp? Om bezoeking te doen voor de ongerechtigheid en
om scheiding te maken tussen de reinen en de onreinen? Bovenal,
zal Hij niet verschijnen tot hulp van de gezalfde priesters van
Zijn altaar en van de gezalfde koningen der christenheid, hun de
verzekering vernieuwende, dat Zijn macht hun deel is tot
vervulling
van al hun plichten. Terwijl de
poorten der hel de kerk van de levende God schijnen te
overweldigen, was het geen ijdel woord, waarmee Jezus Christus,
onze Heer, van Zijn discipelen afscheid nam: "Mij is gegeven
alle macht in hemel en op aarde, en zie, ik ben bij U al de
dagen tot aan s'wereld einde" (Matth. 28:18-20).
Niemand kan de vreselijke
gevaren in twijfel trekken, die u van alle kanten omringen en de
dringende behoefte aan steun en raad die God kan geven. Wij
kunnen toch niet ontkenen: het verwijderen van alle oude bakens,
het opbreken van alle ordeningen des levens, het verdwijnen van
eerbied voor wie de Heer in enig bestuur heeft gesteld, bij
kinderen tegenover hun ouders, bij dienst doenden tegenover hun
heren, bij onderdanen tegenover hun overheid. Of als men kijkt
naar de verachting van het priesterlijk ambt en de ontkenning
van Gods heiligste daden.
Het kan niemand onbekend zijn,
hoe velen het christelijk geloof haten, hoe velen nog meer het
met vereende krachten aanvallen omdat het een bolwerk is van
alle regering en openbare orde. In vele heilloze verenigingen,
worden zelfs schijnbaar godsdienstige mensen meegesleept. Ze
laten zich meeslepen door de valse beginselen van een niet in
wezen, maar in schijn bestaande vrijzinnigheid. Ze werken samen
met ongelovigen tot omverwerping van de christelijke
staatsregeling der Europese natiën, van de vereniging van kerk
en staat. Niet alleen daar waar door ontaarding van die bond de
kerk tot dienares van de staat vernederd is, of de staat aan het
priesterschap onderworpen is en deze zich het staatsgezag
heeft aangematigd, maar zelfs waar ze bestaat in de rechtmatige
vorm. Ja, in elke vorm waar nog enige invloed of tussenkomst in
de aangelegenheden van menselijk beheer is verbleven aan de
Godsdienst. En onder degenen die niet geschaard staan in de
gelederen der aanvallers. Hoe weinigen van hen verstaan de aard
van de christelijke roeping, het gezag van de christelijke
priester of de waardigheid van de christelijke koning?
Het regeren "door Gods genade"
de oude titel der christelijke koningen, is nog als vorm in de
meeste staten behouden. Maar bij hoe weinigen is het meer dan
een verouderd gedenkstuk, een laatste overgebleven flikkering
van dat bewustzijn der verplichtingen, waarvan het bestaan
vroeger erkend werd door de regeerder ten opzichte van God en
Zijn kerk, door de onderdanen ten aanzien van ChristusEQ \O(', )
stadhouder.
Het gevaar van de tegenwoordige
tijd bestaat niet alleen in de vorderingen die het werk der
verwoesting en ontbinding reeds heeft gemaakt, maar in de
algemene vergetelheid van wat de christelijke kerk is en wat een
christelijke staat is. Een verbond der natie met God.
Als de gezalfde koning en de
gezalfde dienaren Gods gewillig instemmen met de goddeloosheid,
met de losbandigheid op maatschappelijk en godsdienstig gebied,
als zij uit een vals beginsel van eerbied voor de openbare
mening of uit gemakzucht of om werelds voordeel en eer er in
toestemmen, afstand te doen van hun plaats als de ordening Gods,
als zij het volk erkennen als de bron van hun gezag en dit
uitoefenen in gehoorzaamheid aan de telkens wisselende stem
des volks, of als de priesters Gods er in bewilligen op te
treden als de dienaren, niet van een kerk maar van een der vele
sekten die in de tempel zijn toegelaten, welks afgod onder de
voorwerpen van pantheïstische verering dezer eeuw een plaats
heeft ingenomen. Als de regeerders in de staat het hun van God
toevertrouwde gezag willen oversluieren door de aangematigde
majesteit van het volk en niet regeren volgens Gods wetten, die
eeuwig zijn, maar met een doeltreffend genoemde meegaandheid
(steeds veranderlijk omdat het van de wispelturige volksbeweging
afhangt).
Als sommigen in deze noodlottige
valstrik gevallen zijn en zich niet willen bekeren van hun
ongerechtigheid, voor zover dit in hun vermogen is, de dwaling
hunner wegen goed te maken en tot God opzien, dat Hij hen
bevrijde van de dienstbaarheid, waarin zij zich gesteld hebben
onder degenen over wie zij moesten heersen: dan heeft het kwaad
inderdaad de hartader van het leven aangetast. Dan is God niet
alleen verworpen, maar verraden. Dan blijft Hem niets over dan
de fiolen van Zijn verterende oordelen uit te gieten.
Want de bron van alle gezag is
God, niet het volk.
Reeds in de meeste landen van
Europa is de hand van heilig schennenden roof aan het eigendom
der kerk geslagen. De eerste daad van die aard heeft het
voorbeeld voor alle volgenden gegeven.
De eerste buit heeft de honger
nog meer gewekt. En die geest van aarzelend toegeven, die
tegelijkertijd de omwil verraadt van de gezaghebbende tot
inschikkelijkheid en hun onbekwaamheid tot weigeren, heeft geen
ander gevolg dan de opeenhoping van bouwstoffen voor nog grote
onheilen. De diepere en zekerder ondermijning van de
fundamenten, de vermeerdering van de macht van het kwaad en de
aanwakkering van de lust daartoe; totdat de vloed der boosheid,
niet meer te stuiten is, elke zwakke dam zal doorbreken en in
ontembare vaart elk gevoel van trouw, alle overblijfselen van
vroomheid en vreze Gods onder het hele volk zal wegvagen.
Dan wordt er gewaarschuwd voor
de naderende onheilen die te verwachten zijn.
"Mené, mené, tèkel,
ufarsin”. En dit is de
uitlegging der woorden: Mené, dat is: God heeft uw koninkrijk
geteld en er een einde aan gemaakt; tekèl, dat is: men heeft u
in een weegschaal gewogen en gij zijt te licht bevonden; perès,
dat is: uw koninkrijk is verdeeld en de Meden en Perzen
gegeven" (Dan. 5:26-28).
Dit staat nu beslist op elk
aards instituut, wereld of kerkelijk, geschreven. Zoals eertijds
op de paleismuren van de koning van Babylon.
Als er geen redding te bereiken
is, dan moet God de oorzaak van het onheil wegnemen en de weg
ter redding wijzen. Want deze dingen zijn Gods gerecht over hen
die Zijn weg en werk verlaten hebben.
Wij beleven geen tijd van
onwetendheid; de wetenschap is vermenigvuldigd (Dan. 12:4), alle
vakken daarvan met uitzondering alleen van de kennis van God en
Zijn wegen; terwijl Zijn vreze, die het beginsel der wijsheid is
(Spr. 9:10) van de aarde verdwijnt.
En toch is er nog een toevlucht,
een veilige schuilplaats, een binnenste heiligdom, een vesting
en beschutting en dat toevluchtsoord, dat heiligdom is in Zijn
kerk.
Maar dat kan alleen bereikt
worden als men terugkeert op de oude paden waarvan men sinds
lang afgeweken is (Jer. 6:16).
Moge Zijn genade met u zijn,
opdat u hoort en verstaat!
Vervolgens wordt erop gewezen
dat God slechts het goede voorheeft met de mensheid. Hij werd
mens onder de mensen. Hij nam het zaad Adams aan. Zijn
raadsbesluit zal vervuld worden.
En hierin heeft God Zijn
rechtvaardigheid geopenbaard, omdat hij rechtvaardig is en
gerechtvaardigd degenen die uit het geloof van Jezus zijn. Want
door Zijn heilig leven heeft de Godsmens zich bewezen als een
onschuldig en onbevlekt Lam (1 Petr. 1:19). Door Zijn dood heeft
Hij een allesverzoenend offer voor ons gebracht.
Hij heeft geleden voor de
zonden. Hij is rechtvaardig voor de onrechtvaardigen (1 Petr.
3:10). Hij is de verzoening voor onze zonden en voor de zonden
van de gehele wereld (1 Joh. 2:2). Hij heeft ons voor God
gekocht, niet met goud of zilver, maar met Zijn eigen dierbaar
bloed. Daarom heeft de Vader Hem ook uitermate verhoogd en alle
mensen de verzekering gegeven, dat Zijn offer voor ons is
aangenomen, omdat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt en aan
Zijn rechterhand heeft gesteld.
En verhoogd zijnde, heeft Hij
van de Vader de belofte van de heilige Geest ontvangen (Hand.
2:33). Hij schenkt die aan degenen die geloven, opdat zij
medegebouwd worden tot een woonstede Gods in de Geest (Ef.
2:22). Dat zij als levende stenen gebouwd worden tot een
geestelijk huis. Tot een heilig priesterdom om geestelijke
offeranden te offeren die God aangenaam zijn door Jezus
Christus (1 Petr. 2:5). Weet gij niet, o gij gedoopten, dat Uw
lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in U is, die gij
van God hebt en dat u van uzelf niets bent. Want gij zijt duur
gekocht, zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest,
welke Godes zijn (1 Kor. 6:19).
Deze verborgenheid is groot,
doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente: "O
heerlijke verborgenheid van de roeping der kerk, van Zijn vlees
en Zijn benen te zijn, hoewel van Hem onderscheiden en
afzonderlijk, steeds oneindig minder met opzicht tot de
waardigheid van Zijn goddelijk persoon, en toch voor eeuwig tot
Zijn troon verheven en de deelgenoot Zijner heerlijkheid.
Onbegrensde nederbuiging voor de aanbiddingswaardige Zoon Gods,
om voor ons door Zijn eigen offer en lijden, zichzelf voor te
stellen als een gemeente zonder vlek of rimpel! Dat zal vervuld
worden in Zijn vergaderende heiligen en de stem, als van sterke
donderslagen, zal uitroepen: "Halleluja! Want de Heer, onze God,
de almachtige, heeft het rijk aanvaard. Laat ons verheugd en
vrolijk zijn en hem de eer geven: want de bruiloft des Lams is
gekomen en Zijne vrouw heeft zichzelf bereid (Openb. 19:6-7).
En de tijd moet komen, waarin
dit woord vervuld zal worden, want het staat geschreven in het
boek der waarheid, van de toekomstige heerlijkheid der kerk. Het
is haar hoogste plicht, de hoop van deze heerlijkheid vast te
houden. Te jagen naar bereidheid om haar Heer, haar Bruidegom,
te ontmoeten. Met smachtend verlangen uit te zien naar het
verschijnen van Hem, die thans ter rechterhand des Vaders zit.
Waar Hij heen is gegaan om plaats te bereiden voor Zijn
discipelen. Hij zal wederkomen om hen tot zich te nemen, opdat
zij ook zijn mogen waar Hij is (Joh. 14:3) Zijn heerlijkheid
aanschouwende met Zijn heerlijkheid bekleed (Joh. 17:22-24),
want wij zullen Hem gelijk zijn. Wij zullen Hem zien zoals Hij
is
(1 Joh. 3:2). Zoals een vrouw in
barensnood (dat is het beeld dat de Heer Zijn discipelen
profetisch gedurende de tijd van Zijn afwezigheid schildert).
Zoals een vrouw, wanneer zij baart, droefheid heeft omdat haar
uur gekomen is, zo zouden ook zij droefheid hebben, tot ze Hem
weer zien. Dan zou hun hart zich verblijden en niemand zou hun
blijdschap van hen wegnemen (Joh. 16:21-22).
Dat is het eeuwige voornemen van
God met Zijn kerk. De middelen om dit voornemen te volvoeren, de
middelen waardoor de mens, in zonden geboren en ontvangen zal
deze zaligheid deelachtig worden. Deze middelen laten zich onder
twee hoofden samenvatten: de sacramenten des levens en de van
God verordineerde bedieningen tot vervulling van dat leven.
Deze twee komen overeen met het
zoëven aangetoonde tweevoudig voornemen van God. Zijn voornemen
namelijk met de mens en met de kerk als het lichaam van
Christus, de Bruid, die voor Zijn komst moet worden toebereid.
Eveneens komen zij overeen met het tweevoudige werk van Jezus op
aarde. Zijn leven in het vlees, waarin Hij ons een voorbeeld
was. Heilig, onschuldig, onbesmet, afgezonderd van de zondaren.
Het getuigenis dat Hij van God
aflegde als degene die de Vader openbaarde, diens werk
verrichtte, diens boodschap verkondigde, het evangelie predikte
en de genade verkondigde.de tweede Adam is.
De sacramenten die door Jezus
Christus zijn ingesteld staan rechtstreeks en onmiddellijk in
betrekking tot het leven dat God ons door Zijn Zoon geschonken
heeft.
Maar deze heilige sacramenten
kunnen volgens de wet van Gods kerk alleen door degenen worden
bediend, die daartoe de volmacht hebben verkregen. Deze volmacht
kan alleen door de Heer Jezus Christus, het Hoofd der kerk,
verleend worden, hetzij direct, hetzij door tussenkomst van hen
van wie Hij Zich bedient tot uitdeling van zodanige volmacht.
Zo komen we tot de tweede soort
van middelen, waardoor Gods raadsbesluit in de kerk wordt
uitgevoerd, n.l. tot die van God bestelde bedieningen, waardoor
Jezus Christus de Heer in Zijn kerk arbeidt tot volmaking der
heiligen en tot een getuigenis aan de wereld.
De kerk, haar wezen is geen
andere dan zoals Hij het in Zijn woorden beschrijft. Geen
verzameling, geen bond, geen vereniging of gezelschap of welke
namen er ook zijn is de kerk als die naar Zijn wil is ingericht.
Apostel Paulus geeft ons, wel
niet in een volledig betoog, doch op verschillende plaatsen in
zijn eerste brief aan de Korinthen en de brief aan de Efezen,
een volledig en duidelijk beeld, hoe Gods kerk ingericht moet
zijn. Hoe God deze gevormd heeft.
1. Kor. 12 handelt over de
verschillende gaven des geestes in de leden van de gemeente dat
Paulus vergelijkt met het menselijk lichaam, dat vele leden
heeft maar al deze leden vormen dat ene lichaam.
Ontbreekt één lid dan is het
lichaam niet compleet. Daarna zegt hij: "Gij nu zijt het lichaam
van Christus en leden, elk naar zijn deel. En God heeft gesteld
in de gemeente ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten
derde leraars, daarna wonderdoeners, daarna gaven om gezond te
maken, helpers, regeerders, menigerlei talen" (1. Kor.
12:27-29).
In de brief aan de Efeziërs
leert de Apostel, hoe de eenheid zal zijn. Ze is geroepen tot
éénEQ \O( , )hoop, één Heer, één geloof, één doop. Eén God en
Vader van allen.
Die is boven allen en door allen
in u allen. Maar aan elk van ons is de genade gegeven naar de
mate der gave van Christus.
Daarom zegt Hij, als Hij
opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen
genomen. Heeft de mens gaven gegeven. "Sommigen tot apostelen en
sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot
herders en leraars"; opdat de heiligen bereid zouden worden tot
het werk des ambts, waardoor ChristusEQ \O(', )lichaam opgebouwd
wordt. Totdat wij allen komen tot de eenheid des geloofs en der
kennis van Gods Zoon, en een volwassen man worden, naar de maat
van ChristusEQ \O(',') volkomen ouderdom. Opdat wij niet meer
kinderen zouden zijn, als golven bewogen en geslingerd door
allerlei wind der leer, door bedriegerij der mensen en
arglistigheid, waarmede zij heimelijk aankomen om te verleiden.
De waarheid betrachtende in liefde, wassen in alle delen van hem
die het hoofd is, Christus. Uit wien het gehele lichaam,
samengevoegd en verbonden door alle gewrichten, die elkander
handreiking doen naar het werk van elk lid in zijne mate, de
wasdom des lichaams verkrijgt tot zijn opbouwing in liefde (Ef.
4:4-16).
Daarom ook dat de Heer Jezus
Christus, die de Vader openbaart, (want wie Hem zag, zag de
Vader (Joh. 14:9-10)) in Zijn wandeling op aarde, al deze
bedieningen in zich verenigende. Hij was de Apostel onze
belijdenis (Hebr. 3:1), de van God gezondene (Joh. 3:34).
Vervuld met de wijsheid Gods met woorden van wijsheid en
heilige leer. Met wijsheid van wandel en bestuur; Hij was de
Profeet machtig in woorden en in werken (Hand. 3:22, de
openbaarder der verborgenheden Gods. De verklaarder van Zijn
woord; Hij was de Evangelist, die de armen de blijde boodschap
predikte, de gezalfde heelmeester der zieken (Jes. 61:1), der
gewonden, verlamden, verslagenen.
Hij was de Goede Herder, die
Zijn leven liet voor de schapen en de van God gezonden leraar
(Joh. 10:11).
Op dezelfde wijze wil God thans
door Jezus Christus geopenbaard worden in Zijn lichaam, de kerk.
Christus zelf zit ter rechterhands Gods. Hij alleen bezit de
volheid en verenigd in Zich de Goddelijke heerlijkheid. "Want
het is Gods welbehagen geweest, dat in hem alle waarheid wonen
zou" (Col. 1:19) en "En uit zijne volheid hebben wij allen
genomen, en wel genade voor genade" (Joh. 1:16).
"Want gelijk wij in één lichaam
vele leden hebben, maar niet alle leden énerlei werking hebben,
alzo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar onder
elkander is de één des anders lid; en wij hebben menigerlei
gaven, naar de genade die ons gegeven is" (Rom. 12:4-6).
Daaruit volgt dat alle vier
ambten waardoor God werkt en die in Jezus Christus verenigd
waren, in Zijn kerk door verschillende leden uitgeoefend moeten
worden. En zoals Hij in het begin door deze ambten in Zijn
persoon de wereld getuigenis gaf, Zijn kinderen verzamelde en
die Hij zegende en troostte, zo wil Hij ook in Zijn kerk tot aan
EQ \O(', )s werelds einde getuigen, verzamelen en zegenen. Maar
dat alles niet door het werken van één persoon, want dan zou
deze drager van de volheid zijn die alleen Jezus Christus kon
zijn, veel meer daardoor dat Hij de veelvoudige ambten aan
verschillende leden schenkt. Zo kan ieder zijn eigen opgave
vervullen en zich geen andere aanmatigen.
Anders zouden de eigenschappen
der verschillende leden verloren gaan en het ene lid zou tot het
andere kunnen zeggen: "Ik heb u niet van node" (1 Kor. 12:21).
Want de kerk is geen fantasiebeeld, ook is het geen lege
beeldspraak als ze "het lichaam Christi" heet. De kerk is
werkelijk zichtbaar, voelbaar, begrenst. Een gemeenschap van
mensen. Ze staan in verschillende betrekkingen tot elkaar en tot
Hem, hun Hoofd. Maar ze zijn tot zo een waarachtige en
werkelijke eenheid gebracht dat het menselijke lichaam
daarnaast onvolkomen lijkt.
Ja, slechts een uiterlijk beeld,
een afschaduw van de kerk. Deze zelf is het grote origineel van
de goddelijke gedachte.
Evenmin als de gaven, die Hij
voor de mensen ontvangen heeft en aan mensen heeft gegeven,
onpersoonlijke invloeden of ideeën zijn, maar het zijn zelf
levende mensen die vanuit de kracht die in Hem is, de zegen
afdragen. Door hen wordt in Zijn kerk de werking van de Heilige
Geest duidelijk.
Daarom zegt Apostel Paulus: "En
hij heeft sommigen tot apostelen gegeven; en sommigen tot
profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders en
leraren" (Ef. 4:11).
Deze ambten zijn niet alleen
gegeven voor een tijd die al voorbij is. Het doel waartoe ze
geven werden was nog niet bereikt en kan alleen door hen bereikt
worden.
De Heilige Schrift geeft ons een
uitvoerige beschrijving van de bijzondere en bepaalde taken
waarvoor Apostelen gegeven zijn. Zij zullen onder Christus de
hoofden en regeerders der Algemene Kerk zijn.
De Heer zelf heeft deze plichten
in de handen der Apostel gelegd. Daarvoor werd hun de
sleutelmacht gegeven om te verlossen of te binden aarde. "En ik
zal u de sleutelen des hemelrijks geven; al wat gij op aarde
binden zult, dat zal ook in de hemel gebonden zijn: en al wat
gij op aarde ontbinden zult, dat zal ook in de hemel ontbonden
zijn" (Matth. 16:19).
Apostelen zijn de fundamenten
van de kerk (Ef. 2:20, Openb. 21:14) niet van deze of gene
kerkafdeling, maar van de Ene Heilige, Algemene en daarom
Apostolische Kerk. De grondslag waarop de levende stenen moeten
worden gebouwd en het voortdurend middel om het gebouw van de
levende tempel, de kerk in eenheid van geest en wandel, van leer
en bestuur te handhaven en te sterken. Dit is dus het
apostelambt zoals het ons duidelijk in de Heilige Schrift wordt
voorgesteld en zoals wij het daar ook in werking zien.
Even duidelijk en bepaald wordt
het ambt der profeten beschreven. De profeet is het kanaal
waardoor de verborgen zin van God door openbaring tot de kerk
wordt gebracht. Niet in de vorm van een leer, want de leer van
de kerk is de "leer der Apostelen"
En ten slotte nog zijn er
Profeten om Gods wil bekend te maken aangaande Zijn
dienstknechten die Hij in de heilige bediening gebruiken wil.
Daarna volgt een beschrijving
van het ambt evangelist,oudste, herder, priester, diaken,
onderdiaken en diakonissen, zoals dat door de
Katholiek-apostolischen gezien werd.
Want behalve het onderscheid met
betrekking tot het ambtsgebied is er nog een ander
onderscheidend kenmerk tussen het apostelambt en dat der
ondergeschikte herders en andere bedieningen. Dit namelijk, dat
iedere bediening een bediening des levens is. Dat het
Apostelambt de levendmakende Geest rechtstreeks van de Heer
Jezus Christus ontvangt en uitdeelt en dus de bron en sterkte
wordt voor alle andere bedieningen.
Het is het kanaal tot uitdeling
van de Heilige Geest, wiens gaven door al de dienaren der kerk,
door al de gedoopten uitgeoefend worden. Het is het ambt
waardoor de Heer Jezus Christus zich openbaart als degene die
met de Heilige Geest doopt (Matth. 3:11).
Hij alleen kan de Heilige Geest
schenken en volgens de oorspronkelijke inrichting der kerk gaf
Hij die slechts aan Apostelen. Vandaar dat, toen Philippus te
Samaria het Evangelie had gepredikt met grote tekenen en
wonderen en vele gelovig geworden en door hem gedoopt waren, het
nu nodig was, dat de Apostelen Petrus en Johannes zich van
Jeruzalem daarheen begaven opdat de gedoopten door gebed en
oplegging der handen de Heilige Geest ontvingen (Hand. 8:16-17).
Apostelen zijn de fundamenten
van de kerk (Efez. 2:20, Openb. 21:14) niet van deze of gene
kerkafdeling, maar
Niet dat het getal van hen, die
na elkaar in het ambt zouden dienen beperkt was. De Heilige
Schrift, zowel als de onbestreden overlevering der kerk tonen
duidelijk dat er in de eerste tijden meer dan twaalf mannen als
apostel hebben gewerkt. Maar zij zijn dé "Twaalf" genoemd die
uit de besnijdenis voortkwamen. Zij hadden tot taak de twaalf
stammen Israels te richtten (Matth. 19:28).
De verkiezing van Matthias om
het twaalftal vol te maken (Hand. 1:15) en vele anderen passages
uit de Heilige Schrift en uit de overleveringen uit de vroege
kerk, moeten leiden tot de conclusie dat het apostelambt op zich
een twaalfvoudige is.
Dat zijn dus de hoofdbedieningen
in het lichaam Christi. Maar ze zijn niet hét lichaam zelf. Het
zijn slechts de handelende leden van het lichaam, die van het
lichaam zelf al hun kracht, werkzaamheid en leven ontvangen.
Dat lichaam is de grote schaar der gedoopten. De gedoopten
maken het lichaam uit. Door de wederkerige werkzaamheid van
ieder lid, daar ieder de ander nodig heeft en door middel der
anderen de kracht van de Heer ontvangt (want elk lid heeft zijn
eigen geaardheid en maakt daarom op zijn eigen manier gebruik
van deze kracht) moest de gemeenschap der vreugde en van het
leven bewaard zijn gebleven. Het hele lichaam tezamen opwassen
en opgebouwd zijn. Zo was het bij de geboorte en in de eerste
dagen van de kerk, zoals geschreven staat: "En zij bleven
volstandig in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en de
broodbreking, en in het gebed.
En een vrees kwam over alle
zielen, en er geschiedden vele wonderen en tekenen door de
Apostelen. En allen die gelovig waren geworden, waren bij
elkander, en hielden alle dingen gemeen.
Dit is de kerk in haar
oorspronkelijk wezen en gestalte. Gegrond op de rots die de
poorten der hel niet zullen overweldigen. Voor wie alleen de
beloften Gods gelden. En tot wie in de personen van mannen die
het apostelambt bekleden, de woorden van Jezus Christus gericht
waren: "En zie, ik ben met u al de dagen tot aan EQ \O(', )s
werelds einde" (Matt. 28:20. Deze is de Ene, Heilige, Algemene
en Apostolische Kerk, in welke Gods wetten gehoorzaamd, Zijn
wil uitgevoerd, Zijn lof verkondigd, Zijn naam geheiligd moet
worden.
De kerk, die Hem aanbidding in
geest en waarheid (Joh. 4:24-25) behoort te brengen en die de
gebeden van alle heiligen, de smekingen, voorbeden en
dankzeggingen voor alle mensen als een reukwerk moeten doen
opstijgen tot Zijn troon (1 Tim. 11:1, Openb. 8:3-4).
De kerk is één. Zij is in elk
van haar leden verbonden, door ééEQ \O(',n) leven, dat uit één
bron voortvloeit en door één en hetzelfde voedsel wordt
onderhouden.
Deze éne kerk is Gods getuige en
geeft getuigenis.
Zij is heilig, zoals het de
bruid betaamt van Hem, die zelf de Heilige God is. Heilig als
het levende, heilige welbehagelijke offer dat voortdurend God
de Vader wordt aangeboden door de ware Hogepriester aan Zijn
rechterhand. Heilig als de woonstede van een Hoge en Heilige,
die in de kerk woont, omdat geschreven staat: "Ik zal onder hen
wonen en onder hen wandelen en zal hun God zijn en zij zullen
mijn volk zijn (2 Cor. 6:16). Heilig door de Heilige Geest, de
"Geest des Levens van de Vader en de Heer Jezus Christus, die de
mensen vernieuwt haar en het beeld Gods, de Geest der
heiligheid, wiens tempel de kerk is. Heilig, omdat zij de
vruchten van de Heilige Geest voortbrengt. Heilig omdat zij de
gaven van de Heilige Geest openbaart, welke zijn: "het woord der
wijsheid aan een ander wordt gegeven, het woord der kennis, door
dezelfde geest, aan een ander geloof, door dezelfde geest aan
een ander gaven om gezond te maken, door dezelfde geest aan een
ander werkingen der krachten, profetie, onderscheiding der
geesten, uitlegging van menigerlei talen" (1 Cor. 12:8-11).
Aldus volhardende in Gods raad,
met Hem wandelende als kinderen des lichts. Tot het lichaam
vergaderende omdat God hem wegnam" (Hebr. 11:5).
Het allereerste ambt in de kerk
is het apostelschap in mensen. Apostelen in de hand des Heren,
waarmee Hij Zijn dorsvloer zuivert. Het is het ambt door welke
Hij doopt met de Heilige Geest en met vuur, dat verloren gegaan
is, al zijn enige apostolische handelingen nog gebleven. Toch
is het doel, waartoe Apostelen gegeven worden nog niet bereikt.
Slechts één enige kerk, één
heilig volk, vermag het evangelie te prediken aan alle
creaturen, alle volkeren te leren alles te onderhouden, wat de
Heer geboden heeft. Slechts zij vermag alle mensen tot het
geloof te brengen. Ervan te overtuigen dat God Zijn Zoon
gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld. Slechts de Ene,
Heilige Algemene Kerk kan Apostolisch zijn want het is alleen in
zulk een lichaam, dat God gegeven heeft, "ten eerste Apostelen".
Dit lichaam alleen kan Apostelen of andere dienaren door
Apostelen ingezet, uitzenden om het getuigenis af te leggen en
het leven te schenken. Daarom werd de kerk gesticht.
De Christenheid, zoals zij nu
is, vermag slechts de zendelingen van één of meer sekten uit te
zenden tot de heidenen. Zij kan geen Apostelen, Profeten,
Evangelisten, Herders en leraren voortbrengen, die vanuit het
lichaam, het éne geloof, die éne God bekend maken. Met het
richtsnoer des gerechts en het paslood der gerechtigheid
gemeten, is zij niet te rechtvaardigen. Evenals de Engelen hun
beginsel niet hebben bewaard, net zoals de volkeren voor de
zondvloed zijn afgevallen en het licht hebben uitgeblust dat
hun van God, voor allen, was gegeven, evenals de joden, die de
Heer kruisigden, de raad Gods tegen henzelf verworpen hebben,
net zo zeker zijn de gedoopten afgevallen uit de heerlijke
stelling, waarin God in het begin de kerk heeft geplaatst (2
Petr. 2).
Toen in de aanvang de kerk
geopenbaard werd in de zichtbare heerlijkheid van de Heilige
Geest, beval de Heer aan Zijn Apostelen, die Zijn hemelvaart
gezien hadden en allen uit het zaad Abrahams en Apostelen der
besnijdenis waren, om eerst aan de Joden het evangelie te
prediken, zoals Petrus op het Pinksterfeest zei: "Doet beter en
ieder late zich dopen in de naam van Jezus Christus, tot
vergeving der zonden, zo zult gij de gave van de Heilige Geest
ontvangen. Want u en de uwen kinderen is deze belofte" (Hand.
2:38-39).
En kort daarop in de tempel:
"Voor het eerst heeft God Zijn knecht Jezus opgewekt, en heeft
hem gezonden, om u te zegenen" (Hand. 3:26).
De Joden wilden deze genade
echter niet aannemen en voor hen was de bediening der Apostelen
tevergeefs geschonken. En toch was het tweevoudig getuigenis
van God, dat door Zijn kerk te Jeruzalem gegeven werd, het
middel waardoor in die tijd Zijn overblijfsel naar de verkiezing
der genade verzameld, Jeruzalem gericht en de Joden tot op deze
dag verstrooid zijn geworden.
Het was nodig, zeiden Paulus en
Barnabas tot de Joden, dat eerst tot u het woord Gods werd
gesproken, "maar omdat gij het verstoot en uzelf het eeuwige
leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de
heidenen" (Hand. 13:46).
Toen wendde God zich tot de
heidenen om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn naam (Hand.
15:14). God werkte en Hij werkt nog steeds om een volk te
verkrijgen dat Zijn zegen kan ontvangen en aldus Zijn volheid en
in Zijn naam volkomen geopenbaard kan worden. Een gemeente, die
Hij eerst wil volmaken en dan, bij haar opneming, verheerlijken
wil.
En dit werk moest door Apostelen
geschieden. Daartoe was het, dat Paulus werd werwekt. Daarvoor
werd Hij afgezonderd van zijn moeders lichaam (Gal. 1:15-16).
Gesteld als een prediker een Apostel, een leraar der heidenen in
geloof en waarheid (1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11). Zoals hij op een
andere plaats spreekt van de genade die hem van God gegeven was.
Opdat hij een dienaar van Jezus Christus zou zijn, onder de
heidenen het evangelie van God bedienende, opdat de offerande
der heidenen aangenaam werd, geheiligd door de Heilige Geest
(Rom. 15:16).
Zo toont ons de Heilige Schrift
aan, dat er in de gemeenten zonden aanwezig waren, die vanzelf
moesten leiden tot het ophouden van de apostolische bediening,
door mannen die voor dat doel ingezet waren.
Maar het feit, dat de gave van
het apostelambt geheel gestopt is in de daadwerkelijke
openbaring in mensen, namelijk in Apostelen, die door Gods
ordening zijn tot haar openbaring. Terwijl Godes gaven
onberouwelijk zijn, en het doel waartoe deze bepaalde gaven
verleend werden nog niet bereikt is.
Het is waar, dat toen als gevolg
van het ongeloof en de onverschilligheid, waardoor niet meer
tot God werd geroepen, het voortduren Zijner gaven, de aostelen
uit de kerk verdwenen, als vanzelf hun gezag overging naar de
bisschoppen. Maar even waar is het, dat juist door deze stap en
door deze noodzakelijkheid Gods weg tot eenheid in Zijn kerk
verbroken werd en de hele geschiedenis van de kerk van die tijd
tot op onze dagen.
Het is geen wonder dat uit de
zonde talloze onheilen moesten voortvloeien. Het verval en de
ontaarding zullen zich onvermijdelijk steeds verder uitbreiden
totdat alle gezag en ambt verdwenen zijn.
Alles zal zich hebben opgelost
in een chaos van verwarring, waaruit dan de antichrist zijn
werktuigen kiest en in nabootsing van Gods kerk, zijn leugenbouw
oprichten zal.
Toen de gedoopten en hun
leidslieden het daarover eens waren geworden, dat het
voortbestaan van Apostelen, die de ware bron van alle leer zijn,
overtollig is, zijn talloze ketterijen ingeslopen.
Waarlijk, als niet in Jezus, het
Hoofd der Kerk al de volheid had gewoond, die Hij steeds bereid
is om door mensen te openbaren, zodra het lichaam door het
geloof weer in staat is om die zegen te kunnen aannemen en
indien niet altijd in Gods hart de tijd aanstaande was geweest,
wanneer die zegen weer door de in de aanvang verordende kanalen
zou vloeien, dan was de kerk reeds lang verzwolgen in de
heilloze gevolgen van de zonden der gedoopten. De beloften van
de Heer, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen,
was voor niets geweest.
Het woord Gods door een profeet
als een hiertoe van God gebruikte dienaar, is de verklaring van
Zijn wil aan de Algemene Kerk. Alleen door de Apostel kan dit
als geldige overlevering of inzetting bevestigd worden.
Zo zegt Apostel Petrus: zijt
indachtig aan de woorden, die van de heilige profeten van
tevoren gesproken zijn en aan ons gebod, die des Heren en
Zaligmakers Apostelen zijn.
De kerk, wij herhalen het, is
geen menselijke instelling voor menselijke doeleinden. Zij is
een goddelijke instelling tot vervulling van Gods raadsbesluit.
Beantwoordt zij hieraan niet, dan wordt zij zoals het zout dat
smakeloos geworden is.
Evenmin kan Gods raadsbesluit
vervuld worden door enig ander middel dan welke Hij zelf
verkoren heeft. Middelen, die in de Schrift duidelijk
aangegeven zijn. Die niet onverschillig terzijde geschoven of
veranderd of door andere van menselijke vinding vervangen kunnen
worden. Die niet straffeloos verwaarloosd kunnen worden of
verloren gaan zonder jammerlijke verminking van het lichaam van
Christus. Zonder remming en verhindering van Gods zegen. Zij
zijn noodzakelijk, zij zijn volledig en mogen dan alleen
ophouden, wanneer het doel waarvoor zij zijn gegeven, bereikt
is.
Had dan de Algemene kerk de
samenbinding van de apostelen niet nodig? Was het genoeg voor
het behoud van haar eenheid dat zij onder bisschoppen stond?
Dat was niet Gods weg tot eenheid en daarom is het niet te
verwonderen, als wij tot de slotsom komen, dat de eenheid niet
behouden kon worden.
De bewering, dat de eenheid van
de kerk daaruit bestaat, dat zij door enige andere bisschop
(opziener) bestuurd wordt dan door de Heer Jezus Christus zelf,
is een vorm der dwaling die tot gevolg zal hebben:
dienstbaarheid onder mensen, verberging en duisternis van God.
Een scheiden van het Hoofd en het lichaam, alsof dit laatste
alleen genoeg was.
De bewering, dat zij bestaat in
een onzichtbaar hoofd, namelijk Jezus in de hemel, met
uitsluiting van alle zichtbare eenheid op aarde, is een dwaling.
Het waar dat, hoewel apostelen
en profeten opgehouden hebben, de kerk toch in haar Hemels Hoofd
volledig was en steeds gebleven is. Hij was en bleef de Apostel
en de profeet voor zijn volk en de kerk bleef het lichaam,
geschikt om deze ambten te zegeningen. Door mensen vervuld, te
ontvangen, en van die geopenbaarde leden in zich te bevatten
(hoewel zij op aarde, niet gelijk het had behoren te zijn,
altijd zichtbaar volledig in deze leden was.
Daarom is het ook altijd
mogelijk geweest dat, als Zijn wijsheid het bepaalde, deze
ambten zich weer in mensen, in Apostelen en profeten kon
openbaren. Hij kon zorgen en Hij heeft gezorgd, dat Zijn kerk
nooit ophield te bestaan.
Hij heeft daarom Zijn
raadsbesluit niet veranderd en ook geen nieuwe inrichting
gegeven tot uitvoering van Zijn voornemen en de eerste
verworpen, omdat het onvoldoende gebleken was. De eerste heeft
weliswaar niet tot het doel geleid door de zonde van Zijn volk,
maar Hij heeft zich intussen van die werktuigen bediend, die Hij
gebruiken kon.
Dat, tot Hij Zijn eerste
verordende werktuigen weer herstelde onder een volk, dat geloof
genoeg had om aan te nemen.
Maar zij zijn niet opgehouden en
door andere vervangen zonder grote schade. De volledige
middelen, waardoor de Heilige Geest Zijn genade de gedoopten
schenkt, zijn niet in werking. Er heeft dus geen volle
genadebedeling plaats. De gaven waardoor God de Heer onder
mensen wil wonen, zijn niet behouden gebleven. Een toestand,
waarin de heiligheid van de God Israël verduisterd scheen en
haar heilige woonstede als het ware verlaten heeft, om aarzelend
te vertoeven op de dorpel van de Tempel (Ezech. 10:4).
De door God zelf gestelde
bedieningen tot levensbehoud van de kerk, evenals de zegeningen,
die dit leven van lid tot lid moeten doen vloeien, zijn in
verval geraakt. De levensstroom is slechts armelijk voortge-
vloeid en heeft zich slechts spaarzaam verbreid. De groei van de
kerk werd gehinderd, alles is achter gebleven en de uitvoering
van Gods raadsbesluit in de kerk wordt tegengehouden.
In het “Testimonium” wordt de
geldigheid van sacramenten, afgedragen door anderen dan door
apostelen ingezette dienaren, als ongelding verklaard en er vele
gedoopten in feite feite onrein zijn.
Evenmin had de leer van het
vagevuur ingang kunnen vinden bij hen, die wisten, dat zij nu
reeds met Christus opgestaan zijn door het geloof van de werking
Gods (Col. 2:12), in wie de ogen van de weerstand verlicht waren
geworden, zodat zij wisten wat de uitnemende grootheid van
Zijn krachten aan ons is, die geloven. Naar de werking der
sterkte van Zijn macht die Hij geschapen heeft in Christus, als
Hij Hem uit de doden heeft opgewekt (Ef. 1:18-20).
Evenzo leveren de geloften van
het celibaat en het verbod voor de geestelijke stand om te
trouwen slechts het bewijs, dat waar de gedoopten zelf onrein
waren geworden, alle dingen onrein waren.
Dus poogden zij die bewuste
onreinheid te ontgaan. Een onnatuurlijke poging, waarop geen
zegen rusten kan die de heiligheid stelt, niet in het gebruik
van geoorloofde en natuurlijke zaken, maar in gehele onthouding
daarvan. Zij die God en Zijn werken en wegen smaad aandoen, Zijn
heilige instelling veracht waarvan de Heilige Schrift zegt: "De
echt wordt in ere gehouden en het echtbed onbevlekt" (Hebr.
15:4).
Naarmate nu het leven Gods in de
gedoopten als lichaam, verviel, werd de zuiverheid van de leer
belangrijker dan ooit tevoren. Gedurende het leven van de
apostelen was hun uitspraak in deze beslissend. Hoewel ook toen
reeds ketters opstonden werden zij spoedig uitgeworpen en hun
leerstelsels veroordeeld door het gezag der kerk, dat zich door
de apostelen bekend maakte.
De leer, zoals die door de
Apostelen werd overgeleverd, was de leer van de kerk. Toen zij
heengegaan waren, kon geen enkele bisschop het oordeel van de
kerk uitspreken tegenover deze, door de dwaalleraren ingevoerde
ketterijen. Tenzij dan dit oordeel van de Algemene Kerk uitging
of door haar werd goedgekeurd. Dikwijls zien wij in de
geschiedenis der kerk dat bisschoppen zelf de ketterijen hebben
ingevoerd.
Hoewel iedere bisschop is in de
ene Algemene Kerk, toch is hij in de uitoefening van zijn
bediening beperkt tot zijn eigen ambtsgebied.
Hoe weinig het bestuur der
bisschoppen of het gezag der patriarchen tot eenheid voert, is
duidelijk gebleken uit de toestand der kerk ten tijde toen de
Romeinse Keizer Constantijn het christelijk geloof omhelsde.
Afrika was in de handen van de Donatisten*. Een groot aantal
bisschoppen in Egypte met hun gemeenten en gehele streken van
Azië waren de leer van Arius toegedaan. Deze oordelen Gods,
rechtvaardigden de wijsheid van Zijn eigen ordening tot
instandhouding der eenheid in de kerk, namelijk Apostelen, die
Zijn algemene kerk zowel in zaken van geloof als van kerkelijke
tucht moesten besturen.
En de zedeloosheid, de meteen na
de bekering van het hoofd van de staat ontstond, de oude
reinheid verdreef en sindsdien voortdurend de christelijke naam
geschandvlekt heeft, getuigde evenzeer hoever het christelijke
leven vervallen was.
Als bewijs voor de bovenstaande
stelling wordt in het navolgende een overzicht van de
kerkgeschiedenis gegeven. Het geschrift gaat verder in de
tegenwoordige tijd, dus de tijd waarin het geschreven werd.
Het koninkrijk dat God zal
oprichten strekt zich nu dus nog niet tot beheer over aardse
aangelegenheden uit. Terwijl de kerk der gedoopten thans de
eerstelingen van dat rijk bezit in de gave van de Heilige Geest,
namelijk de krachten der toekomende eeuw en zoals Petrus
schrijft: "een koninklijk priesterdom, een heilig volk is",
(1 Petr. 2:9). Terwijl, zoals
Johannes in de Openbaring zegt: "Jezus Christus, de overste van
de koningen der aarde ons gemaakt heeft tot koningen en
priesters Gods en Zijn Vader (Openb. 1:5,6) moeten wij ter wille
van het geweten onderworpen zijn aan de over ons gestelde
machten."
Het Godsrijk is nu nog binnen in
ons. Het is nog niet te voorschijn gekomen en wij bidden steeds
onze Vader, dat Hij het doet komen (Luk. 17:21).
En het zal komen: "in de
wedergeboorte als de Zoon des mensen zitten zal op de troon
Zijner heerlijkheid". Dan zullen de twaalf Apostelen, die met
Hem op de aarde waren, ook zitten op twaalf tronen, "oordelende
de twaalf geslachten Israëls" (Matth. 19:28).
Dan ook zal geschieden wat
Johannes in de Openbaring gezien heeft: "En ik zag tronen en zij
zaten daarop en het oordeel werd hun gegeven". Dit is de eerste
opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste
opstanding, over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij
zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met
hem als koningen heersen duizend jaren (Openb. 20:4-6).
Maar nu zijn wij nog in het
natuurlijke lichaam en hebben het geestelijke lichaam nog niet
ontvangen. Dat zullen wij verkrijgen bij Zijn verschijning en
koninkrijk: "maar onze wandel is in de hemel, vanwaar wij
verwachten de Zaligmaker Jezus Christus, de Heer, die ons
nietig lichaam veranderen zal" (Fil. 3:21).
Tot dan moeten wij ons tevreden
stellen om te zijn, zoals onze Meester op aarde was en Zijn
voorbeeld navolgen. Hij was een geboren koning en toch
onderwierp Hij zich en betaalde schatting. Ook wij zijn als
gedoopten geboren koningen, de kerk is het koninkrijk. In de
kerk wordt de heerschappij over het koninkrijk gevoerd en de
dienaren van de kerk zijn de dienaren van het koninkrijk en hun
namen zijn eeuwige namen.
Maar de kerk is het koninkrijk
"in de Heilige Geest" (Rom. 14:17). Het koninkrijk dat nog
verborgen is: de opstanding heeft nog niet plaats gehad. De
koninkrijken dezer wereld zijn nog niet omver geworpen en dus
zijn wij in de dingen die de wereld aangaan, trouw en
gehoorzaamheid schuldig aan de over ons gestelde machten.
In de kerk zien wij, dat als een
koning tot de doopvont nadert, hij gedoopt wordt evenals alle
andere mensen. Als hij nadert tot Gods altaar, ontvangt hij het
Heilig Avondmaal uit de handen van Gods priesters, evenals ieder
ander mens, niet als koning. En wanneer Hij in Gods huis met de
gemeente neerknielt, ontvangt hij de zegen gelijk alle anderen,
niet als koning. Maar in een staat moeten al de gedoopten,
priesters zowel als leken, gehoorzamen.
De koning en de Vader zijn even
nodig als de apostel en de herder. En in een christelijke staat
worden al deze banden door de doop bezegeld en God heiligt ze
door zijn priester tot in hun oorsprong. In de kerk van de
levende God worden de huwelijksgeloften van man en vrouw
aangenomen en erkend. Door de handelingen van Gods priester
worden zij bezegeld en de geestelijke vereniging der gehuwden
tot stand gebracht. Ook de christelijke vorst komt tot Gods
kerk, dáár worden zijn geloften aangenomen. Dat hij zijn volk
trouw regere en al zijn koninklijke plichten vervullen zal en
hij ontvangt uit de handen van Gods priester de zalving die hem
bekwaam maakt om die plichten na te komen, en aldus regeert hij
"bij de genade Gods".
Doch het gezag der priesters
beperkt alleen tot zich Gods kerk. Tot die kring van geestelijke
verhoudingen, die in de doop neergelegd zijn of daaruit
voortvloeien. Hij mag zich niet mengen in het bestuur over de
huisgezinnen. Laat staan in dat van het grote huisgezin van de
staat. Omgekeerd is in de kerk ook de grootste monarch slechts
ontvangen van Gods genade. Hij heeft in die kerk noch macht uit
te oefenen, noch ambten uit te delen en iedere daad van die aard
aanmatiging zijn.
De wereldlijke en geestelijke
bestuurders hebben dus ieder hun eigen ambtsverrichtingen. Het
is de taak van de priesters om beide, koningen en onderdanen, te
onderrichten over hun verschillende plichten zij zijn tevens
de organen die aan allen de genade en de zegen uitdelen, zonder
welke zij onbekwaam zijn, hun plichten te vervullen. Er is geen
gezonde staatskunde, die niet tevens een christelijke
staatskunde is. De priesters zijn de aangewezen onderwijzers
van de beginselen waarnaar gebieders en onderdanen beide te
handelen hebben. Maar hun taak is van zuiver geestelijke aard.
Hun woorden richten zich tot het geloof en het geweten. Hun
macht is geestelijk en als burgers moeten zij gehoorzamen. Het
is de plicht der koningen en der vorsten hun volk te regeren
naar Gods wetten en inzettingen, die zij, gelovende in Hem en
niet in de mensen, van de lippen der priesters ontvangen. Als
de eersten onder haar zonen, behoren zij voor te gaan in
gehoorzaamheid aan de kerk, waarin alle gedoopten Gods geboren
worden en aan wier borsten zij gezoogd zijn. Met kinderlijke
zorg behoren zij haar voor alle uitwendig gevaar te behoeden en
te beschermen. Zij moeten over al hun onderdanen met
rechtmatigheid heersen: maar geen enkel gezag of
rechtsbevoegdheid in geloofszaken, noch in- of uitwendig gezag
in de kerk komt hen toe. Dit zou een ingrijpen zijn in het ambt
van Christus, de ware Melchizedek, die alleen tegelijk koning
der koningen en priester van de Allerhoogste is.
De zalving en kroning van een
christelijke vorst door de hand van Gods priester is een
goddelijke instelling. Zij betekent niet dat de priester enig
wereldlijk gezag bekleedt over de vorst, maar duidt aan, dat
niemand zonder Gods zegen zijn plichten kan vervullen. Dat deze
zegen slechts in Zijn kerk en door hen, die daartoe verordend
zijn, wordt uitgedeeld.. Dat zij evenmin als alle andere
plechtige handelingen in Gods kerk een vertoning is, maar een
werkdadig middel, waardoor God aan de vorst Zijn genade schenkt
en beide, gebieder en onderdanen, maakt tot een in de Heilige
Geest verbonden volk.
Zij sluit echter ook de
veronderstelling uit als had de vorst enig geestelijk gezag over
de kerk van wier dienaren, als uit de hand des Heren, hij zijn
kroon met de zegen, die hij nodig heeft, ontvangt. Zij bezegelt
en heiligt de hele oorspronkelijke verantwoordelijkheid van de
koning en van het volk beide tegenover God en tegenover elkaar.
De plicht van de koning om niet voor zichzelf, maar ten beste
voor zijn volk te regeren. De zwakken te beschermen, de
onderdrukten te wreken, voor de noodlijdenden te zorgen, zijn
gezag tot bescherming van allen aan te wenden en voor alle
dingen steeds te bedenken, dat alle macht van God gegeven is.
Anderzijds is het de plicht van ieder mens als lid van de staat
om zijn plaats te vervullen, hetzij als meerdere, hetzij als
ondergeschikte waarin God hem gesteld heeft en zichzelf te
beschouwen als Gods rentmeester over al wat hem is
toevertrouwd.
De plichten van koningen en
regenten en van hun verschillende raadslieden is om in de vreze
Gods en tot algemeen welzijn te regeren.
De plechtige handeling van de
vernieuwde vestiging van een rijk door de kroning van Zijn
Koning in de kerk, brengt nog hoger en meer eigen plichten met
zich en sluit grote verantwoordelijkheid in. Zij bevat namelijk
een verplichting. Beide, van de koning en van het volk, om Gods
ware Algemene kerk te beschermen en te verdedigen en wel van de
zijde van de koning doordat hij aan de bediening van Gods woord
de vrije loop zal laten. Het onderwijs van al zijn onderdanen
zoveel mogelijk zal bevorderen en door voorbeeld en invloed Gods
gezag in de kerk zal handhaven. Van de zijde van de koning en
het volk beide, dat zij Gods waarheid, die hun door de kerk
geopenbaard wordt, aannemen en als volk daarin zullen wandelen.
Voorts sluit zij de erkenning
in, dat de Vader alle macht aan de Zoon gegeven heeft en dat de
vorst de stadhouder van die Zoon is, totdat Hij zelf komt.
Bovenal stelt zij koning en volk in staat de Heilige Geest te
ontvangen ter vervulling van de wet van Christus, dat het
bestuur zowel als de gehoorzaamheid betreft. Zij verzekert hun
op al hun wegen Gods tegenwoordigheid en bescherming en de
volheid van alle nationale zegeningen.
Maar in geval zij dit verbond
ooit mochten breken en vallen uit hun stand, dan verzekert zij
even stellig van de verscheuring van alle zedelijke banden, die
de mensen tezamen houden. De opheffing van alle beteugeling van
hun hartstochten en de ontaarding en ontbinding van de hele
maatschappelijke toestand.
Zodanig behoorde de wederzijdse
verhouding van kerk en staat te zijn geweest, toen het hoofd van
de staat bekeerd en het christendom de staatsgodsdienst werd.
Als toen de gedoopten het ware standpunt van de kerk erkend
hadden en in het bezit waren gebleven van al de ordeningen tot
handhaving van de eenheid in leer en regering, dan was de kerk
leermeesteres geweest van koning en volk. Of zij nu hoorden of
onwillig waren, de onderwijzeres van alle mensen in hun
verschillende levensbetrekkingen en het orgaan ter uitdeling
van de genade aan allen tot vervulling van hun plichten.
Nooit was er dan tussen de
vorsten van een gelovig volk het vraagstuk over de band tussen
kerk en staat, noch door de ene, noch door de andere partij uit
een staatskundig of partijzuchtig oogpunt behandeld. Dit zou
zich hebben opgelost in de eenvoudige vraag of God, wiens
tegenwoordigheid in de kerk door het volk en de regering erkend
werd, hen al dan niet door zijn dienaren wilde laten
onderwijzen in de beweegredenen, middelen en doeleinden, die
hen leiden moesten om voor Hem te regeren en voor Hem te leven.
De ware leer van het standpunt
der kerk, die geen bespiegeling van het verstand, maar een
levende, zich tot het geweten richtende werkelijkheid is, zou
haar dienaren bewaard hebben voor de laaghartige eerzucht om
zich enige macht in de staat te willen aanmatigen. Het tevens
onnodig en onmogelijk hebben gemaakt, dat het gezag van de staat
in geestelijke zaken werd ingeroepen.
Toen echter de christenheid het
apostelambt gewillig liet uitsterven en zichzelf wijs gemaakt
had dat haar zonde Gods wil was: toen de uitoefening van de
macht om aan de satan over te geven tot verderf van het vlees (1
Kor. 5:3) moest worden vervangen door de kerkelijke ban: het
uitleveren aan de wereldlijke arm, toen het gezag der
apostolische besluiten plaats moest maken voor dat van synoden
van bisschoppen wiens gezag eigenlijk alleen op hun aantal
berustte, toen bleek, zoals wij zagen, dat deze wapenen niet
volstonden zodat er een strijd tussen ontstond bisschoppen,
tussen synode en synode.
Wat ook de beweegredenen geweest
mogen zijn van hen, die de inroeping van de wereldlijke macht
of de verheffing van de bisschop van Rome bevorderd hebben,
hetzij geestelijke onverdraagzaamheid of ijver voor Gods
waarheid in het eerste geval, hetzij geestelijke eerzucht of
enige andere drijfveer, in het tweede geval, zeker is het dat al
hun pogingen dit beginsel als grondslag hadden, dat eenheid het
kenmerk in de ware kerk en derhalve zichtbaar behoort te zijn.
Die eenheid hebben zij niet kunnen bereiken en zij zal nooit
bereikt kunnen worden dan door de inwoning Gods. Daartoe werden
Apostelen en profeten (en deze beide als fundament van alle
anderen) evangelisten en herders gegeven.
Toch was dat streven naar
eenheid, althans de erkenning van hetgeen de kerk behoorde te
zijn, een hulde die de uit hun geestelijke stand gevallen
gedoopten brachten aan de waarheid, die zij hadden behoren te
verwezelijken en te openbaren.
Maar hoewel zij dit beginsel
erkenden, namen zij inplaats van berouw te hebben over het
verleden en Gods wederkerende genade te zoeken, de toevlucht tot
middelen, die slechts tot dieper verderf konden leiden. Ten
eerste door het ware standpunt van de kerk te laten varen, ja
vrijwillig prijs te geven. Een daad aan welke gevolgen zij
slechts ontkwamen door de ondergang van het Romeinse Rijk, de
staf waarop zij leunden. Ten tweede doordat de bisschop van Rome
zich de tweevoudige waardigheid des Heren Jezus toeëigende en
zich stelde tot algemeen bisschop en tot vorst van de koningen
der aarde. Ook zich het recht toeeigenende, om keizers en
koningen te kiezen en af te zetten en om alle volkeren
belastingen op te leggen. De eerste van deze aanmatigingen werd
meteen aangevochten en verworpen door de gehele kerk, hoewel zij
dat later trapsgewijs hebben toegestaan.
Tot op de huidige dag zijn deze
in- en uitwendige gebreken in werking gebleven. Het geestelijke
leven is nagenoeg uitgeblust en de gedoopten nemen allerlei
vleselijke hulpmiddelen te baat om de meer en meer verdwijnende
werkelijkheid te vervangen.
Zo gebeurde het, dat toen de
geestelijke bediening van de leer en de tucht, de bediening in
de Heilige Geest, onbekend werd, men naar wereldlijke middelen
omzag om zowel de ene als het andere vast te stellen.
Het Testimonium analyseert
verder de christelijke wereld en verwerp zowe het katholicisme
als het protestantisme.
Overzien wij nu de toestand der
christenheid, haar beschouwende zoals God haar aanziet,
namelijk als één geheel en met voorbijgaan aan alle
verdeeldheden, sekten en benamingen, die allen evenveel van de
oorspronkelijke gedaante en inrichting der kerk afgeweken zijn,
en slechts één kenteken in het oog houden n.l., dat allen
gedoopten zijn, dan ontdekken wij in de twee hoofdafdelingen
der christenheid het streven van de Heilige Geest, Gods Geest,
om in de gehele kerk het tweevoudig werk te verrichten. De
mededeling van Zijn leven en de uitoefening daarvan in levende
getuigen,waardoor God het lichaam van Christus volmaken wil.
Maar wij zien ook het tweevoudig
streven van de verborgenheid der ongerechtigheid om de werken
van de Heilige Geest tegen te werken. Te verhinderen dat de kerk
en de wereld worden voorbereid voor de openbaring van de
ongerechtigde, de tevoren aangekondigde Antichrist. Want
Rooms-Katholiek en Protestant zijn niet de namen van twee
kerken, maar de uitdrukking, zowel van het goede als het kwade,
dat in het gehele lichaam is. Elke waarheid en elke dwaling
welke in één der twee afdelingen aanwezig is, kan ook in de
anderen gevonden worden. De wijze, waarop zij zich openbaren kan
zeker zeer verschillend zijn en de verschillende hoofdtrekken
van beide afdelingen geheel tegenover elkaar staan. Wat wij in
dit opzicht te zeggen hebben van deze twee afdelingen der kerk,
sluit alles in wat ook over de Griekse kerk, moet worden gezegd.
De Rooms-Katholiek kerk heeft
getracht, de eenheid der kerk te behouden in haar vorm,
inrichting en leer. In haar alleen zag men het getuigenis dat de
kerk één is en de werking van het beginsel, dat éénheid haar
eigenlijke wezen is. Het bestendig streven om dat beginsel te
behouden. Haar getuigenis in het getuigen van het éne lichaam,
dat de kerk één is.
Het Protestantisme levert de
geschiedenis van het streven van de kerk om "leven uit God" te
behouden, dat haar in het begin toevertrouwd werd. Van het
worstelend bewustzijn, dat er nog iets meer nodig is, dan
eenheid alleen. Haar getuigenis is het getuigenis der kerk van
het "leven uit God”..
Sommigen van de Protestantse
kerkgenootschappen hebben de heerschappij der paus alleen
ontweken om onder het priesterschap van de koning te komen. De
keuze van de dienaren der kerk onverholen aan hen over gelaten
en zonder verzet de kerkelijke goederen door hebzuchtige vorsten
lieten roven als prijs voor hun bescherming. Anderen hebben elk
begrip van enigerlei bestuur in de Algemene kerk verworpen en
getracht iedere kleine vergadering en gemeente los te maken van
het verband met andere gemeenten. Dat alles onder de schijn van
christelijke vrijheid en van het recht tot persoonlijk oordeel
de haat tegen alle heerschappij en de verwerping van alle gezag,
zowel in de staten als in de kerk ingevoerd.
Onder de noemer van persoonlijke
godsdienst en gemeenschap met het onzichtbaar Hoofd verscheuren
zij zonder schroom Zijn lichaam, verdelen Zijn klederen en
werpen het lot over Zijn gewaad.
Zij scheppen zich een
hersenschim van een onzichtbare kerk, van een verborgen eenheid,
die niet eens zoals de Rooms-katholieke kerk beweert, in de
ordeningen Gods staan.
Aan de bestaande toestand is
niet één der “partijen” schuld.
Neen, wij zeggen met nadruk: de
gehele christenheid. Want het is niet slechts onder protestanten
dat deze beginselen in werking treden.
Zo behoort ook tot de zogenaamde
vooruitgang van deze eeuw de afschaffing van het brengen van de
tienden tot Gods altaar. In sommige landen is het reeds helemaal
in onbruik geraakt. Omdat de protestantse geestelijken vreesden,
in deze op hun recht te staan.
In andere landen is het
weggevaagd door het tomeloos geweld der revolutie zonder
hersteld te worden.
En nu eist men nog de
afschaffing van het laatste overblijfsel daarvan onder het
schoonschijnend vooroordeel, dat de nieuwere vormen van
staatshuishoudkunde dat offer eisen. Dat de tienden een ongelijk
drukkende belasting is en schadelijk voor de landbouw.
Het feit, dat er in deze redenen
enige waarheid ligt, is op zichzelf een bewijs, hoezeer de
christenheid is afgevallen van het geloof der vaderen. Zeker
zijn zij een ongelijk drukkende belasting op het land, maar dat
is omdat het voorschrift van Augustinus aan de gelovigen om de
tienden te brengen niet slechts van de jaarlijkse opbrengst van
het land, maar ook van hun dagelijkse winst, niet meer beginsel
en gebruik onder de christenen is.
Toen de vroomheid onzer
voorouders bij de geestelijke en nationale wetten en besluiten,
haar tienden de Heer wijdde, waren de rijkdommen van het
Romeinse Rijk reeds verdwenen. Het is niet bezijden de waarheid,
wanneer wij beweren, dat de voortbrengselen van het aardrijk de
enige bronnen van welvaart waren. Om die reden en omdat de
wetten zich niet tot andere soorten van eigendom konden richten,
gewaagde de letter van de wet onder alle volkeren slechts over
de opbrengst van het land. Toen nu echter als loon van de
vroomheid der christenen God hun rijkdommen van allerlei aard
op voorbeeldige wijze heeft vermeerderd, is zelfs daar waar de
letter der wet bleef bestaan, thans de geest, waarin de tienden
gebracht moesten worden geheel geweken. Terwijl de gelovigen
vroeger de tienden gaven van al hun bezittingen, hebben hun
nakomelingen zich alleen tot de verplichting der letter
bepaald. Omdat zij de tienden van hun overige bezittingen
terughielden, gaven zij er zelf aanleiding toe, dat nu de
tienden van de opbrengst van het land een ongelijk drukkende
belasting lijken.
God openbaarde zich daarin dat
men aan Zijn kerk een gedeelte van zijn inkomsten gaf,. Deze
Tienden had Hij zich zonder twijfel voorbehouden toen Hij de
aarde en haar vruchten aan de mensen overgaf. Immers, de Tienden
zijn ouder dan de Mozaïsche wet en hebben altijd de belijdenis
der gelovigen van God, als gever van al het goede uitgedrukt.
De volgende stap in dit
vreselijke verval is het idee, dat de staat alle vormen van
godsdienst als geheel gelijkstaand beschouwen en behandelen
moet. Dat aan elke sekte een, aan haar zielental evenredige
subsidie moet worden verstrekt, of dat de geestelijkheid
financieeël onderhouden moet worden.
In deze gevallen houdt de staat
op Gods kerk te erkennen en God zelf, evenals de godsdienst te
belijden.
In het eerste geval houdt de
staat op christelijk te zijn in de eigenlijke zin van het woord.
In het laatste belijdt hij wat de regering betreft,
godloochenende grondbeginselen te omhelzen. Gods waarheid is
één, zijn heil is één en alleen in de ene kerk van God zijn
beide te vinden.
Zij gaan uit van God tot de mens
en moeten door de mens aangenomen of tot zijn eeuwige schade
verworpen worden. Zij kunnen nooit een zaak van menselijke
willekeur zijn of door een louter menselijke meerderheid beslist
worden. Daarom is de gelijkstelling van alle sekten door de
staat een feitelijke ontkenning der openbaring. De dienaren der
godsdienst, die aanspraak maken Gods kerk te zijn, verraden hun
opdracht wanneer zij zoiets toestaan. Het volk dat daarnaar
streeft, verloochent zijn doop. Als in het volk een bewustzijn
van zijn verplichtingen niet levend gehouden wordt. Als de
geestelijken niet om ChristusEQ \O(', ) wil hun plaats
handhaven. Als
En zo werden de enige middelen
prijs gegeven, die de kerkbestuurders nog overbleven om hun
plichten naar Gods wil te vervullen. Om de onheilen tegen te
houden, die over de volkeren van Europa dreigen los te barsten.
Want een rechtvaardig bestuur
wordt niet uitgeoefend in de kracht van de natuurlijke mens.
Deze is altijd dwaas, tyranniek en weerspannig. De vorsten die
God niet aanroepen en om de genade van Zijn Geest smeken, die de
zalving vergaten, welke zij van de Almachtige hebben ontvangen,
zullen er toe komen om de hun van God geschonken macht te
misbruiken om onderdrukkers te worden. De bron van
onderdrukking en wanbestuur is altijd deze geweest: dat in de
heidense tijden, de regeerders die de zalving ontbeerden en na
de invoering van het christendom, dat zij niet in de genade
bleven.
Zij erkenden wel deze ontvangen
te hebben maar alleen uiterlijk. Nu echter wordt de maat van de
zonden der vorsten van de christenheid daardoor volgemeten,
dat zij de zalving in hun hart gering schatten en vergeten. Haar
zelfs verachten en verwerpen.
Daarom worden hun rijken door
beroeringen en opstanden geplaagd.
De Franse omwenteling van 1793
was slechts een gedeeltelijke uitbarsting van de algemene
beroering. Een eerste schok van de aardbeving, die elk
burgerlijk en geestelijk gebouw omver zal werpen.
Verhief zich die revolutie tegen
de betere, toen bestaande beginselen, die zij met ontzaglijk
geweld aantastte en probeerde omver te werpen, tenslotte werd
toch paal en perk daaraan gesteld. Nu
echter bedreigt de grote
revolutie, waarvan de Franse een voorteken was, de van het gif
reeds geheel doordrongen christenheid. Het tast instellingen aan
wiens beginselen reeds geheel ondermijnd zijn.
Het ongeloof, dat ten tijde van
het diep bederf van het pausdom in stilte en duisternis zijn
verborgen loop voortzette, dan in de protestantse afval nieuwe
kracht ontving en aan het licht kwam, zal in de derde en de
laatste vloed van antichristelijk godslastering tot een
geweldige stroom worden. Het afval zal de kerk en staat, de nog
van God getuigende instellingen met zich mee voeren. In haar
plaats zullen de instellingen van de hel opgericht worden.
Wij weten uit Gods woord, dat in
de laatste tijden de zonden van zelfzucht, geldgierigheid,
laatdunkendheid, onheiligheid, gemis aan natuurlijke liefde,
onverzoenlijkheid, achterklap, onmatigheid, wreedheid, tegenzin
voor het goede, verraad, roekeloosheid, opgeblazenheid, liefde
der wellusten (2 Tim. 3:1-5) zullen toenemen. Het wordt
verdoezeld door vormen van aanbidding en godzaligheid, maar
waaraan alle kracht ontbreekt. Deze schijn zal niet slechts
haar dienaren zullen hebben zoals altijd, maar dat zij ook de
gemoederen der mensen geheel beheersen.
In één woord, wetteloosheid zal
geheel de overhand hebben. De mensen zullen heen en weer
slingeren als de golven der zee, tot zij al haar verenigde
kracht zal openbaren in ongerechtigheid en wetteloosheid. Dan
zal geopenbaard worden de mens der zonde, die zich teweer stelt
en verheft boven al wat God genoemd of als God geëerd wordt.
Diens toekomst is naar de werken van de satan in alle kracht en
wonderen der leugen (2 Thess. 2:3,4,9).
En spoedig zal hij geopenbaard
worden. Temidden der toenemende beroering en verwarring onder
alle volkeren van Europa. Tijdens de benauwdheid en
twijfelmoedigheid der volkeren nadert de in Gods woord
aangekondigde tijd met rasse schreden (Luk. 21:26). De Zoon zal
komen op de wolken des hemels om de volkeren te oordelen en dat
koninkrijk op te richten, dat geen einde zal hebben (Dan.
7:13-14).
En als Hij komt, dan zal die
wetteloze zich reeds geheel geopenbaard hebben. Er staat
geschreven dat de Heer hem verdoemen zal met de Geest van Zijn
mond en vernietigen zal door de verschijning van Zijn toekomst
(2 Thess.2:8).
Dit nu is het grootste keerpunt
in de geschiedenis der mensheid dat de wereld tegemoet gaat.
Dit is het uur van de verzoeking die over de gehele aarde komen
zal om te verzoeken, die op de aarde wonen (Openb. 3:10).
De afval en het komende gericht,
het zichtbaar bederf en de tegenwoordige ellende van Gods
gedoopten, de volslagen gelijkvormigheid der zogenaamde kerken,
zal zowel van ieder afzonderlijk als van allen toenemen. Zowel
in uitwendige gedaante, ordening, éénheid en geestelijke
heerlijkheid als in inwendige heiligheid, reinheid, vrede, zegen
en goedheid. Die volslagen ongelijkvormigheid aan dat lichaam,
dat in de Heilige Schrift met de naam van " de Kerk " wordt
aangeduid, haar daaruit voortvloeiende onbekwaamheid om Gods
raadsbesluit met haarzelf of haar plicht omtrent Hem en Zijn
schepselen te vervullen. Haar gehele onbereidheid voor de
toekomst des Heren, dit alles hebben wij thans aangetoond. Wij
beroepen ons, wat de waarheid van onze beweringen aangaat, op
het geweten van allen tot wie dit, ons getuigenis, komt.
De spotter en ongelovige wijst
met de vinger op de gedoopten. Hij beroept zich op de Heilige
Schriften, vergelijkt haar uitspraken met de feiten en grondt
zijn besluit tot verwerping van de openbaring op de
handelswijze van haar belijders. Die logenstraffen immers door
hun daden hun eigen woorden.
De koude twijfelzuchtige
godsdienstbelijders van onze tijd, die van de ongelovige zoveel
verschilt als de verschillende beoefenaars der bespiegelde
filosofie van elkaar verschillen, maakt het christendom
slechts tot een stelsel van zedekunde. Schrijft alles, wat iets
hogers schijnt aan te duiden aan oosterse spreektrant toe.
De grote menigte der christenen,
die bekommert zich niet om Gods eer of raadsbesluit, zelfs niet
eens of God enig raadsbesluit heeft. Het schept er behagen in
om op haar verschillende wegen een geestelijk genot te zoeken en
zoekt slechts naar vrede voor het eigen geweten. Zij heeft geen
hoger beroep of beginsel, dan haar heidense voorvaderen.
Indien wij godsdienst slechts
beoefenen als een middel om onze vrees te stillen, of onze
verbeelding te voeden, alsof God daar niet in gemoeid was, of
enig raadsbesluit zou hebben, dat Hij, indien ook voor onze ogen
langzaam maar zeker volvoert, dan verlagen wij haar tot een
verchristelijkt heidendom.
Het bewijs voor onze beweringen,
ligt niet enkel in de toestemming van ieders geweten, ook in de
bewuste of onbewuste angst van dat geweten. Zijn vrees voor
tegenwoordige onafwendbare onheilen en zijn benauwdheid voor
hetgeen nog voor liggen mag, dat zijn evenzeer onze getuigen.
De onrust der wereld, dat eindeloos en onbevredigend vragen,
waarom toch deze dingen zo zijn en de algemene kreet om
verandering en verbetering, leggen op hun wijze getuigenis van
deze waarheid af.
"Maar wie zal de dag van Zijn
toekomst verdragen? en wie zal bestaan als Hij verschijnt? want
Hij zal zijn als het vuur van een goudsmit en als de zeep van
de vollers. En Hij zal zitten louterende en het zilver
reinigende en Hij zal de kinderen van Levi reinigen en Hij zal
ze doorlouteren als goud en als zilver. Dan zullen zij de Heer
spijsoffer toebrengen in gerechtigheid (Matt. 3:2,3).
Slechts een heilig volk kan voor
Zijn aangezicht bestaan. Een volk wandelende als "kinderen des
lichts en kinderen des daags"
(1 Thess. 5:5), vervuld met de
Heilige Geest, de dienstknechten Gods, die Hij aan hun
voorhoofden verzegelt eer de vier winden der aarde de
verwoestende elementen over de aarde en de zee zullen loslaten
(Openb. 7:1-3).
En deze uitdeling van de Heilige
Geest zal niet plaats hebben, deze verzegeling zal niet
geschieden, de kerk kan niet tot volmaking geleid worden anders
dan door de ordeningen, welke God in het begin voor dat doel
gaf.
Maar zij zullen weergegeven
worden. De beloften Gods aangaande het herstel van Zijn Zion in
het uur van de hoogste nood zullen vervuld worden. Gods
raadsbesluit zal ten uitvoer gebracht worden, volgens Zijn plan
door Zijn middelen en niet door de maatstaven van de mensen.
God zal weer verschijnen in de
machtige tegenwoordigheid van Zijn Geest. Opnieuw zullen, Zijn
bij de hemelvaart aan Zijn Zoon geschonken, gaven openbaar
worden. Apostelen, niet gezonden van mensen, noch door een
mens, profeten, evangelisten, herders en leraren, door Apostelen
gewijd, zullen Gods werk in Zijn kerk volbrengen. Hun bediening
vervullen tot opbouwing van het lichaam en het lichaam zal met
nieuw leven vervuld worden. De dorre beenderen zullen weer tot
elkaar naderen en op hun plaats gesteld worden, om op te staan
als een heel groot heir (Ezech. 37). Zij die het Lam volgen, die
niet bevlekt zijn, in wiens mond geen bedrog is gevonden, die
onberispelijk zijn voor de troon van God, zullen staan met het
Lam op de berg Sions als de zichtbaar geopenbaarde eerstelingen
Gods en het Lam (Openb. 16:1-6). Als het onderpand van die
heerlijke oogst, als de Zoon des mensen. Zijn engelen zal
uitzenden en zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier
winden van het ene uiterste der hemelen tot aan het andere
uiterste derzelven (Matt. 24:31).
Dat nu is uw roeping, gij
gedoopten, want nog heeft God u niet verworpen en uw hoop is
deze "dat Zijn Geest nog in het midden van ons staat met de
woorden, in hetwelk Hij met ons een verbond heeft gemaakt, als
wij uit Egypte uittrokken (Hagg. 2:6). Jezus Christus, het Hoofd
der kerk, is nog steeds bereid om Zijn ordeningen weer tot
hetzelfde doel in werking te stellen, opdat Zijn dienaren in
staat mogen zijn om de plichten te vervullen die op hen rusten.
Daarom, dan gij bisschoppen,
opzieners der kerk, God roept u op om Hem uw kudden voor te
stellen als een heilig volk, dat voor Zijn gezicht kan bestaan
en waardig bevonden worden om te bestaan voor de Zoon des
mensen. En gij, koningen, machthebbers en vorsten, aan u allen
zal God Zijn trouw bewijzen en u en uw onderdanen bewaren voor
de vloed der goddeloosheid, indien gij van uw kant uw plicht als
Zijn rentmeesters wilt erkennen en Hem wilt zoeken in Zijn kerk.
Deze redding is geen aardse verlossing of herstel van aardse
macht en heerlijkheid. Reeds wordt het laatste klokgelui van de
uitvaart van deze wereld vernomen.
De wereld gaat voorbij en met
haar de dingen van deze wereld, en de enige hoop is altijd de
hoop van de kerk geweest "tezamen met hen weggerukt te worden
in de wolken, de Heer tegemoet" (1. Thess. 4:17). om voor
altijd bij de Heer te zijn. Verlost van d val der verleiding en
de grote verdrukking die over de aarde komen zal.
Maar zult gij Hem horen? God
weet het, velen zullen het horen en wie wil die zal zeker door
het zegel Gods bewaard blijven voor de verwoesting en geborgen
in Zijn tent.
Wie echter niet wil horen en het
zegel Gods niet aannemen kunnen het gerecht niet ontlopen
waarvan geschreven staat: "Daarom zal God hun een kracht der
dwaling zenden, om de leugen te geloven; opdat geoordeeld worden
allen, die de waarheid niet geloofd, maar lust gehad hebben aan
de ongerechtigheid" (2 Thess. 2:11-12).
Maar alles kan ten goede keren:
want God heeft de smekingen van Zijn volk gehoord en de stille
gebeden, de uitdrukking der begeerten, die de voorkomende genade
van Zijn Geest in het hart van Zijn verborgen kinderen had
verwekt. Ook de gebeden die in iedere eeuw der kerk onder zijn
voorzienig bestuur tot Hem zijn opgegaan in het heilg dienstwerk
van de verschillende gemeenten der gedoopten.
Hij heeft het oor geneigd tot de
stem van een ieder die Hem met een oprecht geloof aanriep "om
neder te zien op de nood van Zijn volk en Hem te zenden die te
komen staat, het Lam, dat op de aarde zal heersen van de rots
der woestijn tot de berg der dochter van Zion, opdat Hij het juk
onzer gevangenschap verbreekt".
In de loop van deze eeuw kwamen
velen, die voor God ijverden in verschillende plaatsen, maar
vooral in Groot-Brittannië, overeen om te bidden om een
rijkelijke uitstorting van de Heilige Geest.
In het jaar 1830 werden deze
gebeden van Gods volk, dit roepen om de Heilige Geest beantwoord
door dezelfde Geest en wel in het westen van Schotland. De vorm,
waarin Hij zich in deze dagen van geestelijke dronkenschap en
wanorde openbaarde, was, zoals Jesaja het profeteerde in zijn
visioen der gerichten, die over de dronkenen van Efraim en
Jeruzalem zouden komen, namelijk: "door belachlijke lippen en
door een andere tong" (Jes. 28:11).
De leden der Schotse kerk, in
wier midden de Geest des Heren na zolang stilzwijgen en
vergetelheid Zijn stem opnieuw deed horen, waren eenvoudige en
ongeleerde mensen, die even weinig als de gehele kerk de
praktische en letterlijke zin van 1 Kor. 14 verstonden. Maar
zij waren onderwezen en wachten gelovig, dat de kerk opnieuw,
zoals in de dagen van eertijds, vervuld zou worden met
geestelijke gaven tot haar bevestiging en volmaking. Wel was
het een wonderbaar en groots werk, dat God verrichtte, toen Hij
opnieuw Zijn stem verhief in het midden van Zijn vergaderde
gemeente. Er was vreugde in de hemel, de engelen zongen Gods
lof en eer, de engelen in de hemel verheugde zich, toen de stem
van Jezus opnieuw in Zijn gemeente werd vernomen. En deze stem
zal nimmermeer zwijgen, maar uitgaan tot aan de uiterste einden
der aarde.
En wat is nu de vrucht geweest
van deze stem, die in het midden der kerk opging en door de kerk
verworpen werd. Die weerklonk temidden van de wachters en zij
kenden het geluid der bazuin niet en hebben het land niet
gewaarschuwd. Het geluid dat zich liet horen midden onder het
volk en zij hebben haar bespot en veronachtzaamd?
De stem riep: "alle vlees is als
gras" (Jes. 40:6) en zij deed het vlees verwelken met al zijn
kracht, heerlijkheid en schoonheid.
De wandel der voorzichtigen is
gebleken achteloos te zijn. De wegen der oprechtsten zijn
goddeloos bevonden. De wijsheid der wijzen en de raadslagen der
verstandigen zijn verijdeld geworden. De gedachten en
overleggingen van het menselijke hart zijn ontdekt en zijn
verdorvenheid dat van jongs afaan, is openbaar geworden. Het
licht heeft geschenen in een duistere plaats, de Heilige Geest
heeft een levende uitlegging der Schriften gegeven en de wet en
het getuigenis zijn tot één verbonden.
Maar God verliet het werk van
Zijn eigen handen niet. In het land waar God zich zo openbaarde,
waren er betrekkelijk weinigen die acht gaven op het gerucht,
dat de Heilige Geest weer in de kerk sprak. Nog geringer het
aantal van hen, die de stem van hun Vader erkenden.
Toch waren er enigen die wel
wilden horen en de tucht aannamen. Zij hebben de kracht
ondervonden van de stem der Almachtige. De stem van Hem, die
doodt en levend maakt, die doorwondt en Zijn handen helen.
Hij heeft hen behouden door Zijn
profeten" (Hos. 6:5). Hij heeft hen gewassen met het waterbad
van Zijn woorden. Hen geleid door Zijn Geest. Hen teruggebracht
tot de oude wegen en hen geleerd daarop te wandelen.
Het werk des Heren door Zijn
Geest is dit geweest: mensen door vele beproevingen, door veel
tuchtiging, door velerlei openbaring van hun eigen zondigheid en
verkeerdheid om Zijn alles overtreffende genade voor te
bereiden. Om Zijn kracht, Gods kracht, Gods eigen kracht te
kunnen ontvangen. Haar te gebruiken tot opbouw van Zijn kerk,
tot zegen van Zijn kinderen. Tot bijeen vergaderen van alle
gedoopten, zodat zij Gods volk tot het oorspronkelijke wezen en
de apostolische inrichting der kerk van Christus terugbrengen.
Hen voor te bereiden om het viervoudig ambt van Jezus te
ontvangen en zich aan de ordeningen van de Heer te onderwerpen.
Van het eerste moment aan, dat
de stem van de Heilige Geest in Schotland werd gehoord, verhief
zich telkens het geroep om "een lichaam".
De betekenis daarvan werd toen
nog door niemand duidelijk begrepen.
Allerminst door de profeten van
wie dit woord uitging. Nu echter is het duidelijk gebleken, dat
de gave der profetie slechts binnen de grenzen der kerk, die het
lichaam van Christus is, veilig uitoefend en tot nut der kerk
aangewend kan worden.
Maar hoewel dit woord nog niet
goed verstaan werd, werd het in geloof aangenomen.
Ook heeft Hij in zeven gemeenten
in Londen een voorbeeld, een afschaduw gegeven van datgene, wat
Zijn ‘Algemene Kerk’ behoort te zijn. Er zijn gemeenten
opgericht in de meeste grote steden van Engeland, Schotland en
Ierland en in enige ander plaatsen op het vasteland van Europa
en Amerika.
Deze gemeenten werden gebouwd op
het "fundament van apostelen en profeten" en ieder in het
bijzonder gesteld onder het oppertoezicht van een engel of
opziener. Met ouderlingen waarvan niet meer dan zes in elke
gemeente. Die met en onder de engel en het zevenvoudig
ouderlingschap, Gods ordening tot uitdeling van geestelijk
licht vormen. Terwijl nog andere ouderlingen, naarmate de
behoefte der gemeente zulks vereist en God hen schenkt, de
eerstgenoemden terzijde staan. Aan wie zij, hoewel van gelijke
rang, echter in gezag en waardigheid onderworpen zijn.
Tenslotte zijn er diakenen en
onderdiakenen. Aan de armen is het evangelie verkondigd door
evangelisten die de inzetting zijn voor het werk ter inzameling
van de gelovigen tot de kerk.
De priesters die in het
herderlijk ambt dienen en de evangelisten, worden ieder in het
bijzonder door het woord der profetie tot hun bediening geroepen
en door de handen van de Apostelen geordend.
De bediening der diakenen
daarintegen wacht op de tijd, dat de
Apostelen, uitgezonden met de
volle zegen van het evangelie van Christus, hun handen op al de
leden der kerk zullen leggen, om hun de gave van de Heilige
Geest te schenken. Daarna zal de gemeente hun diakenen, vol van
de Heilige Geest, voortbrengen en hun aan de Apostelen
voorstellen, zoals de kerk der eerste tijden deed
(Hand. 6).
Ook heeft de Heer bevolen dat
voor de bediening van het Heilig Avondmaal ongezuurd brood
gebroken moet worden tot een teken van de afzondering van Zijn
kerk van alle bederf. Van alle verwarring in de tucht en van
alle onreinheid des levens, van ketterij, scheuring en
onheiligheid, die Hem tot droefheid en Zijn gedoopten tot
schande strekken.
Dit is geen nieuwe sekte, het is
Gods eigen werk, waardoor Hij Zijn zegen wil schenken aan de
gehele christenheid, aan de gedoopten. God verwerpt niemand.
Hij zal allen, die zich van harte tot Hem wenden, aannemen en
hun plaats aanwijzen.
Dit is het getuigenis Gods. Een
kerk, die midden onder een ongehoorzaam en tegensprekend
geslacht wandelt in gehoorzaamheid aan allen, die over haar
gesteld zijn.
Daarbuiten raakt de dagelijkse
eredienst in verval of wordt schaars bezocht door de leken. Hier
is de dagelijkse morgen- en avonddienst, van God Zelf door de
stem van Zijn Heilige Geest, sprekende in het midden der
gemeente, de gelovigen voorgeschreven.
Hoe anders gaat het in de
nieuwe apostolische kerk toe: Rijk en arm beiden zien wij de
tienden van al hun inkomsten brengen tot het door God weer
opgerichte altaar naar Zijn gebod. dat Hij in deze laatste
dagen richtte tot een nauwgezet en gelovig volk. Dat door geen
menselijke wetten behoeft gedwongen te worden.
Dit zijn de merktekenen van een
vernieuwd apostelschap en de gewisse onderpanden dat, wanneer
het de Heer behagen zal om Zijn Apostelen uit te zenden, om aan
al Zijn volk hun handen op te leggen, dit volk ook het zegel van
hun apostelschap zal zijn in de Heer (1 Kor. 9:2, verg. Ef.
1:18, 2 Kor. 1:22).
Wonderen zijn, in de gewone zin
van het woord, op zichzelf nog geen bewijzen van de waarheid.
Als getuige van Zijn goddelijke zending noemde de Heer Jezus
Christus in de dagen toen Hij in het vlees was, in de eerste
plaats Zijn woorden en hun vruchten. Daarna pas Zijn
wonderwerken.
Door het eerste wisten Zijn
discipelen, dat Hij waarlijk "van God was uitgegaan", en "dat
Hij en de Vader één waren".
Terwijl de schare, die Zijn
wonderen gezien hadden en zelfs vele van Zijn discipelen Hem
verlieten, omdat zij zagen en toch niet geloofden, bleven zij,
die de kostelijkheid van Zijn woorden hadden gesmaakt, Hem trouw
en zeiden: "tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des
eeuwige levens" (Joh. 6.).
Ook in de herleving van Zijn
kerk geeft de Heer dit tweevoudig getuigenis, doch wel
voornamelijk het eerste.
Door de woorden der waarheid en
des levens zondert Hij het geestelijke overblijfsel af van de
menigte der belijders van het christendom. Hoewel Hij ook nu
Zijn kerk, door vele tekenen en wonderen bevestigd heeft, is
toch de waarheid, het ontdekken van de grondslagen van Zijn
woorden. Dat is het hoofdbewijs voor dit, Zijn werk.
Daarentegen zal het merkteken
van de antichrist in de laatste tijden juist de werking zijn van
tekenen en wonderen. Door zijn wonderen zal hij de wereld
verleiden, maar door zijn leugens zich aan de heiligen verraden.
Tenslotte is het nog een merkteken van het werk des Heren in de
laatste tijden, dat niet alleen de waarheid uit de Heilige
Schrift in woorden aan het licht wordt gebracht, maar dat ook
de vruchten der waarheid zich openbaren in levende mensen. Dat
Zijn kerk
uit haar diepe verval opheft, en
wel naar het in het begin gegeven
voorbeeld. Dat de geest van Elia
die komen zou, allen weer opricht en de harten der vaderen
bekeert tot de kinderen. De harten der kinderen tot de vaderen
en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen
(Mal. 4, Marc. 9:129.
En de merktekenen, die
voornamelijk in Zijn apostelen, zowel als in Zijn kerk verwacht
mogen worden zijn die, welke in de brief aan de gemeente van
Filadelphia worden genoemd: "een kleine kracht, en gij hebt
mijn woord bewaard en hebt mijn naam niet verloochend" (Openb.
3:8). Mannen, broeders en vaders! geeft ons gehoor. Wij komen
niet als rechters of scheidsrechters tot u. Wij komen niet om te
prijzen of af te keuren. Om te rechtvaardigen of te veroordelen.
Om uitspraak te doen in twisten. Wij komen ons niet mengen in de
onenigheden, die vaak van een klein begin uitgaande steeds
groter worden, totdat zij een dodelijke en onherstelbare
scheuring in het lichaam van Christus teweeg hebben gebracht.
Wij komen als gezanten van de Heer der heirscharen en wij bidden
u, zoals God door ons bad: wij bidden u, laat u met God
verzoenen.
Wij komen om te verkondigen:
"Ere zij God in de hoogste hemelen en vrede op aarde in de
mensen een welbehagen"!
Wij komen, om u terug te roepen
tot de oude paden (Jer. 6:16) om u van alle vleselijke
verbintenissen (Jes. 6:16) af en tot de eeuwigheid des Geestes
in een band der vrede terug te roepen. U in herinnering te
brengen, wat gij van het begin gehoord hebt. Datgene te
verlevigenden, wat altijd het gebed, de hoop en de sterke
vertroosting van Gods kerk is geweest. U de weg der heiligheid,
de weg der heerlijkheid te wijzen.
Om uit te roepen, dat het jaar
van het welbehagen des Heren is gekomen (Jes. 61:2) en de dag
der wrake van onze God zeer nabij is.
Evenmin als Jezus Christus, uw
en onze Heer deze namen erkent of erkennen zal. Evenmin mogen en
kunnen wij die namen niet erkennen, waarmee de leden der enige
Heilige Algemene Apostolische Kerk zich van velerlei sekten
onderscheiden.
Wij oordelen u niet over het
verleden. Opdat wijzelf niet geoordeeld worden. Want een
onbarmhartig oordeel zal gaan over degenen, die geen
barmhartigheid gedaan heeft en de barmhartigheid roemt tegen
het oordeel.
Wij oordelen niet voor de tijd,
maar wij zeggen u aan, dat de tijd van het gericht aanstaande
is. Dat de rechter voor de deur staat, die alles aan het licht
brengen zal wat in het duister verborgen was.
Zijn anderen door enige misdaad
overvallen. Zo tracht hen terug te brengen met de geest der
zachtmoedigheid. Maar wordt gij bevonden elkaar bijtende en
verslindende? Ziet toe, dat gij dan elkander niet verteerd
wordt.
Hebben anderen u verdrukt of
uitworpen? Vergeef hen, gelijkerwijs God u in Christus vergeven
hebt. Maar hebt gij behoord tot de onderdrukkers, tot de
oproermakers van de dag, tot de verwoesters van het erfdeel van
de Heer, tot de goddelozen en onheiligen? Tot hen die Gods kudde
vertrooien en opeten, en de verdeelde schapen verdrukken. Tot
de wolven in schaapsklederen?
Vertwijfel zelfs dan nog niet,
maar bekeert u. Laat af van kwaad te doen, leert goed doen,
zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht en
handelt de twistzaak der weduwe (Jes. 1:17).
En vraagt men, waarom juist God
deze dingen aan ons geopenbaard heeft, zo is dit ons antwoord:
niet om enige gerechtigheid die in ons is, of omdat wij ver
gebleven zouden zijn van de zonden, die God bedroefden en Zijn
gerichten haastelijk doen komen en waaraan ook wij in vorige
tijden ons aandeel hebben gehad. Niet om onzentwil, maar om
Zijn Naams wil en omdat Hij Zijn raadsbesluit in Zijn gehele
kerk en voor al Zijn volk ten uitvoer wil brengen.
Hij, die tussen de cherubim
woont, is aldus blinkende verschenen en heeft Zijn macht
opgewekt.
In herstelling van Zijn
viervoudig ambt van apostelen, profeten, evangelisten en
herders en leraren, waarin de kracht van Zijn Geest uitgaat om
zichzelf aan de mensen te openbaren. Door de werking van deze
ambten in alle landen zoals zij in Zijn apostelen tezamen gevat
en door hen bestuurd worden, zullen als Gods heiligen
bijeenvergaderd, gereinigd en tot Zijn tempel gebouwd worden.
Over de gehele aarde zullen al Zijn gelovigen, al Zijn
gemeenten, al Zijn heerschappijen en ordeningen zich in
zichtbare eenheid openbaren.
Want de gelovigen moeten tot één
vergaderd en als zodanig openbaar worden door een zichtbare
afzondering van de ongelovigen. Gelijk de dienstknechten des
Heren uitgaan in de landen der christenheid om Zijn banier op te
richten, zo verzamelt ook de satan zijn legermacht en zet Zijn
werk voort. En indien dit het waarachtig werk Gods is en
inderdaad het is Zijn eigen, hoogheilig, rein werk, welke moeten
dan de onvermijdelijke gevolgen zijn van de verwerping of
verachting hiervan?
Als God tot Zijn gezalfden
nadert om hun het enige middel tot herstel en redding aan te
bieden, als Hij Zijn Geest uitstort en Zijn handen tot hen
uitstrekt. Als zij dit alles verwerpen, wat zou dan nog kunnen
verhinderen, dat hun vrees komt als een verwoesting en hun
verderf als een wervelwind?
De voorbereiding der gedoopten
om de Heer te kunnen ontvangen als Hij komt, is de volheid van
de Heilige Geest. Blijven zij echter in het vlees wanneer Hij
hen roept en de middelen onder hun bereik brengt om met de
Heilige Geest vervuld te worden, wat kan hen dan nog verhinderen
om vervuld te worden met de geest van machtige dwaling en in de
handen te vallen van de mens der zonde? Als de Heer weer
Apostelen en profeten zendt tot Zijn kerk en de gedoopten hen
verwerpen en vervolgen, zo verklaren zij zich hiermee
afvalligen te zijn. Dan moet het licht de duisternis openbaren.
Het komen des Heren in de Heilige Geest tot Zijn kerk zal beide,
hen die Hem vrezen en hen die Hem niet vrezen, aan het licht
brengen. Het geestelijke woord der waarheid zal allen die de
waarheid belijden en haar behoorden te kennen, beproeven of zij
inderdaad geestelijk zijn. Zoals het bittere vloekwater allen
als ongelovigen zal veroordelen, die het niet met vreugde
aannemen".
(Numeri 5:12).
En nu, gij dienaren Gods,
opzieners en herders van Zijn kerk, gij die de eersten zijt om
de zegen te ontvangen. Maar ook de eersten in
verantwoordelijkheid als vaders der kerk, als herders van de
Heer bezweren wij verwerpt deze onze getuigenis niet. Wij bieden
aan het geloof, een hulp en kracht Gods, die de oprechten moeten
begeren, die alle vromen die in Gods woord zijn onderwezen
zullen geloven en die Gods getrouwen bij Hem zullen zoeken.
Eeuwenoude vooroordelen, de
zonden van vele geslachten, de misstappen, ja zelfs de pogingen
om het kwaad te herstellen, waaronder de kerk gezucht heeft,
hebben u in bezwaren verwikkeld. Wanneer gij ons woord verwerpt
zullen deze met schier verpletterende kracht op u wegen en gij
kunt uzelf niet daaruit verlossen.
Wij vermanen u, doet niet één
enkele schrede in eigen kracht. Zoekt niet uzelf los te maken
van de verplichtingen, waarin gij omtrent uw meerderen, uw
gelijken of uw ondergeschikten staat.
Dit is het wat God van u
verlangt. Dat een ieder blijft in uw eigen plaatsen en Zijn hand
erkend in dit Zijn werk. Dat gij de zonden belijdt, die als een
dikke wolk het aangezicht des hemels bedekken, en het licht des
levens verduisterd hebben. Dat gij afstand doet van alle
afgoderij. Dat gij u verre houdt van elke daad, ieder woord en
gedachte, die in zichzelf boos zijn. Maar dat gij met de onder u
gestelde gemeente dag en nacht wacht op de verlossing Israëls,
meer dan de wachters op de morgen. In aanhoudend gebed, met
blijde hoop. Omdat uw verlossing en die uwer kudden nabij is
door de kracht Gods en de heilige Geest.
En bovenal, bidt voor ons, dat,
zoals de Heer zich nu van ons bedient om u de woorden van deze
blijde boodschap te verkondigen, wij ook de werktuigen mogen
zijn om deze beloofde verlossing teweeg te brengen.
De organen van al die
zegeningen, die de Heer Jezus begeert en altijd begeerd heeft
uit te storten in de schoot van Zijn kerk.
En gij, vorsten en oversten der
christenheid, zijt verzekerd, dat in de weerkerende heerlijkheid
van de Heilige Geest, die aan Gods kerk geschonken wordt, uw
ware sterkte, uw gewisse en enige veiligheid in deze
verwarrende tijden is gelegen. Daarom bezweren wij u, in de naam
van onze God, dat gij als goede strijders wilt staan, voor Zijn
waarheid en Zijn kerk.
zijt getrouw in de vervulling
uwer plichten, gaat alle onzedelijkheid en goddeloosheid tegen.
Reinigt uw hoven van alle zonden en bederf. Stelt eerlijke,
trouwe en godsvruchtige mannen in uw dienst.
Vergeldt de goeden het goed en
straft de verkeerde handelingen: zodat gij het zwaard niet
tevergeefs draagt. En bedenkt bovenal, dat gij verplicht zijt,
de kerk van Christus te beschermen en te ondersteunen.
Wij bidden u. Laat haar niet de
prooi worden van de boze aanslagen der mensen. Laat haar onder
geen enkel voorwendsel van hervorming verscheurd of verwoest
worden. Erkent en handhaaft haar in al haar rechten en
aanspraken en zijt in geestelijke zaken onderdanig aan hen, die
de Heer over u, zowel als over alle gedoopten gesteld zijn.
En nu, dat Hij Zijn
oorspronkelijke verordeningen ter uitoefening van het bestuur
en het gezag in Zijn kerk herstelt, vreest niet deze te
erkennen. En voor zover uw wettelijke macht, invloed en
voorbeelden werken, zijt behulpzaam aan de uitvoering van Gods
werk. Opdat Zijn zegen de vrije toegang hebben tot Zijn kerk.
Want daarin ligt de eerste redding ook voor u en uw onderdanen.
Geen menselijke redmiddelen
kunnen u beschermen tegen de storm, die gereed is om over u los
te barsten. De enige weg ter ontkoming is, dat gij vóór het
naderend kwaad wordt weggenomen. Dat gij de toekomst des Heren
begerende en verhaastende, moogt opstijgen tot de berg Gods.
Daartoe is dit werk Gods de enige voorbereiding.
Wij hebben getracht u deze
dingen voor te leggen in alle getrouwheid en waarheid, maar
tevens met de eerbied en het ontzag, waarmee het ons voegt u te
naderen.
Wat ons aangaat, zo is het ons
voor het minste, dat wij van een menselijk oordeel geoordeeld
worden (1 Kor. 4:3). Wij weten, dat God Zijn raad ten uitvoer
zal brengen, hetzij door ons, hetzij door anderen. Maar om
uwentwil, gij gezalfden, terwille van uw moeder de kerk,
terwille der kinderen Gods, die onder Uw volk zijn en over wie
gij in geestelijke of wereldlijke zaken regeert. Terwille van
het heil der wereld, wier hoop hieraan hangt, bezweren wij
nogmaals, dat gij Gods waarachtige boodschap, die wij u
brengen, wilt aannemen.
Hetzij gij gelooft of niet,
hetzij gij ons aanneemt als Gods gezanten of niet, wij weten, de
last die Hij ons heeft opgedragen en die wij niet mogen nalaten
uit te voeren.
In de eerste plaats is dit onze
roeping, waarin wij met de hulp van onze God hopen te volharden.
Te volharden in gedurige smekingen en voorbiddingen, die
verhoring zullen vinden voor de gehele kerk van God voor alle
huisgenoten des geloofs, voor alle bestuurders der
christenheid. Voor de mensen van
alle standen en betrekkingen, die binnen de grenzen der kerk
leven.
God, de almachtige Vader, Die de
harten der mensen in Zijn hand heeft en hen naar Zijn onfeilbare
wijsheid neigt en leidt, verlene u de kennis en volbrenge in u
al het welbehagen van Zijn wil.
De genade van onze Heer en
Zaligmaker Jezus Christus, vervulle u met al de zegeningen van
Zijn goederentierendheid.
De Heilige Geest, de Trooster,
de Geest des Vaders en des Zoons leidde u van nu voortaan en tot
aan het einde in Zijn volkomen weg ter ere Gods. Tot heil van
uwe zielen en de zielen van al Zijn volk. Amen.
Ere zij de Vader en de Zoon en
de heilige Geest, gelijk het was in den beginne, nu en ten alle
tijden van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen
KLANKEN VAN HET TESTIMONIUM
IN NEDERLAND
De achttiende eeuw vormde in
veel opzichten een keerpunt in de wereldgeschiedenis. Er werd
afgerekend met de laatste restanten van de maatschappij zoals
die in de middeleeuwen was ontstaan. In deze eeuw werden de
theorieën gezaaid waarvan in de negentiende en de twintigste
eeuw de vruchten geplukt zouden worden.
De Franse revolutie had, ook al
werd na dat gebeuren weer veel teruggedraaid, een verandering in
de maatschappelijke structuur, veroorzaakt Deze verandering,
vooral op geestelijk terrein, was al begonnen vóór de revolutie.
Misschien had zelfs, zonder het tijdperk dat "Verlichting"
genoemd wordt, nooit een Franse revolutie plaats gevonden. De
benaming "Verlichting" staat ook in duidelijk contrast met de
uitdrukking "duistere middeleeuwen".
De denkbeelden van de
Verlichting werden ontwikkeld en uitgedragen door vele
filosofen en schrijvers. In Engeland waren dat o.a. Hobbes
(1583-1679), Hume (1711-1776) en Locke (1663-1704), in Duitsland
o.a. Leibnitz (1646-1716) en in Frankrijk Voltaire (1694-1778),
Diderot (1713-1784) en vooral Rousseau (1704-1788).
De strijd van de Verlichting
richtte zich tegen het bijgeloof, een middeleeuws restant, maar
ook tegen het geloof in een almachtige God die de wereld
geschapen heeft, leidt en bestuurd. De Verlichting stelde de
mens in het middelpunt, de mens met zijn handelingen en
verstand. Er werd onderlinge gelijkheid geëist en individuele
vrijheid. Het goddelijke gezag werd terzijde geschoven, daarvoor
in de plaats kwamen maatschappelijke verdragen.
Vanaf 1751-1772 verscheen de
Encyclopédie *1) in 28 delen. De eindredactie daarvan was in
handen van Diderot en d'Alembert. In de redactie zaten o.a.
Voltaire en Rousseau. Deze Encyclopedie was doortrokken met de
theorieën van de Verlichting. Al het menselijke kunnen en
kennen, de wetenschap werd hierin opgetekend en gebruikt als
bewijs van het menselijke vermogen. Een God was niet nodig.
De periode van de Verlichting is
niet in jaartallen te vatten, ook verschilde de stroming van
land tot land en van persoon tot persoon. Niet alle deelnemers
waren tegen de religie, enkelen wilden alleen verandering, maar
naar het atheïsme was het maar een kleine stap. In het "Boek
voor onze tijd", verschenen in 1872, waarover later meer, werd
de Verlichting genoemd als een uiting van het Beest zoals
beschreven in de Openbaring van Johannes.
"Eén van de eerste monden van
het Beest was Voltaire, vrijdenker en gewetenloos spotter met
alle godsdienst. Gelijktijdig met hem leefde Rousseau en beiden
hebben bijgedragen om alle godsdienst verdacht te maken."
"Verlichting" als een
geestelijke omslag, "revolutie" als een maatschappelijke omslag
waren de proloog van de "moderne tijd".
Hoewel beide stromingen,
verlichting en revolutie, de vooruitgang op geestelijk en
maatschappelijk terrein bevorderd hebben, was de balans
doorgeslagen.
God, werkend door de heilige
Geest, waarschuwde tegen teveel eigendunk. Hij bereidde alles
voor om weer apostelen te zenden die hun komst bekendmaakte
door het Testimonium. Maar, zoals vaker voorgekomen, werkte de
Heilige Geest op meerdere plaatsen gelijktijdig. Echter, niet
altijd is de mens in staat en bereid om het werk van God, d.m.v.
de Heilige Geest, te erkennen, zoals dat destijds in Engeland
wel het geval was.
Toch laat de Heilige Geest laat
zich niet inperken tot een Geest die naar eigen goeddunken en
volgens eigen tijdplanning gebruikt kan worden In Hand. 2:17
zegt God:
"Ik zal mijn Geest uitstorten op
alle vlees", Hij bepaald bij wie en wanneer. Hij gebruikt
daarvoor Zijn knechten, de Apostelen, maar Hij is het Hoofd en
de Meester die daarvoor de opdracht geeft.
In Nederland gebeurd alles
vijftig jaar later, althans naar de mening van de Duitse
satirische schrijver Heinrich Heine.
Dat gold zeker voor de werken
van Heine zelf. Het Nederland van die dagen had grote moeite om
de vaak venijnig bijtende teksten van Heine te accepteren. Maar
de schijn bedroog. Nederland was alles behalve achter, weliswaar
heerste een gezapige stilte, maar dat gold zeker niet op het
kerkelijk erf. Al in 1822 waren twee Joden, Abraham Capadose en
Isaac da Costa, leerlingen van Bilderdijk, tot het christendom
bekeerd. Vooral da Costa zou een vooraanstaande plaats innemen
in de Revèil-beweging, internationaal al vroeger ontstaan, maar
in
Nederland in ca. 1840.
*) Volledige
beschrijving: “Encyclopedie du Dictionnaire raisonne de
sciences, des arts et des metiers.
17 delen tekst, 11 delen
illustraties. Verschenen tussen 1751-1572. Eindred. Diderot en
d’Alembert
Later komen we, met vermelding
van de activiteiten op het Revèil in Nederland terug. Bij vele
christenen in die dagen heerste de mening dat, als eerst alle
Joden weer in Israel een staatskundig en geestelijk huis moesten
hebben, Christus zou wederkomen. Bewegingen waren actief die
ijverden voor dat doel, met name in Engeland. Het waren
gezelschappen die tot doel hadden Joden te bekeren. Joseph
Wolff, die een prominente gast was bij de Albury-conferencies,
was zendeling onder de joden.
Deze activiteiten werden
voornamelijk gebaseerd op de bijbeltekst in Ezechiël 37:22: "Ik
zal ingrijpen, volk van Israel – niet omwille van jou, maar
omwille van mijn heilige naam".
De bekering van da Costa en
Capadose werd ook in dat kader gezien.
In 1823 werd de "Bezwaren tegen
de geest der eeuw" van Isaac da Costa gepubliceerd. De reactie´s
waren furieus, da Costa had zelfs politiebescherming nodig.
Echter, wat da Costa is zijn "Bezwaren" schreef, vinden we
later, ten dele, ook terug in het Testimonium. Wat da Costa
schreef was niet uniek maar leefde binnen de kringen van vele
verontrustte christenen.
Godsdienst, zedelijkheid,
verdraagzaamheid en menselijkheid, schone kunsten,
wetenschappen, constitutie, geboorte, publieke opinie,
onderwijs, vrijheid en verlichting zijn de thema's die da Costa
in zijn "Bezwaren" behandelden.
Zo verzucht hij, na vastgesteld
te hebben welke tijdgeest regeert, “Veregeefsch openbaart ons de
Apostel Johannes, dat Jezus Christus is het Woord dat bij God
was, vergeefsch noemt Thomas zijn God en zijn Heer, vergeefsch
belijdt Hem Paulus als den God, boven allen te prijzen in
eeuwigheid; vergeefsch schrijft Hij zelve zich namen en
eigenschappen toe, die den Almachtige alleen kunnen toebehoren”.
En over de opkomende denkbeelden
in zijn tijd: “Wij hebben immers de metafysiche stelsels van
Schelling en Fichte: wat hebben wij langer met die van Paulus en
Joannes van nooden? Wij hebben de hoogmoedige eigen wetgeving
van Kant; wat zullen wij ons langer om de nederige leer van
liefde en zelfverloochening van den gekruisten Jezus van
Nazareth bekommeren” “De gevolgen blootleggende ... waardoor
aan de Schriften, die zijne natie, sedert zoo vele eeuwen als
een pand van Gods genade bewaart, al minder en minder heiligheid
en gezag wordt toegeschreven, ja waarin allerlei valsheden en
zotheden worden uitgedacht, en in honderden, van grote en
kleine geschriften (die de drukpers zich beijvert met ongebonden
vrijheid wereldkundig te maken) verspreid”
“Of is het wellicht, om dat men
eertijds den misdadiger streng kastijdde; en den braven burger
in zijn leven, eer, en fortuin krachtdadig handhaafde, terwijl
men thands met eene lafhartige laauwheid de openbare
rustverstoorders slechts teh halve durft temmen, en de orde der
maatschappij niet den met een zekere schroomvalligheid bewaren,
dat men deze eeuw menschlievender heeten moet? Het zij verre,
dat wij allen in zulk eene verregaande verwarring van
denkbeelden en woorden zouden denken!”
Toch, ondanks dat da Costa
opkwam voor een levenswandel zoals het in de bijbel, door Jezus
Christus voorgeleefd, zo is hij een man van zijn tijd en
schrijft over de slavernij:
“Vergenoegen wij ons dan met de
plicht te vervullen, die ieder dag ons aanwijst, en die de
Voorzienigheid aan ieder onzer naar mate van zijne vermogens,
van zijne betrekkingen, en van de waarachtige behoeften onzer
medemenschen heeft opgelegd; en stellen wij ons niet in den
Vader, die in de Hemelen is, als hadden wij Zijner schepselen
liever dan Hij-zelve (Gen. IX, 25-27) Neen! zoo op het
nageslacht van Cham nog de vloek rust van den gehoonden
Aartsvader, ook aan dien vloek heeft Gods oneindige
barmhartigheid een zegen ter verzachting gehecht: en de Neger,
wier de door Hem bepaalde orde aan den naar lichaam en ziel
verre boven hem verhevenen blanken heeft dienstbaar gemaakt,
geniet daartegem eene veiligheid, een welvaart in zijnen staat,
die een oneindig getal vrijen in den hunnen vaak ontbeert, De
slavernij sluit hem ook niet uit van die alles vervullende
Goedheid, die zich op zoo vele en zoo onderscheidene wijzen
openbaart, verre boven onze bevatting en boven onze verbeelding.
In dien hoogeren staat, waartoe het kortstondig verblijf op
aarde, slechts eene voorbereidng is, zullen wij eenmaal de
aanbiddelijke Wijsheid rechtvaardigen, die een zoo groot en
veelvuldig onderscheid tusschen Adams kinderen gewild heeft, en
wij zullen de Waanwijsheid verfoeien en beklagen, waarmede wij
zijne ondoorgrondelijke ontwerpen zoo dikwerf, schoon
vruchteloos, trachtten te verijdelen in onze blindheid”.
“En wie als zij, aan de
heiligheid en waarheid der zaligmakende leer van Christus ziel
en leven hebben getracht te ontnemen, diegenen die in de zending
van Christus weinig meer gelieven te zien, dan een
voortreffelijk wijsgerig stelsel
... want zelfs de naam van
christendom is aan de vrijheids- en verlichtingsschreeuwers
onzer filosofische tijden onverdraaglijk. Wij hebben immers de
metaphysische stelsels van Schelling*) en Fichte*); wat hebben
wij langer met die van Paulus en Johannes van node. Wij hebben
de hoogmoedige eigen wetgeving van Kant; wat hebben wij ons
langer om de nederige leer van liefde en zelfverloochening van
den gekruisten Jezus van Nazareth te bekommeren”?
“En dat deze werkelijk de staat
van zaken in het tegenwoordige Europa is, zal toch wel niemand
ontkennen, die maar enigszins met oplettendheid de Geest heeft
nagegaan, van hetgeen dagelijks van verre en van nabij rondom
ons geschiedt. Bijna ieder uitkomend geschrift kan getuigenis
geven van de slapheid, van de onverschilligheid, van de
verkeerdheid, van de verdorvenheid, van de afschuwlijkheid der
heersende denkwijze omtrent de godsdienst. Niemand minder dan de
verklaarde voorstanders der verlichting van de eeuw zal ons dit
tegenspreken. Zij roemen daarop, als op zovele bewijzen van de
opgehelderde begrippen, die thans heersende zijn! Maar bij u,
oprechte aanhangers, van welke meer of min strenge
geloofsbelijdenis het ook wezen moge, bij u kunnen althans deze
bewijzen niet doorgaan; en hoe gij dan ook in andere opzichten
mocht genegen zijn, zijn de verlichting onzer dagen te erkennen
en toe te juichen, op dit punt hetwelk u boven alles aan het
hart behoort te liggen, op het punt der godsdienst zult gij
moeten bekennen, dat er een verschrikkelijke uitzondering plaats
heeft! En wanneer gij nu dit zult bekend hebben, zo denkt na en
onderzoekt en overweegt onpartijdig, of het niet in alle andere
betrekkingen van de mens in onze dagen even slecht gesteld is,
niettegenstaande alle begoochelingen die men in het werk stelt,
om elkander het
tegendeel op te dringen. Gij
zult er eindelijk toe geraken om gelijk zich deze eeuw alle de
gevoelens en alle de
de wijsheid van onze voorouders,
van onze Hervormers, van de apostelen zelve, ja! ….van de Heer
der Hemelen schaamt, u met ons de eeuw te schamen, die zich zo
veel aanmatigt, en om openlijk haar diepe verdorvenheid en
verregaande dwaasheid met ons te verkondigen! (10, 11) ... één
dier leuzen, waarmee men een halve wereld te wapen roept, en ten
strijde leidt tegen alles wat aan de heerszuchtige oogmerken
Van hen, die niets in de hemel
noch op de aarde boven zich verdragen willen, de minste
tegenatand durven bieden …indien de overheden de banden, waarin
zij tot behoud der maatschappij wederhouden worden, goed vonden
los te maken, en hun de vrije macht gaven om naar welgevallen te
plunderen en te moorden … Want aldus spreekt de geest die thans
over alle landen van Europa schijnt te heersen. “Gij, Vorsten,
Ouders, Leraren! Wat gekommert gij u over de denkwijzen uwer
onderdanen, uwer kinderen, uwer kwekelingen ten aanzien van de
godsdienst. Mits zij de waarde van de mens en de rechten van de
burger kennen, wat hebben wij met de plichten van de Christen
van node? Indien immers de Jood het voorrecht zijner afkomst en
de hoop op zijn Messias wilde opgeven, en de christen de leer
zijner Verlossing en verzoening, en alle
verdere verschil van begrippen
in de godsdienst uit de weg geruimd waren, dan zouden de
algemene verbroedering, welvaart, verlichting en wijsheid der
menschen door niets meer verhinderd worden. Het domme,
bijgelovige voorgeslacht moge het van groot belang voor de mens
gerekend hebben, te weten wat de dingen des hemels zij! Laten
wij wijzer zijn, en onze kostbare tijd niet aan dergelijke
bespiegelingen verspillen. Neen, maar houden wij ons veeleer
bezig met de beste middelen, om aanzien en eer te verkrijgen, om
geld te verzamelen, ten einde onze driften en begeerlijkheden
de volle teugen te kunnen vieren, in één woord, met de aardse
dingen, want deze alleen zijn wezenlijk! Laat ons eten en
drinken, want morgen sterven wij!”
Geheel in de geest der tijd
heeft da Costa dus twijfels over de afschaffing van de
slavernij.
“... afschuwelijker en tevens
meer algemeen in onze dagen aangenomen, en met meer woede
voorgestaan, dan dat van de oppermacht des volks, en van de
oorspronkelijke ondergeschiktheid van alle Vorsten en Overheden
aan die oppermacht, welke zij alleenlijk heten uit te oefenen,
en voor welke uitoefening zij in zo verre aanspraaklijk aan het
volk gesteld worden, dat hunne macht in 's volks boezem
terugkeert..
Zo is er dan geen waarborg voor
vrijheid en wederzijdse rechten in een ellendig stuk papier,
dat door een sterke hand zo licht verscheurd wordt maar de
waarborg moet gezocht worden enig en alleen in het geweten van
de Vorst, die voor een van God ontvangen aanstelling voor Gods
vierschaar dan ook verantwoordelijk is”.
Da Costa veroordeeld dat alles
door middel van verdragen en overeenkomsten beslist wordt,
zonder iets aan de goddelijke leiding over te laten. Gaan de
vorsten en overheden af op de "publieke opinie" nu, deze
publieke opinie bestond ook in Sodom en Gomorra, bij de Joden in
de woestijn, toen de profeten in Jeruzalen gestenigd en gedood
werden. De publieke opinie bespotte Noach, toen hij de ark
bouwde.
“Wel aan dan, gij Vorsten, wien
God in deze hachelijke tijden den scepter toevertrouwd heeft om
uw moed en vertrouwen in Hem op de proef te stellen! Staat op en
dulde niet, dat door middel van een bedrieglijk en ter dood toe
vleiend sofisme* alle de banden, die de mensen onderling en
tezamen met de hemel verenigd, wegvallen. Het is uw plicht u
boven de publieke opinie te verheffen, niet door haar bestierd
te worden, maar haar te bestieren en daartoe alle die middelen
in werk te stellen, die uw geweten en uw van God afkomstig recht
u aan de hand zullen geven”.
Samenvattend concludeerde Da
Costa: “Dit is een eeuw van: slavernij, bijgeloof, afgoderij,
onkunde en duisternis”.
*) Volledige
beschrijving: “Encyclopedie du Dictionnaire raisonne de
sciences, des arts et des metiers.
17 delen tekst, 11 delen
illustraties. Verschenen tussen 1751-1572. Eindred. Diderot en
d’Alembert
Dan de reactie´s. Da Costa werd
van vele kanten aangevallen. Geschriften verschenen waarin hij
veroordeelt werd. Enige citaten:
“Ofschoon nu dit werkje van den
Heer da Costa vele, wel treurige, doch niettemin zekere
waarheden bevat, zoo stuitte ons echter reeds dadelijk de
meesterachtige, hoogdravende en alles veroordeelende toon, welke
hierin doorstraalt”. “Wij verheugden ons zoo hartelijk,en zoo
velen met ons, toen de Heer da Costa het Christelijk geloof
omhelsd had, en beloofden ons daarvan voor het vervolg zoo veel
goeds; maar voegt het nu, in den mond van eenen pas in onze
kerkgenootschap aangenomenen, dat hij liefdeloos over leeraars
en leeken een oordeel velt; en zulks waarom? … omdat deze eeuw
verdraagzamer is. Het is zijn Ed. nog niet bekend, al het kwaad,
dat dit in zijn geschrift veroorzaakt heeft, niet alle bij zijne
tegenwoordige broeders, maar ook onder enkele belijders van den
Godsdienst, welke hij vroeger aankleefde; en wij willen zulks
ook voor hem verzwijgen, om zijne sombere gemoedsgesteldheid
daardoor nog niet slechts te vermeerderen!…”
Dit boekje, anoniem verschenen
van de hand van J.J.E. F. Schröter uit den Haag, verscheen in
1823 in Dordrecht bij Blusse en van Braam.
In hetzelfde jaar verscheen “De
bezwaren tegen den Geest der Eeuw van Mr. I. da Costa,
toegelicht door Mr. .Willem Bilderdijk, de leermeester en vriend
van da Costa. Enige citaten hieruit:
“Het kan zijn, dat men hier den
zachten en by jonger leeftijd welvoegenden toon, door da Costa
in acht genomen (doc die echter den kitteloorigen domkoppen,
naar het blijkt, nog te hard is,) niet hoort; maar die vijftien
jaren lang by het achtbaarst Gerechtshof van Europa voor de
onschuld en ’t recht gesproken heeft, zal of kan by het nietig
geslacht dan thands opgestaan is geenen anderen aannemen, dan
hem altijd eigen was, en die hy het recht heeft te voeren.” “…
zoo is dan het stelsel van Natuurlijke Godsdienst ontstaan. Dat
is: Godsdienst uit loutere eigen natuurkrachten des menschen
door zijn eigen verstand buiten Openbaring ontdekt. Een onding,
dat niet dan door de onderstelling bestaat, dat de mensch als de
dieren en kruiden uit de aarde opgekomen of door God in het zaad
heengeworpen zou zijn, zonder zich aan hem bekend te maken. Een
onding, zeg ik …”. “Wat Godsdienst is, of kan er zijn, by die
hunne kinderen, Christus erfdeel, zonder hen met God of
Godsdienst bekend te maken, aan een schoolonderwijs overgeven,
waar de Godsdienst volstrekt uitgesloten is; by hen wier
stelregel is, die men een kind van God, vooral niet van Christus
moet spreken, ja zelfs het bidden voor hun verbergen? Wat kracht
of wat wezendlijkheid by een kerk, waar hem ieder, hoe
Godslasterend van gevoelens, hoe Godtergend ook van leven, tot
het avondmaal toelaat, om dit te ontheiligen, en anderen tot de
gruwlijkste ergernis te strekken; waar geen recht tot onderzoek
op geloof of zeden, geen recht tot uitsluiting is of geoefend
kan worden; een recht dat toch elk gezelschap hoe nietig ook, in
zich heeft!” “Zie daar de gevolgen, waar de Godsdienst ’t
beginsel der kennis niet is! Dan boezemt men hem een afgodischen
eerbied voor Heidensche schriften in, leeft hem plichten uit
Cicero, welsprekendheid uit Socartes, filozofie uit Plato of
Seneca enz. Zoo wordt hy met opgetogenheid over zich-zelven
vervuld, gevoelt niet hoe veel hy mist, of gevoelt hy daar iets
van, hy letterblokt voort, verhardt in de hem ingestampte
vooroordeelen; ’t egoïsme stijgt bij hem ten top, en de bron, ’t
middelpunt aller kennis en waarheid is hem onbekend gebleven, hy
voert zijne verblindheid overal om en verspreidt haar ter goeder
trouw.” “Is dan tegenwoordig de Eeuw van Constitutien maken. –
Indien God onmiddellijk, en gelijk wy het Rijk van Christus
verwachten, op aarde regeerde, men zou, (durf ik hopen) geene
Constitutie verlangen om Hem, den Almachtige, de handen te
binden. Ik zeg dit te hopen, maar waag hier reeds veel mee,
want, met grond van waarheid heeft Luther in zijn tijd reeds
gezegd: Dit kan God van de menschen niet krijgen, dat zy hem God
willen laten zijn, en niet Zijne plaats innemen. En dagelijks
zien wy dit bevestigd; en die zelf-zelf de Zedenwet geven wil,
waarom zou die ook de Staatwet niet zelf willen regelen? Ik
stond op het punt van te zeggen, het is dus mistrouwen op den
Vorst, waarom men hem banden oplegt; maar neen, het is
wederspannigsgeest tegen God-zelven, het is wil om zich-zelven
de wet te geven, zelf te regeeren, zelf boven alle gezag (God
niet uitgezonderd) te zijn; het is met een woord gezegd, de
hoogmoed van Lucifer.”
En zo gaat het geschrift van
Bilderdijk, 66 blz. dik, nog een poosje door. Bilderdijk dikt
alles wat da Costa schreef nog een beetje aan. Dat kon hij ook
doen omdat hij, gezien zijn leeftijd, niets van tegenmaatregelen
te vrezen had.
Ook Groen van Prinsterer schreef
later een werk waarin hij wees op de tijdsomstandigheden, In
1847 verscheen zijn "Ongeloof en revolutie. Eene reeks van
historische voorlezingen".
Dan echter bestaat er al een
reeks van contacten met Reveil-mensen in andere landen. Abraham
Capadose, de vader van de latere co-adjutor (apostelhelper)
Isaac Capadose, heeft vele vrienden in Schotland en Engeland.
Over zijn verblijf in Scotland in 1846 en Londen in 1851
berichtte hij uitvoerig in de blad "Christelijke Stemmen".
Capadose kende Thomas Chalmers. de prediker bij wie Edward
Irving gediend had en die in 1849 in Londen de laatste preek
tijdens zijn aardse leven hield.
In 1848 is ds. Callenbach in
Londen en heeft daar ontmoetingen met Robert Inglis, Haldane
Stewart en
apostel King-Church toefde,
samen met zijn helpers, enige malen in Nederland, o.a. in 1838
en 1847. Het is niet meer precies na te gaan wie zij bezocht
hebben, slechts enkele namen zijn bekend w.o. die van Da Costa.
Al zou het nog jaren duren voordat in Nederland een
Katholiek-Apostolische Gemeente ontstond, 1864, was hier dat
werk als eerste land buiten bekend, mede door Willem de Clercq.
Met regelmaat verschenen "waarschuwingen" tegen de
"Irvingianen". Het is wel zeker, ook al ontbreken concrete
aanwijzingen, dat het Testimonium in Nederland bekend was, zeker
in Reveil-kringen.
Groen van Prinsterer meende door
politieke invloed de staat weer op haar "volmacht door de hand
van God" bewust te kunnen maken. De inhoud van "Ongeloof en
Revolutie" vormt dan ook de proloog voor het oprichten van een
politieke partij. Toch bevat dit standaardwerk van Groen ook
passage's die overeenkomen met de tekst van het Testimonium".
Hieronder volgen enkele citaten, uit de eerste druk, van
"Ongeloof en Revolutie" van 1847.
"Deze wanorde is geenszins
binnen het eigenlijke Staatsrecht beperkt. Veeleer strekt zij
zich uit tot de gehele maatschappij. Ik wijs u op te niet gaan
van de verscheidenheid der standen, gelijk zij op verkregen
rechten en op de aard van de ontwikkeling, gebouwd was .
Dezelfde twijfelzucht is
zichtbaar ten aanzien van de grondslagen van de godsdienst,
zedelijkheid en recht. De meeste verdeeldheid van begrippen,
alles is subjectief en individueel. Een ieder heeft zijn eigen
geloof, zijn eigen mening, bij velen zo wankelbaar dat zij, in
eigen verstand en hart, bij het veranderen der omstandigheden
en wisselen van jaar en dag, telkens door een andere even ras
voorbijgaande mening gevolgd en afgewisseld wordt. Wij hebben
thans niet één kerkgeloof, niet enige Godsdienstige Gezindheden,
maar inderdaad onder bijkans de algemene benaming van
Christelijke belijdenis, een ontelbare menigte van opvattingen
omtrent God en Zijn woord. Niet door vermeerderde
overeenstemming, maar door afnemende belangstelling, vermindert
somswijlen de hevigheid van de strijd. Reeds brengt bij menigeen
de twist over leerbegrippen weerzin tegen elke leerbegrip
teweeg, zodat het tijdperk nabij zou kunnen komen waarin uit
onverschilligheid aan de godsdienst en en behoefte aan rust, de
waarheid, dat is het enig overgebleven middel van redding, niet
zou worden geduld.
De revolutie moet in verband met
de wereldgeschiedenis worden beschouwd. Zij is, in omgekeerde
zin, wat de Hervorming voor de Christenheid is geweest. Gelijk
deze Europa uit het bijgeloof gered heeft, zo heeft de
omwenteling de beschaafde wereld in de afgrond van het ongeloof
geworpen. Gelijk de Reformatie, even zo strekt de revolutie zich
over elk gebied van praktijk en wetenschap uit. Toen was
onderwerping aan God, heden is opstand tegen God het beginsel .
De bijbel is de onbedrieglijke
toetssteen. Onvoorwaardelijke onderwerping aan Gods Woord is
steeds de waarborg van plichtmatige gehoorzaamheid en van
plichtmatige wederstand, van orde en vrijheid geweest. Met de
uitspraken der Openbaring kan geen leer van trotse zelfvolmaking
of van schromelijke losbandigheid bestaan.
Vraagt gij van het wezen van de
Staat: die had tot kenmerk de Souvereiniteit, de
onafhankelijkheid van het gezag. Vraagt men naar de oorsprong:
men wist dat de Staat niet van menselijk maaksel, maar van
goddelijke instelling was, met de natuur en met de behoefte der
gevallen mensheid in onafscheidelijk verband. Nuttige
waarschuwing: indien zij betekent dat in een welgeordend Rijk
of Gemenebest, niemand volkomen onafhankelijkheid bezit, dat
alle ingezeten onderdaan en, of alleen, of met andere verenigd,
in al wat tot de kennisneming van het staatsgezag behoort,
enigermate ondergeschikt is.
De heiligdom van de rechten der
standen werd als hoeksteen van het Staatsgebouw gewaardeerd,
totdat, toen men omverwerping ten doel had, de hoeksteen
natuurlijk als een steen des aanstoots beschouwd werd.
Het goddelijk recht der overheid
werd, althans in de laatste tijden en wordt nog tenminste vrij
algemeen, als verouderd misbegrip der duistere middeleeuwen, als
zinneloos verdichtsel van vorstelijke sluwheid en priesterlijke
hebzucht beschouwd, als een weefsel der ongerechtigheid, hetwelk
met eene menigte van dwalingen en ongerijmheden in verband staat
.
Een kerk, gelijk de
godsvruchtige en beroemde Chalmers die zelf deze stelling in de
praktijk weet te brengen, zich uitdrukt, een kerk kan in
tijdelijke zaken van de Staat afhankelijk zijn, zonder dat er
in geestelijke dingen een zweem van afhankelijkheid zij, al
ontvangt zij onderhoudt van het burgerlijk gezag, behoeft zij
van dezelfde kant niet haar Godsgeleerdheid te ontvangen”.
Verder wijst Groen van
Prinsterer op de verschillende staatsvormen, monarchie,
republiek etc. en beschijft het falen van de staat, zowel van de
vorst als speelbal der standen, als de partijstrijd in een
republiek en geeft een historisch overzicht waaruit dit blijkt.
“... Dat alle Souvereiniteit, in
tegenstelling een door mensen opgedragen macht, een eigen gezag
en een van God, om daarmee te woekeren, toevertrouwd talent is,
en terwijl ge met mij, evenzeer legitieme republieken als
legitieme monarchieen erkent, verzet ge u, evenals ik, tegen al
wat, met vernietiging van elke staatsvorm, revolutionair is.
... Wordt opstand voor de
onderdanen beginsel, dan zal voor de vorsten dwingelandij
politiek zijn ... (citaat van Edmund Burke*).
“... en zo we niet steeds in het
oog houden, dat zij het gewrocht van een meer algemene oorzaak
geweest is, van een wereldcrisis, die tevens een crisis was in
de geschiedenis der christelijke kerk, een tijdperk van verval
en afval, een strijd tegen het Evangelie op elk gebied van
wetenschap en praktijk, dat zij in alle
*)Edmund Burke (1729-1797)::
Engels staatsman en schrijver, conservatief politicus. De latere
co-adjutor Isaac Capadose schreef een boek over hem.
vormen en perioden de
ontwikkeling was van een systematisch ongeloof, hetwelk zich in
een reeks van politieke stelsels en van gruweldaden uitgedrukt
heeft.
De toegang tot de waarheid is
geopenbaard, laat ons van dit voorrecht gebruik maken. Leest de
geschiedenis van mijn eerwaardige vriend Merle 'd Aubigné*). .
Hoe geschied dit, de verbreiding
van het revolutionaire ongeloof? Op zeer natuurlijke wijze. Het
Evangelie is het zout der wereld. Dit zout is door de Roomsen
uitgeworpen, bij de Protestanten zouteloos geworden en algemeen
bederf is gevolgd
Na de verkeerdheden en ondeugden
van de Rooms-katholieke en Anglikaanse kerk beschreven te
hebben vervolgd Groen van Prinsterer: “Ik mag niet vergeten dat
ook bij de Protestanten en groot deel der verantwoordelijkheid
en der schuld ligt. Aan hen waren de woorden Gods toevertrouwd.
Hoe hebben wij dat
kostelijk erfgoed bewaard? De
opwekking is, in haar zuiverheid en levendmakende kracht,
kortstondig geweest. Veel verkeerds heeft zich erbij gemengd.
Veel verflauwing werd spoedig openbaar. De geschiedenis der
Protestanten was, gelijk die van het oude Volk Gods, gelijk die
van ieder volk en van iedere zondaar, verval en achteruitgang,
zodra hij niet door Gods geest opgebeurd, staande gehouden,
voortgeleid wordt, Reeds in het midden der zestiende eeuw had
de Reformatie, veertig jaar tevoren begonnen, het hoogste
toppunt bereikt (1730. De bestrijding der dwaalbegrippen is voor
het geloof onmisbaar, maar wee der kerk, als die handhaving
enkel bestaat in het voeren van de plichtmatige strijd. Dat toch
ontaardt de strijd zo licht in spitsvondig en liefdeloos ophalen
van verscheidenheden, met voorbijzage der overeenkomst. De
liefde gaat verloren en waar de liefde verloren gaat, is het
geloof in levensgevaar. Voorzeker, waar de goddelijke oorsprong
van het gezag miskend wordt, daar blijft, zolang de energie der
bevolking niet uitgeblust is, geen keus dan tussen het uiterste
der losbandigheid en het uiterste der slavernij” .
Veelvuldig citeerd Groen van
Prinsterer uit het werk van Thiersch. Ook beschrijft Groen “de
tekenen der tijd”. .
Zo leefde de inhoud van het
"Testimonium" bij vele christenen in vele landen. Het
"Testimonium" echter was expliciet gericht aan vorsten,
burgerlijke en kerkelijke overheden die, door hun aanzien ook in
staat zouden zijn om veranderingen teweeg te brengen.
*) Merle 'd Aubigne:
Geschiedenis der Hervorming. Ook geciteerd in het "Boek voor
onze tijd".
BEGIN VAN DE BEZOEKEN AAN
LANDEN IN EUROPA
Het "Testimonium" zoals op de
voorgaande pagina’s, zeer verkort, weergegeven, telt in de
Nederlandse uitgave 131 pagina's.
Dat complete “Testimonium” heeft
met de bijbel gemeen, dat het van verrassende actualiteit is,
anders geschreven: tijdloos. Beschrijft de bijbel situaties die
we kunnen herkennen in ons dagelijks leven, ook het
“Testimonium” bevat passage's die ook vandaag, waarschijn
anders verwoord, geschreven zouden kunnnen zijn.
Het belangrijkste echter dat het
“Testimonium” weergeeft is dat, wil de mogelijkheid geschapen
worden van Jezus wederkomst, de kerk, als lichaam van Jezus weer
ingericht wordt naar Zijn wil. Dat de ordeningen, zoals die in
de eerste kerk onder de apostelen bestonden, de ambten en
gaven, vooral het ambt van Apostel, weer hersteld zouden worden.
Uitdrukkelijk staat in het
“Testimonium” dat Jezus wederkomst pas plaats kan hebben als de
"volheid der kerk", het volwassen zijn, bereikt is. Pas als kind
een mansgestalte heeft aangenomen, Gods kinderen één zijn in de
breking des broods, het gebed en de leer der apostelen, dan zal
het wonderbaarlijke dat apostel Johannes op Patmos mocht zien,
werkelijkheid worden.
Zoals de God de geest en pen
leidde van hen die de heilige Schriften schreven, zo leidde God
ook de geest en pen van Cardale en zijn mede-apostelen bij het
schrijven van het “Testimonium”. En net zoals het leven volgens
de bijbel moeite en strijd kost, zo kost het ook moeite en
strijd om het “Testimonium” in de dagelijkse praktijk te
brengen.
God echter is genadig. Hij ziet
naar het pogen en streven van Zijn kinderen om te worden als
Zijn Zoon en alleen al dat pogen en streven ziet Hij met
welgevallen en Zijn loon zal daarop rusten.
Ook dragers van een geestelijk
ambt moeten daarvoor moeite doen. Zij hebben niet minder te
strijden tegen vlees en bloed dan ieder andere gelovige. Daar,
waar aanzien en verering ontstaat, zal de Wederstrever er alles
aan doen om dat aan te wakkeren, het laten omslaan naar vergaren
van eigen roem en eer.
Dat overkwam de Engelse
apostelen. Zij dulden geen personen meer naast zich die het
apostelambt zouden dragen, met hen zou alles voleindigd worden.
Dat alles in tegenstelling met wat oorspronkelijk geschreven
werd: dat de kerk in “volheid” hersteld moest worden.
Wat de Engelse apostelen onder
deze volheid verstonden was o.a. de samenstelling van de z.g.
Raad van Sion.
Deze raad kwam voor de eerste
keer bijeen op 14 juli 1835 in de Centrale Kerk.
Tot deze raad behoorden de 12
Engelse apostelen, 7 profeten, de 4 pilaar-ambten, de 7 engelen
van de (Londense) gemeenten, 42 oudsten met hun 42 hulpen, de 5
Pilaar-evangelisten, de 60 evangelisten voor Londen, de 60
evangelisten "voor de volkeren", 5 voor elke stam, en 49 (= 7x7)
diakenen. Wilde deze Raad compleet zijn dan waren 288 personen
aanwezig. In werkelijkheid echter is het aantal deelnemers nooit
boven de 234 uitgekomen.
Tijdens de dertiende vergadering
van de "Raad van Sion" op 14 juni 1836 kwam een profetie van
Drummond waarin werd gezegd dat Christus onder de Apostelen, als
vorsten van de stammen van Israël, de hele christenheid verdelen
wilde om in te werken. Europa, als het grootste christelijke
gebied, werd in twaalf stammen verdeeld en elke apostel ontving
een werkgebied (Openb. 21:24, 22:2).
Deze Europese staten werden
gezien als de "grote stad" (Openb. 24:8, 23:2) terwijl de
niet-Europese landen als hun "Voorstad" genoemd werden. Zij
moesten als waarnemers naar de christelijke landen gaan, de
geestelijke toestand in die landen onderzoeken. Ze moesten het
goud der waarheid in de hele christenheid opzoeken, ontdoen van
het vuil en stof van menselijke meningen en inzichtingen, en
verzamelen.
De verdeling was als volgt:
Land:
Naam van de “Stam”:
Apostel:
Engeland
Juda
Cardale
Schotland en prot.
Zwitserland
Benjamin
Drummond
Denemarken, Nederland en
Belgiê
Isachar
King-Church
Italiê
Manasse
Perceval
Ierland, Griekenland en de
Oriênt
Zebulon
Armstrong
Zuidduitsland, Oostenrijk en
Noordamerika
Ruben
Woodhouse
Frankrijk en het kath. deel van
Zwitserland
Asser
Dalton
Polen, India,
Australiê
Ephraim
Tudor
Noordduitsland
Simeon
Carlyle
Spanje, Portugal,
Zuidamerika
Naftali
Sitwell
Rusland, Finland en de Baltische
landen
Dan
Dow
Noorwegen en
Zweden
Gad
Mackenzie
Al voordat deze profetie kwam
waren de eerste missie-arbeiders al op reis gegaan. Op 17 mei
1836 vertrokken de evangelisten William Renny Caird en William
Hastings Cuthbert de oceaan over, naar Canda en de Verenigde
Staten. Hoe verging het deze missie-pioniers?
Door de "Canada Act" van 1791
was Canada gesplitst in Opper- en Nedercanada. Nedercanada was
voornamelijk Rooms-Katholiek maar Oppercanada, het latere
Ontario zou voor het nieuwe werk belangrijk worden en ook
blijven. Een invloedrijk man in Ontario was de bisschop John
Strachan. Deze John Strachan had al enkele ontmoetingen gehad
met Edward Irving.
De filosoof Thomas Carlyle
beschrijft Strachan als een "echte Canadees met een sterk
Aberdeens dialekt".
In dezelfde tijd was het de
Methodistische Kerk, ook komende vanuit Engeland, sterk in
opkomst. Deze Methodisten stonden onder leiding van Egerton
Ryerson. Deze Ryerson en zijn broers hebben een belangrijk stuk
Canadese geschiedenis bepaald. Zo waren zij ook de voorvechters
voor de openbare scholen in Ontario.
In 1829 was Ryerson begonnen met
een tijdschrift, The Christian Guardian. Via dat blad en de
bladen die onder invloed van Strachan stonden werd een felle
strijd gestreden. Methodisten contra de gevestigde
kerkorganisatie. We hoeven daar niet verder op in de te gaan
ware het niet dat in deze strijdperiode de eerste evangelisten
in Canada arriveerde. Dat waren Caird en ... Georg Ryerson, een
broer van Egerton.
Dit eerste bezoek vond plaats in
1834 en had geen enkel resultaat.
Weliswaar had Caird in
Methodistische kerken gepreekt, maar de manier waarop Caird
werkte, na enige tijd deed hij alsof de kerk in de Adelaide
Street zijn eigendom was, maakte dat hij ook spoedig tegenstand
ondervond. Ook de apostolische zendelingen werden het mikpunt
van The Christian Guardian.
Het tweede bezoek, in 1836, zou
succesvoller zijn.
In Kingston werd de eerste
gemeente opgericht met als voorganger Adam Hood Burwell,
voorheen een Anglicaans geestelijke, die in 1837 het ambt van
engel ontving. De tweede gemeente ontstond in Toronto in 1837 en
daar werkte George Ryerson als voorganger. In New York vonden
eerst een aantal weken een serie lezingen plaats over het
heropgerichte apostelambt. Hier ontstond de eerste gemeente in
1851 met als voorganger William Watson Andrews. Zowel Canada als
de VS werden regelmatig bezocht door de Engelse apostelen
Woodhouse en Armstrong. William Hasting Cuthbert die met William
Caird de tweede missiereis ondernam werd later
Districts-Evangelist voor Canada.
Hoe was de "stand van zaken" op
het ogenblik dat het “Testimonium” gereed was en de apostelen
op het punt stonden om Europa te bezoeken. Er bestonden nu in
Engeland, Schotland en Ierland in het totaal 36 gemeenten.
Daarom zou Cardale in Engeland
blijven om deze gemeenten te verzorgen en voor enige
coördinatie. Ook de apostelen voor Griekenland en het Nabije
Oosten en voor Polen, Armstrong en Tudor, bleven in Engeland
omdat ze vooralnog weinig in hun missiegebieden konden doen.
In de komende maanden werden
talrijke landen bezocht door de Engelse apostelen en hun
medewerkers. Ze bezochten hoogwaardigheidsbekleders in kerk en
staat. bestudeerde de liturgieën en regels in de verschillende
kerken. Bezochten kerkdiensten en hadden gesprekken met
predikanten en theologen. Het Testimonium werd in juli 1838 door
Drummond, in begeleiding van Woodhouse en Perceval, aan de in
Engeland geboren Kardinaal Acton voor Paus Gregorius XVI
overhandigd. In September aan Prins Metternich voor Keizer
Ferdinand van Oostenrijk.
Mackenzie en Dalton brachten het
Testimonium aan koning Karl XIV van Zweden en aan de R.K.
aartsbisscop van Uppsala. Met kerstmis 1838 keerden ze naar
Albury terug, 1260 dagen na hun afzondering.
De apostelen hadden Noord- en
Zuidduitsland, Oostenrijk, Rusland, Zweden, Noorwegen,
Denemarken, Nederland, België, Frankrijk, Zwitserland, Spanje,
Portugal, Italië, Griekenland, Canada en de Verenigde Staten
bezocht.
"Hun leertijd was nu ten einde
en hun eigenlijke apostolische werkzaamheid tot zegen van de
gehele kerk zou nu beginnen. Hun verstand was gescherpt voor de
onderscheiding van het goede en het kwade in de christenheid.
Een reusachtige taak lag voor hen. Ze zouden de muren tussen de
kerken slechten, de scheuringen opheffen. De verstrooide en
elkaar vijandige christelijke broeders met elkaar verzoenen en
de gedoopten in de Heer voorbereiden op de wederkomst van de
hemelse Koning en bruidegom.”, aldus Ludwig Albrecht: in "Das
apostolische Werk des Ende".
In de maanden die nu volgden
werden de gegevens die de Engelse apostelen verzameld hadden
uitgewerkt. Analoog aan de gegevens over de Cherubim en het
eerste hoofdstuk van Ezechiël werd de viervoudige ambtsbediening
in de “Algemene Kerk” en in de aparte gemeenten ingevoerd.
Nadat dit voltooid was trokken
de apostelen weer naar hun verschillende stammen. Cardale bleef
in Engeland en ontving de volmacht om alle apostelen terug te
roepen als de omstandigheden dat nodig maakte. en dat gebeurde
sneller dan verwacht!
Eind 1839 moest Cardale van zijn
volmacht gebruik maken en de apostelen naar Albury terug halen.
Wat was er aan de hand?
Enige gemeentevoorgangers en
zelfs enkele directe medewerkers van de Engelse apostelen,
waren tijdens de afwezigheid van de meeste apostelen, tot de
opvatting gekomen dat de Raadsvergadering het orgaan was
waardoor God de “Algemene Kerk” wilde leidden. De apostelen
zouden er alleen maar zijn om de besluiten van de
Raadsvergaderingen uit te voeren.
Deze opvatting was in flagrante
tegenspraak met de opdracht die Jezus zelf aan Zijn leerlingen,
de latere apostelen, gegeven had, zij moesten de kerk besturen.
In de zomer van 1840 waren alle
apostelen in Albury terug. Na uitvoerig beraad verscheen een
document waarin nogmaals de autoriteit van het apostelambt werd
duidelijk gemaakt. De meeste ambtsdragers accepteerden, niet
geheel zonder strijd en aanvechtingen, de besluiten van de
Engelse apostelen.
Deze waren:
1. De Raadsvergaderingen van de
Zeven (Londense) Gemeenten, de Raad van Sion en hun
gemeenschappelijke godsdiensten werden opgeschort.
In werkelijkheid hebben nadien
deze Raadsvergaderingen nooit meer plaats gevonden. Pas in 1847
kwamen de Zeven Gemeenten weer samen, alleen in een kleinere
samenstelling. Cardale, als Pilaar-apostel, kwam toen samen met
de in Engeland werkzame profeten, evangelisten en herders met
de voorgangers (engelen) van de Londense gemeenten. Deze
Raadsvergadering bestond dus in feite alleen uit ambtsbroeders
uit de stam Juda (Engeland). Ze bepaalden alles voor de hele
kerk. Deze Raadsvergaderingen vonden vierwekelijks plaats en
hebben bestaan van 1835 tot 1908 (alleen onderbroken in de
periode 1840-1847). Ook nadat in 1901 de laatste levende Engelse
apostel ontslapen was bleven deze vergaderingen doorgaan onder
de leiding van de Co-adjutoren.
2. Van de werkzaamheden van
apostolische medewerkers werd geen gebruik meer gemaakt totdat
hun "verkeerde meningen over de uitlegging en ware betekenis
van profetieën uit hun harten" verbannen was.
3. De apostelen besloten om van
profetieën geen gebruik meer te maken zolang de bestaande
toestand voortduurde.
Over dat laatste schreef
Woodhouse o.a.:
"dat de apostelen uit veel
ervaringen, uit het licht der profetie zelf en uit de brieven
van apostel Paulus aan de Korinthiërs geleerd hebben, dat bij
het profetische ambt, niet minder als bij alle andere ambten, de
reinheid van het gesproken woord van de innerlijke reinheid van
de mens afhankelijk is. Wie werkelijk een werktuig in de hand
van Christus zelf wil zijn, moet zich beschermen tegen elke
onreinheid in de vlees en in de geest. Als echter een profeet of
een andere dienaar in een onreine positie is, dan is zijn woord
en werk onbruikbaar.
Want in een vuil vat wordt de
hele inhoud ongenietbaar. Daarom geldt als regel: Valse
voorstellingen met betrekking tot geloof en leer, die een
profeet in zich draagt, verhinderen hem om een profetie in
geloof te brengen. Voor de leer echter zijn de apostelen
gegeven. Omdat deze bij enige profeten zwaarwegende
onduidelijkheid waarnamen, werd voor enige tijd afgezien van
alle profetieën."
Had tot nu toe eigenlijk alles
wat in de eerste jaren werd ondernomen, pas plaats na
duidelijke mededelingen van de heilige Geest middels profetie,
nu begonnen ook eigen gedachten en meningen een rol te spelen.
God had mannen als Zijn werktuig
aangesteld die in staat zouden zijn Zijn wil, zoals Hij het had
laten vastleggen in de Heilige Schrift, te leren en te
verklaren. Die ook in staat zouden zijn om de
tijdsomstandigheden te analyseren en het “Testimonium” te
schrijven.
Dat waren mannen die geleerd
hadden en door hun afkomst een middel- of hoge positie hadden.
De grote, verpauperde, massa zou het in het begin niet
begrijpen, maarjuist daarom moet aan hem Gods woord verklaard
worden. Inplaats daarvan richten de Engelse apostelen hun
“Testimonium” , was hun werk gericht tot de heersers in kerk en
staat.
Deze echter hadden geen enkel
belang bij verandering van de bestaande toestand.
De apostelen meenden dat, door
geestelijken en machtigen te bereiken, ook het volk wel zou
veranderen.
Lang heeft dat afzien van
profetieën niet geduurd. Ondanks het feit dat profeten
regelmatig "vergaten" dat als “eerste aan apostelen” (1 Kor.
12:28) gegeven zijn, de gemeenten en het Woord, en dat
apostelen de verantwoording hebben voor het hele werk. Toch werd
het profetenambt spoedig in alle glorie hersteld.
De laatst geroepen apostel,
Duncan Mackenzie, had deze hele ontwikkeling met grote
droefheid gade geslagen. Hoewel hij instemde met de genomen
besluiten, trok hij zich uit de apostelkring terug. Dat hoewel
hij er niet aan twijfelde dat hij het apostelambt ontvangen had.
De Engelse apostelen waren tot
het inzicht gekomen dat zij, zoals Jezus het Hoofd der Kerk is
en niet de heilige Geest, ook zij te handelen hadden. Er zou
eerst zorgvuldig afgewogen worden wat door een profetie gezegd
werd.
MacKenzie was niet tot andere
gedachte te bewegen. Waarschijnlijk heeft hij zijn oude beroep,
grossier in drogisterij- artikelen, weer opgevat.
Nu werden weer alle gemeenten
bezocht. Er werd bericht over de gebeurtenissen maar tevens de
verzekering gegeven dat het werk niet veranderd was. Het bleef
de taak van de apostelen om de gemeenten, de gelovigen, voor te
bereiden op de dag van Jezus wederkomst.
Zij die toetraden tot de
apostolische geloofsgemeenschap kwamen uit alle bestaande
kerkgenootschappen. De meeste ambtsdragers hadden eerder in een
andere kerk een ambt gedragen of binnen de gemeente een
vooraanstaande rol gespeeld. Het was dan ook niet verwonderlijk
dat de meest uiteenlopende opvattingen over de liturgie van de
dienst heerstte. Pas vanaf 1842 bestonden slechts algemene
bepalingen over het verloop van de dagelijkse diensten en de
viering van het heilig Avondmaal. Elke gemeente-voorganger,
engel of oudste, hield de dienst volgens eigen inzicht en
vermogen binnen het ruim van de algemene bepalingen. Ook de
kleding tijdens de eredienst was niet uniform. Enige
voorgangers droegen een Talar, anderen een gewoon zwart pak. In
de loop der tijd kwam steeds sterker de wens naar voren voor een
grotere eenheid in de liturgie.
Bovendien hadden de Engelse
apostelen op hun reizen veel liturgische gebruiken leren kennen
en waarderen. Dat alles leidde ertoe dat de apostelen in
september 1842 een eerste vorm van liturgie en gebruik van
kerkelijke kleding in Albury invoerde. Het werd voorlopig aan
de gemeenten zelf overgelaten of ze dit wilde overnemen. Alleen
werd door de apostelen verwacht dat de voorschriften betreffende
het verloop van de eredienst opgevolgd zouden worden.
Binnen korte tijd uiten de
gemeenten de wens de door de apostelen in Albury in gebruik
genomen godsdienstvorm over te nemen.
Naast de zondags
Eucharistieviering, die vanaf 1836 in alle gemeenten gevierd
werd, bestond een dagelijkse morgen- en avonddienst die in het
eerste en het laatste uur van de dag, s'morgens om zes uur en
s'avonds om vijf uur, gehouden werd. Op de zondag werd bovendien
een ochtend- en middaggebedsbijeenkomst ingevoerd die met de
volledige ochtend- en avonddienst in verbinding stond. Deze
gebedsbijeenkomsten op zondag waren om 10.00 en 14.00 uur.
De gehele liturgie werd
verschillende malen gering gewijzigd en aangevuld. Van het
Liturgieboek verschenen in het totaal acht oplagen in de jaren
1843-1890 en het werd vertaald in elf talen.
Deze wijzigingen en aanvullingen
betroffen speciale handelingen zoals de zalving der zieken en
het dopen van ontslapenen, de invoering van wijwater en wierook
in 1851, maar ook, zoals in 1845 de wijziging dat de gemeente de
kommunie vóór het altaar ontvangt. Daarvoor werd het door de
diakenen naar de gemeente-leden gebracht die op hun plaats
bleven zitten.
Vanaf 1847 worden ingevoerd de
apostolische handoplegging, de kerkelijke huwelijksvoltrekking,
de persoonlijke biecht, de wijding van kerken en altaren, de
zegening van koorleden. Ook in 1851 word een hele reeks van
liturgische handelingen ingevoerd o.a. speciale gebeden in
tijden van epidemiën en oorlogen.
Het brengen van het evangelie en
de boodschap van het heropgerichte apostelambt bracht soms hele
opschuddingen teweeg. Eén aspekt die vooral in universitaire
kringen opzien baarde is het volgende.
De evangelist Colling Manger
Carré, oorspronkelijk arts van beroep, werd op 10 januari 1833
op 24-jarige leeftijd geordend.
Omdat hij geboren en getogen was
op Jersey, één van de Britse kanaal-eilanden die "onder de rook"
van Frankrijk liggen, was hij heel goed op de hoogte met de
Franse taal en cultuur. Hoewel hij evangelist was voor Frankrijk
werkte hij ook in het franstalige deel van Zwitserland. In dat
gedeelte van Zwitserland zou een geweldige opschudding ontstaan
die begon op de Theologische faculteit van de Universiteit van
Genevé.
Begin februari 1836 begonnen een
aantal zittingen van het bestuur der faculteit onder
voorzitterschap van Prof. Merle d' Aubigne. Deze zou één van de
felste bestrijders van het apostolische werk worden.
Twee jaar eerder al, dus in
1834, had evangelist Carré de Prof. Preiswerk bezocht en hem en
zijn studenten over het apostolische werk verteld. Dat had diepe
indruk gemaakt.
Preiswerk had het getuigenis
aangenomen maar was tevens als professor theologie colleges
blijven geven op deze faculteit van evangelische snit.
Preiswerk bood Merle d'Aubigne aan om de Evangelist Carré enige
lezingen op de faculteit te laten houden. D'Aubigne voelde
weinig voor deze "gratis propaganda". Hij kwam er ook achter dat
bij Preiswerk regelmatig thuis godsdienstbijeenkomsten werden
gehouden waarbij vele studenten aanwezig waren.
Merle d' Aubigne riep deze
studenten bij zich en vroeg hen uit over deze diensten.
Preiswerk moest zich voor het faculteitsbestuur verantwoorden.
Merle d'Aubigne had daarbij een prof. Gaussen als
"getuige-deskundige" aangeworven. Deze Gaussen had meerdere
bijeenkomsten meegemaakt in Schotland en Londen waarbij was
geprofeteerd en in tongen gesproken. Preiswerk wist echter op
alle aanvallen een waardig antwoord. In afwachting van ontslag
werd hij voorlopig geschorst en werd hem de toegang tot de
faculteit ontzegd. De dag nadat deze uitspraak kwam, 10 februari
1837, werden 27 studenten die min of meer regelmatig bij
Preiswerk waren geweest, verhoord.
Ook nu bracht Gaussen zijn
kennis over het apostolische werk naar voren. Hij weerlegde op
"wetenschappelijke" wijze vijf dwaalleringen van de
"Irvingianen". Merle deed ook nog een duit in het zakje met een
lezing over profetiën.
Hoe de studenten hierop
reageerden is nergens terug te vinden. Op 13 februari werd aan
Prof. Preiswerk enige vragen voorgelegd:
1. Gelooft u dat de Irvingse
profeten ware door God geleidde profeten zijn zoals we de
profeten uit het Oude en Nieuwe Testament kennen? Preiswerk
beaamde dat volmondig.
2. Gelooft u dat de
ambtsstructuur van de Irvingse kerk, en in het bijzonder het
apostelambt, uit God is?
Antwoord: Ik geloof dat.
3. Heeft u de Irvingse leer over
de menselijke natuur van onze Heer aangenomen? Een leer die
inhoud dat HIj ook besmet was met de verdorvenheid van onze
stamvaderen? Antwoord: Dat is een leer die ik niet ken.
4. Beschouwd u het werk van de
Evangelische Kerk van Genevé en van de theologische faculteit
niet meer als een wetmatig en christelijk werk? Antwoord: Ik
beschouw het nu, zoals altijd, als een min of meer goed werk,
al naar gelang de stromingen die erin heersen.
Zo ging het vraag- en
antwoordspel nog een poos door. Preiswerk erkend dat het
hernieuwde apostelambt als van God is gegeven en is niet bereid
om ook maar iets van deze erkenning terug te nemen.
Als zovelen voor en na hem wordt
Preiswerk ontslagen. Voor dinsdag 21 februari 1834 was een grote
bijeenkomst geplant met de studenten. Preiswerk was daarbij
niet aanwezig, wèl Emil Guèrs die ook goed bekend was met de
kort daarvoor ontstane Katholiek-Apostolische Gemeente.
Enkele studenten die de leer der
apostelen, geleerd door Carré, gevolgd hadden gaven een
verklaring over het herstelde apostelambt. De standpunten bleven
mijlenver uit elkaar liggen.
Dat veranderde ook niet toen
evangelist Carré zelf enige brieven aan Merle d'Aubigne schreef.
De studenten werden zodanig onder druk gezet dat zij
uiteindelijk eieren voor hun geld kozen en de bijeenkomsten met
Carré en Preiswerk meden.
VERDERE INVOERING VAN
SYMBOLISCHE TEKENEN
Voor de ambtsdragers komt een
ingewikkeld ritueel met betrekking tot de liturgische kleding.
Alle dienaren bedekken, voor ze
een wit kleed aantrekken, hun wereldse kleding geheel met een
Talar. De zwarte kleur daarvan verwijst naar de dood van de oude
mens die voor de dienst onbruikbaar is. Daarover wordt naar
oudkerkelijk gebruik, de witte Albe als het eigenlijke
priesterlijke kleed aangetrokken. Alleen de in het witte kleed
van de gerechtigheid Gods geklede mens mag de levende God
naderen.
Over de Albe draagt de celebrant
tijdens de Eucharistie de Kasula, omdat de Kasula, een wit kleed
-dat met passende versiering- wegens het ontbrekende van de
mouwen uit één stuk bestaat. Deze symboliseert de eenheid van
het door het offer en de heerlijkheid Christi bekleedde lichaam
der kerk. De ambtdragers van de drie trappen, engelen,
priesters, diakenen dragen tijdens hun kerkelijke opdrachten de
stola als symbool en waardigheid van het ambt dat Christus op
Zijn dienaar legt. Voor de gemeente-voorganger (engel) was de
mantel, een verwijzing naar het voorgangerschap en bestuur
waarmee de engel in de gemeente belast is. Als kleed voor de
diakenen was de dalmatika. Voor de meeste liturgische
handelingen en de invoering van geestelijke gewaden werd
verwezen naar Exodus 28:2 en verder.
Twee kerken hebben een
belangrijke functie vervuld binnen de Katholiek-Apostolische
gemeenten. De Centrale Kerk, eerst de kerk in Newman-Street,
later Gordon Square, waar alle Londense aktiviteiten
plaatsvonden en de Apostelkapel te Albury.
Deze Apostelkapel werd in 1840
gebouwd en op 4 september van dat jaar geopend, om te dienen als
hoofdkwartier van de apostelen en als centrum van de “Algemene
Kerk”.
Voor de bouw kwam men elke
zondag samen in het huis van de familie Drummond en later in
een omgebouwde stal.
De kapel werd gebouwd in de
gotische stijl van de vijftiende eeuw, door William McIntosch
Brooks ontworpen. Het heel groot raam werd ontworpen door
Augustin Pugin. In het altaargedeelte zijn de eerste twaalf
bijbelse apostelen in glas-in-lood ramen weergegeven, de ramen
van het dwarsschip werden door Drummond's dochter, Lady Rokewode
Gage, ontworpen.
Vergeleken met de kerk op Gordon
Square is de kapel in Albury bescheiden van omvang en
versiering. Voor de bouw werd alleen bouwmateriaal uit de
omgeving gebruikt. Voorwerpen die in de plaatselijke kerken in
gebruik waren, waren in de kapel niet te vinden. Zo is er geen
bisschopszetel of Engelplaats omdat de Voorganger van de
“Algemene Kerk” de Heer zelf is die een plaats in de hemel
heeft. Zo waren er ook geen zeven lampen voor het Heiligdom,
zoals in de plaatselijke kerken.
De diensten in Albury waren de
godsdiensten van de “Algemene Kerk”. Deze diensten werden door
de Engelse apostelen zelf gehouden. Hier leidde de apostel de
kerk, d.w.z. “de strijdende kerk” hier op aarde.
Hier leidden de apostelen de
diensten als oudsten in de “Algemene Kerk” onder de engel van
het Nieuwe Verbond, Jezus Christus. Daarom zag men in Albury ook
niet het purpere kleed van de engel maar de eenvoudige zwarte
soutane, zoals door de oudsten in de plaatselijke gemeenten
gedragen werd Want in Albury dienden zowel de apostelen als de
engelen als eenvoudigen oudsten onder de grote Engel in de
Hemel. De Apostelkapel was als volgt ingericht:
Het ijzeren kruis op de toren is
van ijzergieterij William Filmer. Het orgel dat in de kerk staat
werd in 1862 door Holditch, Londen, gebouwd en tot 1901 door
waterkracht bediend. In 1965 werd een electrische motor
ingebouwd.
Het sacramentskistje waarin de
heilige voorwerpen (brood, wijn, wierook) werden bewaard was
gemaakt van cederhout uit Libanon. De lampenhouders aan beide
zijden van het altaar werd gemaakt uit hout van de olijfboom van
de Olijfberg.
Het invoeren van de uitgebreide
liturgie en ambtsgewaden was enerzijds een verdere versterking
van de eenheid binnen alle Katholiek-Apostolische gemeenten,
anderzijds stuitte deze zaken, die sterk aan de Rooms-Katholieke
en Anglicaanse cultus deden denken, vele zielen tegen de borst.
De groei van de gemeenschappen
stagneerde sterk in Engeland en Schotland. In 1843 moesten te
klein geworden gemeenten opgeheven worden. Niet alleen het
noodzakelijke aantal ambtsbedieningen ontbrak, de gemeenten
waren dusdanig geslonken dat het houden van een eredienst
onmogelijk werd.
De leden werden terug verwezen
naar hun landskerk. Overigens was dit dubbele kerklidmaatschap,
van de oude oorspronkelijke gemeente en de
Katholiek-Apostolische gemeente gebruikelijk. Het werd zelfs
nagestreefd om de eenheid binnen de verschillende
"kerkafdelingen" te kunnen bevorderen. Het
Katholiek-Apostolische werk is nooit bedoeld geweest om een
kerk, naast de kerken, te vormen, maar als instrument om de
kerkeenheid te bewerkstelligen. Eén van de argumenten voor
opheffing was, dat men de beschuldiging van sektarisme wilde
voorkomen.
Zes apostelen zoeken in februari
1844 weer hun stamgebied op waaruit ze in 1840 teruggeroepen
werden.
Cardale, Armstrong, Tudor en
Sitwell blijven in Engeland. Maar ook nu ontstaat er een crisis
en eind 1845 werden de apostelen teruggeroepen.
Weer waren de ceremoniën de
oorzaak. In verschillende gemeenten was daartegen weerstand
ontstaan. Er was stilstand, teruggang. Velen vielen in hun
vorige leven terug en gingen weer naar de landskerk.
In andere gemeenten daarentegen
was de smaak naar méér opgekomen en werd op eigen gezag het
aantal rituelen uitgebreid.
De eenheid was in gevaar en deze
zorg brachten de engelen bij Mr. Cardale. Deze verklaarde dat
het hem niet alleen aanging, hier was de apostolische
autoriteit was nodig om het gevaar te keren.
Op 12 januari 1846 zijn alle
Engelse apostelen, met uitzondering van Mackenzie en Dalton,
weer bijeen in Albury.
Het ontbreken van Henri Dalton
bij deze Raadsvergadering en ook in de volgende jaren is altijd
een geheim gebleven. Zestien jaar lang oefende hij zijn
apostelambt niet uit. Deze jaren diende hij als hulpgeestelijke
in Clovelly en vanaf 1856 als vicaris van Frithelstock in de
Anglicaanse Kerk.
Als resultaat van deze
Raadsvergadering bleven enige ceremonië gehandhaafd, anderen
werden naar de toekomst verschoven. Tevens werd bepaald dat de
zorg voor de zeven Londense gemeenten zou berusten bij de
Pilaar-apostel. De eerste zorg van Cardale was nu om de engelen
van de Londense gemeenten weer in het gelid te krijgen. Hij
bezocht en onderwees de gemeenten en trad kordaat op tegen
onstane misstanden.
Vijftien jaar zijn in 1847 al
bijna verstreken vanaf het tijdstip waarop tegen Cardale werd
gezegd: "Waarom deelt u de Heilige Geest niet uit". En nog
steeds was deze vraag onbeantwoord gebleven.
Wel waren de ambtsdragers, alle
priesterlijke ambten, na roeping, en door handoplegging van de
spostel in het ambt gezet maar een heilige Verzegeling, de
afdracht van de heilige Geest had nog niet plaats gevonden.
De eerste dienst met heilige
Verzegeling was op 31 mei 1847 in de Centrale Kerk in Londen
door Apostel Cardale.
Dit sacrament werd toen, in een
besloten dienst, ontvangen door de dragers het zuilenambt, de
eerste onder hun gelijken in het ambt, Taplin, Place en
Thompson. De zeven engelen van de Londense gemeenten waren
daarbij als getuigen aanwezig.
Een week later ontvingen alle
engelen de heilige Verzegeling en in de daarop volgende dagen
alle overige ambtsdragers en leden. Eind augustus 1847 hadden
meer dan duizend personen dit sacrament ontvangen.
Tot invoering hier van was door
het apostel-college in het voorjaar besloten. De voltrekking
van de heilige Verzegeling gebeurde bij hen die reeds de
waterdoop ontvangen hadden en twintig jaar of ouder waren.
Het werd afgedragen door
handoplegging van de apostel en zalving met zalfolie, chrisma of
chrisam genoemd. Deze zalfolie werd ook gebruikt bij het
inzetten van ambtsdragers (niet van diakenen die door de
gemeenten gekozen werden). Deze zalfolie bestond uit mirre,
kaneel, kalmoes en olijfolie (vgl. Ex. 30:23-24).
Later werd ook een speciale
zalving der zieken ingevoerd met verwijzing naar Jacobus 5:14.
Ook waren de apostelen vanaf het
begin ervan overtuigd dat alle christenen zich onder hun
leiding, als gezanten van Jezus, behoorden te stellen. Een
streven dat voorbij ging aan de bestaande toestand. Elke kerk
beschouwde zich als de enige echte “ware” kerk. Oecumene was nog
een “onebekend” woord.
Echter, al in de tijd van de
apostelen van het Nieuwe Testament ontstonden er groepen en
fracties. Niet voor niets schreef Apostel Paulus aan de
Corinthiërs: "Door Chloë’s huisgenoten is mij namelijk verteld,
broeders en zusters, dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik
bedoel dat de één zegt: “Ik ben van Paulus, een ander: “Ik ben
van Apollos”, een derde : “ik ben van Kefas”, een vierde: “Ik
ben van Christus” (1 Kor. 1:11-12)."
Deze poging om eenheid te
brengen onder alle gedoopten vormde ook het uitgangspunt van
het “Testimonium”. Daarom werd er gesproken en geschreven over
"kerkafdelingen". In de loop der jaren werd echter wel duidelijk
dat de kerkleiders van de bestaande kerken er niet over
peinsden om zich onder de Engelse apostelen te stellen.
Integendeel, de kerkleiders en
theologen voerden strijd tegen de apostolischen die zichzelf
zagen als de alleen zaligmakenden. Het aantal
anti-apostolische geschriften nam toe. Sektarisme en dwaalleer
werd de Engelse apostelen verweten. De betiteling van
apostolischen was meestal "Irvingianen". De apostolischen zelf
noemden hun kerk meestal de "Algemene Kerk" (waarvoor de naam
Katholiek gebruikt werd) als tegenstelling van de
"kerkafdelingen". In de Raadsvergadering van januari 1849 nam
de Pilaar-apostel Cardale, na overleg met de engelen, het
besluit om op de kerkgebouwen bordjes te bevestigen met de naam
"Catholic Apostolic Church". Deze naam zou ook gebruikt worden
bij optreden aan de buitenwereld.
Eind 1850 werden twee
belangrijke gemeenten buiten Engeland opgericht, namelijk in
Parijs, door Drummond met als eerste voorganger de voormalige
Rooms-Katholieke priester Celeste H.M. Massiot en in New York.
Hier was al in 1837 een eerste poging ondernomen om een gemeente
te stichten. Dat mislukte echter. Eerste voorganger van New York
werd de voormalige Anglicaanse priester David Morris Fackler.
Niet altijd was het brengen van
de boodschap over de heropgerichte apostelambt zonder gevaar.
Toen de evangelist voor de stam Rusland in 1851 het
“Testimonium” aan Tsaar Nikolaas II aanbod werd hem te verstaan
gegeven dat, als hij Rusland niet binnen acht dagen verlaten zou
hebben, hij naar Siberië gedeporteerd zou worden.
Beter verging het de evangelist
Charles Böhm. Hij bracht in 1854 het “Testimonium” aan Bisschop
Martensen in Kopenhagen. Deze was de primus van de Deense
staatskerk.
King-Church had al in 1838
geprobeerd het “Testimonium” aan koning Frederik VI van
Denemarken te overhandigen. Deze meende echter het te moeten
weigeren omdat hij hoofd was van de Deense staatskerk.
De kleinzoon van Frederik VI,
Kristiaan IX, heeft het vermoedelijk in 1870 van de evangelist
Thompson ontvangen en dat had opmerkelijke gevolgen, zoals hier
onder beschreven. In juni 1861 werd de gemeente Kopenhagen
opgericht met als eerste voorganger George Hewitt.
0000000000000000000000000000000000000000000000000
Uittreksel uit een bericht in
“Newsletter” nr. 8 Aug. 1955
In het jaar 1936 kwam een dame
van adel met koning Christian X van Denemarken in gesprek. Toen
ze opmerkte dat zij tot de Kath.- Apostolische Kerk behoorde zei
de koning: "Ik bezit een schrijven dat lange tijd geleden aan
mijn grootvader gegeven is. Ik heb het zelf niet gelezen maar
zal het u laten zien". Hij ging met de vrouw naar zijn
privé-werkkamer, ging naar een kast en nam daaruit een in
perkament gebonden document - een exemplaar van het
“Testimonium”. De dame bekeek de titel: Aan de Koningen,
Bisschopen en Vorsten ..., en naar de laatste regels. Toen zei
ze tegen de koning: "Wat u mij laat zien is een boodschap van de
Heer want uwe majesteit ontvangt anders geen document dat in de
naam van de Drieënige God
besluit".
Ze gaf hem het document terug.
De koning legde het niet in de kast terug maar lag het op zijn
bureau.
Op 31 oktober 1936 ontving de
koning ongeveer 150 gasten voor een banket op slot Amalienburg
(Kopenhagen). Daaronder waren adellijke en kerkelijke
hoogwaardigheidsbekleders van verschillende confessie’s die
t.g.v. de Reformatieherdenking in het land waren.
Nadat de geestelijk adviseur van
de koning over de betekenis van Reformatie gesproken had las
de koning zelf een groot gedeelte uit het Testimonium voor.
Daarvoor koos hij de stukken over het pausdom, afgoden en
vagevuur. Tenslotte ook de twee laatste bladzijden met de
vermaning het “Testimonium” niet af te
wijzen.
Voor de aanwezige vreemdtalige
kerkvertegenwoordigers werd het voorgelezene in het Duits en
Frans vertaald. Het gelezene werd iedereen goed begrepen. Het
geheel duurde ongeveer drie uur. Het
banket eindigde om halftwee ‘s
nachts. Meermalen moest de koning tijdens het lezen stoppen
omdat hij tranen in de ogen kreeg. Met bijzondere nadruk las hij
de gedeelten over het Gerecht en over de
geestelijkheid.
Aan het eind van de audiëntie
zei hij dat dat wat de Heer met het “Testimonium” gedaan had,
een genade was die we niet begrijpen konden en waarbij we stil
moesten worden.
000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000
CHRONOLOGIE APOSTOLISCHE
GESCHIEDENIS 1836-1850
Jan. 1836 Het eerste
“Testimonium” wordt door Cardale en Drummond aan de
geestelijkheid gebracht. Een tweede getuigenis, waarin op de
toestand van de staat beschreven was, werd door Perceval aan
Koning William IV van Engeland gebracht.
17 mei 1836 Tweede uitzending
van evangelisten (Caird en Cuthbert) naar Amerika. In Kingston,
Ontario, ontstaat een gemeente. Woodhouse blijft een vol jaar in
de Verenigde Staten. Jonathan Smith is de eerste engel.
14 juni 1836 In de dertiende
bijeenkomst van de Raad van Sion worden de Engelse apostelen
door een profetie geraden de christelijke landen te bezoeken
als lerenden en belerenden. Europa wordt in "Stammen" verdeeld
waarbij elke apostel een stamgebied krijgt toegewezen.
12 juli 1836 Charles J.T. Böhm,
in Kopenhagen geboren uit Duitse ouders, sinds 1834 zakelijk in
Londen, wordt op 24-jarige leeftijd door Cardale tot engel
gewijd. Hij is de hulp van Carlyle in de stam Simeon
(Noordduitsland).
7 aug. 1836 Dalton, samen met
de profeet Horsnail, wijd de eerste engel op het Europese
vasteland. Het
is Jean Charles Louis Duproix in Laudouzy.
Laudouzy, Purfondeval en
Montigny waren de eerste gemeenten in Europa, buiten Engeland.
Juli 1836- Het derde, grote
“Testimonium” aan de gehele christelijke wereld wordt gereed
gemaakt. Deze verschijnt in verschillende talen.
14 jan. 1837 In Toronto (Canada)
word de tweede gemeente in Noord-Amerika opgericht, aanvankelijk
met George C. Gambier, later met George William Ryerson.
Begin 1837 De eerste bezoeken
van de Engelse apostelen aan hun stamgebieden beginnen. Bezocht
worden Duitsland, Oostenrijk, Rusland, Zweden, Denemarken,
Nederland en België, Frankrijk, Zwitserland, Spanje en
Portugal, Italië, Griekenland, Canada en de V.S. Dit nam
ongeveer twee jaar in beslag.
21 febr.1837 Er worden vijf
profeten geordend voor de “Algemene Kerk” Dit zijn medewerkers
van de Engelse apostelen, zonder aan een bepaalde apostel
toegevoegd te zijn.
4 apr. 1837 Bijzondere gebeden
worden in alle gemeenten opgezonden voor de onderdrukte en
lijdende gemeenteleden in Frankrijk die van de autoriteiten geen
openlijke diensten meer mogen houden.
Zomer 1837 Eerste bezoek van
Carlyle aan Noordduitsland in begeleiding van de evangelisten
Barclay, Chapman en Moorewood.
1838 King-Church bezoekt voor
de eerste keer zijn stam in Nederland samen met de profeet John
Taylor en de evangelist Böhm. Evenals zijn tweede bezoek in
1847, zonder tastbaar resultaat.
Medio 1838
Het "Testimonium" wordt aan
verschillende kerkelijke en eind 1838.wereldse
hoogwaardigheidsbekleders overhandigd.
25 dec. 1838 Na afloop van de
1260 dagen na 14 juli 1835 komen de Engelse apostelen in Albury
weer samen en brengen verslag uit. In de zomer van 1839
bezoeken ze opnieuw hun stamgebied.
7 febr. 1839 De apostelen
besluiten engelen voor een hoger ambt aan te bieden en stellen
het Aartsengelambt in. Hoewel verschillenden Engelen dit ambt
meteen ontvingen werd het pas veel later werkzaam.
Eind 1839- In de gemeenten
ontstaan misverstanden en onjuiste opvattingen over de plaats en
de autoriteit van apostelen. Cardale ziet zich genoodzaakt om
van zijn volmacht gebruik te maken. Hij roept de apostelen naar
Albury terug waar ze op 24 juni 1840 bijeen komen.
Juli/aug. 1840 Om aan de
gerezen problemen een eind te maken, verordenen de apostelen:
De Concilies van de Zeven
Gemeenten (Raad van Sion) worden opgeschort. Ze hebben nooit
meer voltallig vergaderd. Van het gebruik van apostolische
medewerkers word afgezien tot de onjuiste meningen over de
onderscheiding en ware betekenis van profetieën, uit hun harten
verdwenen is, en om zolang de verwarrende toestand bestaat, van
profetische uitingen geen gebruik te maken Dit afzien van
medewerkers en profetieën duurde tot 1842.
Aug. 1846 Mackenzie stemde
aanvankelijk in met de genomen verordeningen maar besloot later
hieraan niet mee te werken. Hij trok zich uit de apostelkring
terug. Van de echtheid van zijn apostelambt bleef hij echter
overtuigd.
4 sept. 1840 In nieuwe kapel in
Albury wordt in gebruik genomen.
19 juli t.m. Invoering van een
vaste ordening volgens een liturgieboek Sept. 1842 kerkelijke
gewaden. (Exodus 28:2 --)
Herfst 1842 Johann E.G. Lutz
uit Karlshuld (Beieren) ontmoet de evangelist W.R. Caird en
neemt kennis van het her-opgerichtte apostelambt.
1843 Opheffing van
verschillende kleine gemeenten in Engeland en Schotland. De
leden worden verwezen naar de plaatselijke kerk.
Febr. 1844 Zes Engelse
apostelen beginnen weer aan een bezoek aan hun stamgebied
waaruit ze in 1840 teruggeroepen waren. In Albury blijven
Cardale, Armstrong, Tudor en Sitwell.
Eind 1845 Weer worden de
apostelen teruggeroepen. De weerstand in enige gemeenten tegen
de ingevoerde ceremoniën en de apostolische autoriteit vereisen
dat.
12 jan. 1846 Tien apostelen
(zonder Mackenzie en Dalton) komen samen om de crises over de
liturgische geboden te bezweren. Een deel daarvan blijft
gehandhaafd, een ander deel verschuift naar de toekomst.
Lente 1846 De gemeente
Westminster in Londen word opgeheven. In de praktijk zijn er dus
geen Zeven Gemeenten in Londen meer. Pas in 1874 worden de
volledige diensten in Westminster weer hervat.
2 Mrt. 1847 De, sinds September
1840, onderbroken bijeenkomsten van de Zeven Gemeenten in Londen
worden hervat, hoewel in kleinere samenstelling.
31 mei 1847 Eerste dienst met
heilige Verzegeling in de Centrale Kerk in Londen door Cardale.
De invoering van dit sacrament was door het apostelcollege in
het voorjaar van 1847 besloten nadat Cardale in januari de
gemeente-leden in Engeland daarvoor rijp had verklaard.
Herfst 1847 Invoering van het
sacrament van de Zalving der Zieken volgens Jac. 5:14.
17 okt. 1847 Eerste dienst in
Noordduitsland met heilige Verzegeling door Carlyle in
Frankfurt/M.
2 jan. 1848 Heinrich Wilhelm
Josias Thiersch, doctor in de theologie en filosofie, sinds 1843
buitengewoon en daarna gewoon hoogleraar in de theologie aan de
universiteit van Marburg/L., wordt als Priester geordend. Tevens
word daarmee de eerste gemeente in Noordduitsland opgericht:
Marburg/L.
29 mrt. 1848 Onder het geweld
van de maartrrevolutie vind in Berlijn de eerste dienst met
heilige Verzegeling plaats.
10 jan. 1849 In de
Raadsvergadering in Londen maakt Cardale, na overleg met de
engelen, de voor Engeland genomen beslissing bekend om op alle
kerkgebouwen een bord met de naam "Catholic Apostolic Church"
te plaatsen en de naam ook bij contacten naar buiten te
gebruiken.
1 juli 1849 Oprichting van de
gemeente Bazel door Drummond, eerst als “filiaal”-gemeente van
Edingburgh onder de engel William F. Pitcairn. Daarna als
moedergemeente voor Zwitserland met als engel Johann Jakob
Traugott Geering.
Eind 1849 De eerste uitgave
van de "Liturgie" verschijnt in het Duits.
31 mrt. 1850 De Engelse
apostelen verordenen de reservering van een deel van de gewijde
sacramenten de de bewaring daarvan in het tabernakel, een
altaarkastje dat boven het altaar bevestigd is.Het werd getoond
n de dagelijkse ochtend- en avonddienst. In samenhang daarmee
volgt (uiterlijk in 1852) de invoering van de sakramentslamp in
het heiligdom in alle gemeenten. Dit als symbool van Jezus
Christus als het Licht des Levens en Zijn aanwezigheid in de
sacramenten van de eucharistie. De lamp brand als in het
tabernakel heilige sacramenten zijn.
30/31 juli 1850 Eerste dienst
met heilige Verzegeling in Bazel door Drummond. 94 zielen
ontvangen de Verzegeling.
18 okt. 1850 Oprichting van de
gemeente Parijs door Drummond met als eerste engel Celeste H.M.
Massiot.
1 dec. 1850 Eerste viering van
de heilige eucharistie in de nieuw opgerichte gemeente in New
York. Het begin van deze gemeente-gronding gaat terug tot 1837.
De eerste voorganger was David Morris Fackler.
OVER DE SACRAMENTEN EN DE
APOSTOLISCHE HANDOPLEGGING.
Alles maak ik nieuw (Openb.
21:5)
“Als jullie dus, ook al zijn
jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenkt, hoeveel te
meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven
aan wie hem erom vragen”. (Luc. 11:13 NBG
Het begrip der apostolischen
over verzegeling kan verwarring ontstaan.. Een diplomtiek stuk
wordt verzegeld, dat wil zeggen, mag niet geopend worden door
onbevoegden. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt i.p.v. het
afdragen van een verzegeling, gesproken over “stempel”. Zo staat
o.a.. te lezen in de NBG Ef. 4:30: “Maak Gods heilige Geest niet
bedroefd, want hij is het stempel waarmee u gemerkt bent voor de
dag van de verlossing”.
Bewust werd daarom boven melding
gemaakt van Luc. 11:13 waarin gezegd wordt dat ieder die daarom
vraagt de heilige Geest zal ontvangen. De afdracht van de
heilige Geest impliceert dus al een “verzegeling” (stempel). Van
een apart sacrament is hierbij dus geen sprake.
In het navolgende zullen we
echter de apostolischen navolgen het de “verzegeling” zien als
een apart sacrament.
Op 31 mei 1847 droeg
Pilaarapostel Cardale voor de eerste maal de heilige Verzegeling
af door handoplegging. Eeuwenlang had deze handeling niet meer
plaats gevonden, terwijl dit toch één der twee sacramenten is
die eenmalig worden afgedragen. Deze twee zijn de heilige
Waterdoop en heilige Verzegeling.
Het derde sacrament, het heilig
Avondmaal, wordt periodiek gevierd. Het woord "sacrament" zal
men tevergeefs in de bijbel zoeken. Het komt uit het Latijns en
betekend "verborgenheid" of "mysterie", al naar gelang de
vertaling. Het woord "verborgenheid" in verband met het
sacrament is te vinden in de brief aan de Efeziërs (1:9 en 3:2),
aan de Kolossers (1:25).
Een "sacrament" volgt altijd na
een belofte. Nadat belooft is de dopeling op te voeden in het
geloof, nadat belooft is een waardig kind van God te zijn
(hetzij door de dopeling zelf, hetzij door de ouders), nadat het
"Onze Vader" gebeden is, volgt de doop, de verzegeling of het
heilig Avondmaal. Terecht schrijft Calvijn dat het sacrament de
belofte versterkt en verzegeld, m.a.w. het verplicht de
ontvanger van het sacrament de belofte die eraan vooraf ging
gestand te houden.
Een sacrament is een handeling
die weliswaar zichtbaar afgedragen wordt (doop, handoplegging)
maar waarvan de gevolgen "verborgen" zijn. Alleen kunnen de
gevolgen merkbaar zijn in de levenswijze en wandel van degenen
die dit sacrament ontvangen hebben.
Waarop is deze handeling, de
afdracht van de heilige Geest door handoplegging, die tegelijk
met het apostelambt verloren ging, volgens de apostolischen,
gebaseerd?
Apostel Petrus zegt in zijn
toespraak na de uitstorting van de heilige Geest tijdens
pinksteren, tot hen die verzameld zijn:
"Keer u af van uw huidige leven
en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving
te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u
geschonken worden (Hand. 2:38). Een voorwaarde om de heilige
Geest te mogen ontvangen is dus boetedoening en de waterdoop.
De doop, het wassen met water
als een religieuze handeling was al veel eerder onder de Joden
bekend. In de Mozaïsche wetten is opgenomen dat allen, die
volgens de wet onrein waren, eerst gereinigd moesten worden. Dit
gold vooral voor de proselieten voordat ze toegelaten werden tot
de voorrechten van het Ver-
bondsvolk.
Onderweg, vanuit Egypte naar het
beloofde land, moesten de Joden aan de voet van de berg Sinai
hun kleding reiniging, maar vooral ook hun lichaam (Ex. 19:14).
Bij de wijding van Aaron en zijn
zonen was hun eerste opdracht zich te reinigen (Ex. 29:4). De
Priesters moesten, hoewel ze rein waren, voor elke handeling hun
handen en voeten reinigen (Ex. 40:12).
Ook handoplegging als religieus
symbool wordt in het Oude Testament beschreven, hoewel in een
totaal andere betekenis dan later bij de christenen.
Onder de wet legde de offeraar
zijn handen op het offerdier en het werd aangenomen als
verzoening voor zijn ziel (Lev. 1:4 e.v.). Op de Verzoendag
legde de hogepriester zijn hand op de kop van de bok (Lev.
16:21).
Zo zijn er in het Oude Testament
nog vele voorbeelden te vinden van religieuze reiniging. In de
boeken van de Profeten en de Psalmen wordt over de afwassing
gesproken als reiniging van het geweten en vergeving van schuld.
Het was Johannes de Doper
waarvan in het Nieuwe Testament staat dat hij ook de doop
volgens de Joodse Wet en traditie voortzette.
Hij was een alom geacht man en
doopte niet alleen tollenaars en zondaren maar allen die tot
hem kwamen en wilden boeten voor hun zonden. Ook de voorname
Sadduceeën en Farizeeërs wilden door hem gedoopt worden (Matth.
3:7) waartegen Johannes heftig protesteerden omdat het
uitsluitend als een provocatie
diende. De mannelijke Israeliten
werden op de achtste dag na de geboorte door besnijding in het
Verbond opgenomen.
De waterdoop is als de
geestelijke besnijdenis waarbij de dopeling wordt opgenomen in
het verbond met God, een bad der wedergeboorte (vgl. Titus
3:5). De doop zoals door Johannes voltrokken, hoewel een
ordening van het oude Verbond, mag geenszins onderschat worden.
Het was geen uiterlijke ceremonie, ondanks dat het het geen
christelijke doop was.
Calvijn stelde, ten onrechte, de
doop van Johannes en de latere apostelen op één lijn: "Daaruit
wordt het zeer gewis, dat de dienst van Johannes geheel dezelfde
geweest is als die, welke later aan de apostelen is opgedragen"
(Calvijn: Instituties, boek IV, vert. Sizoo).
In zijn schrijven aan de
Corinthe waarschuwt Apostel Paulus hier uitdrukkelijk voor: "Ik
wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk
werden beschermd en allemaal door de zee trokken, dat ze zich
allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de
zee, en ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en
dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de
geestelijke rots die hen volgde en die rots was de Christus.
Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken
in de woestijn" (1 Cor. 10:1-5). Deze Oud-Testamentische doop
werd door Johannes voortgezet.
Het werk van Johannes was ter
voorbereiding en aanname van het evangelie, een uiterlijk en
zichtbaar teken van berouw voor de overtredingen van het oude
Verbondsvolk.
Hoewel de Oversten Johannes'
doop niet wilde erkennen maar het niet waagden om hem tegen te
spreken, zonden ze toch priesters en Levieten om hem te testen,
zoals al in het begin van dit hoofdstuk geschreven werd. Echter,
Johannes zelf zei over zijn handeling: "Ik doop jullie met water
ten teken van jullie nieuwe leven,: maar na mij komt iemand die
meer vermag dan ik" (Matt. 3:11).
De christelijke doop is een
ordening van het nieuwe Verbond. Het is de doop der
wedergeboorte, tot ontvangst van het nieuwe, hemelse leven en
dient ter invoering in het Rijk Gods dat in de kerk aanwezig is.
Gedoopt wordt in de naam des
Vaders, des Zoons en de Heilige Geest. Hierdoor ontstaat een
"bloedverwantschap". God wordt een geestelijke Vader, Zijn Zoon
de grootste geestelijke broeder.
De doop is een "wedergeboorte".
Het begin van de vernieuwing van de gehele mens, naar geest,
ziel en lichaam. Een wedergeboorte tot een levende hoop (1 Petr.
1:3), als eerstelingen van Zijn schepselen (Jak. 1:18) om nu
reeds te zien en straks in te gaan in het Koninkrijk waarvoor de
geboorte uit water en geest onmisbare vereisten zijn.
Dat alleen de waterdoop iets
anders is dan de doop met de heilige Geest bewees Jezus zelf,
ook Hij liet zich dopen door Johannes. Echter, ogenblikkelijk
daarna opende de hemel zich boven hem, en hij (Johannes) zag de
Geest Gods gelijk een duif nederdalen en op hem komen.
Dit was de eerste maal dat de
Geest gods, de Heilige Geest werd afgedragen, maar pas nadat
Jezus de Waterdoop door Johannes ontvangen had! ok het begrip
verzegelen heeft een voorgeschiedenis. In de oudheid was het
gebruikelijk dat slaven behandeld werden als dieren en evenals
de dieren, een eigendomsmerk of zegel kregen ingebrand. Zo
kregen tempelslaven het stempel van hun godheid ingebrand en
werden daardoor een blijvend eigendom van de tempel. Later werd
zo'n zegel ingebrand bij personen die geen slaven waren maar die
zich daardoor bonden aan hun god.
Zo is bekend dat de Egyptische
Farao Ptolemaeus IX (221-204 v. Chr.) een aantal joden het zegel
van zijn familiegod Dionysos inbranden om ze tot heiden en
vereerder van deze god te maken.
Daarom was het voor de eerste
christenen zonder meer duidelijk wat de Verzegeling inhield.
n.l. de persoon die verzegeld werd tot een goddelijk eigendom te
maken.
In Handelingen 8:17 staat te
lezen: "Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op,
en zo ontvingen de heilige Geest." Verder ook: "En toen Paulus
hun de handen had opgelegd daalde de heilige Geest op hen neer"
(Hand. 19:6) en "We moeten de eerste beginselen van de leer
over Christus hier toch maar laten rusten en ons richten op wat
voor volwassenen bedoeld is. We willen niet nog eens het
fundament leggen en speken over het zich afkeren van daden die
tot de dood leiden, over het geloof in God, de leer over het
dopen en de handoplegging en over de opstanding van de doden en
het laatste oordeel. We maken deze keuze in het vertrouwen dat
God het ons toestaat" (Hebr. 6:1-3).
Zoals uit bovenstaande blijkt is
in de schriften van het Nieuwe Testament duidelijk geschreven
over de afdracht van de heilige Geest door middel van
handoplegging door apostelen, als één van de midddelen. We
herinneren daarbij aan Luc. 11:13 waarin staat dat de heilige
Geest ook zelfstandig, zonder tussenkomst van anderen, werkt..
Dit is het sacrament van de
heilige Verzegeling, een sacrament dat, toen het apostelambt
verdwenen was, geleidelijk verdween. Hoewel deze afdracht van de
heilige Geest gebeurt door de degenen die door Hem de opdracht
hebben ontvangen, is het toch God zelf die werkt, via mensen.
Het oorspronkelijke sacrament
van de heilige Verzegeling is alleen in de R.K. kerk ten dele
bewaard gebleven als het "Vormsel".
Het merkwaardige is dat bij
Luther geen duidelijke afwijzing van de verzegeling te vinden
is. In het in 1520 verschenen werk "De captivitate Babylonica
ecclesiae praeludium" stelt bij handoplegging waarbij de heilige
Geest word afgedragen op één lijn met de handoplegging van
Jezus toen Hij de kinderen zegende en met de handoplegging der
apostelen ter genezing van zieken. Luther rekent al deze
handelingen onder
sacramenten.
Anders is het bij Calvijn die
stelt dat handoplegging wel charismen verleent maar niet de
heilige Geest. In de protestantse kerk is de het sacrament van
de heilige Verzegeling geheel verdwenen en kent men alleen nog
de heilige Doop, die dus de verzegeling ( het stempel) in zich
draagt.
Leerzaam is het gesprek van
Jezus met Nicodemus. "Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie
opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien" (Joh.
3:3). “Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees
en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van
God” (1 Kor. 15:50).
Toen Hij tegen Zijn jongeren zei
dat zij moesten wachten met verkondigen totdat zij de heilige
Geest ontvangen hadden, hadden enigen van al de doop door
Johannes ontvangen. Dat de jongeren moesten wachten was
noodzakelijk omdat Jezus eerst moest opvaren tot Zijn Vader,
wilde de Trooster, d.i. de heilige Geest, komen (vgl. Joh.
16:7).
Uit de woorden van Apostel
Petrus op de eerste Pinksterdag is op te maken dat de apostelen
een onderscheid maakte tussen de doop en de gaven van de heilige
Geest. Ze gaven aan dat de heilige Geest niet hetzelfde was als
de christelijke doophandeling. Ook de christelijke doop is
alleen een teken der genade, van het sluiten van een Verbond.
Weliswaar zegt de apostel: "Wie uit God geboren is, zondigt
niet"
(1 Joh. 3:9) maar deze uitspraak
is gericht tot hen die reeds lang gedoopt en verzegeld waren en
die de zonden behoorden te vermijden. Al is de heilige Doop
ontvangen, dan is de zonde toch nog niet dood in ons. Een
vrijgemaakte slaaf kan de sleur van zijn slavernij verkiezen
boven de strijd en inspanning die vereist zijn om in eigen
levensonderhoud te voorzien.
Ook tijdens de doortocht van de
woestijn dachten vele joden nog met weemoed terug aan de
vleespotten van Egypte.
Op enkele plaatsen in de heilige
Schrift komt duidelijk naar voren dat Waterdoop en de ontvangst
van de heilige Geest bijeen horen: In Efeze waren zielen die
door Johannes gedoopt waren.
Toen apostel Paulus hen vond
vroeg hij hen: "Hebt gij de heilige Geest ontvangen, toen gij
gelovig werd?" Het antwoord dat hij kreeg was "Wij hebben zelfs
niet eens gehoord of er een heilige Geest is". Op de vroeg van
apostel Johannes hoe ze dan gedoopt waren kreeg hij als antwoord
dat ze deze ontvangen hadden van Johannes.
Toen zei Paulus: "Johannes heeft
gedoopt met de doop der boete, zeggende tot het volk dat zij
geloven zouden in degene, die na hem komen zou, dat is in Jezus,
dat deze de Christus is." Daarop legde Paulus hen de handen op
en zij ontvingen de heilige Geest (Vgl. Hand. 19:1-7).
Er is dus duidelijk een gave van
de heilige Geest die verschilt met de waterdoop. Maar toch
kunnen beiden, doop met water en doop met vuur (de heilige
Geest) niet van elkaar gescheiden worden.
Het achtste hoofdstuk van de
Handelingen der apostelen geeft ons nog meer duidelijkheid in
het sacrament van de waterdoop door de eerste apostelen en het
sacrament van de heilige Verzegeling (afdracht van de heilige
Geest), die daarop volgt. Bij de vervolging die na de dood van
de diaken Stefanus losbarstte werd de Jeruzalemse gemeente over
Judea en Samaria verstrooit, alleen de apostelen bleven in
Jeruzalem.
De diaken Filippus kwam in een
Samarische stad en predikte daar over Jezus. Enigen van zijn
toehoorders namen het geloof aan en lieten zich dopen. Toen de
apostelen dit vernamen, zonden zij twee van hen, de apostelen
Petrus en Johannes. Deze baden voor de zielen die door Filippus
gedoopt waren dat zij de heilige Geest zouden ontvangen. Daaruit
blijkt dat zij weliswaar de waterdoop hadden ontvangen in de
naam des Heren, maar niet de heilige Geest. Toen legden de
apostelen hen de handen op en zij ontvingen de heilige Geest
(Vgl. Hand. 8:16-17).
Andersom gebeurde het ook, God
heeft zo Zijn eigen regels, vooral om mensen, die vaak
vastgeroest zitten aan eigen meningen en gewoonten, iets
duidelijk te maken.
In de Handelingen der apostelen
lezen we in het tiende en elfde hoofdstuk dat er tot dan toe
uitsluitend Joden gedoopt en verzegeld waren. Te Cesarea leefde
en hoofdman (aanvoerder van een legerafdeling) met zijn gezin
en huishouding. Deze hoofdman Cornelius is een vroom en
godvrezend man. Op een dag ontvangt hij bezoek van een Engel die
verteld dat zijn gebeden en aalmoezen door God met welgevallen
werden aanvaard. Hem wordt gezegd dat hij twee mannen naar Joppe
moet zenden om apostel Petrus te halen die daar verblijft.
Petrus krijgt te horen dat hij met deze twee mannen mee moet
gaan, maar hij heeft zo z'n bedenkingen. Immers, Cornelius was
een Romein, geen Jood en dus, volgens Petrus, onrein. Dat was
nog niet eerder voorgekomen! God toont Zijn oneindige geduld,
Hij moet Petrus tot driemaal toe duidelijk maken dat, wat Hij
rein acht, de mens niet onrein zal achten.
Petrus gaat met de twee mannen
mee. Bij Cornelius thuis predikt hij over Jezus en terwijl hij
daarmee bezig was viel de Heilige Geest op allen die hem
aanhoorden, waarna Petrus de waterdoop voltrok (Hand. 10:44-48).
Hier vond dus het omgekeerde
plaats, eerst de heilige Verzegeling, door God zelf verricht,
daarna de waterdoop. Deze uitzondering vond alleen maar plaats
om apostel Petrus te tonen dat ook niet-Joden deel konden
uitmaken van het nieuwe Verbondsvolk.
Uit het bovenstaande blijkt nog
iets anders: "... viel de Heilige Geest op allen die hem
aanhoorden."
M.a.w. op de aanwezige mannen,
vrouwen en kinderen. Later werd door enkele kerkvaderen en
reformatoren de doop van kinderen afgewezen omdat kinderen
onmondig zouden zijn.
In zijn geschrift "Wedergeboorte
en doop" schrijft Isaac Capadose, de latere Co-adjutor binnen de
Katholiek-apostolische gemeente behartenswaardigheden die hier,
gedeeltelijk, vrij weergegeven worden:
"In de dagen der wording van de
kerk werd de doop meestentijds toegediend aan bekeerlingen uit
Israel of de heidenen en van hen werd enige kennis van het
geloof verwacht. Filippus vraagt ook aan de Moorman voordat hij
deze doopt: "Gelooft gij van ganser harte" (Hand. 8:37).
Van jonge kinderen kon dat
natuurlijk niet verwacht worden. Wel vinden we op verschillende
plaatsen in het Nieuwe Testament de doop van een geheel
huisgezin vermeld (zie boven). Om te vinden of kinderen gedoopt
mogen worden moeten we echter nog dieper graven.
Het huisgezin is de oudste
instelling Gods, de oorsprong van alle latere (zie Gen. 1:27).
De verbinding tussen man en vrouw is van oorsprong een heilige
instelling en vergelijkbaar met de innige en heilige betrekking
tussen Christus en de gemeente. Ook het vierde gebod, gij zult
uw vader en uw moeder eren, en Ef. 6:15 behandelen het huisgezin
en de verhouding tussen ouders en kinderen. kinderen en ouders.
Vandaar dat we niet alleen in
het Oude, maar eveneens in het Nieuwe Testament de verbondenheid
Gods met de vaders en diens kinderen, met het hoofd en het hele
gezin, zien aangegaan.
Het verbond met Israel omvatte
het gehele volk, omdat God "zoals hij u heeft beloofd en zoals
hij ook uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft
toegezegd” (Deut. 29:12). Uitdrukkelijk worden de kinderen
daarin opgenomen.
In de al eerder aangehaalde rede
van apostel Petrus zegt deze:
"Want voor u geldt deze belofte,
evenals voor uw kinderen" (Hand. 2:39, daarbij verwijzende naar
Joël 2:32. Ook verdient Paulus' woord aan de Korinthiërs de
aandacht (1 Kor. 7:14), dat zo één der ouders nog heidens of
joods is. doch de ander gelovig, de heiden of de jood door de
gelovige geheiligd is en dientengevolge hun kinderen niet
onrein, maar heilig zijn.
Het ongelovige lid van het
echtpaar wordt geheiligd door het gelovige lid. De ongelovige
echtgeno(o)t(e) komt immers voortdurend in aanraking met het
leven Gods in zijn gelovige wederhelft, hetzij tot zegen, hetzij
tot verzwaring van zijn oordeel. De ongelovige echtgeno(o)t(e)
is door de huwelijksband met een gelovige getrokken binnen de
kring, waarin Gods genade zich vrijer ontwikkeld en openbaart,
dan in de "heidenwereld" of zelfs onder de joden. Het kind is
een product van de ouders, niet alleen hun vlees en bloed, maar
ook tot op zekere hoogte van hun geest.
Kinderen zijn zo uitverkoren
voorwerpen van Gods tedere Vaderliefde, zelfs onder de hemelse
heerscharen van gedienstige geesten die uitgezonden worden om
bepaalde kleine diensten te bewijzen (vgl. Hebr. 1:14). "Hun
engelen", zegt de Heer, "zien altijd het aangezicht van mijn
Vader, die in de hemelen is" (Matth. 18:10).
Dit vrije citaat maakt niet
alleen duidelijk waarom kinderen, hoewel nog niet het verstand
des jaren bereikt hebbende, de doop kunnen ontvangen, maar ook
de waarde van het huisgezin.
Jezus had al gezegd dat Hij niet
gekomen was om de wet te verwerpen maar om deze aan te vullen en
zei daarbij:
"Gelukkig wie nederig van hart
zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel" (Matth. 5:3)
en "Ik loof u, Vader, Heer van de hemel en de aarde, omdat U
deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden
, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld” hebt” (Matth.
11:25). “De mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze
door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen.
Toen Jezus dat zag wond hij zich erover op en zei tegen hen:
"Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het
koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij" (Marc.
10:13-14).
Om de betekenis van de heilige
Verzegeling in volheid te omvatten is het goed te citeren uit
het laatste bijbelboek, de Openbaring die Apostel Johannes op
het eiland Patmos mocht ontvangen:
"Hierna zag ik vier engelen bij
de vier hoeken van de aarde staan. Zij hielden de vier winden
van de aarde in bedwang, om te voorkomen dat er een wind over
land of op zee of door de bomen zou waaien. Ik zag in het oosten
een andere engel opsteigen, die het zegel van de levende God
had. De vier engelen doe de opdracht hadden gekregen om schade
toe te brengen aan het land en de zee, riep hij met luide stem
toe. Laat het land en de zee en ook bomen nog ongemoeid! Eerst
moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn
dienaren aanbrengen. Toen hoorde ik het aantal van hen die het
zegel droegen:honderdvierenveertig duizend in totaal, afkomstig
uit elke stam van Israel" (Openb. 7:1-4).
Allen die de heilige Verzegeling
hebben ontvangen staan opgetekend in het Boek des Lams, het
levensboek en maken deel uit van het Lichaam Christi. Enige
Katholiek-apostolische leraren, w.o. Pilaar-apostel Cardale,
wezen erop dat dit getal niet woordelijk maar symbolisch
gelezen moest worden.
Een doop hoeft niet altijd door
een priesterlijk ambt voltrokken te worden, behoeft echter wel
een priestelijke bevestiging en zegen.
De waterdoop in de Samariaanse
stad was echter wel een priesterlijke handeling, Filippus was
evangelist. Het is niet helemaal duidelijk wanneer Filippus dat
ambt ontvangen heeft, immers, oorspronkelijk was hij aangewezen
als één der zeven diakenen (Hand. 6:8).
In deze geschiedenis komt
duidelijk naar voren dat de doop met de heilige Geest, de
heilige Verzegeling uitsluitend door een apostel, door
handoplegging, afgedragen kan worden.
Er is in de heilige Schrift geen
enkel voorbeeld te vinden waaruit blijkt dat de heilige Geest
door een ander ambt geschonken kan worden. Bij hoge
uitzondering kan een apostel deze volmacht voor een bepaalde
tijd delegeren zoals met Timotheus, "de geliefde zoon van Paulus
en met apostolische volmachten bekleed" en Titus gebeurde (1
Tim. 1:3, 3:14, Tit. 1:5.
De tweeledige doop (water- en
geestesdoop) heeft nog een verdere betekenis, n.l. dat de kerk,
het lichaam Christi, niet alleen uit ambtsdragers, door Hem
geordende mannen, bestaat.
Ieder die de heilige Verzegeling
heeft ontvangen en daardoor drager van de heilige Geest is
geworden, heeft een plaats in het lichaam Christi en is zelf
voor het functioneren binnen dat lichaam verantwoordelijk. Juist
voor het vervullen van bijzondere plichten wordt de heilige
Geest geschonken, om te kunnen groeien in het wezen van
Christus.
Daarom is alleen de waterdoop,
waardoor de gelovige een verbond met Christus sluit, niet
voldoende. Als een kind ter wereld komt is daarmee ook niet aan
alles voldaan, het kind moet gevoed en geleid worden om op te
groeien. Het kind moet de mansgestalte Christi bereiken en dan
kan ook te voorschijn komen wat de heilige Waterdoop, de heilige
Verzegeling en de opvoeding door gelovige ouders, bewerkstelligt
hebben.
De ordening zoals God die
gesteld heeft laat Hij niet ongestraft schenden. Toen het
apostelambt weggenomen was omdat het niet meer nodig werd
geacht, verviel het éne lichaam, traden schisma's op en werd het
verschil tussen de gedoopten en de heidenen steeds minder.
Ook de "kerkvaderen" vergaten,
hoewel ze veel waardevols geschreven hebben, dat de brieven der
apostelen, m.n. van Apostel Paulus geen leerstellige
verhandelingen waren. Het was en is de apostelen niet te doen om
bijdragen of bouwstoffen te leveren tot een wetenschappelijke
dogmatiek. Zij werkten niet aan de uitwerking van een stelsel,
maar zij bouwden aan een geestelijke tempel om de wedergeborenen
als levende stenen samen te voegen tot een woonstede Gods in de
geest.
Het merkwaardige is zelfs dat de
oudere "kerkvaderen" w.o.Clemens Alexandrinus en Origenes
twijfelden over de kracht van de heilige Geest. Athanasius
beleed de heilige Geest echter krachtig en pas vanaf het
Concilie van Nicaea (381) werd de Vader, Zoon en heilige Geest
als Drieeenheid beleden.
Behalve Athanasius hadden ook de
z.g. "Cappadocische Vaders" (Basilus de Grote, Gregorius van
Nyssa e.a.) van de kerken in Klein-Azië, hierin een werkzaam
aandeel door hun overredingskracht. Deze Drie-eenheid werd
vastgelegd in het z.g. Nicaeno-Constantinopolitanum. Augustinus
ziet het heil der gelovigen als het werk van dw heilige Geest en
wijst op het verband van de heilige Geest, de prediking en de
kerk. In de middeleeuwen gaat het begrip "kerk" allengs de
heilige Geest verdringen.
Het wordt dan "Waar de kerk is,
is de Geest", inplaats van wat Augustinus geleerd had "Waar de
Geest is, is de kerk".
De bisschoppen beseften wel
degelijk dat zij niet gerechtigd waren om de apostolische
handelingen uit te voeren. Maar met het wegvallen van het
apostelambt werden zij verplicht om in de geestelijke noden van
de gedoopten te voorzien. Daarom ook werden zij door de heilige
Geest ertoe gebracht om oudsten en diakenen te ordenen. Daarom
werd ook door hen de conformatie doorgevoerd, maar ze maten zich
niet het apostolische recht aan om dit door handoplegging te
volbrengen. Ook hierin, in de uiterlijke tekenen, is een
verloop te bekennen. De Heer blies op Zijn apostelen en sprak:
Ontvangt de heilige Geest want dat is de bron van al het leven.
De apostelen legden de gedoopten hun beide handen op omdat zij
door Christus waren gezonden om de Heilige Geest af te dragen.
Ook de handoplegging verviel,
weliswaar doopt de geestelijke en legt daarbij, veelal, één hand
op de dopeling, de apostolische handoplegging gebeurd met beide
handen.
Pilaar-apostel Cardale schreef
met betrekking tot het vervallen van dit sakrament:
"Wat hebben we te zeggen over de
vele miljoenen die, nadat er geen apostelen meer waren. gedoopt
zijn. Apostel Paulus wijst erop dat hun doop niet volledig, niet
volkomen is. "Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb
bereikt. Maar ik houd vol in de hoop eens dat te kunnen grijpen
waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft”. (Fil. 3:12).
Nu kan natuurlijk de vraag
opkomen: gebruikt God niet ieder die Hij wil, ongeacht of ze
gedoopt zijn in Zijn naam, leeftijd of geslacht? Natuurlijk is
dat zo. Door onmondigen en zuigelingen wordt Zijn lof gezongen.
Hij zal iedereen, ongeacht de leeftijd, gebruiken als daarmee
een doel gediend kan worden. Hij vervulde mannen met Zijn geest:
Abraham, de aartsvaderen, Samuel, David, Salomo en de profeten.
Hij gebruikte Mozes, Elia en
Eliza om geweldige daden te verrichten. Ook Ruth en Naomi en
andere vrouwen waren een werktuig in Zijn hand. Hun werk was
zeker niet minder dan dat van de latere apostelen.
Maar daarom geldt des te meer
dat Christus hen gebruikt die in Zijn naam gedoopt en een deel
van Zijn lichaam zijn. Door de zending van de heilige Geest
werden de jongeren met Christus in het ene lichaam verenigd
waarin de apostelen, volgens Zijn ordening, de dienaren werden
om de heilige Geest uit te reiken."
Niet allen die de heilige
Verzegeling hebben ontvangen uit de hand van een apostel maken
deel uit van het lichaam Christi. De geest moet gevoed en
onderhouden worden, zoals in een bovenstaand voorbeeld al
aangegeven is. Daarom is ook het derde sacrament, het Heilig
Avondmaal noodzakelijk.
Tenslotte geldt het volgende:
niemand kan de almacht en de grootheid Gods doorgronden. Ook de
Zoon moet wachten totdat Hij van de Vader toestemming krijgt om
Zijn volk te halen.
Te bedenken valt echter dat van
alle miljarden mensen die reeds op aarde geleefd hebben, van de
ca. 5 miljard aardebewoners die er nu zijn, niemand hetzelfde
is. Niemand is een exacte kopie van de ander, geeft dat niet de
almacht Gods weer?
HET ENGELSE APOSTOLAAT BEGINT
UIT TE STERVEN
Op 26 januari 1855 ontsliep de,
sinds 1840 al niet meer werkzame apostel Duncan Mackenzie op
70-jarige leeftijd. Kort voor zijn dood zei hij: "Ik weet dat
God Zijn zwakste apostel", hij bedoelde zichzelf, "snel tot zich
nemen zal. Pijnlijk vind ik het echter dat Hij waarschijnlijk
ook Zijn sterkste apostel", daarmee bedoelde hij Carlyle, "zal
wegnemen."
Twee dagen later, 28 januari,
overleed, na een inspannende reis door Zweden, de apostel voor
Noordduitsland, Thomas Carlyle, op 51 jarige leeftijd.
Hij is wel de actiefste Apostel
geweest, zowel op missionair als literair terrein. Bijzonder
zegenrijk was zijn werk in Duitsland. Hij was meerdere keren te
gast op het slot Charlottenburg bij koning Friedrich Wilhelm IV
van Pruisen. Deze bezoeken en gesprekken waren en mede oorzaak
van dat Friedrich Wilhelm IV er van doordringen werd dat het
bisschoppelijk ambt binnen de Evangelische Kirche hersteld moest
worden en dat, mede door Josius Bunsen, een bisschop te
Jeruzalem benoemd werd. We zullen hier in een apart hoofdstuk
verder op ingaan.
Had God een bedoeling gehad met
het, op jonge leeftijd, wegnemen van deze bijzondere Engelse
apostel die ook een groot kenner was van de Duitse geschiedenis
en cultuur en, later, ook accentloos Duits sprak?
Carlyle schreef: "Nergens in de
heilige Schrift is te lezen dat de ambten slechts voor beperkte
tijd zouden zijn. Niet door ontslapen apostelen, maar door
levende Apostelen moet de kerk geleerd en geregeerd worden."
De Pilaar-apostel Cardale zei
twee dagen na het ontslapen van Carlyle: "Velen hebben gedacht
en ik beken dat ik daar ook toe behoor, dat zij die als apostel
zijn geroepen, als ze trouw blijven, niet zouden sterven totdat
ze de gelovigen in de hemelse erfenis gebracht hadden. We hebben
ons vergist."
apostel Woodhouse, die al in
Zuidduitsland werkte, nam de Noordduitse stam over.
Op 21 juni 1855 overwegen de
Engelse apostelen de vraag of er stappen genomen moeten worden
om de plaatsen van de ontslapen apostelen op te vullen. Ze
kwamen tot de slotsom dat nergens in de heilige Schrift een
verwijzing daarnaar te vinden is. Ze besloten op aanwijzingen
van God te wachten.
In datzelfde jaar, 3 november
1855, overleed nog William Dow.
Een zeer zware slag trof de
Katholiek-apostolische gemeenten toen in april 1862 de
Pilaar-profeet Edward Oliver Taplin ontsliep. Hij was een
"oud-gediende". Door hem waren Drummond als herder, Cardale als
apostel en iets later Drummond ook als apostel geroepen. Alle
aanvallen op zijn persoon, door persmedia en bekende
persoonlijkheden, toen hij als eerste in de gemeente van Irving
profeteerde, had hij over zich heen laten gaan. Op 27 mei 1851
hield Taplin in Londen een lezing over het voortdurende
apostelambt. Ook zijn profetie in 1856 te Albury, naar
aanleiding van Ezra 3, was al een duidelijke verwijzing naar
hetgeen gebeuren zou.
"De heerlijkheid van het laatste
huis zal groter zijn als van het eerste huis, hoewel het volk
weent. Waarom, ja waarom? Omdat de Heer in dezelfde tempel
verschijnen zal. Niet nog eenmaal de heilige Geest zend. Hij
heeft geen tweede toekomst. De heilige Geest heeft geen twee
toekomsten, maar de Heer des tempels zal in Zijn heerlijkheid
verschijnen. Gij mannen van Tyrus en Sydon, wilt u niet werken
om de cederbomen te halen waaruit het Huis gebouwd zal worden?
Wil u u niet brengen de ceders
en de dennen waarmee het Huis gebouwd zal worden?
Dit altaar is op Zijn
grondvesten gebouwd, al voor de grond van de tempel gelegd was.
Hebt u het niet gezien? Hebt u het niet waargenomen? Het zal een
tempel zijn waarin de goddelozen geen toegang hebben.
De ceders en dennen zijn het,
waarop ze bouwen."
Hij was het ook die, na de
Profetenvergadering in Albury van 1860, had gesproken over een
nieuwe ordening.
Zover zijn we echter nog niet
met het verhalen van de geschiedenis. In de "Kerkelijke
Circulaire" van juni 1862 schreef Woodhouse: "Als zuil der
profeten stond Taplin de apostelen terzijde, gaf raad over hoe
met profetiën te handelen. Door zijn ervaring met profetische
uitingen kon hij profeten en begaafde personen over de
verleidingen waaraan zij blootstonden, troosten en helpen en
tevens onderwijzen over een juist gebruik van deze gave.
In de uitoefening van zijn
profetische gaven bemerkte men nuchterheid en het verre blijven
van opwinding en lichamelijke betrokkenheid. Toch waren in zijn
woorden de kracht en invloed van de heilige Geest zowel bij de
zachtste tonen als bij de watervallen van woorden die in tongen
of in de taal der mensen gesproken werden. Vol majesteit en
krachtvol kwamen ze uit zijn mond voort. Hij kan met de grootste
en roemrijkste godsmannen, die ooit op aarde in de naam van de
Almachtige God en gedreven door de heilige Geest, tot hun
medemensen gesproken hebben, op één lijn gesteld worden."
In 1870 waren dus nog slechts
drie van de twaalf Engelse apostelen in leven: de Pilaar-apostel
John Bate Cardale, Nicolas Armstrong en Francis Valentin
Woodhouse.
Maar we gaan nog even ruim tien
jaar terug in de geschiedenis. Juist in die periode zouden er
onomkeerbare gebeurtenissen plaatsvinden die van groot belang
zijn voor het verdere verloop van de katholiek-apostolische
gemeente.
In mei 1858 begint de eerste
jaarlijkse bijeenkomst van veertien dagen met de profeten. Het
is de bedoeling om tijdens deze zittingen de uitleg van de
verschillende bijbelboeken te bespreken. Deze bijeenkomsten
vonden plaats in Albury, slechts drie jaar van 1858 tot 1861. De
eerste bijeenkomst was gewijd aan de boeken van het Oude
Testament, Ezra en Nehemia. De deelnemers waren de twaalf
profeten, Bligh, Davidson, Esterford, Faesch, Geyer, Hester,
Jeffery, Petitpierre, Prentice, Smith, Taylor en Watts. Ook de
apostelen met hun hulpen waren daarbij aanwezig.
Hoewel in 1852 in de
Raadsvergadering werd besloten dat iedere apostel het recht had
om, na goedkeuring der andere apostelen, een gewijdde Engel als
zijn hulp of Co-adjutor in zijn stamgebied te benoemen, gebeurde
dat de eerste keer in juli 1859. Charles Böhm (1812-1880) werd
door Taplin geroepen als eerste Co-adjutor voor Noord-Duitsland.
Na 1865 kwam dat ambt sterker naar voren. In de geschiedenis van
de
Katholiek-Apostolische Gemeente
zijn twaalf mannen als Co-adjutor werkzaam geweest. Zij
assisteerde en vervingen als eersten de Engelse apostelen,
echter niet met de volmachten en gaven van de apostel.
Vanaf 1859 werkte Charles Bôhm
dus in dat ambt in Noord-Duitsland, na 1870 ook voor Rusland.
De twaalf mannen die het ambt
van co-adjutor gedragen hebben waren: 1865: William Rennie Caird
voor Zuid-Duitsland en Zwitserland, na 1870 ook voor Canada, de
Verenigde Staten, Frankrijk en België.
--- John Leslie voor Engeland,
Australië en India.
--- Georg John R. Hewitt voor
Denemarken, Nederland en Vlaanderen.
1870: William Flewker voor
Spanje en Italië. Langford Rowley Symes voor Frankrijk.
1873: Max von Pochhammer voor
Oostenrijk en na 1880 ook Noord-Duitsland.
1875: Isaac Capadose voor
Nederland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en na de dood van von
Pochhammer in 1896 ook voor Rusland, Polen, Frankrijk, België
en Italië. Emil L. Geering voor Zwitserland en Zuid-Duitsland.
1879: Friedrich B.A. Diestel
voor Rusland.
1881: Edmund Lewis Hooper voor
Ierland en Schotland.
1886: Edward Heath,
oorspronkelijk Australië en Nieuw-Zeeland, na het overlijden van
verschillende Co-adjutoren, Heath was de laatstlevende, ook
Engeland, Schotland, Ierland, Amerika, Canada, Zwitserland,
Zuid-Duitsland en Oostenrijk.
LAATSTE STADIUM EN DE “TIJD DER
STILTE”
Na 1886, de roeping van Edward
Heath, werden geen verdere Co-adjutoren meer geroepen.
Woodhouse, die daarna nog bijna vijftien als enige apostel van
de oude ordening werkte, had zeker nog vele Co- adjutoren kunnen
gebruiken. Woodhouse wilde het werk echter niet eigenmachtig
voortzetten.
Naast het Co-adjutorenambt kwam
in een later stadium nog een ambt voor de "Algemene Kerk",
namelijk dat van Apostolische Gedelegeerde. Hierover werd al in
1835 en 1857 profetisch gesproken maar het kwam pas in 1890
naar voren.
Een Apostolische Delegatie
bestond uit twee mannen met het ambt van engel die van de
apostel volmacht kregen om apostolische handelingen te
verrichten. Was deze handeling uitgevoerd dan verviel de
volmacht.
Terwijl de Co-adjutoren blijvend
alle apostolische handelingen konden verrichten, was dat voor de
Gedelegeerde alleen tijdelijk en voor speciale handelingen.
Gedelegeerden konden alle handelingen opgedragen krijgen behalve
de wijding van engelen en de stichting van gemeenten. Dat was
voorbehouden aan de apostelen en Co-adjutoren.
Een ander ambt in de "Algemene
Kerk" was dat van aartsengel. Dit ambt kwam in 1839 naar voren.
Het waren toen Archibald Campbell Barclay, Augustus Frederic
Bayford en Georg Gambier.
De volgende roeping van een
aartsengel zou veertig jaar op zich laten wachten. In januari
1878 R.T. Roskilly. Tot 1895 werden nog zeven aartsengelen
geroepen, zelfs op 13 juli 1900 vlak voordat de laatste Engelse
apostel overleed werden nog zes engelen als aartsengel ingezet.
Dat waren Carl Eduard Schwarz en Ludwig Albrecht. Albrecht
overleed als laatste aartsengel in 1931.
De aartsengelen behoorden niet
tot een bepaalde stam maar ontvingen hun opdrachten rechtstreeks
van de apostelen. Ook werden aartsengelen "gestationeerd" in
steden die tot aartsengelplaats werden verheven met een
symbolische naam.
Dat gebeurde in 1860 en de
steden waren: Londen als Ephesus, Berlijn als Smyrna, Parijs als
Pergamus, Rome als Thyatira, Wenen als Sardes, Bern als
Philadelphia en Stockholm als Laodicea.
Maar dan zijn we alweer voorbij
een uiterst belangrijke datum in de Engelse apostolische
geschiedschrijving.
Op 30 mei 1860 vond de derde
veertiendaagse bijeenkomst plaats van de profeten in Albury
onder leiding van de apostelen.
Al langer bestond onder de
ambtsdragers verschil van mening over de invulling van het
apostelambt. Nergens is in de bijbel terug te vinden dat het
twaalftal een wetmatigheid is. Ook in het Nieuwe Testament zijn
meer dan twaalf apostelen werkzaam. Buiten de apostelen die de
Heer persoonlijk heeft geroepen, worden in de bijbel nog de
volgende mannen, die de apostelbediening droegen, genoemd:
Matthias (Hand. 1:23-26), Barnabas (Hand. 13:1-4, 14:14, Gal.
2:9), Paulus (Hand. 9:15, 13:1-4, 1 Cor. 9:1-16, 2 Cor. 11:1,
Tim. 2:7), Andronicus en Junius (Rom. 16:7), Epafroditus (Fil.
2:25), en nog enkele anderen. Ook in hun "Testimonium" hadden de
Engelse apostelen meermalen betoogd dat apostelen noodzakelijk
waren om de wederkomst van Jezus voor te bereiden. De weigering
van dezelfde Engelse apostelen om anderen naast zich te dulden,
werd door velen met gemengde gevoelens bejegend.
Tijdens de derde jaarlijkse
bijeenkomst van de Profeten is het de beurt aan Heinrich Geyer,
een Duitse profeet om voor te lezen. Hij leest de tekst van
Efeze voor en gaat dan meteen over in een profetisch woord:
"Maar dit heb ik tegen u; u
hebt de liefde van weleer opgegeven. Bedenk van welke hoogte u
gevallen bent. Breekt met het leven dat u nu leidt en doe weer
als vroeger” (Openb. 2:4). Verlang naar de apostelen, die hun
stoel verlaten hebben. De Heer geeft u twee apostelen op de lege
stoelen als onderpand, dat Hij ook de overige weer bezetten zal,
zodat uw schouders niet bezwijken: Charles Böhm en William Caird
als apostel!"
Hierop had niemand gerekend!
Ogenblikkelijk werd de bijeenkomst opgeheven en konden de
profeten gaan. Alleen Taplin, als Pilaar-profeet mocht blijven.
EQ \O(', )s Avonds, toen de
profeten bij Taplin thuis waren, gaf deze als zijn mening te
kennen dat alle ambten in volheid aanwezig zullen zijn bij het
verschijnen van de Heer. De volgende morgen moest Geyer bij
Woodhouse komen. Deze gaf hem te verstaan dat de Engelse
apostelen de roeping verwierpen en dat van opvulling van de
opengevallen plaatsen geen sprake kon zijn.
Maar daarmee was deze crisis
niet bezworen.
Min of meer zijn de
gebeurtenissen tijdens de profetenbijeenkomst van 1860 er de
oorzaak van dat deze bijeenkomst nog éénmaal plaats vind en
daarna nooit meer. Het is niet de eerste en ook niet de laatste
keer dat de Engelse apostelen en profeten het niet met elkaar
eens waren.
In 1865 slaagt de eerste poging
om in het werelddeel Australië een gemeente te vestigen. Dat was
in Wellington (Nieuw-Zeeland). En de oprichting van gemeenten
gaat in de volgende jaren door:
St. Petersburg
(1871), Wenen (1872), Kristiania (Oslo, 1877), Stockholm (1878).
De eerste gemeente in
Nederland gaat in 1864 van start maar daar zal in een apart
hoofdstuk op terug gekomen worden.
Toch, ondanks het stichten van
deze nieuwe gemeenten, was er verloop Een correspondent van de
"Evangelische Kirchenzeitung" bericht op 25 maart 1876 het
volgende:
"De "Katholieke en Apostolische
Kerk" van de Irvingianen ontvoud in de zeven, meest aanzienlijk
grote maar ten dele zeer spaarzaam bezochten kerken die ze in
Londen bezit, een trotse pracht van de cultus.
In deze overbied ze in elke
schakering het Anglicaanse hoogkerkdom.
In de hoofdkerk op Gordon Square
celiberen in de zondagsdienst bijna vijftig geestelijken,
gekleed in bonte ornaten. Maar ook in de ochtend- en
avonddiensten, die dagelijks om 6 uur v.m. en 5 uur n.m.
plaatsvinden, zowel hier als in de kleinere kerken, fungeren
regelmatig tenminste veertien ambtsdragers of meer, wat tijdens
deze diensten waar vaak niet meer dan twintig personen aanwezig
zijn, in groot contrast staat. Wijwaterbekers, reukwerk,
uitdeling van de sacramenten, gebeden voor overledenen - niets
ontbreekt tijdens de diensten van deze secte die een spruit van
de puriteinse Knox is (sic!).
Tegenwoordig is echter veel van
wat aan haar Schotse verleden en in het bijzonder aan haar
stichter Edward Irving herinnert, verdwenen.
Evenals het "praten in tongen",
dat bijna overal is verdwenen. Het aantal apostelen schijnt tot
drie geslonken te zijn. Ook datgene wat de oorsprong en het
bestaansrecht van de secte was, de profetieën, komen nog slechts
zelden voor."
Op 18 juli 1877 ontsliep geheel
onverwachts de Pilaar-apostel John Bate Cardale, bijna 75 jaar
oud.
Woodhouse hield op 14 augustus
1877 een toespraak voor de zeven gemeenten van Londen en haalde
daarbij de profetie aan die gesproken werd bij Cardale's
inzetting als Pilaar-apostel. Hij zei daarbij:
"Merkwaardig is de uitspraak in
het woord: Gij apostel Cardale, gij eerste fundament, er zijn
diepten die Jezus niet kan openbaren. Direkt daarna kwamen de
uitspraken over het hart. In het hart bevinden zich dus de
diepten. Die kunnen alleen geopenbaard worden als de mens open
is voor de ander. Uit dit woord volgt duidelijk, dat Gods
openbaring door mensen doorgaat, want de openbaring is niet bij
Jezus afgesloten.
Een pilaar dient de
verborgenheden van het hart te openbaren. Denk in dit verband
aan de overwinningsbelofte van de gemeente te Filadelfia; God
zal hen maken tot pilaren in Zijn tempel!"
Ook in deze toespraak sprak
Woodhouse dus over voortzetting van de openbaringen Gods, door
apostelen, terwijl anderzijds het inzetten van nieuwe apostelen
veroordeeld werd.
Vier dagen daarvoor was hij
tijdens een bijeenkomst van de Zeven Gemeenten in Londen ziek
weggedragen en naar Albury teruggekeerd. Twee jaar later, 9
oktober 1879, overleed Nicolas Armstrong, die allang ziek was,
op de leeftijd van 78 jaar.
Ook nu werd de riep naar nieuwe
apostelen steeds sterker maar er volgde ook een profetie:
"Jezus heeft zich niet
veranderd, ook kan er geen verandering komen in de leiding en
ordening van Zijn huis, totdat de laatste van Zijn knechten
thuisgehaald is." (L. Albrecht).
Ruim 21 jaar was Woodhouse als
enige Engelse apostel werkzaam. Juist in die periode werden de
grootste aktiviteiten ontwikkeld. Vanaf maart 1897 was
Woodhouse zozeer verzwakt dat hij al het werk aan de
Co-adjutoren moest overlaten.
Op 3 februari 1901 overlijd de
laatste Engelse apostel, Woodhouse, tegen 13.00 uur in Albury.
Hij is bijna 96 jaar oud geworden. Het ambt van Apostel heeft
hij 66 jaar gedragen, 21 jaar als één der twaalf Engelse
apostelen, 24 jaar met een kleiner aantal en 21 jaar als enige
apostel.
Daarmee werd een punt gezet
achter het werk binnen de Katholiek Apostolische Gemeente. Nog
gaat de Katholiek Apostolische Gemeente door maar wel
voorbijgaand, uitstervende, in het "halfuur stilte" waarvoor
gekozen werd.
De stichting van alle
Katholiek-Apostolische Gemeenten voltrok zich in de jaren
1833-1901. Na de dood van Woodhouse werd elke aktiviteit naar
buiten gestaakt. Er worden geen nieuwe leden meer aangenomen,
behalve de nakomelingen van de bestaande leden.
Begin 1901 bestonden er over de
hele wereld 938 gemeenten.
De eerste gemeente in Engeland,
Albury, werd in 1832 gesticht. In 1901 bestonden er in Engeland
in het totaal 315 gemeenten. Schotland, eerste gemeente
Edinburgh 1834, in 1901 28 gemeenten. Ierland, eerste gemeente
Dublin 1835, in 1901 6 gemeenten, Frankrijk, eerste gemeente
Landouzy 1836, in 1901 7 gemeenten,
Canada, eerste gemeente Kingston
1836, in 1901 12 gemeenten, Noordduitsland, eerste gemeente
Marburg/L. 1848, in 1901 305 gemeenten, Zwitserland, eerste
gemeente Bazel 1849, in 1901 41 gemeenten,
Verenigde Staten, eerste
gemeente 1850, in 1901 29 gemeenten, België, eerste gemeente
Luik 1852 in 1901 3 gemeenten, Zuidduitsland, eerste gemeente
Ulm 1856, in 1901 43 gemeenten, Australië, eerste gemeente
Melbourne 1856, in 1901 15 gemeenten, Italië, eerste gemeente
Florence 1859 in 1901 2 gemeenten, Denemarken, eerste gemeente
Kopenhagen 1861, in 1901 59 gemeenten. Nieuw-Zeeland, eerste
gemeente Wellington 1865, in 1901 5 gemeenten, Nederland, eerste
gemeente Den Haag 1867, in 1901 17 gemeenten,
Rusland, Balkanlanden, Finland
en Polen, eerste gemeente, St. Petersburg (Leningrad), in 1901
18 gemeenten, Oostenrijk en Hongarije, eerste gemeente 1872, in
1901 8 gemeenten, Noorwegen, eerste gemeente Kristiania (Oslo),
in 1901 10 gemeenten en Zweden, eerste gemeente Stockholm 1878,
in 1901 15 gemeenten.
Deze opsomming bevat ook de
allerkleinste gemeenten zonder eigen ambten, maar waar periodiek
een priesterlijk ambt uit de moedergemeente kwam.
In het gebied met verreweg de
meeste gemeenten, Noordduitsland, waren in 1901 ca. 60.000
gemeente-leden.
Het totale aantal gemeente-leden
binnen de Katholiek- Apostolische gemeenten was in 1901 ca.
200.000.
Ondanks vele missie-reizen
konden er geen gemeenten gesticht worden in Spanje en Portugal.
De twee gemeenten in Italië (Florence en Rome) hielden dienst in
huiskamers.
In het Verre Oosten werd gewerkt
in India, Indië en Japan. In India woonden 200 tot 300
Katholiek-Apostolischen verspreid over het hele land, vooral
echter in Bombay, Madras en Calcutta. Tot stichting van
gemeenten is het niet gekomen.
In Indië stonden de
Katholiek-Apostolischen onder de plaatselijke leiding van een
diaken J.H. Jacobs en onder de zorg van de aartsdiaken Abraham
Capadose die het land in 1897, 1909 en 1911 bezocht.
In Tokio kon de evangelist C.T.
Layton uit Londen in 1899 enige Japanners en een Amerikaanse
missionaris voor het werk winnen.
Drie weken na het overlijden van
Woodhouse, zondag 26 februari 1901, werd de eerste dienst
gehouden van de Zeven gemeenten te Londen. De eucharistie bleef
daarbij achterwege.
Voor ging toen Dr. Isaac
Capadose, één der twee toen nog levende Co-adjutoren. Wat hij
toen zei komt grotendeels overeen met de inhoud van een brief
die hij, kort daarna, schreef aan Dr. J.H. Gunning jr.
in Nederland. Enkele passage´s
uit deze brief volgen als citaat hieronder:
"Op uw zoo hartelijk deelnemend
schrijven van 11/2 volgde dusver alleen een gedrukte
dankzegging. Daarbij wil ik het niet laten. Maar heden is de
eerste dag (1 april 1901) dat ik relatief rustig op mijn
studeerkamer kan zitten. Ge hebt zeker wel gehoord hoe, nog eer
onze dierbare Mary begraven was, de 96-jarige Apostel Woodhouse
ontsliep. Daardoor ben ik in een reeks van raadsvergadering en
conferencies gewikkeld, die eerst j.l. zaterdag eindigden, daar
we deze "stille week" (holy week, zeggen de Engelschen)
onverdeeld aan de overdenking van hetgeen de geheele
Christenheid in deze dagen bezighoudt, wilden wijden.
We hebben een zwaren winter
doorgemaakt. Vier maanden lang een innig geliefd kind, de
onzelfzuchtigste van allen, zóó te zien lijden, en op alle
gebeden nooit een zichtbaar antwoord te krijgen (behalve dat
haar bovenmenschelijk geduld het bewijs van ´s Heeren
krachtdadige ondersteuning gaf), dat is een vuurproef, zooals
ik er nog geen had doorgemaakt.
Het bleek van achtereen de
toebereiding tot de zware taak, die op mij zou komen. Geen
gietijzer, maar smeedijzer wordt voor ankerkettingen gevorderd.
En in zekeren zin mag ik mij bij een ankerketting vergelijken.
Want na het ontslapen des laatsten apostels geldt het voor ons
in stil geduld te wachten op wat de Heer nu verder zal doen het
geldt weestand te bieden aan den geweldigen stroom van aanstonds
maat-
regelen te nemen tot voorziening
in de plotseling ontstane leegte ...
Doch nu gebiedt de Heer ons
halt, en dikwijls moet ik er aan denken, hoe onze Heiland, toen
de tijding van Johannes des Doopers dood hem gewerd, Zijne
discipelen aan een stille plaats voerde en zeide: rust een
weinig. - Dat neemt niet weg dat er veel te doen is, om met
nauwgezetheid en als gespeende kinderen op elken wenk des Heeren
acht gevende, te schiften tusschen wat we na de tijdelijke
wegname (van deze aarde) van ´s Heeren ordening tot bestuur
Zijner ééne Kerk, nog mogen, nog moeten doen, - en alles wat nu
voor een tijdmoet stilstaan. Voor menigeen, ook zelfs in
apostolische gemeenten, is dat ontslapen van Mr. Woodhouse
gansch overwachts geweest; maar ik kan oprecht zeggen dat ik
sedert jaren verwachtte, ook op grond van veelvuldige
profetieën, die er ons op voorbereidden. En nu jubelt mijn
gansche hart, niet omdat Mr. W.gestorven is, maar omdat die dood
ons een zeker teeken is dat de Heer met de afsluiting dezer
bedeeling haast maakt. De arke des verbonds en al het heilige
kerkgerade van den tabernakel worden weggenomen en ingehuld
opdat Israël voorttrekke naar het beloofde land.
De rest van deze brief heeft
betrekking op persoonlijke aangelegenheden van het gezin
Capadose en laten we hier verder weg.
Meteen na de dood van Woodhouse
werden, na beraad van de twee Co-adjutoren met de aartsengelen
en engelen de volgende maatregelen getroffen:
- Geen nieuwe inzettingen meer
van Engelen, Priesters en Diakenen,
- Alle dienaren in de gemeenten
en in de “Algemene Kerk” blijven in het ambt dat zij voor 1901
droegen,
- Het evangelistenwerk
(verkondiging en verzamelen van de gelovigen) houdt op. Het werk
van de districtevangelisten en hun medewerkers beperkt zich
tot de evangelisatie binnen de bestaande gemeente,
- Er worden geen nieuwe
gemeente-leden opgenomen. Ook zij niet die reeds voor de opname
stonden,
- De apostolische handoplegging
kan, wegens ontbreken van het apostelambt, niet meer afgedragen
worden,
- De vierwekelijkse bijeenkomst
van de Zeven Gemeenten te Londen kan niet meer onder de leiding
van een apostel plaatsvinden, de godsdienstige bijeenkomst
wordt, op een lagere geestelijke lijn onder leiding van de
Co-adjutoren voortgezet. De dagelijkse ochtend- en avonddiensten
met bewieroking en "grote voorbedes" vervallen, er zal nu in de
gemeenten alleen nog de orde van de korte morgen- en
avonddienst, zonder de "voorbedes" gehouden worden,
- In de eucharistieviering
zullen de gebeden voor de levenden en ontslapenen niet meer in
de uitgebreide, maar in de kortere vorm gehouden worden,
- Het gezang "ter bewieroking"
met het brengen van de wierook in de eucharistieviering vervalt,
het reukvat blijft onberoerd,
- De dagelijkse ochtendcommunie,
aansluitend op de ochtenddienst, vervalt,
- De zevenarmige kandelaar wordt
niet meer aangestoken. Bij nieuwe kerkgebouwen wordt deze nog
wel geinstalleerd, maar niet gebruikt,
- De bijzondere gebeden bij het
verwijderen van de afgezonderde gaven uit het tabernakel na de
zondagvoormiddagdienst, wordt niet meer uitgesproken, maar nu
weer -als voor 1868- in de consistorie gedragen.
De beide Co-adjutoren
benadrukten verschillende keren dat zij hulpen waren van levende
Apostelen en nu niet meer gerechtigd waren om apostolische
handelingen te voltrekken.
In maart 1906 moest de
vergadering van de Zeven Gemeenten in Londen uitgesteld worden.
Co-adjutor Heath is plotseling onwel geworden en Capadose was al
ziek.
16 April 1914 kan in feite
beschouwd worden als de afsluiting van de aktieve periode van de
Catholic-Apostolic Church. Op die datum vind de laatste
Raadsvergadering plaats onder leiding van de beide Co-adjutoren.
Op 13 oktober 1920, op 86 jarige
leeftijd, overleed de oudste Co-adjutor, Isaac Capadose. Al
vanaf 1906 kon hij geen altaardienst meer doen omdat hij aan
beide benen verlamd was.
Nog bijna negen jaar lang is
Co-adjutor Heath de hoogste ambtsdrager binnen de
Catholic-Apostolic Church op aarde. Op. 29 augustus 1929
overleed hij.
Toen Ludwig Albrecht op 28
februari 1931 overleed kwam ook een eind aan het ambt van
aartsengel in de “Algemene Kerk”. Zonder uitzondering zijn nu
ook de laatste ambtsdragers overleden.
De laatste engel
(gemeente-voorganger) was Carl Schrey, in Siegen in Westfalen.
Hij overleed in 1960 op 91-jarige leeftijd. De laatste priester
was Wildrief Maynard Dawson in de Londense gemeente Paddington.
Hij overleed in februari 1971 op 95 jarige leeftijd.
De laatste diaken was C.W.
Leacock in Sydney, Australië. Hij werd weggenomen in juni 1972,
eveneens 95 jaar oud.
Met betrekking tot het afsluiten
van het katholiek-apostolisch werk naar de buitenwereld hield de
co-adjutor Capadose een predikatie waarvan de tekst hieronder
staat Deze prediking werd gehouden op 1 juni 1902 te Albury.
SLUIT UWE DEUREN TOE.
Trek je terug in je kamers, mijn
volk, en sluit de deur achter je. Nog een korte tijd, tot de
woede bekoeld is..
Jesaja, 26:20
(In de verdere tekst werd de
oude bijbelvertaling aangehouden)
Deze tekst wordt soms op het
staan van de 144.000 op de berg Zion betrokken. Het is echter
moeilijk om in te zien waarom deze tekst hierop betrekking kan
hebben. Want als de 144.000 zich op deze plaats der zekerheid
voor de vervolging van de anti-christ bevinden, zal dat zeker
niet door eigen verdiensten zijn geschiedt, maar door de daad
Gods. Hier echter roept Jesaja het volk op zelf een daad te
stellen.
"Ga heen - in uw kamers", merk:
uw kamer, een uitdrukking die voor de berg Zions, Gods
zelfgekozen woning, totaal ontoereikend lijkt.
Deze moeilijkheid komt nog
sterker naar voren als we deze tekst met Psalm 27:5 vergelijken
waar David zingt: "Want Hij verschuilt mij in Zijn hut ten dage
des kwaads, Hij verbergt mij heimelijk in Zijn tent en verhoogt
mij op een steenrots." Dat is nu juist het tegenover gestelde
van dat wat Jeremia vraagt "Ga heen, mijn volk, in uw kamers, en
sluit de deuren achter u toe."
(vertaling uit de Engelse
bijbel, in diverse Nederlandse vertalingen staat het in
enkelvoud).
Laten we op het meervoud letten,
uw kamers, uw deuren, wat ogenschijnlijk niet op één goddelijk
toevluchtsoord duidt, maar op verschillende menselijke woningen.
Iedere familie, iedere gemeente voor zich, net als in de nacht
van de Pascha-maaltijd in Egypte toen alle Joodse families in
hun eigen huis moest blijven dat met het bloed van het Paaslam
getekend was: en niemand ga uit zijn huisdeur tot aan de morgen
(Ex. 20:22).
Laten we er verder op letten hoe
Jesaja hen de deur laat sluiten, dat is niet een daad van Hem
die de sleutel Davids heeft, die opendoet en niemand sluit, die
sluit en niemand opendoet, maar hun eigen daad, totaal
verschillend van dat wat bij Noach gebeurde waar de Heer zelf
alles wat voor de zondvloed gered moest worden, de ark indreef.
Verder zegt Jesaja: "verberg u een klein ogenblik". Dat kan
moeilijk in
overeenstemming gebracht worden
met de hoop van de 144.000 om met het Lam te staan, niet voor
een klein ogenblik maar voor altijd. Ook zijn deze 144.000 er
verre van zichzelf te verbergen, want zij zullen als heilanden
op de berg Zion openbaar komen tot troost en sterking voor hen
die achtergebleven zijn.
Zij die zeggen, wij zijn Joden,
zullen komen en aan de voeten van Philadelphia erkennen en
aanbidden de Heer die hen bemint heeft.
Tussen het begin en het eind van
het zesentwintigste hoofdstuk van Jesaja, waaruit ons tekstwoord
komt, bestaat een merkwaardige tegenstelling.
Aan het begin van het hoofdstuk
klinkt het lied: "Wij hebben een vaste stad, muren en schansen
maakt hij tot heil" (Jes. 26:1-2). Dit heeft ogenschijnlijk
betrekking op een tijd van bevrijding en oprichting.
Die zo zingen worden opgeroepen:
"Doet de poorten open, opdat het rechtvaardige volk daarbinnen
trede", want ieder die deze machtige hulp en liefde Gods heeft
ervaren, kan dat niet voor zich behouden maar die nodigt anderen
uit om te komen en aan Gods vrij aangeboden genade deel te
nemen.
Het verbergen in eigen kamer met
toegesloten deuren duidt daarintegen op een tijd van
deemoediging van hen die zich voor hun eigen armoede en
naaktheid schamen.
Voordat we bekijken welke
betekenis deze tekst op ons kan hebben, moeten we eerst proberen
te begrijpen wat Jeremia tegen zijn tijdgenoten wilde zeggen. De
geest van de profeet was op de heerlijke toekomst gericht, tot
het Israël dat onder de koningen geroepen was, zoals een twijg
uit de stam Jesse voortgekomen was. Maar hij zag ook de
duidelijke gevaren vanuit de omringende heidense volkeren, in
het bijzonder van Egypte in het zuiden en Grootsyrië in het
noorden die beiden naar de wereldheerschap streefden.
Toch, ondanks deze dreigingen
bleef Jeremia kalm door de hem getoonde openbaringen voor wat
betreft het strafgericht van God over deze volkeren.
Maar de grootste hindernis tot
uitvoering van het genadige raadsbesluit Gods was de geestelijke
afval van het volk Juda. Daar lag de ware oorzaak voor de
beproevingen en tegenslagen waarvan het leven van Jesaja zo vol
was.
Eerst leek de regering van Uzzia
vol van belofte voor de spoedige oprichting van het rijk Gods
dat de profeet in visioenen gezien had en waarnaar hij met al
het verlangen van een trouwe Israëliet, naar leefde.
Toen echter Uzzia in al zijn
ondernemingen glansijk slaagde, werd hij opgeblazen en verbeelde
zich aan het eind van zijn regering zo een lieveling van God te
zijn, dat hij zijn macht ook naar de priesterlijke bevoegdheden
uitstrekte.
Voor deze zonde werd hij met
melaatsheid geslagen. Zijn zoon en opvolger betrad nooit de
tempel. Zo zag Jeremia zijn hoop vervliegen en nog meer toen hij
zag hoe koning Achaz allerlei soorten van afgoden in Jeruzalem
invoerde.
Maar de verwachtingen van Jesaja
werden onder de regering van Hizkia opnieuw levend omdat deze de
tempel reinigde en door een edele gezindheid probeerde de tien
stammen te bekeren, daarmede handelende naar de wille Gods om
een eenheid van het twaalfvoudige verbondsvolk. Jesaja was ervan
getuige hoe na het gebed van Hiskia de Assyriërs van het
belegerde Jeruzalem teruggedreven werden. Echter, nieuwe
tegenslagen volgden toen de koning Manasse Jeruzalem met
allerlei gruwelen vulde. Tenslotte kwam Jesaja tot de
overtuiging dat hij het rijk Gods, waarop hij zolang gehoopt en
gewacht had, tijdens zijn leven niet meer zou mogen zien. Het
werd hem geopenbaard hoe juist de beloofde Verlosser, de
uitverkoren knecht Jehova, veel lijden zou moet doormaken
voordat Hij tot de heerlijkheid zou komen.
In dit opzicht bestaat een
overkomst tussen Jesaja en Paulus die beiden in hun latere jaren
de hoop moesten opgeven om in dit leven het komen van de Heer te
beleven, dat beide tot de overtuiging kwamen, dat de weg tot het
rijk Gods door veel leiden voert.
Deze verandering in de
geestelijke perspectieven geven het laatste deel van de
profetiën van Jesaja een geheel ander beeld, zodat vele
theologen over twee verschillende schrijvers spreken.
Het hoofdstuk waaruit onze tekst
genomen is, werd aan het eind van de eerste periode van Jesaja
geschreven. Men ziet daarin weerspiegeld hoe zijn geest tussen
hoop en teleurstelling zweeft. Het hoofdstuk wordt met een
visioen geopend over de heerlijkheid van Jeruzalem na de
nederlaag van hun belagers. Jesaja geeft van zijn innerlijk
verlangen uitdrukking: "Van harte begeer ik u des nachts, ook
met mijnen geest, in het binnenste van mij zoek ik u" (Jes.
26:9).
Maar hij bemerkt ook hoever nog
de vervulling van zijn hoop is. Gods verkoren volk had zijn hoge
uitverkiezing niet begrepen. "Wij waren ook zwanger en beangst,
dat wij nauwelijks ademhaalden, wij konden het niet helpen, en
er werden geen bewoners des aardbodems geboren. "(Jes. 26:18).
De dood had hem weggenomen die,
evenals Hiskia, van ganser harte de weg tot het rijk Gods
trachtte te effenen. Jesaja verwachtte niet langer de bevrijding
door iemand, een levende mens. Door een visioen ziet hij de
opstandingsmorgen: "Maar uw doden zullen leven, ook mijne
lichamen zullen opstaan, waakt op en roemt." (Jes. 26:19). Dan
volgt onze tekst, niet als een deel van het visioen, maar als de
conclusie die de profeet daaruit trekt.
Hij keert zich van het
idealistische standpunt tot de realistische, van het visioen tot
de vermaning. Omdat hij niet langer in de toekomst kijkt maar
naar de vernederende toestand van Jeruzalem, spreek hij: Ziet
toe, mijn volk, inplaats van te speculeren, denk eraan om te
vluchten, in plaats van over de heerlijkheid te dromen waarvoor
u nog niet klaar bent. Verberg u liever in uw kamers en sluit
uwe deuren.
Dat is de directe betekenis die
wij op onszelf toepassen mogen. Wij mogen daarover geen
vermoedens maken, of onze tekst niet op de volgende fase van
Gods werk wijst, of de kinderen Gods geholpen worden om zich
voor de aardse verschrikkingen te verbergen, zoals er vrijsteden
in de stammen waren.
Wij beperken ons liever tot
gebruik van deze bijbeltekst op onze tegenwoordige toestand.
Evenals de verwachtingen van
Jesaja waren ook die van ons vergissingen. Degenen, door wie wij
tot de voleinding gevoerd wilden worden, zijn door de dood
weggenomen, zonder dat wij de grens bereikt hebben.
Eerst hielden wij het alleen
voor een beproeving van ons geloof, dat alleen maar een klein
ogenblik zou duren. Wij beelden ons in rijpe eerstelingsvruchten
te zijn. Wij vroegen voor de erkenning van de Apostelen des
Heren zulk een bevoorrechte positie boven de massa der
gedoopten, wij rekenden erop dat de Heer ons ieder ogenblik in
Zijn persoonlijke tegenwoordigheid boven op de berg Zion zou
opnemen en dat het dan voor ieder duidelijk zou zijn dat wij
Zijn kinderen zijn aan wie Hij een welgevallen heeft.
De verlenging van ons aardse
leven ontnuchterde ons echter van deze, ozne valse zekerheid.
Langzaam begon het tot ons door te dringen, dat deze onverwachte
daad van God, in de wegname van de laatste levende apostel uit
ons midden, een veel diepere betekenis heeft.
In het feestelijke zwijgen
begonnen we de stemme Gods te herkennen die tot ons zegt: "Ga
uit, mijn volk!"
O, het lankmoedige erbarmen en
het geduld Gods: wij zijn nog niet verworpen, maar worden nog
als Zijn volk aangesproken. "Ga uit, mijn volk, in uw kamers en
sluit de deuren achter u, verberg u een klein ogenblik, tot de
boosheid voorbij is."
Geef u niet langer als de
gezalfden des Heren, maar verberg u liever, beschaamt daarover,
dat u verzuimt heeft de daadkracht van deze zalving te
openbaren.
Laat niet langer de posaunen
klinken om luid te verkondigen hoe de Heer in de wederoprichting
van het apostolische en profetische ambt voor u een geopende
deur tot het hemelrijk gegeven heeft, maar trek u zwijgend in uw
kamers terug en beproef of uw openlijk getuigenis niet vaak met
sektarische pralerij vermengd was (Job 31:34). Doe niet langer
uw deur voor de wandelaar open (Job 31:32), maar sluit uw deuren
achter u om uw schande te verbergen, opdat de wierook niet
langer opstijgt. Komt achter gesloten deuren tezamen in stille
doorzoeking van uw eigen harten, of onze vroegere dienst van
voorbeden niet vaak een lege ceremonie was. Namen wij werkelijk
deel aan de diepe smart van onze Hogepriester over Zijn
verdwaald volk? Was ons hart werkelijk met Zijn zorgende
liefde, zoals met gloeiende kolen, vervuld? Die de wierook als
een wolk opstijgen liet en tot in het allerheiligste doordrong?
Waren onze gebeden niet vaak
alleen een vorm van woorden? Waren onze harten wijd gemaakt, dat
ze de ware liefde voor onze broeders bevatte? Na onze hoog
geloofde Heilands dood troffen zich Zijn jongeren achter
gesloten deuren uit vrees voor de Joden.
Wat konden ze antwoorden als hen
iets gevraagd zou worden? Ze waren door smart overmeesterd, niet
alleen om het verlies van hun Meester. Zeker niet minder daarom,
omdat ze Zijn leiden en doodsangst nog vermeerderd hadden toen
ze Hem verlieten en eerst zichzelf in zekerheid brachten.
Zouden niet de Joden spotten:
"Als jullie aan Jezus geloven, waarom tonen jullie dan niet je
geloof door jullie daden?"
Daarom verkozen ze het om alleen
te zijn, om hun schande te verbergen. Voor hen, wiens zielen
werkelijk bedroeft zijn en die in het omkijken hun zonden
erkennen, hoeft het verbergen niet langer dan een kort ogenblik
te duren. Hun zal de opgestane Heer, ondanks de gesloten deuren.
verschijnen en Zijn troostrijke vredesgroet brengen. Sluit uw
deuren achter u toe. Dat betekend niet alleen maar een
zichtbare afzondering. Dat wijst naar een geestelijke
terugtrekking om met God alleen te zijn en het doorschijnende
licht van de Heilige Geest toe te laten, opdat de verborgen
vlekken die ons doopkleed hebben bezoedeld, blootgelegd kunnen
worden.
Sluit de deuren van uw ogen,
opdat u niet, bij het ongestoorde doorzoeken van uw hart, door
uiterlijke dingen wordt. Sluit de deuren van uw oren opdat u
niet door de vele stemmen van deze aarde gestoord worde. Vooral,
sluit de deur van uw mond, opdat de hoeveelheid van uw eigen
woorden u niet hinderen, om Hem te horen die in de stilte, ook
in het verborgene, tot u woorden van innerlijke kracht spreken
wil. Om u zo op Zijn reinigende woord voor vergeving voor te
bereiden.
Door het wegnemen van Zijn
laatste apostel heeft de Heer ons in het aangezicht van de dood
gebracht. Wij waren tot een eenzijdig bezien van het eeuwige
leven geneigd, wij waren geneigd te ferm over verandering en
opstanding te spreken, alsof we daarvoor al klaar waren.
Maar de Heer brengt ons tot het
bewustzijn dat wij naar de opstanding van de doden hebben uit te
zien. Er is geen andere weg tot de opstanding dan door de dood.
Want zelfs zij die in één ogenblik veranderd zullen worden,
moeten eerst door de geestelijke dood hun eigen persoonlijkheid
opgeven.
Als wij aan het naderende
gericht ontvlieden willen, waardoor alles wat het rijk Gods in
de weg staat ter dood gebracht zal worden, dan moeten wij dit
laatste halve uur van het geduld van onze God benutten. Onszelf
aan God als een geheel en volkomen brandoffer geven. Wij moeten
gewillig zijn om ons levensbloed aan de voet van het altaar Gods
te brengen.
Wij mogen daarvoor niet
terugschrikken om geslacht en in stukken gehakt te worden,
waarmee al het vlees in ons verteerd wordt en de Heer tot slot
Zijn hartenwens vervuld ziet om voor Zijn Vader een handvol
eerstelingsvruchten te brengen Als wij onszelf niet geven, om
gebroken te worden, wordt de Heilige Geest geweerd en
verhinderd. Een beangstigde geest en een gebroken hart zijn de
offers die God bevallen.
Alleen als we willig zijn,
geheel onszelf te sterven, helemaal niets te worden, alleen dan
kan de kracht van de zalving ruimte vinden om in ons het leven
Christi te openbaren.
Alleen dan kan de Heer niets aan
ons vinden. Alleen dan kan de Heer ons als heilanden op de berg
Zion gebruiken. In deze zeventig jaar heeft de Heer getracht tot
heiliging van de oogst, een eerstelingsvrucht te heiligen. Want
als de eerstelingsvrucht heilig is, is ook het geheel heilig.
Onze hartenstraagheid heeft de heiliging van het hele werk
vertraagd.
Daarom spreekt nu tot ons de
stem van de Heer: "Ga heen, mijn volk."
Denk in de stilte van uw
afgelotenheid na over de woorden. Wie zal op de berg van de Heer
gaan? En wie zal staan aan de heilige plaats? Die onschuldige
handen en een rein hart heeft. Die zo in de geest en in de
waarheid in hun kamers gaan en zich om hun hele onwaardigheid
verbergen, maar daarbij uit het diepst van hun hart tot Hem
schreien. Bij wie veel vergeving en veel verlossing is, die
zullen getroost worden als plotseling de stilte door de
jubelroep onderbroken zal worden:
"Verhef uwe hoofden ...!"
Dat de Koning der ere intrekke!
Amen.
Na 1901 was de
Katholiek-apostolische kerk zonder apostolische leiding. De twee
coadjutors, Heath en Capadoe, luidde de eindtijd, althans voor
de bestaande kerk in. Dat wil niet zeggen dat alles meteen
afgelopen was. Wel werden de diensten ingeperkt, d.w.z. bepaalde
handelingen werden niet meer uitgevoerd. Jonge dienaren, die
kort voor het overlijden van Woodhouse het ambt hadden
ontvangen, leidden de diensten verder. Naarmate de tijd verder
schreed, overleden er natuurlijk meerdere dienaren. Getracht
werd om internationaal de eenheid te bewaren, maar de
internationale binding, het Engelse apostelambt, was weg.
Onderstaand volgen enige artikelen n.a.v. de langzame verdwijnen
van de Katholiek-Apostolische Gemeente. Weliswaar verdween de
kerk, maar niet het gedachtegoed. Ook de “grote”
kerkgenootschappen zagen de noodzaak van eenheid in. Zo kwam in
Nederland in 2004 de Protestantse Kerk Nederland, voort uit het
samenvoegen van de Hervormde, Protestantse en Lutherse
kerkafdelingen.
Weliswaar leidde deze
samenvoeging tot enige afsplitsingen, die ook vooralsnog ook
inderdaad “splinters” zijn, daarnaast bestaan er nog enige
zelfstandige kerkafdelingen, maar de wil om samen te werken,
Gods werk ook werkelijk één werk te laten zijn, en niet uit
verschillende “werken”, is gegroeid.
Onderstaand volgen enige stukken
met betrekking tot het “afsterven” van de Katholiek-Apostolische
gemeente.
Onze tegenwoordige toestand.
Het kan voor ons goed zijn om heden onze
aandacht te richten op de toestand waarin de Heer ons in deze
tijd gebracht heeft, en te overdenken wat de Heer wil
bewerkstelligen en wat Hij ons als onze onmiddellijke hoop voor
ogen stelt.
Door de wegname van de apostelen
heeft de Heer ons n deze tegenwoordige proeftijd gebracht. Het
is nauwelijks nodig u te herinneren aan het machtige Werk dat de
Heer door Zijn dienstknechten, Zijn apostelen verricht heeft, -
hoe Hij de Heilige Schrift geopenbaard heeft van het begin van
Genesis af tot het einde van de Openbaring toe (waarmee ik niet
wil zeggen, dat het Hem behaagd heeft alles te openbaren, maar
practisch is de Bijbel voor ons een geopend boek geworden,
terwijl hij voor onze broeders om ons heen in de christenheid
naar verhouding een gesloten boek is), - hoe het de Heer behaagd
heeft Zijn viervoudige bediening van apostelen, profeten,
evangelisten en herders te herstellen, - hoe Hij vermocht heeft
Zijn viervoudige aanbidding te herstellen door ons te doen zien
wat de betekenis van alle schaduwbeelden die in de Mozaïsche
tabernakel daarop betrekking hebben, en ons te geven ons te
verblijden in de tegenbeelden daarvan, - en tenslotte het
grootste van allemaal: hoe Hij door de handoplegging van Zijn
apostelen ons de gave van de Heilige Geest, de Trooster,
geschonken heeft.
Welnu, wij zijn door de Heer in
een tijd van beproeving gebracht, want alles dat wij opgesomd
hebben, is thans weer helemaal teruggenomen. Zo bijvoorbeeld de
verzegeling; en verder is er, zoals wij weten, tengevolge van de
wegname van de apostelen niet langer die grote handelingen die
wij de Voorbidding noemen, omdat er niet langer apostelen zijn
om op aarde de Voorbidding samen te vatten, en er daarom in de
plaatselijke gemeenten geen Voorbidding in die zin meer kan
plaatsvinden; en er vindt geen getuigenis aan de christenheid
meer plaats, omdat de volmaakte vorm van aanbidding van de Heer
niet langer gezien kan worden. En tenslotte (en misschien zijn
wij geneigd dat te vergeten) is er niet meer het apostolische
woord van zegening en van vrede, en dat moet grote gevolgen met
zich meebrengen.
Het terugtrekken van al die
dingen betekent, dat de Heer ons in die tijd gebracht heeft,
waarover in hoofd stuk 8 van het Boek de Openbaring gesproken
wordt als de tijd van stilzwijgen. Niettemin heeft de Heer door
ons in deze tijd van stilzwijgen te brengen, in Zijn
raadsbesluit een machtige stap voorwaarts gedaan; want in dat
hoofdstuk wordt ons gezegd, dat dat stilzwijgen van omtrent een
half uur intrad, toen het Lam het zevende zegel geopend had. Dat
halve uur van stilzwijgen vangt pas aan nadat het zevende zegel
geopend is; aangezien de Heer ons in die tijd van stilzwijgen
gebracht heeft, zijn dus nu alle zeven zegels geopend. En dus is
er voor de Heer geen enkele belemmering meer om met Zijn werk
verder te gaan tot aan de volle verwezenlijking ervan.
Nu moet de Heer wel een reden
gehad hebben om ons in dat halve uur van stilzwijgen te brengen.
Het is niet een pas achteraf opgekomen denkbeeld. Hij heeft er
een bedoeling mee gehad. De Heer heeft deze tijd van stilzwijgen
apart gehouden om daarin iets speciaals tot stand te brengen.
Wat is het dan, dat de Heer thans wil bereiken? Zijn bedoeling
is, de volgende stap, die Hij op het punt staat te down, voor te
bereiden, namelijk de twee scharen gereed te maken, uit de
levenden en de ontslapenen, die tezamen de eerstelingen voor God
en het Lam zullen vormen.
Dit is dus de tijd van
voorbereiding voor de verandering van de levenden en van de
opstanding van de ontslapenen, van hen die waardig geacht zullen
worden om deel te hebben aan de eerste opstanding. Toen onze
Heer op aarde was, zei Hij: “Ik ben de Opstanding en het Leven.”
Deze twee termen betekenen niet één het zelfde. Het zijn twee
verschillende uitdrukkingen, en zij hebben betrekking op Hem in
wat wij mogen noemen twee verschillende functies of bedieningen.
“Ik ben de Opstanding, en Ik ben het leven.”
Hij is de Opstanding, omdat het
Zijn voornemen is de ontslapenen op te wekken, en Hij is nu
bezig om hen gereed.te maken voor die grote gebeurtenis, waarin
zij Hem openbaar zullen maken als Degene die de Opstanding is,
doordat zij zelf geopenbaard zullen worden in opstanding, leven
en kracht in hun hele wezen; in lichaam, ziel en geest.
Natuurlijk hebben zij evenals wij in de heilige Doop het
wedergeboren leven, het opstandingsleven, reeds ontvangen, maar
nog pas als een kiem, en in hun geest. Dat opstandingsleven moet
nog geopenbaard worden in hun gehele wezen, niet alleen in hun
geest en ziel, maar ook in hun lichaam, De Heer heeft ons bekend
gemaakt, dat Hij in deze tijd bezig is Zijn ontslapen heiligen
erop voor te bereiden om uit hun graven te voorschijn komen, om
Zijn opstandingsleven en macht openbaar te maken, zodat Hij
geopenbaard wordt als Degene die de Opstanding is.
En Hij is ook het leven. Hij
arbeidt in deze tegenwoordige tijd om ons voor te bereiden voor
de verandering: om de levenden te veranderen, opdat datzelfde
opstandingsleven, dat zijn oorsprong in Hem heeft, ook gezien
zal worden in degenen die waardig geacht zullen worden om
veranderd te worden.
Of het nu de bedoeling van de
Heer is, zelf persoonlijk te verschijnen om dit te
bewerkstellingen, dan wel of het Hem zal behagen eerst Zijn
apostelen te zenden, of dat Hij samen met hen zal komen, - dat
heeft het Hem nog te behaagd te openbaren. Maar wat Hij ons voor
ogen stelt als onze onmiddellijke hoop, is de openbaring van
onsterfelijkheid; en datgene waarvoor Hij ons tracht voor te
bereiden, is de verandering.
Of denkt u soms, dat wij geen
voorbereiding nodig hebben? Hebt u er ooit over nagedacht, wat
het betekent, te staan tegenover mensen die nooit meer pijn of
smart zullen lijden, over wie de dood geen macht meer heeft, die
volstrekt eeuwig zullen leven? Hebt u zich ooit ingedacht, wat
dat betekent? In onze sterfelijke toestand, broeders, kunnen wij
dat niet ten volle begrijpen of beseffen. Ongetwijfeld is
voorbereiding dus noodzakelijk. En de Heer poogt ons in ons hart
en in onze geest op dat machtige werk voor te bereiden door de
verborgen werking van Zijn geest in onze geest. De Heer
verzekert ons, dat dit het is wat Hij nu bezig is te doen en in
ons poogt tot stand te brengen.
Maakt u zich geen zorgen over de
vraag, of de middelen die de Heer ter beschikking heeft, wel
toereikend of geschikt zijn? Herinnert u dat de Heer, toen Hij
op aarde was, en paar broden en enkele vissen man, en dat Zij
discipelen toen tot Hem zeiden: “Wat zijn deze onder zo velen?”
Maar de Heer wist wat Hij doen zou en Hij wist dat de middelen
die Hij zou gebruiken, ruimschoots voldoende zouden zijn, en met
die weinige broden en die paar vissen spijzigde Hij de mensen en
er werden tot Hem teruggebracht twaalf volle koren, nadat ze
verzadigd waren en gegeten hadden! Laten wij er dus in ons hart
van verzekerd zijn, dat, welke middelen het de Heer ook goed zal
dunken te gebruiken, zij toereikend zullen zijn om te
verwezenlijken wat Hij beoogt!
Nu kan het zijn, dat de Heer
persoonlijk verschijnt, en dat is in elk geval wat Hij wil dat
wij verlangen en waar wij om moeten bidden. Maar het kan zijn,
dat Hij niet onmiddellijk persoonlijk verschijnt. En de Heer
heeft ons aanduidingen gegeven, dat Hij misschien eerst Zijn
apostelen voor Zijn aangezicht zal zenden. En als het de Heer
zou behagen eerst Zijn apostelen te zenden in onsterfelijkheid,
- als het zo zou zijn, dat wij enigen van onze ontslapen
broeders, opgewekt uit de doden, zouden zien, terwijl wij zelf
nog in het sterfelijk lichaam zijn, dan zal het niet zo zijn dat
de Heer hen tot ons zendt om ijdele nieuwsgierigheid te
bevredigen, opdat wij kunnen zien hoe mensen in
opstandingslichamen er uitzien – dat staat vast! Hij zal hen
niet met lege handen tot ons zenden, maar zij zullen tot ons
gezonden worden om Zijn bedoelingen en Zijn wil aan ons over te
brengen, om aan ons bekend te maken wat Hij wil dat wij zullen
doen en waarop wij ons moeten voorbreiden. Zij zullen als Zijn
boodschappers tot ons komen.
En in de tweede plaats is het
heel goed mogelijk – want de Heer gaat zachtmoedig en teder met
Zijn volk te werk, zoals Hij dat altijd gedaan heeft – en het
zou een heel zachtmoedige handelswijze kunnen zijn, en een teder
en liefdevol gedrag van Zijn kant, als Hij in plaats van
plotseling zelf in al Zijn heerlijkheid te verschijnen, eerst
Zijn apostelen zou zenden in de opstandingstoestand, om ons
geloof te versterken, om ons op te heffen tot die geestelijke
toestand, waarin wij in staat zullen zijn om ons over te geven
in die hoogste daad van geloof, waardoor wijzelf in een
ogenblik, in een punt des tijds, veranderd zullen worden tot
dezelfde toestand als waarin zij reeds verkeren. Want, weest
daar zeker van, het zal van onze kant een uiterste daad van
geloof vereisen, om ons over te geven in de handen van de Heer,
opdat Hij ons zal veranderen van onze huidige toestand van
sterfelijkheid tot onsterfelijkheid!
Ook zijn wij niet helemaal
zonder voorbeeld of illustratie van de mogelijkheid, dat de Heer
Zijn apostelen zal zenden. U zult zich herinneren, dat Mozes
destijds de berg Sinaï beklom; maar hij besteeg die berg bij
meer dan één gelegenheid; hij beklom de berg tweemaal, bij twee
gelegenheden, en hij kwam bij twee gelegenheden weer terug. En
zo zou het heel goed ook kunnen gaan met de geestelijke Mozes,
de apostelen van de Heer. Tweemaal zijn zij geschonken, en
tweemaal zijn zij weer teruggetrokken; maar zij zijn nog niet
voor de tweede keer teruggekomen, zij zijn nu op de berg bij
God. Zij zijn in het onzichtbare teruggetrokken, en wij zien hen
niet, maar wij moeten uitzien naar hun terugkeer, niet in
sterfelijke lichamen, maaaar in opstandingslichamen, in eeuwig
leven en eeuwige kracht en in de heerlijkheid van God. Wat
gebeurde er, toen Mozes voor de tweede keer afdaalde van de
berg. “En het geschiedde, toen Mozes van de berg Sinaï afging
(de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes,
toen hij van de berg afging), ook wist Mozes niet, dat het vel
van zijn aangezicht glinsterde, toen Hij met hem sprak. Toen nu
Aäron en al de kinderen Israëls Mozes aanzagen, ziet, zo
glinsterde het vel van zijn aangezicht; daarom vreesden zij tot
hem toe te treden. Toen riep Mozes hen; en Aäron en al de
oversten in de vergadering keerden weer tot hem; en Mozes sprak
tot hen. En daarna traden als de kinderen Israels toe; en hij
gebood hun al wat de Heere met hem gesproken had op de berg
Sinaï (Exod. 34:29-32).
Hier nu merken wij drie dingen
op. In de eerste plaats; Mozes kwam niet met lege handen; maar
hij bracht de tafelen der getuigenis met zich mee in zijn hand,
en hij gebood aan de kinderen Israëls al wat de Heere tot hem
gesproken had op de berg Sinaï. En in de tweede plaats; het vel
van zijn aangezicht glinsterde met de heerlijkheid van de Heere.
En in de derde plaats: Israël werd bevreesd om dicht bij hem te
komen.
Dat was het schaduwbeeld. En zo
zal het ook zijn met de geestelijke Mozes. Zij zullen komen en
met zich meebrengen de openbaring van de bedoelingen van de Heer
aangaande wat Hij wil dat wij zullen doen. Zij zullen ons
gebieden al wat de Heere tot hen gesproken heeft op de Berg, en
zij zullen komen, niet in sterfelijke lichamen; maar in lichamen
der heerlijkheid, - in de heerlijkheid van God in
opstandingslichamen.
En wat heeft Paulus gezegd juist
over dit schriftgedeelte? Hij zegt: “Indien de bediening des
doods, in letters bestaande en in stenen ingedrukt, in
heerlijkheid geweest is, alzo dat de kinderen Israëls het
aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien vanwege de
heerlijkheid zijns aangezichts, die toch te niet gedaan zou
worden, hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in
heerlijkheid zijn? Want indien de bediening der veroordeling
heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der
rechtvaardiging overvloedig in heerlijkheid. Want ook hetgeen
verheerlijkt was, is niet verheerlijkt geweest in dit opzicht,
dat deze heerlijkheid het overtrof. Want indien hetgeen te niet
gedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft in
heerlijkheid” (2 Kor. 3:7-11). En als wij dan bedenken, welke
heerlijke hoop de Heer ons voor ogen gesteld heeft, mogen wij
dan niet de woorden van de apostel Paulus een beetje veranderen
en ze toepasselijk maken op de tegenwoordige omstandigheden, en
zeggen: “Indien de bediening des doods, in letters bestaande en
in stenen gegrift, in heerlijkheid geweest is, zodat de kinderen
Israëls het aangezicht van Mozes niet sterk konden aanzien
vanwege de heerlijkheid van zijn aangezicht, die toch te niet
gedaan zou worden, zo dan niet veel meer de bediening van het
leven – in tegenstelling tot de dood – zal dan niet de bediening
van het leven, het eeuwige leven in levende mensen, overvloedig
in heerlijkheid zijn?”
En wat de Heer in ons zoekt te
bewerkstelligen, is dat wij niet bevreesd zullen zijn, zoals de
Israëlieten destijds bij de terugkomst van Mozes, maar dat wij
klaar zullen staan om hen te zien, de apostelen, om hen te
ontvangen, - om hen te verwelkomen met blijdschap en
verzekerdheid in ons hart; want wat zal dat een bevestiging van
ons geloof zijn! En, broeders, als het werk van ded cherubim
hervat moet worden, zoals wij dat hebben leren geloven, op
aarde, in opstandingslichamen, dan is niet in te zien hoe dat
tot stand zou kunnen komen, tenzij eerst de apostelen terugkomen
in opstandingsleven. En als dat mysterieuze werk tussen hemel en
aarde voortgezet moet worden, zoals wij geloven, dan moeten
eerst de apostelen verschijnen, - dat mysterieuze werk, dan
beantwoordt aan het werk van onze Heer gedurende de veertig
dagen tussen Zijn opstanding uit de doden en Zijn hemelvaart,
die tijd, die periode waarin Hij geen bewoner van de aarde meer
was, maar een bezoeker uit de hemel, die van tijd tot tijd aan
Zijn apostelen verscheen en hun geloof versterkte, hen
bevestigde en hen onderwees aangaande het Koninkrijk der
hemelen.
Als deze dingen tot stand moeten
komen, dan moeten de apostelen terugkomen in het leven en de
kracht van de opstanding. Maar dan rijst de praktische vraag (en
u moet die aan uzelf stellen): zijn wij erop voorbereid om het
getuigenis te geloven; wanneer het ook maar tot ons zal komen,
dat onze broeders, sommigen van hen uit de ontslapenen, op aarde
gezien zijn en dat zij met mensen gesproken hebben – zijn wij
erop voorbereid om zo’n getuigenis te geloven? Leven wij in de
hoop, van dag tot dag, dat wij hen elk ogenblik zullen kunnen
zien, ja, hier in dit priesterkoor, en zijn wij erop voorbereid
om hen met blijdschap en vreugde te verwelkomen, omdat dat het
zegel en de bevestiging van onze hoop zal zijn? Welke aardse
hoop, welk aards streven kan ook maar een ogenblik vergeleken
worden met zo’n heerlijke hoop als deze?
Welnu, de Heer heeft ons reeds
gewaarschuwd, dat de tijd kort is. Hij heeft ons gewaarschuwd,
dat het halve uur van stilzwijgen reeds ten einde loopt, en dat
Hij op het punt staat de volgende stap voorwaarts te zetten; en
Hij zal dat doen, of wij gereed zijn of niet! De Heer wil in
Zijn raadsbesluit niet wachten. Hij vergist zich niet, en Hij
zal niet naar rechts noch naar links afbuigen, want Zijn
raadsbesluit moet rechtuit voorwaarts gaan. En wanneer het
ogenblik komt, dat door de Vader vastgesteld is, dan zal de Heer
die stap doen. Let wel – wij beweren niet, dat de eerstvolgende
stap hetzij de persoonlijke verschijning van de Heer zal zijn,
of in plaats daarvan de uitzending van Zijn apostelen; daar doen
wij geen uitspraak over. Maar waar de Heer dat wij gereed zijn,
is dat wij Hem zullen zien; en Hij kan zelf elk ogenblik
verschijnen. En als wij gereed zijn om Hem te zien, dan zullen
wij ook gereed zijn om Zijn apostelen te zien, dan zullen wij
gereed zijn om met Hem de volgende stap voorwaarts te doen, wat
die stap ook moge zijn. Maar het zal een machtige stap
voorwaarts zijn! Want de Heer is reeds bezig de deur te sluiten.
Laten wij daarom ernstig zoeken en bidden, dat wij bekwaam
gemaakt mogen worden om die stap met Hem voorwaarts te doen en
om zo met Hem op een hoger plan en op een grotere schaal dat
Werk van zegening te verrichten voor Zijn Kerk, voor de hele
mensheid en uiteindelijk voor de gehele schepping – dat Werk,
dat de Heer voor ons te doen heeft.
Dat zijn de heerlijke dingen die
de Heer ons voor ogen stelt. Hij wel, dat elk van ons gereed
staat om daaraan deel te nemen en onze taak daarin te vervullen.
Daarom roept Hij ons op om nu gereed te zijn!
HOOFDINHOUD van de mededeling
van het bestuur aan de gemeenten Groningen en Scheemda, aldaar
voorgelezen op 8 october 1989.
Geliefde Broeders en Zusters,
Het heengaan van uw onderdiaken
L. Feiken brengt voor u, de twee noordelijke gemeenten,
ingrijpende veranderingen met zich mee. Het houdt in, dat de
Heer u opnieuw een stap verder de diepte inleidt. “Een stap
verder de diepte in: - want wij weten immers, dat het al lange
tijd het kenmerk is van de weg waarlangs de Heer ons leidt, dat
die weg in de diepte voert. – Wij geloven dat de Heer in de
vorige eeuw apostelen gezonden heeft om een Werk te doen aan
Zijn gehele Kerk, om haar op te roepen om zich te bekeren van
haar sectarische verdeeldheid en om zich door boete en
verootmoediging gereed te maken voor de komst van haar
Bruidegom. Wij geloven dat hij op veel plaatsen in de wereld
door Zijn apostelen gemeenten opgebouwd heeft als een model van
wat de Kerk had kunnen zijn en had moeten zijn; en wij geloven
dat, toen in Zijn wijsheid de tijd gekomen was om dit getuigenis
te beeindigen, het Zijn wil was om dit model geleidelijk weer af
te breken en weg te nemen. In 1901 werd de laatste van de
apostelen in de rust des Heren opgenomen, en dat bracht met zich
mee dat alle gemeenten in de hele wereld van de ene dag op de
andere afstand moesten doen van een groot deel van wat hun
geestelijke rijkdom een heerlijkheid was geweest. In de
tientallen jaren die volgden, moest stap na stap het aantal
diensten verminderd worden doordat de ene dienaar na de andere
weggenomen werd. De ouderen onder ons, herinneren zich, hoe nog
tot in het jaar 1957 toe in de Nederlandse gemeenten de heilige
Eucharistie gevierd kon worden met nog altijd grote heerlijkheid
en onvergetelijke schoonheid, maar hoe daaraan een einde kwam
door het overlijden van Priester Landsman, Sedertdien zijn wij
nog tientallen jaren rijk gezegend geweest door de dienst van
onderdiakenen; maar ook hun aantal nam steeds meer af, en
dientengevolge moest ook het aantal diensten steeds meer
ingekrompen worden.
Dit alles hebben we leren kennen
als “de weg in de diepte”. Wij hebben geleerd dat wij geroepen
zijn “het Lam te volgen, waar Hij ook heen gaat?, het Lam dat
geslacht is. Wij hebben geleerd, onwankelbaar vast te houden aan
de hoop, de vaste verwachting van de komst van de Heer zelf, Die
beloofd heeft dat Hij persoonlijk een werk tot genezing van Zijn
gehele Kerk zal verrichten, groter en machtiger dan het werk dat
wij gekend hebben en dat Hij nu afsluit en wegneemt. Wij hebben
geleerd te geloven, dat elke stap verder de diepte in een stap
voorwaarts is in de ontplooiing van Gods raadsbesluit. Dat
geloof, die hoop zijn onze troost en sterkte, nu Hij ons opnieuw
zo’n stap verder de diepte in doet gaan.
De twee noordelijke gemeenten
zijn nu in een situatie gekomen die veel overeenkomst heeft met
de situatie van de twee zuidelijkste gemeenten, Brussel en
Chatelet, sinds het heengaan van de laatste onderdiaken in
België, onderdiaken Jonckheere, begin vorig jaar. Gezien de
verplichtingen van de Nederlandse onderdiakenen tegenover de
andere gemeenten was, en is, het hun niet mogelijk vaker dan één
keer in de maand daar een namiddagdienst te houden. Daarom heeft
het bestuur toen gezocht naar een mogelijkheid om de leden de
gelegenheid te geven om vaker dan die ene keer in de maand
bijeen te komen, teneinde de onderlinge band en wederzijdse
steun en bemoediging in stand te houden, de jongere leden te
onderwijzen in de leer van de apostelen en in de verwachting van
de Heer, en gezamenlijk hun smekingen en gebeden op te zenden.
Dat leidde toen, zoals u destijds op medegedeeld is, tot het
besluit, de lekehelpers in België te verzoeken om op
zondagnamiddag beurtelings in Brussel en te Chatelet een
bijeenkomst met de leden te beleggen, waarin in het schip van de
kerk de Litanie gebeden en een preek of onderwijzing voorgelezen
zou worden. In een wat later stadium is in elk van de beide
gemeenten nog een gemeentelid aangewezen om bij voorkomende
gelegenheid de lekehelpers te assisteren in het voorgaan in de
gebedsbijeenkomsten.
Bij het invoeren van deze
nieuwigheid werden de leden er met nadruk op gewezen, dat zulke
bijeenkomsten niet de plaats kunnen innemen van diensten geleid
door onderdiakenen. Zoals het bestuur enkele jaren geleden in
een brochure uiteengezet heeft, maken onderdiakenen nog deel uit
van ded bediening van een gemeente. Wanneer die laatste rest van
bediening ontbreekt en nog slechts leken voorgaan, is er sprake
van een gemeentebijeenkomst tot stichting en gebed, waaraan de
Heer zeer zeker Zijn zegen wil verbinden, maar die niet meer als
een eigenlijke kerkdienst beschouwd kan worden. Daarom is het de
vaste overtuiging van alle bestuursleden, dat zulke door
lekehelpers en leken geleide bijeenkomsten niet meer op
zondagnamiddag gehouden behoren te worden, of zelfs op een
weekdag. Op de zondagvoormiddag, zo is de overtuiging van het
bestuur, behoren alle gedoopte christenen, indien maar enigszins
mogelijk, de Dag des Heren te heiligen door deel te nemen aan
een officiële kerkdienst, geleid door een ambtsdrager of lid van
de kerkelijke bediening; en wanneer geen onderdiaken aanwezig
kan zijn op zondagvoormiddag, dan behoren de leden dus de zegen
van de Heer te zoeken in een eredienst in een van de gemeenten
van de “Algemene Kerk”. Zo hebben wij het geleerd van onze
dienaren; zo hebben ook de onderdiakenen het altijd aan de leden
voorgehouden, met name aan de gemeenten waar al vele jaren lang
niet meer elke zondag in de voormiddag een dienst gevierd kon
worden, dat was ook de overtuiging van de betrokken Belgische
lekehelpers en van vele anderen die spontaan aan het bestuur hun
instemming met de betreffende bestuursmededelingen betuigden, zo
is het ook de richtlijn die in grote delen van het buitenland in
acht genomen wordt.
Het is natuurlijk bekend, dat in
veel gemeenten in Duitsland in dit opzicht een andere
gedragslijn gevolgd wordt. Men beroept zich daarvoor op een
aanwijzing van de engel Schrey. Het is verre van ons, op deze
dienaar of op onze Duitse broeders kritiek te willen oefenen.
Zeker zal de Heer hem wijsheid gegeven hebben om voor de aan
zijn zorg toevertrouwde gemeenten de gedragslijn aan te wijzen
die in hun situatie en in hun omstandigheden noodzakelijk of
onontkoombaar was. Maar het is goed, te bedenken dat deze in een
deel van dat land gevolgde gedragslijn ovr de hele beschouwd,
eerder de uitzondering dan regel is. Voor ons geldt dat wij ons
natuurlijk moeten houden aan de richtlijn die onze dienaren aan
ons gegeven hebben. Hun oogmerk daarbij was, dat wij een
krachtig getuigenis zouden afleggen dat Gods werk nooit een
eigengerechtige, zich afzonderende secte heeft willen zijn. Door
die richtlijn in gehoorzaamheid te volgen hebben wij altijd
duidelijk de zegen van de Heer mogen ervaren.
Zoals reeds gezegd, heeft uw
situatie veel overeenkomst met die van Brussel en Chatelet. Het
bestuur meent dan ook voor de twee noordelijke gemeenten een
soortgelijke regeling te kunnen treffen als voor de twee
zuidelijke. Dat wil zeggen: van de drie overgebleven
onderdiakenen zullen de twee jongste, Vermeyden en Leenman,
ernaar streven om, zo enigszins mogelijk, om beurten eenmaal per
maaand naar het Noorden te komen om in een namiddagdienst in
Scheemda of Groningen voor te gaan. Op de overige
zondagnamiddagen kunnen er in Scheemda of Groningen
gebedsbijeenkomsten gehouden worden zoals in de Belgische
gemeenten, geleid door lekehelpers of door de akolyt Kroon.
Verder heeft het bestuur ook in Scheemda gezocht naar leden die
de akolyt of de lekehelpers van tijd tot tijd kunnen assisteren;
met dankbaarheid kan u meegdeeld worden, dat de Broeder Willem
Tuin daartoe bereid gevonden is.
Wat de zondagvoormiddagen
betreft – het bestuur herhaalt tegenover u wat het ook aan de
Belgische gemeenten voorgehouden heeft: het is onze plicht als
gedoopte christenen, de zondag, indien maar enigszins mogelijk,
te heiligen door in de voormiddag aan een van de officiële
erediensten van de Kerk deel te nemen. De bestuursleden beseffen
heel goed de practische en principiële moeilijkhheden en
bezwaren, die de leden daarbij knnen ondervinden; maar zij zijn
eenstemmig van gevoelen, dat zij de gemeenten geen andere weg
kunnen wijzen, want dat het de Heer is, Die ons al geruime tijd
geleidelijk naar een situatie toeleidt waarin onze blik meer en
meer op de Algemene Kerk gericht wordt en waarin wij met haar en
met al haar problemen en noden in aanraking gebracht worden,
maar waarin wij ook de zegen leren kennen die Hij door haar
trouwe dienaren nog steeds uitdeelt. Die zegen zult u ervaren,
als u die zoekt op de plaats die Hij u wijst.
Wij weten, dat het Werk van de
Heer door apostelen vaak vergeleken is met de zending van Elia.
In de jaren van droogte en hongersnood, toen de hemel gesloten
was en er geen regen of dauw was op het land, voorzag Gods
goedheid in Elia’s onderhoud, in zijn schuilplaats aan de beek
Krith. Maar op den duur droogde ook die beek uit; toen gebood
God hem zijn eigen land te verlaten en zich in den vreemde op te
houden, in Zarfath bij Sidon, waar God een weduwvrouw geboden
had hem te onderhouden; en omwille van Elia werd de weduwe
gezegend. Daar wachtte Elia af, totdat Gods tijd gekomen was om
de stilte te verbreken, in te grijpen van de hemel, het offer
van Elia aan te nemen, en daardoor zijn zending als profeet te
bevestigen (1 Kon. 17 en 18). Mogen we daarin er niet een beeld
van zien, hoe de Heer de Eliagemeenten in de tijd van
stilzwijgen en afwachten en geesstelijke hongersnood eerst in
het verborgene zegent en onderhoudt, en tenslotte, wanneer zelfs
de waterstroom en Hij geschonken had, uitdroogt, hem uitnodigt
om zich naar de weduwvrouw te begeven, om door haat gezegend te
worden, en om haar tot een zegen te zijn?
Broeders en Zusters, laten wij
niet bedroefd achterom kijken naar wat wij gehad hebben en wat
de Heer ons ontnomen heeft, maar in vast geloof onze blijde hoop
vasthouden, want Die het beloofd heeft; is getrouw! En laten
wij goedsmoeds zijn, want de weg die de Heer ons doet gaan, is
bijna ten einde, en spoedig, zeer spoedig zal Hij zelf komen en
de stilte verbreken met het machtige getuigenis van de zeven
bazuinen Gods!
Mededeling van het bestuur,
voorgelezen aan de leden van de gemeente Amersfoort op 14 juli
en te Utrecht op 15 juli 1990.
Met is met droefheid en
verslagenheid, dat wij afgelopen zondag moesten vernemen dat
onze hemelse Vader uw onderdiaken, onze lieve broeder Bakker, in
Zijn rust had opgenomen. Wij hadden gehoopt dat hij zou mogen
blijven totdat de Heer gekomen zou zijn; wij konden ons niet
voorstellen hoe de gemeenten het zonder hem zouden moeten
stellen; maar de Heer in Zijn wijsheid en liefde oordeelde
anders. Met diepe dankbaarheid gedenken wij, hoe God hem na het
heengaan van onderdiaken Van Oordt van een ernstige ziekte deed
herstellen en hem een verlenging van leven schonk van 18 jaar,
waarin hij een instrument van grote zegen mocht zijn voor de
gemeente Amersfoort en later ook voor Utrecht. De Heer heeft
gegeven – veel gegeven in die 18 jaar -, de Heer heeft genomen;
de Naam des Heren zij geloofd!
In de achter ons liggende weken
hebben wij al ondervonden, dat het wegvallen van onderdiaken
Bakker ingrijpende gevolgen moet hebben voor de beide gemeenten.
Er was niet aan te ontkomen, dat het aantal diensten zou
verminderen. Het bestuur is bezig een nieuw rooster van diensten
op te stellen, dat u binnenkort uitgereikt zal worden. Daarbij
zullen de diensten zoveel mogelijk over de twee gemeenten
zodanig verdeeld worden, dat u vrijwel elke zondag gelegenheid
hebt om aan een dienst in een van beide deel te nemen, soms ’s
morgens, soms alleen ’s middags. Wij gaan er daarbij van uit,
dat, wanneer er een opvolger van priester Beukes benoemd zal
zijn, deze bereid zal zijn de Communiediensten voor onze
gemeenten voort te zetten zoals tot dusver. Daarnaast is het de
bedoeling, dat, zo de Heer de twee overgebleven onderdiakenen
daartoe de kracht geeft, voor de gemeente Utrecht de
voormiddagdienst op de derde zondag van de maand gecontinueerd
wordt en er bovendien, voor zover mogelijk, elke maand op een of
twee zondagen een namiddagdienst wordt gehouden. Voor Amersfoort
is er, behalve de maandelijkse Communiedienst, nog maar zelden
een dienst in de voormiddag mogelijk; maar namiddagdiensten
zullen er, zo de Heer wil, op twee zondagen in de maand gehouden
worden, en daarnaast zullen, zo nodig, een keer per maand de
lekehelpers op een zondagmiddag in een gebedsbijeenkomst
voorgaan zoals die sinds enige weken ook op de woensdagavonden
gehouden wordt en zoals de gemeenten in België en in het Noorden
die al langere tijd kennen.
Wat betreft de pastorale zorg –
de beide onderdiakenen zijn va harte bereid om leden die daaraan
behoefte hebben, bij te staan met hun raad, of door met en voor
het altaar in gebed te gaan, of door bijvoorbeeld een
huisinzegening of een kraamdienst te komen verrichten. Contact
kunt u met hen opnemen via lekehelpers Roeleven in Utrecht
Boneschanscher in Amersfoort, of vanzelfsprekend desgewenst ook
rechtstreeks.
Er zullen onvermijdelijk zondag
zijn waarop er voor u geen gelegenheid zal zijn om op de
zondagvoormiddag aan een dienst in uw eigen gemeente deel te
nemen. Het bestuur heeft al verschillende malen uiteengezet, dat
het de vaste overtuiging heeft dat de leden in zo’n geval toch
hun plicht tot heiliging van de Dag des Heren behoren te
vervullen en Gods zegen behoren te zoeken; dat kunt u dan doen
hetzij door naar Den Haag of Rotterdam te gaan, hetzij door deel
te nemen aan een kerkdienst geleid door een officiële voorganger
van één van de andere kerkgenootschappen. In de afgelopen weken
hebben velem van u al ervaren hoezeer de Heer ons een bijzondere
zegen wil geven, wanneer wij Hem zoeken en dienen in gemeenschap
met onze gelovige en getrouwe broeders in Christus, maar ook
hoezeer wij daarbij voor moeilijkheden en ons tot dusver
onbekende problemen kunnen komen te staan.
In verband met dat laatste zijn
enige vragen aan het bestuur voorgelegd door leden die in de
nieuwe situatie dringend behoefte voelden aan raad en
richtlijnen. Wij willen trachten die vragen te beantwoorden en
in alle ootmoed enige aanwijzingen te geven.
1.Een eerste vraag kan als volgt
weergegeven worden; Reeds sinds tientallen jaren hebben de
gemeenten niet meer wekelijks de Communie kunnen ontvangen, maar
hoogstens nog maar een keer per maand; moet het dan niet onjuist
geacht worden om nu, wanneer wij eucharistie- of
avondsmaalvieringen in een ander kerkgenootschap bijwonen, vaker
dan die ene keer in de maand aan de Communie deel te nemen?
Ons antwoord op deze vraag is,
dat wij dit gevoelen niet delen. Wij denken aan de gemeenten in
Engeland, al lang voor de laatste oorlog, die gesloten werden
wanneer ze geen priester meer hadden die de eucharistie voor hen
kon vieren; door de dienaren, met name door hun co-adjutor
Heath, werd de leden op het hart gebonden om zich in alle
opzichten te voegen in het leven van de gemeente waarin zij
gastvrijheid ontvingen en daar dan ook aan de Communie deel te
nemen. (Zie bijvoorbeeld de circulaire van de coadjutor van
april 1914, aangehaald in de Herderlijke Onderwijzingen van juni
1957, blz. 294: “De kerkdiensten moeten in het algemeen thans
worden geregeld in verhouding tot de krachten van de dienaren en
het aantal leden dat aanwezig kan zijn. Het is duidelijk dat in
de kleine dochtergemeenten de diensten moeten worden verminderd
en in sommige gevallen zelfs geheel moeten ophouden. Wanneer dat
laatste geval zich voordoet, dat moet worden zorg gedragen dat
de leden op het hart wordt gebonden de plicht om in de Algemene
Kerk de erediensten bij te wonen en aldaar de h. Communie te
ontvangen”.) en wat voor onze leden in Engeland geoorloofd was,
kan niet voor ons ongeoorloofd zijn. Wel is de weg die de
gemeenten in ons land gegaan zijn anders dan die van de
gemeenten in Engeland; bij ons zijn de diensten zo lang mogelijk
voortgezet door diakenen en onderdiaken, maar werd op gezette
zondagochtenden, meestal een keer per maand, geen dienst
gehouden om de leden de gelegenheid te geven te communiceren in
de Anglikaanse of Nederlands-Hervormde kerk, die ons als gasten
toegang tot het avondmaal gegeven hadden. In die situatie zou
het niet juist geweest zijn als leden de diensten in hun eigen
gemeente zouden verzuimd hebben om elders individueel ter
Communie te gaan. Maar het is natuurlijk een heel ander geval,
wanneer thans door de omstandigheden de eigen gemeente op
zondagochtend geen dienst heeft; de leden zijn dan vrij om,
wanneer de Heer het op hun weg brengt om zich te voegen bij een
gemeente waar elke zondag een eucharistische dienst gevierd
wordt, aan heel die dienst deel te nemen met inbegrip van de
bekroningen ervan: de heilige Communie.
Wel dienen wij, helaas, in deze
boze tijd waakzaam te zijn tegen profonatie van het hoogheilig
sacrament en ons dus van deelname te onthouden, wanneer er
respectloos mee wordt omgegaan, bijvoorbeeld doordat men het
door kleine kinderen of door vrouwen laat uitdelen, of doordat
men de dienst begeleidt met amusementsmuziek. Het is wel niet
onze taak om wat onze broeders doen te bekritiseren; maar
wanneer we voor ogen houden wat de heilige Communie is, namelijk
gemeenschap aan het Lichaam en Bloed van Gods Zoon, Die Zijn
leven geofferd heeft om ons te verlossen van onze zonden, dan
zal de Heilige Geest ons leren te onderscheiden wanneer wij ons,
bedroefd, niet verontwaardigd, van deelname dienen te onthouden.
2.Een tweede vraag die ons werd
voorgelegd, is, of het ons geoorloofd is deel te nemen aan de
Communie in de Rooms-katholieke kerkafdeling, aangezien daar het
sacrament bediend wordt “onder een gedaante”, dat wil zeggen dat
het brood, maar niet de beker aan de communicanten bediend
wordt.
Ons antwoord is, dat wij menen
op dit punt de leden voorzichtigheid en terughoudendheid te
moeten aanraden.
Voorzichtigheid is geboden,
omdat het op grond van officiële regels die nu eenmaal in de
Rooms-katholieke kerk gelden, aan hun geestelijken in het
algemeen formeel niet is toegestaan dat de Communie uit te
reiken aan niet Rooms-katholieken, en dat dienen wij, wanneer we
als gasten in de Rooms-katholieke diensten deelnemen,
vanzelfsprekend te respecteren. Wel zijn er bijzonder gevallen
waarin de geestelijken een uitzondering mogen maken. Maar helaas
is het ook zo, dat er tegenwoordig geestelijken zijn die de voor
hen geldende regels niet serieus nemen en ze naar eigen
goeddunken af of niet toepassen, en zelfs zijn er priesters die
in dit en in andere opzichten openlijk ongehoorzaam zijn aan hun
bisschoppen en dat is natuurlijk een misstand, waaraan wij niet
bewust behoren deel te nemen van de ons door onze dienaren
geleerde regels voor de dienst aan de verantwoordelijke
geestelijke toegang tot de Communie te vragen, en wanneer hij
ons die op grond van de voor hem geldende regels weigert, dienen
wij daar begrip voor te hebben.
Terughoudendheid menen wij de
leden te moeten aanraden in het deelnemen aan de Communie in de
Rooms-katholieke kerk, omdat daar als regel het sacrament onder
een gedaante bediend wordt, wat een ernstige verminking ervan
betekent. (Zie: Leer en gemeenschap van Apostelen, blz. 149-152)
Juist van de beker heeft de Heer
gezegd: “Drinkt allen daaruit!” (Matth. 26:27), en dit
duidelijke en uitdrukkelijke gebod maakt krachteloos op grond
van menselijke theologische argumenten. Wel is het waar, dat
onze dienaren, voorzover wij weten, onze leden nooit
uitdrukkelijk verboden of ontraden te hebben om aan een op deze
wijze bediende Communie deel te nemen; maar zij hadden daar ook
weinig aanleiding toe, aangezien in hun tijd de regels in de
Rooms-katholieke kerkafdeling veel strenger waren en veel
strenger gehandhaafd werden dan tegenwoordig, zodat het
nauwelijks voorgekomen zal zijn dat onze leden in de
Rooms-katholieke mis konden communiceren.
Wel kunnen zich heel bijzonder
situaties voordoen waarin iemand zich in geweten verplicht kan
voelen om ondanks deze bezwaren samen met zijn Rooms-katholieke
broeders ter Communie te gaan. Maar dat zijn dan ook
uitzonderingsgevallen, die de algemene regels bevestigen.
3.Ten aanzien van deelname aan
de Communie in de Oud-katholieke kerk, waarover ons eveneens
vragen gesteld zijn, is de situatie iets anders. Wanneer wij
daar voor de dienst aan de priester toegang vragen, zal hij die
ongetwijfeld verlenen. En het sacrament wordt daar principieel
onder beide gedaanten bediend. Wel is het in de Oud-katholieke
kerk de gewoonte de wijn aan de communicanten te bedienen door
het brood in de beker in te dopen, en dat is een wijze van
bedienen van het sacrament waarover onze dienaren duidelijk
afwijzende uitspraken hebben gedaan. (de circulaire die de
diakenen van New York na het overlijden van de engel van de
gemeente tot de leden aldaar richtten, waarin gezegd wordt:
“(voortaan) zal er op elke eerste zondag van de maand geen
diaconale voormiddagdienst gehouden worden om aan onze leden
gelegenheid te geven deel te nemen aan de heilige Communie in
die episcopale gemeenten waar het brood niet in de wijn wordt
gedoopt”.). Maar vrijwel elke Oud-katholieke priester zal
onmiddellijk bereid zijn de beker afzonderlijk, zoals dat
behoort, te bedienen aan elk die hem dat voor de dienst vraagt.
4.In antwoord op nog weer andere
vragen herinneren wij aan wat wij al meermalen uiteengezet
hebben: dat het ons niet geoorloofd is deel te nemen aan een
dienst waarin een vrouw voorgaat, in strijd met duidelijke
Bijbelse aanwijzingen (bijv. 1 Kor. 14:34). In Nederland komen
gelukkig nog geen vrouwelijke priesters voor,
(let wel: het artikel stamt uit
1990) wel helaas vrouwelijke dominees in sommige protestantse
kerkafdelingen. Dat betekent, dat wij in bepaalde gevallen
waakzaam moeten zijn en tevoren dienen te informeren wie in de
zal voorgaan. Maar komt iemand van ons onverhoopt ondanks zijn
voorzorgen in de situatie dat bij het begin van de dienst de
voorganger een vrouw blijkt te zijn, dan lijkt het ons in het
algemeen niet aan te bevelen om demonstratief op te staan en weg
te lopen en daarmee de dienst te storen en de aanwezigen pijn te
doen; beter lijkt het ons, dan in stilte te treuren en zich voor
God te verootmoedigen om de overtredingen van Zijn Woord die
onder ons christenen steeds meer de overhand nemen, en voorbede
tot Hem op te zenden voor de dwalenden.
Heel veel komt het tegenwoordig
voor dat, ook wanneer de voorganger een man is, een vrouw
bijvoorbeeld een Schriftlezing doet of een andere onderschikte
taak verricht. Ook dat zijn dingen die niet behoren te
geschieden; maar zij komen zo veelvuldig voor, dat het in kleine
woonplaatsen heel moeilijk kan blijken te zijn om een kerk te
vinden waar zoiets niet gebeurt. Wanneer iemand van ons dan niet
de mogelijkheid heeft om naar een grotere plaats te reizen waar
hij een ruimere keuze heeft, zal hij een persoonlijke beslissing
moeten nemen naar zijn eigen geweten en naar het licht dat de
heilige Geest het geeft.
Dit was ons antwoord op enige
vragen die aan het bestuur gesteld waren. Mochten er nog verdere
vragen bij u leven of zich nieuwe problemen voordoen, ook ten
aanzien van uw persoonlijke kerkelijke omstandigheden, schroomt
u dan niet ze aan het bestuur voor te leggen, dat zal trachten
antwoord of raad te geven.
Broeders en zusters, de Heer
heeft met ons een grote stap gedaan – een stap verder de diepte
in, - maar wij hebben immers geleerd dat dat altijd een stap
voorwaarts betekent! Hij heeft ons in een nieuwe situatie
gebracht, waarin Hij ons op de proef stelt in twee opzichten:
aan de ene kant of wij allemaal trouw blijven aan alles wat Hij
ons geleerd en geschonken heeft, en aan de andere kant of het
waarachtig is wat wij met de mond belijden, namelijk dat wij
alle broeders liefhebben en weten dat wij geroepen zijn tot
dienst aan de ene algemene Kerk. Laten wij tot onze broeders
uitgaan, niet om hen te oordelen; laten wij niet breed uitmeten
wat wij bij hen als tekortkomingen beschouwen; laten wij ons
liever verkwikken aan hun geloof en hun trouw en aan het licht
en de zegen die de Heer nog altijd overal in Zijn heilig Huis
uitstort. Laat “Filadelfia” – dat betekent immers:
broederliefde – ons wachtwoord zijn. En laten wij daarbij steeds
dat woord van de Heer aan de gemeente te Filadelfia voor ogen
houden: “Houd wat hij hebt, opdat niemand uw kroon neme!”.
Ja, laten wij vasthouden wat wij
hebben: laten wij vasthouden ons geloof, niet alleen het geloof
in de Bijbelse grondwaarheden, maar ook het geloof in de
waarachtigheid van dat Werk ten behoeve van Zijn verdeelde Kerk,
dat Hij aangevangen heeft op de dag die wij vanmorgen gedacht
hebben. Laten wij vasthouden onze hoop op de spoedige vervulling
van Zijn grote beloften. En laten wij steeds elkaar aanmoedigen
om vast te houden de liefde, de broederliefde, zowel op de
plaats in de kleinere gemeente waar de Heer ons gesteld heeft,
alsook in die grote gemeenten waar wij door onze Doop behoren.
“Zie, Ik kom haastig; houdt wat gij hebt, opdat niemand uw kroon
nemen!” Amen, ja, kom, Here Jezus!
CHRONOLOGIE APOSTOLISCHE WERK
1851-1902
Zomer 1851 Meer dan 100
gemeenteleden uit Parijs, Lille, Landouzy en Bertry in
Noord-Frankrijk ontvangen de heilige Verzegeling door
Drummond.
Sinds 1852 Invoering van de
zevenarmige kandelaar. Deze verwijst naar de zevenvoudige
volheid van de heilige Geest en de dienst door het zevenvoudige
oudste-ambt (1 engel en 6 oudsten).
April 1852 Oprichting van de
gemeente Luik in België door King-Church. De R.K. Priester M.
Vleughel werd de eerste voorganger. De april 1875 werd de
gemeente opgeheven omdat deze te klein geworden was.
21 apr. 1852 Heinrich Geyer,
onderwijzer, op 25 juli 1850 in Berlijn door Carlyle als
priester geordend en als profeet dienend, wordt in Albury door
een profetie van Taplin als engel geroepen en op 9 september
1852 geordend.
Pinksteren Verordening van de
kandelaren links en recht van het altaar 1852 als symbool voor
de in de kerk verordende ambten, in het bijzonder voor het
apostel- en profetenambt (Ef. 2:20) door wie de kerk de wil en
het licht van de Heer verkondigd worden. Deze zullen branden als
tijdens de Heilige Eucharistie de afzondering plaats vind. De
Apostelen verordenen verder het brengen van wierook in de
godsdiensten als symbool van het gebed is het algemeen en de
voorbede in het bijzonder.
1852 Oprichting van de gemeente
Königsberg/Pr. met als Engel (vanaf 1854) Eduard Schwarz)
.Eveneens oprichting van de gemeente Memel in Litouwen dat
grotendeel uit voormalige Baptisten bestond, met als voorganger
Heinrich Deventer.
20 okt. 1852 Besluit van de
apostelen in de Raadsvergadering: iedere apostel heeft het
recht, met instemming van de andere apostelen, gebruik te maken
van een gewijdde engel als hulp (Co-adjutor). Afgezien van Böhm
(17.7.1859) werd voor 1865 daar geen gebruik van gemaakt.
1853 Oprichting van de
gemeente Bern als tweede gemeente in Zwitserland. Vanaf 1859 met
als engel Johann E.G. Lutz.
1 juli 1853 Eerste uitgave van
een jaarverslag der Engelse apostelen over hun werk in de
stammen. Deze verslagen verschenen tot 1901.
24 dec. 1853 De nieuwe Centrale
Kerk in Londen op Gordon Square wordt door Cardale ingewijd.
Deze kwam in de plaats van het gehuurde kerklokaal in de
Newman-Street.
Lente 1854 Oprichting van de
gemeente Melbourne als eerste gemeente in Australië. De eerste
voorganger was William Wilson. In 1895 werd Melbourne
aartsengelstad.
19 apr. 1854 Eerste godsdienst,
na voorwerk van evangelist Ch. Böhm en medewerking van de
Berlijnse Diaken Johann Gottfr. Hochschildt, in de nieuwe
gemeente Hamburg, door engel Carl Rothe uit Berlijn. De eerste
Verzegelingsdienst in Hamburg was op 27 augustus 1854 door
Carlyle, Voorganger werd priester Friedrich Wilhelm Häger uit
Berlijn die echter door de politie werd uitgewezen. Nadat
het vergaderverbod minder streng werd toegepast en
"stille diensten" gehouden konden worden, kwam op 21
juli 1855 priester C.W.L.
Preuss, in de vermomming van meubelmakersgezel, van Berlijn naar
Hamburg.
26 jan. 1855 De eerste, zijn
ambt sinds 1840 niet meer uitoefenende, Duncan Mackenzie op
70-jarige leeftijd ontslapen.
28 jan. 1855 Thomas Carlyle,
apostel voor Noordduitsland, na een slopende reis naar Zweden,
als tweede apostel op 51-jarige leeftijd ontslapen.
21 juni 1855 De apostelen vragen
zich af of door hen stappen genomen moeten worden om in de
plaats van de beide overleden apostelen anderen te roepen. Zij
menen echter dat in de heilige Schrift nergens een volmacht in
die richting te vinden is en besluiten om dat aan de Heer over
te laten.
3 nov. 1855 Willia Dow, als
derde apostel, op 55-jarige leeftijd in Edinburgh overleden en
in Albury begraven.
20 mei 1858 Eerste van een
veertiendaagse profeten-samenkomst in Albury voor de studie en
uitleg van verschillende bijbelboeken. De bijeenkomsten hebben
tot 1861 jaarlijks plaats gevonden. Deelnemers waren de 12
profeten Blight, Davidson, Esterford, Faesch, Geyer, Hester,
Jeffery, Petitpierre, Smith, Taylor en Watts. Ook de apostelen
waren daarbij aanwezig.
17 juli 1859 Ch. J. Th. Böhm,
evangelist met de apostel, ontvangt door een profetisch woord
gesproken door de Pilaar door profeten Taplin, in Albury de
volgende boodschap: "Jezus roept u, apostolische boodschapper.
Hij wil u, Co-adjutor, gebruiken om voor Hem te verzamelen die
Hij verzamelen wil."
Korte tijd later word hij de
apostelhelper voor Noord-duitsland met Woodhouse. Hij is de
eerste die het ambt van Co-adjutor draagt.
6 sept. 1859 Spencer Perceval,
apostel voor Italië, op 64-jarige leeftijd ontslapen. Hij is de
enigste, naast Mackenzie, die niet in Albury begraven is.
20 febr.1860 Henri Drummond,
apostel voor Schotland en Zwitserland, later ook voor Frankrijk
en Italië, op 73-jarige leeftijd te Albury ontslapen.
30 mei 1860 Tijdens de
Profetenbijeenkomst te Albury spreek de profeet-Engel Geyer, na
het voorlezen van Openb. 2:1-5, het volgende: "Verlang naar de
Apostel die hun stoelen verlaten hebben. De Heer geeft u twee
apostelen op de lege stoelen als onderpand, dat Hij ook de
overige stoelen nog bezetten wil: Charles Böhm en William Caird
als apostel!" De volgende dag verklaard apostel dat de Engelse
apostelen deze roeping niet zullen aanvaarden.
4 mrt. 1861 John Owen Tudor,
voorheen redacteur van The Morning Watch, op 77 jarige leeftijd
in Albury ontslapen. Het Engelse apostolaat bestaat nu nog uit
zes personen.
10 okt. 1861 Friedrich Wilhelm
Schwartz, van beroep kleermaker, in 1848 tot de eerste zeven
diakenen van Berlijn behorend, op 25 juli 1850 als priester
geordend en dienend als oudste in Berlijn, eind 1858 naar
Hamburg verplaatst waar met Pasen 1850 een gemeente ontstaan is,
en hier als voorganger dienend, wordt nu na de al op 15 mei 1858
gevolgde roeping door de profeet Geyer, door apostel Woodhouse
in Berlijn tot
engel gewijd. Hij is daardoor
nog geen engel voor Hamburg maar blijft daar leidende oudste.
7 apr. 1862 Edward Oliver
Taplin, voorheen leraar, Pilaar der profeten en profeet met de
apostel voor Engeland, op 62-jarige leeftijd overleden en in
Albury begraven.
18 okt. 1862 De engel-profeet
Geyer, Profeet met de apostel, roept de als oudste in Königberg
dienende priester Rososchacki, in diens woning zonder verdere
aanwezigen, tot apostel, als eerste van een nieuwe rij.
Waarover we het niet verder over
zullen hebben.
23 nov. 1862 De profeet Geyer
spreekt in de Berlijnse gemeente op de zondag voor de advent, in
de morgendienst, na het lezen van Spreuken 26:23 en 27:5, in
verbinding met 2 Thess. 2:1-3, in een profetisch woord de
verwachting uit dat de antichrist nog voor de wegname van de
Eerstelingen (Openb. 7:1-8) voor de gemeente openbaar zal komen.
De engel Rothe ziet daarin een tegenstelling met het leerstuk
dat de
Eerstelingen nog voor het
verschijnen van de antichrist weggenomen zullen worden. Na enige
gesprekken hierover volgt de excommunicatie van Geyer en zijn
ambtsontheffing dat hem meegedeeld word via een brief van de
apostolische Herder Thiersch van 31 december 1862.
4 jan. 1863 Rudolf Rososchacky
word door de voorganger van Hamburg, Fr. W. Schwartz en de
Engel-profeet Geyer uit Berlijn, aan de Hamburgse gemeente als
apostel voorgesteld en door alle leden, op 5 na, aanvaard.
17 jan. 1863 Rososchacky
schrijft aan Schwartz, met een kopie aan Geyer en Rothe, dat hij
zijn apostelroeping niet meer als van God erkend en dat hij zich
weer onder de leiding van apostel Woodhouse voegt. Zijn
ambtsontheffing als priester (oudste) word per 5 april 1863
ongedaan gemaakt.
27 jan. 1863 Oudste Fr. W.
Schwartz reist naar Berlijn en spreekt met Rothe en apostel
Woodhouse. Tevergeefs echter, Schwartz en Geyer worden, met de
gehele gemeente Hamburg, geëxcommuniceerd.
Sept./Nov. 1863 Apostel
Woodhouse bezoekt Noordduitsland en verzegeld 522 gemeenteleden,
zegend 34 diakenen, ordend 6 priesters en wijd 5 engelen.
Jan. 1864 John Taylor in 1834
tot priester geordend, sinds 1861 profeet met de apostel voor
Nederland en Denemarken, ontslaapt op 69-jarige leeftijd.
Pinksteren 1864 Uitgave van het
gezangboek voor de Engelse gemeente (Hymns for the use of the
Churches) met 205 liederen. De Duitse uitgave was al in 1859
verschenen.
5 aug. 1864 Apostel Francis
Sitwell op 67 jarige leeftijd in Londen ontslapen en in Albury
begraven. Het apostolaat bestaat nu nog uit 5 personen.
12 jan.1865 De als apostolische
helpers gekozen engelen (Co-adjutoren) moeten eerst door een
profetie geroepen worden, aldus besluit het apostelcollege.
16 sep.1865 King-Church op
84-jarige leeftijd in Albury ontslapen. Zijn werkzaamheid in de
hem toegewezen stam Nederland werd door een al in 1854
verschenen boek van Em. Guers: "Irvingisme en mormonisme getoest
aan de Schrift", dat ook tegen het apostolische werk geschreven
was, zo bemoeilijkt
dat hij hier nauwelijks tot
gesprekken kwam. Anders dan in België waar in 1852 in Luik een
gemeente opgericht kon worden. Het andere deel van zijn stam,
Denemarken, werd het land waar naar verhouding van grootte en
inwoneraantal, de meeste gemeenten opgericht kon worden:
Kopenhagen, Aalborg, Aarhus, Odense en Silkeborg.
25 jun.1866 William Hennig
Place, jurist van beroep, evangelist met de apostel voor
Engeland en pilaar der evangelisten, op 66 jarige leeftijd
overleden.
19 aug.1866 Oprichting van de
gemeente Stuttgart onder priester
Dr. Julius Pilgrim.
28 feb.1867 Oprichting van de
gemeente Den Haag onder de priester en vanaf 1868 engel Jacobus
Johannes Landsman. Dit was het resultaat van de werkzaamheden
van de engel-evangelist Max von Pochhammer. In 1882 werd in Den
Haag een nieuwe kerk in gebruik genomen. Op 25 februari 1898
werd Den Haag aartsengelstad.
6 mrt. 1867 In Mönchengladbach
vind de eerste verzegelingsdienst door Woodhouse plaats. Het is
de eerste gemeente in Westduitsland, in 1872 volgde Düsseldorf
en op 26 dec. 1876 Keulen.
10 mrt. 1867 Dr.Isaac Capadose,
32 jaar, tot Priester geordend en als evangelist werkzaam. Op 1
april 1868 ontving hij in Den Haag door Woodhouse het engelambt.
Per 13 maart 1873 is hij districtsevangelist en op 14 september
1873 evangelist met de apostel voor Nederland. Op 27 juni 1875
werd hij Co-adjutor voor Nederland en Denemarken. Hij verhuisd
dan naar Albury en wordt Brits staatsburger.
3 juli 1868 Verdere
romanisering van de eredienst. Na een profetie op 29 maart 1868
begint het gebruik van wijwater. Deze bevind zich in een bekken
bij de kerkingang. Dit moet de heilige Waterdoop en de
wedergeboorte symboliseren.
6 nov. 1869 Henri Dalton, 64
jaar, te Albury ontslapen. Er zijn nu nog maar drie Engelse
apostelen, Cardale, Armstrong en Woodhouse.
1870 Oprichting van een
gemeente in Hannover met als voorganger de priester (vanaf 1875)
engel Wilhelm Kenter.
Eind 1871 Oprichting van een
gemeente in St. Petersburg, later Petrograd, na het werk van
evangelist Victor von Dittmann, door Woodhouse Eerste voorganger
was C. von Erdberg.
Jan. 1872 De Engelse
apostelen besluiten dat in alle gemeenten lijsten aangelegd
moeten worden van ontslapen dienaren en leden. De namen moeten
tijdens de viering van Allerzielen opgelezen worden "opdat de
namen in herinnering blijven in de gemeente, bij de Engelen in
de hemel, bij de Zoon en Zijn Vader."
29 sept.1872 Oprichting van een
gemeente in Wenen
Hierna gaat de Chronologie vele
data vermelden van het ontslapen van dienaren. Deze data zullen
we alleen dan vermelden als het betrekking heeft op een
Nederlandse dienaar, of één die in Nederland gewerkt heeft,
zoals ...)
27 mrt. 1875 Langford Rowley
Symes, advocaat, sinds 1854 districts-evangelist in Frankrijk,
vanaf 1863 apostolische Evangelist voor Frankrijk en Nederland
en vanaf 1870 Co-adjutor voor de stam Frankrijk, op 74-jarige
leeftijd in Albury ontslapen, de eerste uit de rij der
Co-adjutoren.
5 oct.1875 Alle reizen en
plaatselijke arbeid in de stammen dragen de nog levende Engelse
apostelen over aan de Co-adjutoren.
15 apr. 1876 George John Hewitt,
eerst evangelist voor Noorwegen en Denemarken, sinds 1865
Co-adjutor voor Nederland, Denemarken en Zweden, op 57-jarige
leeftijd in Albury ontslapen.
Juni 1877 Oprichting van een
gemeente in Oslo (Noorwegen). De geestelijke verzorging voor
deze gemeente moet vanuit Denemarken komen.
19 juni 1877 Laatste vergadering
van de Zeven Gemeenten van Londen onder voorzitterschap van
Pilaar-Apostel Cardale.
14 juli 1877 Halverwege een
eredienst moet Cardale ijlings de kapel verlaten wegens ziekte
en op
18 juli 1877 ontslaapt de Pilaar
der apostelen op bijna 77-jarige leeftijd. Er zijn nu nog twee
apostelen van de Kath.-Apostolische beweging in leven.
21 jan. 1878 Oprichting van een
gemeente in Stockholm, de hoofdgemeente in Zweden.
Eind 1878 Oprichting van een
gemeente in Frankfurt/M. Hoewel hier al op 17 oktober 1847 een
eerste Verzegelingsdienst was gehouden, moest de geestelijke
verzorging vanuit Marburg komen.
9 okt. 1879 Nicolas Armstrong,
78 jaar, in Albury ontslapen. Slechts één Engelse apostel,
Woodhouse, is nu nog in leven. Hij wordt bijgestaan door 7
Co-adjutoren die allen, behalve Capadose, voor hem ontsliepen.
De pas in 1886 ingezette Co-adjutor Edward Heath, ontsliep in
1929. Het ambt van Co-adjutor gold slechts zolang de apostel in
leven was. Ontsliep de betreffende apostel en werd de
Co-adjutor bij een andere apostel gevoegd, dan moest eerst
inzetting plaats vinden.
Eind 1879 Een profetie word
uitgesproken: "Jezus heeft zich niet veranderd, ook kan er geen
verandering in de leiding en ordening van Zijn huis komen,
totdat Hij Zijn laatste knecht tot zich genomen heeft."
Mei 1880 Max von Pochhammer,
sinds 1873 Co-adjutor voor Zuid-Duitsland en Oostenrijk, motor
van het Katholiek-apostolische werk in Nederland, wordt dat nu
ook voor Noordduitsland.
9 juli 1882 Johann E.G. Lutz op
de hoge leeftijd van 81 jaar, ontslapen.
1883 In Melbourne (Australië)
word een wereldwijde gebedsgemeenschap voor de Wederkomst van
Jezus gesticht. In elk ochtend gebed zal de toevoeging "Come
Lord Jesus" opgenomen worden.
23 apr. 1887 William Thomas
Henry King-Church, zoon van de Apostel King-Church, Co-adjutor
in de Centrale Kerk, op 54-jarige leeftijd overleden. Zijn vrouw
was Susan Ann, een dochter van Woodhouse.
Juni 1888 De engelen van de
Zeven Gemeenten zullen een korte samenvatting schrijven over het
Werk des Heren en dat, samen met het “Testimonium” van 1838 aan
de deelnemers van de derde Lambeth-conferencie zenden. Dat was
een bijeenkomst van de Aartsbisschoppen en Bisschoppen van de
Anglicaanse kerk.
De zending gaat vergezeld met de
opwekking het werk onder het heropgerichtte apostelambt te
erkennen.
Juni 1889 In de
Raadsvergadering word bericht dat het stuk naar de derde
Lambeth-conferencie, met 145 deelnemende Bisschoppen, is
gezonden. Besloten werd om een dergelijk schrijven ook in
Noord- duitsland te verspreiden. Dat vind plaats in
september 1889 door de engelen Rothe en Wagener.
Vanaf 1891 De viering van de
Heilige Eucharistie in Albury en de leiding bij de samenkomsten
van de Zeven Gemeenten van Londen word nu aan de Co-adjutoren
overgelaten omdat Woodhouse daartoe lichamelijk niet meer in
staat is.
1891 Henry Welchman King,
oudste zoon van King-Church, oudste in de Centrale Kerk,
secretaris van de Concilies van Sion, apostolisch Herder voor
India, Polen en Ierland, overleden.
KATHOLIEK-APOSTOLISCHE
LIERATUUR
Behm, Johannes: Die
Handauflegiung im Urchristentum nach Verwendung, Herfunft und
Bedeutu8ng im religionsgeschichtlichen Zusammenhang untersucht.
(1911)
Adler, Nikolaus: Taufe und
Handaauflegung. Ein exegetisch-theologische Untersuchung der
Apg. 8,14-17 (1951)
Capadose, Isaac: Wedergeboorte
en Doop in verband met den eersten en laatsten Adam (1876)
Cardale, J.B.: Vorlesungen uber
die Liturgie und andere Gottesdiente der Kirche 2. Band 4.
Tl. Die Handauflegung.
Elderenbosch, P.A.: De oplegging
der hanjden (1953)
1. Dow, William:
Die Taufe des Herrn durch Johannes
2. Ueber die heilige
Versiegelung. Zwei Vorträge gehalten von einen Evangelisten,
1919
3. Thiersch, H.W.J.: Die
Bergpredigt und ihre Bedeutung fuer die Gegenwart, 1878
4. Groser, Thomas:
Amtaufgaben und Legimation von Aposteln.
Drei Vortraegen
5. Boehm, Charles: Schatten und
Licht in dem Gegenwärtigen Zustaende der Kirche.Neun
Abhandlungen über Christliche Wahrheiten für unsere Zeit
Mit einen Vorwort von H.W.J.
Thiersch, 3.
Aufl. 1878
6. Cardale, John
Bate: Reading upon Liturgie Vol. I,1 On the eucharistie and
daily offices connected therewith
7. Mickwitz, Karl von
(Hrsg.):Stimmen aus der Kirche über die Wiederkunft des
Herrn.Kirkliche Zeugnisse für den Tag des Herrn von Luther,
Melanchton und anderen Vaetern und Lehrern der Kirche, Basel
1893
8.Dalton, Henry: Leib, Seele und
Geist, 1847
9. Bramley-Morre, W.: Das Altar
des Ahas, oder Die unantastbarkeit des Gottlichen Dienstes der
Anbetung, wie er von Gott verordnet ist, repr. 2001
10.Davenport, J.S.: Der letzte
und grosse Antichrist Predigt in Chicago, 1895
11. Boehm, Charles J.T.: Reden
mit Zungen und Weissagen. Apostel, Propheten,
Evanbgelisten,Hirten und Lehrer. Ein Wort der Ermahnung für
aller Kinder Gottes, 1850
12. Albrecht, Ludwig:
Abhandlungen über die Kirche, besonderes ihre Ämter und
Gottesdiensten, Berlin, 1898
13. J. B. Cardale: Die Liturgie
und die andere Gottesdienste der Kirche.
Die andere Dienste am Tage der
Herrn, Die Untergeordnete Dienste
14. Die Glaubenssymbole der
Einen Heiligen Katholischen und Apostolische Kirche
15. Die Ordnung der Konsekration
oder Weihe Eines Engels
16. The Catechism
17. Naehere Anwesung in Betreff
der kirchllichen Gewaender und andere Zeugstruecke, 1880
18. Der Katechismus der
Katholisch-Apostolischen Gemeinden (KAG)
19. To the
Patriarchs, Archbishops, Bischops and other in places of chief
rule over the Church of Christ througout the earth, and to the
emporors, Kings, sovereign princes and chief governers over The
nations of the baptized.
20. Die Liturgie der christliche
Kirche oder darstellung der richtigen Feier des Heiligen
Abendmahls mit Vergleich der Abendmahlfeier der Griechischen,
der Roemischen, der Anglikalischen und der Lutherische
Abteilungen der Kirche. Augburg, 1879
21. Cardale, John Bate:
Vorlesungen II.1 Der Morgen- und Abenddienst.
22. Cardale, John Bate:
Vorlesungen II,5 Die Ordination.
23. Carlyle, Thomas: Die
Geschichte des apostolischen Werkes in kuerzer Uebersicht, 1851
24. Carlyle, Thomas: Über das
Sakrament der Heiligen Taufe
25. Carlyle, Thomas: ::Uber die
Sendschreiben an die sieben Gemeinden in der Offenbarung des St.
Johannes, 1855
26. Carlyle,
Thomas: Das apostolische Amt.
Seine urspruengliche Gestallt,
sein Verfall und seine Wiederherstellung, Berlin 1850
27. Lutz, J.E.G.: Die Bestimmung
der Menschheit und der Christliche Kirche insbesondere im Lichte
des Evangeliums Christi.
28. Naehere Anweisung in betreff
der kirchliche Gewaender und anderen Zeugstuecke, mit 5
mustertafeln
29. Ueber die Heilige
Versiegelung. Zwei Vorträge gehalten von einem Evangelisten,
vorzugsweise an die jüngeren Glieder der Gemeinde, 1919
30. Cardale, John
Bate: A discourse upon the obligation of Tithe delivered in the
CAC Gordon Square on Tuersday, October 5, 1858
31. Sitwell,
Francis: Licht zur Abendzeit,Über den Ratschluss Gottes im
Schöpfung und Erlösung und seine allmähliche Entfaltung in und
durch die Kirche, 1910
32. The purpose of
God in creation and redemption, and the successive steps for
manifesting the same in the Church, 1868
33. Aarsbo, J.: Lebenslauf und
Wirksamkeit der Apostel. Kurze ubersicht
34. Ein Wort der Zeugnisse,
Ehrerbietig gerichtet an die Erzbischöfe und Bischöfe der Kirche
von England
35. Beyer, Willy: Die Sieben
Gemeinden in London Eine beschreibung der Lonedenr Kirchen, 1930
36. Schwarz,
ed.:Gottes Werk unter uns (1907)
37. Hume, Henry: Das Diakonat.
Die Sieben und anderen Diakene. Predigt
38. Buschor, Valentin: Der Früh-
und Spätregen in Israel. Ein Vorbild der Ausgiessung des
Heiligen Geistes auf die Kirche, 1885
39. .Valentin, A.: Ueber das
Sakrament der Eucharistie und seine feierliche Entfernung vom
Altar,1938
40. Wagener, C.: Die Beichte,
1894
41. Bramley-Moore, W.: Der
Mensch, Gottes Ordnung. Predigt
42. .Valentin, A. Das Evangelium
im zweiten Buch Mose. Dezember 1935
43. Woodhouse, F.W.: Eine
Erzaehlung von Begebenheiten welche die gegenwaerige lage und
die Aussichten der gesamtem Kirche Christi betreffen, 1895
44. Woodhouse,
F.V.: Teaching delivered in the assembly of the Seven Churches
in London on the Archangel’s Ministry, 1878
45.Woodhouse, F.V.:
Ueber die Fortdauer des Apostalats
46.Woodhouse, F.V.:
Mitteilungen :uber das Prophetische Amt
47. Cardale, J.B.:
The Office of morning and evening prayer. Repr. 1933
48. Armstrong, N.:
Christi Versuchung.
Hirtenbrief, 1938
49. Lutz, J.E.G : Wahrheit in
Sachen der apostolischen Gemeinden. 1840
50. Rothe, Carl: Die Schöpfung,
Gottes Werk, 1905
51. Thiersch, H.W.J.: 96 Thesen.
Auf verlangen meines Schwiegervater aufgestellt, 1849
52. Woodhouse, F.R.: Eine
Belehrung über das Prophetenamt, 1867
53. Woodhouse, F.V.: Eine
Belehrung über das Apostolische Amt in der heiden-christlischen
Kirche
54. Woodhouse, F.V.: Eine
Belehrung :uber die Stiftshütte.
1887
55. Dalton, Henry:
What is the Church, 1863
56. Bramley-Moore,
W.J.: The Church forgotten hope, or thoughts on the translation
of the saints, 1902
57. Woodhouse,
F.W.: Teaching delivered in the Seven Churches in London, 1878
58. Cardale, J.B.:
Rightenouss and Holiness Sermon, 1888
59. Cardale, J.B.:
Christi Jünger mussen trübsal Leiden, 1869
60. Drummond,
Henry: Abstract principles of revealed religion, 1845
61. Tudor, J.O.: Kurze Auslegung
der Offenbarung.
A brief
interpretation of the book of Revelation.
1855
62. Tudor, J.O.: Selig ist, der
da liest und die da hören. Sechs vorlesungen über die
Offenbarung, 1861
63. Wigand, Paul: Die
Grundwahrheiten unseres Glauben. Vier Predigten
64. Wigand, Paul: Das geheimnis
der Heiligen Drei-Einigkeit und der Gottheit Jesu. Vortrag, 1897
65. Wigand, Paul: Die
Auferstehung der Toten. Drei Vorträge
66. Cardale, J.B. : Die letzte
Briefe von Edward Irving
67. Cardale, J.B.:
A discourse upon the obligation of tithe, deliverd in the CAC
Gordon Square, on
Tuersday, October 5, 1858
68. Cardale, J.B.: Die heilige
Eucharistie und die Ausspendung der Heiligen Kommunion am
Sonn- und
Werktagen, 1908
69. Cardale, J.B. :
Vorlesungen I,2. Die
Handauflegung, 1879
70. Cardale, J.B.: Vorlesungen
I,3. Schrift und Tradition, 1875
71. Cardale, J.B.: Vorlesungen.
Die Typen des Gesetzes
72. Dow, William: Die Grundlagen
der Einheit.
1847
73. Dow, William:
Wer sind unsere Brüder. 1847
74. Dow, William:
Der Herr ist Nahe. 1930
75. Dow, William: Die
Auferstehung. Uebersetzt von Th. Zanger, 1903
76. Dow, William: Die Aufgabe
der Kirche. Uebersetzt von Th. Zanger, 1903
77. Fürchte Dich nicht, Glaube
nur. Predigt zum Anfang des Neuen Jahres
78. Der Brandopferaltar. Pastor.
Mittlg. 1928/11. Smyrna-Stimmen 1/61
79. Rawson, T.E.: Warum es
Frauen nicht erlaubt ist in der Gemeinde zu lehren.
80. Leitz, Hermann: Gottes Werk,
nicht Menschenwerk. 1954
81. Morris, Georg: Die heiligen
Engel. 1867
82.Ehlers, William: Vom Werk des
Heiligen Geistes,
83. Rothe, Carl:
Ueber die soziale Bedeutung des Christentums, 1890
84. Armstrong,
Nicolas: Christus in Euch. Fünf predigten
85. Armstrong,
Nicolas: Christi Versuchung, 1938
86. Thonger, James: “Die
Siebenzig” Acht Predigten, 1887 in die Gemeinde Leeds
87. Four Sermons on Freemasonry.
(Vier Predigten ::uber die Freimauerei
88. Jennings, Samuel: Sechs
Predigten ueber die Prophetische Geschichte der Kirche Christi,
1902
89. Heath, Edward:
Papers on the gift of prophecy and the duty of Angels with
regard to prophetic persons, Albury, 1891
90. Thonger, James:
Eigt sermons on “the Seventy” Preached at Leeds, 1895
91. Cardale, John
Bate: Das Bild des Tempels.
Betrachtungen am Tage des
Allerheiligen.
92. Albrecht, Ludwig: Der Islam.
1918
93. Albrecht, Ludwig: Der
Buddhismus. 1919
94. Albrecht, Ludwig: Das
apostolische Werk des Ende. Zwei Vortreaege. 1924
95. Capadose, Isaac: Wie Simon
–Jonahs Sohn- Petrus Wurde.
96.Capadose, Isaac: Sei Stille
dem Herrn und warte auf Ihm. Ostern, 1915
97. Capadose, Isaac: Johannes,
Der Juenger, welchen Jesus liebhatte.
98. Rossteucher, E.: :Uber die
Berechnung der zu entrichtenden Zehnten, 1863
99. Hooper, John: Die
Entrueckung, oder, Die Verwandlung der lebenden Heiligen und
ihre Erlosung von den gerichten die da kommen auf Erden. 1857
100. Michwitz, Karl von: In
spater Stunde. Einzelne tone letzter Noahpredigt. 1898
101. Thiersch, H.W.J.: Inbegriff
der christlichen Lehre. 1886
102. Carlyle, Thomas: Die
Vorbilder im Dritten Buch Mose (Leviticus) Kap. I-XVL, 1894
103. Carlyle, Thomas: Die Kirche
in unsere Zeit. Ein Wort an Geistliche und Laien
104. Carlyle, Thomas: Einleitung
zur Liturgie.
3.Auflage, 1933
105. Carlyle,
Thomas: Aufschluesse ueber das Buch Levikus (3. Buch Mose) 1889
106. Carlyle,
Thomas: Ueber die Symbole im Gottesdienst der Kirche. 3. Aufl.
1899
107. Carlyle,
Thomas: On symbol in Worship, 1853
108. Carlyle,
Thomas: On the office of the paraclete in the prayers of the
Church, 1853
109, Carlyle,
Thomas: The mosaic tabernacle in its Arrangement and worship,
as the type of the Christian
Church, 1901
110. Carlyle, Thomas: Der
taegliche Gottesdienst nach den Vorbild des Goldenen Altars und
seines Dienstes,2. Mose 30, 1888
111. Mickwitz, Karl von: Welt-
und Kirchengeschichte in der Bibel, Mit besondere Beziehung auf
Gegenwart 1904
112. Drummond,
Henry: Substance of lectures, delevered in the Churches, 1847
113. Drummond,
Henry: Remarks of the Ministry of Instruction in the Church,
1854
114. Andrews, W.W.:
The History and claims of the Body of Christians know as the
Catholic Apostolic Church 1886
115. Becker, F.W.: Die
Herrlichkeit des letzten Hauses
116. Heath, Edward: Ueber die
Gabe der Weissagung und uber die Aufgabe der Engel in Bezug auf
prophetisch begabte Personen, 1891
117. Geering, Emil (Coadjutor
m.d. Apostel) Waechter: eine Betrachtung
118. Boehm, C.J.T.:
Light and Shadows in the present Conditon of the Church, 1902
119. Taplin, E.O.: Die
geistlichen Zyklen und die Zehn Jungfrauen, 1854
120. Taplin, E.O.:
Gog und Magog. Aus eine
Belehrung in der Versammlung der sieben Gemeinden, London, 1855
121. idem, in het Duits
122. Taplin, E.O.: Neun
Vorlesungen ueber “Geistliche Gaben”, 1833
123. Taplin, E.O.:
The study of the Holy Sciptures, 1851
124. Taplin, E.O.:
Nine lectures on “Spirital Gifts”
| Geplaatst op: 12-04-2012 Alle plaatsings
rechten zijn overgedragen aan: Bauke Moesker /
apostolischekritiek.nl. Met voorbehoud van alle rechten
en weren |
|