Het ontstaan en verdwijnen van een

 

Kerkgenootschap
De katholiek Apostolische Kerk

 

APOSTOLISCHEOBSERVER.NL
VOOR NIEUWS EN HISTORISCHE ACHTERGRONDEN.

Index

Navigatie pagina

Disclaimer

Contact

Boeken

Anoniem reageren.

Archief

Zoeken binnen de site.
 


Centraal Kerk in Londen, Gordon Square. Deze werd op 24 December
1853 door Apostel Cardale ingewijd.

         Het ontstaan en verdwijnen van een

 

Kerkgenootschap
De katholiek Apostolische Kerk

 

 

 

J. Waerts                                                          2007

 

De publicatie rechten berusten bij:

apostolisheobserver.nl

 

2012

 

 

 

 

 

                       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                      

Van alpha tot openbaring

De opkomst en het verdwijnen van een kerkgenootschap.

 

Ter inleiding

 

Binnen de kerken werd, vooral na de tweede wereldoorlog, de roep naar eenheid, eucumene, sterker.

In 2004 vormden de Hervormde, Gereformeerde en Lutherse kerk de Protestantse Kerk Nederland, PKN, nadat zij eerder jarenlang “Samen-Op-Weg” waren gegaan.

Deze PKN leidde er echter ook toe dat enige plaatselijke kerken een eigen weg gingen, buiten de PKN om, en een eigen kerkverband vormden zoals de Hersteld Hervormde Gemeente. Op dit moment is alles nog niet in rustige banen,  en hoe het over enkele jaren zal zijn, is niet te voorzien.

Of deze PKN werkelijk gevormd werd uit de wil om eenheid, of afgedwongen werd door teruglopende ledenaantallen en dus een min of meer “economische noodzaak” was, zullen we buiten beschouwing laten.

Ook de kleinere gereformeerde gezindten hebben een eigen oecumenisch orgaan. Of dat zal leiden tot hereniging van deze kleine kerken, is de vraag. Zij hebben echter weinig op met de PKN.

Toch, de wil om een kerk te vormen, gelijk aan de uitspraak van Jezus, “Vader, ik wil dat ze één zijn”, is bepaald niet nieuw.

Bijzonder het pogen van enkele Engelsen om de eenheid binnen de kerken te bewerkstelligen, o.l.v. apostelen, verdiend juist in deze tijd de aandacht.

Deze groep vormden zich nadat er signalen ontvangen waren dat de kerk, de wil van God volgen moest. Of het ontvangen van die “boodschap”, herstel van de kerkeenheid, herstel van Israël, inderdaad een boodschap van God was, daarover zullen de meningen verdeeld blijven.

Hoe het ook zij, er waren in die tijd mannen, die gevolg gaven aan de boodschap die zij zeiden ontvangen te hebben, om daden te verrichten die naar Gods wil waren.

Zij vormden een apostelcollege, zoals in Jezus tijd er mannen waren die, nadat ze van Hem geleerd hadden, een apostelcollege vormden. Apostel de betekenis van het woord: Boodschapper (van God), Gezondene.

Deze Engelse apostelen wensten aanvankelijk geen eigen kerk te stichten. Hun doel was de bestaande kerken te herenigen onder apostolische leiding. Het was hun wens  om gehoor te geven aan de wil van Christus, om de eenheid binnen de christenheid tot stand te brengen..

2De christelijke kerken in die tijd, we spreken dan voornamelijk over de eerste helft van de negentiende eeuw, hadden nog een belangrijke invloed op het staatsgebeuren, en zeker in Engeland was dat het geval. Ook de functie van predikant of pastoor was een vooraanstaande, van aanzien en welstand.

Deze functionarissen zouden bij de hereniging van de kerken hun vooraanstaande positie mogelijk verliezen. In die tijd waren de kerken nog vol en het inkomen was verzekerd. Waarom zouden zij zich wagen aan een streven waarbij ze mogelijk hun positie en inkomen zouden verliezen.

Het streven van de Engelse mannen om dienstbaar te zijn aan de gehele christenheid, werd daarom niet geaccepteerd. Noodgedwongen verenigden zij zich in een eigen kerkorganisatie, waarbij echter het streven naar een herenigde kerk nooit werd opgegeven. Zelfs nu nog, terwijl de meeste leden gastvrijheid genieten binnen de bestaande kerkgenootschappen, is dat streven niet opgegeven.

Van hen, die zich bij hen aansloten, werd ook verwacht dat zij lid bleven van hun eigen kerk. Dat leidde tot merkwaardige situatie’s. In de ene kerk werd het geaccepteerd, in de andere niet. In het ene land werd het geaccepteerd, in de andere niet.

De Engelse apostelen verwachten niet dat zij van de aarde zouden worden weggenomen voordat de eenheid binnen de bestaande christelijke kerken tot stand was gekomen. Zij bleken echter net zo sterfelijk als ieder ander individu.  De laatste Engelse apostel overleed in 1901, en daarmee eigenlijk ook de kerk die zij gesticht hadden.

Zoals reeds aangegeven, tot op de dag van vandaag bestaan nog restanten van dit kerkgenootschap, vooral in Duitsland, maar ook in ons land. Naast Engeland was de grootste organisatie in Duitsland.

Het was ook daar, in Hamburg, dat een scheuring plaats vond. De strijdvraag  had betrekken op het aanvullen van het aantal apostelen dat inmiddels, 1863, overleden was. Toen een Duitse apostel ingezet werd, volgde een scheuring.

Uit deze Duitse tak zijn enkele apostolische kerken ontstaan, maar het unieke, het streven naar een eenheid binnen de bestaande kerken, is los gelaten. Het zijn kerken of kerkjes, geworden naast de andere kerken. Sterker nog de huidige streven naar een oecumenisch verband is aan hun “deur voorbij gegaan”.

 

Het wekt misschien verwondering dat het apostolische werk pas zeer laat, in 1867, in Nederland van start ging.

Kerkelijk Nederland had in de negentiende eeuw te maken met een aantal ontwikkelen die zozeer alles in beslag nam dat niemand er behoefte aan had om nog een “partij”, de katholiek-apostolischen, er bij te hebben.

Dat betekende echter geenszins dat dit werk, dat in Engeland begonnen was, hier onbekend was. Integendeel, al in een heel vroeg stadium was dat hier bekend en met name bij de Reveil-man Willem de Clercq die een groot bewonderaar was van Edward Irving.

Daarom zal ook de nodige aandacht besteed worden aan de kerkelijke ontwikkeling in Nederland in dezelfde periode als waarin de katholiek-apostolische gemeenten en met hen het oecumenische gedachtengoed, veld begon te winnen.

Het is geenszins de bedoeling ëen der kerkgenootschappen in een gunstiger daglicht te stellen ten opzichte van anderen. Onze wens is vooral aan te geven dat het streven naar oecumene niet nieuw is, dat er hobbels en obstakels waren en zijn die dat streven niet eenvoudig maken..

De bijbelcitaten stammen zoveel mogelijk uit de nieuwste bijbelvertaling, enkele citaten daargelaten.

Maar hobbels en obstakels kunnen uit de weg geruimd worden als slechts een wens van van Jezus vervuld wordt:

“Vader, ik wil dat ze een zijn”.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Apostelen en Reformatoren ...

                                         

 "Wij weten weinig over de beginperiode. Er word ons  iets verteld over het handelen van Petrus, Johannes en Paulus maar heel weinig over de andere apostelen.

 

Nog minder weten we over dat wat in de verschillen­ de gemeenten voorgevallen is toen ze gesticht werden.

Inderdaad, wij weten minder over de kerk uit het begin van haar geschiedenis dan we over het werk van de apostelen in deze tijd weten. Maar het is hetzelfde werk en draagt dezelfde kenmer­ken.

 

Het weinige dat we weten over de handelingen der apostelen is van het grootste belang.

Ongetwijfeld heeft God het in Zijn grote wijsheid nodig geacht het werk van de Oerkerk, om redenen die ons niet bekend zijn, voor onze ogen te verbergen.

Misschien gebeurde dat om ons erop te wijzen dat het apostolische werk niet afgesloten was maar, als de tijd gekomen zou zijn, voortgezet zou worden en wel door andere arbeiders, die Hij in Zijn wijngaard zou zenden."

 

Edward Trimen, Priester-Evangelist van de Katholiek-Apostolische Gemeente, 1890.

        

Maar toen de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon. (Gal. 4:4)

 

Nergens is in de Heilige Schrift te lezen dat enig ambt, na verloop van een bepaalde periode, zou kunnen vervallen. De Heer Jezus zelf sprak daarover: "Ga dus op weg en maakt alle volken tot mijn leerlingen door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten hou­den dat alles l wat ik jullie opgedragen heb en houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiïng van  deze wereld." (Matth. 28:19-20)

 

Toch, ondanks de vele vermaningen in het Nieuwe Testament, met name van apostel Paulus aan de verschillende gemeenten, om trouw te blijven aan datgene wat in het begin van de stichting der gemeente leefde; de eerste liefde, kwam het tot afval.

Nadat Jezus was gekruisigd, ingegaan in het Rijk der ontsla­pe­nen, opgestaan uit de doden, een korte tijd in een ver­heer­lijkt li­chaam op aarde had vertoefd om Zijn jongeren te onder­wij­zen, naar Zijn Vader is gegaan en het wonder­baarlij­ke pink­stergebeu­ren had plaatsge­vonden, toen was het niet zo moei­lijk.

"Zij bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar één gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed"  (Hand. 2:42).

Maar naarmate het aantal gemeenten groeiden begonnen er problemen te komen, er brak onrust uit. De Griekse gemeenteleden voel­den zich bena­deeld ten opzichte van de Joden omdat "hun groep bij de voor­bij dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld" (Hand. 6:2).

De apostelen besloten daarom  zich uitsluitend aan hun taak, het verkon­digen van Christus' leer, het brengen van het evan­gelie en het toebereiden van zielen voor het kindschap Gods, te wijden.

De dagelijkse beslommeringen werden overgelaten aan diakenen die daarvoor gezegend werden door handoplegging van de Apos­telen.

Nadat Paulus en Barnabas hun eerste missiereizen hadden gemaakt en gemeenten hadden gesticht uit prose­lietenen, "uit de heidenen", werden mannen geleerd om de gemeenten te leiden en te onder­richten in naam der apostelen.

Niet overal echter was het contact met de apostelen even sterk. Moderne communicatietechnieken, zoals wij nu kennen, waren er nog niet, brieven, gezon­den via koeriers, bleven soms maanden onderweg aleer ze door de geadresseerde ontvangen werden. De presbyters (voorgangers) moesten vaak beslissingen nemen en allerlei verkeerde ideeën bestrijden. De noodzaak van aposte­len werd niet overal meer even helder gezien.

Paulus moest zelfs zijn apostelschap verdedigen:

Zijn eerste brief aan de Galatiërs gaat daarover. Hij­ moest schrij­ven :"Het verbaast me, dat u zich zo snel  heb afwen­d van hem die u heeft geroepen en dat u zich tot een ander evangelie hebt bekeerd. Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel - ver­vloekt is hij" (Gal. 1:6-8).

Ook tegenover de Korinthiërs moest hij zich verdedigen: "Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet onze Heer Jezus Christus gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Heer? Ben ik voor anderen al geen apostel, ik ben het toch voor u" (1 Kor. 1-2).

Apostel Paulus moest waarschuwen tegen anderen die zich het aposte­lambt toeëigenden (Hfd. 11 en 12). Als Paulus voelt dat het einde van zijn werkzaamheid op aarde nadert schrijft hij aan Timotheüs: "Zoals je weet heeft iedereen in Azië zich van mij afgekeerd" (2 Tim. 1:15) en: "Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan, ze hebben mij allemaal in de steek gelaten" (2 Tim. 4:16).

Apostel Petrus beschreef al het verval van de eerste aposto­li­sche kerk (2 Petr. 2:4) en over valse leermeesters en sekten (2 Petr. 2:1). Deze gevaren dreigden niet van buiten­af maar vanuit de gemeenten.

Daarom ook kreeg apostel Johannes in de Openbaringen de raad de Zeven Gemeenten te waarschuwen voor de verkoeling. Ook de zevende gemeente, Loadicea, zinnebeeld voor het einde der tijden, is een christelijke gemeente. Maar de leden van deze gemeente waren rijk en verrijkt en behoefden niets meer ...

Waarom zou God dan nog apostelen schenken? Dit heilig ambt laten beledigen? God werpt geen parelen voor de zwijnen (vgl. Matth. 7:6) daarvoor is het apostelambt Hem te dier­baar.

Al vroeg begon het misverstand op te komen dat slechts zij het apos­telambt konden ontvangen, die met de Heer op aarde vertoeft hadden.

 

Na het ontslapen van de laatste apostelen in de oude tijd, bleef de kerk in de twee eerste eeuwen daarna, stabiel, d.w.z. vrij van staatsinvloed. Wel vonden er nog vele vervolgingen plaats, maar er waren ook tijden van relatieve rust.

De drie ambten, bisschoppen of engelen, presbyters (oudsten) en diakenen  waren de hoe­ders en be­stuurders van de plaatselijke gemeenten, hande­lende in naam en met volmacht der apostelen. Apostelen kunnen deze volmacht verstrekken voor een bepaalde handeling of periode, echter deze volmacht heeft slechts gel­dig­heid voor die handeling of in die periode, niet langer (zie Titus 1:5).

Toen het apostelambt verdwenen was, werkten de gemeenten nog lange tijd volgens de apostolische ordening, Bewondering kan opgebracht worden voor de bisschoppen die trouw bleven in het vervullen van hun ambt.

Maar door deze zonde, de verachting van het apostelambt, werd de kerk van het levende woord vervreemd. God kon niet meer werken door Zijn eerste knechten, de belangrijkste schakel was uit de ketting verdwenen.. Weliswaar werd over God en Zijn Zoon gesproken, werd een christelijk leven in regels en verordenin­gen vastgelegd, maar het levende geloof werd vervangen door leerregels die bewe­zen moesten worden en aan menselijke over­wegingen onderworpen. Alleen aan de apostelen was de opdracht gegeven om, in naam van hun Zender, ambtsdragers in te zetten. Van deze ambts­dra­gers werd verwacht dat zij vol geloof, vol liefde de gemeente zouden voor­gaan, kennis, verstandelijk inzicht was daarbij van secundair belang.

Geen enkele ambtsdrager, buiten apostelen, kan een andere ambts­drager inzetten. Niemand kan zeggen: "Tot dusver heb ik uit Chris­tus geput, nu kan ik het zelf wel. Tot nu toe ben ik door de apostelen gebouwd, nu kan ik mezelf wel opbou­wen."

Geen van de apostelen in Jezus tijd op aarde had theologie gestudeerd. Zij waren wat heden den dage “leken” genoemd wordt. Zouden de theologische geleerden van onze tijd de apostelen aangenomen hebben als zij in de tijd van Jezus op aarde geleefd hadden?

 

Nu het wakende eenheidambt verdwenen was, konden allerlei gnostische dwaalleringen de kop opsteken. Het kostte de kerk destijds enorm veel energie en het gevaar bestond dat, daardoor de verkondiging van het Woord, zoals het door Jezus en de apostelen geleerd was, in het gedrang kwam.

Het verkondigen van Christus’s wederkomst, de opstanding, moesten het afleggen tegen de verkondiging van de “ware leer” versus de gnosis. Daarbij werd ook de eenheid in de leer, het navolgen van de apostolische leer, geweld aangedaan...

Om een juist beeld te krijgen over de gebeurtenissen na het op­schorten van het apostelambt beschrijven we nu enige perio­den uit de kerkge­schiedenis.

In het schitterende en ontroerende hoogpriesterlijk gebed (Joh. 17) bad de Heer eerst voor hen (Zijn leerlingen) en toen voor allen die door hun woorden het geloof zouden aanvaarden, dat zij één zouden zijn, gelijk Hij met de Vader één is. Deze eenheid van de gelovigen, der kerk, is wat God behaaglijk is, maar die zonder apostelen niet bereikt kan worden. 

Enkele overblijfsels van de apostolische periode bestaan tot op de dag van vandaag nog, zoals de handoplegging, maar de gaven van de Heilige Geest waren teniet gedaan. De handen werden opgelegd zonder apostolische volmacht.

Zij ordenden dienaren in een ambt, maar het profetische licht was verdwenen en de inzettingen waren zonder apostolische kracht. Wel hadden de eerste bisschoppen  zelf deze ordening ontvangen, maar dat is niet automatisch door te geven, ook al gebeurde deze handoplegging vaak door tenminste drie bisschoppen.

Er naarmate de tijd verstreek, vergleed dat geloofsleven meer en meer af. Invloeden van buiten, met name uit de Hellenistische en Romeinse wereld, werden geabsorbeerd.

 

Er werd geroepen: hier is de Christus, of daar (Matth. 24:23) maar het eigen machtsstreven, het eerste viool spelen, stond voorop. Niet Christus werd meer gediend, men bediende zich van de Christus­naam.

Talrijk was het aantal gelovigen die, onder druk van dwang, God en Christus hadden verloochent, maar zodra de druk lichter werd, zich herinnerden godskinderen te zijn. Mochten zij opnieuw worden opgenomen, alsof er niets gebeurt was? Zo lagen er vele problemen.

Het stilaan verdwijnen van de gaven van de heilige Geest, met name in de tweede eeuw het profetenambt (maar het “uitdrijven van boze geesten”, het “bovennatuurlijk genezen van zieken” bleven nog lange tijd in zwang) was het uitblussen van de geest Gods, en verzwakking van het geloof.

Het was voor de bisschoppen gemakkelijker om de profetische  stem te laten verstommen, omdat ze geen ondersteuning meer hadden zoals van het apostolische ambt,  en zij niet in staat waren om de “geesten te beproeven”.

Juist dat stelde hen ook niet in staat om vreemde leringen, zoals het Montanisme  te voorkomen.

De bisschoppen “regeerden” slechts in hun eigen bisdom en hadden geen gezag buiten hun eigen gebied. Vaak stond de ene bisschop tegen de andere op en het gebeurde ook wel dat een geheel bisdom, door toedoen van de bisschop, besmet was geraakt met dwaalleringen.

 

Z.g. concilies ontaarden in scheldpartijen en z.g. tegenconcilies en hadden in geen enkel opzicht een overeenkomst met de concilie o.l.v. de apostelen, zoals dat beschreven staat in Handelingen.

Maar, alsof dat alles nog niet genoeg was, brak de tijd aan van keizer Constantijn. Deze zag de “macht van het christendom” toenemen en een geweldige stroming worden binnen zijn rijk. En hoewel Constantijn geen christen was, pas kort voor zijn dood liet hij zich dopen, kon hij wel zijn wil opleggen. Het christendom garandeerde een zekere mate van stabiliteit en rust in het geweldige rijk. Hij neemt meteen het heft in handen, organissert het Concilie van Nicea (325) en zit zelf de vergaderingen voor. In zijn ruimtelijk geweldige rijk voert hij o.a. de zondag als rustdag in. Voor die tijd was de viering van de geheiligde dag verschillend. Eendeels werd de aloude sabbathdag (zaterdag) aangehouden, anderzijds de zondag als de eerste dag na de sabbath. Door zijn optreden, w

waarbij ook het heidendom bestreden werd, werd het christendom in een maatschappelijke dwangbuis geplaatst.

 Als ruil voor deze medewerking aan de belangen van Constantijn verkreeg de toen heersende paus Sylvester wereldse macht.

 

Hoe was dat pausdom ontstaan? Al vroeg eiste de Opziener van Rome, omdat hij zetelde in de stadstaat met destijds de grootste politieke macht, gehoor­zaamheid aan hem en noemde zich de rechtstreek­se opvol­ger van apostel Petrus. Echter, noch Linus (67-76), noch Ana­cletus (76-88), noch allen die na hen kwamen (de huidige paus is de 265ste) hebben het apostelambt ontvangen en daarom één van de ga­ve van het apostelambt, het bewaren van de een­heid, kunnen bewa­ren.

 

Thiersch, één van de voormannen  van de kathoiliek-apostolische gemeenten in Duitsland , schreef hierover: “Niets is karakteristiker dan het geschrift van de verblinden Eusebius van Cesarea. Hij schildert het gastmaal waarbij de grote Constantijn alle militaire pracht van de keizerstroon voor de vaderen van Nicea ontvouwde. Het was hun alsof Christus zelf, omgeven van het Rijk Zijner heerlijkheid, in hun midden gesteld was. Basilius, genoemd de grote bisschop van Cesarea in Capadocië, schetst het volgende beeld van de kerkelijke toestand in de vierde eeuw (hij stierf in 379): maar helaas Gods kerk bevindt zich in een treurige toestand; ik weet niet hoe ik haar zal beschrijven. Haar gesteldheid komt mij voor alsof wij in een verschrikkelijke zeeslag waren en onder hevige stormen en donkere dreigende wolken de verwarring algemeen is geworden. Men kan vriend en vijand niet meer onderscheiden en de vrienden zelf vallen elkaar aan. Men ziet noch acht de opgeheven tekenen meer, onder het geraas hoort men de stem van de bevelhebber niet meer, als het schip al gaat zinken vechten zij er nog om, wie bevelhebber daarop zal zijn, zonder zich om hun nood en gevaar verder te bekommeren. Er zijn overlopers naar de vijand genoeg, zodat niemand zich meer op een ander verlaten kan. Zo gaat het toe in de kerk van God, vooral sedert de ariaanse scheuring uitgebroken. Louter onrust, openlijke en heimelijke vijandschap. Indien uw vijand u niet treft, vermoordt u degene die u moest bijstaan. Een verschrikkelijk gekerm en geschreeuw onder elkaar, het ene gedeelte wordt Joods en maakt de personen tot een, het andere gedeelte wordt heidens en dat verdeeld het goddelijke wezen. Zij laten zich noch door de Schrift, noch door de overlevering beraden. Een ieder wil theoloog zijn, ook met het meest bezoedelde geweten. Men verleidt elkander tot dezelfde dwalingen en men laat zich verleiden. Men werft voor elkander, helpt elkaar zonder op bekwaamheid tot hogere kerkbedieningen te letten, of drijft elkander met geweld uit. Ook gehoorzaamt het volk niet maar bij zulk een verwarring, en iedereen doet en denkt en gelooft wat hem of haar goed dunkt. Er hier moeten we denken aan de jongeren in Babylon, die, waar niemand het met hen wilde houden om de waarheid trouw te blijven, tot in de vurige oven hun plicht deden, hun lied zongen en God loofden.”

 

De apostelen erkende in de overheid een goddelijke instelling (Rom. 13:1-) om orde en recht te handhaven en maanden de gelovigen de overheid te gehoorzamen, naar de mate waarin de overheid ook gehoorzaamde aan Gods geboden (Geef de keizer wat des keizers is). Daarom zei apostel Petrus ook: “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen” (Hand. 5:29). De apostelen maakte een strikte scheiding tussen kerk en staat. Zij wensten geen begunstiging, maar ook geen vervolging van de zijde van de staat. Zelfs werd geboden om aan de wereldse overheid geen weerstand te bieden en zijzelf gaven het voorbeeld (zie Hand. 5:40--).

Deze houding werd opgegeven toen de bisschoppen vrijwillig Constantijn gelegenheid gaven om zich in kerkelijke zaken te mengen, en zij hebben in ruil daarvoor wereldse macht ontvangen. De bisschoppen stonden ook zwak tegenover de overheid, door hun onderlinge verdeeldheid, totaal anders dan de eenheid waarmee de eerste apostelen hadden opgetreden.

De eerste grote kerkscheuring deed zich voor. Toen de bisschop van Rome zichzelf opwierp als paus, verzetten de kerken in het Oosten zich heftig tegen dat primaatschap. De (Rooms)-katholieke kerk deed zijn intrede, in het  Oosten bleven dat de orthodoxe kerken die echter in de loop der eeuwen ook sterk met de staat verweven raakte.

Zowel in het Westen als het Oosten werden de kerken verlengstukken van de burgerlijke maatschappij.

 

Toch bleef het verlangen naar het verlorene, de verwachting van de wederkomst van Jezus en de hoop op het duizendjarig vrederijk aanwezig. Er bleven mensen die de wereldse macht en het heersende nepotisme in de kerk veroordeelden. Er werd ook gewerkt om de oppermachtige Rooms-Katholieke kerk weer terug te brengen tot het apostolische christendom. Enige mannen die getracht hebben om dit te berei­ken willen we nader beschrij­ven. Zij hebben de weg ge­baand voor het werk dat de Heer weer in de oorspronke­lijke toe­stand wilde herstellen. Door alle eeuwen hen zijn dat er velen geweest en daarom kunnen hier slechts enkelen beschreven worden, waarbij niet nauwkeurig een chronologische volgorde zal worden aangehouden.  .

 

Een man die in Nederland gewerkt heeft maar ook in het buiten­land bekend was, was Geert Grote van Deventer (1340-20 augustus 1384). Hij leefde in een tijd waarin de "zwarte dood", de pest, heer en meester was, ook was het een tijd van verwoestende oorlo­gen. Rond 1375 voerden de steden Kampen, Deventer en Zwolle strijd tegen allerlei edelen die meenden recht te hebben op het gebied.

Volgens de overleveringen zou Grote lichamelijk zwak zijn ge­weest, maar des te intelligenter. Op 15 jarige leeftijd stu­deerde hij filosofie en theologie in Parijs, werd later te Keulen leraar in het kerkelijk recht maar was daar ook bezig met magie. waarmee hij echter volle­dig brak toen hij ca. 1374 een innerlijke beke­ring voelde. Daarna leefde hij enige tijd in het Karthuizerkloos­ter Munnik­huizen bij Arn­hem.

Grote heeft veel geschreven en juist dat bracht hem in con­flict met de kerkleiding. In zijn "Conclusa" keerde hij zich tegen de weten­schap die van het doel afvoert, het recht dat van de gerech­tigheid afwijkt, tegen de theologie die niet tot God leidt maar alleen de theologen roem verschaft.

 

Hij schrijft tegen de "geneeskunde" die door vele kwak­zal­vers bedreven werd en die veel schade veroorzaakte. Zijn kritiek was hard. Dat bracht hem verschillende malen in een lastig parket. Niet alleen de kerkelijke leiding leest hij de les, ook de burgerlijke overheid. Van beide kanten kwamen dan ook tegenacties.

Geert Grote wilde het vuur van het vroege christendom terugbrengen in de kerk. De eerste weg terug tot God voelde hij in de dee­moed waardoor het weer mogelijk zou zijn om Gods stem te verne­men. Reinheid van hart, armoede naar de geest, was zijn motto.

In zijn boek "Zedelijke toespraak" schrijft hij: " Reynt­cheit van herten en kan niet ghesijn sonder ynnicheit van herten ende vrien­delicheit des herten, die sijn alte nae overeen".

Bij Grote hangt elke menselijke vaardigheid af van de mate waarin Christus nagevolgt wordt. Het hebben van bezittingen is alleen dan goed, als dat door de geordende liefde (cari­tas ordinata) meewerkt aan het heil der ziel.

Er is bij Grote sprake van een sterke vermenging van wereld­se en religieuze motieven. Deze vermenging  vormt dan ook het het ideeëngoed van de Moderne Devotie (Devotio moderna).

Dit streven, zich met het diepste wezen in overeenstemming te brengen, met het hele evangelie en het leven van Chris­tus, be­wijst een diepe verbondenheid met de oorspronkelijke aposto­lische kerk.

Vaak staan zijn uitspraken, neergelegd in zijn geschriften, in sterk contrast met het beleid en het bestuur van de toenmalige bisschop­pen maar nimmer twijfelt Grote aan de juistheid van de sacra­mentele handelingen in de kerk. De wetenschap die opbouwend is beschouwd hij als nuttig "voor de apostolische dienst". Van de priesters eist hij, behalve een onzelfzuchtig streven, een heilige kennis (scie­ntia dei) want "de zielsverzorging is de grootste kunst".

Grote wilde ook de kloosters hervormen waarbij hij vooral de de propietarii,  die midden in het klooster prive-eigendom genoten en daardoor een gemeenschappelijke leven van sober­heid in gevaar brachten, bestreed.

Wat betreft de wereldlijke geestelijkheid verwierp hij het huren of kopen van een priesterambt/parochie om van de op­brengst der offers (pfuenden) te leven, zonder zich om ziels­zorg te bekomme­ren. In zijn roemruchte en heftige prediking in de Utrechtse Dom (1383) ging hij tekeer tegen de z.g. Focaristen. Dit waren gees­telijken die voor het Concilie van Trente zo genoemd wer­den omdat zij zich niet hielden aan de celibaatsverplich­ting. In sommige tijdperken, b.v. vlak voor de Reformatie, behoorden waarschijn­lijk het meren­deel van de geestelijken hiertoe.

Gerhard, een vriend en medestrijders van Grote, verdedigde de waardigheid van het priesterambt, maande de bisschoppen de Foca­risten te bestraffen en raadde de leken aan diensten die door Focaristen geleid werden, niet meer te bezoeken. Door deze tirade werd Grote's preeklicentie ingetrokken en hij heeft deze nooit meer terug gekregen.

Voor de bewoonsters van de begijnenhuizen te Deventer ver­taal­de Grote de urengebeden in het Nederlands zodat ook leken daarbij konden meebidden.

Nieuw was ook bij Grote de terugkeer tot het oorspronkelijke christendom in zijn opvatting over het gemeenschappelijke leven. De bron der eenheid onder alle mensen is de algemene liefde. Van de kant van God werd Christus gezonden met Zijn liefde voor alle mensen, daarmee de individuele liefde overstijgend om zich volledig als offer voor de mensheid aan te kunnen bieden. "Hoe mach nu Christus iets beholden van sijnre over­vloediger minne, dat hij de minnenden sielen, die daer toe bereidet is, nit medeen dellet" (Zedelijke toespraak).

De liefde is de sleutel tot het leven, in het huwelijk en in het klooster. Een belangrijk onderdeel van het gemeenschap­pe­lijke leven is de soberheid, zonder welke de gemeenschap haar doel niet berei­ken kan en dat het belangrijkste getui­genis is van de navol­ging van Christus. Prive-eigendom brengt onvrede en strijd.

Geert Grote verwijt in zijn traktaat "Contra turrim Trajec­tum" de kerk, dat het geld voor de bouw van de Utrechtse Dom in feite van de armen gestolen is.

In de lijn van de "moderne devotie" stichtte hij voor mannen en vrouwen huizen voor de Broeders en Zusters van het Gemene Leven. Ook bereidde hij de stichting van een klooster, naar het model zoals hij het voor ogen had, te Windesheim voor.

Door zijn predikreizen wilde Grote in contact komen met het volk om ze tot persoonlijke bekering op te wekken.

 

Een andere bekende schrijver, Thomas a Kempis, beschreef hoe hij als boeteprediker optrad n.l. door met een beeld van het jongste ge­richt en met de hel dreigend, angst inboezemende maar daar­bij ook de mensen oproe­pend om Gods geboden te houden en de werken der barmhartig­heid uit te oefenen. In zijn "Zedelijke toespraak" is hij milder en schrijft over de ge­rechtigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest (vgl. Gal. 5:22). Zijn predikaties hadden een grote toeloop.

 

Een voorloper van Geert Grote van Deventer zien we in Fran­cis­cus van Assisi (1181-1226).

Franciscus was de zoon van een lakenkoop­man en daardoor zeer welge­steld. Hij leefde dan ook een zor­genloos en onbekom­merd leven, had een reputatie als losbol, tot ook in zijn leven een ommekeer plaatsvond (1206) en hij zich ging wijden aan het ideaal van de totale armoede. Dat gebeurde nadat hij lange tijd ziek was geweest en zich in de beslotenheid van een klein kamertje reali­seerde hoe betrekkelijk het aardse leven was.

Aanvankelijk gaat hij op de oude voet verder, maar op een avond, terwijl hij en zijn vrienden weer eens een bacchinaal feest vie­rde, werd hij  'door de Heer bezocht", zoals zijn biograaf schreef. Hij verviel tot eenzaamheid en maakte lange ritten te paard door de uitgebreide bossen in zijn geboorte­omgeving. Tijdens zo'n rit komt hij oog in oog te staan met een melaatse. Hij helpt deze omdat hij daarin de hand van God ziet, maar raakt zelf ook besmet. Met de dood voor ogen schreef hij: "Zo heeft de Heer mij, broeder Fran­ciscus, gege­ven het leven in boete te beginnen. Want toen ik in zonde was, scheen het mij ondraaglijk bitter toe melaat­sen te zien. En de Heer heeft mij onder hen gebracht en ik heb hen barmhartig­heid bewezen."

Een andere keer komt hij langs een vervallen kerkje. Een stem in hem zegt hem dat hij dit Huis van God moet herstel­len. Hij stelt al het geld dat hij bezit daarvoor beschik­baar, alleen moet hij dat de priester opdringen omdat deze wantrouwig staat tegenover Francisus die hij nog kende uit de verhalen over diens schandelijke leven.

Arm en vermagerd door het strenge vasten keert hij naar zijn geboorteplaats terug. Zijn vader is woedend over het ver­spilde geld en omdat hij wel inziet dat zijn zoon de zaak niet zal overnemen. Franciscus verlaat Umbrië en trekt de bergen in. Twee jaar ver­blijft hij daar. Hij is dan 26 jaar, predikt overdag in Assisi, maar trekt s'avonds weer de bergen in.

In Assisi is meestal spot zijn deel maar toch zijn er enke­len die zich bij hem willen aansluiten. Zo ontstaat een kleine gemeen­schap. Al zijn volgelingen, over het algemeen oorspron­kelijk welgestelde mannen, delen hun geld uit en leven voort­aan in armoede. Ze leven eenvoudig en lijden honger maar in hun hart brand een liefde voor God en een apostolishe levenshouding.

Zoals in die tijd gebruikelijk was trok hij met een groep­je volge­lingen naar Rome om aan de Paus toestemming te vragen voor zijn plan tot stich­ting van een nieuwe kloosteror­de.

Deze toestemming verkreeg hij van Paus Innocentius in 1209-1210 en hieruit ontstond de Orde der Minrebroeders. Het aantal volge­lingen groeide snel. Franciscus stuurde ze allen uit naar landen in Europa. Zelf ging hij in 1219 naar het Oosten waar hij predik­te voor de Sultan van Egypte.

Onder leidinng van Clara Favarone ontstond ook een vrouwe­lijke tak van de orde.

Door zijn leven heeft Franciscus een grote invloed uitgeoe­fend op de zeden van zijn tijd die grotendeels bestond uit heb­zucht, eigenwaan en oorlog.

 

John Wycliff (ca. 1320-1384) werd geboren in het plaatsje Wycliff (waarnaar hij dus genoemd is) bij Yorkshire. Hij kwam uit een adelijke, maar verarmde familie, studeerde theologie en filosofie in Oxford. Hij blonk bijzonder uit in bijbelexegese (uitleg) en was een expert op het gebied van het kerkelijk recht. Daarom werd hij in 1374 ook lid van de Engelse delegatie die in Brugge vredesbespre­kingen met Frankrijk voerden. Tevens werd daar ook gepraat met afgezanten van de paus over kerkelijke hervormingen in Enge­land en het recht dat de curie (pause­lijke "overheid") zou hebben op de inkomsten uit de kerke­lijke goederen in Engeland.

Het stak de Engelsen n.l. behoorlijk dat deze inkomsten naar Avignon (waar de paus in die tijd zetelde) gingen en indi­rekt ten goede kwam aan de Franse aartsvijand.

In Brugge sloot Wycliff met hertog John of Lancaster, een vriend­schap waar hij vooral later veel aan zou hebben. Wycliff was voorstander van scheiding tussen kerk en staat.

Hij bestreed de wereldse macht en het aardse bezit van de kerk. Ook had hij het niet begrepen op de monnikenorden die grote invloed hadden in sommige delen van het land. Natuur­lijk konden vijandschap niet uitblijven.

De bisschop van Londen opende een proces tegen Wycliff maar had er niet op gerekend dat Wycliff enorme bijval kreeg vanuit de adel en de burgerij.

Ook de pauselijke bullen, uitgevaardigd door Gregorius XI in 1377 en de veroordeling van 18 stellingen van Wycliff, resulteerden geen effect.

Inmiddels was hertog John of Lancaster, regent geworden over de zeer jonge koning Richard II. Hij hield Wycliff voortdurend het hand boven het hoofd.

Toch moest deze zich voor de aartsbisschoppelijke rechtbank verant­woor­den (zijn vijand, de bisschop van Londen was inmiddels aartsbis­schop geworden) maar ook nu was het weer de steun van de bevolking die Wycliff redde. Het bleef bij een waarschuwing.

Al deze acties van de wereldse geestelijkheid hadden een ave­rechtse uitwerking op Wycliff. Steeds sterker werd zijn over­tui­ging dat alleen de Heilige Schrift als norm van het geloof gold en dat het pausdom daarmee niets te maken had. Hij vocht voor een Engelse kerk, onafhankelijk van Rome.

Priester behoorden volgens Wycliff geen bezittingen te hebben, slechts te dienen en te prediken, daarin dezelfde gedachten volgend als Franciscus.

Hij zond priesters uit die, twee aan twee, blootsvoets en met een staf in de hand door het land trokken. De paus noemde deze arme predikers "Lollarden". Deze naam werd gering­schat­tend gebruikt voor "ketters" en staat in verband met "lollen", een oudvlaamse verbas­tering voor prevelen.

Wycliff vertaalde ook het Nieuwe Testament in het Engels. Een vriend, Nicolaas van Hereford, vertaalde het Oude Testa­ment. Daarnaast schreef Wycliff vele wetenschappelijke verhande­lin­gen in het Latijn en Engels maar ook gemakkelijke, voor het volk bestemde, preken.

Nadat paus Gregorius was vervangen was door Urbanus VI nam Wy­cliff aanvankelijk een afwachtende houding aan. Maar ook de nieuwe paus werd een teleurstelling voor hem.

Allengs nam de invloed van Wycliff onder het volk toe. Echter, de boerenopstand van 1381 had een ongunstige uitwer­king.  De oorzaak van de opstand werd de “Lollarden” in de schoenen ge­scho­ven. Zij zouden met hun predikaties over gelijkheid bij God voor iedereen de ontevredenheid hebben aangewakkerd.

Bovendien had Wycliff een brochure geschreven over de trans­sub­stantie-leer. Hij schreef in "De Eucharistia" dat brood en wijn, ook na de afzondering (consecratie) brood en wijn ble­ven. De gelovigen ontvangen slechts geestelijk het li­chaam en bloed van Christus. Later zou dit vraagstuk een bitter­e verwijdering tot stand brengen tussen Luther en Zwingli, nu greep de aartsbis­schop van Canterbury deze zaken gretig aan om Wycliff een beslis­sende slag toe te brengen. In 1382 riep hij een synode bijeen om een aantal van Wy­cliff's stellingen als ketters te laten veroor­delen. Van de Koning en het Hogerhuis kreeg Wycliff, na de boe­renopstand, geen steun meer.

Wycliff verliet Oxford en trok zich terug in zijn pastorie in Lutterworth. Dank zij de bescherming die hij toch nog van vele vrienden genoot, zoals van de al genoemde. John of Lancaster, kon hij daar ongehin­derd de laatste jaren van zijn aardse leven slijten. Het aantal verhandelingen dat hij schreef waren 95 in de La­tijnse en 65 in de Engelse taal.

Door allerlei oorzaken, de “Lollarden” begonnen o.a. ook op econo­mische hervormingen aan te dringen, kwamen zij later in scherpe botsing met de wereldse overheid. Door de koningen Hendrik IV (1399-1413) en Hendrik V (1413-1422) werden zij vervolgd, voor de inquisitie gebracht en uitgemoord.

 

De Waldenzen zijn genoemd naar Pierre Valdes uit Lyon die in 1173 een z.g. apostolisch leven van armoede wilde gaan leven, waren vanuit Frankrijk naar de Bohemen ge­vlucht en oefenden invloed uit onder de eenvoudige gelovigen.

Door een vorstelijk huwelijk (prinses Anna, dochter van Keizer Karel IV, koning van Bohemen en Richard III van Engeland) was er druk cultu­reel verkeer tussen Engeland en de Bohemen. Vele Bohemen gingen in Oxford studeren en maakte kennis met de leer van Wy­cliff. Zo ontstond in de Bohemen een vruchtbare bodem voor een hervorming.

 

Johannes Hus was de hervormer van Bohemen. De eerste predi­kers in Bohemen waren Cyrillus en Methodius, zendelingen uit de negende eeuw die ook wel de "apostelen der Slaven" ge­noemd werden en die ook de grondleggers waren van het z.g. cyrilli­sche schrift), dus niet uit Rome maar uit het Oosten. Zodoen­de werd daar oor­spronke­lijk het Heilig Avondmaal anders ge­vierd en was de prediking in de landstaal. Later werd ook Bohemen aan de paus onderworpen.

Hus werd op 6 juli 1360 geboren. Hoewel van lage afkomst bracht hij het tot professor in de filosofie in Praag, tevens was hij daar prediker in de Bethelemskerk. Door  zijn vriend, de ridder Hierony­mus, leerde Hus Wycliffs werk kennen. Door zijn buitengewo­ne rede­naarstalent en predi­king stroomde het volk toe.

Hus werd o.a. de biechtvader van koningin Amalia. Ook binnen de hogeschool had Hus grote invloed. Weliswaar had de hogeschool bij meerderheid van stemmen de stellingen van Wycliff als ketters veroordeeld doch dat kwam omdat 3/4 van de studenten Duitsers waren. Koning Wenceslaus draaide echter de zaak eenvou­dig om. Duizenden studenten vertrokken uit Praag naar Leipzig. Hus werd rector aan de universiteit en de aartsbisschop van Praag stelde hem aan als synodaalprediker.

Hoe sterker Hus aanhang en invloed werd, des te erger werd de haat en nijd van de geestelijkheid. Hus had hen tot boete opge­roepen en hun geldzucht en halsdaden verweten. Toen hij dat alleen nog voor de leken en de lagere geestelijkheid deed liet men hem begaan. Toen hij echter ook de clerus ging voor­houden hoe te leven, door zelf­verloochening, veranderde de zaak.

De aartsbisschop. nu zijn grootste vijand, vroeg en kreeg toestemming om de boeken van Wycliff te verbranden. Hus kreeg een preekverbod. Hij ging echter ongestoord verder met preken in de Betlehemskerk onder het motto: “Men moet God meer gehoorzamen dan de men­sen”. Aan de paus schreef Hus dat de Heilige Schrift het hoogste richt­snoer en rechter was.

Toen de paus de koning van Napels, niet kon overwinnen vaar­digde hij een kruistocht uit met de belofte dat een ieder die zou vechten tegen de vijanden van de paus, een aflaat zou ontvangen.

Hus keerde zich tegen dat schandelijke machtsmisbruik. Christenen tegen christenen is een zonde, en Christus alleen is de ware hoek­steen en Hoofd der kerk. Wanneer het bevel van de paus in strijd is met de liefde van Christus, dan is de paus een anti­christ.

Hus werd in de ban gedaan. Ook de stad Praag werd gestraft: de klokken mochten niet meer luiden, geen godsdienstoefening meer gehouden worden, geen huwelijk ingezegend, geen doop, geen Avond­maal zolang Hus in Praag verbleef. Door dat alles wilde de koning Hus niet meer beschermen. Deze trok zich terug op een burcht van een vriend in Bohemen. Daar schreef hij vele brieven aan zijn geliefde gemeente.

 

Niet alleen in Bohemen  werd er geklaagd over de verloede­ring aan het Roomse hof. In die tijd waren er drie pausen die el­kaar over en weer vervloekten in naam van Christus.

Keizer Sigismund droeg één der pausen op om een algemene kerk­ver­gadering te beleggen om de eenheid te herstellen. Deze vond in 1414 in Konstanz plaats. Het werd een waar spektakel. Aan het hoofd stond keizer Sigismund, naast hem afgezanten van vele koningen, 4 keurvorsten, 24 hertogen en vorsten, vele gra­ven, baronnen en edelen uit alle landen. Naast deze wereldse verte­genwoordiging was de geestelijkheid. Behalve paus Johannes XXIII, 4 patriarchen, 30 kardinalen, 33  aartsbis­schoppen, honderden bisschoppen, enz.

Soms waren er niet minder dan 6000 bij elkaar. Op dat concilie, dat vier jaar zou duren, zou ook Hus berecht worden.

Sigismund zond Hus een vrijbrief om naar Konstanz te komen en hij vertrok op 11 oktober 1414 uit Bohemen, vergezeld door vele ridders. 3 November kwam Hus in Konstanz aan. Vier weken ge­beurde er niets. Maar in die weken zaten zijn tegenstan­ders niet stil. Op 28 november werd Hus door afgezanten van de kardi­nalen gevan­gen genomen. Keizer Sigismund was te zwak om iets te kunnen ondernemen. Van paus Johannes was er ook niets te ver­wachten. Deze man was eerst zeerover geweest en werd door omkoperijen paus. In 1415 werd hij afgezet.

Hus werd gevangen gehouden in een Dominicaans klooster in een kerker die grensde aan een riool. Hij werd er ernstig ziek. Tot juni 1415 bleef Hus daar, toen mocht hij eindelijk voor de vergaderde concilie komen (5,7 en 8 juni 1415).

Hus verklaarde bereid te zijn om alles te herroepen zodra men zijn stel­lingen aan de hand van de heilige Schrift zou kunnen weerleg­gen. Dat was uiteraard niet mogelijk. Hus mocht alleen zichzelf schuldig verklaren en zich onderwer­pen. Toen hij dat weigerde ontstond een woest tumult en Hus bleef verder zwij­gen.

Op de derde dag werden de 30 "ketterse" stellingen van Hus voor­gelezen. Er werd hem o.m. verweten geen eerbied te hebben voor het Heilig Avondmaal, aan te zetten tot revolu­tie en verzet tegen de geestelijkheid te plegen. Hus weigerde om ook maar iets te herroe­pen.

Het eindoordeel zou vier weken later geveld worden, hoewel de keizer hem het liefste meteen op de brandstapel had gebracht. In die vier weken kwamen verschillende delegaties van kardi­na­len en bisschoppen bij Hus op bezoek om hem te smeken toch te herroe­pen. Op 6 juli 1415, de verjaardag van Hus, zou het oordeel val­len.

Hus werd uit het geestelijk ambt gezet. Het geestelijk ornaat waarmee hij bekleed was werd onder verwensingen van zijn li­chaam gerukt en een met duivelskoppen beschilderde muts werd hem opge­zet, hij werd naar buiten geschopt, en naar de brandstapel ge­bracht.

De verbranding van Hus zette kwaad bloed. Toen een kruis­tocht tegen de Hussieten werd verloren (bij Taus, 14 augus­tus 1431) begon het Concilie van Bazel te onderhandelen. Hierdoor werden de Hussieten in twee kampen verdeeld, in een gematigde en een stren­ge richting. De laatsten verwierpen de leer van het vagevuur, het vereren van heiligen, de beeldendienst enz.

Omdat ze hun steunpunt in de vesting Tabor hadden werden ze Tabo­risten genoemd. De gematigden wilden o.m. dat bij de vie­ring van het heilig Avondmaal de kelk ook aan leken uitge­reikt zou worden.

Op het Concilie van Basel kwamen de twee partijen tot elkaar (30 november 1433). De Rijksdag van 1512 stond aan de Hus­sie­ten en Rooms-katholieken gelijke rechten toe. Toen de Hervor­ming veld won keerden een deel van de Hussieten tot de "moe­derkerk" terug, een ander deel volgde de Reformatie.

In februari 1993 werd een commissie van Tjechische bisschop­pen in het leven geroepen met de opdracht de nagedach­tenis van Hus te rehabiliteren.

 

Vanaf het Europese vasteland maken we nu weer even een overstap naar een reformator uit Schotland.

John Knox (geb. tussen 1513-1515, overl. 1572) ontving een wij­ding binnen de Rooms-katholieke kerk doch koos onder in­vloed van een vriend, George Wishart, voor de Reformatie. In 1546 werd hij veroordeeld tot de galeien in Frankrijk. Na 19 maanden kwam hij vrij en werd Royal Chaplain bij koning Edward VI te Londen. Daar bestreed hij alle Roomse over­blijfselen in de Engelse kerk. Na de troonsbestijging van Maria Tudor week Knox uit naar het continent en werd in Genevè een vurig volge­ling van Calvijn.

 

Zwingli werd geboren 1 januari 1484 te Wildhaus. Hij kwam uit een welge­stelde familie waarin ook geestelijken voorkwa­men. Hij stu­deerde te Bazel, Bern en Wenen wijsbegeerte, werd le­raar te Bazel en was een vereerder van Erasmus. Verder heeft hij als veldprediker aan de Italiaanse oorlogen deel genomen.

Omdat Zwingli zo vasthield aan de Heilige Schrift ontdekte hij zeer veel van tegenstrijdigheden tussen het Nieuwe Testament en het handelen van de kerk. Zwingli werd naar Einsiedln beroepen, een plaats waar jaarlijks duizenden bedevaartgangers heentrokken om aflaat te vinden.

Steeds meer ging Zwingli twijfelen aan het pausdom. Hij verkondigde slechts de leer van Christus en het Kruis.

Op 1 juni 1519 hield hij zijn eerste preek in de Domkerk te Zu­rich waarheen hij beroepen was. Hier verklaarde hij zijn be­sluit om de bijbel hoofdstuk voor hoofdstuk door te lezen, te beginnen met het Mattheus-Evangelie. Zurich was een vrij­staat. De paus zocht de gunst van Zurich en daarom kon Zwingli vrij zijn gang gaan. Hij ontving zelfs een jaargeld van de paus van fl. 50,-- voor de aankoop van boeken. Toch liet Zwingli zich niet omkopen. Evenals Luther ijverde hij tegen de aflatenhandel, het vasten, het celibaat, de verering van heili­gen en beelden en de bedevaarten. Tegen het eind van 1519 kwamen er wekelijks 2000 mensen naar zijn prediking luisteren.

Er werd hem verweten Lutheraan te zijn maar het was zijn ge­woonte om te zeggen: Ik spreek als Paulus, waarom noemt men mij niet Paulinisch. Ik predik het woord van Christus, waarom noemt men mij geen christen? Luther is een voortref­felijk strijder Gods, zijn aanval op de paus is terecht. Maar wie verricht deze daad? Luther of God. Vraag het aan Luther zelf, zeker zal hij zeggen: “God".

In 1519 was Zwingli de dood nabij, maar toen tijdens zijn afwezigheid in Zurich de pest uitbrak, waarbij 2500 mensen overleden, ging hij erheen om te helpen.

In Zürich trad de aflaatprediker Bernhard Samson nog bruta­ler op dan Tetzel. Zwingli veroordeelde hem. De stad werd voor Samson gesloten. In de hele Bond van Zwitserse kantons werd nu de aflaa­thandel verboden en de paus gaf bevel om terug te trekken. Onder Zwingli's invloed werd er door velen geen vas­tentijd meer in acht genomen en de overheid zag zich ge­dwongen een openbaar dispuut uit te schrijven dat plaats vond in janu­ari 1525 te Zürich.

Er waren ca. 600 personen  waaronder vele hoge geestelijken. Zwingli vroeg hen die hem in Zwitserland voor ketter en op­roer­ling hadden uitgemaakt, naar voren te komen. Men zweeg. Toen besloot de raad, omdat Zwingli niet  tegen gesproken werd, dat hij mocht doorgaan met prediken en dat de overige geeste­lijken alleen mochten prediken wat is overeenstemming was met de heilige Schrift.

Voor het dispuut had Zwingli 67 stellingen neergelegd die kunnen worden gezien als de eerste grondslag voor de Hervor­ming in Zwit­serland. Na het dispuut voegde hij er nog zo'n 300 bladzijden aan toe als geloofsbelijdenis.

In de herfst van 1523  vond een tweede dispuut plaats, met name over de beeldenstormers. Zwingli veroordeelde het. Niet de schil­derijen en beelden zijn verkeerd, integendeel, dat zijn kunstzinni­ge uitingen, maar het bijgelovig vereren ervan is fout.

Zwingli kreeg opdracht een "Korte en christelijke inleiding tot de christelijke leer" te schrijven waaraan alle predi­kers zich te houden hadden. Een nieuwe kerkorde werd inge­voerd waarin de beel­den, zelfs de kruizen, uit de kerken werden verwijderd, de orgels verwijderd, de muren met wit­kalk bedekt, de altaren afge­broken en de mis afgeschaft. Het "Onze Vader" werd op de knieen gebeden.

Ook het maatschappelijk leven werd omgevormd. Spel, kleder­pracht, kermis, herbergen, werden verboden. Er gold een stren­ge tucht. De geestelijkheid werd toegestaan om te trou­wen. Zwingli zelf was één der eersten en trouwde in 1524.

 

Het was ook in die periode dat de wederdopers zich in Münster een rijk stichten waar o.a. Jan van Leiden en de wederdopers die vanuit Nederland naar Münster kwamen, een grote rol speelden. Vele studies zijn hierover verschenen van verdedigers en tegenstanders. 

Ook Zwitserland had te maken met de aktiviteiten van de wederdopers en Thomas Müntzer. Ze plunderden het kloos­ter Rueti en erkenden geen overheid meer. Zwingli trachtte met hen in dialoog te komen, doch tevergeefs. In 1527 werden enige leiders van de weder­dopers, in de Limnat verdronken.

De Hervorming in Zwitserland ging met forse schreden.

In 1528 werd door de landgraaf Philip van Hessen in Marburg een poging ondernomen om alle evangelischen onder een belij­de­nis te brengen. In Marburg kon hij Luther, bijgestaan door Melanchton, en Zwingli, bijgestaan door Oekolampadius, aan één tafel te brengen. Op 14 punten werd overeenstemming gevon­den, het 15e artikel, over het heilig Avondmaal, bracht problemen.

Luther schreef op tafel: "dit is Mijn lichaam", en wees daarop steeds als Zwingli kwam met zijn verklaring: "dit brood betekent  mijn lichaam, deze wijn betekent Mijn bloed".

Luther zag in het heilig Avondmaal de nuttiging van het ver­heer­lijkte lichaam en bloed van Christus, een geestelijk voed­sel voor de nieuwe mens. Voor Zwingli was het Heilig Avondmaal een herinnering aan de offer­dood van Christus, een pand van Gods genade.

Beide Hervormers wilden van geen toenadering weten. Luther ging zover dat hij tegen Zwingli zei: "gij hebt een andere Geest dan wij" en hem de broederhand weigerde. Zwingli ging toen bedroeft weg. Luther bleef tot aan zijn dood onverzoen­lijk.

De strijd tussen Hervormden en Katholieken was in Zwitser­land zeer fel. Zwingli, die zich ook met politieke zaken bezig hield, sloot een verbond met Philip van Hessen, Frank­rijk en Venetië.

De Katholieken verbonden zich met Oostenrijk Zo stonden twee legers met elk 30.000 man tegenover elkaar. Tot strijd kwam het aanvankelijk niet maar bleef toch niet uit. Zwingli trok als prediker met het leger mee.

Hij overleefde de slag niet. Toen hij de volgende dag door tegenstanders gevonden werd, werd hij verbrand en z'n as in de wind verstrooid (11 okt. 1531).

 

Johannes Calvijn (1506-1564) werd geboren in Noyon in Picar­dië (Frankrijk) en studeerde voor priester in Parijs, boven­dien rechten in Orleans en daarna nog letteren. Calvijn werd een verwoed bijbellezer. De bijbel was door zijn neef Pierre Olivetan in het Frans vertaald. Dat gaf hem een totaal andere kijk op geloofszaken dan zoals hij dat ge­leerd had. Na bestudering van Luthers geschriften ging hij tot de Hervor­ming over.

In Parijs kwam een groepje gelovigen in het geheim samen die de "reine leer" wilde verkondigen, Calvijn werd één van hen.

Door toedoen van een vriend, Nicolaas Cop, die op 1 november  1533 op de Hogeschool van Parijs een rede  gehouden had over het zuivere geloof, begon de vervolging.

Calvijn vluchtte naar zijn geboortestad Noyon en legde daar op 4 mei alle rechten op inkomsten vanuit de kerk neer.

Na enkele omzwervingen kwam hij in Bazel terecht waar hij in januari 1535 aankwam en in 1536 zijn "Christia­nae religio­nis instituti­o" uitgaf. In hetzelfde jaar werd hij predikant te Geneve maar in 1538 uit Geneve ver­bannen, samen met zijn trouwe vriend Farel. Dit na een geschil met de burge­meesters van Geneve over de ceremonieën en tucht in de kerk en de han­delwij­ze tegen­over de Wederdo­pers.

Drie jaar lang was Calvijn daarna predikant in Straats­burg. In 1541 begon hij zijn eigenlijke hervormingswerk te Geneve, dat hem ver­zocht had om terug te komen. Calvijn ging niet zonder slag of stoot terug, er moesten vele smeekbeden aan vooraf gaan.

Met de andere Hervormers had Calvijn één ding gemeen: zijn onver­draagzaamheid  tegenover anderen die niet zijn mening deelden. Zo werd door toedoen van Calvijn de "ketter" Servet op 27 oktober 1553 verbrand.

Calvijns theologie is strikt gebonden aan de heilige Schri­ft. Evenals Luther belijdt hij dat rechtvaardiging alleen uit het geloof voort kan komen en dus niet, zoals toen alom gebeurde, gekocht kon worden d.m.v. z.g. aflaten.

Calvijn was, zoals geschreven, ook vermaard als rechtsge­leer­de. Hij slaagde erin het gehele leven in Geneve om te vormen naar normen zoals hij die uit de bijbel en de boeken der kerk­vaderen las.

Het Calvinisme werd daarom méér dan alleen maar een geloofs­over­tuiging, het greep ook in binnen de maatschappelijke ver­houdin­gen. De bolwerken van het Calvinisme waren, en zijn nog, te vinden in Zwitser­land, Schotland en Nederland.

 

Nauw aan Calvijn zijn de Franse Hugenoten verbonden. Aanvan­ke­lijk volgden zij Luther. De naam Hugenoten werd aan het Franse protes­tantisme verbonden omstreeks 1560.

Nadat Calvijn de wijk moest nemen naar Zwitserland werden zijn ideeën door Philibert Hamelin naar Frankrijk terugge­bracht. Hij stichtte een protestantse kerk in Saintes maar werd op bevel van de bisschop opgehangen. Ondanks alle tegenwerking groeide het nieuwe geloof en omstreeks 1560 waren er al meer dan 1 miljoen Hugenoten.

In 1562 begonnen de Hugenoten o.l.v. Condé en De Coligny zich gewapenderhand te verzetten tegen de vervolgingen. Er volgden zo'n tien godsdienstoorlogen.

In 1570 zou het huwelijk gesloten worden tussen de katholie­ke prinses Margaretha (een zuster van de koning) en de Hugenootse prins Hendrik van Navaronne. Honderden Hugenoten kwamen naar Parijs om de feestelijkheden bij te wonen. Maar Parijs was het bolwerk van het Franse katholicisme. Drie dagen duurden de fees­ten, alles was vreedzaam verlopen en het leek erop dat ook de vierde dag rustig zou zijn, totdat op De Coligny een moord­aanslag werd ge­pleegd. Met medeweten van de koning werd een grootscheepse jacht op de Hugenoten geopend. Op 24 augustus volgde het dramati­sche hoogte­punt: de Bartho­lo­meüsnacht. Bij tientallen werden de Hugenoten uit de huizen gesleept en op beestachtige wijze ver­moord. Parijs werd een bloedbad.

Er volgde een betrekkelijke rust na het Edict van Nantes (1598). Dit edict werd echter steeds weer aangetast. katho­liekgezinden juristen legden alles zo uit dat de Hugeno­ten toch steeds weer in het nauw gedreven werden.

Onder Lodewijk XIV werd het Edict opgeheven. Duizenden Hugeno­ten vluchtten naar alle delen van Europa, maar voornamelijk naar Engeland en Nederland. In Nederland verbonden zij zich met de z.g. Waalse gemeenten. Pas in 1787 kwam onder Lode­wijk XVI het Tolerantie-edict tot stand waarbij de Hugenoten eindelijk gelijkberechtigd werden.

 

Op 10 november 1483 werd Maarten Luther te Eisleben geboren. Zijn vader wilde hem rechts­geleerde laten worden maar in 1501 ging hij naar de Hoge­school van Erfurt, hoofdzetel van het humanisme. In 1505 werd hij magister (doctor in de filosofie). Door zijn opvoe­ding kende hij God slechts als een God der wrake. Persoonlijke ervaringen brachten Luther ertoe om tot de Orde der Augustijnen toe te treden.

Hij kwam in het klooster te Erfurt en leerde daar Dr. Stau­pitz kennen. Deze was het die Luther nieuwe impulsen en nieuwe moed gaf. Hij gaf Luther ook de gele­genheid om de Heilige Schrift te bestude­ren. 

Met hulp van Staupitz werd Luther in 1507 tot priester gewijd en in 1508 professor te Wittenberg. Weldra gaf hij ook bijbel­lezin­gen in het kleine kerkje van Wittenberg.

Vol geloof ging Luther in 1510 naar Rome om zaken voor het kloos­ter te regelen. Hij dacht een heilige stad te vinden maar keerde teleurgesteld naar huis terug.

Eeuwenlang was er ge­leerd dat de mens door het doen  van goede werken en door eigen verdiensten het koninkrijk der hemelen kon beërven.

Luther wees op het Lam Gods dat de zonden der mensen gedra­gen had, en op de genade. Bij de voordeur van het klooster ver­kocht de Dominicaan Johannes Tetzel aflaten. Rome had veel geld nodig. De paus en de aartsbisschop Albrecht van Mainz deelden broeder­lijk het geld dat met karrenvrachten binnen­kwam.

Tetzel beroemde zich erop dat hij door zijn aflatenverkoop meer mensen uit het vagevuur had gered, dan Petrus door zijn preken.

Luther weigerde de absolutie te geven op vertoon van afla­ten. Toen de kopers bij Tetzel hun beklag kwamen doen dreig­de deze Luther als een ketter te laten verbranden, immers de aflaten hadden een pause­lijk zegel.

Dit bracht Luther op 31 oktober 1517 ertoe zijn 95 stellin­gen op de deur van de slotkerk te spijkeren. Binnen twee weken waren ze in geheel Duitsland bekend. Luther meende de paus aan zijn zijde te hebben.

Hij was scherp van pen en tong en een ieder die hem bestreed werd letterlijk afgemaakt. Toen Luther naar Rome ontboden werd verbood de keurvorst Frederik de Wijze hem om te gaan. De paus droeg de zaak daarom over aan de kardinaal Cajeta­nus. Over deze zei Luther dat hij evenveel verstand had van de Schrift als een ezel van het harpspel.

Een latere gevolmachtigde van de paus, Karel van Miltiz, richtte evenmin veel uit. Wel beloofde Luther verder te zwij­gen als zijn tegenstanders hetzelfde deden. Ook veront­schul­digde hij zich bij de paus.

Zoals gebruikelijk in dit soort geschillen zou een openbaar debat uitkomst moeten bieden. Dat vond plaats in Leipzig tus­sen Dr. v. Eck van Ingolstadt en Luthers ambtsgenoot dr. Karlstadt. ­

Karlstadt was echter niet opgewassen tegen v. Eck. Luther wel. Het ging om het gezag van de paus. Volgens Luther bestond dat pas vier eeuwen. Ook was de paus, volgens Lu­ther, alleen via mense­lijk recht het hoofd der kerk. Van Eck beschuldigde Lu­ther ervan op één lijn te zitten met Hus en de Waldenzen, terwijl die door de kerk veroor­deeld waren.

Dat was nieuw voor Luther en thuis begon hij het werk van Jan Hus te lezen en moest toegeven dat hij inderdaad dezelf­de ideeën had. Beroemde medestanders van Luther waren Bucer, Brentz en Me­lanch­ton. Daar waar Luther de onbesuisde en vuurvreter was, was het Melanch­ton die kalm, rustig en zakelijk bleef.

Luther vond een schuilplaats tegen zijn vijanden op Eldern­burg, dat behoorde aan de ridder Ulrich von Hutten.

 

In een banbul tegen Luther werden 41 van zijn stellin­gen ket­ters genoemd. HIj kreeg het bevel zijn boeken te verbran­den, maar niet zijn boeken, deze bul werpt hij op 10 decem­ber 1520 openlijk, voor de poort van de stad, in het vuur.

Karel V, die Maximiliaan was opgevolgt, was een vurige ketter­vreter. Het liefst had hij Luther op de brandstapel laten wer­pen maar hij werd door de keurvorst Frederik de Wijze daarvan afge­houden.

Op 17 april 1521 moest Luther te Worms voor de keizer ver­schij­nen. Daar waren ook bij aanwezig: de pauselijke nunti­us, 6 keur­vorsten, 24 hertogen, 8 marktgraven, 30 aartsbis­schoppen en bisschoppen en vele andere hoogwaardigheidsbe­kleders.

Luther werd gevraagd zijn boeken te herroepen. Hij vroeg en kreeg bedenktijd. De volgende dag, 6 uur s'avonds, werd hij weer bin­nengeleid. Hij weigerde zijn werk te vernietigen, mocht verder niets zeggen, maar alleen antwoord geven op de vraag of hij her­riep of niet. Hierop zei Luther:

"Tenzij dan, dat ik door de getuigenis der Heilige Schrift of door duidelijke bewijsvoering overwonnen worde - want ik ge­loof noch de paus, noch het concillie alleen, daar het bekend is, dat zij vaak gedwaald hebben en met zichzelf in tegen­spraak gekomen zijn - daar mijn geweten door Gods woord gebon­den is, zo kan en wil ik niets herroepen, omdat het noch vei­lig noch aan te raden is, iets te ondernemen tegen het gewe­ten.Hier sta ik, ik kan niets anders. God helpe mij! Amen".

Luthers optreden maakte diepe indruk en de vriendelijke aarts­bisschop van Trier wilde tot een schikking komen. Luther zei tegen hem: Indien deze raad of dit werk uit mensen is, zo zal het afge­broken worden; maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken (Hand. 5:38-39).

Op de terugweg naar Wittenberg werd Luther overvallen en als gevangene naar de Wartburg gebracht. Dat was het werk van  keurvorst Frederik. Luther werd "Jonker George" met baard, zwaard en ridderkleding. Het gerucht werd verspreid dat hij vermoord was.

In zijn periode als Jonker George vertaalde Luther de bij­bel, een werk dat in 1534 voltooid werd.

Tijdens Luthers afwezigheid was er in Wittenberg van alles ge­beurt. Dr. Karlstadt, zijn vriend, had een beeldenstorm op gang gebracht en de mis met geweld afgeschaft. Gelovigen in de lijn van de wederdopers,  uit Zwic­kau zeiden goddelijke openbaringen te hebben, schaften de kinderdoop af en kondigden het aanbreken van het duizend­jarig rijk aan. Alle geleerdheid werd verboden. Dr. Karlst­adt legde zijn titel neer en gaf zijn studenten de raad naar huis te gaan en landbouwer te worden. In het Rijk Gods geldt geen geleerdheid.

Melanchton was ten einde raad. Nu dook Luther weer op, zonder medeweten van de keurvorst was hij van de Wartburg vertrokken. Hij predikten tegen de Wederdopers.

De jonge Luther had enorme symphatie gewonnen met zijn pogingen de kerk te hervormen. Later echter koos hij de kant van de adel die hem gesteund had en veroordeelde elke “revolutionaire” beweging onder de verarmde boeren en burgers.

 

In Duitsland verspreidde de Hervorming zich snel. Verschil­len­de vorstendommen gingen tot de Hervorming over. Toen op de Rijksdag te Spiers werd aangedrongen op uitvoering van het bevel tegen Luther, protesteerden de Hervormingsgezin­den. Vanaf die tijd werd hun naam "Protestanten".

In 1525 trouwde Luther met Catharina von Born, een gewezen non. Ze hadden een gelukkig familieleven.

Op bevel van de Keizer moesten de Protestanten een geloofs­be­lijde­nis maken (1530). Melanchton schreef deze, het werd op 25 juni openbaar gelezen en is sindsdien bekend als de  "Augs­burger Confes­sie". Na Luthers dood, in 1546, brak de Schmalkaldische oorlog uit, een strijd tussen de katholieke en protestantse adel.

Eerst in 1555 kwam godsdienstvrijheid, hoewel beperkt, tot stand.

Luthers werk omvat: De bijbelvertaling in het Hoogduits, hij schreef een grote en een kleine catechismus, schreef zo'n 25 liederen. Een der bekendste daarvan is "Een vaste burcht is onze God" uit 1527.

 

Zij zijn de bekendsten maar niet de enigsten geweest die streef­den naar een zuiver geloof waarin niet de mens (paus) of een "bemidde­laarster" (Maria) maar Jezus Christus cen­traal staat. Jammer genoeg maakten ook de Hervormers het geloof afhan­kelijk van staats­in­menging. Ook waren zij onder­ling hope­loos verdeeld, meenden desnoods met geweld hun gelijk te moe­ten ver­overen. Zij handelden niet naar de uitspraak van Jezus: Denk niet dat ik gekomen om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om  ze tot vervullen te brengen (vgl. Matth. 5:17).

Hoewel dat aanvankelijk niet hun bedoeling was geweest, raakte de kerk één van haar kenmerken, de eenheid der gelo­vigen, kwijt.

Juist omdat de Hervormers zich wilden onderscheiden van de Rooms-Katholieken werden veranderingen aangebracht waarbij de vraag rijst of die zo door de eerste apostelen bedoeld waren.

Niet langer was het priesterambt de belangrijkste schakel tussen God en mens, maar werd de werking van de heilige Geest en daardoor het levende woord, vervangen door leerregels en dog­ma's.

Toch, ondanks al hun misvattingen streefden de Hervormers naar zuiverheid van het geloof, gezuiverd van alle elementen van z.g. heiligenverering, in strijd met het eerste gebod, en een herstel van de oorspronkelijke kerk.

Dat zij hierin niet slaagden kwam omdat het belangrijkste element van de vroege kerk, gegrondvest op het funda­ment van apostelen en profeten, herders en leraren, met als uiterste hoeksteen Jezus Christus, niet bereikt werd.        

 

 

 

DE ALBURY-CONFERENCIES, VOORBODE VOOR DE LATERE ONTWIKKELINGEN

 

Judas verried de Heer voor slechts dertig zilverlingen. Eer, macht en aanzien waren de drijfveren voor zijn verraad. Ook teleurstel­ling speelde een rol. Hij had verwacht dat de Heer een aards rijk zou oprichten. Een aards koninkrijk waarin zij, Zijn volgelingen, een belangrijke post zouden verwer­ven. Maar de Heer had gezegd: Mijn rijk is niet van deze wereld. Niet de aarde, maar het hemel­rijk is te beërven.

 

Pas in de negentiende eeuw zou de psychologie uitgroeien tot een volwaardige wetenschappelijke discipline, maar in feite was er niets nieuws onder de zon.

Menselijke gedragingen zijn mede afhankelijk van invloeden uit de jeugdperiode, leefomgeving en maatschappelijke posi­tie. De mens kan proberen hier bovenuit te groeien, uit zichzelf echter zal dat niet lukken. Alleen met de kracht van de Heili­ge Geest is dat mogelijk want alleen God kan zeggen: “Zie, ik maak alle dingen nieuw”. Maar toch, al kan een Christen zich boven het zwakmenselijke verheffen, de leefomgeving van de mens is niet, of slechts beperkt, te veranderen.

 

Ook de apostelen uit de eerste tijd hadden ieder, hoewel ze ernstig streefden naar het wezen van Jezus de enige die alle menselijke zwakheden kon overwinnen en daarom zondeloos naar Zijn Vader is gegaan, een eigen karakter, van opvliegerig­heid tot zwakheid.

Natuurlijk gold dat ook voor de Engelse apostelen. Allen hadden, voordat zij het apostelambt ontvingen, een aanzienlijke maatschappe­lijke positie. Immers, in de periode waarin zij werkzaam waren lagen de maatschappelijke omstandigheden anders dan heden. Dank zij hun wereldse status konden zij als gelijken en met een zekere mate van autoriteit aantreden bij geestelijken en wereldse overheden De heilige Geest werkt tijdsovereenkomstig!

 

De Engelse apostelen hebben een groots werk verricht dat heden nog doorwerkt, vooral door hun streven nar oekumene  Wij kunnen daarom aan hen slechts met respect te­rug­denken.

Toch, hun maatschappelijke positie, hun aanzien op werelds  niveau, bracht ook nadelen.

Het Europa van die dagen was fel nationalistisch. De aposte­len waren zich er sterk van bewust onderdaan te zijn van een natie die een vooraanstaande vervulde had in de wereldse gebeur­tenissen.

Het waren twee factoren, aanzien en nationalisme, die zullen heb­ben bijgedragen een grote mate van zelfverheffing.

Zij waren middel en doel uit het oog verloren. Waren verge­ten dat het apostelambt het middel, een noodzakelijke voor­waarde is om Zijn kinderen toe te bereiden voor de Bruilofts des Lams.

Zij meenden het doel te zijn en dat door hun werken alles vol­tooid zou zijn. Vergeten waren de onderstaande bijbelci­ta­ten: Want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht”.  (Matt. 24:44).

Ik kom onverwacht als een dief. Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kle­deren aanhoudt (Openb. 16:15).

Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiïng van deze wereld  (Matt. 28:20).

 

Maar deze bijbelplaatsen waren de Engelse apostelen, die de heilige Schrift intensief hadden bestudeerd en daarover het profetisch licht hadden laten schijnen, zeker ook bekend.

Ze waren er zelf van overtuigd dat het apostelambt nood­zakelijk was om de voleinding en het wederkomen van Jezus te bereiken. Ook dat niet aan hen de macht was gegeven om een apostel wel of niet te erkennen. apostel Woodhouse schreef in 1862:

"God kan nieuwe apostelen roepen. Hij kan herhalen wat Hij met Paulus en Barnabas gedaan heeft. Wij matigen ons niet aan de macht te bezitten om God een grens te stellen.

God kan dat doen, daarvoor zijn genoeg bewijzen in de bijbel te vinden, echter geen bewijs is in de Schrift te vinden voor het invullen van de open plaatsen van Apostelen die geroepen, afge­zonderd en uitgerust waren en die door de dood weggenomen werden”. (Eine Belehrung über die fortdauer des Apostolats.)

 

Echter al vroeger hadden de Engelse apostelen op de noodza­ke­lijk­heid van het voortbestaan van het apostelambt gewezen. B.v. in het "Testimonium" waarvan de tekst verderop volgt, en in andere geschriften.

Ook waren de Engelse apostelen ervan overtuigd dat zij door God waren aangewezen om de verdeelde christenheid weer één te maken, uiteraard onder leiding van hen.

 

Het oude Europa heeft in de loop der eeuwen heel wat hongersnoden, epidemieën en oorlogen meegemaakt. De

 grenzen tussen de maatschappelijke klassen waren scherp getrokken.

De grens tussen geestelijke en maatschappelijke macht was moeilijk te trekken. Hoewel de Reformatie en het optreden van o.a. de wederdopers met hun kortstondige “regering” te Münster, veel woelingen en veranderingen hadden veroorzaakt, was er binnen de maatschappelijke verhoudingen weinig veranderd.

Het Congres van Wenen, begonnen op 25 september 1814, had weliswaar nieuwe staten en staatjes geschapen en nieuwe grenzen getrokken, maar Europa bleef verdeeld in tientallen onmachtige landen die elkaar op leven en dood bestreden. Zo werden Nederland en België na een kortstondige strijd weer twee aparte staten. Europa bleef verdeeld door de vele staten en talen en de gebrekkige infrastructuur.

 

Het humanisme en communisme veroverde terrein op “de kerk”. Er kwam een culturele strijd op gang waarbij de “Rede” contra het geloof kwam te staan. De Franse revolutie (1792-1799) had een schok in Europa veroorzaakr.

Het had afgerekend met het “Ancient Régime” en met de restanten van de donkere middeleeuwen.

De adel verhoor haar macht en ook het erven van adelijke titels en bezit werd met de wet van 12 brumaire van het jaar II (2 november 1793) aan banden gelegd.

De standenmaatschappij bestond niet langer. Voor het eerst werd in Europa persvrijheid ingevoerd, hoewel dat later weer werd beperkt. Deze vrijheid werkte ook door in de literatuur en beeldende kunsten.

De revolutie had het oude feodale stelsel, dat stoelde op de theorie van het “goddelijk recht” en dat borg stond voor de handha­ving van de voor­rechten van de aristocratie, vervangen door een liberale en wereldse staat, gegrondvest op de begin­selen van volkssouvereiniteit en burger­lijke gelijkheid.

Het katholicisme bleef wel een bevoorrechte godsdienst maar was niet langer staatsgodsdienst. Op 11 prairial van het jaar III (30 mei 1795) kregen de verschillende religies toestemming tot vrij gebruik van hun kerken, voor zover deze niet voor andere doeleinde geconfisceerd waren.  Het recht op bijstand en onderwijs werd wettelijk vastgelegd.

Veel van wat de Franse revolutie aan maatschappelijke verbete­ringen opleverde stond model voor het Europa van de negentien­de en twin­tigste eeuw.

Helaas sloeg in later jaren de balans van de Franse revolutie door naar radica­lisme.

Niet alleen staatskundige veranderingen werden doorgevoerd. Alle facet­ten van het openbare leven werden aangetast. Zo moesten kinderen vanaf vijf jaar naar een internaat om daar te worden opgevoed volgens de ideologie van de staat.

De bestaande tijdrekening werd vervangen door een "republie­keinse kalender", (waarvan boven al enige voorbeelden gegeven)  waardoor o.a. de zondag als geheiligde rustdag kwam te verval­len. De zeven­daagse week werd opgeheven en vervangen door een eenheid van tien dagen. Chris­te­lijke feest- en gedenkdagen werden afge­schaft. Daarvoor in de plaats kwam het "feest van het opper­wezen" met Robespierre in de rol van hogepriester.

Kortom, de bestaande orde en waarden werden op z'n kop ge­steld.

 

Mede dankzij de geïsoleerde ligging had Engeland al deze gebeurtenissen niet hoeven meemaken. Van de ontred­dering op het vasteland gebruikmakend namen de Engelsen veel Spaanse en Nederlandse koloniën in bezit. Alleen werd Indië aan Nederland terug gegeven, warvoor wel andere gebieden in Azië opgegeven moesten worden.

Na de beslissende slag op 18 juni 1815, waarbij Engeland het voortouw had genomen, kwam er een einde aan de Napoleontische bezetting. Engeland behield echter de veroverde koloniën en ontwik­kelde zich mede daardoor tot een wereldmacht en het Engels werd een wereldtaal.

Behalve wereldmacht werd Engeland ook de grootste industrieële natie ter wereld. Dat was circa 1750 begonnen met de staalver­werking. Waterwegen moesten worden aangelegd voor vervoer van materieel en goederen. Machines werden ontworpen voor spinnen en weven waarvoor katoen uit India en wol uit Australië inge­voerd moest worden.

Deze geweldige economische ontwikkeling had ook negatieve gevolgen. In de steden ontstond een groot leger van gezinnen die op de rand van de verpaupering leefden. Vakbonden en politieke partijen ontstonden.

Kerken begonnen hun greep op de samenleving te verliezen, het wettige gezag begon te wankelen. De prijzen voor de eerste levens- behoeften zoals graan, stegen tot onge­kende hoogten.

 

Tot dan toe was de Anglicaanse kerk oppermachtig geweest.

De Anglicaanse kerk, als staatskerk ontstaan in 1534 omdat Koning Hendrik VIII wilde trouwen met Anna Boleyn maar Paus Clemens VII het huwelijk van Hendrik met Catherina van Aragon weigerde te ontbinden, was oppermachtig en beheerste het geestelijke en openbare leven.

Door het dicteren van de "Act of Supremacy" verklaarde de koning zich­zelf tot hoofd der Anglicaanse kerk.

In 1828 werd de eerste bres geslagen in deze oppermachtige stel­ling. De "Act" werd opgeheven, met uitzondering van de superieure positie van de koning.  Deze wet uit 1673 eiste dat iedereen die in welke functie dan ook in overheidsdienst was, de Engelse beginselen moest onderschrijven.

Engeland kreeg, door afschaffing van deze wet, een godsdienst­vrijheid die nergens elders in Europa bestond.

Al deze ontwikkelingen, de opkomst van het atheïsme, de lauw­heid op het kerkelijk erf, de industrialisatie en de daarmee gepaard gaande verpau­pering, verontrustte vele oprechte christenen.

De regering, met name tijdens de ambtsperiode van premier Perceval, vader van een latere Engelse apostel, deed alle moeite om het religieuze leven opnieuw te ontwikkelen. Tevens nam deze regering vele maatregelen om de verpaupering tegen te gaan.

Nadenkende christenen zochten steun in hun geloof en begonnen zich ernstig in de Heilige Schrift te verdiepen. Maar daarbij bleef het niet. Vanuit verschillende denominaties werd missionair werk ter hand genomen.

Zo werd in 1793 de Baptist Missionary Society, twee jaar later de London Missionary Society en in 1799 de Church Missionary Society for Africa and the East opgericht. Verderop hierover meer.

In datzelfde jaar ontstonden tevens twee organisaties die een belangrij­ke rol zouden gaan vervullen in het religieuze leven en wiens voorbeeld navolging zouden vinden in de rest van Europa. Het waren de Sunday School Union en de Religious Tract Socie­ty. Deze laatste organisatie verspreidde christelijke traktaatjes, korte duidelijke geschriften over het christen­dom, geheel in tegen­stelling tot de hoogdravende taal van theologen en kanselrede­naars. Deze traktaatbeweging werd onmis­baar geacht voor het missie­werk in eigen land.

De belangrijkste stap was echter de oprichting van het "Brit­ish and Foreign Bible Society" met het doel de bijbel te verspreiden onder de armen en de onderontwikkelde Britse onderdanen overzee. De oprichting van dat Bijbelgenoot­schap vond navolging in geheel Europa, zoals in Nederland met het NBG.

 

Al ver voor de eeuwwisseling verschenen boeken met een apoca­lypti­sche inhoud. Twee schrijvers hielden zich daar bijzonder mee bezig: Jeanne Leade met Openbaeringe der Openbaeringen (1696 in het Neder­lands ver­schenen) en de wereldvermaarde natuurkundige Isaac Newton die zich ook met geloofsvraagstuk­ken bezig hield.

Newton schreef in 1727 o.a.:

"... dat de boeken van Daniël en de Openbaring niet begrepen zullen worden vóór het einde der tijden” , en hij voorzegt, dat de grote schare, die komt uit de grote verdrukking, een predi­king van het evangelie moet ontvangen vóór die verdrukking en de val van Baby­lon.”

Hij verteld dat er een grote omwenteling voorzegd is in de bijbel, maar eerst als dat geschiedt, is de tijd gekomen om de voorzeggin­gen der profeten te verstaan.

Tenslotte zegt hij "dat God spoedig deze verborgenheden zal openba­ren, en dat tegen het eind van het einde, een vergade­ring van mensen zal verwekt worden, die aandacht aan de profe­tieën zullen geven en zullen opkomen voor haar letterlijke uitlegging ondanks veel protest en tegen­stand."

 

Nadat de negentiende eeuw haar intrede had gedaan, verscheen een ware vloedgolf van dit soort publicaties. Alleen al in de jaren 1820-1833 zo'n zeventig werken.

Titels die bijzonder veel aandacht kregen waren: "Brieven aan Basili­cus", door Lewis Way en "Het Messiaanse Rijk", door Bayford. Een boek dat van veel invloed zou zijn op de Albury-conferen­ties werd geschreven door een Jezuït, Lacunza. Hij gebruikte daarvoor het pseudo­niem Ben-Ezra.

Lacunza werd geboren in St. Jaco (nu Santiago) in Chili in 1731 en werd prediker van de Orde der Jezuïten.

Nadat de Jezuïten in 1767 uit Chili verdreven waren ging hij naar Imola in Italië en schreef daar "De toekomst van de Messias in glans en heerlijkheid". De oorspronkelijke versie werd geschreven en uitgegeven in het Spaans.

Lacunza stierf in 1801. Pas in 1812 verscheen de Spaanstalige uitgave die door de Rooms-Katholieke Kerk in 1814 op de index van verboden boeken werd geplaatst.

Het was de verbeterde Spaanse uitgave van 1826 die door de predikant Edward Irving in het Engels werd vertaald. Voor het grootste deel van de geestelijkheid was de inhoud van Lacunza's werk een openba­ring.

In het eerste gedeelte behandeld hij de Heilige Schrift, de leer der Kerkvaderen en de Concilies. In het tweede deel maakt de schrijver duidelijk dat door de eeuwen heen gehoopt en uitgezien werd naar de wederkomst van de Heer, zoals voorzegd in het Boek Daniël en in de geschrif­ten van de kerkvaderen tot uiting komt. Het derde deel gaat over de heerlijke toekomst, de vervulling van de belofte van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, het nieuwe Jeruza­lem en de bruiloft des Lams.

Dat de Spaanse uitgave in handen van Irving kwam, leek een godsgeschenk te zijn, want voordien had Irving nog nooit over dat onderwerp in zijn gemeente gesproken.

 

Als voorloper van de eerder genoemde stroom van publicaties in Engeland is te beschou­wen het boek dat W. Cunninghame schreef over de Openba­ring van Johannes. Hij legde daarin de nadruk op de wederkomst van Jezus en het begin van het duizendjarig Vrederijk.

Een andere invloedrijke publicatie verscheen in 1826 van de hand van de Anglicaanse geestelijke J. Haldane Stewart.

Hij schreef over de beloften van de Profeet Joël dat een tweede (late) spade regen komen zou, dat de Heer Zijn kerk weer wilde inrichten naar Zijn begeren. Hij riep op om voor deze spade regen te bidden. Het boek met als titel: "Thought on the importance of special prayer for the general outpouring of the Holy Spirit" werd wijdverbreid in Engeland en het vasteland.

Maar de zorg over de toestand van de kerk en het verlangen naar de wederkomst van de Heer niet alleen beperkt tot Groot-Brittan­nië. In Duitsland waren het Herder en Schilling die erover schre­ven, in Frankrijk Pére Lambert en in Rusland Schubert.

Al deze geschriften en de tijdsomstandigheden brachten groepen van gelovige zielen bijeen om te bidden en voor bijbelstudie. Zo ook op het landgoed te Albury (Surrey) dat Sir Henry Drummond in 1819 had ge­kocht.

 

Henry Drummond, geboren 5 december 1786, is ouderloos als zijn vader in 1794 sterft en zijn moeder, na een nieuw huwelijk, naar India vertrekt. Henry groeit daarom op bij zijn grootvader, Lord Melville, en leert bij hem ook de bekende staatsman William Pitt jr. ken­nen. Pitt was behalve politicus, hij was verschillende malen minis­ter en bracht het tot premier, ook heel goed thuis in de bijbel. Van hem neemt Drummond de ijver voor studie van de Heilige Schrift over.

Na zijn studie, die hij zonder een titel te behalen afbrak, werd hij mede-vennoot in de DrummondEQ \O(', )s Bank, Charing Cross, Londen.

Al op jonge leeftijd, 24 jaar, is hij lid van het parlement. Van 1810 tot 1813 heeft hij zitting in het Lagerhuis als afgevaardigde van Plumpton Earle, Devonshire en daarna vanaf 1847 tot aan zijn overlijden voor het district West Surrey. In het Lagerhuis spreken hij en Spencer Perceval, die we later ook in het apostolische werk tegenkomen, over de geestelijke noden die zich alom in het land manifesteren.

Drummond geniet faam als onafhankelijk en principiëel lid van het Lagerhuis, ook als het gaat om dictaten van de Conservatieve fractie waarvan hij deel uitmaakt. Naast zijn werk als bankier richt hij in 1825 een lectoraat aan de Universiteit van Oxford in de politieke economie op, is lid van de "Royal Academy of fine arts at Florence" en is lid (magistraat) van de rechterlijke macht van het district Surrey en president  van de "Western Literary Institution".

Bij deze veelzijdigheid aan activiteiten blijft echter zijn geeste­lijk leven en bijbelstudie op de eerste plaats staan.

Zo is hij in 1817 in Gèneve op verzoek van de Tract Society, waar hij bij zijn aankomst nog net een ontmoeting kan hebben met de Schotse predikant Robert Haldane.

De gebroeders James en Robert Haldane speelden een belangrijke rol in het missie-werk, aanvankelijk in India en later op eigen bodem in Schotland. Drummond zet in Gèneve het werk voort dat Haldane begonnen was: de strijd tegen het Socianisme. Deze secte was ontstaan in de zestien­de eeuw in Polen. Zij erkenden Jezus wel als de Zoon van God maar alleen in Zijn werk op aarde. De triniteit werd afgewezen.

Op grond van zijn bijbelstudie was Drummond er echter van overtuigd dat de wederkomst van de Heer aanstaande was. Drummond stond niet alleen in deze overtuiging. Tijdens de kerstdiensten van 1825 predikte Irving voor de eerste keer over "Het tweede komen van de Heer als hoop voor de kerk", met als bijbelwoord 1. Thess. 5:1-3.

Op 1 juni 1826 kwamen voor de eerste keer zeven mannen bij elkaar ter bestudering van de profetische geschriften. Dat was op uitnodiging van de bekende geestelijke Lewis Way. Deze Way had de steppen van Rusland en de woestijn van Syrië doorkruist en in de eenzaamheid had hij visioenen ontvangen over de nabije wederkomst van de Heer. Sedert 1818 gaf hij de "Brieven van Basilius" uit waarin de profe­tieën over de wederkomst des Heren werden beschreven.

 

Al deze gebeurtenissen en de inhoud van het boek van Lacunza waren voor Drummond aanleiding om de in Londen begonnen conferentie’s voort te zetten en op 28 november 1826, de eerste advent­dag, op zijn landgoed te Albury in het kas­teel "Northumberland House" een bijeenkomst te beleggen met een wisselend aantal geestelijken en leken. Tot 1830 werden deze conferenties jaarlijks gehouden. Deelne­mers daaraan waren o.a.:

de Anglicaanse leken en predikanten G. Beckett, W. Bryan, T.W. Cole (Vicaris van Wonersh, Surrey), W. Marsh (Vicaris van de St. Peter’s, Colchester), E.T. Vaughan (Vicaris van St. Mary’s, Leichester), J. Wolff (Missionaris), R. Wolff sr. en jr., Lord Mandeville, I.J. Strutt, J. Bayford, Henry Drummond, J.H. Frere, Capt. G. Gambier, Lieut. Malden, S. Perceval (zoon van de Minister-President), E. Simon, Dr. Wilson (die later Bisschop van Calcutta werd).

Verder: W. Dow (Presbyterian), J. Hawtrey (Methodist), Edward Irving (Church of Scotland), H.B. MacLean (Presbyteriaans geestelijke), H.J. Owen (Church of Scotland), J. Tudor (Secretaris van de Prophetic Society), A. Haldane (uitgever van de Record).en Lewis Way (Zendeling).

In het totaal werden er 5 Albury-conferenties gehouden (de laatste op 5 juli 1830). Van de in het totaal aantal deelnemers van 44 waren het 26 geestelijken en 18 leken.

Kleine wijzingen in het aantal deelnemers, vinden er bij de verschillende beschrijvers van deze conferenties plaats. De bovenstaande lijst echter is van deelnemers die in ieder geval aanwezig zijn geweest, hoewel misschien niet bij alle bijeenkomsten.

Op enige deelnemers van deze Albury-conferenties zullen we aanstonds terugkomen.

 

De latere Duitse geestelijke van de katholiek-apostolische gemeente, E. Rossteucher, schreef:

Over de groep van deze deelnemers werd geschreven: "Alles kwam daar bijeen, wat van menselijke zijde aan te brengen was tot voorberei­ding der op handen zijnde godsdagen. Ware christelij­ke leer en zin samengaan­de met een diep inzicht in de ver­keerdheid van de eigen kerk en van de christelijke kerk in het algemeen. Men was geneigd, zijne schuld te boeten, gepaard met een vol vertrouwen op de onuitputtelijke genade Gods voor Zijn volk, men vond er de trouw en de geschiktheid om aan de eisen van het kerkelijke leven tegemoet te komen, met de profetische verwach­ting en het vurig verlangen naar het komen van het rijk van Christus - alles voor zover het toen in de kerk te vinden was.

Hier was als het ware een hogeschool opgericht, waarvan mees­ter en jongeren op de geestelijke geboorte, die God wilde, te voorschijn roepen, in haar gevolgen kon behoeden en tot wasdom brengen".

De onderwerpen die op de Albury-Conferenties behandeld werden waren:

1. De leer der Heilige Schrift over de tijden der Heidenen (Luc. 21:24) en over het doel en het punt van uitgang van de tegenwoor­dige huishouding Gods.

2. De praktische betekenis van die tijden voor de kerk.

3. De bijbelse leer en de tegenwoordige en toekomstige toestand­ der Joden.  (Zoals vele christenen in die tijd gingen ook de deelnemers aan de Albury-conferenties ervan uit dat, met herstel van Israel als nationale staat der Joden, de Heer alles zou herstellen).       

4. De plichten voor de houding der kerk die hieruit voortvloeien

5. Wat de bijbel leert omtrent de tweede komst van de Heer.

6. De plichten die voor de kerk ontstaan met het oog op de weder­komst.

7. De systematische volgorde en chronologie van de profetische schriften.

8. Wat ons is geopenbaard omtrent de volgorde van de gebeurtenissen­ die samenhangen met de wederkomst van                     Christus.

9. Wat het bijzondere is omtrent de dag van de grote Slag Harmageddon en door welke gebeurtenissen deze afgebeeld wordt.

10.Wat er geopenbaard is over de wijze van het tot stand komen der twee en der tien stammen.

11.Eén en ander over de toestand der kerk in deze tijd.

12.De voorbeelden waarin de Godsmens volgens zijn beide toestanden­ beschreven wordt, die der vernedering en die der heer­lijk­heid. (Met “vernedering” werd bedoeld de tijd die in de bijbel beschreven staat als “de grote verdrukking”

13.De praktische plicht van hen, die op de verschijning des Heren wachten.

14.Welk licht ontvangen wij uit de openbaringen voor de wet, betreffende het nog niet vervulde gedeelte van het raadsbe­sluit  Gods.

15.Welke uit de Mozaïsche wet zelve voort gekomen is.

16.Welk uit de geschiedkundige gebeurtenissen van het Joodse volk.

17.Welk uiteindelijk uit de Evangeliën en brieven van het Nieuwe Testament..

18.Over de tekenen des tijds..

 

Over de manier waarop de Albury-conferenties zich afspeelden is een verslag bewaard gebleven dat geschreven werd door Edward Irving. Hij schrijft daarin het volgende:

 

"Tot eer van onze vergadering leidde de Heer de omstandigheden zo dat J. Wolff, zendeling onder de Joden, zich ook onder ons bevond. En hier brachten wij zes volle dagen in nauwgezet en vlijtig schriftonderzoek door. Wij bestemden over elk der onderwerpen (die alle betrek­king hadden op de nabijzijnde wederkomst des Heren) een bijzonder dag en besloten daarvoor niet meer dan één dag te beste­den.

We verdeelden ons werk elke dag in drie delen, een ochtendzit­ting voor het ontbijt, de tweede, de hoofdzitting, tussen het ontbijt en middag­maal en de derde s’avonds.

De bezigheid in de ochtendzitting was tweeërlei en wel ten eerste het gebed tot de Heer om licht, wijsheid, geduld en ootmoed voor Hem, om de gemeenschap der heiligen en om elke andere gave en genade der Heilige Geest aan welke wij voor ons dagwerk behoefte hadden. Terwijl deze daarmee bezig was, maakte de overige broeders hun aantekeningen van het zakelijke zijner voordracht en namen daarbij de stellingen over die ten grondslag aan ons te behan­delen onder­werp lagen, door onze broeder aangegeven. Dan gingen wij, gesterkt door het gebed, uit elkaar zonder enige nader verklaring af te geven.

 

Nu wachtte ons het ontbijt in gezelschap van de godvrezende echtge­note en de familie van de gastheer.

Na afloop hiervan verliepen twee volle uren eer de tweede bijeen­komst plaats vond, omdat ieder zichzelf nauwkeurig voor de Heer mocht onderzoeken ten opzichte der aan de orde zijnde vraagstuk­ken en wij mochten komen, niet als overredenen maar als overtuigden die geenszins spraken onder de invloed van voorbijgaande indrukken, maar naar hun geweten.

Zodra wij weer bij elkaar zaten en kort de goddelijke genade hadden ingeroepen om in ons midden te blijven, een plechtig­heid in welke ons gewoonlijk onze eerwaarde voorzitter voor­ging, begon deze op de beurt af ieder der aanwezigen te vragen welke de inzichten en gevoelens waren betreffende het op die morgen voorgestelde onder­werp, terwijl de overigen zich bezig hielden het zakelijke van het antwoord door hun pen aan het papier toe te vertrouwen.

Geen beroep dat niet gegrond was op de Schrift werd aangeno­men, de grondtekst lag voor ons. (De Hebreeuwse en de Griekse (Septuaginta) uitgaven van de Heilige Schrift).

Daar de rechte betekenis soms moeilijk door ons te vatten was, hadden wij de hulp en onderricht van Joseph Wolff die wellicht de meest geleer­de oriëntalist was.

Ieder legde nu op zijn beurt zijn gevoelens bloot met zoveel vrijmoedig­heid en onbeschroomdheid, wederzijdse achting en liefde, zodat onze zielen er zeer door verkwikt werden.

Deze zitting duurde vier, soms vijf uren, daar wij ons voorge­steld hadden, eer wij uit elkander gingen alle geopperde meningen samen te vatten. Werden wij door vermoeidheid belemmerd dan sterkten wij ons door het gebed, dat wij ook als hoofdwapen tegen de satan beschouwden. Ook deze zitting werd besloten met dankzegging door de mond van een geestelijke.

's Avonds om zeven uur, na afloop van de maaltijd, zaten wij weer bij elkaar om de behandelde zaak in haar geheel te over­wegen en af te sluiten. Alle bezwaren en vragen werden dan voorgelegd aan degene die de inleiding tot het onderwerp had gehouden en zo sloten wij om 11 uur ons dagwerk met gezang en gebed af".

Zo verliepen alle zes dagen.

 

Deze Albury-conferencies waren ook in Nederland bekend. Hieronder volgt een epistel dat Willem de Clercq schreef in het jaar 1827 (originele schrijfwijze aangehouden:

“Vereeniging te Albury”

Vereeniging van eenige beoefenaars der Profecie in de Zomer van 1826 te Albury onder het voorzitterschap van Hugh McNiel, Rector van Albury en ten huize van de Heer Drummond. Deze beoefenaars waren van verschillende gemeenten (de Zendeling Wolff is ook aanwezig).

De vereeniging duurde acht dagen in volkomen eenheid en liefde.

De punten van onderzoek waren:

1.       De Leer der H.S. omtrent de tijden der Heidenen

2.       De pligten van Christenen en Rectors omtrent de voornoemde heidensche kerken

3.       De Leer omtrent de tegenwoordige en toekomstige toestand der Joden

4.       De pligten omtrent de Joden die daaruit voortvloeien

5.       Het stelsel van de prophetische gezichten en getuigen van Daniël en de Openbaring

6.       De schriftuurlijke leere omtrent  de toekomst der Heere

De pligten omtrent de kerk in de wereld, hieruit voortvloeijende.

Men kwam geheel overeen in het volgende:

Wij geloofde in het algemeen dat de tegenwoordige stand van verbreiding des Evangelisch geschikt was voor een tijd overeenstemmende met de tijden der Heidenen, deze weder overeenstemmen met het tijdperk van Jeruzalemsch vertreding onder de voeten der Heidenen, en van de verspreiding der Joden; dat de herstelling van de Joden het begin zoude wezen van een hersteld tijdperk in de Kerk en in der wereld, dat genoemd mag worden: de algemeene verspreidng van de weldaden van de dood van Christus, terwijl de tegenwoordige bedeeling van de kerk alleen en dus steeds weinigen bevat in vergelijking van het geheel. Dat het besluit van het tegenwoordige tijdperk in grote verdeeldheid, en het begin van het nieuwe en grote genade gewis nabij, ja dus de deur was, die de alle overeenstemmende dat de 1260 en 1290 dagen van Daniël vervuld zijn, en de overige 45 beginnend aan het einde van de welke de bepaalde tijd zal gekomen zijn. En dat gedurende dat oordeel dat van der eenen dag tot de andere beginnen kan, zij dat tweede komen van de Heere in persoon te wachten hebben, en de dode toestand van zijn heilige optewekken en met hen te regeeren. Alle kwamen overeen dat in die (tijd) deze dingen te verwachten zijn, er was ons op onze verschillende posten de grootste waakzaamheid vereischt wordt en de meest onbevreesde standvastigheid in het waarschuwen met liefde, en in het prsenteeren van geneeskragten aan allen.

Gelijk als wij daartoe aangemaand werden door den Heere zelve, onder de zelve bevel onder welke wij volgens die algemeene gevoelens aldaar verzamelden, die leven gereed zijnde van de laatste en alles beluitende fiool

  

Toen in 1827 de conferentie-deelnemers weer bijeen waren, vertelde de Schotse geestelijke Robert Story over christenen uit zijn omgeving die voorbeeldig waren in hun levenswandel en die bijzondere krachten vanuit de Heilige Geest bleken te bezitten.

Hij roemde daarbij Isabella Campbell wiens levensgeschiedenis hij beschreef in "Peace in Believing, a memoir of Isabella Campbell of Fennicarry". Deze Isabella was sterk onder de indruk geweest van het boek van Lacunza die haar helderheid gaf in stukken uit de Heilige Schrift die tot dan toe duister geble­ven waren.

Een andere vrouw waardoor de Heilige Geest zich openbaarde, was een zekere Mrs. Johnstone. Haar man, een scheepsbouwer, had een knecht James Grubb ge­naamd. Deze Grubb stierf in 1828. Na een leven zonder God werd hij op zijn ziekbed bekeerd. Daarna kreeg hij merkwaardige beelden waarvan hij de bijzonderheden nimmer meedeelde, maar die volgens zijn zeggen, ook aan zijn meester, wiens sterven hij als op handen zijnde aankondigde, voor diens dood kenbaar gemaakt zou worden. Wel gaf hij te kennen dat het betrekking had op een groot werk Gods dat binnen niet al te lange tijd in de kerk openbaar zou worden.

 

De derde Albury-conferentie had als thema: "The True Hope of the Church reviewed" (De ware hoop der vernieuwde kerk). In deze bijeenkomst werd veel duidelijk over de betekenis van het begrip "Eerstelingen" en dat de ontslapenen als eersten zouden opstaan volgens 1. Kor. 15.

De laatste Albury-conferen­tie was dus in juli 1830. Ongeveer tien van de deelnemers werden later lid van de Katholiek-Apostoli­sche Gemeente, anderen trokken zich terug.

Eén van hen, de voorzitter van alle conferenties en de pries­ter van de plaatselijke kerk te Albury, Hugh MacNeille, werd een besliste tegenstander van het apostolische werk en predikte er tegen.

De verslagen over de conferenties 1827-1829 werden door Drum­mond vastgelegd in drie lijvige boekdelen: "Dialogues on Prophecy". De slotverklaring luidde:

   "... dat het onze plicht is om voor de herleving van de gaven, zoals ze in de oerkerk bestonden, te bidden. Zo daar waren: Wijs­heid, erkenning, geloof, gezondmaking, wonderen doen, profeteren, onder­scheiden der geesten en verschillende vormen van tongentaal. Deze verantwoor­ding ligt op ons, om te informeren over de toestand der gaven, waarvan gezegd wordt, dat ze in het westen van Schot­land aanwezig zijn.

Het is onze plicht, de geestelijken die uit hun ambt gezet zijn wegens hun trouw getuigenis, te ondersteunen".

 

Vanaf 1829 werden de resultaten van de conferenties en verdere geloofsvraagstukken uitgedragen door middel van een kwartaaltijd­schrift "The Morning Watch, Journal of Prophecy" dat geredi­geerd werd door John Tudor.

Dat blad bestond tot 1833.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE WERKZAAMHEDEN VAN ENIGE ALBURY-DEELNEMERS

 

In het begin van de negentiende eeuw heerste er onrust in Europa. Napoleon en zijn legers hadden grote delen in hun macht en er werd volop strijd gevoerd. Nederland werd vanaf 1806 “geregeerd” door Lodewijk Napoleon maar niet naar de wens van zijn broer, de keizer, en daarom in 1810 van zijn taak ontheven.

Vanaf die tijd werd ons land een Franse “provincie”. Het bewind van Lodewijk was gematigd en hij was populair onder het volk. Zelfs een “oranjeklant” als Willem Bilderdijk, in 1795, tegelijk met Willem V in ballingschap gegaan, keerde terug  en werd bibliothecaris en leraar Nederlands van Lodewijk Napoleon, overigens onbegonnen werk.

Ook Engeland, de Fransen  werd door de troepen van de keizer aangevallen, ze kwamen zelfs tot op de Theems, maar tot een belegering kwam het niet.

 

De houding tegenover de Joden was veranderd. Dat Luther in 1543 een boek geschreven had met de titel

“Von den Juden und ihren Lügen”, waarin o.a. weer de terechtstelling van Jezus weer naar voren kwam en meer van dat soort fraais, werd in de “vergeethoek” gestopt.

Dat de Joden in de tijd van Luther, part nog deel hebben gehad aan deze kruisiging, daaraan werd voorbijgegaan.

Later zou het evangeliseren onder de Joden krachtig aangepakt worden, met name vanuit Engeland.

 

In 1801 kwam Joseph Frey met Palm en Ulbricht (over deze twee is niet meer bekend) vanuit Berlijn naar Engeland om een bijeenkomst bij te wonen van de toenmalige “Missionary Society”. Dit gezelschap was opgericht in 1795. Later werd de naam gewijzigd in “The London Missionary Society”. Het viel Frey op hoe de Joden in Londen leefden en hij begon met evangeliseren onder hen.. In 1805 zocht hij aansluiting bij de “London Missionary Society” en stichtte een school voor Joodse kinderen. Later werd een oude Franse kerk in gebruik genomen die de naam van “The Jews Chapel” kreeg, om lezingen en diensten voor Joden te houden.

Namen van mannen die in deze diensten voorgingen zijn o.a. J.W. Cunningham en W. Marsh, die we ook  later terugvinden als deelnemers aan de Albury-conferenties.

Weer wat later werd de “Palestine Place” gehuurd voor de duur van 99 jaar. Hiervoor werd op 7 april 1813 de eerste steen gelegd door de Duke of Kent in het bijzijn van o.a. William Wilberforce en Lewis Way.

Op 16 juli 1814 werd dit kerkgebouw, dus speciaal voor christelijke Joden, geopend.

Toen op 14 maart 1815 een nieuw reglement werd opgesteld werd de Society een onderdeel van de Church of England.

 

De levensloop van Lewis Way is opmerkelijk. Hij beschikte over weinig geld. Op een dag passeerde een Mr. John Way zijn huis en zag zijn naam op de deur staan. Lewis en John Way maakten kennis met elkaar en toen de oude man overleed liet hij Lewis een fortuin na van 300.000 pond met de bepaling deze te gebruiken voor de eer van God.

Lewis Way hoorde dat er een Society was om het evangelie onder de Joden te brengen. Deze Society verkeerde in geldnood. Way doneerde 20.000 pond met de bepaling dat het oude bestuur moest aftreden en het hele beleid aan kerkmensen overgedragen zou worden. Dat werd geaccepteerd.

Zelf nam Way zestien joden in zijn huis op, onderwees en doopte hen.

In 1817-1818 kwam Lewis Way op eigen kosten naar het vasteland en bezocht o.a. Nederland waar hij een geopend oor vond. Het gros van de Joden in Nederland was arm. Slechts enkelen werkten als bankier of waren rijke kooplieden.

De komst van de Joden in ons land valt in twee perioden te verdelen. De eerste periode is rond de negende eeuw, ze zijn dan vooral te vinden in Vlaanderen, Brabant en Gelderland. Rond 1370 werden ze verdreven.

De tweede golf is van het einde van de zestiende eeuw. De toen opgerichte Republiek der Vereenigde Nederlanden was een veilige haven voor de Joden uit Spanje tijdens de gruweldaden van Philips II en de fanatieke Mary van Engeland. Deze asielzoekers waren meestentijds Marranos of Nieuwe Christenen.

Hun voorouders in Spanje hadden voor de schijn, uit lijfsbehoud, het christendom aangenomen.

Voor hun nazaten die de wijk uit Spanje namen waren de Europese grenzen gesloten, of het verblijf in die landen was niet gunstig. Dat in tegenstelling tot de Republiek der Vereenigde Nederlanden waar ze zich vrijelijk konden vestigen.

De eersten kwamen hier rond 1590 en in Amsterdam werd in 1598 een synagoge opgericht. Deze stad werd niet voor niets “Nieuw-Jeruzalem” genoemd. Volledige burgerrechten werd in 1619 verkregen. Bekende namen waren o.a. Uriel Da Costa (een voorvader van de latere Isaac da Costa), en Baruch Spinoza.

Willem van Oranje ontving van de jood Baron Suasso een miljoen gulden om de invasie naar Engeland te kunnen financieren.

Tussen de Askenazie joden, die wat later vanuit Duitsland vluchten, en de aristocratische Sefardim gaapte een diepe afgrond.

 

Uiteindelijk beliep het aantal Joden in Nederland zo’n 100.000 waarvan er ongeveer 75.000 in Amsterdam woonden. Nu zou het een onbeduidend getal zijn geweest, maar het Nederland van die dagen telde ten hoogste 2 ½  miljoen inwoners.

 

In Rotterdam, waar Lewis Way en zijn helpers aankwamen, maakten ze kennis met een jood met de naam Erasmus, genoemd dus naar de grote humanist.. Deze bracht hen in kennis met de hoofdrabbijn in die plaats, maar ondanks het werken van Way lukte het niet de rabbijn te overtuigen. Hij noemde het Nieuwe Testament een “onheilig ding”.

Anders was zijn broer in Den Haag, ook rabbijn, die het Nieuwe Testament wel aanvaarde.

Maar, zoals al geschreven, de grootste concentratie Joden was te vinden in Amsterdam. Velen van hen accepteerden de christelijke boeken en twee drukkers wilden de traktaatjes van de Society drukken voor eigen risico.

In 1822 werd een kapel opgericht met A.S. Thelwall als voorganger en als assistent E.H. Simon die het Nederlands goed beheerste. Door de Society werd veel gedaan om de Joden met het evangelie bekend te maken.

Ze werden daarbij krachtig ondersteund door Isaac da Costa en Abraham Capadose. Op  hen komen we later terug.  

 

Rond die periode werd ook de vijfde conferentie van de Society gehouden in de Freemasons-Hall met bekende sprekers die we ook weer ten dele bij de Albury-conferenties vinden, zoals William Wilberforce, Lord Calthorpe, John Owen en J. Haldane Stewart.

Overigens zijn Isaac da Costa en Abraham Capadose later, rond 1851 in dezelfde Freemasons-Hall te vinden, waar ze spreken voor de Evangelische Alliantie en ook weer over de evangelisatie onder de Joden. Da Costa schreef er een verslag over onder de titel Een-en-twintig dagen te Londen, (Amsterdam, Höveker, 1852).

In 1823 was Henry Drummond, later betrokken bij de Catholic Apostolic Church, vice-voorzitter van de Society. Sprekers voor de Society waren in die periode (1820-1829) o.a. de al genoemden Lewis Way en William Wilberforce, maar ook een Henry Drumond en Edward Irving.

 

Joseph Wolff werd geboren in 1795 of 1796 in Weilersbach, destijds en klein plaatsje in Beieren. Zijn vader was rabbijn van de stam Levi.

Na vele omzwervingen, waaraan we nu voorbijgaan, kwam Wolff terecht in het Vaticaan, bij de congregatie voor propaganda, om daar opgeleid te worden. Door zijn onafhankelijke opstelling maakte hij zich daar niet geliefd.

Zo zei hij dat de kerk niet het recht had om mensen te verbranden, zoals in de middeleeuw was gebeurd. De rector vroeg: “Hoe wil je dat bewijzen, Wolff”. Wolff antwoordde: “Dat is duidelijk. Gij zult niet doden”.

Waarop de rector: “Mag een herder een wolf doden als deze de kudde aanvalt?” Wolff: “Een beest is geen mens”. De rector: “Zeventien pausen hebben het zo geleerd”. Wolff: “Dan hebben zeventien pausen het verkeerd gedaan”.

Tijdens deze hele conversatie stonden twee mannen in de deuropening, Henry Drummond en Hallyburton, de latere Douglas of Edinburg. .Ze kwamen brieven brengen aan Wolff van o.a. Pestalozzi en Fellenberg vanuit Zwitserland.

Wolff ontving in die tijd ook veel bezoek van zijn vrienden zoals Niebuhr, Bunsen en Brandis. Bepaald geen aanhangers van de Rooms-Katholieke leer. Uiteraard werd Wolff’s positie bij de congregatie voor propaganda onhoudbaar. Wel waren de leerlingen en opleiders amicaal tegenover hem. Op een dag zonden ze hem een grote taart die hij meenam naar zijn kamer. De volgende morgen nodigde hij zijn vrienden uit, de Duitse artiesten, katholiek en protestant, en gebruikte met hen het diner met de taart. Buiten stonden de leerlingen en lararen zich te verbijten omdat hij de taart verorberde met ketters.

 

Op een avond arriveerde bij Wolff een brief van Henry Drummond waarin deze schreef: “Wolff, vlucht uit Babylon”. Wat noch Wolff noch Drummond wisten was dat de post gecensureerd werd. Nu werden s’avonds, na het avondgebed, alle deuren van de kamers van de leerlingen afgesloten.

Wolff schreef een brief aan kardinaal Litta met o.a. daarin de opmerking: “De protestanten van Duitsland hebben gelijk, de congregatie voor de propaganda zit verkeerd”. Aan een vriend schreef hij: “Als Christus niet voor iedereen de dood inging, hoeft niet iedereen hem te aanbidden”.   

De volgende dag kwam Litta naar Wolff’s kamer, zei dat hij de brieven gelezen had, en dat het grootste gedeelte onzin was.

In dezelfde tijd ontving Wolff brieven van Testa, de prive-secretaris van de paus, waarin deze hem schreef dat hij in gevaar verkeerde. Tevens schreef Testa aan Litta waarin deze vroeg Wolff te bschermen.

Litta antwoordde: “Dat kan ik niet langer”.

Enige dagen daarna kwam een kleermaker naar Wolff’s kamer en nam zijn maten, een schoenmaker kwam en mat de maat van zijn voeten, een hoedenmaker kwam en nam de maat van zijn hoofd. Wolff wist niet wat er gaande was.

Op 15 spril 1818 stuurde kardinaal Litta Wolff en briefje met de vraag hem te ontmoeten.

Tijdens deze ontmoeting zei Litta: “Jouw gevoelens, mijn beste Wolff, zijn nu bekend”. Al zijn brieven aan o.a. Bunsen waren gelezen. “Ik heb dat doorgegeven aan paus Pius VII. Deze zei dat je verwijderd moet worden. Je moet terug naar Wenen. Hier zijn twee brieven, één voor kardinaal Lanta in Bologna en één voor graaf Leardi, de pauselijke nuncius in Wenen. Nu moet je met iemand naar een huis waar je moet blijven tot je uitgezet wordt”.

In dat huis vond Wolff de kleding en schoenen waarvoor de maten genomen waren. Daarna verliet hij het huis onder begeleiding van een heer die in werkelijkheid lid van het Heilig College, m.a.w. de inquisitie, was.

Onderweg ontmoette hij Bunsen waartegen hij zei dat hij onderweg naar de inquisitie was. Bunsen rende naar Niebuhr en vertelde hem dat.

Wolff werd naar monsigneur Degeler gebracht, de advocaat van het Heilig College. Hier werd hij vijftien uur onder arrest geplaatst en mocht zijn vrienden niet ontmoeten.

Om 3 uur s’morgens kwam een koerier van het kabinet van de paus, geescorteerd door 25 leden van de Zwitserse garde, om hem buiten het Vaticaan te zetten.

 

Toen hij buiten op straat was ontmoette hij een Engelse dame. Wolff vroeg haar of ze Henry Drummond kende. Dat was inderdaad het geval, ze was speciaal gestuurd om hem op te vangen. Ze bracht hem naar het huis van een Prof. Levade en zei: “U moet naar Engeland gaan. Henry Drummond wacht op u. Wij zullen alles nazenden”.

De naam van de Engelse dame was Greaves. Zij was een zuster van de man die negen jaar eerder miss Fancourt, die bedlegerig was, in de naam van Jezus bevolen om op te staan en te lopen.

Allen vertrokken naar Lausanne waar ze iemand ontmoette van de Whitchall Chapel, ds. Thomas Jones, die met Wolff naar Engeland zou gaan.

In juli 1819 arriveerden ze in Geneve waar Jones, samen met Wolff, een ontmoeting had met zijn oude vrienden van Jones, Empaytaz en Madame d’Armnaud, die hij via Madame de Krüdener in 1816 had leren kennen.

Samen met Jones kwam Wolff in Parijs aan waar hij een elegante man leerde kennen, Robert Haldane.

Deze Schot, met een enorm fortuin, leidde een dissidente groep binnen de Schotse kerk. Tussen Jones en Haldane boterde het niet zo goed.

Daarom werd besloten dat Wolff met Robert Haldane en zijn vrouw, naar Engeland zou vertrekken.

Zo reisden ze samen naar Calais en vandaar naar Dover. Wolff reisde door naar Londen.

Daar begaf hij zich naar Charing Cross, waar Drummond’s bank gevestigd was. Drummond bracht Wolff onder bij een mrs. Stennet en een week later in zijn eigen residentie, England House, Kensington.

Bij Drummond thuis maakte Wolff kennis met Lewis Way en Simeon. Er groeide een hechte, levenslange, vriendschap tussen Drummond, Wolff en Way.

Samen met Drummond bezocht Wolff enige kerken, maar niets kon hem boeien. Tenslotte zei Drummond:

“Wolff, ik zie wat je nodig hebt”, en bracht hem naar de Joodse kapel op Palestine Place, Bethnal Green Road.

Dat beviel Wolff beter en zo werd hij lid van de Church of England, maar voelde zicht niet gebonden.

Hij ontving de sacramenten van een Dr. Steinkopf in de Lutherse Kerk, en de volgende zondag van een dienaar van de Church of England.

 

Wolff zou tot missionaris opgeleid worden in Stansted Park te Cambridge. Daar leerde hij velerlei op het gebied van het missiewerk. Tijdens deze studie maakte Wolff kennis met een man met de naam La Roche. Deze arriveerde in Cambridge zes weken na Wolff. Van hem leerde Wolff het e.e.a. Arabisch, Perzisch en Chladees. De opleiding zou dus twee jaar duren maar werd  … veel langer dan de tijd die voorgeschreven waren. Dit tot grote ergernis van Drummond die hem schreef:

“Mijn beste Wolff,

Het doet me pijn dat je zolang bij de London Society for promoting Christianity among the Jews blijft. Wat kan je van hen leren wat je zelf nog niet weet. Zeg hen dat ze je onmiddellijk moeten uitzenden, en als ze dat niet willen, doe ik het zelf. Bij de Church of England heerst net zoveel trots als bij de Kerk van Rome”.

Wolff antwoordde:

“Mijn beste vriend,

Ze willen dat ik hier nog iets langer blijf, zodat ik meer weet over de wereld. De Society is tot nu toe teleurgesteld over elke Jood die uitgezonden werd. Eén werd Mohammedaan, een ander een dief en een derde een zakkenroller. Ik blijf hier om ze te laten zien dat er ook eerlijke joden zijn. Ze willen me enige maanden met Lewis Way wegzenden om de wereld beter te leren kennen”.

Drummond antwoordde:

“Je bent al net zo groot in kennis als mijn vrienden Lewis Way en Chales Simeon. Wat kan je over de wereld leren in Stansted Park? Kennis over de wereld kan je alleen leren in de wereld”.

Daarop trok Wolff naar Portmouth om voor de Joden te prediken, waarvoor hij een briefje zond aan Way’s moeder: Beste Mr. Lewis Way. Ik weet je het misschien tegen de regels is, als ik je vertel dat ik ga prediken voor de Joden in Portmouth. Ik ga daarheen zonder je instemming.

 

Wolff wilde Stansted dus nog niet verlaten, want hij kon zichzelf nog niet scheren, thee zetten enz. Hij schreef dat aan Drummond en Way. Drummond schreef daarom aan de Society: “Het is inderdaad een Joodse Society! Oog om oog, tand om tand. Ik sta niet toe dat jullie Wolff nog langer houden. Ik zend hem zelf uit!”.

 

Maar nu ging de Society overstag en stuurde Wolff naar Gibraltar en Malta. Voor Gibraltar scheepte hij in op 17 april 1821. Na twee maanden trok hij naar Malta waar hij contact opnam met Cleordo Naudi, agent van het Britse bijbelgenootschap en de Society. Deze had al vele bijbelgedeelten in het Maltees vertaald.

In 1816 had Naudi kennis gemaakt met Henry Drummond die toen op Malta was. Henry Drummond had steeds contact met hem gehouden. Om kort en goed te gaan: in 1835 vertrok Naudi naar Engeland, sloot zich daar aan bij de Katholiek-apostolischen en ging als Evangelist naar Malta terug, waar hij overigens kort daarna overleed.

 

Terug naar Wolff’s bezoek op Malta in 1821, waar Naudi alle tijd had om hem bij te staan. Mr. Joseph Greaves stuurde Wolff naar een rijke Jood, Ben Simra, die net bezig was in zijn warenhuis temidden van vele Joden en Engelsen. Toen verteld werd wat Wolff kwam doen was zijn reactie negatief en toen Wolff verzocht om in de synagoge te mogen prediken werd hem dat geweigerd. Een slecht begin voor zijn missiewerk. Later vinden we Wolff terug in Arabië en in de Sinaï. Hier vandaan schrijft hij vele brieven aan Drummond en Bayford.

Veel van deze correspondentie staat afgedrukt in het boek “Travels and adventures of the rev. Joseph Wolff … late missionary to the Jews and Muhammadans in Persia, Bokhara, Cashmer etc. (London, 1861).     

    

Toen Wolff, tijdens een “tussenstop”, in Londen arriveerde zocht hij contact met Edward Irving. Over Irving had Chalmers gezegd: “Hij is net zoals de zon die zijn licht verspreid”. Het was negen uur s’avond en de Irvings waren niet thuis. Een achtergelaten briefje zei hem dat hij hen kon vinden in het huis van Lady Olivia Sparrow.

Daaar was het de eerste keer dat Wolff voorgesteld werd aan Lady Georgiana Walpole, dochter van de Earl of Oxford. Zij trouwden in februari 1827, waarbij Wolff ook het Britse staatsburgerschap ontving.

Tegen elf uur vertrokken de Irvings en Wolff naar huis. Wolff zei tegen Irving: “Ik kan mezelf niet scheren, kan je me morgen een barbier wijzen?” “Hoe laat”, vroeg Irving. “Om zeven uur” was het antwoord.

De volgende morgen om zeven uur werd er op Wolff’s deur geklopt. Toen hij “binnen” riep trad Irving in de kamer met de uitrusting van een barbier. Irving schoor hem met vaste hand, vele dagen lang.

Korte tijd daarna wandelden Wolff en Irving in de nabijheid van Oxford Street, waar voor de etalage van een boekhandel een kleine oploop was. In de etalage stond een karikatuur waarop Irving te zien was terwijl hij een wolf stond te scheren. Dat tot groot ongenoegen van Irving.

 

Wolff en Lady Georgiana waren dus in februari 1827 getrouwd, in april vertrokken zij naar Amsterdam om het evangelie onder de Joden te prediken. Ook maakte hij hier kennis met da Costa en Capadose. Wolff doceerde aan het Athenaeum van Amsterdam en de universiteiten van Utrecht en Leiden. In Amsterdam zocht Wolff  contact met een vooraanstaande Joodse advocaat, lid van de gemeenteraad, die echter niets van het christendom wilde weten. Daarop vertrok Wolff met Lady Georgiana naar Zeist waar hij een ontmoeting had met Mr. Reichardt, demissionaris van de London Jew’s Society. In Zeist in de Hernnhüter gemeenschap (Broedergemeente), waar mannen en vrouwen gescheiden leven. Tesamen met Reichert bezochten ze enige kerkdiensten van de Hernnhüters. 

 

Toen Wolff in Londen vertoefde bij. het gezin van Irving kwam ook de uitnodiging om de conferenties op het landgoed van Drummod bij te wonen. De Albury-conferenties.

De dialogen die daar gevoerd werden, werden gebundeld. De sprekers hanteerden fictieve namen. Zo was Wolff “Josephus” en Irving “Athanasius”.

 

We zullen Wolff niet verder volgen op zijn vele verre reizen. Het “spreken-in-tongen” heeft hij nooit kunnen accepteren en hij is ook nooit meegegaan in het katholiek-apostolische werk’ De vriendschap echter tussen Drummond, Irving voor zolang deze nog leefde, en Way heeft altijd voortgeduurd.

 

 

 

 

 

WONDERBAARLIJKE GENEZINGEN IN SCHOTLAND EN DE GEVOLGEN DAARVAN

 

Naast de Albury-conferenties was er nog een gezelschap dat zich bezig hield met bijbelonderzoek. Zij kwamen in Londen samen in het huis van Mr. Tudor. Daar bestudeerde zij, Tudor, Sir Drummond en Dr. Thompson, speciaal het boek Ezechiël.

 

Gedurende de jaren van de Albury-conferenties had een grote geeste­lijke herbeleving in verschillende kerken plaats gevon­den.

In de Rooms-Katholieke kerk kwam tweemaal per week een groep bijeen om de Heilige Schrift te bestuderen. Hierbij speelde de bekende Anglicaanse geestelijke Newman een belangrijke rol. Deze werd in 1845 ook Rooms-Katholiek.

Nicolas Armstrong, geestelijke in de Ierse Kerk, mocht niet langer over het wederkomen van de Heer prediken en trok zich terug. Zo werden vele dienaren in de leidende kerken verhin­derd hun overtui­ging uit te dragen.

Ondertussen kwamen in Schotland wonderlijke zaken openbaar en, zoals al geschreven, op de laatste Albury-conferentie in 1830 kwam dat ter sprake.

In Schotland waren de geestelijken Campbell, Story, MacLean, Tait, Dow en Erskine begonnen om over de levende Christus en over de liefde Gods als enige bron tot redding der mensheid te predi­ken.

Niet alleen predikte maar schreef John Campbell of Row ook over de weder­komst des Heren, dat God alle mensen lief had en Jezus aan het kruis genageld was ter wille van de mensheid. Dat strookte niet met de toen in gelding zijnde predestinatie-leer en hij werd daarom, evenals Irving, uit zijn ambt gezet.

Het waren deze mannen die in Schotland een belangrijke rol speelde voor de latere gebeurtenissen..

Alexander Scott, assistent van Irving in de kerk op Regent Square, was in de herfst van 1829 in Schotland.

Hij sprak toen met vele christenen die de diensten van Camp­bell regelmatig bezochten. Zo ook met een jonge vrouw uit Fennicarry, Mary Camp­bell. Deze ontmoeting zou niet zonder gevolgen blij­ven. Irving schreef hier later over:

"... een jonge vrouw met een vaste wil en heldere geest. Het was Scott niet mogelijk haar van het verschil tussen wederge­boorte en doop met de Heilige Geest te overtuigen. Hij is weggegaan met de ernstige vermaning om goed de Handelingen der Apostelen door te lezen, vooral met het oog op dat verschil" (Hand. 8).

Deze raad heeft Mary Campbell opgevolgd en het geloof groeide in haar zoals ze zelf nadien in een brief schreef.

 

Na het overlijden van Isabella Campbell was haar zuster Mary het middelpunt geworden waar vele oprechtte christenen graag op bezoek kwamen. Mary was een gracieuse vrouw met een prettig gezicht, zachte ogen en met deemoedig neergeslagen oogleden. Ze was zeer verstandig en ondanks haar slechte gezondheid bijzonder goed geïnformeerd over alles wat zich op kerkelijk terrein afspeel­de.

Mary leed al anderhalf jaar aan tering en hartklachten die haar krachten volkomen gesloopt hadden. Volgens haar arts, Dr. Bryce, was ze niet meer te redden en zou niet lang meer leven. Als godvruchtige vrouw was ze veel in gebed verzonken en had de gave der profetie. Zij ervoer dat de Heilige Geest door haar werkte en dat zij beelden over toekomstige gebeurtenissen ontving.

Op een zondagavond lag Mary in op bed, zo verzwakt dat ze zelfs haar hoofd niet meer kon optillen. Ze zei niets maar was in stil gebed. Toen twee vriendinnen haar kwamen bezoeken, stond zij plotse­ling op en kwam uit bed. Ze praatte in een taal die niemand verstond. Apostel Paulus beschrijft dit spreken in vreemde talen in 1 Kor. 12:10. Bij Mary Campbell kwam deze gave op­nieuw openbaar. Toen viel ze weer op bed en werd weer zwak zoals tevoren. Dat alles speelde zich af op 21 maart 1830. Een week later herhaal­de zich deze gebeurtenis.

 

Goede vrienden van de Campbells, die ook de diensten van Ds. John Campbell of Row bezochten, woonden in Port-Glasgow, aan de andere kant van de rivier de Glyde.

George, James, Margaret en Mary MacDonald. Ook zij bezaten een sterk geloof, baden ernstig en leidden een Gode welgevallig leven.  Margaret was echter zwak en bedlegerig en vaak in visionaire toestand. Ongeveer op hetzelfde ogenblik dat Mary Campbell op 28 maart in de kracht van de Geest sprak, overkwam Margaret dat ook. Zij schreef daar later over:

"... omdat Mary zich erg ziek voelde en niet genegen was bezoek te ontvangen, werden een paar coupletten van de 106e psalm gezongen.

Terwijl de aanwezigen zongen "Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid", werd ik overweldigd door het gevoel van Gods aanwezig­heid en gedwongen uit te roepen: "De eeuwigheid, de eeuwigheid zal nooit haar diepten openbaren".

Ik was geheel overweldigd door de heilige Geest en zag niemand meer van degenen die in de kamer waren, maar ik hoorde de bazuinen Gods luid in mijn oren klinken. In de geest zag ik de Heer intrekken in de Heerlijkheid des Vaders. Ik werd gedwongen naar een spoedige openbaring van deze Heerlijk­heid te roepen en dat al het vlees het zien mag."

De familie was verbijsterd en dachten dat ze spoedig zou sterven.

Op de morgen van de 14e april 1830 zei ze: "Vandaag zal een geweldige uitstorting van de Heilige Geest plaats vinden." Daarna sprak ze uren achtereen over het "wonderfull work of God".

Toen de beide broers naar gewoonte 's middags tegen etenstijd naar huis kwamen hield ze een lange toespraak die ze afsloot met een gebed voor haar broer James, dat hij vervuld zou worden met de macht en de kracht van de Heilige Geest. James zei daarop bijna onmiddellijk: "I have got it."

Hij liep naar het venster, bleef daar enige minuten staan, liep naar het bed van zijn zuster, vatte haar met de woorden "verhef je en sta op" bij de hand, waarna ze opstond en met hen het middagmaal gebruikte.

James McDonald voelde zich door de Heilige Geest gedreven hierover aan Mary Campbell te schrijven die op dat moment er weer ernstig aan toe was. In de naam van Jezus beval James haar om op te staan en naar hen toe te komen.

De woordelijke tekst van James' brief luidde:

 

Aan Mary Campbell,

Fernicarry.

 

Geliefde zuster!

 

Verhef je stem met ons, laat ons Zijn naam verhogen want Hij heeft grote dingen aan ons gedaan en heilig is Zijn naam.

Er is altijd nog een macht in de naam van Jezus, ja alle macht in de hemel en op de aarde. Onze lieve Margaret mocht Zijn stem horen. Ze mocht opstaan, springen en lopen. Het geloof in Zijn naam heeft haar de gezondheid terug gegeven terwijl wij daarbij aanwezig waren. Ze is nu onze Eersteling in het werk van de Heer dat Hij wil doen en dat niemand ver­hinderen kan.

Lieve Mary, leg alle ongeloof terzijde want dat is van de duivel. Luister ook naar Gods stem, sta op en wandel!

Mijn innig geliefde in de Heer, sta op en wandel! Bedroef niet de Heilige Geest. O, doe dat niet, ik smeek je dat.

Christus heeft ons allen nodig om in Zijn naam te getuigen. Hij kan zich niet langer terug stellen, daarom bedroef Hem niet maar verhef je en roep luid, want de grote dag is nabij gekomen, spoedig, zeer spoedig.

O, verhef je, geliefde, en spreek voor Jezus. De tijd is kort, ja korter dan wij denken, daarom roep luid voor de zielen.

Wij willen ons vanavond hier (in Port-Glasgow) verzamelen en we willen gemeenschappelijk bidden (ik schrijf dit met toe­stemming van de heilige Geest), dat de kracht van Jezus komt over alle aanwezigen.

Wij willen Hem danken voor alle heerlijke dingen die in Zijn naam gebeurd zijn in de achterliggende dagen.

En in Zijn naam willen wij over deze gebeurtenissen getuigen en Hij zal onze gebeden verhoren.

We hebben ons aan Zijn leiding overgegeven en van nu af aan zullen wij altijd Zijn getuigen zijn, waarheen wij ook gevoerd zullen worden.

Ik heb de Heilige Geest ontvangen die de mensen en de duivel weerstaan zal. Als die wil zullen mensen en duivel te schande gezet worden.

Mijn lieve, lieve, lieve zuster het is de geest van het gezonde verstand waardoor ik dit schrijf en ik weet dat die geest je betuigd dat het zo is. wij hebben hier grote dingen doorleefd, want Jezus sprak door een worm zoals ik er één ben, tot onze innig geliefde Margaret en ze is nu helemaal gezond en ik ben ervan overtuigd, dat dit pas het begin van het wonder is. De mensen hebben nu een luide stem nodig en de Heer zal hun een donder­stem geven, zoals een leeuw brult met zijn stem. De wijsheid van de verstandige mens zal belachelijk gemaakt worden.

Hij heeft een lange tijd rust en vrede bewaard, nu echter is die stilte onderbroken en machtig en sterk zal nu Zijn stem te horen zijn.

Nu, geliefde, leef wel. Mijn middagpauze is afgelopen. Wij treffen ons voor de Heer en Hij zal ons horen.

Groeten van liefde, ook aan je lieve familie.

                               Je, in de Heer Jezus tekenende

                               James MacDonald.

 

 

Zoals Mary later vertelde werd ze bij het lezen van deze brief door een “geestelijke kracht” gevangen.

Ze stond op, kleedde zich aan en ging met haar zuster naar het schip om naar het huis van de MacDonalds te gaan.

James MacDonald was er zo van overtuigd dat Mary gezond en wel zou komen dat hij reeds onderweg was naar de aanlegsteiger. Het schip was echter vroeger aangekomen. Teleurgesteld ging James naar huis, daar waren Mary en haar zuster al aanwe­zig.

Ze ervoeren het als werkelijk genezen door de gave der gezond­making door middel van de heilige Geest zoals  Paulus be­schrijft in 1 Kor. 12:9. Weinige dagen later maakte de vader van Mary Campbell de deelnemers van een gebedsbijeenkomst opmerkzaam op het woord van apostel Paulus in 1 Kor. 14:13 en sprak een gebed uit om de gave der uitlegging.

Daarop sprak James MacDonald in een vreemde taal met korte volzinnen. Zijn broer George kon het woord voor woord verta­len. De eerste zin luidde: "Ziet, Hij komt, Jezus komt"!

 

Naar aanleiding van vragen die hem gesteld werden schreef Rossteu­cher later:

"Misschien wekt het verwondering dat de heilige Geest in deze tijd het eerste gebruik maakte van vrouwen. Hier werd antwoord op gegeven door middel van een profetie die later kwam: "God heeft de zwakke uitverkoren om de machtigen te beschamen en opdat geen vlees zich zou roemen."

 

Overigens weigerden de MacDonalds de latere gebeurtenissen te aanvaarden. Om te erkennen dat de heilige Geest ook door anderen zou kunnen werken viel hen te zwaar.

Zij huurden op eigen kosten een kapel te Greenock waar ze zelf predikten en de sacramenten bedienden. Spoedig heerste bij hen wanorde en fanatisme. De gebroeders MacDonald stierven kort na elkaar in de zomer van 1833. Hun gemeente leidde een kwijnend bestaan en werd uiteindelijk opgeheven.

Margaretha trouwde in 1832 met een Anglicaanse geestelijke, dr. Norton.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EDWARD IRVING, ZIJN LEVEN EN WERK

 

Abide with me, fast falls the eventide,

The darkness deepens, Lord with me abide!

When other helpers fail, and comforts flee,

Help of the helpless, O abide with me.

 

                      Henry F. Lyte, 1846.

 

 

Eén naam is op de voorgaande bladzijden al herhaaldelijk geval­len, namelijk die van Edward Irving.

Voor buitenstaanders en tegenstanders belichaamde hij zozeer het begin van dat nieuwe werk dat daaraan de naam "Irvingisme" werd gegeven en de leden daarvan Irvingianen genoemd werden. Dat heeft Irving ten zeerste bedroefd want het was zijn vaste overtuiging dat hij slechts een werktuig in Gods hand was en dat het werk geleid werd door de heilige Geest, maar dat de betiteling Irvingianen lange tijd gebruikt werd was voor een deel te wijten aan de Engelse apostelen zelf.

Zij beschouwden zich niet als zelfstandige kerk, daarover verderop meer, maar als een werk dat onder meer tot taak had de gehele christenheid te verenigen onder het vernieuwde apostelambt.

Daarom werd ook steeds de uitdrukking: "afdelingen der christen­heid" gebruikt, als er gesproken of geschreven werd over andere kerkge­nootschappen.

Pas in 1847 werd de naam "Catholic Apostolic Church" algemeen in gebruik genomen en werden bordjes met die naam op de kerk­gebouwen gehangen.

Dat de naam van Irving werd verbonden aan het godswerk, is echter niet uniek. Tot op de huidige dag wordt gesproken over "Lutheranen" en "Calvinisten". Irving zelf schreef over het gebruik van zijn naam aan het eind zijn leven een brief aan zijn gemeente, vanuit Schotland.

"Oh, wat heeft het me altijd pijn gedaan, dat mijn naam werd verbonden met het werk van de Heer.

Zeer vaak heb ik mij in mijn gebeden beschaamd en bedroeft gevoelt, want er is geen andere naam dan de naam van Jezus. Ik heb gesmeekt dat de Heer mijn naam weg zou nemen, maar de achtergrond zou dringen, voor de naam van Zijn hooggeboren Zoon. Het is, inderdaad, mijn voornaamste troost, nu ik zo ver bij jullie vandaan ben, mijn kinderen en geliefde broeders, dat het openbaar zal komen, ook voor de vijanden van het werk van de Heer, hoe weinig ik ervoor heb gedaan, hoe weinig ieder van ons ervoor heeft.gedaan, om het veilig te stellen tegen ont­siering en tegenwerking."

 

Wie was deze bijzondere man, deze Edward Irving?

 

Hij werd geboren op 4 augustus 1792 in het plaatsje Annan en overleed op 5 december 1834 in Glasgow. Tijdens zijn leven was hij predikant van de Schotsche Nationale Kerk en als belangrijke theoloog heeft hij een omvangrijk literair werk nagelaten.

Van 1833-34 was hij de eerste  Engel (Bisschop) van de katholiek-apostolische Centrale Kerk te Londen. Irving is vaak valselijk bestempeld als oprichter van het naar hem genoemde “Irvingianisme”. De charismatische manifestaties bestonden al voordat Irving ze toeliet. Verder heeft Irving de katholiek-apostolischen als zelfstandige kerkgenootschap nooit meegemaakt.

.

Irving’s vader Gavin verdiende als leerlooier de kost maar voor tien perso­nen, moeder Mary Lowhter en acht kinderen, was het zeer karig.

 

Tot z'n dertiende jaar bleef Edward in het ouderlijk huis. Hij werd onderwezen door Adam Hope, een enigszins merkwaardige man met eigen ideeën over les geven. Bekendheid heeft hij o.m. gekregen door een schoolboekje over Engelse grammatica dat hij schreef.   

Deze Adam Hoope was ook de onderwijzer van de bekende Thomas Carlyle. Later zouden hij en de apostel met dezelfde naam verwisseld worden. Beiden Irving en Carlyle zouden vele ontmoetingen met elkaar hebben en goede vrienden blijven.

Het enige waarin Edward Irving in die tijd uitblonk was athle­tiek. Dat is altijd zo gebleven want hij kon hele lange af­standen wande­len waarbij alle anderen achterbleven. Het was vooral door de invloed van Hope dat Irving besloot om wiskunde als vak te kiezen. Hope was een "afvallige" van de (Schotse) National Kirk en met een aantal volgelingen ging hij elke zondag tweemaal lopend naar het zes mijl verder gelegen Ecclefechan waar diensten werden gehouden door Ds. Johnstone die eveneens een dissident was. Edward ging elke zondag mee ter pelgrimage, hij was toen tien jaar en hield dat tot z'n twaalfde vol, tot zijn vertrek naar Edinburgh, samen met zijn broer John. Daar bezocht hij de hogeschool waar hij eerst een klassieke studie van vier jaar ontving om daarna een vierjarige theolo­gische studie te beginnen.

Nauwelijks achttien jaar oud werd hij aangesteld als wiskunde­leraar op een kleine school in Haddington waar hij ook bijna vier jaar werkzaam was. Daar gaf hij ook privé-lessen wiskunde aan Jane Welsh, de dochter van de plaatselijke arts.

Voor deze privé-lessen ontving Irving in de periode 1811-1812 ongeveer 15 pond. Jane was toen elf jaar maar hopeloos ver­liefd op haar leraar. Later stelde hij Jane voor aan Thomas Carlyle en deze twee trouw­den.

De interessante briefwisseling van het beroemde echtpaar met beroemde persoonlijkheden in hun tijd, is in boekvorm versche­nen:  The Collected Letters of Thomas and Janes Welsh Carlyle, ed. By C.R. Saunders, Durham, 1970. Beide boeken bevatte kritiek op de preekwijze in die tijd en het bracht nogal wat opschudding teweeg, met name onder de geestelijkheid,

 

Irving stapte na deze vier jaar over naar een grotere school in Kirkal­dy. Daar bouwde hij de eerste kleine kring van ken­nissen op, vooral omdat zijn bibliotheek met werken van o.a. Gibbon en Hume geliefd was.

Met Thomas Carlyle voerde Irving altijd ellenlange ge­sprekken. Beide jongemannen zouden in de komende jaren zorgen voor heel wat op­schudding in Groot-Brittannië!

 

Edward Irving gold als een bijzonder strenge leraar en maakte zich niet erg geliefd. Er werd weldra dan ook een tweede school geopend.

Hij toefde toen veel in de pastorie van Ds. Martin, zijn naaste buurman. Diens dochter, Isabella, werd Irvings verloof­de.

In 1815 legde hij het examen theologie af en ontving vergun­ning om als predikant te werken in Kirkcaldy en hij combineer­de dat drie jaar lang met het vak van onderwijzer.

Als predikant trok hij echter nauwelijks gehoor en verhuisde daarom weer naar Edinburgh. Hier bracht hij een jaar met studie en in eenzaamheid door. Hij woonde in een bescheiden huis in de Bristo Street en gaf, om aan de kost te komen, weer privé-les wiskunde.

Omdat de aantrekkingskracht van zijn preken gering bleven besloot hij om zendeling te worden en naar Perzië te gaan. Toen bijna alles daarvoor gereed was, ontving hij een uitnodi­ging van Dr. Thompson uit Edinburgh om voor hem en Dr. Chal­mers te komen prediken. Dat gebeurde in juli 1819 in de St. Georg's Church.

Op aanbeveling van Chalmers werd Irving in oktober 1819 geroe­pen door het presbyterium van Glasgow om hulpprediker van Chalmers te worden.

Met volle inzet en vreugde ging hij aan de arbeid. In de armste buurten en meest beruchte huizen ging hij bijna dage­lijks op bezoek en betrad de huizen met de aloude apostolische groet: "Vrede zij in dit huis".

Deze vrede was wel hard nodig want juist in die jaren waren de wevers van Glasgow in opstand gekomen tegen hun behoeftige omstan­digheden. Irvings medeleven met deze paupers maakte hem bemind en ge­acht.

Ook in Glasgow bouwde hij een kring rondom zich op om over allerlei zaken van gedachten te wisselen.

Maar ook hier vond zijn hart geen rust en vrede en hij vatte opnieuw het plan op om zendeling te worden.

De Presbyteriaanse gemeente van Kingston op Jamaïca had al een beroep op hem gedaan.

Weer, toen hij op het punt stond om te vertrekken, werd op hem een beroep gedaan door de kleine, armlastige Caledonische Chapel, met slechts 50 gereserveerde zitplaatsen, Hatton Garden in Londen. Deze Caledonian Church was een sluimerende buitenpost van de Church of Scotland.

 

In juli 1822 stond Irving voor het eerst op de preekstoel van deze gemeente.

Hij werd een geliefd maar ook berucht predikant. Het overkwam hem vaak dat hij in het vuur van zijn betoog terugviel in de plaatse­lijke taal van zijn geboorteland. Hij trok weldra de aandacht van velen waaronder leden van het parlement en autoriteiten op het gebied van kunst en wetenschap.

Volgens Mrs. Oliphant, de biografe van Irving, waren ook koning Georg IV en de minister-president, George Cunning (1770-1827), regelmatig in de kerk aanwezig.

Zijn bekendheid bleef niet alleen tot Londen beperkt. Op z'n reizen door Schotland sprak hij vaak in de open lucht en trok dan 10 tot 14.000 toehoorders. In 1823 verscheen zijn eerste publikatie, voornamelijk van de preken die hij tot dan toe gehouden had. De titel was dan ook "Orations". "The Argument for Jugdment to come" volgde spoedig daarna.

 

Het werd er niet beter op toen hem in 1824 gevraagd werd om op het jaarfeest van het Londense Missie-gezelschap te spreken. Tot ontstelte­nis van het bestuur hield hij een referaat van vier en een half uur over de betekenis van de zendeling in aposto­lisch perspec­tief.

 

Op 13 oktober 1823 trouwde hij met Isabella Martin, waarmee hij al vele jaren verloofd was geweest, in Kirkcaldy.

 

Irving bleef schrijven over zijn geloofsovertuiging. In 1826 verscheen "Babylon and Infidelity Foredoomed of God" waarin hij een uitgebreide studie over het boek Daniël publiceerde, vooral met het oog op de toekomstverwachting. In deze jaren leerde hij ook Samuel Taylor Colerid­ge kennen. Deze Coleridge was een zeer bekende poëet die ook veel werk van Schiller in het Engels had vertaald en enkele essays over filosofie en theologie had geschreven.

 

Zo groot werd de toeloop dat voor Irving een nieuwe, grotere kerk werd gebouwd op Regent Square. Dezelfde kerk waarin enige jaren later, rond 1852, de Costa en Capadose een conferentie zouden bijwonen.

In 1827 werd deze kerk geopend waarbij Dr. Chalmers predikte. Chalmers was zeer beroemd en werd graag gehoord zodat al drie uur voor aanvang van de kerkdienst alle plaatsen bezet waren. Irving zou als inleiding een hoofdstuk uit de bijbel voorle­zen. Tot ergernis van Chalmers koos hij het langste hoofdstuk en had daar anderhalf uur voor nodig.

Bij een andere gelegenheid vroeg Chalmers aan Irving om het kort te houden. Irving beloofde dat en had "slechts" een uur en veertig minuten nodig. Het Presbyterium klaagde dikwijls over deze lange preken maar Irving liet zich niet beperken.

Zo groeide uit de onbekende Schot een alom geacht prediker die door zijn gemeente geliefd werd en hoorders uit alle maat­schappelijke lagen trok.

 

Uit die periode zijn er ook vele anekdoten over hem in omloop gekomen. Zo ook de volgende:

"Op een avond, het was streng winterweer was ik (schrijft Carlyle) aanwezig bij de Irvings toen er een pietepeuterig klein briefje kwam dat gebracht werd vanuit een duister cafe­etje in de Holborn Street.

Het was een briefje van ene Macbeth. Alweer geruïneerd (temp­ted, o how cunningly, to my old sin) ben al drie uur aan het drinken, kan nu niet meer staan en heb geen geld meer. O, help een hulpeloze zondaar!

De overgrote meerderheid van de aanwezigen gaf als mening: Och, die is niet meer te helpen.

Maar Irving sprak na enkele minuten van diep nadenken: "Nee, niet totaal".  Hij schoot meteen een jas aan.  Zijn vrouw volgde zijn voor­beeld en deed geld in zijn zak. Edward betaalde het gelag van de arme ziel, zo'n twaalf pond, nam hem mee naar huis, meer slepend dan lopend en bracht hem naar bed.

Twee weken later kwam Macbeth het bed uit, weer opnieuw in de kleren gesto­ken, geschoren en gewassen."

 

De grote bekendheid van Irving en zijn vertaling van het boek van Lacunza over het komen van de Heer, waren voor Henri Drummond aanleiding hem voor de eerste Albury-conferentie in 1826 uit te nodigen, samen met Wolff, zoals hiervoor al geschreven werd.

Op een zondag in oktober 1827, toen Irving in zijn preek voor de gemeen­te weer gesproken had over de menselijke natuur van Jezus, kwam een man de consistorie binnen die hem enkele vragen wilde stellen.

Of Irving werkelijk geloofde in een menselijk lichaam van de Heer als een zondige substantie, of hij werkelijk geloofde dat het lichaam van de Zoon Gods sterfelijk, verdorven en bederfe­lijk als elk menselijk lichaam was. Irving bevestigde dat.

Kort daarop verscheen een brochure van ene rev. Cole waarin Irvings stellingen fel aangevallen werden.

Deze antwoordde daarop met de brochure "Christus heiligheid in het vlees". Daarbij bleef het voorlopig.

 

Leed bleef Irving ook niet bespaard. Toen hij op een zondag­avond in juni 1829 in de kerk van zijn schoonvader in Kirkcal­dy predikte, stortte een galerij in waarbij dertig slachtof­fers te betreuren vielen.

 

In 1828 verscheen "Homilies on Baptism"  dat hij opdroeg aan zijn vrouw Isabella en zijn twee vroeg ontslapen kinderen, Edward, geboren 22 juli 1824, overleden 11 oktober 1825,  doch­ter Mary overleed in 1828.

Uit het huwelijk van Edward en Isabella werden zeven kinderen geboren: Ebenezer, Edward, Mary en Samuel die allen al vroeg overleden, en Margaret (1825-1853), Isabella en Martin (1831-1912).

De brief waarmee Irving het boek aan zijn vrouw zond, is één getuigenis van liefde en geloof. Daarom hieronder de volledige tekst:

 

Aan Isabella Irving.

Mijn vrouw en moeder van mijn twee ontslapen kinderen.

 

Mijn geëerde en lieve vrouw,

 

Ik geloof met heel mijn hart, dat de betekenis van de heilige sacramen­ten, welke zijn opgenomen in deze preken, bekend zijn gemaakt aan mijn geest. Vooral met het doel om ons voor te bereiden op het verlies van onze oudste jongen. Want in precies dezelfde week waarin jij met hem naar Schotland ging, waarvan hij nooit terugkeerde, werd mijn geest geleid om na te denken en te prediken over de verhandelingen die het aanzien van de gedoopten bespreken en die de zesde en zevende leerreden over de doop vormen.

Ik geloof dit, ook omdat voordat onze kleine Edward door de hand van God in Schotland was aangeraakt, ik geleerd werd deze inzichten aan jouw in brieven openbaar te maken. Deze brieven hebben, dankzij Gods genade, jouw geest overtuigd.

Voort geloof ik het ook omdat de gedachten uit deze twee leerreden in mijn geest bewaard gebleven zijn als een niet ontkiemde zaad. Totdat deze begoten werd door de tranen die wij vergoten hebben door de dood van onze Mary.

Vanaf die tijd voelde ik dat de diepere betekenis van de doop, die aan ons is geopenbaard, bij wijze van bijzondere troost, niet aan ons gegeven is alleen ten behoeve van deze ene gebeurtenis.

Daarom heb ik besloten, ondanks elk risico, deze gedachten die ons zo getroost hebben, door te geven aan alle vaders en moeders in de christe­lijke kerk.

Graag zeg ik dank aan de Ouderlingen van de Schotse Kerk. Hun geloofsartikelen met betrekking tot de sacramenten en in het bijzon­der de zin daaruit die ik als motto boven dit boek heb ge­plaatst en die in Gods hand als instrument hebben gediend om mijn ogen te openen voor de diepere betekenis van de bijbel inzake de Doop en het Heilig Avondmaal.

Overtuigd door Gods zegen, van de waarheid van de woorden van de Ouder­lingen en van de woorden van de eerbiedswaardige Richard Hooker, vond ik dit zo'n meesterlijke behandeling van het hele onderwerp sacramenten, dat ik niet aarzel mij achter hen te scharen en zijn woorden beschouw als de mijne.

Om deze reden heb ik delen van Hooker's bespreking over de leer van de sacramenten in mijn boek opgenomen, alsmede die zin uit onze eigen geloofsartikelen, als motto boven mijn boek.

En nu, mijn lieve vrouw, beproefd met verdriet door de Heer met het wegnemen van onze twee lieve kinderen, laten wij vol zijn met gebed en medegevoel voor hen die op dezelfde wijze worden beproefd, en boven alles die kinderen van de christe­lijke doop ijverig van dienst te zijn, die Christus aan mijn zorg heeft toevertrouwd als een opziener en Herder van Zijn kudde.

Aan allen en aan hen die door mijn hand aan Zijn volk zijn toege­voegd, draag ik nu mijn vaderlijke zege in de Heer af. Dat de Heer je moeder mag laten worden van veel kinderen, om Zijn naam te verheerlijken in eeuwigheid. Dat is het gebed van je liefhebbende man,

Edward Irving.

 

In mei 1828 was Irving aanwezig bij de vergadering van de General-Assembly in Edinburgh.

Hij logeerde toen bij Chalmers en zou een aantal lezingen houden over het onderwerp "profetie". Hij had zich voorgenomen de hoogle­raren te bekeren en Chalmers antwoordde daarop fijn­tjes dat hij het prettig vond om te horen dat Irving zo heel lang bij hem wilde logeren. Ook hier vonden zijn preken, die hij s' morgens om vijf uur hield, grote belangstelling.

Chalmers scheef: "Hij trekt ongelofelijke aantallen mensen. Wij probeer­den vanmorgen ons door de drommen mensen toegang tot de Andreaskerk te verschaffen, maar tevergeefs.

Hij verhuisde naar de Westkerk maar ook deze, de grootste kerk van onze hoofdstad, is keer op keer bomvol".

Chalmers heeft zich later ook nooit openlijk van Irving afge­wend, hoewel hij het volstrekt niet eens was met zijn ideeën. In 1830  namen zij, definitief, hartelijk afscheid van elkaar.

 

Geschreven werd al over John Campbell of Row die, in tegen­stelling tot de strenge predestinatie-leer van de Schotse kerk, de univer­sele verlossing predikte.

Edward Irving werkte dit verder uit in een driedelig werk, "Last Days", dat in 1828 verscheen.

In juni 1831 moest Campbell of Row voor de General-Assembly verschij­nen die hem uiteindelijk uit het ambt zou zetten.

"Wij", zo schrijft Irving, "kwamen toen bijeen om te bidden dat de kerkvergadering in haar beraadslagingen en uitspraak door de Heer geleid zouden worden en voegden daarbij onze smeekbeden tot God en verhieven onze stemmen om apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren, gezalfd met de Heilige Geest en de gaven van de Heer. Wij baden elke morgen om half zeven en de Heer wachtte niet lang met de verhoring en beantwoording van onze gebeden. Hij was ons nabij en er kwamen profetieën en voorzeggingen in vreemde talen".

 

Pas 25 jaar na zijn afzetting schrijft John MacLeod Campbell het belang­rijkste werk over de universele verzoening: "The Nature of the stonement and its relations to remissions of sins and eternal life" (1855) en krijgt als een soort rehabi­li­tatie in 1870 een eredoctoraat aan de Universiteit van Edin­burgh.

 

Irving zag een duidelijke lijn in de werkingen van de Heilige Geest. De genezing van Mary Campbell en anderen in Schotland, de genezing van de verlamde Mrs. Fancourt in Londen en de smeekbeden uit het gehele land om nieuwe gaven en ambten. Ook in zijn eigen gemeente, waar hij vaak predikte over het komen van de Heer, kwamen de gaven des geestes openbaar. De eerste keer was dat op 25 augustus 1831 in de consistorie.

"Jehova, hoor ons", sprak Taplin.

De volgende morgen, vrijdag 26 augustus 1831, tijdens de ochtend­dienst van 6.15 uur klonk weer zijn stem: "U bent het, O Brittann­ië, U bent de gezalfde Cherub" en ook de volgende dag was de profetie te horen.

De kerkorde echter verbood het spreken tijdens de diensten door personen die geen ambt droegen en zeker gold dat verbod voor vrouwen.

Aanvankelijk wilde Irving de uitingen van de heilige Geest beperken tot besloten bijeenkomsten, "maar", aldus Irving, "ik ging op zekere morgen in de kerk en na het gebed stond ik op en zei: Ik kan onmogelijk verhin­deren dat datgene wat ik erken als de stem van de heilige Geest, zich zou laten horen. Ik voel het, ik heb reeds te lang getalmd en ik zal u voorlezen uit hetgeen de Heer ons zegt over de Profeten.

Ik sta hier voor uw ogen en kan het niet langer verhinderen, maar nodig veel meer in de naam van de Heer Jezus, het Hoofd der Kerk, allen die in deze kerkelijke vergadering zijn en die de gaven der Heilige Geest ontvangen hebben en daartoe door die Geest gedreven worden, van de vrijheid die hun verleend wordt, gebruik te maken."

Vanaf toen begon ook de Heilige Geest, het smeken om Aposte­len, zich tijdens de diensten te openbaren.

Het dagblad "The Times" berichtte hierover op woensdag 19 oktober 1831:

 

Ordeverstoring in de Nationale Kerk van Schotland.

 

Afgelopen zondag hield de eerwaarde E. Irving twee diensten over de bijzondere gaven van de Heilige Geest. Tijdens deze diensten werd de rust in de gemeente verstoord door personen die pretendeerden de gave van het spreken in tongen te bezit­ten.

In de ochtenddienst werd een dame, een zekere juffrouw Hall, op deze vreemde wijze begiftigd, gedrongen zich tot de gemeen­te te wenden waar ze, zoals ze zelf vertelde, niet in staat zijnde zichzelf te weerhouden, enige tijd in een onbekende taal sprak. Tot grote verassing van de gemeente die hierop niet voorbereid leek.

De eerwaarde hervatte 's avonds het onderwerp door te leren uit het twaalfde hoofdstuk van de laatste brief aan Korinthe. Hierbij maakte hij van de gelegenheid gebruik om op de gebeur­tenis van die ochtend terug te komen.

Hij sprak zijn twijfel uit of hij er goed aan had gedaan het uitoefenen van de gave in de kerk te verbieden en de dame gevraagd te hebben zich terug te trekken.

Op dat moment stond een jongeman in de galerij (de heer Taplin die een onderwijsinrichting heeft in de Castlestreet, Holborn) op van zijn stoel en begon een luidruchtige rede in een onbe­kende taal. De verrassing die dit veroorzaakte was enorm. De hele gemeente stond bevreesd op, verschillende dames schre­euwden luid, anderen renden naar de deur. Sommigen dachten dat het gebouw op instorten stond. Anderen dachten aan moord, althans aan een poging daartoe op iemand in de galerij. Iemand riep zelfs: "Houd hem tegen, laat hem niet ontsnappen.”

Tijdens beide diensten was de kerk uitzonderlijk vol, vooral tijdens de avonddienst, en het zou onmogelijk zijn de verwarring te beschrijven die dit vertoon van fanatisme voortbracht.

Er was een vreemd, onaards en buitengewoon krachtig stemgeluid genoeg om zelfs de dapperste te beangstigen.

Een groot gedeelte van de gemeente stond op hun stoelen om vast te kunnen stellen waar de oorzaak van het rumoer zich bevond, terwijl de eerwaarde met opgeheven armen af en toe om stilte riep. Het was een tafereel dat zowel belachelijk als subliem genoemd kan worden. Geen poging werd gedaan om de persoon te stoppen, die echter na twee à drie minuten zo uitgeput raakte dat hij ophield en ging zitten, waarna de eerwaarde de dienst beëindigde.

Velen waren zo geschrokken en anderen zo vol afschuw, dat zij niet meer naar de kerk terug gegaan zijn.

Anderen discusseerden in kleine groepjes voor de kerk over de juistheid van de beslissing van de eerwaarde dit te hebben toegela­ten. Al met al bracht de situatie een sensatie teweeg, die niet gauw door de aanwezigen vergeten zal worden.”

 

Na dit bericht verschenen nog enkele berichten over de gebeur­tenissen in de kerk van Irving in The Times. Steeds werd erop geha­merd dat dit in een staatskerk niet getolereerd kon worden. Ook het tijdschrift "The Record" trok, zij het in mildere mate, tegen Irving van leer. Al deze publicaties hebben ertoe bijgedragen dat hij weldra uit de kerk verwijderd zou worden.

 

In de avonddienst van 16 oktober 1832 waren circa 2.000 perso­nen verza­meld. In deze dienst verduidelijkte Irving dat Jezus het Hoofd der Kerk is en dat Hij in Zijn eigen huis Zijn eigen weg volgt. Daarna bekende hij in een gebed dat hij te lang geaarzeld had om de stem der profetie in de openbare godsdienstuitoefening toe te laten.

 

Na nog enige woorden ter belering en bemoediging der gemeente, barstte de stem van Mr. Taplin weer los, eerst in “tongentaal” en toen in verstaanbaar Engels: "waarom wilt u vluchten voor de stem Gods? De Heer is midden onder U! Waarom wilt u vluchten voor Zijn stem? Als u nu vlucht, waar wilt u zich verbergen op de dag des Oordeels?"

Het werk van de heilige Geest bleef niet beperkt tot de kerk op Regent Square. Ook in Liverpool, Buldock en andere steden brak het spreken in tongen, het profeteren, los. Lange tijd maande het kerkbestuur Irving om deze handelingen in de zondagmorgendiensten te verbieden maar Irving weigerde de heilige Geest aan banden te leggen.

Op 26 april 1832 moest hij voor de Trustees verschijnen. De aan­klacht tegen Irving luidde:

"Dat de rev. Irving geduld en toegelaten heeft en nog steeds toelaat, dat de openbare godsdienst in de genoemde kerk onder­broken wordt door personen die noch geestelijken, noch licen­taten (perso­nen die een academisch examen theologie hebben afgelegd) der kerk van Schotland zijn".

 

Hij wordt aangeklaagd wegens aanmoediging van de genoemde onderbre­kingen op bepaalde tijden als een opschorting van de gewone godsdienst plaatsvindt voor de genoemde perso­nen, die zeggen over gaven te beschik­ken.

 

De verdediging van Irving luidde: "Zie toch naar de toestand waarin ik mij bevond. Ik ben de leider van de kerk die ge­smeekt heeft, dat vele gaven in de kerk uitgegoten mocht worden. Ik geloof in de trouw van de Heer, dat mijn gebed een gebed vol geloof is en dat onze gebeden ver­hoord zijn. Zou ik niet geloven in datgene waar ik en allen om gebeden hebben? Toen het kwam gaf God mij alle gelegenheid om het te beproe­ven. Ik heb het beproefd naar Zijn woord en zal, zolang ik daartoe in staat ben, oprecht voor God deze zaken erkennen, wat daarover in de Heilige Schrift geschreven staat en dat wij in het geloof daaraan gedoopt zijn”.

Ook Irvings juridische verdediger, John Bate Cardale, pleitte voor het toelaten der gaven in de openbare godsdienstuitoefe­ning. Tevergeefs, Irving werd de toegang tot de kerk ontzegd.

Op 4 mei 1832 schreef een gemeentelid hierover:

 

"Je hebt in de krant kunnen lezen dat de kerkvoogdij niet lang aarzelde om het besluit van de kerkenraad (Presbytery) ten uitvoer te brengen. Zoals gebruikelijk ging ik op vrijdag naar Regent Square voor de vroege ochtenddienst van 6 uur.

Ik kan niet beschrijven wat er door mij heen ging toen ik onze geliefde priester blootshoofd zag staan voor de poort van de kerk waarvan hij zo vele jaren voorganger was geweest.

Hij was in gebed met een deel van zijn kudde rondom zich. Na het gebed werd een korte dienst gehouden. We besloten met het zingen van Psalm 23 (De Heer is mijn Herder).

Het was een ontroerend moment, we voelden inderdaad dat de Heer ons leidde en dat het ons aan niets ontbrak.

Rev. Irving las toen het besluit van de kerkvoogdij voor dat er de oorzaak van was dat wij in de open lucht moesten verga­deren en ook een begeleidend schrijven waarin stond dat de afgezette priester een onbe­rispelijk leven leidde en dat hij de Heer Jezus erkende als de schenker van de heilige Geest.

Na lezing van de brieven, waarop hij geen commentaar leverde, ging hij verder met de dienst waarin hij zei dat de Geest zou voortgaan met vreugdevolle uitspraken, ons opriep ons te verheugen over onze verlos­sing en dat de Heer grote dingen aan ons zou doen.

Voor we uit elkaar gingen vertelde Rev. Irving ons , dat hij met de ouderlingen en de diakenen overal zou zoeken naar een geschikte verga­derruimte voor de kudde en hij verzocht ons daar ook naar uit te zien en de Heer te bidden voor het wel­slagen daarvan. Hij vroeg ons allemaal om op zeven uur naar de poort van de kerk te komen waar een diaken zou staan om het adres te geven of om mee te delen dat er nog geen ruimte gevonden was."

De ouderlingen en diakenen waarover het gemeentelid schreef, waren Archibald Horn, David Blyth, Wm. Hamilton, Ducan Mackenzie, J. Nisbet, Charles Vertue, Alex Gillespie, John Thompson, J.Henderson, Tho. Carswell en David Ker. Enigen van hen zien we later terug binnen het katholiek-apostolische werk en Nisbet heeft later heel  literatuur van hun hand, uitgegeven.

 

De volgende morgen kwam de kudde weer samen voor de kerk. Op 6 mei 1832 werd de eerste dienst gehouden in Gray's Inn. Geheel ten onrechte schrijft Koehler, die als eerste in het Neder­landstalige gebied een dissertatie schreef over het apostolische werk (Het Irvingisme, eene historisch-critische proeve, 1876) in één van zijn stellingen: "Het bestaan van het Irvingisme dagtekent van 6 mei 1832, toen Edward Irving met zijn circa 800 aanhangers in de zaal van Robert Owen het Heilig Avondmaal vierde."

 

Na "Gray's Inn" werd een ruimte gevonden in de Newman Street.

Het had Irving grote zelfoverwinning gekost om profetische uitingen en het spreken in tongentaal in zijn gemeente toe te staan. Ook de gemeente zelf had aan deze manifestaties moeten wennen.

Toen dat allemaal zover was werd het binnen de kortst mogelij­ke keren bedreigd, er werd verwarring en onrust gezaaid.

 

De aanstichter daarvan was Robert Baxter. Baxter was een jonge en begaafde advocaat uit Doncester, lid van de Anglicaanse kerk. Hij stond bekend als een diep-gelovige man, actief met het bezoeken van zieken en behoeftigen in de gemeente waarvan zijn broer predi­kant was. Ook was Baxter zondagschoolonderwijzer.

Via een vriend werd hij op de hoogte gebracht van de gebeurte­nissen in Port-Glasgow en over de gang van zaken in de gemeente van Irving. Enige maanden lang ging hij, steeds als hij voor zijn beroep naar Londen moest, de gemeente in en uit. Baxter had een groot respect voor Irving, ook nadat hij gebro­ken had met diens gemeente.

Het eerste bezoek was in Augustus 1831 en daar hoorde hij voor de eerste keer Taplin en Emily Cardale met profetieën en tongentaal.

Zelf voelde hij de kracht van de heilige Geest in zich groeien en Irving gaf hem volop de gelegenheid zijn profetieën te brengen. En Baxter sprak veel. Niet alleen over de uitlegging van de Schrift maar ook over het komende oordeel, de heerlijk­heid van de huishou­ding Gods en het komen van de Heer.

Het uiten van profetieën was één maar vanuit welke Geest deze uitingen kwamen was iets waarvoor de Profeet een goed onder­schei­dingsvermogen moest bezitten.

 

Vaak had Irving het moeilijk met de profetieën van Baxter. Zo ook toen deze kwam met de mededeling dat Geest hem bevolen had weg te trekken van vrouw en kinderen, om als een pelgrim door het land te gaan.

Irving en Emily Cardale moesten vele gesprekken met Baxter voeren om hem ervan te overtuigen dat zulke zaken, het moed­willig verlaten van dierba­ren, niet vanuit de heilige Geest kon zijn.

Volgens Baxter kreeg hij de innerlijke raad om in de rechtszaal over het werk Gods te getuigen en over het komen van de Heer te spreken. Toen hij in de rechtszaal stond gebeurde er niets ...

Met Irving had Baxter vaak gesproken over het dopen met water én vuur zoals met Pinksteren gebeurd was. Na één van deze gesprekken meende Baxter dat het dopen met vuur bij hem zou worden voltrokken.

Dagenlang lagen Baxter en zijn vrouw urenlang op de knieën om God te bidden om een doop met vuur. Er gebeurde niets.

Baxter profeteerde dat een kind uit zijn nabijheid, nadat het gedoopt was, zou kunnen profeteren. Toen het kind gedoopt was gebeurde er weer niets.

Het niet uitkomen van deze profetieën, de weerstand tegen de vreemde dingen die hij verkondigde, brachten Baxter aan het twijfe­len. Niet alleen over zijn eigen woorden maar ook over de profeti­eën van Taplin en Emily en Mrs. Cardale.

Op een avond had hij een ontmoeting met een missionares uit Ameri­ka. Deze zei ervan overtuigd te zijn dat de Indianen de verloren Stam van Israël was. Baxter nam deze zienswijze over maar ondervond grote weer­stand tegen die opvatting.

Zijn werk bracht grote verwarring en verleiding in de gemeente van Irving.

Er moet echter aan toegevoegd worden dat enkele van Baxter’s profetieën bijzonderheden bevatte over het beginnende katho­liek-apostolische werk:

-hij sprak over een nieuwe ordening van geestelijken, aposte­len en profeten, wat inderdaad later gebeurde,

-hij profeteerde dat de 14. juli 1835 een dag van bijzondere betekenis zou worden. Op die dag vond de afzondering van de Engelse aposte­len plaats,

-hij verkondigde dat de bestaande christelijke kerken van God waren afgevallen. Deze mening leefde ook, zij het in minder radicale vorm, bij de katholiek-apostolischen,

-hij keurde de vrijwillige vorming van religieuze verenigin­gen, zoals het Bijbelgenootschap, sterk af. De latere kritiek van de katholiek-apostolischen was niet zo drastisch maar wel duidelijk. De vorming van deze verenigingen werd daarom afge­keurd omdat de hoop, de wereld door organisatie en gemeenzame menselijke inspan­ning te redden, niet de door God geopenbaarde weg was. Het zou kunnen uitmonden dat de "plicht tegenover God" onvolkomen werd, terwijl men ijverig bezig was om de plicht tegenover de medemens te vervullen.

 

Baxter beschreef zijn ervaring in een boek met als titel "Narrative of Facts".

Cardale schreef later: het boek had beter genoemd kunnen worden ëen boek van Baxter over Baxter’s handelingen en woorden, ter verheffing van Baxter”.

 

In het tijdschrift “Morning Watch”, een blad waarvoor Irving schreef maar waarvan de eindredactie in handen was van de latere apostel Tudor. Volgende brieven werden in het blad opgenomen. Reactie’s van bezoekers aan de kerkdiensten van Edward Irving.

 

Het onderstaande wordt gepubliceerd met toestemming van de betrokkenen

 

Op een van de laatste zondagen in september (1831), ik ben de juiste datum vergeten maar dat is ook niet van belang, bezocht ik, in gezelschap van mijn goede en dierbare vriend Mr. Ogilvy uit Bakerstraat,  de kapel van Mr. Irving.

Omdat we Mr. Irving nog niet eerder gehoord hadden, was ik in een zeer nerveuze stemming, gewaarschuwd door de berichten over Mr. Irving’s dienen en het tongenspreken, waarover in Londen verschillend werd gepraat. En ook voor zijn rhetorisch, expresief taalgebruik.

Mr. Irving begon met het voorlezen van de psalmen en in zijn verdere pogingen tot toelichting van de betekenis en de praktische toepassing in het leven van iedereen die het hoorde. Ik was hogelijk verrukt en bidde inwendig tot God dat Hij met mij zou laten lukken het waar te maken, als een waarachtig kind van Hem, en een van hen die werkelijk geloven in de bescherming door de Heer Jezus Christus.

Ik kan niet weergeven wat mijn persoonlijke gevoelens waren op dat ogenblik of andere zaken die mij onbekend waren, maar ik voelde dat ik nooit zo dicht bij God was geweest als toen ik deze goede man hoorde prediken.

Tijdens de preek, werd ik gelukkig, ofwel ik wil niet zeggen gelukkig, maar mijn ogen waren op hem gefixeerd, zijn woorden begerig verslindend elk woord dat uit zijn mond kwam als om de vele gevallen creaturen, zoals ik een ben, weer op te richten. Ik zag (maar misschien heb ik het verkeerd) dat gedurende de gehele preek en figuur achter hem op de muur van de kapel, vaak in de vorm zoals op de platen van onze Heer met opgeheven handen, zoals dat is tijdens de zegening.  Het leek mij dat het gezicht mild en weldadig was, het hoofd draaiende stralend in glorie, lichtend in de duisternis. Ik zei tot mezelf: Wat kan dat zijn? Is het een illusie, een fantasie. Ik sloot mijn ogen en bad en vroeg God om mij te verklaren wat er bij me omging, dat de Heer des levens hier was en Hij zegende de congregatie, maakte mij bewust van mijn zonden, en ik zag mikj onder Zijn vleugels als een vluchteling van zijn zonden.

Ik keek opnieuw op en zag het figuur langzaam en majesteitsvol oprijzen, toen viel het uiteen, rees weer op en waaierde van hoek naar hoek. Ik riep de wetenschap ter hulp, kwam het niet door reflectie van de glas-in-lood ramen, en dus een optische weerspiegeling? Ik probeerde het uit. Ik keek of er objecten waren die de beelden zouden kunnen veroorzaken, het altaar, de griffie, de lampen, die de beelden zouden kunnen veroorzaken.

Ik sloot mijn ogen, zong inwendig een lied, en toen ik ze openden zag ik niets bijzonders maar, draaiende naar Mr. Irving zag ik weer de figuren als voorheen. Nu sloot ik snel mijn ogen en weer snel op. Hetzelfde resultaat.

Zo sterk waren de beelden, dat ik genoeg tijd had om aan Mr. Ogilvy te vragen of hij niet hetzelfde zag als ik.

Zijn antwoord was “nee”.

Nu waarom werden zulke beelden alleen door mij waargenomen? Er waren er genoeg in dezelfde houding als ikzelf, ik heb geen oogdefect, ik ben niet lichtgelovig of bijgelovig. Ik zou nooit iets geloven voordat ik weet of het waar is en in het bijzonder op het gebied van religie. Ik  heb ook teveel vrees voor de boosheid van de almachtige God om dingen te zeggen die ingaan tegen Zijn wetten, maar het is een feit dat ik beelden waarnam.

Ik had geen gelegenheid om Mr. Irving opnieuw te horen, zoals ik van plan was. Ik wenste een ander persoon op het altaar, alleen om te onderzoeken of dat weer zou plaatsvinden. Mijn werkzaamheden verhinderen dat.

Maar god leidt alle dingen, misschien voor een nieuwe gelegenheid, en Zijn glorie.

 

7 Upper George Street, Bryanstone Square.                                          John Gray, Chirurg

 

De bovenstaande verklaring komt exact overeen met wat Mr. Gray me vertelde, tot in detail, over de gebeurtenissen – nu enkele maanden geleden- en in antwoord op de vele vragen die ik hem stelde. Ik had slechts een ontmoeting met Mr. Gray, ik denk precies op die dag, maar toen hij van mij hoorde over Mr. Irving, is hij naderhand speciaal, via een vriend de wens om me te vergezellen naar zijn kerk, en over wat ik heb gezien van deze heer en van de indruk die ik kreeg van onze conversatie op dat ogenblik –die fijn en eenvoudig was-  ik heb de meeste goede van zijn woorden vernomen. Het is misschien goed er aan toe te voegen, dat hijzelf zo volledig zeker is van de realiteit van wat hij heeft gezien, dat wij nauwelijks los kunnen maken van de menigte, komende uit de kerk, ernstig vroeg wat hij gezien had van de figuur die achter Mr. Irving stond op het altaar tijdens het grootste gedeelte van de dienst. Ik voelde een grote verbazing over deze kwestie, zoals ik het noemen mag, en dit groeide zoals ik opmaak voor zijn eigen rekening. En in antwoord op de kwestie wil ik het respecteren, gedurende een conversatie van misschien wel twee uur – terwijl we naar mijn huis liepen- en gedurende welke ik (could detect) geen discrepantie over iets heb.

Ik kan eraan toevoegen dat Mr. Gray dit figuur het beschrijft als een donkere schaduw op de muur –zoals een daarop geplaatst lichaan,  maar als lichtgevend en bewegelijk, af en toe voorwaarts, af en toe achterwaarts gaande, maar hoofdzakelijk bij Mr. Irving’s persoon, dan weer gaande naar de ene kant, dan weer naar de andere, zoals Mr. Irving bewoog, en continue zichtbaar gedurende het grootste gdeelte van de dienst, en ik denk dat hij het eerst gezien werd gedurende het voorlezen en uitleggen van het hoofdstuk, dus gedurende de dienst.

Mr. Gray verklaard dat de figuur langzaam oprees op verschillende tijden en discreet bleef  boven en achter Mr. Irving. Zowel het hele hoofd als een gedeelte van het lichaam was zichtbaar; de ogen, de mond en straalde mildheid en melancholie uit, met een invloed op de gehele omgeving. Hij zag de figuur vaker dan een keer en, van waaruit hij hem zag, dicht achter Mr. Irving, en rond het hoofd van Mr. Irving.

Verder betuig ik dat het plaats vond in de voormiddag, op een heldere dag en dat ik in dezelfde positie zat als Mr. Gray. Ik zag echter niets anders dan wat zich voor mij afspeelde.

 

15 Upper Baker Street, April 2, 1832                                                       George Ogilvy

 

 

    

 

Over de tekens der tijden; naar aanleiding van Irving’s The signs of the times;

met eenige bedenkingen van mij zelve over dat onderwerp, geschreven 1 Sept. 1829

Door Willem de Clercq.

 

Het onderstaande is een opstel van Willem de Clercq over het vernoemde boek van Irving. De Clercq was een groot bewonderaar van Edward Irving.

Wel had de Clercq een handicap: In zijn boek “Willem de Clercq, (1795-1844), uitgegeven in 1999,  van zijn nazaat W.A. de Clercq schrijft deze: “Willem ontvangt afzonderlijke schrijflessen van ene Walter. Later noteert hij: doch altijd slechts geschreven. Wel, daar kunnen zij die alle de dagboeken en brieven van de Clercq gelezen hebben, over meepraten”.

Ook bij het overnemen van het onderstaande is deze opmerking gebleken op waarheid te berusten. Hier en daar moest er naar geraden worden wat Willem had geschreven.

Lange tijd leek het erop alsof het werk dat in Engeland gestart was, in Nederland niet bekend was. Het tegenovergestelde bleek dus het geval. Zelfs de bijeenkomst in 1827 in Albury was hier bekend, zie hiervoor het

Verslagje dat eveneens geschreven werd door Willem de Clercq.

Dit stuk, “Over de teksns der tijden”, ligt voor in het handschrift van de Clercq maar in bovendien gelardeerd met gedeelten uit de, originele, Engelse tekst en met gedichten van Bilderdijk.

Behalve Willem de Clercq was ook een andere Nederlander goed op de hoogte van wat er in Engeland plaatsvond. H. Hentzepeter. Deze schreef ook vele boeken over de verwachtte wederkomst van de Heer, zo noemen we o.a. “De aanstaande wederkomst van onzen Heer, onder eene vyfde monarchij, volgens de Openbaringen van Johannes en de gezigten van Daniël”, dat verscheen in 1819. Hentzepeter schreef ook een brief aan enkele Albury-deelnemers, dat eveneens verscheen onder de titel: “Brief aan mijner vrienden in Groot-Brittannien over de eerste en der wereld, met betrekking tot de aanstaande groote gebeurtenissen voor de wederkomst van Christus op aarde”.

Maar hieronder volgt dus eerst de tekst zoals die geschreven werd door Willem de Clercq.

  

Zonderling is het dat bij de opwekking van der Evangelische geest, die zich gelijk God zij dank, in vele landen en ook zich voornamelijk in Engeland vertoont, het denkbeeld van de tweede komst van Christus als zeer aanstaande te beschouwen en dat naar aanleiding van de profetieën zoo in het O. Testament als van de welke in de Openbaring van Joannis vervat zijn, in het laatste land als zeer algemeen onder de gelovigen verspreid beschouwd moet worden en is dat denkbeeld bij vele vereenigd met dat van het millenium of duizendjarig rijk op aarde onder de personeele regering van Christus.

Dit denkbeeld is niet nieuw in de kerk – de meeste kerkvaders hebben dat denkbeeld echter zeer verworpen. De vleeschelijke opvatting van dat geweld en de daaruit gevolgde gruwelen van Jan van Leijden en zijn aanhangers, hebben het echter bij de bewoners gedecrediteerd, terwijl soortgelijjke overdrijvingen bij de Puniërs tijdens de opstand tegen Karel de 1e waarin Harrison, zoo ik meen een Regnum Millenanan had, eene niet min algemene blaam op dezelve hebben doen werpen.  Onderwijl, het komt hier op aan of een leerstuk op Gods woord gegrond is, en niet welk het misbruik zij dat er door de menschen van gemaakt is.

Ik beken dat ik lang, zeer lang, de Openbaring van Joannis ongelezen liet, en nu misschien nog huiverig zoude zijn om voor iedereen te bekennen dat ik dit verschrikkelijke boek, de Apocalypsis wiens naam alleen verschrikt, heb gelezen. Hoe heb ik mij dikwijls vrolijk gemaakt toen ik jong was, over eenvoudige menschen die, als zij den gehelen bijbel lazen, het boek niet meenden te mogen overslaan.

Mijn verwerpen van het zelve lag voornamelijk in de punten die ik ervan gezien had, en ik verbeelde mij niet meerder dan als dat er letterlijk voorspeld was, dat er een beest met tien koppen uit de zee zoude komen om de menschen op te eeten, dat letterlijk de Engelen alles zouden doen wat op der plaatjes boeken stond. Dat is een denkbeeld van de oudste tijden af in de kerk was der van Christen volgens de profeten even zeer op aarde en zijn heerlijkheid geopenbaard zoude worden, als hij dit in zijn vernedering was geweest, die was mij volstrekt onbekend, en van daar toen da Costa mijn zijn Israel overliet en ik daarvan hoorde,

         Ja een Messias gaat verschijnen

         Brul leeuw van Juda, brul hem tegen

         Stem in wiens nadern gij herleeft

Schemerde het mij wel wat voor de oogen, doch duidelijk was het mij niet. Da Costa gaf mij wel eenige denkbeelden doch ik zag dat echter aan als Joodsche gevoelde overblijfsels van zijne opvoeding. Dit Joodsch denkbeeld trof mij toch van Tweeduizend jaren voor de wet, tweeduizend jaar onder de wet, twee duizend onder den Messias en duizend jaren, meer onmiddellijk onder hen de Sabbath der Wereld. Toen ik da Costa niet meer zag, na mijn vertrek uit Amsterdam, had ik eerst nog geen liefde tot de Bijbel en geen lust tot onderzoek.

In dec./jan. schreef Messchert mij over de uitlegging van Stilling in zijn boek: Geschiedenis van de overwinning van den christelijke Godsdienst, die hij getroffen had, van de Openbaring en gaf mij een uittreksel van dat boek

vooral wat de tijdrekenkundige opmerkingen van Bengel betreft. .Ik durfde dat volstrekt niet aanvatten en schreef hem daarover in algemeene termen. Eenige tijd daarna gevoelde ik toch lust om Stilling te lezen, liet het werk komen, doch  sloeg het bijna niet op. De Profeten las ik twee maal in die tijd doch vergeestelijkte alles en deed alles slaan op het ingaan der kinderen in de kerk.

Nu en dan las ik onderwijl wel eens in de Openbaring en was getroffen van de Majesteit van derzelve, van de bevestiging dezer beelden, vooral van het leerstuk der Godheid van Christus, zoodat ik begon te gevoelen dat deze Openbaring niet een geheel afzonderlijk en willekeurig boek was dat niet van den Bijbel aflaten of er afdoet, maar dat hetzelfst de slotsom om dus te spreken was waarop het gehele gewelf rustte, daar er derzelve een innig verband was met alle de beelden der Profetie van den ouden tijd, en dat hetzelve eigentlijk de Profetie des Nieuwe Testament was, die in het laatste der dagen vervuld moet worden.

In deze stemming werd mij door mijn vriend Ragay het werk van Croly: The Apocalypse of St. John, a new interpretation, London 1827, aangeboden, hetwelk ik met grote belangstelling en volgaarne las.

Het zelve is uitmuntend geschreven Gods wil die ik bespeur in de Engelsche historie wordt er in de voorrede kracht gehandhaaft, en vele bijzonderheden troffen mij. Alleen zijne bepaalde toepassing kwam mij dikmaals gezocht voor, ik vond voorts zijn uitleggingen te veel door de indruk van het oogenblik (de strijd met de Roomsche) gewijzigd en nog het Ongeloof, nog het Mahenedanisme kwamen mij voor is hetzelve en genoegzaam plaats te beslaan. Nu kwam mij voor eenige weken de uitlegging van Den Sando: Versuch einer Erklärung der Offenbarung Joannis, durch Friedrich Sandor, Pastor zu Recklinghausen, Stuttgart 1829, door de vriendelijkheid van Van den Ham, in handen, dat ik ook met oplettendheid las, die in welke bijzonderheden met Croly geheel verschilt, doch het resultaat der algemeene oorlog, het onheil op aarde, de nabijheid van alle deze dingen, de val van het Pauselijk Rome, daarin komen zij volkomen over een.

Nu las ik Nov. Irving’s Signs of the Times, die zich aan het grote werk dat hij daarover schreef aansluiten en nu heb ik toch ook het een en ander daarover ter rede willen stellen.

Men vindt bij van Alphen in zijn boek Predikt het Evangelie aan alle creatuur noot op p. 243 eenige opgaven van hetgeen vroeger over deze zaak gedacht en geschreven is, en verder heeft in Engeland het boek van Irving*) veel invloed gehad. In Duitschland schijnt men eerst te beginnen met zich met deze zaak bezig te houden, doch in Italië schijnt er veel gewag van te worden gemaakt. Men verhaalde mij dat een Italiaan een boek geschreven had, waarin hij voorspeld dat in 1830 het rijk van de Paus zoude ophouden. Het getuigenis van de Spaansche monnik die aanleiding tot het werk van Irving gaf, is ook belangrijk. Men kan niet ontkennen dat deze overeenstemming iets zeer belangrijks heeft en meer daarbij voegen dat er juist een zegen wordt uitgesproken over hen die de woorden dezer profetie lezen (Namelijk Openb. 1 v. 3).

 

*) Irving vertaalde het werk van de Jesuit Imanuel Lacunza, genoemd La Venida del Mesias in Gloria y Majestad. Ik vind ook geannonceerd Irving’s Last Days,  (Zie La Cunza, Evang. Zeitung, Juni 1829).

Veel beweging maakt ook in Engeland het boek genaamd Dialogues on Profety  (zie hiervoor Ev. Kirch. van Feb. 1829). David Bogue is een der meest geachtte Engelsche Godsgeleerde. Hij heeft twee delen preken over het Milennium uitgegeven, die vertaald zijn geworden in het Fransch onder den titel van:

D. Bogue: Discours sur le Milennium. Zie de gunstige beoordeling van dat werk in de Archives Zur. 1827.

In de Engelsche lectures, heeft men op bekende wijze in de laatste tijd de profeten behandeld, b.v.

-          Heaven opened, or the world of God being the twilow visions of Nebuccadnezer. Daniel and St. John explained by Mrs. Addis

-          Faber Sacred calender of Prophecy

-          Woodhouse on the Apocalyps 8e-12e

-          A exposerer of religious and rock despotism in observations on the prophecy, by Thomas Parker

In Duitschland blijft Bengel altoos de voornaamste uitlegger wiens berekening dan ook gevolgd zijn.

Bij ons is de meest bekende uitlegging van de Openbaring van Joannis, die van Nettingen, die ook Jesaias commenceerd. Hentzepeter, een eenvoudig man in den Haag, heeft eenige werkjes geschreven in den geest van de heerschende verwachtingen in Engeland, doch zonder, zoo ik geloof, daarmede bezield te zijn. Een derzelve heet “De eerste en laatste dagen”.

Zu Bijl. Sc. Over een Fransch werk van Agcer te zijner tijd in de Revue gerecenseerd.

Bijl. B. eenig denkbeeld over de tijdrekening van Stilling en Bengel.

 

E. Irving: The Signs of the Times (de Clercq geeft ook de Engelse tekst die we hierbij niet vermelden)

Motto: Matt. 16 v. 3; Lucas 12 v. 56, Luc. 19 v. 42-44

 

Gelijkvormigheid van Gods oordeel over Zijn kerk onder de Joodsche bedeling en na dezelve:

 

  1. tijd van genade, steeds met afval en ongehoorzaamheid beantwoord
  2. oordeel over Gods volk gevangenschap van het zelve onder vreemde volken
  3. oordeel over de volkeren, dat het middel van Gods straf geweest zijn en verheerlijking van het volk van God

(Bewijzen hiervan uit het lied van Mozes, uit de propheten en de verschillende oordelen over Israel/ Oordeel der heidenen die Israel verdrukken, en de verhooging van Israel zeker steeds als gelijktijdige gebeurtenissen voorgesteld (Luc. 21 v. 21).

Vervulling van dat lijden der Heidenen-Ondergang

In de strijd dat het oordeel over de heiden en de verlossing van Israel nadert.

Eerste teken: In Daniël lezen wij dat de drie eerste koninkrijken zoo wel als het vierde tot straf van zijn volk zoude strekken doch dat o.a. het eerste van het vierde het eerste aller dingen zoude komen. Nu heeft het vierde beest het Roomsch rijk voorstellend nog zijn tien teens of koningrijks Assyrië en Babylon blijven bestaan onder de Turksche magt, de kl. 2 zoals Eupheates voorgesteld wordt, Persia blijft nog bestaan en de Grieksche monarchie is thans mede gegeven zoo dat nu het gehele beeld van Daniël mede vervuld wordt. Er zijn nog de vier rijken alle dien bestaan zoodat het slaan van de steen tegen de toren des beelds verwacht kan worden.

De Profetie zegt dat de meeste rijken voorbij zullen gaan, doch dat hun leven nog verlengd zal worden.

Wie hier gemeend wordt is niet moeilijk te begrijpen nog te raden.

Men keere zich tegen de vele aanmerkingen ten tijde van de geboorte van de koning van Rome gemaakt – de tegenoverstelling van Zijn wieg zoo kostbaar en prachtig, met de Kribbe des Heilands, de koningschap van Rome gemaakt hetwelk eene vereeniging van het leidend en geestelijk Rome scheen, der verzen waarin de koning van Rome genaamd wierd: een Sauveur ne’ d’une Marie.

In Engeland en sommige gedeelte van Duitschland vindt men ook personen die de koning van Rome voor de Antichrist houden.

Merkwaardig was dus de verschijning van het werkje waarin Bartheleny Mery de zoon van Napoleon die zij vergeefs zochten te naderen onder de naam van “Le fels et l’homme”, bezongen.

Tweede teken: De magt van den kleinen of geestelijken hoeren wordt door Daniël voorspeld. De magt van de valsche Propheet, dat is de Paus van Rome, wordt vermeld.

Brittanië was voor het toestaan der Emancipatie van der antikristelijke vereeniging der rijken onder den Paus uitgesloten, doch zoo Britt. haar verbod tegen de Paus intrekt en zijn magt toelaat (het werd voor de aanneming

in der Emancipatie geschreven) den zonde dat dit het tweede teken zijn en daaruit blijken dat de rijke wordt rijp waarvoor: het oordeel1

Derde teken: De profetie stellen ons dergenen  voor die de kracht van de Pauselijke Partei vereenigen zal, dezelve zal doen stukken tot vernietiging van het Beest/Rome/  doch die dan oorlog zal hebben, en verloren zal gaan. Men vindt dikwijls deze Propheten als of zij door twee menschen vervuld zal worden.

Dan vindt men den Prophetie ook in het 10-12 Cap. v.. Daniël

In het 11e vinden wij de verzen 21-40 geheel in Napoleon vervuld, doch de verzen van 40-45 moeten nog vervult worden. Geen afkomst van den Persen dat voorspeld wordt. Rijpheid van het Pauslijk gebied voor den val.

De Angel of magt om te schaden is derzelve reeds afgenomen.

Nog schijnt der nieuwe hoofd des ongeloofs verborgen doch het schijnt dat er afgewacht wordt of Engeland zich aan het Pausdom zal onderwerpen.

Vierde teken:  Staat er magt van den rijken die buiten het gebied van het Pauselijk Rome liggen. Terwijl het oordeel over het westen en zuiden uitgesproken wordt, het leven der drie eerste koninkrijke in herzien gewijzigd form nog verlengt wordt, zeer zij dat deze magt in het noorden zal opstaan (Dan. 11 v. 44). Ezechiels gezigt wegens de inval  van Gog en Magog. Bewijs uit de geschiedenis dat hier van de volken van Rusland en aan de Zwarte en Caspische zee gesproken wordt: deze vereenige zich tegen de kinderen van Israel in hun eigen land nedergezet. Groeiende magt in het Noorden. Deze magt van het Noorden met die van het Oosten vereenigd zal tegen de laatste koning van Rome optrekken. De koningen van de Oost: die na het opdragen van de  Eufraat zullen verschijnen, zijn de tien stammen van Israel uit de magt van hunne verdrukkers bevrijdt die zich vereenigen zullen met de gekochten, uit het mystisch Babylon bevrijd. – Welligt zal rust dit nieuwe rijk onder de bescherming van der zelfde Noorsche magt gesticht worden, die eindelijk er tegen optrekken en den laatste kamp zal wagen.

Vijfde teken: Gelijkheid van den tegenwoordige toestand. De maatschappij met die welke in de Openbaring van Joannis met het uitstorten van de zevende fiool, dat is dus de vernietiging van het pauselijk Rome geschilderd wordt. Een historisch teken wordt gegeven C. 16 v. 12. Dit wierd reeds in de vorige eeuwen (namelijk het opdrogen van de Euphraat) toegepast op de val van de Turksche magt die de Euphraat thans zeven eeuwen lang bezeten heeft. Maar vergelijke hierbij nu wat in Turkije gebeurt.

Eerst met het teken der drie onrijne geesten. die uit de mond van der draak komen, de draak, de geest van het heidensch Rome, de valsche Profeet als hij tegen over het beest gesteld wordt, is de geest van het Antichristendom en de roomsche kerk, de kleine hoorn van Daniël.

Het  beest afgescheiden van de Profeet is de geest des Ongeloofs. Deze drie geesten zijn dus Wetteloze magten – Pauselijk bijgeloof – en goddeloze afbreking en ongeloof. Deze drie geesten tot nu toe agterelkander in opvolging gewoed hebbend, zijn nu tegelijk losgelaten onder de zesde fiool: Magt nu niet van het beest zelve, maar van de geest van hetzelve namelijk van de beginsels. Verspreiding van de geest van het Pausdom van de eene, van dat van de goddeloze aan de andere zijde gedurende de tien laatste jaren – Geest van overheersching in de vorsten in hunnr heilig verband in alles om hunne magt te behouden. Innerlijke strijd in alle rijken, zo breuke tussen de partijen gedurig groter. Deze tijden zijn derhalve voorbereiding van de grote gebeurtenissen door de zevende fiool aangeduid (Op. 16:17).

Zesde teken: Geroep om vrede, vrede overal in onze dagen terwijl er ondertusschen geen vrede bestaat, terwijl er in alle standen   

Onder alle volkeren de verwachting bestaat dat zij de grote gebeurtenissen zullen zien, en de overtuiging heerscht, dat de zaken dus blijven kunnen zoo als ze zijn. In de godsdienstige wereld wordt Christus ondertusschen niet te gemoet gezien, er is juist het teken door Christus, zijne apostelen aangegeven: Ik kom als een dief, staat er in de zesde fiool en nu volgt de uitvoering van het oordeel onmiddellijk. Ongeloof aan Gods inwerking in de menschelijke zaken – Grote overwigt der wereldsche beslommeringen in onze dagen. Harde tijden van de nemer – Na inspeling v. Christus wegens de dagen van de zoon der Menschen.

 

Nu volgt eenige denkbeelden wegens het geen die het lot van Engeland zal zijn, het geen mij egter voorkomt geheel op veronderstellingen te rusten – waaronder die – naar aanleiding van het 60e Cap. v.a. Jesaias alwaar hij Eng.vindt onder het beeld der eilanden en van der Tharsis wiens schepen der zonen Israels mede zullen overbrengt na hun land – Het einde slaat nu bepaaldelijk op de toestand der Protestantsche kerk in Engeland met opzigt tot de Roomschen.

Het bovenstaande strekt meer om eenig denkbeeld te geven van de resultaten van Irving dan van zijne gronden. Hierin zoude men het geheel moeten herschrijven in de aangehaalde teijden in hun verband overbrengen en dan had nu nog een Extract van zijn grote werk. – Ik heb voor dat alles nog geen bepaalde denkbeelden.

De leerstelling van het ligchamelijke Israel komt mij niet voor duidelijk te blijken, doch zij weet dat de Heer ons gezegd heeft: Waakt want gij weet niet in welke ure de Heer des huizes komen zal, en zeker er zijn tekenen der tijden aanwezig.

Wanneer wij zouden nu verder agtereen te willen gaan,  ons slechts tot het laatste keer tans bepalen en nu is er zeker veel dat onze opmerking moet trekken, en vooral de bijzondere snelheid waarmede alles gegaan is, en steeds verder voort blijft gaan.

 

Dat het Bijgeloof sedert dien tijd een nieuwe kracht heeft gekregen, is onwedersprekelijk. Niemand toch had kunnen denken dan dat de Paus deze dat door de omwenteling geheel ter nedergeworpen scheen, dat dan Napoleon weer politiek hersteld werd en ook alles als politiek door zijn volgers scheen te worden aangewend weder zulk eene magt zoude verkrijgen, dat het in Frankrijk de partij der Revolutie zoude kunnen tegenhouden, niettegenstaand dezelve  – de ergerlijke geest der eeuw voor zich had Mazner als le Maitre en le Marnier zijn verrezen, die het Catholicisme bij een meer verlicht gedeelte van het publiek weder populair hebben gemaakt. Zien wij niet de Jesuiten die voor altijd tot de reeds vervlogen geschiedenis schenen te behoren, op eens weder herrijzen en een invloed uitoefenen, waarvan men geen denkbeeld meer had. Zien wij niet in Spanje, Portugal en Italië het katholicisme weder na de Middeleeuwen om dus te spreken, terugkeeren. Zien wij niet door de

 Napoleontische en het hart van Frankrijk de bijgelovigheid van vroeger eeuw hernieuwd worden en is het eindelijk niet treffend door de Paus en de Sultan tegelijk de banvloek tegen de Bijbelverspreiding te zien uitgesproken.

De verspreiding van het ongeloof schijnt van den eenen kant minder duidelijk, daar het niet te ontkennen is dat sints de laatste vijftien jaren de godsdienstige denkbeelden veld gevormd hebben, doch wanneer men het wel beschouwt bestond er toen onder de regering van Napoleon meer gehele onverschilligheid over alle geestelijke zaken, meer een geheel wegzinken in de zigtbare dingen, dan een practische geest des Ongeloofs die zich zocht uittestrekken, doch nu daarentegen zijn de geesten des ongeloofs en des bijgeloofs werkzaam.

Deze geest des ongeloofs, vertone zich nu minder in en deze de bestrijding der Evangelische waarheden, is het opkomen van nieuwe namen om aan het hoofd der strijders gesteld te worden, als in de voortdurende verspreiding van het eens reeds gestorte gif, en in de werking van die beginsele des omgeloofs welke wij van de Revolutie geërfd hebben.

Deze aanval is bedekter dan de vorige, doch minder gewelddadig schrike zij minder af en gelijk een zuurdesem des bozen, doordinge zij alle de inrigtingen, door van den eene kant de hoogmoed van den mensch te vleijen, en aan den anderen kant – steeds het schrikbeeld voor te hangen van het misbruik ’t geen de Roomsche kerk, van instellingen gemaakt heeft, welke op ware beginselen gegrond waren.

Men verklaart geen openlijke oorlog aan der geopenbaarde godsdienst, maar geeft haar zelfs eenige eer als ontwikkeling periode van het menschdom op eene zekere hoogte. De Hervorming den geheel valsch als het begin der Revolutie en als een burgerlijk en geestelijk oproer in plaats van eene hernieuwing en herstelling der eerste Christen kerk beschouwd wordt, is de tweede dezer periode en eindelijk de derde, is de Fransche revolutie, wier gezegende invloed nu nog voortduurt. Eenige practicale voordelen, die deze revolutie medegevormd heeft worden hemelhoog verheven, alle de gruwelen der Revolutie alleen op in mannen van 1793 geworpen, en van al het vroegere de schuld aan de raadslieden van de koning en de geemigreerde gegeven.

Men ruime de godsdienst een zekere plaats in, vereerd het Christendom als een zeker godsdienstige verlichting die de eenheid van God en de onsterfelijkheid der kerk geleerd heeft doch dan weer wordt men de vijandschap gewaar, wanneer men  het ongeloof met even veel regt even veel eer als het geloof wil toekennen en vooral wanneer men enig keizerlijk beginsel wil toepassen op wetgeving, wetenschappen of wat dies meer wij. Men wil

nog wel de Open operoane geven als men zich boven haar stelt, doch niet er zich onder stellen. In de geschiedenis b.v. worden met wellust den namen opgevijzeld welke of zonder of tegen de Openbaring schreven en dus Gibbon, Hume en zoo vele andere grote lof toegezwaaid kan men de grondvesten van het geheel indenken. Zoo geschiedt dat meer of min openlijk en met vreugde. Tusschen, vrede echter deze God reeds den torens van Babel instorten eer zij nog gereed zijn , zoo geschiedde het met de onderzoeken in Egypte met den Zodiak van Dendersch, die als een schandzuil voor de auchangies van de Bijbelsche tijdrekening dus zuide staan, en die echter, daar de ortdikke van Champellen ter de tijd van Frajunees gebragt, thuis alles ter bescherming van de ontwerpen van den aanval daar staat, Zoo werdt Klaproth genoodzaakt de eenheid van oorsprong, de Aziatische talen    der jonge-ouderdom der aarde   

 

Echter er bestaan de bewijzen wier echtheid en verkrochtheid  van Genesis erkennen, doch van welken der zulke doet, door Gods geest bekeerd en uitgelokt tot het verkrijgen van zijn maker die zich ook hier verheerlijkt en niet als de duivels die Gods aanzijn bekeren, doch sidderen. In de voorstelling der vorige tijdperken wordt zulke gewoonlijk het donker gedeelte van de kerkelijke geschiedenis, voortgezet als of inderdaad het Christendom en God die zich in hemzelve openbaarde, de schuld droegen van de kley die gemengd geworden was met de aarde van waaraan het goud der waarheid toebetrouwd was geworden.

Openbaar der Christendoms als Juliana van Byron worden belangrijk voorgesteld. Nochtans wordt opgegeven, doch daartegen zijne werken onder allerley formaten overal verspreid.

Wilde ik hier de ander wetenschappelijk nagaan, zoo zoude ik in de wijsbegeerte het Protestantisme kunnen tonen dat alles noodzaaklijk stelt en het onderscheid tusschen goed en kwaad wegneemt en de Regtsgeleerdheid den gehele afscheiding van hen die onder de Donders van Sinaï zijn wet verkondigde, en de toezegging  van de gedane uitspraak door een voorname regtsgeleerde gui  Lo Loi est athee-, in de geneeskunde zal het maturalis mird min of meer bedekt voorgedragen, en de Broussan aan het hoofd van een school, die op het spoor van sondstlac alles aan de gewaarwording toeschrijft.

Welk een strijd in de Geologie – Hoe de dwaasheid van Ballerstede, ginds de overblijfsels de vroiwend  

Opgezocht en opgeweper om de oudheid der wereld te bevestigen doch elke keer zal God zijn waarheid bewaren.

In de dichtkunst alleen wil men over het algemeen de Godsdienst toelaten, in het drama een soort van voorzienigheid, en de Epis kwalijk machinerie en de lierzang godsdienstige verrukking, doch het is niet snode waar dat men zich door het aanhooren of het bewonderen van een dichtstuk niet gebonden acht, om de daarin ontwikkelde gevoelen aantenemen – Het is hoe zij zegt men als nu  bewonder terwijl men tevens tegen de gevolgtrekkingen protesteert.

Wie zal onderwijl loochenen dat te gelijk met den geest des ongeloofs ook een geest des geloofs door Gods genade opgewekt is, die ook dus te spreken, uitgaat om te verzegelen en ook snelle voortgangen maakte. Het goud is nimmer zonder mengsel, doch nu erkent men Gods vinger en de opwekkingen die bijna in alle protestantsche landen plaats hebben gehad, aan dat groot aantal en getuige in Engeland, aan der Berlijnsche school in Duitschland, aan der kerk van Malan, aan de herleving protestantse kerken Frankrijk aan de name van Grundvig – in Denemarken, da Costa in Nederland – Vele geschriften, ook kleine werkjes, hebben harten tot nadenken gebragt en het woord Gods zal niet ledig wederkeren.

Ook in dat misschien niet geheel uit der (boeren)  de eindelijk onzegenbare kerk zijn opgekomen, is Gods hand krachtig betuigd of wierd zij zulke niet in der geest – en Bijbelverspreiding en Zendelinggenootschappen die over de wereld kwamen, de vertaling des Bijbels in honderdvijftig talen binnen zoo korten tijd, der verbreiding van het Christendom op plaatsen waar nog nimmer van het zelve gehoord was, die merkwaardige triomph van hetzelve in de eilanden der Zuidzee. 

 Doch na mate deze geest zich door Gods genade uitbreidt zal ook de geest des ongeloofs die in de laatsste tijden meer negatief, meer in de stille afbrekend was, weder een ligchaam aannemen en op nieuw verkondigen zeer zij het zeker ook niet overal reeds geschiedt. Toont Engeland ons niet zijn Philantropen en Unitariërs die er elke keer op uit zijn om de onwaarheid te verbreiden als de overige en dit met de waarheid te doen.

Men denke over Owen, om die plaaatsen van algemeen menschen geluk waarin alles wordt opgesomd behalve den God der Openbaring en der zelfs in de woestijn van Noord-Amerika en volkeren ontaard zijn. Men hore de prediking van der godsdienst van liefde zonder geloof, van Christus die een ware man was, van zijn dood maar zonder offer en zonder verzoening, men lette op de gevaarlijke tractaatjes en verminkte Bijbels die er van deze kant verspreid worden, van journale in deze geest geschreven en men zal zien dat het ongeloof niet zeert.

In Frankrijk is ook het ongeloof nog krachtig, het zij in der partij en de protestantsche kerk die alleen het afbrekende maar niet het opbouwende in de hervorming ziet.

Die de aldus  protestantsch bezield en zelfs in de hogeschool van Monrauban zijn zetel schijnt gevestigd te hebben, dat zij in de Academie der wetenschap waar het zuurdesem der vroegere jaren nog zoo zeer heerschend is, maar vooral in die reeks van dagbladen en tijdschriften die dagelijks en maandelijks uitkomt en waarin wel is waar niet altijd de godsdienst direct wordt tegengesproken doch waar de volheid van God op DV wegvallen van vasten en volheid en van zijn Geest op de harten der menschen, bijna nooit anders dan op een bespottelijke wijze wordt voorgedragen. Voeg hierbij alle uit geschiedenissen, de reisbeschrijvingen, de Romans waarin de vijandschap min of meer doorbreekt, doch die echter altijd een angel achterlaten. Welk een reeks van schandelijke memoires die in de histori allen dat gene tonen wat de vloekwaardige begeerte onzer zich opwekt, en de gebeurtenissen niet anders dan een gevolg van een aaneenschakeling van zonden en misdaden doen voorkomen. Wie telt der herdrukken van Valney, Pargy en dusgelijke werken die of het verstand voor altoos verblinde of de verbeelding voor altijd besmetten!

In Duitschland heeft de Neologie den uitersten der alle zulke waar nog eenig gevoel in was, verontwaardigde, afgesneden en in het rationalmus vischt zocht zij de behoefte naar Godsdienst die zich bij de mensch doet gevoelen, eenig zints te gemerkt te kinddeel leidt hetzelve aan uitgehouwen bronnen, die geen water bevatten, in plaats van aan de fonteinen des eeuwigen levens.

In Zweden en Denemarken wandelt de geest van de Neologen nog rond en zijn de wetenschappen nog dikwijls buiten, Gods genade en der openbaring vijandig. Vele wandelen liever in de denkbeelden der Scandivanistische mythologie dan op den grond der Schrift, zoud er en in het eerste dezer lande blijft de dweping van Swedenborg, niet zonder invloed.

In Nederland vindt de waarheid haare grootste vijanden onder dergenen, die nog steeds van geloofs genade en H. Geest spreken, doch de kracht Gods, ter hernieuwing der harten, niet ondervinden en dus niet            die de Genade niet anders dan eene vergevingsgezindheid, en de bekeering dan eene verbetering van wandel zien, waar godsdienst gemakkelijk en aanlokkend is, die de Bijbel prijzende en roemende en alle de vastketende   schoonheden der Hebreeuwse dichtkunst opmerken, steeds van judaisme van verkeerde uitdrukking etc.spreken en alles in die Bijbel zien behalve de Geest Gods.

Zoo wij nu de slagorden tillen, zoo wij, zelfs al dergene afzenden- die nog nimmer nagedacht hebben, als over het geen zij alles er denken zoude, dus vragen wij aan welke zijde van de daar opgenoemde lagies, zich het meeste strijder bevonden en heerschende  wij dus bekend dat er zich vele godslasterende  tijdschriften tegen een Evangelische Zending verzetten.

Doch dit is de troost dat God in alles en iedere wetenschap en ieder land zijn getuige heeft dat  ook hetzelf  hij die zoekt, zal vinden en dat zelfs het talent van de Dienaar die hetzelve onder de aarde had begraven, gegeven zal worden, aan hen die reeds veel had.

Zien wij op de staatsheerschende wereld, overal vrede, uiterlijk en oorlog in de daad. In Frankrijk toch is de worsteling der partijen duidelijk voor Europa.

Geen enkel beginsel staat vast, en de nuttigste verzoekschriften geven in de Kamer der afgevaardigden aanleiding tot het onderzoek van der vraagpunten die men denken zoude dat na zoo veel eeuwen eindelijk vastgesteld waren. Het gouvernement wordt gedurig en derzelfde maatregelen van de eene pool na de andere van de het Jesuitimus het practisch ongeloof gedreven.

Is er een Ministerie dat in het midden staat, het bezwijke onder de pijlen die van alle kanten tegen hetzelve geschoten worden, is het Ministerie liberaal, de oppostie ziet overal de omwenteling uitgebroken en 1798 hersteld. Helt daartegen het Ministerie naar de andere kant over, zoo ziet men oveeral de ketens en schavotten der Inquisitie.

In Engeland is het gevaar nog te groter, daar men de omwenteling nog niet in alle hare krachten gekend heeft, doch het Radicalisme is bezig. De Emancipatie is er doorgedrongen, die welschijn van regtvaardigheid had,

moest men verder gaan en voortzetten tot dat eindelijk het democratisch beginsel geheel heerschende zal zijn en alle de overblijfselen der oude inrigting en alles eindelijk weer eenigzins de invloed van God op de Staat kenmerkte, afgebroken zal zijn.

De werking in alle landen na te gaan, die voor een oogenblik verdreef doch niet gesmoorde geest van Opstand in het zuiden van Europa, optemerken valt niet moeilijk en hetgeen bij ons gebeurt de vereeniging van Roomsch en Liberalen tot een doel, dat alles macht niet is voor onze oogen, er moet en zal zich nog verder ontwikkelen, want Holland heeft dikwijls dat in het klein opgeleverd, wat de eeuw in het groot vertoonde.

In het commercieele   –wat zien wij daar-  Overal wordt kunst op kunde van der steen des handels gegrafeerd, doch hoe zeer dat (keer door) Verbods--, daar door Entrepots geschiedde, dat alles gerugt van een algemene malaise. Alle betrekkingen zijn veranderd, alle verhoudingen omgekeerd. Op de plaatsen van verbruik staan  de prijzen altoos lager als die van verbouw. In der reguliere weg des handels vind men overal  verlies. De onderkruipers vernielt elk voordeel die men zich mogt beloven. Grote massen van kapitales trekken als zoo vele zoekstenen de zaken. Doch wat altois noet een  voordeel na zich. Allen tusschentakken en de handel worden afgesneden, duizenden van onderhoud berooft aan duizend beroepen de bodem ingeslagen en nu is de huisvader die zonder bezorgdheid er op zoude durven rekenen dat hij zijn  beroep aan zijn zoon zoude kunnen overlaten   - Alles klaagt.

Niettegenstaande alle deze bronnen van bezorgdheid, alle deze groei ---is het wel waar dat gelijk in de dagen van Noë er gegeten en gedronken wordt. De zucht tot publiek versmade vooral meest nog steeds ter schouwburg                                        , de  publieke herbergen worden vooral de plaatsen waar de wereld zich vergadert en genoegens zoekt. De gelegenheid schijnt daartoe nooit beter geweest zijn.

De Paleizen en gebouwen verheffen zich van alle kanten te doen eender, en Griekenland schijnt met zijn spelen en feesten te herleven. De wetenschap die het leven idealizeren wil, de Philantropen die de mensch, is eene betere weg als die van God gelukkig wil maken, alle hebben nog grote plannen, de denkbeelden van voortgaande volkeneenheid, zoo die voorzeker door alle die in de wereld zijn, de keuze  (des Heize) geweste verwacht wordt.

Zeker zijn in der tegenwoordige toestand der geschiedenis sommige zeer merkwaardige standpunten.

Strijd tusschen en katholicismus en liberalismen. Zeer aanmerkelijk is den strijd. Het Romeinsch hof heeft nieuwe kracht verzameld en veroveringen verworven, die niet verwacht hadden kunnen worden.

 

Immers was het niet te verwachten dat een concordaat met Nederland de Roomsche Bisschoppen tot in het hart onzer ouder Nederlandschen Provincie zoude vestigen, dat Engeland onder een Ministerie van Toy’s de Emancipatie zouden toelaten en de Jesuiten in het midden van het Parlement zouden geprezen worden.

Ook is alles vol schrik tegen de Roomschen, en het geheime ongeloof wordt onder tusschen geduld, hoewel het nog gevaarlijker is.Zeker geloof ik dat Rome nog eener krachtiger uitval kan doen, doch tevens dat de tijd nadert waarop zijn magt verbroken zal worden, want in der strijd tegen het liberclerisme moet Rome onderleggen. Het Liberalisme heeft de geest der eeuw,, de waande wijsheid, de driften der menschen; de geest van ligchaamelijk genot, zonder zich over ’t geestelijke te bekommeren, met zich en deze geest is te slim om zich niet te ergeren aan het grove bijgeloof dat er nog in de Roomsche kerk bestaat.

Verzwakking van het Ottomaansche Rijk. Ook deze vernedering ? der Ottomaansche magt is hoogst merkwaardig en men zoude zeggen dat Rome de Mahomet te gelijk hierna zal schijnen te zullen uitspelen. Ruslands benden staan thans bijna reeds aan de poorten van Constantinopel, doet heftig deze stad vroeger of later vallen, het is of de kracht der thans der magt nog vertoond heeft onder een man van buitengewoon genie en bekwaamheid, hare laatste stuiptrekking is. De voortgang der Parkewetzl, alles geeft het denkbeeld van een langzame ontleding – Nog treffender is daarbij de zwakke toestand van Persië nadat de laatste Mahomedaans Souvereinen  in India door de Engelschen onttroond zijn gewerden.

Uit een reis die ik onlangs was kwam het mij zoo duidelijk voor dat het land slechts op eene herschepping wachte. Alles bevestigde mij hierin de inneming en de plundering van … door een vorst van het regerende huis, de onderwerping te Teheran na het gebeurde met de Russen en de toenemende vrees voor Rusland.

Deze toenemende magt van Rusland  is ook zeker een merkwaardig teken des tijds.

Meester van der lauwerenkrans, Georges schijnt dit rijk met Azië in eene nauwe betrekking gesteld te worden,  en om dies te spreken, geschikt om alle de afwijkende Secten van de Christen kerk in het  Oosten, de Armeniërs, Jacobiten etc. in zich op te nemen.

Het schijnt tevens eene magtr te vormen geschikt om eene eenheid van magt die zich in het Westen zoude kunnen vormen, tegen te gaan.

In alle tot nog toe gelezene uitleggingen was America niet begrepen. En echter wie zegt dat, ook zeker dit land eene grote rol moet spelen bij deze gebeurtenissen. Wie merkt ook niet keer op keer  de godsdienstige beweging die zich in die alle gewesten heeft vertoond, en vraagt dan niet waarom de schepen van Tarsis    en de eilanden waarop Irving aanmerking maakt, niet zoo veel op America als op Engeland toegepast zouden moeten worden.

 

En nu het Resultaat voor mij in dit oogenblik.

 

Wij beleven een ttjd in het uiterlijk stil doch die van grote gebeurtenissen zwanger gaat.

De Geest van Bijgeloof en Ongeloof zijn op aarde uitgezonden, doch de Geest Gods is ook daar om de geloovigen te verzamelen. In de staatkundige en de handelswereld is alles in een spanning en eenen toestand die zoo niet kan blijven bestaan.

De Bijbel is ter getuigenis aan de aarde vertaald, de Zendelingen zijn uitgegaan en het Evangelie wordt over de gehele wereld verkondigd. Rome kampt op leven en dood tegen het Liberalisme wiens beginsels overal zijn doorgedrongen doch die het nog aan een zigtbaar hoofd ontbreekt.

De Christen beschouwd de Openbarig v. Joannis even als het overige van den Bijbel als Gods woord.

De opmerkzaamheid eensklaps in alle landen, en vooral in Engeland omtrent in dit boek verwerkt, doet hen ook daarop als een teken des tijds zien. Hij leest met behoedzaamheid zoekt zonder bijzondere roeping de tijd en eene niet te weten en bid dat God hem door Zijn geest der stemming moge geven, waarin hij kan zeggen:

Kom haastelijk Heere Jezus

      .

 

 

 

INSTELLING  VAN EEN  NIEUW APOSTELAMBT, OVERIGE AMBTEN EN AFZETTING VAN IRVING

 

Op verzoek van de Albury-vergadering bezocht de bekende advo­caat John Bate Cardale in gezelschap van Dr. John Thompson, lid van Irvings gemeente, Dr. Georg Hamilton Roe en de dames Mary Elisabeth Cardale, Emily Cardale en een Mrs. Gason, in september 1830 Port-Glasgow. Ze bleven daar bijna een maand, leefden intens mee met de McDonalds en anderen die door de heilige Geest aangeraakt waren.

Ze overtuigden zich van de echtheid van de opmerkelijke voor­vallen die deden herinneren aan 1 Kor. 12:8-10: "Want aan de één wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken en aan de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; aan de één geloof door dezelfde Geest en aan de ander gaven van genezingen door die ene Geest; aan de één werking van krach­ten; aan de ander profetie."

 

Een bericht over hun bezoek aan Schotland, geschreven door Cardale, verscheen later in de "Morning Watch": "Wij hielden één der begaafde personen bijzonder in het oog. Ze was zeer bedaard, zelfs flegmatisch van aard en gewoonlijk zonder veel woorden, zonder drukdoenerij.

De "tongentaal" waarin ze onder de invloed van de Geest praat­te, was duidelijk van andere tongen te onderscheiden want de hare was altijd de­zelfde, met dezelfde intonatie. Ook het zingen in tongentaal vonden we hoogst merkwaardig.

James MacDonalds stem is geenszins mooi en bij het gewone zingen rauw en onzeker. Zingt hij echter door de Geest, dan zijn de tonen volkomen zuiver en melodieus. Eens hoorde ik Mevrouw N., terwijl ze in de Geest was, zingen. Het tempo begon langzaam, werd steeds sneller en op het einde zo snel als maar mogelijk was en toch woord voor woord volko­men duidelijk. Deze uiting hield lang aan. Iemand, die deze Engelse verzen met dezelfde snelheid voor zou dragen, zou een enorm geheugen moeten hebben en veel tijd om het uit het hoofd te leren.

Ik had talloze gelegenheden de waarheid (volgens haar eigen zeggen) en de onbevangen indruk bevestigd te vinden, dat het werkelijk niet uit eigen wil of gedachten gebracht werd. Ik merkte vaak dat bij elke ogenschijnlijke inspanning de heftig­heid van de stem, ook na een lange periode, geen licha­melijke vermoeidheid opleverde.

Mevrouw N. was op een ochtend als gevolg van een verkoudheid, zeer hees, zodat wij haar bij het gewone spreken nauwelijks konden verstaan. Plotseling kwam de Geest over haar en ze praatte bijna vier uur lang, van tien uur 's morgens tot twee uur 's middags, met korte onderbrekingen voor gebeden en lofprijzingen, over het komende gericht en de genade en de gebeden voor het volk Gods. Alles met de kracht van een gezonde stem.

Toen viel ze weer in haar oude toestand terug en was weer even hees als voorheen, maar geenzins uitgeput door de inspanning.

Na alles wat we tijdens deze drie weken deels zelf hebben meege­maakt, deels in onze omgeving gehoord hebben, kan ik alleen maar zeggen, dat deze begaafde personen in de nauwste verbinding met de Heer en in oprechte liefde tot Hem en alle mensen staan, vol geloof, vrede en vreugde zijn, de zonden haten en trachten naar heiligheid, met alle zelfverloochening. Ik zag in hun gestalten, zoals ze tot nu toe alleen in de annalen der oude kerkgeschiedenis beschre­ven zijn. En toch zijn het mensen van vlees en bloed."

                                Morning Watch, no. VIII, dec. 1830.

 

Ook in Londen zelf gebeurde opmerkelijke dingen waarbij, zoals geloofd werd, de heilige Geest werkzaam was.

Zoals we al geschreven hebben, genas Elisabeth Fancourt die al acht jaar, als gevolg van een misvorming van de ruggegraat, kreupel op bed lag, na intens bidden en smeken en het aangezicht van God zoeken. Haar vader, een geestelijke, bericht hierover in de "Christian Observer" en er ontstond een felle polemiek in de pers..

 

Cardale belegt nu gebedsbijeenkomsten in zijn huis waar spoe­dig door zijn vrouw en zuster gesproken wordt in “tongen” en de gaven der profetie zich openbaarde..

Op 30 april 1830, tijdens zo'n gebedsbijeenkomst in het huis van Carda­le, sprak zijn vrouw: "De Heer wil spreken tot Zijn volk! De Heer heeft haast. De Heer komt!"

Cardale had van tijd tot tijd zijn advocaat Bap­tist Noel geïnformeerd. Deze wilde echter niets weten over de gaven die opnieuw openbaar gekomen waren en predikte er zelfs tegen.

Cardale bleef echter in zijn kerk komen tot de situatie on­houdbaar werd. Na enige omzwervingen vond ook hij bij Irving een geestelijke tehuis. Nu sprak de Geest in Cardale's huis en in de gemeente van Irving en in juni 1831 kwam Drummond naar Londen om het zelf te horen.

Overtuigd van de juistheid van gebedsbijeenkomsten begon Drummond zulke bijeenkomsten in september 1831 op zijn landgoed in Albury te organiseren, zeer tegen de zin van de plaatselijke geestelij­ke, Hugh McNeille die voorzitter van de Albury-conferenties was geweest.

In augustus hoorde Armstrong Irving prediken en enige weken later was hij op een gebedsbijeenkomst in Irving’s huis waar hij het spreken in de Geest meemaakte. Ongeveer tegelijkertijd was Sitwell in Cardale's huis. Beiden, Armstrong en Sitwell, waren trouw gebleven aan de uitgangspun­ten van de Albury-conferenties.

Niet alle mannen die aanwezig waren bij de heroprichting van het apostelambt in de beginfase, hebben deze heroprichting ook werkelijk erkend als het werk van God. Ook Rev. Camp­bell of Row, onder wiens prediking de Campbells en de McDonalds hadden gestaan, weigerde om  “glossalia” als het werk van de Heilige Geest te zien.

 

Verdere genezingen vonden plaats zoals van ene Maria Hughes die reeds jaren invalide was. Als antwoord op de gebeden en de handoplegging van rev. H.J. Owen kon zij weer lopen.

 

Tussen de verwijdering uit de kerk op Regent Square en het in gebruik nemen van het nieuwe lokaal in de Newman Street zaten 23 weken. In die tijd kon de gemeente van Irving slechts incidenteel gebruik maken van de ruimte in Gray’s Inn. De diensten op zondagmorgen moesten noodgedwongen in de open lucht gehouden worden, zoals bij de muren van de Colbeth-gevangenis waar zo'n 2000 personen bij elkaar kwamen en op Brittantie Fields dat dan ook in de Londense volksmond de bijnaam "Fields of the Tongues"  en op de Hampstea­der Heide.

Veel van de predikaties die Irving in die tijd hield werden gepu­bliceerd in het maandblad "The Pulpit".

Wanneer precies is niet meer te achterhalen, maar in de maand juli of augustus 1832 werd vanuit de gemeente van Irving een groep van 35 jonge mensen uitgezonden om in de straten van Londen het evange­lie en het naderende komen van de Heer bekend te maken. Vanuit deze groep "evangelisten” ,die op deze wijze slechts kort werkzaam waren, zouden later vele ambtsdragers binnen de Katholiek-Apostolische kerk voort­komen, waaron­der Francis Valentine Woodhouse.

 

Eindelijk kon dan de eerste dienst gehouden worden in de voormalige West Picture Gallery waar de kunstschilder Benjamin West zijn doeken had tentoongesteld, maar die tot kerk was omgebouwd.

Deze dienst was op 19 oktober 1832, waarbij ook het zoontje van Irving (Ebenezer) door Henry Drummond gedoopt werd.. Aan het einde van de dienst de zegende Drummond de gemeente door de kracht van de heilige Geest. Dit hoewel hij nog geen ambt droeg, maar alleen volgens een aloude traditie waarbij hij, als landeigenaar, de toezicht over de kerk te Albury had.

Reeds de volgende dag, tijdens de avonddienst, werd Drummond door een profetie van Taplin als Herder geroepen voor de gemeente Albury. Het was de eerste roeping binnen deze ordening waaruit de Katholiek-Apostolische gemeente voortkwam..

Dr. John Bayford, tot dan toe kerkelijk rechter in de Angli­caanse kerk, werd geroepen als Oudste voor de zich ontluikende gemeente Brighton. Beide mannen werden door “profetie” tot hun ambt geroepen.

 

Hoewel Drummond dus in oktober geroepen werd tot Herder van de gemeente Albury, was daar al eerder door deze gemeente om gevraagd.

Van maart tot juli 1832 was Drummond in Londen. Bij zijn terugkeer in Albury vond hij een aantal zielen die bezig waren met bijbelon­derzoek en baden om herstelling van de gaven des Geestes. Wekelijks kwamen zij bijeen en begonnen nu om een Herder te vragen, vooral ook omdat de gemeente groeide.

Door een profetie kwam het verzoek om nog een even te wach­ten, de Heer zou hun gebed op de juiste tijd verhoren.

Dat gebeurde dus tijdens die eerste dienst in de Newman Street.

 

Tot nu toe hebben we het voornamelijk gehad over de gemeente van Edward Irving waar de heilige Geest het eerst openbaar kwam. Maar er was nog een Londense gemeente waar de heilige Geest werkte, namelijk in de Salem Street, Artillery Lane, Bishops­gate. Hier ging de onafhankelijke rev. Miller voor. Deze had reeds langer gepredikt voor en over het komen van de Heer, het Rijk Gods en de gaven des Geestes. In de gemeente van Miller vonden eveneens profetieën, spreken in tongen en de gave der gezond­making plaats. Opmerkelijk, want Miller was noch een deelnemer aan de Albury-conferenties geweest, noch op enigerlei wijze bekend met Irving.

Nicolas Armstrong, die toen al ontslagen was bij de Reformati­on Society, werd door Miller uitgenodigd om in zijn kerk te preken. Zijn preek in de kerk van Miller ging over de bestaande kerken met hun gebreken en hoe de kerk zou moeten zijn.

Op 12 juni volgde ook in deze kerk de eerste profetieën, ook weer door de mond van vrouwen.

De hele zomer van 1832 preekte Armstrong in verschillende kerken in alle Londense stadsdelen, tot hij een thuishaven vond in de kapel in Deverell Street in Southwark. De eerste keer dat Armstrong hier dienst hield was op 19 augustus 1832 en dat was tevens de stichtingsdatum van wat spoedig de derde gemeente van de Katholiek-apostolischen in Londen zou worden. Ter herinnering: de eerste gemeente was in de Newman Street met als voorganger Edward Irving, de tweede de gemeente van Miller in de Salem Chapel.

 

Naast de diensten in de Newman Street bleven ook de gebedsbij­eenkomsten in particuliere huizen doorgaan.

John Bate Cardale gold als een rustig en geduldig man die zich­zelf niet op de voorgrond plaatste.

Hij kreeg in augustus 1832 de volgende profetie:

"Verlaat de vergadering niet, maar zoek de dienaren des Heren. God laat de tijd van onwetendheid voorbijgaan. Nu gebiedt Hij alle mensen, Hem in Zijn knechten te herkennen. En u, mijn broeder, zult een knecht des Heren zijn, u mag Zijn volk verzame­len en onder Zijn heerschappij brengen."

Op 31 oktober 1832 was weer zo’n gebedsbijeenkomst bij de Carda­le’s, waar ook enige personen waren die de gave der profetie bezaten.

Na het voorlezen van de 133ste psalm, waarin gesproken wordt over de heerlijkheid der onderlinge broederliefde en de psalmist dit vergelijkt met de kostelijke olie die vloeit op de baard van Aäron, en terwijl Cardale in een gebed voor de kerk ver­diept was, kwam de kracht des Heren over Drummond en hij werd gedreven zich op te richten, naar de geknielde Carda­le te lopen en te zeggen:

“Convey the Holy Ghost, for art thou not an apostle”!

"Schenk de Heilige Geest! Bent u dan geen apostel!"

 

Eén der aanwezigen, de zuster van Cardale, schreef later:

"Het was een feestelijk en eerbiedig ogenblik, maar niemand sprak erover en de gebedsbijeenkomst werd gewoon voortgezet." Enige dagen later, 7 november 1832, volgt een bevestiging van deze inzetting..

Dat was tijdens een gebedsbijeenkomst in het huis van Irving en de profetische uitspraak kwam uit de mond van Taplin..

 

Zo geloofden zij dus dat opnieuw het ambt ingesteld was om het volk toe te bereiden op het komen van de Heer. Het apostelambt, waarvan de bijbel zegt: “gezonden niet van een mens noch door mensen, maar door God de Vader en Jezus Christus” (vgl. Gal. 1:1), zoals door de apostolische geschiedschrijvers betoogd werd.

Het ambt der verzoening (2 Kor. 5:18), der genade (Ef. 3:2), des geestes (2 Kor. 3:6-8), van het Nieuwe Testament (2 Kor. 3:6) des Woords (Hand.6:4), klaarheid en rechtvaardigheid (2 Kor. 3:9) was hersteld volgens hun idee.

Een Apostel als boodschapper aan Christus plaats (2 Kor. 5:20), het licht der wereld en het zout der aarde (Matth. 5:13-14), de dienaar van Christus en uitdeler van de verbor­genheden Gods (1 Kor. 4:1), Gods medearbeider en bouwmeester van de geestelijke tempel Gods (1 Kor. 3:9-10), had zijn intrede gedaan in een kille wereld om liefde en de gebor­gen­heid in God en Zijn Zoon te brengen. Eén van de latere Engelse apostelen schreef over dat ogenblik:

"Het was een zeldzaam, eerbiedwekkend werk dat God toen in­stelde. Toen Hij Zijn stem nog een keer temidden van Zijn verzameld volk liet horen, nog eenmaal Zijn rechterhand uitstrekte. Er was vreugde in de hemel."

 

Cardale wachtte rustig het tijdstip af tot God zou aangeven dat hij zijn ambt zou moeten gaan uitoefenen.

Dat zou ruim zeven weken duren, op 24 december volgde de eerste ambtshandeling. apostel Cardale was toen in de gemeente Albury.

Drummond schreef: "Cardale kwam een paar dagen bij ons door­brengen. Omdat Taplin ziek was bracht hij hem ook mee om te genezen in de weldadige buitenlucht."

Mr. Bayford kwam dezelfde dag vanuit Brighton zodat de bijeen­komst uiteindelijk uit de volgende personen bestond: Drummond met zijn gezin, apostel Cardale, de profeet Taplin, de oudste Bayford, evange­list Caird en zijn vrouw Mary Campbell. Nog die dag werd William Renny Caird, die door Drummond mid­dels een profetie als evangelist was genoemd, door apostel Cardale tot priester geor­dend.

Twee dagen later was de hele gemeente weer bijeen. Na de prediking en de lofzang zou de viering van het Heilig Avondmaal plaats­vinden. Echter daarvoor sprak Taplin lange tijd in een “vreemde tong” en toen in ver­staanbaar Engels: "De Heer beveelt u, die geroepen is als herder over deze gemeente, het volk te voeden met het lichaam en bloed van de Heer."

 

Drummond riep daarop de gemeente op de Heer te danken voor Zijn genade en voegde er nog aan toe: "Ik mag u brood en wijn geven, proef het brood in uw mond, proef de wijn met uw lip­pen. Maar dit is niet de gemeenschap met de Heer - het is de Geest die verfrist."

Meteen daarop sprak de Geest door Caird: "Laat de Heer Zijn werk doen, laat Hem Zijn wil verklaren."

Cardale begon toen de betekenis van het lichaam en bloed te verklaren en over de reine staat waarin het ontvangen moet worden en met enorme kracht daarna: Beklaag u, want de waterbakken zijn gebroken maar er is geen water. Het godsvolk is een zorg voor Hem, ze bedroeven Hem. Hij is bedroefd, bedroefd over hen omdat er onder hen zijn die niet geloven. Jezus is vertoornd, Hij is boos. Wij smeken U, o Heer, kom weder onder Uw volk, O smeek tot Uw God om Zijn wederkomen."

Nadat het heilig Avondmaal gevierd was sprak Taplin weer in een vreemde tong en daarna: "De Heer gebiedt u, u die geroepen werd een apostel te zijn, uw handen op de engel van deze gemeente te leggen en hem te ordenen om het volk te leiden en ze te spijzen. Wees getrouw, wees getrouw en Jezus zal u eren."

Cardale liep daarop naar Drummond die voor het altaar knielde, legde hem de handen op en zei:

"Wees vervuld met de Heilige Geest, de Geest der wijsheid en der erken­ning en een vast geloof; beschik over een snel in­zicht in de vreze des Heren! Spijzig en leid dit volk. Wees getrouw tot in de dood en u zult de kroon des levens ontvangen die de Heer voor u bereid heeft en voor allen die hem liefheb­ben."

Hiermee was Drummond als engel door het apostelambt geordend voor de gemeente Albury. Ook Bayford, op 19 oktober geroepen tot oudste voor de gemeente Brighton, werd geordend.

 

In de gemeente Newman Street kwam een profetie waarin verboden werd dat de 35 jonge mensen die dus eerder waren uitgezonden om het evange­lie in de straten van Londen te brengen, dit nog langer zouden doen zonder daartoe door het apostelambt geze­gend te zijn.

De diensten in deze gemeente waren nog steeds op Presbyteri­aanse leest geschoeid, tenslotte was Irving in naam nog steeds een ambtsdrager in de Schotse Nationale Kerk.

Wel was elke predikant door de General Assembly in Edinburgh opgeroepen om maatregelen te nemen indien Irving het zou wagen om binnen de Schotse landgrenzen te prediken.

In oktober 1832 stuurden ze hem een brief met de mededeling dat een onderzoek zou plaatsvinden naar "ketterse afwijkingen" in zijn geschrif­ten. Het proces vond op 15 maart 1833 in Annan plaats. Van heinde en verre waren toehoorders gekomen, in totaal zoEQ \O(', )n 1800. De "rechtbank" bestond uit zes geestelijken en leken.

Zoals te verwachten viel werd Irving schuldig bevonden. Toen gevraagd werd of de "ketter" nog iets te zeggen had, riep deze uit: "Protest, alleen protest! Ik wil protesteren, niet om mijn wil maar om Christus wil, mijn Heer, die ik dien en die ik eer. Ik wil tegenspreken om uwentwil, omdat u door deze handelswijze de gerechtvaardigde toorn van God over uw hoofden roept. Ik spreek tegen, om de wil der kerk die blindelings ter ondergang gevoerd wordt. Protest, alleen protest"

Voordat het vonnis uitgesproken zou worden, stelde de voorzit­ter, een zekere Mr. Sloan, voor om te bidden. Toen klonk er een stem vanuit de banken: "Verhef u! Ga weg van hen! Verhef u en ga uit! Ga uit van hen! Hoe kunt u bidden tot Christus die u verloochent. U kunt niet bidden. Ga uit, ga weg van hen. Vlucht, vlucht!"

Het was rev. David Dow die dat riep en tijdens het roepen ging hij Irving voor naar buiten, waarbij Irving nog opriep om hen te volgen. Meerdere aanwezigen deden dat.

Sloan stoorde zich er niet aan, ging toch in gebed en velde formeel het oordeel waarbij Irving uit de kerk van Schotland gestoten werd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE GENADE VAN HET APOSTELAMBT  (deel van een preek William Dow)

 

“Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik u allen, dat u zichzelf niet hoger moet aanslaan dan u kunt verantwoorden,  maar verstandig voor uzelf moet denken. Denk daarom overeenkomstig het geloof, dat is de maatstaf die God u heeft.gegeven” (Rom. 12:3 nbv).

 

Wat is de precieze betekenis van deze woorden van de apostel Paulus: “Met een beroep op  de genade die mij geschonken is …”? Hij doelt daarmee niet alleen op de genade van zijn persoonlijke behoudenis. Ook doelt hij niet op de genade van God, waardoor hij in staat gesteld werd te leven in heiligheid en in gehoorzaamheid aan de Heer Jezus Christus. Ook niet op enige speciale hogere graad van de heiligheid die hij persoonlijk bereikt zou hebben. Neen, hij bedoelt de genade van het apostelschap, waardoor hij “een wijs bouwmeester” in het Huis van God gemaakt was, en waardoor hij de plicht opgedragen had gekregen om te zeggen wat hij op het punt stond te gaan zeggen, - en niet alleen de plicht, maar ook de geestelijke genade en kracht om het op de juiste wijze te zeggen, en om het doeltreffend te zeggen.

Wat ik bedoel, zult u begrijpen, wanneer ik zeg, dat niet iemand onder u zich tegen zijn naaste kan keren, die naast hem zit, of tegen zijn vriend met wie hij vertrouwelijk pleegt om te gaan – iemand onder u kan zich tot hem keren en zeggen: “Vriend, broeder, door de genade die mij gegeven is, zeg ik u: wees wijs tot matigheid, gelijk als God u de mate des geloofs toegedeeld heeft.” Die raad zou u kunnen geven, als u een zachtmoedige vriend hebt, die het kan verdragen dat u zo tot hem spreekt; maar u zou er niet aan kunnen toevoegen: “Door de genade die mij gegeven is, zeg ik …”. Geen genade van persoonlijke hoedanigheden, geen verworven heiligheid, geen talenten of bekwaamheden kunnen u het recht geven om zo te spreken.

Nog duidelijker zult u het begrijpen aan de hand van een voorbeeld. In uw eigen huis, temidden van uw kinderen, uw personeel en andere huisgenoten, bent u gewend om met gezag te spreken, onmiddellijke gehoorzaamheid te verwachten, en onmiddellijke gehoorzaamheid te ontvangen. Maar als een vreemdeling, of als een van uw kinderen of iemand van uw huispersoneel, zou opstaan en zou spreken zoals u spreekt tot uw gezin, en zou proberen een zelfde gezag uit te oefenen, dan zou u hem dat kwalijk nemen als een onduldbare inmenging, en uw gezin zou er geen kracht in voelen. Misschien zou de indringer wel zeggen wat inderdaad gezegd moest worden, een terechtwijzing geven die inderdaad gegeven moest worden, doen wat u had moeten doen als u uw taak als vader en hoofd van uw huis met meer getrouwheid zou vervullen. Ja, misschien zegt hij wel precies datgene, wat, als het door u gezegd en bevolen was, uw gezin ervoor bewaard zou hebben tot een zondige gedragslijn te vervallen, met de daaruit voortkomende verwarring en ellende. Maar zijn woord is nutteloos. Ja, het doet kwaad en geen goed – want hij kan er niet aan toevoegen: “Met een beroep op de genade die mij geschonken is, zeg ik …”.

Misschien is hij een heilig man en een zeer vroom, toegewijd man, iemand wiens gebeden op uw huis ontelbare zegeningen hebben doen nederdalen waarvoor u te onverschillig geweest bent om ze te vragen, te ondankbaar om God als Gever ervan te erkennen; misschien is hij zo iemand, en toch is zijn woord nutteloos. Het is erger dan nutteloos: het wekt tegenstand en verzet op; terwijl hetzelfde woord, door uzelf gesproken, vergezeld zou zijn geweest van de kracht van God, gehoorzaamheid afgedwongen zou hebben, uw gezin zou hebben gered – omdat u kon toevoegen: “Door de genade die mij gegeven is, zeg ik …”.

En waarom is het woord van iemand tot zijn eigen huis beter, krachtdadiger, dan hetzelfde woord tot hen gesproken door een vreemdeling? De reden is, dat God degene is aan Wie de menselijke samenleving haar bestaan ontleent. Hij is het, door Wie de mensen niet op zichzelf staand, alleen-levend gemaakt zijn, maar vergaderd zijn in gezinnen. Door Zijn bestel is het, dat de mensen in de wereld gebracht worden door middel van ouders, en dat zij aan hen onderdanigheid verschuldigd zijn, zedelijk verplicht zijn hen te eren en te gehoorzamen. En het christendom heeft de natuur niet verdrongen werking gesteld. Integendeel, het behelst een erkenning van de natuur. Het heeft over haar een zegen doen komen, een ondersteuning, een heiliging. De natuurlijke vader bezat reeds een zegen van God. Een christelijke vader heeft meer, hij bezit geestelijke genade en macht. Hij bezit een geestelijke genade ten opzichte van degenen die God in relatie tot hem gesteld heeft; en hij bezit geestelijke macht over hen. Zijn woord temidden van hen draagt kracht in zich. Het Gebod luidt: “Eert uw vader en uw moeder” – uw eigen ouders, niet die van een ander – uw vader, niet uw vaders volijverige vriend. Het woord van de vader heeft kracht in zich; hetzelfde woord, gesproken in omstandigheden die in alle opzichten dezelfde zijn, behalve in dat ene opzicht van de door God gevestigde relatie, is nutteloos, is zonder kracht. Hij kan geen goed teweegbrengen in het huis van zijn naaste, maar hij kan dat allen doen in zijn eigen huis.

En als ik zeg dat er kracht in zijn woord is, dan bedoel ik niet de kracht van argumenten, of de kracht van  macht, vrees en dwang; maar ik bedoel dat het uitwerking heeft; ik bedoel dat God het werkzaam maakt, en dat het niet ledig wederkeert. Zoals de kracht van God in het woord was dat Hij sprak, zeggende: “Daar zij licht!”, zo is er kracht in elk woord van God; en zo is er in elk woord dat naar behoren gesproken wordt – onder passende omstandigheden, op het passende tijdstip, in geloof aan Gods Naam, door de passende persoon, op de plaats waar God hem gesteld heeft – eveneens kracht, de kracht van God.

Ik erken, dat hier maar heel weinig van te zien is; maar ik spreek niet van wat gezien of geconstateerd kan worden, ik spreek van wat God bedoeld heeft. Deze genade is het gezin – de kracht en uitwerking ervan, wordt niet gezien tengevolge van de onwetendheid van de mensen, tengevolge van hun ongeloof, tengevolge van hun vleselijkheid – niet tengevolge van de onwaarheid van wat ik betoog, noch tengevolge van ontrouw van God.

Nu begrijpt u dus wat Paulus bedoelde met de woorden: “Met een beroep de genade die mij gegeven is…”. En wanneer u een bewijs verlangt van dit de betekenis die woorden is, verwijs ik u naar het eerste hoofdstuk van deze brief aan de Romeinen, de verzen 1 en 3-5; “Paulus, dienaar van Christus Jezus, geroepen tot apostel en uitverkoren om het evangelie van God te verkondigen, het evangelie over Zijn Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David, aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus, onze Heer, ontstond uit de dood.”

En in de eerste brief aan de Korinthiers, hoofdstuk 3, vers 10: “Hij heeft de genade geschonken apostel te zijn, opdat omwille van Hem aan alle volken gehoorzaamheid en geloof zou verkondigen”

“Genade”, zegt hij, “en het apostelschap”, “de genade Gods die mij gegeven is” – de genade waar hij van spreekt, is dus de genade van God ie hem roept, hem de bevoegdheid geeft en hem in staat stelt om te handelen en te spreken als een apostel. Hij is voornemens hen te onderwijzen en aan te sporen met betrekking tot nuchter gezond verstand – want dat is de betekenis van het woord “matigheid” – in hun gedachten over zichzelf en over hun plaats in het Lichaam van Christus (Rom. 12:3-8). Hij wil hen onderwijzen tevreden te zijn met de plaats in Gods bouwwerk die God aan elk van hen toegewezen heeft, - ijverig te zijn in hun roeping in de Kerk, en zich niet in te dringen in de roeping van anderen, niet zichzelf een plaats toe te eigenen. Hij heeft het recht hen te onderwijzen. Want zijn genade is die van een wijs bouwmeester, een meester-bouwer. Zijn roeping is het, de levende stenen op hun plaats in het geestelijk gebouw te brengen, en ze daar te houden, Hij is geen indringer, hij begeeft zich niet buiten zijn plaats, wanneer hij hun de aanwijzing geeft die zij op hun plaats moeten blijven. Een ander zou wel een indringer zijn – een van hen zou dat zijn, als hij hetzelfde zei als wat de apostel zegt. Misschien is het wel dringend nodig, dat het gezegd wordt.

Toch kan een niet-ambtelijk persoon het niet zeggen. Hij kan wensen dat het gezegd wordt; hij kan erom bidden dat het gezegd zal worden; hij kan ootmoedig voorstellen dat het gezegd zal worden; hij kan het zachtmoedig aan zijn naaste of zijn vriend zeggen. Maar Paulus zegt het – hij zegt het met gezag, aan een ieder die onder hen is. Paulus staat tot de Kerk in een door God gevestigde relatie, zoals u staat tot uw kinderen. God heeft hem in die relatie gesteld, zoals Hij u gesteld heeft in uw relatie van ouder. En zoals u genade hebt in alles en voor alles wat een ouder behoort te zeggen en te doen, zo heeft Paulus genade om datgene wat een apostel behoort te zeggen en te doen; en zoals God tegenover u getrouw is en uw gelovige woorden en daden als ouder gepaard doet gaan met Zijn kracht, zo is God getrouw tegenover Paulus en doet diens gelovige woorden en daden als apostel gepaard gaan met Zijn kracht. Hij zegt op de plaats waar God hem gesteld heeft om te spreken, de woorden waarvan God wil dat zij gesproken worden; en daarom weet hij dat hij niet als de lucht staande is, maar dat zijn woord krachtdadig is.

Dat is dus de betekenis van dat woord: “Hij heeft mij de genade geschonkenen…”.

Hij spreekt met gezag, en met de kracht van God. Laat dit voor ons een reden zijn om te luisteren en te verstaan! Want zijn woord was krachtdadig door God destijds, toen hij het aan de Romeinen schreef; en als het geschreven woord van een apostel blijft het gelden. God heeft het bewaard doen blijven en het overgeleverd doen worden aan ons. Moge Hij het dan ook geven dat het voor ons nu krachtdadig mag zijn!    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NEDERLANDSCHE STEMMEN OVER GODSDIENST, STAAT-, GESCHIED- EN LETTERKUNDE

 

In de eerste helft van de negentiende eeuw was bij een bovenlaag van de bevolking, de toen werkende klasse had het te druk  om de dagelijkse kost te verdienen en bekommerde zich nauwelijks voor  dit soort vraagstukken, beroering ontstaan o.a. over de “afscheiding”, waaruit de Gereformeerde Kerk(en) zijn voortgekomen en de Reveilgroep. We komen op deze geschiedenis nog vele malen terug, ook in verband met wat  in Engeland voorgevallen is.

De tijdschriften op godsdienstig gebied waren er velen. Slechts enkelen hebben betekenis gehad. Zo ook het bovengenoemde blad.

Het stond (wisselend) onder redactie van H.J. Koenen, Willem de Clercq, A..M.C. van Hall (die in 1835 overleed) en Isaäc da Costa. Het verscheen van 1834 tot 1835 als weekblad en daarna als maandblad. Dat het Engelse apostolische werk, waarvoor de apostel King-Church viermaal in Nederland is geweest en tijdens zijn bezoeken ook gesprekken heeft gehad met voornoemde Reveil-mannnen, hier geen voet kon vatten, was waarschijnlijk ook te wijten aan de gebeurtenissen op het “kerkelijk erf” in Nederland. Er waren al problemen genoeg, aan nog een deelnemer in de vorm van het apostolische werk, was vooralsnog geen behoefte. De “Nederlandsche Stemmen”, zal als we het over ons land hebben, meermalen gebruikt worden.

Het tijdschrift publiceerde in 1834 een tweetal artikelen die betrekking hadden op de gebeurtenissen op religeus gebied in Engeland, het land waar het apostelambt weer werd ingevoerd en de kerk waarover hier geschreven wordt.

De originele schrijfwijze is aangehouden:

 

Historisch overzicht van de studie der profetische schrift in Groot-Brittanie.

 

De Christelijke Kerk leert, naar het Woord van God, in onze Heere Jezus Christus twee naturen onderscheiden, de goddelijke en de menselijke; (de leer waarover Edward Irving in Engeland zoveel problemen had gekregen) zij leert ons ook van den Heere twee staten te kennen, eerst dien van vernedering en lijden, daarna dien van verheerlijking en heerschappij; eindelijk ook tweederlei verschijning op aarde, eerst eene openbaring in het sterfelijk vleesch bij zijn eerste komst, daarna eene openbaring in de verheerlijkte menschheid bij zijne wederkomst. De eerste, van ’s Heiland geboorte tot zijne opneming in heerlijkheid, noemt Paulus de groote verborgenheid der Godzaligheid (1 Tim. III v. 15); de tweede, welke aanvangt wanneer alle koningrijken der wereld Hem zullen onderworpen worden, en daarnevens bevat de Openbaring van ’s Heeren toorn over de oproerige volken, en den tijd der dooden om geoordeeld te worden, en om het loon te geven aan zijne dienstknechten de Propheten, en den Heiligen, en degenen die zijnen naam vreezen, den kleinen en den grooten, en om te verderven degenen die de aarde verdorven; deze tweede verschijning noemt Johannes in zijne Openbaring de verborgenheid Gods, die vervuld wordt, gelijk Hij zijnen Propheten heeft kond gedaan, (Opnb. X v.7. verg. met Cap. XI. V. 18). De eerste bedeeling wordt genoemd de dag der genade, de tweede de dag des oordeels; en in deze twee verborgenheden is de omvang van alle de waarheden der goddelijke Openbaring begrepen.

Wat de leer van Christus wederkomst betreft, rondom  welke zich alle de voorspellingen der Prophetie rangschikken, of in welke zich als in een middelpunt vereenigen; die wordt reeds in de Apostolische Geloofsartikelen uitgedrukt met deze woorden: “Ik geloof in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, -- die wederkomen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.” Nader vindt men dit artikel voorts ontwikkeld in de Niceesche Geloofsbelijdenis, waarin deze woorden werden bijgevoegd: “En wiens Rijk geen einde  zal hebben.” Deze laatste woorden werden er bijgevoegd tegen de dwaling der Gnostieken, die der persoonlijke heerschappij des Heeren, zoo wel als zijn persoonlijk lijden en sterven verwierpen. Daarom schreef reeds Justijn de Martelaar, een dier Kerkvaders in de tweede Eeuw, die met de Discipelen der Apostelen zelve had omgegaan (zijne bekeering tot het Christendom had drie jaar na den dood van Apostel Johannes plaats): “Ik en zoo vele Christenen als er in alles rechtzinnig zijn, erkennen dat er eene opstanding des vleesches zijn zal en een duizendjarig verblijf in Jeruzalem, dat weder opgebouwd, versierd en vergroot zal worden, zoo als de Propheten, Ezechiël, Jezaïas en de anderen getuigen.” – Zoo ook beleed Tertullianus in de derde Eeuw zijn geloof aan het Koningrijk van Christus op aarde, en aan de opstanding voor de duizend jaren, en een leven en heerschen met Christus in het nieuwe Jeruzalem. Lactantius die in ’t begin van de vierde Eeuw leefde, is zeer breedvoerig over dit onderwerp, en zegt dat “wanneer Gods Zoon de ongerechtigheid vernietigd, en de Rechtvaardigen die van den beginne af geweest zijn, in het leven zal hersteld hebben, Hij als dan duizend jaar onder de menschen zal verkeeren, en over dezelven eene allerrechtvaardigste heerschappij uitoefenen, -- Dat is de leer der heilige Propheten, welke wij Christenen volgen: dat is onze wijsheid!”

Dus dacht men in de eerste Eeuwen der Christelijke Kerk. Doch deze leer van de wederkomst en het Koningrijk van Christus, werd door twee onderscheidene oorzaken in de Oostersche en Westersche Kerk verduisterd. Eerst leidde daartoe in het algemeen de bestrijding des gezags van Johannes Openbaring, waardoor natuurlijk derzelver hoofdwaarheid, die men voor eene uitvinding van Cerinthus uitgaf, moest worden verwaarloosd. In het oosten werd deze verwaarloozing krachtdadig bevorderd door de Gnostische zucht tot afgetrokkenheden, en valsche allegoriën; in het Westen daarentegen door der aanmatigingen van Rome, hetwelk deszelfs eigene tegenwoordige heerschappij verhief ten koste der toekomstige heerschappij van den Heer. Doch dit heeft nimmer kunnen weggenomen of verdonkerd worden, dat eene rij van de rechtszinnigste Kerkvaderen der eerste Eeuwen, een Barnabas, Justinus, Martyr, Irenaus, Tertullianus, Hippolytus, Methodius, Lactantius en anderen de leer van Christus wederkomst en persoonlijke heerschappij, die het middelpunt aller nog toekomstige Prophetiën is, hebben voorgestaan en verdedigd.

De Kerken der Hervorming keerden op den voorgang der van God hun toegezondene Geloofsgetuigen terug tot de leer der rechtzinnige Kerkvaders van de eerste eeuwen, en namen allen de Belijdenis van Nicea, onder hunne Geloofsformulieren op; doch, ingesloten (om zoo te spreken) tusschen de onheiligheid en dweeperijen der Wederdooperen aan de eene zijde, en de vervolgingen en verdrukkingen der Roomsche heerschappij aan den anderen kant, waren zij verplicht tot een krachtig getuigenis tegen dezen en genen. Tegen beide vonden zij het noodig, alleen de waarschuwende en dreigende zijde over te stellen van het artikel der wederkomst van Christus, als Wereldrichter, namelijk, om een iegelijk te vergelden naar zijn doen, en tot verdelging van de Pauselijke Antichrist. Dat echter die uitsluitende richting van het gezicht op het oordeel, in dien tijd de leer van het Koningrijk zelve eenigermate verduisterd of op den achtergrond gesteld heeft, hebben wij vroeger in een opzettelijk opstel breeder aangewezen. In Brittannië daarentegen, waar nog op den tijd van eenen Knox dezelfde aanmerking  mag worden toegepast, is  sedert door de voortreffelijkste Schriftuitleggers, de nadere ontwikkeling des leere van Christus komst en Koningrijk uitgevoerd, en men mag die uitwerking inderdaad als een pand beschouwen, aan die Kerk, vooral in deze laatste tijden, van den Heere der Kerken toebetrouwd geworden.

Ofschoon men dus uit het tot hiertoe gezegde zien kan dat wij de leer aangaande de persoonlijke wederkomst, en het heerlijk Rijk van den gezalfden Koning Sions, als het eigenlijke hoofd- en middenpunt der Prophetiën aanmerken, zijn wij echter voornemens een meer algemeen overzicht der Prophetische studiën in Engeland hier mede te deelen; immers niet een verschillend gevoelen, maar volstrekte onverschilligheid omtrent de Prophetische Schriften des Bijbels in een treurig teeken voor eene Kerk, en toont dat zij door ongeloof en wereldschgezindheid doof geworden is voor die stem des Heeren: Zalig is hij die leest en zijn zij die hooren des woorden der Prophetie dezes Boeks, en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is, want de tijd is nabij!

Het was vooral in Schotland, dat gelijk wij van Knox gezegd hebben, de Prophetiën, vooral de Openbaring van Johannes, als waarschuwingen tegen de verleidingen der Roomsche Kerk door de Protestanten werd gebruikt. In Engeland evenwel had hetzelfde plaats, en Koning Jacobus de Eerste schreef in het begin der XVIIde eeuw nog een werk, om te bewijzen, dat de Paus van Rome de voorzegde Antichrist was. Eene geheel nieuwe ontwikkeling kreeg echter de Prophetische studie door Joseph Mede, een Engelsch leeraar uit Essex, die ook in het begin der XVIIe eeuw bloeide, en overleed in het jaar 1638, het 52ste van zijnen ouderdom. Mede wordt door vele hedendaagsche Prophetische Schriftverklaarders der Vader der prophetische studie in Engeland genoemd. Hij schreef over dit onderwerp verscheidene werken, alle in de Latijnsche taal en wordt nog hedendaags vlijtig gebruikt. (Clavis Apocalyptica – de Hebdomadikus Daniëlis – De Apostafia ultimorum temporum – De Prophetia Petris etc., - Het eerstgenoemde werk werd in 1833 te Londen vertaald, en uitgegeven onder den titel: A translation of Mede’s Clavis Apolyptica, door R. Brandby Cooper. Het is deze Dr. Mede wiens uitleggingen meermalen voorkomen in de bekende Bijbelverklaring der Engelsche Godsgeleerden, voor ruim honderd jaren in het N.D. uitgegeven met eene Voorrede van Prof. Van den Houert).       

Mede onderscheidde zich vooral door het weder aannemen der denkbeelden der eerste Christenkerk, zoo als die boven zijn  voorgedragen, omtrent het koninklijk Rijk van Christus, en vereenigde die met de leer van Christus wederkomst om te oordeelen de levenden en de dooden, ongeveer gelijk wij dit hebben gedaan in ons opstel in Deel 1, No. 14, dezer Nederlandsche Stemmen. Het is bekend welk schrikkelijk misbruik de heethoofdige Republikeinen na den Koningsmoord aan Karel I gepleegd, van de leer aangaande Christus Koningrijk hebben gemaakt. Het was bijna eene hernieuwing der Wederdoopsche woelingen. Deze menschen die men Vijfde-monarchie drijvers (Fifth-Monarchymen) moende, ijverden ten sterkste tegen de regering van Cromwell, die zij oordeelden dat even zoo wel als die der Stuarts voor de heerschappij van Koning Jezus moest plaats maken. Zij maakten zich niet alleen daarin schuldig, dat zij hunne vleeschelijke staatswoelingen aan hunne prophetische verwachtingen verbonden, maar ook hierin, dat zij tot het bereiken hunner bedoelingen de hand gaven aan eene menigte Deïsten van dezelfde Ultrarepublikeinsche partij, die Cromwell gewoon was heidenen te noemen

Niettegenstaande dit schreeuwend misbruik der heerlijkste waarheden, vond één der grootste mannen zijner eeuw, de beroemde J. Newton (vier jaar na Mede’s dood geboren) zich genoopt eene veelzins merkwaardige verklaring van Johannes Openbaring te geven, die zich vooral onderscheidde door grootsche beschouwingen en een ruim gezichtspunt, waaruit hij Johannes prophetisch Boek in verband met het Oude Verbond, met de Mozaïsche Tempeldienst en de Voorzeggingen van Daniël beschouwde. Ook hij beperkte de voorspellingen des Oude Verbonds niet tot de tijden der eerste bedeeling, maar toonde dat zij ruime uitzichten in de verste toekomst bevatten.

Voltaire, de oppervlakkige en veelzins nietige Voltaire ontzag zich niet om met den grooten man, naar zijne gewoonte, met een trait d’esprit te spotten: Le grand Newton fit son Apocalypse.

Ook schijnt het waar, dat de Natuurkenner op verscheidene punten der geloofsleer aanmerkelijke dwalingen heeft gekoesterd; doch indien  men ook al uit dezen arbeid zijn geloofsleven niet kan opmaken, er kan daar nog uit blijken, hoe zeer de groote man gevoelde, wat de stemming zijns volks was in het vak der prophetische theologie.

De Bisschop, zijn naamsgenoot (Thomas Newton), maakte, eene halve eeuw later, de opmerking, dat het schrijven over de Openbaring, hoe moeilijk ook, gansch niet als overtollig mocht beschouwd worden, wijl in den laatsten tijd zich geen Godsgeleerde met dit boek had bezig gehouden, die er niet eenig nieuw licht over verspreid had; deze opmerking was vooral ook op den geleerden man zelven toepasselijk. Het werk van dezen schrijver over de gewijde Voorzeggingen (dat naar den derden Engelschen druk in het Nederduitsch onder dien titel werd uitgegeven) opende een nieuw tijdperk voor de Verklaring der profetische Schrift. Dit werk blijft, benevens dat van Mede, nog steeds groote waarde behouden. Hij ontleende het ontwerp tot zijn geschrift uit deze merkwaardige woorden van den Cancelier en Christen-Wijsgeer Baco: “Zulk een werk, hetwelk de Geschiedenis der Profetiën kond genoemd worden, het tweede deel der kerkgeschiedenisssen uitmakende, en tot de Voorzeggingen en derzelver vervulling behoorende, moest dus ingericht zijn, dat iedere Voorzegging der H. Schrift gepaard ging met de gebeurtenissen of uitkomsten, die dezelve door alle Eeuwen heen der wereld bevestigden, tot des te vaster verzekering van ons geloove, en ten verlichting van de kennis en bevordering der ervarenis in het verklaren dergenen, die nog onvervuld zijn. Terwijl men echter in dezen die ruimte en uitbreiding moest toelaten, welke aan de goddelijke Voorzeggingen eigen en gemeen, en tevens overenkomstig is met het Wezen van den hemelschen Ingever zelve , bij wien een dag is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag; naardien dezelve niet in haar geheel en volledig op  een bepaalden tijd naauwkeurig vervuld worden, maar ook trappen en graden der vervulling hebben, volgens welke die vervulling ook fluksgewijze in onderscheiden Eeuwen der wereld kan plaats hebben. Dan zoodanig Werk moest met de grootste omzichtigheid, bescheidenheid en eerbiedigheid behandeld, of anders liever geheel achterwege gelaten worden.”

Bisschop Newton behandelde in dit werk  zoowel de nog onvervulde als de bereids door vervulling bevestigde voorspellingen. Hij ging, evenals Mede, van het geloof der eerste Christenkerk omtrent Christus heerschappij en Koningrijk uit, en verspreidde beide over Oud- en Nieuwtestamentische voorzeggingen, vooral over die van Daniël, een licht, waaraan vele hedendaagsche Profetische Schriftverklaarders in Engeland het hunne ontstoken hebben. (in het bijzonder zijn zijne beschouwingen over de letterlijke bewaarheiding der reeds vervulde profetiën, vervolledigd door de latere reisbeschrijvingen en getuigenissen zelfs van ongeloovige schrijvers, opnieuw bewerkt door A. Keith: On the evidence of the prophectes; een werk waarvan in den jare 1829 in Parijs eene verkorte Fransche vertaling is uitgegeven)

Of de derde schrijver van dienzelfden naam, de godvruchtige Godsman, dien wij in Nederland het best als den auteur der voortreffelijke Gardiphonia kennen, en wiens bekeering zulk eene luisterrijke openbaring was der heerschapvoerende genade Gods, of deze Newton zich veel met de profetiën heeft bezig gehouden, is ons niet bekend; maar dit blijkt, dat zijn boezemvriend, de godvruchtige dichter Gowper, een diep inzicht in dat gedeelte van Gods Woord had. Aandoenlijk is zijne invocatie der verschijning van Jezus in heerlijkheid welke wij hier als eene proeve van dat inzicht mededeelen:

 

Kom, groote Heiland, en voeg de kroon der Aard

Tot al uw kroone toe! Gij zijt haar eenig waard.

U werd zij toegezegd voor ’t morgenrood der tijden,

En sints verwierft Gij haar door offer-bloed en lijden;

(Dien prijs, zou eindloos hoog, zoo godlijk van waardij!)

Uw heilgen roepen u als Koning uit, o Gij,

Wiens titel in hun hart de pen van eeuwge Liefde

Gedoopt in ’t grondloos meir der heilgenade, griefde!

Uw heilgen roepen u als Koning uit, o Heer,

En hunner haaren trots verheft zich meer en meer,

Terwijl uw weerkomst toeft. Maar zoo zij de ochtendstralen

Aanschouwden van dien Dag,. hoe zou hun hoogheid dalen!

Hoe zouden ze in ’t gebergt verschuilen op dien blik,

En ’t vallend rotsgevaart’ omhelzen, bleek van schrik.

 

In het begin dezer Eeuw legde zich de Eerw. George Stanley Faber bijzonder toe op de studie der profetiën. Deze ging van andere gronden dan Mede en Th. Newton uit. Hij verklaarde het Koningrijk van Christus als wel over, maar niet op aarde gevestigd, en legde de Openbaring vooral uit in verband met een tijdperk van 1260 jaren, waarin hij meende, dat de heerschappij van het Pausdom en Mahomedanisme zou worden besloten (A dissertation on the prophecies to the great period of 1260 years. 2 vols. Londen 1808, 1809). Hij onderscheidde zich van zijne voorgangers vooral daardoor, dat hij het Antichristelijk Frankrijk der Revolutie in zijne verklaring van Daniëls en Johannes Voorspellingen opnam. Doch zijne voornaamste verdiensten bestaan hierin, dat hij de aandacht weder, en meer dan immer voorheen, op de toekomstige lotsbestemming van het volk van Israël heeft gevestigd in eene afzonderlijke daartoe ingerichte Verhandeling (On the restoration of  Israël and the overthrow of Antichrist, 1813). Zijne veel later uitgegeven Sacred Calender of prophecy, bevatten in het breede zijne gronden voor de onzichtbare natuur van het Koningrijk des Heeren, en tegen ’s Heilands persoonlijke verschijning en heerschappij op aarde. Dit werk is in het breede wederlegd door den Heer W. Cuningham (1830).

Het was deze laatst genoemde schrijver, die in het jaar 1815 een werk over de Openbaring van Johannes uitgaf, in hetwelk de leer van de tweede persoonlijke verschijning onzes Heeren bij den aanval van het millennium of duizendjarig Koningrijk, en zijne heerschappij op aarde gedurende die bedeeling, zeer ontwikkeld en krachtig werd voorgedragen, en waarmede men mag, rekenen dat door deze studiën een nieuw tijdperk geopend is. “In het volgend werk (dus schreef Cuningham in de voorrede voor dit boek) zal de lezer veelvuldig melding vinden van de tweede verschijning van onzen Heer. Ik ben wel bewust, dat het hedendaagsch eene algemeen aangenomen zaak is bij de Christelijke kerkleden en leeraars, om velen van die plaatsen, welke ik op die groote gebeurtenis heb toegepast, in een figuurlijken zin te verklaren. Doch ik heb het gevoelen van die uitmundenste schrijver over de profetieën voor mij, terwijl ik dezelve letterlijk opvat; en de overtuiging, die mij met opzicht tot dit punt bezielt, is niet alleen het gevolg van een langdurig en zeer gezet onderzoek der profetische schriften, maar werd langzaam en als ondanks mij zelf door mij aangenomen, tegenover vooroordeelen, die mij vroeger eigen waren. In de voortdurende overmacht der tegengestelde beschouwing hebben wij een blijk van dien geest des ongeloofs, welke onze Heere ons verzekert, dat het tijdstip Zijner tweede komst zal kenteekenen: Maar wanneer de Zone des menschen komt, zal Hij ook geloove op aarde vinden? waardoor niet in het algemeen het geloof aan de waarheden van het Evangelie bedoeld wordt, maar zeer bijzonder aan de bijzondere toezeggingen die betrekking hebben op zijne tweede komst.”

“Omtrent dit punt zal ik hier de volgende aanhaling uit Kings “Aanmerkingen over de teekenen der tijden” mededeelen (Remarks on te sign of the times, dit werk verscheen in twee deelen in de jaren 1798, 1799 en bevat belangrijke beschouwingen): “Aan den eenen kant wilden de Joden de woorden der heilige Prophetieën betreffende ’s Heilands eerste komst en zijnen staat van diepe vernedering en lijden, niet aannemen noch gelooven, daar zij verblind waren door schitterende verwachtingen van hetgeen gescbreven was omtrent zijnen tweede komst, zijne verschijning in heerlijkheixd en aan de andere zijde is thans de Christenwereld afkeerig van te gelooven hetgeen wezentlijk in dezelfde woorden der heilige profetieën geschreven is van zijne tweede komst op aarde in heerlijkheid, daar zij verblind is door hare gewoonte van gedurig met de Joden te twisten over de eerste komst, en door de oneigenlijke verklaring die overheerschend is geworden, en door welke hetgeen op de tweede slaat op de eerste wordt toegepast, als leidende tot eenen ingebeelden voorspoed der Christelijke Kerk op aarde, ofschoon deze ingebeelde voorspoed eene valsche uitlegging van het Woord is, als zijnde in strijd tegen al de waarschuwingen van onzen Heer zelf, en van alle zijne heilige apostelen.”

 

Na de uitgave van Cuningham’s werk werden verscheiden schrijvers van bekwaamheid opgewekt on de nieuwe beschouwingswijze te proeven, en verder te ontwikkelen of te bestrijden. De Eerw. L. Way behandelde dit onderwerp in eene reeks van brieven, in een Engelsch tijdschrift omstreeks het jaar 1819 geplaatst. In het jaar 1824 verscheen zijne Palingenesia, of toekomende wereld; en vier jaar later gaf hij onder den verdichten naam van Basilicus zeer belangrijke Gedachten uit over de Schriftmatige verwachtingen der Christelijke Kerk. Veel opmerkzaamheid verwekte ook in dien tijd een werk van John Fry, over ’s Heeren tweede komst, dat voortreffelijk zijn moet, doch hetwelk de schrijver van dit artikel niet heeft onder het oog gehad (J..H. Fry: Combined view of the prophecies, 1815. On the Structure of the Apocalyps, 1826. De Heer Cuninghame heeft er intusschen aanmerkingen tegen uitgegeven. Frere vindt in de Openbaring van Johannes eene Chronologische Geschiedenis der Kerk: eene beschouwing, waartegen zich de Heer Cuningham onzes inziens met alle recht verklaart.). Ook de werken van Frere werden veel gelezen; hij schreef een afzonderlijk werkje over de orde en schikking der Prophetieën in de Openbaring, dat later in het Fransch werd vertaald. Twee Leerredenen van J.H.. Stewart over ’s Heeren toekomst, gedaan in 1827, zijn in het Nederduitsch overgebracht, uitgekomen.

Wij zijn thans gekomen tot een van de alleropmerkelijkste werken over de nog onvervulde profettieën des Bijbels, hetwelk wel niet in Engeland vervaardigd, maar in het Engelsch is overgebracht geworden door een der zonderlingste en merkwaardigste mannen van zijnen tijd, die sedert de voornaamste strijder is geworden voor de leer van Christus persoonlijke verschijning en duizendjarig Rijk; een man, die ontzettend veel van zich heeft doen spreken, die beurtelings hoog verheven en diep miskend is geworden; die groote en schitterende inzichten in de goddelijke waarheid had, maar van wien het tevens niet ontkend mag worden, dat hem groote dwalingen hebben aangekleefd. Wij bedoelen het groote werk van Ben Ezra, uit het Spaansch met eene inleidende Verhandeling in het Engelsch overgebracht door Edward Irving.

Edward Irving, Leraar der Schotse Kerk, sints 1813, was een man van zoo schitterende begaalfdheden, dat de welsprekenste leden van het Parlement, inzonderheid de beroemde Canning, gewoon waren hem, den onvergelijkelijken Kanselredenaar, bij voorkeur te gaan hooren. Maar juist dit aanzienlijke gehoor, hoe streelend het ook voor ’s mans eingenliefde moesten zijn, vervulde zijne ziel met diepe droefheid, dikwijls hij zag op de wereldschgezindheid en geestelijke doodigheid van zoo velen, die meer de pracht en weelde der wereld, van die armoede van geest, aan welke het Koningrijk is toegezegd, bij ervaring bleken te kennen. Terwijl hij zich voorbreidde om op den eersten Kerstdag des jaar 1826, die juist op een Zondag viel, zijne bij zulke gelegenheid tallooze hoorders tegen de wereldsche verstrooijengen van het wintersaizoen te waarschuwen, viel zijn aandacht op de woorden van Paulus: “Maar gij, Broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zoude bevangen. Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags: wij zijn niet des nachts nog der duisternisse: zo laat ons dan niet slapen gelijk als de andere, maar laat ons waken en nuchteren zijn, want die slapen slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken.” De spreker, bevindende dat hij na het beginnen van zijne rede met eene verklaring het hetgeen in het verband vooraf gaat, reeds te ver was gekomen in dat onderwerp dat hen zoo na ter harte ging (hij had de overtuiging omtrent de naderende toekomst des Heeren reeds eenige maanden lang in zijnen boezem opgedragen), om het op eene te kunnen laten varen, zoo beschouwde hij dit als eene opwekking van Godswege, meende niet langer te mogen achterlaten om den geheelen raad Gods te verkondigen, en trad dus dienzelfden dag, eigenlijk bestemd voor de herdenking der eerste komst des Heeren, met veel kracht van rede en belooning des Geestes, in het gewichtig onderwerp van Zijne toekomst, in heerlijkheid en majesteit. Het was (schreef hij zelf een jaar later

“het was voor volle twaalf maanden een gedenkwaardige dag in de geschiedenis van mijn Leeraarsambt, voor welken niet alleen ik, maar ook zoo vele zielen, die thans in de hoop uwer verschijning wandelen, de grootste reden hebben U, o aanbiddelijk Hoofd uwer Kerk, te danken en te zegenen!”

“De heer (dus vervolgt hij) die ik toen staande hield, was: dat de komste des Heeren ten  voordeele, van den tijd van Enoch af, die eersten van Gods Geest gedrevenen Leeraar, tot op den tijd van Joannes, dan laatsten derzelven, de uitverkorene Kerk Gods was voorgesteld geweest, als het grootste voorwerp van hun geloof en hope; en wel wegens deze drie gewichtige redenen: vooreerst, wijl alsdan het getal der uitverkorenen vervuld is; ten tweede, wijl dan tevens hun strijd is voleindigd; ten derde, wijl hun Koningrijk alsdan zal gekomen zijn; terwijl aan de andere zijde diezelfde leer den ongeloovigen en verworpenen als het grootste voorwerp van vrees en de sterkste aandrang tot bekeering wordt voorgesteld, wijl alsdan, vooreerst hun Koningrijk ten einde, ten andere de dag der genade gesloten, en een derde hun oordeel (d.i. het oordeel over de levenden) is vervuld, en het lot van al hunne geslachten verzegeld tot op het oordeel over de dooden, hetwelk niet zal plaats grijpen dan na de regering der uitverkorenen en heiligen, in den Bijbel genoemd de duizend jaren, en onder de Godsgeleerden het Millennium.”

 

Eenige tijd daarna kwam Irving op eene schijnbaar allertoevalligste wijze, maar blijkbaar onder Goddelijke beschikking, in het bezit van een Spaansch werk, getiteld: La venida del Mesias en Gloria y Majestad (de toekomst van den Messias in majesteit en gloria), uitgegeven in Spanje gedurende de korte tijdruimte van het bestuur der Cortes (in 1812), onder den verdichten naam van Ben Ezra. Het bleek naderhand geschreven te zijn door zekeren Emanuel Lacunza, geboren te St. Jago in Chili in 1731, en aldaar Prediker des Jezuiten-orde tot op de verdrijving der orde uit die streken, als wanneer hij de wijk nam naar Italië, alwaar hij in 1801, zijne dagen te Imola ambteloos en in de afzondering eindigde. Nauwelijks was het bestuur der Cortes ontbonden en de vroeger orde van zaken hersteld, of dit boek werd met vele anderen onderdrukt, en zoo veel mogelijk buiten omloop gebracht. Het was intusschen reeds in Frankrijk hier en daar bekend geworden, en werd door een R.C. kerkelijke in 1822 of 1823 aan een Engelsch Kerkleeraar overgezonden, van wien Irving het door eene tweede of derde hand ontving. Dit werk kwam op zulk eene opmerkelijke wijze overeen met zijne aanvankelijke prediking van de toekomst des Heeren, en bevatte nog daarenboven zoo vele heldere en diepgaande ontwikkelingen van die leer, dat hij aanstonds besloot het in de Engelsche taal over te brengen. Hij deed dit, met bijvoeging van eene uitgewerkte, en zeer schoone inleidende Verhandeling voor hetzelve; en dit werk is een van de uitvoerigste, diepst doordachte, en volledigst ontwikkelde geschriften, die over dat onderwerp geschreven zijn.

Na de genoemde inleiding des vertalers voor dit uitmuntende werk, in welke de verhouding van het leerstuk van de toekomst van den Zoon des Menschen tot al de overige waarheden des goddelijken Woords in een helder licht wordt geplaatst, verdeelt zich het werk zelve van den Spaanschen Godsgeleerde in drie afdeelingen. De eerste handelt van de eigenlijke verklaring des Heilige Schrift in het algemeen, en de leer der Kerkvaders en Conciliën over het behandelde onderwerp in het bijzonder. Hier wordt het meer algemeen aangenomene gevoelen op de voldoendste gronden wederlegd, en de leer der oorspronkelijke Christenkerk niet alleen in het licht gesteld, maar ook gehandhaaft, als van welke de kerk en hare groote leeraars en vergaderingen nooit werkelijk afgevallen, maar alleen de meeningen van sommige bijzondere schrijvers eenen tijd lang afgeweken zijn. De tweede afdeeling behandelt de komst des Heeren in majesteit en glorie, als voorbereid en voorspeld in tien onderscheiden gebeurtenissen: de opvolging der Rijken bij Daniël, in den droom van gouden beeld; het profetisch gezicht van denzelfden Profeet omtrent de vier dieren; de verschijning van den Antichrist; de verdelging van deszelfs Rijk; de herstelling van Israël; de verwerping der Christenkerk uit de Heidenen; de verlossing der gebondenen onder de heerschappij van Babylon; de vrouw bekleed met de zon; de oprichting van de Tabernakel Davids; en de verheffing van den Berg Sion ten hoofd boven alle de bergen. De derde afdeeling bevat de heerlijke toekomst zelve en het Koningrijk van Christus, en zijnen grooten gerichtsdag; voorts de vervulling der voorzeggingen omtrent den nieuwen hemel en de nieuwen aarde, omtrent het nieuwe Jeruzalem, en de luisterrijke bruilofs des Lams, benevens hetgeen vooral volgens Joannes Openbaring op dit tijdperk van heerlijkheid en majesteit staat te volgen.

Twee hoofdpunten maken, benevens verscheiden anderen van minder aanbelang, den grond en sleutel van het stelsel van Ben Ezra uit: het eerste, dat Jezus Christus, in zijn heerlijken staat van majesteit en glorie, die ons in de heilige boeken worden beschreven, op onzen aardbol staat te verschijnen, niet alleen om hier het groote eindvonnis uit te spreken, over al de nakomelingen van Adam, maar tevens ook, alvorens nog de tijd van het eindoordeel daar is, om over de wereld te regeren, en van al de volkeren der aarde als Koning te worden erkend,- dat alsdan onze wereld een tijdperk van zegen zal ervaren, waarin al hare redelijke inwoners Jezus Christus, den Zoon des levenden Gods, en den Vader, die Hem tot onze zaligheid in de wereld zond, zullen erkennen en aanbidden, en al de waarheden en voorrechten onzer gezegende godsdienst erkennen en waarderen. – Het tweede punt is: dat met den aanvang van dit gelukzalige tijdvak, de Joden, die wij nog steeds door eene wonderlijke Voorzienigheid Gods  daartoe bewaard zien, hoezeer ook verstrooid en verdrukt onder de Volkeren, zich zullen bekeeren tot Jezus Christus, en Hem als hunnen Messias erkennen, in hun land wederkeeren, op nieuw het Volk Gods bij uitnemendheid worden, en Hem in geest en in waarheid aanbidden, tot zegen en zaligheid voor hen zelve en voor alle de Volkeren (Rom. 11).

 

In het vorige jaar (voor dat, waarin het werk van Lacunza in het openbaar verscheen) had Irving reeds een geschrift uitgegeven, onder den titel: Babel en het Ongeloof voozegd, in hetwelk mede de volle ontwikkeling van Ongeloof en Bijgeloof, en de uiteindelijke vereeniging van beide, met veel klaarheid en kracht werd voorgesteld als de vervulling der hoofdvoorspellingen van Daniël en der Openbaring, tot welker uitlegging dit werk bijzonder bestemd was (Babylon and Infidelity, Glasgow 1826, 2 vols.). Hij wilde die uitlegging meer volledig maken door de nadere behandeling der Profetiën van Daniël, en gaf daarop in 1829 uit: eene reeks van redevoeringen over Daniëls gezicht van de vier dieren, of kerk en Staat verantwoordelijk aan elkander, en beide verantwoordelijk aan Christus; hetgeen wat de Profetiën van Daniël aangaat, zich hoofdzakelijk aan de denkbeelden van den Bisschop Newton houdt, en die nog nader ontwikkeld, voortzet en toepast op onze dagen, en de Europeïsche heerschappij van Frankrijk in de XIXde Eeuw; en tevens de bedoeling had om aan te wijzen, dat Engeland, indien het zich door de emancipatie der R. Catholieken van de Hervormde Belijdenis als belijdenis van den Staat afscheurde, zich zou rijp maken door deze daad van afval voor eene volkomene verwerping van Godswege. In dit werk verdient alle aandacht een bij wijze van inleiding voorafgaande Brief aan mijne Eerwaarde Vaders en Broeders, de geordende Leeraars der Schotse Kerk, in welken bij zijne getrouwheid aan de leer en orde dier Kerk in het breede verdedigt en handhaaft. Het is ons belangrijk voorgekomen, om van dien brief hetgeen den geest des werks meest karakterizeert, en Irvings gevoelens het duidelijkst doet kennen, hier bij wijze van uittreksels mede te deelen. Hij vangt aan met de volgende woorden:

“Eerwaarde en welbeminde Vaders en Broeders, de vrede Gods zij met u en met uwe gemeenten:  de zegen van het aanbiddelijke Hoofd der Kerk beware u van alle ketterij en scheuring, en de Heilige Geest schenke u een overvloedigen oogst op uwe bediening!

Ik, die uw broeder ben in de herderszorge der gedoopte kinderen van de Schotsche Kerk, terwijl ik dit werk uitgeve over de verantwoordelijkheid van Kerk en Staat aan elkanderen, en van beide aan God, zoo weet ik niemand uit te denken, wien ik het zoo eigenaardig zou kunnen opdragen, dan aan Ulieden, de Hoofden der Schotsche Kerk, de geordende Dienaren in het Koningrijk van Schotland. Ontvangt, ik bidde U, ontvangt de aangebodene vrucht mijner overdenkingen en werkzaamheden, hoe onwaardig ook, beschouw in betrekking tot groote onderwerp dat mij bezig hield, als den tol mijner dankbaarheid aan de Kerk van Schotland, en een pand mijner getrouwheid aan de goede zaak waaraan onze Vaders gearbeid hebben, terwijl velen hunner hun getuigenis bezegeld hebben met hun bloed - - -

Mij blijft nu alleen nog overig, Geliefde Broederen in den Heere, U te verzekeren, dat ik, in al hetgeen ik hier of elders heb geschreven omtrent de komst en het Koningrijk van den Zone des Menschen, niet heb gesproken tegen eenig artikel der kerkleer, maar alleenlijk, gelijk een Leeraar altoos behoorde te doen, heb geopend hetgeen in zulk een Artikel meer of min ontwikkeld begrepen is. Ik heb de leer van eene persoonlijke toekomst, die bij al de Kerkvaderen werd geloofd, staande gehouden tegen de leer van eene geestelijke komst, die thans in de kerk is ingedrongen. Ik heb de leer gehandhaafd van Christus komst om den Antichrist te verdelgen, welke in al onze geloofsbelijdenissen wordt geleerd, tegen de leer, die thans zich in de kerk is ingedringt, van de bekeering van den Antichrist door de prediking des Woords. Ik heb de leer gehandhaafd van Christus komst om te oordeelen de levenden en de dooden tegen de leer, die zich thans indringt in de kerk, dat Christus alleenlijk komen zal om de dooden te oordeelen. Wat aangaat den dag des oordeels of den laatsten dag, omtrent welke during niets in onze geloofsformulieren bepaald is, van deze, zeker! heb ik zoowel in dit meer bijzonder als in andere werken geleerd, dat die niet een dag van twaalf uren is, maar en dag van duizend jaar, waarvan in het XXste Capittel der Openbaring van Joannes melding is, en waarop de XCste Psalm zinspeelt, die ook vermeld wordt in het VIde Capittel van Joannes, in het IIIde van den tweeden Brief van Petrus, en inderdaad overal in de Schriftuur, als de dag der eerste opstanding, als de dag van het oordeel over de levenden; als de dag van de verdelging des Antichrists: welke aanvangende in den morgenstond der eerste Opstanding, eindigt in het oordeel over de dooden. Oordeelt gij zelve, Eerwaarde Vaders en Broeders, of ik hierin mij vergrijp tegen de formulieren van eenigheid onzer Kerk, welke ik daarentegen verklaar in hun waren letterlijken zin, en welke velen, die zich tegen deze verklaringen aankanten, tot geestelijke en beeldsprakige beduidenisten verflaauwen, die niet alleen met den letter niet overeen komen, maar zelfs de bedoeling verijdelen. Een ding doe ik: namelijk ik verklaar den dag des oordeels van een tijdperk des oordeels, beginnende van het oordeel over de levenden, en eindigende in het oordeel over de dooden. Even als de tegen van hen tegenwoordige bedeeling van Evangelies door den Profeet Jezaias in den Apostel Paulus de dag der genade, de dag der zaligheid genoemd wordt, zoo geloof ik, dat het gezegende tijdperk, dat wij voor de Aarde verwachten, datgene is, wat in de Schrift de dag des oordeels, de dag des gerechtigheid genoemd wordt, in welken, en niet na denzelven, in de belijdenissen van al onze Kerken verklaard wordt, dat Christus wederkomen zal, op aarde, om te oordeelen de levenden en de dooden.

Verdraagt mij geduldig, Eerwaarde vaders en broeders, terwijl ik alzoo voor uwe ooren de allerrechtzinnigste leer onzer Kerk uitleg en rechtvaardig, welke ik zoowel in dit als in al mijne overige geschriften , handhave: want ik ben niet onbewust van mijne menigvuldige vijanden, die U onwaarachtige berichten overbrengen van de leer uws getrouwen Mede-herders; wier kwaadwilligheid ik beweene, maar tevens moet beletten om uwe broederlijke liefde en goed gevoelen van iemand, die altijd oprecht en getrouw aan de Schotse Kerk verbonden geweest is, te verhinderen. Ik weet vooraf, dat degenen, die in Christus Jezus gelooven vervolgingen zullen moeten ondergaan. De wet laat zulk eene vervolging niet toe die van goed en bloed zou berooven; maar zij kan de vervolging door laster en valschheid niet voorkomen; en terwijl ik in mijn post verdedig tegen dwaalgeesten en scheurgezinden, beide in Kerk en Staat, zoo verwacht en begeer ik niet van hen gespaard te worden; maar gaarne zou ik, indien het met Gods wil bestaanbaar is, aan de gemeenschap uwer liefde, uwer hoogachting en gebeden blijven deel hebben. Daarom bid ik U alle lasterlijke berichten te verwerpen, en mij te beschouwen zoo als ik mij in mijne uitgegevene werken doe kennen. Meent niet, veel geliefde Broederen! dat ik deze dingen tot verdediging mijns zelfs gezegd hebbe; want ik ben mij van geen ding bewust; of ook om enige kwade bejegening van uwentwege te voorkomen; want de liefde hoop alle dingen, en christelijke moed braveert alle dingen; maar ik beken, dat zij gezegd zijn in den wensch van mijn goeden naam te bewaren, niet alleen als Kerkleeraar, maar als Christen, bij dezulken, die ik bemin en eer als mijne Broeders en Vaders in de Kerk des Heeren.”

Later is Irving nog begonnen eene zeer volledige en alleruitvoerigste uitlegging der Openbaring van Joannes uit te geven, welke echter door zijn afsterven in den loop des verleden jaars is afgebroken geworden.- Het is hier de plaats niet, en wij achten ons ook op dit punt niet genoegzaam ingelicht om den twist te beslissen, die Irving met zijne ambtsgenooten Arthur Thompson en John Haldane over ’s Heilands menschelijke natuur heeft gevoerd, en zijne op dien grond, en ten gevolge van andere zonderlinge denkbeelden, die hij in zijne Kerk verwezelijken wilde, in Maart 1833 gevolgde afzetting. Zeker is het, dat de uitsluitende beschouwing van ’s Heilands aanstaande heerlijkheid en heerschappij, hem de kracht van het Godverzoenend kruislijden wel eens heeft doen voorbij zien; en in dit opzicht vooral moeten wij hier even tegen Irvings afdwalingen waarschuwen, als op de hooge waarheden, door hem tevens verdedigd en ontwikkeld, opmerkzaam maken. De vermelding van beiden behoort gelijkelijk tot ons overzicht alhier. – Irving meende, dat zijne prediking van ’s Heeren toekomst bevestigd werd door verschijnselen, die men algemeen voor geestdrijverij verklaarde, en die hij voor eene  vernieuwing der buitengewone Geestesgaven der eerste Christengemeenten aanzag; en hij stichtte op dien grond eene afzonderlijke Kerk, geheel ingericht naar de wijze der Apostolische gemeenten. Hier werden, gaf men dus voor, vreemde talen gesproken, profetiën gedaan, wonderbare genezingen door gebed en geloof bewerkt. Wij voor ons achten wel zulke buitengewone geestelijke gaven voor geenzins  volstrekt onmogelijk in onze dagen (in de Schrift worden zij nergen tot de tijden der Apostelen beperkt), wij verwachten veel meer zulke waarachtige, maar ook daartegenover leugenwonderen en teekenen. In de dagen, die de toekomst des Heeren onmiddellijk moete voorafgaan (2 Thess. II, v.9): maar ook juist deze tweeërlei natuur van de teekenen en wonderen die de Kerk van Christus te gemoet ziet, maakt het dubbel noodzakelijk om te waken en te bidden, en de geesten te beproeven of ze uit God zijn (Joh. V, v. 1). Wat ook intusschen tegen Irving als sectehoofd moge in te brengen zijn, zelfs de zulken, die anders geenszins met zijne gevoelens op hadden, hebben aan de oprechtheid van zijn geloof en ijver nimmer getwijfeld. Hij is te Glasgow ontslapen in Maart 1835.

Gelukkig dan ook hebben de zonderlinge afdwalingen, waarin vele zoogenaamde Irvingiten vervielen, de eenmaal ontwaakte profetische studie in Engeland niet onderdrukt. Ook velen dergenen, die deze dolingen het stelligste als listige omleidingen des Satans hebben gebrandmerkt, hebben niet geaarzeld vele schoone, ja schitterende inzichten van Irving in de profetische Schriften, te erkennen, en althans zelve voort te gaan met het onderzoek van dst profetische woord, dat naar de uitspraak des Apostels zeer vast is, en dus in zich zelve tot geen zonde of dwaling, neen, maar integendeel, tot een

heiligen en behoedzamen wandel leidt. Wij hebben van de uitmuntende Leerredenen van den Eerw. Mac Neil reeds in een vorig deel besproken. Men heeft thans over deze aangelegene stoffe ook afzonderlijke tijdschriften en handboeken bij onze naburen: tot de eerste daar behooren b.v. The Morning Watch (in den geest van Irving): the Dublin Christian Herald die met 1855 heeft opgehouden te bestaan) en the Investigator (1832-1835); van de laatste soort  noemen wij hier alleen de zeer nuttige werkjes van J.A. Begg en Bickerfleth; deze laatste dezelfde, die ook hier te lande door zijne Handleiding tot het gebruik des Bijbels, bekend is, en sedert eenige tijd zich bijzonder op het stuk der nog onvervulde profetiën heeft toegelegd.

Wanneer men nu de geschiedenis der studie van de profetische Schriften, vooral in Engeland, aldus overziet, dan komt het ons voor, dat daardoor de overtuiging  niet weinig versterkt voor, dat, welke verschillen er ook nog tusschen de uitleggers dezer gedeelten van God Woord mogen gevonden worden, dessniettemin een gelovig een naauwgezet onderzoek meer en meer de aandacht op de persoonlijke toekomst des Heeren in majesteit en heerlijkheid gevestigd, en de leer bevestigd heeft, die de oorspronkelijke rechtgevoelende Christenkerk zich vormde van den staat van verhoging, van de tweede verschijning, en het Koningrijk van onzen  grooten God en Zaligmaker Jezus Christus, te gelijk met die verwachtingen omtrent Gods oud en uitverkoren Volk en erfdeel, welke de waarheid in het helderste en ondubbelzinnigste licht stellen: dat de genadegifte en de roeping Gods onberouwelijk zijn. Het is bovendien een kennelijk, een hoogst opmerkelijk teeken des tijds, dat al meer en meer bij de tegenwoordige woelingen des volkeren en de schuddinge der vergankelijke dingen, der stroomen en machten, der heerschappijen en heerlijkheden onder de menschen, het oog van vele geloovigen onder allerlei volken en kerkbenamingen, wordt gericht naar die eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal; naar dat Koningrijk, dat niet zal verdorven worden (Dan. VII v. 14); maar dat heerlijke te vaak miskende woord des Heeren: Zalig is hij die leest, en zijn zij, die hooren de waarden dezer profetie, en die bewaren hetgene in dezelve geschreven is, want de tijd is nabij (Openb. 1:3).

 

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

         

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CHRONOLOGIE  APOSTOLISCHE GESCHIEDENIS TOT 1833

 

Voor deze chronologische beschrijving werd, voor wat het Katholiek-apostolische gedeelte betreft, gebruik gemaakt van Karl Born: Das Werk des Herrn unter Aposteln, Bremen 1974.

Born werd geboren in 1897. Toen hij zijn chronologie samen­stelde woonde hij sinds enige jaren als gepensioneerd ambtenaar in Bremen. Zijn ouders waren, naast hun lidmaatschap van de Evangelische Kerk, lid van een Katholiek-apostolishe gemeente en hadden in 1842 de heilige Verzegeling ontvangen.

Dit dubbellidmaatschap heeft ook Born gehad. Naast lid van de plaatse­lijke Evangelische Kerk was hij, afhankelijk van woon- en werkplaats, in acht verschillende Katholiek-apostolische gemeenten.

Hij was zes jaar lid van de Evangelische Landessynode en twaalf jaar bestuurslid van een Evang.-Luth. kerkgemeente.

 

1698/99 De Engelse Jane Leade (1623-1704) schrijft boeken dat God vanuit Engeland een werk wil oprichten om Zijn gehele kerk te redden. Hij wil de gaven des Geestes weer verwekken en opnieuw apostelen zenden om door hen de kerk te reinigen, de juiste godsdienstuit­oefening en de oorspronkelijke bedieningen van het lichaam Christi te herstellen en om door handoplegging der apostelen de gaven van de heilige Geest uit te delen.

 

ca. 1700 Isaac Newton (1642-1727), een Engelse fysicus, wiskun­dige en astronoom, een groot filosoof en een ijverige onderzoeker van de profetische uitingen, schrij­ft, dat met het naderen van het einde der tijden een schare mensen verwekt zal worden die naar de profetische uitin­gen zullen luisteren en zich voor de letterlijke uitvoering daarvan, ondanks vele protesten en tegenwer­king, zullen inzet­ten.

 

1742  Johann Albrecht Bengel (1687-1752), theoloog en kerkbestuurder in Stuttgart, geeft als zijn overtuiging dat in 1836 het Duizendjarig Rijk zal beginnen of dat in de kerk een wezenlijke verandering zal plaatsvinden.

 

ca. 1770  De Jesuïtenpater Emanuel Lacunza (1731-1801) schrijft in Italië in de latijnse taal, onder het pseudonym "Juan Josafat Ben-Ezra" een boek met als titel "La Venida del Mesias en Gloria y Majestad". Het boek blijft 21 jaar lang  verborgen in een Karmelitenkloos­ter. Eind 1812 werd het eindelijk in Spanje gedrukt maar prompt door de kerkelijke inquisitie verboden. De vierdelige uitgave beland in 1816 in Londen en werd door Edward Irving vertaald in 1827. De titel is "Het komen van de Messias in heerlijkheid en majesteit".

 

14 juli 1789 Begin van de Franse revolutie met de bestorming van de  Bastille (Staatsgevangenis voor politieke gevan­genen) in Parijs. Deze dag wordt de Franse nationale feest­dag.

 

10 maart 1793 Instelling van een revolutionair tribunaal in Frank­rijk en de invoering van een nieuwe kalender en afschaf­fing van het christelijke geloof. Hiervoor in de plaats komen andere "godheden". "Deze revolutie was het eerste optre­den van het antichristelijke wezen, eerst alleen in Frank­rijk. Ze toonden de hele christelijke­    wereld hoe ver­schrikkelijk het einde zal zijn dat te wachten staat. Het was een waardige vertoning van de macht der af­grond"..      

 

1804  Oprichting van de Britse en Buitenlandse Bijbel­genoot­schap in Londen en daarna de oprichting van verschillende bijbelgenootschappen op het vasteland.

 

ca. 1805 Heinrich Jung-Stilling, schrijver en arts, pro­fessor in de economie (overl. 1817) schrijft in zijn werk "Graauwe man", dat het nu het elfde uur is, waarin de Heer de laatste arbeiders in Zijn wijngaard zend. Hij schreef verder dat de grote Franse revolutie van 1789 het begin van het einde van de christelij­ke genade­ huishouding zou zijn.

 

2 dec. 1813  Na de Napoleontische periode keert Willem I terug naar  Nederland en is m.i.v. deze datum "souve­rein vorst" van het Koninkrijk der Nederlanden.

 

1817 Oprichting van het Continental Evangelisation Society,  voor de verbreiding van het ware christendom. Eén van de medewerkers werd Henry Drummond.

 

1820 Dr. John Bayford, later een deelnemer aan de Albury-conferencies en één der zeven Profeten, publi­ceerd in een theologisch tijdschrift in Londen een werk van 347 blz. met als titel "Het Koninkrijk van de Messias en het tweede komen".

James Haldane Stewart (1776-1854) geestelijke in de Anglikaanse kerk, geeft een traktaat uit met als titel "Hints for a general unison for prayer for the outpou­ring of the Holy Spirit" dat in vier jaar tijd een oplage bereikt van 322.000 exemplaren.

 

14 juli 1822 Edward Irving, geboren 4.8.1792 te Annan, sinds 1819 assistent van de beroemde Schotse prediker Dr. Thomas Chalmers (1780-1847) aanvaard het ambt van predi­kant voor de Londense gemeente van de Schotse Presbyteri­aanse nationale kerk, de Caledonische kerk. Zijn aan­stelling begint op 16.10.18­22. Een jaar later trouwt hij.

 

19 mei 1823  De Caledonische kerk besluit in een vergadering, onder voorzitterschap van Irving, om in Londen een nieuwe en grotere kerk te bouwen. Deze kerk was vernoemd naar een deel van Schot­land (ten Noorden van de rivier de Clyde). De Caledo­nii (of Caledonian) was in de eerste eeuwen na onze jaartel­ling een volk in Schotland. Ze zijn vooral bekend  geworden door hun felle verzet tegen de mili­taire expedities van de Romeinen.

 

1 juli 1824  Legging van de eerste steen voor de kerk op Regent Square door een afgevaardigde van de hertog van Claren­ce, in aanwezigheid van de historicus Thomas Carlyle. De kerk wordt op 13 mei 1827 in gebruik genomen met een preek van Dr. Thomas Chalmers.

 

Kerstmis 1825 Irving predikt voor het eerst en in het open­baar, onder verwijzing naar Thess. 5:1-3, over "Het tweede komen van de Heer als hoop der kerk".

 

28 mei 1826  Op uitnodiging van Lewis Way, een bekende Engelse geestelijke, komen op 1 juni 1826 in Londen in zijn huis, zeven mannen samen om de profetische geschriften te bestuderen. Deze bijeenkomsten vormden de inlei­ding voor de Albury-conferencies.

 

28 nov. 1826 Eerste samenkomst van wat zou uitgroeien tot de Albury-conferencies. Deze eerste bijeenkomst duurde tot 8 december 1826 in Albury Park, het landgoed van de bankier Henry Drummond.

 

1827  John M. Campbell, een jonge Schotse predikant vol ijver en vuur, uit Row, wordt het werktuig waarvan de Heer zich bediende, en daardoor de wegbereider voor de grote geestelijke opwekking die in het westen van Schotland zouden plaatsvinden. In maart 1830 wordt hij uit zijn ambt gezet en gaat de samenkom­sten leiden van de kring rond de MacDonalds. Na de opheffing van deze gemeente ver­dwijnt Campbell uit het zicht.

 

1827/1829 Uitgave van de conferentie-verslagen met als titel "Dialogues on Prophesie". De redaktie is in handen van Henry Drummond. Van de laatste, de vijfde, confe­rentie gehouden in juli 1830, is geen verslag versche­nen.

 

Febr./juli In de Rooms-katholieke gemeente in Karlshuld in het Donau-1828 moeras in Zuidduitsland, waarvan de geestelijke verzor­ger de priester Johann Evangelist Georg Lutz (1801-1882) was, vinden profetieën, gezichten en dromen als gees­telijke  gaven plaats. Deze gaven worden door de kerkelij­ke overheid verboden en Lutz  gehoorzaamt. Pas in 1842 ont­vangt Lutz bericht over de gebeurtenissen in Enge­land van de evangelist Caird.

 

vanaf 1 maart 1829 Uitgave van het kwartaalblad "The Morning Watch" door John Owen Tudor, de latere apostel voor Polen.Het is een theologisch-profetisch blad waarin schrijven: naast Tudor, Edward Irving, W.R. Caird, A. Scott, David Dow, Nicolas Armstrong, Robert Baxter en vele andere deelnemers aan de Albury-conferencies.

 

Mei 1829 Irving reist naar Schotland en verkondigd in vele steden tijdens grote bijeenkomsten de noodzaak van voorberei­ding der kerk op de wederkomst van Jezus. In Annan spreekt hij voor 10.000 en in Edinburgh voor 13.000 toehoor­ders.

 

21 mrt. 1830 Eerste uiting van de geestesgaven in Schotland door Mary Campbell, Fernicarry bij Port Glasgow. Op 14 april 1830 werd zij bevrijd van een ongeneselijke ziekte. Een jaar later trouwde zij met William Renny Caird uit Edin­burgh die naar Fernicarry was gekomen om de voor­vallen te onderzoeken. Hij werd later co-adjutor van de aposte­len. Meestal begeleidde Mary haar man op zijn evangelisatie-reizen. Op 33 jarige leeftijd overleed Mary Caird-Camp­bell op 10 december 1839 in Straatsburg (Frankrijk) waar ze ook begraven ligt. De evangelisten Caird en Böhm werden beide rondom  Pinksteren 1860 als apostel geroepen door de profeet Geyer. Deze roeping is echter nooit door de Engelse apostelen erkend. De inzetting van co-adjutoren was daarvan wel een uitvloeisel, echter nogal gekunsteld.               

 

Begin apr. 1830  De tweelingbroers James en George MacDonald (geb.11.12.1800) ontvingen beide de gave der profetie en gezondmaking. Ze belegden gebedsbijeenkomsten. Omdat echter de geordende ambten ontbraken verviel hun "gemeente" spoedig in menselijke opvattingen en  dwalin­gen. Ophef­fing volgde. De broers overleden op 2.2. en 14.9.­1835 zonder aan het apostolische werk te hebben deelge­nomen.

 

6 apr. 1830  Na het "vinden" van het boek "Mormon" sticht Joseph Smith in Fayette (New York) de "Kerk van Jezus Christus van de heiligen der laatste dagen" (Mormonen), dat beschouwd kan worden als het werk van Satan om het godswerk onder Apostelen te dwarsbomen (wij geven hier de mening van Karl Born weer).

 

13 apr. 1830 Margaret MacDonald geneest van een dodelijke ziekte en  heeft de dag daarna een ontmoeting met Mary Campbell. Margaret trouwde in 1832 met de Anglikaanse geestelijke Robert Norton. Deze werd in 1857 arts en prakti­zeerde in Albury en Londen. Tot 1863 diende hij als oudste in de kapel van Albury.

 

5 juli 1830  Laatste samenkomst van de deelnemers van de Albury-conferencies die vanaf 1826 hadden plaatsgevon­den.

 

ca. 1830  Opheffing van de kerkelijke inquisitie in Europa. Dit moge vreemd voorkomen maar dan wijzen we erop dat pas in februari 1990 in b.v. Spanje volledige gods­dienstvrijheid van kracht werd. Ook op Malta bestaat pas sinds enkele jaren vrijheid van godsdienst, d.w.z. mogen andere kerkgenootschappen werken naast de R.K. Kerk bestaan.

 

Sept. 1830   John Bate Cardale (1802-1877) advocaat in Londen en later pilaar-apostel, twee artsen John Thompson later pilaar-herder en Georg Hamilton Roe later evangelist, met drie vrouwen, bezoeken enige weken Port-Glasgow om de uitingen van de heilige Geest te onderzoeken. Hun bevinden publiceren ze uitvoerig in "The Morning    Watch", dec. 1832

 

28 oct. 1830 Elisabeth Fancourt, dochter van een geestelijke, sinds jaren ziek en kreupel, geneest door de gebeden en handoplegging van een huisvriend T. Graeves.

 

Eind 1830 De Russisch-Orthodoxe Aartsbisschop van Chesson, Borizov Innokenti (1800-1857) schreef: "Er zullen nieuwe apostelen verschijnen en, door de geest der waarheid gedre­ven, zullen zij blijge­moed de strijd beginnen tegen het rijk der duisternis". Innokenti was in 1830-1839 hoofddocent aan de Russisch-orthodoxe Akademie van Kiew. Hem was ook het lot bescho­ren dat velen trof: hij werd beschuldigd van een verkeerde uitleg van de orthodoxie. Door zijn grote spre­kersta­lent trok hij duizenden toehoorders, ook werd hij bekend als auteur van vele boeken.

 

Juli 1831 Miss Maria Hughes, sinds jaren door een ziekte aan  haar wervelkolom aan het bed gekluisterd en invalide, werd na gebed en handoplegging door H.J. Owen, een deel­nemer aan de Albury-conferenties, in het bijzijn van velen genezen en leefde tot aan haar overlijden zonder lichame­lij­ke klachten.

 

16 oct. 1831 Eerste profetie in een openbare kerkdienst in de gemeente van Irving te Londen met 1500 bezoekers. Voorheen waren al profetieën in kleinere kring ge­weest, sinds 25.8.1831 kwamen deze regelmatig door E.O. Taplin.

 

14 jan. 1832 Volgens een profetisch woord in Irvings gemeente, door Robert Baxter gesproken, zullen vanaf 14.1.1832 1260 dagen verstrijken totdat de gaven in volheid openbaar komen.

 

2 mei 1832   Irving aangeklaagd door de Trustees van de kerk op Regent Square. Hem wordt verder de toegang tot de kerk ontzegt en hij moet met zijn gemeente in de openlucht samen­komen. Vanaf 19 oktober 1832 zijn de diensten in een grote zaal in Newman Street met meer dan 800 deelnemers.

 

29 juli 1832 Eerste godsdienst in een ruimte in het kasteel Albury nadat het gebruik van de plaatselijke kerk verboden was. In deze  dienst openbaarde zich de geest der profetie bij Drummond.

 

Herfst 1832  De stem van de heilige Geest laat zich voor het eerst horen in Oxford in de Baptistengemeente van J. Haldane Stewart.

 

22 oct. 1832 Door een profetisch woord van E.O. Taplin word Drum­mond geroepen als herder en engel van Albury. De ambtsom­schrijving van engel (opziener) is te lezen in Openba­ring 2 en 3.

 

31 oct. 1832 John Bate Cardale, bijna 30 jaar oud, wordt door een  profetisch woord van Drummond tot apostel geroepen. Op 7 november herhaald zich deze roeping door de mond van Taplin ten huize van Edward Irving (zie Gal. 1:1 en 1:15).

 

24 dec. 1832 William Renny Caird, 29 jaar oud, wordt door Drummond tot evangelist geroepen en door apostel Cardale geordend. Caird is daarmee de eerste ambtsdrager die én geroe­pen én geordend is.

 

26 dec.1832 Drummond wordt nu door apostel Cardale ook als herder en engel voor Albury geordend. Albury is daardoor de eerste apostolische gemeente in de eindtijd geworden. John Bayford werd geroepen als oudste.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AMBTSBETEKENISSEN, vrn. Het priesterschap,  BINNEN DE KATHOLIEK-APOSTOLISCHE  GEMEENTE

 

Alvorens te vervolgen met de geschiedenis van het ontstaan en ontwikkeling van de kerk onder nieuwe Engelse apostelen, willen we eerst het een en ander over de ambtsstructuur duidelijk maken. Deze was bij de katholiek-apostolischen nogal ingewikkeld. Het was namelijk mogelijk om een ambt te dragen binnen de kerk zelf, en een ambt bestemd voor de  “algemene kerk”.

Met deze betiteling werden aangeduid alle kerken, zowel anglicanen, hervormden, evangelischen en rooms-katholieken, kortom alle christelijke gemeenschappen. Door alle tijden heen hebben de dienaren van de katholiek-apostolischen hun  kerk gezien als een noodmaatregel. Immers, het hernieuwde apostolaat was ingevoerd om de christenheid één te maken, alle verdeeldheid op te heffen. Hoewel dat streven niet verwerkelijkt kon worden, is dat doel nooit los gelaten. Het stichten van een eigen kerkgenootschap was een noodzakelijk kwaad.

Hieronder volgt een beschrijving van twee ambten binnen de katholiek-apostolische gemeente om een inzicht te krijgen in hun werkwijzen. Voor dit hoofdstuk stammen de bijbelcitaten nog uit de vorige vertaling, dus niet  de NBV.

Onze Heer Jezus Christus was in Zijn dagen op aarde, in het vlees, de volkomen openbaring Gods (Joh. 1:8, 5:37. Omdat Hij als mens op aarde kwam moest deze openbaring naar menselijke verhoudingen ingericht zijn. Zo ook, hoewel vanaf het begin af aan in Hem ontvangen was wat Zijn werk moet zijn en doen zal, volgens een bepaalde wijze en volgorde (lees: Luc. 2:52, Matth. 3:16, 17:9, Joh. 7:6, 16:12, Marc. 13:32). Zijn persoonlijk, verzoenend offer, werd op aarde volbracht en kan niet herhaald worden (Hebr. 9:25-26, 10:12). Ook was in Hem de volheid van het hoogpriesterlijke ambt, maar Hij kwam pas in het openbaar in dat ambt na Zijn opstanding (Hebr. 3+1, 6:20, 10:21) toen Hij door Zijn bloed in het allerheiligste ging (Hebr. 9:12) om te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons. Niet alleen uit een vrouw geboren, maar ook onder de wet (Gal. 4:4), was de plaats van de Heer voor Zijn dood, als die van een Jood die verplicht was alle wetten te vervullen (Matth. 3:15, 5:17) en Hij vervulde die tot in de kleinste details. De door God verordende joodse hogepriester moest uit de familie van Aäron komen, en de enige stam die dat priesterlijke ambt vervullen kon, was de Levitische; onze Heer echter ging van Juda uit (Hebr. 7:14), het geslacht waarover Mozes niet gerept had over het priesterdom. Hij kon daarom in de dagen dat Hij in het vlees was, niet als hogepriester optreden zonder Gods ordeningen te overtreden,  zoals geschreven staat: Op aarde zou Jezus geen priester zijn, want daar zij al priesters die offergaven opdragen zodat de wet dat voorschrijft (Hebr. 8:4). De woorden uit Psalm 110: “De Heer spreekt tot mijn heer: Neem plaats aan mijn rechterhand” hebben in Hebr. 7:17, 21, 28)  heel bijzonder op het werk van Christus na Zijn opstanding betrekking, op de plaats die Hij na Zijn lijden en dood ter rechterhand Gods, ingenomen heeft; en in het achtste hoofdstuk van dezelfde brief heet het uitdrukkelijk, dat de Heer het hoogpriesterlijke ambt ter rechterhand Gods verricht en dat de heilige goederen en de waarachtige hut, waarvan Hij de verzorger is, de Kerk Gods is, dat na de oprichting op aarde, in de geest waarlijk gelijk is als in de hemel: “Maar wij hebben ons burgerrecht”, zegt de apostel, “in de hemel en van daar verwachten wij onze redder, de Heer Jezus Christus” (Fil. 3:20). En op een andere plaats: “Als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God” (Kol. 3:1) en “U staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn. Voor de gemeenschap van eerstgeborenen, die in de hemel ingeschreven zijn, voor God, de rechter van allen, en voor de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen” (Hebr. 12:22-23). Als verlosser en bemiddelaar tussen God en de mensen, staat de Heer alleen, geen enkel creatuur, engelen  noch mensen, kan op deze plaats aanspraak maken (1 Petr. 2:24, 3:18, 1 Tim. 2:5-6).

Als hogepriester ter rechterhand Gods is Hij de fontein en schenker van alle goddelijke zegeningen voor de mensheid. Buiten Hem is elke aanbidding slechts mensenwerk en elke zegen vergankelijk. Als leden van Zijn lichaam zijn wij echter in Hem en kunnen daarom God op een welgevallige manier aanbidden (1 Petr. 2:5) en voor elkaar een zegensbron zijn (Ef.4:12,

Rom. 1:11). Maar meer nog, Hij de Heer, de God welgevallige hogepriester, de ware en eeuwige Melchizedek, Hij is het Hoofd van Zijn kerk en bid in Zijn kerk en door Zijn kerk tot de Vader en zegent in Zijn kerk en door Zijn kerk alle mensenkinderen. De kerk van Christus heeft daarom het enig ware priesterdom, waarbij het priesterdom onder de Wet slechts een schaduw was (Hebr. 10:1). Het priesterdom van het oude Verbond heeft alles te doen met aardse zaken, maar kon daarom niet tot verwerkelijking van het goddelijke plan dienen, want al het aardse vergaat. Het priesterdom van de kerk Christi heeft te  maken met hemelse zaken, is het priesterdom Christi en blijft eeuwig (Hebr. 6:20). Om daadwerkelijk te bewijzen dat het Levitische priesterdom niet het priesterdom in hoogste zin was, gaf Levi nog in de schoot Abrahams (Hebr. 7:9-10) de Melchizedek van de tienden, die een priester Gods des allerhoogste was en diens priesterdom een voorbeeld was van het blijvcnde priesterdom die pas na de Wet intreden zou (Hebr. 7:28). Echter, er wordt niet verloochent, dat de Heer de ware Melchezedek en hogepriester is. Als dat echter het geval is, hoe kunnen dan degenen, die zo spreken, zeggen, dat alle christenen priester zijn? Zijn wij allen priesters, in welke zin is dat dan waar en volgens de Heilige Schrift  (1 Petr. 2:5-9, Openb. 1:6). Waar vandaan hebben we onze priesterdom, als het niet van Christus is, en hebben we allen van Hem ons priesterdom, dan is Zijn priesterdom niet rechtstreeks. Zegt men nu: omdat wij allen aan Christus priesterdom deelnemen, komt het niemand in het bijzonder toe, d.w.z. dan is er geen priesterstand binnen de christelijke kerk; dan heeft men alleen te letten op de manier waarop de Heer Zijn priesterambt uitoefent, om zich van het tegendeel te overtuigen.

Als hogepriester ter rechterzijde Gods is Hij de hoeder over de heilige goederen en de waarachtige hut, d.w.z. de christelijke kerk, en volgens de Heilige Schrift verricht Hij de verzorging van de kerk door apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren (Ef. 4:12) – of, anders gezegd, Zijn hogepriesterlijke werking heeft een viervoudige uiting: Hij is in de hoogste zin de apostel (Joh. 17:18, Hebr. 3:1), de profeet (Hand. 3:22), de evangelist (Luc. 4:18-19, 24:47), de herder (Joh. 10:12, 1 Petr. 5:4) en leraar (Joh. 13:13, Matth. 28:20) en daarom verdeeld zich Zijn priesterdom in de kerk, in deze vier ambten. Nu zijn echter niet alle leden apostel, niet alle profeet enz. (Rom. 12:4-6, 1 Kor. 12:5, 14:27-29), daarom zijn ook niet alle leden van de kerk priester, in de zin zoals zij het zijn. Ook behoord de priesterlijke werkzaamheid niet in de zin der kerk, dat alle leden ze zouden kunnen uitoefenen, en dat alleen om des ordes willen de totale gemeenschap daarover bevraagt, want volgens de Heilige Schrift geeft de Heer niet aan de gemeenschap apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren, en dat niet alleen als geestesgaven, maar als mensen die Hij met dat ambt bekleed (1 Kor. 12:28) en ook geeft Hij ze niet  door bemiddeling van de gemeente. Want de gemeente is ontvanger, niet de bemiddelaar. Geen enkel mens kan de volheid van het priesterlijk ambt gegeven worden, niemand kan plotseling apostel, profeet, herder of leraar zijn, maar verricht iemand deze ambtopdracht van de Heer, dan is hij priester. Geen enkele priester kan zijn ambt in de kerk uitoefenen zonder in een van deze vier ambten van het priesterambt Christi, inbegrepen te zijn. De indeling van de dienaren van de Heer, die door iedereen in de kerk erkend wordt als bisschop, priester en diakenen, heeft betrekking op het ambt; want de werkzaamheid is viervoudig en het priesterschap is een. Diakenen zijn geen priester, maar bisschoppen zijn niet meer dan priester. De viervoudige ambtsuitoefening van de Heer, eenmaal aan de kerk gegeven, is in feite altijd in de kerk gebleven.

De al vroeg ingetreden afval en de algemeen kerkelijke verwarring hebben de voortgang en volkomen verschijning verhinderd, maar door alle tijden bespeurt men zich in de kerk de verscheidenheid der geestelijke werkzaamheid van de verschillende mannen. Zelfs waar ze, volgens de titel, dezelfde geestelijke waardigheid bekleedden. Vele van de trouwe patriarchen en bisschoppen, vele van de gelovige pausen, hebben een apostolische waardigheid en genade bewezen in het bestuur der kerk en in hun uiting van de christelijke leer. Velen van de ernstige onderzoekers en geestelijke verklaarders van de Heilige Schrift, waren ook vol van profetisch licht. Vaak echter ook, werden ze op dwaalsporen geleid, maar zij werkten met de kracht van een evangelist, vol met heilig vuur en ijver en liefde, die de zondaar uit de dood opwekte De alles opofferde liefde van de goede herder scheen over allen die zich gaven in de zielszorg en de verzorging van de gemeenten.      

       .

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IRVING SCHRIJFT AAN WILLIAM DOW; EERSTE BRIEF

 

Voor de verdere gebeurtenissen geven we twee brieven van Edward Irving aan William Dow weer. In deze brieven schrijft Irving over de inzettin­gen van ambtsdragers voor zijn gemeente in Newmanstreet. In de eerste jaren van het nieuwe werk onder apostelen, bestond en nog geen uitvoerige liturgie zoals de Katholiek-Apostolische gemeente die later zou kennen. Wel bestond vanaf het begin een tweedeling, ambten voor de z.g. “Algemene Kerk” en voor de gemeente. In de prak­tijk kwam het wel voor dat een ambtsdrager een ambt in de “Algemene Kerk” had en een ander ambt binnen een gemeente of stam.

Binnen de gemeente was de engel (of opziener) de hoogste autori­teit,binnen de “Algemene Kerk” was dat de apostel. Hierdoor konden vreemde situaties ontstaan. Irving was binnen zijn gemeente de hoogste ambtsdrager en daarom vroeg apostel Cardale aan hem toe­stemming om weg te mogen blijven uit de gemeente Newmanstreet.

De term "Algemene Kerk" beperkte zich niet tot de Katholiek-aposto­lische gemeente maar hiermee werd de gehele christenheid, alle ge­doopten, bedoeld. Een engel (opziener) was ook niet alleen verantwoorde­lijk voor zijn gemeente maar voor het gehele gebied waarbinnen zijn gemeente lag, dus voor alle gedoopten in dat gebied.

In de eerste brief wordt ook melding gemaakt van dienstmeis­jes. Mogelijk waren dat diakonessen. Toen Irving uit de Regent Square kerk werd gezet ging een groot deel van de gemeente met hem mee, ook ambtsdragers, zijn uitzetting, had geen gevolg voor hun ambt zodat de diakenen en diakonessen al aanwezig waren voordat de nieuwe gemeente van start ging.

Pas in de diensten die Irving beschrijft werden de ambtsdra­gers voor de eerste keer op apostolische wijze geroepen en geordend.

Voor alle duidelijkheid, een broeder kon door een profeet voor een ambt geroepen worden, maar dat werd pas effektief nadat de apostel de handen opgelegd had. Tussen beide handelingen kon vele maanden, zelfs jaren, liggen.

Enige tijd later, toen de ceremoniële handelingen tot in detail voorgeschreven werden, werd het de apostelen door een profetie zelfs uitdrukkelijk verboden om iemand in de priesterlijke bedie­ning te orde­ning, zonder eerst daartoe door een profeet geroepen te zijn. Anderzijds kwam een profetie waarin de apostelen gezegd werd niemand te snel de handen op te leggen, alleen omdat hij door een profeet geroepen was, maar eerst te beproeven of de geroepene werke­lijk waardig was om een ambt te dragen.

Op volgende pagina's staat een volledig overzicht van de ambts­structuur binnen de Katholiek-Apostolische gemeente.

Het is goed, alvorens deze twee brieven te lezen, het volgende in gedachte te houden: Historici spreken over twee revolu­ties.

De eerste vond plaats ca. 2000-1500 v. Chr. de z.g. agrarische revolu­tie. Het nomadenleven, het rondtrekken van voedselgebied naar voedselgebied en het jagen op wild, veranderde in een agrari­sche samen­leving. Men vestigde zich op één plaats en hield zich bezig met land­bouw. De tweede, de industriele revolutie, begon in de achttiende eeuw.

In de periode waarin Irving werkzaam was stond dat in de kinder­schoenen. Alle kenmerken van de laat-agrarische en de standensamen­leving bestond nog volop. De gemeente van Irving telde vele gegoede burgers die het zich konden veroorloven huispersoneel te houden. In die periode bestond ook de meester-knecht verhou­ding volop. De rijkere gemeenteleden kwamen vaak in koetsjes en namen hun perso­neel mee. Dezen waren dus geen lid van de gemeente maar vergezelden hun meester/es.

Terwille van de leesbaarheid zijn de brieven van Irving d.m.v. tussen­lassen ingekort. Ook zal ter verduidelijking opmerkingen geschreven worden tussen haak­jes, dat is dus niet door Irving geschreven.

 

Irving was dus nu zonder geestelijk ambt en dat had al bijna direkt gevolgen.

 

Londen, April 1833

 

Geliefde Broeder,

 

Ik zit aan mijn schrijftafel om de daden des Heren te verha­len, die in deze afgelopen dagen onder ons hebben plaatsgevon­den, opdat ook u en uw gemeente de Heer kunnen loven en prij­zen.

Op de voorlaatste dag des Heren, toen ik, zoals gebruikelijk tijdens de morgendienst, de dienst vervolgde met het in de gemeente opnemen van een kind van één onzer gemeenteleden, hetwelk wegens ziekte thuis gedoopt was, en nadat ik daarom de vader gevraagd had om naar voren te komen, hield de Heer, door de mond van Zijn apostel, mijn hand tegen, zeggende dat wij een wijle moesten wachten. Ofschoon ik niet wist waarvoor dit gedaan was, gehoorzaam­de ik en verzocht de vader om te blijven zitten.

Daarna duidde de Heer verder aan, dat het Zijn wil was dat wij zouden verstaan en de gemeente gevoelen en van Hem de ordenin­gen uit de Hemel moesten afsmeken.

 

 Irving onderkend dat alles wat verder gebeurd vanuit de heilige Geest moet komen en dat het "vleselijke", d.w.z. de door middel van  studie verkregen ambten, geen geldigheid meer hadden.

       

Tijdens onze kerkdienst van de avond daarvoor, had de Heer temidden van vele andere kostbare woorden, uitgesproken door de mond van Zijn apos­tel, gezegd: "Heilig u! Roep een heilige vergadering bijeen!", van welke woorden sommige van mijn broeders ouderlingen dachten, dat zij op het afzonderen van een bijzon­dere dag wezen, maar in mijn oren klonk het zo, dat wij in een geheiligde staat moesten blijven, gewassen en gereinigd -zowel wij, als onze kleinen en onze huizen- en voortdurend in gebed en smeking voor de Heer te blijven, totdat Hij alle woorden van genade en liefde die Hij over ons uitgesproken had, zou vervullen.

Daarom besliste ik dat er, behalve de gebedsamenkomsten van elke morgen, een bijeenkomst van zovelen der gemeenteleden zou zijn als maar mogelijk was, opdat wij niet zouden ophouden tot God te bidden om Zijn inzettingen bij ons te herstellen en ons uit alle dingen te doen delen naar Zijn wil, want ik voelde dat het onze taak was Hem daarnaar te vragen en om alle dingen in Zijn hand te leggen.

Degene van wie de Heer in ons midden het meest gebruik had gemaakt om met gezag woorden tot ons te spreken en die Hij sedertdien door de handoplegging tot profeet geordend had, Taplin, was een korte tijd afwezig geweest omdat hij in Albury had vertoefd. Maar omdat Hij door hem een werk te doen had, bracht de Heer hem des woensdags terug en donderdagmorgen was hij in de kerk aanwezig waar ik hem, nadat ik mijn aandeel verricht had, vroeg de dienst voort te zetten.

Na het zingen las hij het eerste hoofdstuk van Jeremia voor en gekomen bij de woorden: "ik zie een amandelroede", werd hij door de heilige Geest gedreven daarover veel te zeggen en ze te betrekken op de geeste­lijke bediening die heden was begon­nen uit te botten en temidden van die woorden bracht hij de boodschap of liever, bracht hij een bevel tot de apostel, om mij aan de avond van de volgende dag tot engel over de gemeen­te te ordenen en om mij en de gemeente met zulke woorden toe te spreken, die de Heer hem dan geven zou.

 

 Irving bereid de gemeente op de komende handelingen voor en de  apostel legt er de nadruk op dat deze diensten alleen voor leden toegankelijk zijn.

 

Na de dienst van vrijdagmorgen (5 april 1833), verzocht de apostel, wiens zetel achter die van mij is, om mijn instemming om de volgen­de dag weg te blijven om naar Albury te gaan, omdat hij zich door de heilige Geest gedreven voelde dat hij voor de gemeente daar iets te verrichten had.

Maar omdat ik echter door de ervaring geleerd had, dat het door het woord is dat de Heer alle dingen bevestigt en onder­scheidt, voel­de ik, dat ik zonder het woord des Heren mijn toestemming niet kon geven en zeker niet in een tijd die voor de kerk zo gewichtig was, waarin de Heer een werk onder ons door Zijn hand scheen te volbren­gen.

Ik nam hem mee naar een andere plaats, samen met de dienaar die intussen tot profeet geordend is en de twee dienstmeisjes die door de Heer gebruikt zijn om water des levens tot het volk te brengen. Nadat ik hun verteld had of liever, bezig was het waarom van mijn weigering uit te leggen, opende de Heer de mond van Zijn profetische dienaar en beval de apostel te gaan, tevens duidde Hij aan wat daar gedaan moest worden, namelijk het ordenen van de ouderling van de Albury-gemeente, die reeds bij name genoemd was (Bayford) en drie maanden in Brighton werkte.

Hierna kwam de Geest des Heren op één van de dienstmaagden (mis­schien diakonessen, zie de inleiding van dit hoofdstuk) en zij werd gedreven tot de profeet woorden te spreken, die het vlees wel zeer kruizigden, hem vermanend om met Jezus gebroken te zijn en de zegeningen daarvan te smaken, hierop knielde hij neer om de volheid van zijn hart voor de Heer uit te storten.

Nadat hij zijn belijdenis uitgesproken had, ja voordat hij uit zijn knielen­de houding opgerezen was, kwam de Geest des Heren over de apostel en werd hij gedreven om tot hem te naderen, vervolgens zijn rechterhand op hem te leggen en hem tot ouder­ling des Heren te wijden voor de gemeente Albury, hem verma­nend om getrouw te zijn en hij eindigde met de woorden: "Sta op, roep de naam des Heren aan!"

 

 Voor het begin van de avonddienst, terwijl de gemeen­teleden binnenkomen, leest Irving Jesaja 50 voor.

 

Wij vangen altijd met gebed aan, komende tot de Heer door het bloed, door onze zondenbelijdenis en het smeken om Zijn gena­de.

Nadat dit gebeurd was zei de Geest des Heren, door de mond van de apostel: "Zing de veertigste psalm", welk lied wij met heel ons hart aanhieven, want het hield verband met onze ervaring als gemeente.

Toen wij het bijna uit hadden en het elfde vers zongen, sprak de Geest des Heren, door de geordende profeet, over het orde­nen van Gods huis, zeggende, dat God de bedoeling had ons de verborgenheid te schenken van de kandelaar uit het Heilige, met zijn schacht en zijn rieten, zijn amandelen, zijn knoppen en zijn bloemen.

Hierop wees hij de plaatsen van de ouderlingen aan, die voor­heen van tijd tot tijd met name genoemd waren; niemand van hen -uitge­zonderd de beide mannen die met mij mee gegaan waren- had echter toestemming gekregen de ambtelijke zetels in te nemen, dat zijn drie stoelen aan de ene en drie aan de andere zijde van mijn stoel.

De architect, die hierin evenals in vele andere gevallen door de Heer geleid was (want hij is diaken in onze gemeente), had ze daar laten plaatsen.

Gedreven door de heilige Geest zette de profeet Gods dienaar Horne aan mijn rechterhand; Zijn dienstknecht Mackenzie daar­naast; vervolgens Zijn knecht Henderson, die Hij riep omdat Hij zijn getrouwheid had aan­schouwd; daarna Zijn knecht Perce­val aan mijn linkerzijde en Zijn dienstknecht Place naast hem.

Voor de derde nog lege zetel beloofde hij spoedig iemand aan te wijzen, waarbij hij beloofde de knoppen en de bloemen eraan toe te voegen. Temidden van een onbekende taal door een profeet, volgde nu een woord dat de Heer Zijn tafel bereid wilde hebben met ongezuurd brood, dat Hij Zijn kerk als een volkomen ongezuurd geheel wilde hebben; dat Hij Zijn inzettingen nieuw uit de hemel gaf en dat allen, die niet door het bloed gereinigd waren, zouden heengaan en zo zij aarzelden, zou het tot vernietiging van lichaam en ziel zijn, tot nederwerping ter helle. In overeenstemming met het woord namen wij onze plaatsen in en hervatten met grote vreugde het zingen van de psalm, daar wij zagen hoe onze broeders door de Heer geroepen en geplaatst waren.

Naar onze orde knielden wij toen neder om te bidden en nadat wij de Heer aanbeden hadden en Zijn grote genade hadden bele­den, die Hij ons in de personen van onze broeders bewezen had, vervolgden wij onze gebeden door Hem Zijn belofte in gedachte­nis te brengen om in de avonddienst een engel over ons te wijden en onze harten met heilige verlangens naar de vervul­ling van Zijn getrouwe belofte te beroeren.

Op dat moment verbrak de Heer de stilte door de mond van Zijn geordende profeet en betuigde Zijn trouw en Hij verlangde van mij, dat ik aan het altaar zou nederknielen. (Dit altaar is een eenvou­dig, vierkanten houten voetstuk om de bijbel te dragen en er mijn hand op te laten rusten als ik dien).

Tot de apostel klonk toen het bevel, mij de handen op te leggen en mij te ordenen en alle dingen te doen en te zeggen, die de Heer hem zou willen geven, alsook dat de Heer de wij­ding van de ouderlingen uitstelde totdat de andere, degene die nog ontbrak, genoemd zou zijn. Hierna hield ik op te bidden en terwijl het volk geknield bleef, was er een eerbiedige stilte van twee of drie minuten (want of­schoon ik in mijn hart voelde dat de Heer verlangde dat ik mijn gebed zou voortzetten, waagde ik het niet om zonder het woord des Heren door te gaan, ik bleef dus knielen) totdat het woord des Heren, door de mond van de apostel, uitging zeggende: "Laat de dienstknecht des Heren met zijn smeekbede doorgaan", wat mijn hart ook begeerde te doen. En nadat ik voor de Heer getuigde hoe mijn hart naar de direc­te en onmiddellijke van Hem uitgaande omgang verlangde, smeekte ik Hem om Zijn liefdevolle vriendelijkheid, dat Hij Zijn wil met mij en mijn kudde vervulle. Nadat ik "Amen" gezegd had bleef ik geknield liggen, maar de gemeente rees op en ging zitten, wachtend op de daden Gods.

Toen werd de apostel gedreven (want alles werd door de heilige Geest gewerkt) te spreken: "Laat de ouderling het derde en vierde hoofdstuk van het eerste boek van Samuel lezen", en ik begreep dat zijn hand op  de heer Perceval rustte, want zijn plaats is juist achter die van de ouderlingen in de bank.

De heer Horne, die de oudste ouderling is, keek ook naar hem, want de afgelopen zondagavond had ik hem zelf ook in mijn plaats de Schrift laten lezen.

De heer Perceval nam achter de lessenaar of altaar plaats en terwijl hij de genoemde schriftplaats las, opende de Heer dit bijbelgedeelte en paste het toe door de mond van Zijn knecht de apostel en toonde ten eerste aan, dat nu, waar de Heilige Geest door de kinderen gekomen was, alleen de Geest des Vaders de stem kon onderscheiden die de kinderen van dit geslacht verwierpen; dat de zonen van Eli -de priesters van deze tijd- ontucht met de gemeenten bedreven en de oude tucht der kerk krachteloos geworden was en hen niet weerstond; dat de zonde van de kerk noch met offerande noch met enig ander offer in der eeuwigheid uitgedelgd zou worden; dat zij tevergeefs dachten dat de werken hunner vaderen (de ark) hen zouden redden wanneer de Geest, die in hun vaderen was, was heenge­gaan.

 

De apostel benadrukt dat nu alles door middel van de heilige Geest gedaan wordt zoals dat ook in de eerste aposto­lische tijd gebeurde. Hij beveelt ongelovige en onreine zielen om de dienst te verlaten.

 

Toen kwam hij van de plaats des getuigenis aan mijn rechter­zijde maar mij toe, knielde aan mijn linkerzijde neer en bad in de heilige Geest over de kudde en mij en in tegenwoordig­heid van onze God verbond hij ons tezamen.

Daarna stond hij op en nadat hij zijn beide handen mij opge­legd had, wijdde hij mij tot engel over de gemeente, zeggende: "Wordt vervuld met de heilige Geest der genade en der wijsheid, der kennis en der vreze des Heren", en voorts met woorden om vervuld te zijn met de gave des heili­gen Geestes voor het ambt waarin ik thans was ge­steld.

Hierna gaf hij Psalm 132 op en de hele gemeente stond op om het één van hart te zingen. Toen wij het bijna helemaal gezon­gen hadden, kwam de heilige Geest op hem en deed hem andermaal spreken: "En zal de Heer Zijn verbond met Zijn dienstknecht niet verzegelen in het sacrament van Zijn lichaam en bloed? Dat de diakenen uitgaan en voortbrengen brood en wijn. Dat ze vinden ongezuurd brood, brood zonder enig zuurdesem."

En zo gingen de diakenen volgens dit woord uit.

Daarna sprak de apostel: "De Here wil in uw oren de brieven aan de gemeente doen klinken en u en uw engel verbinden om aan al Zijn verma­ningen, beloften en dreigingen die daarin vervat zijn, vast te houden. Hetgeen tot de engel gesproken is, is tot de gemeenten in de engel gesproken en wat tot de gemeenten heeft geklonken, heeft geklonken tot de engelen over de ge­meenten. Voor deze tijden zijn ze geschreven, voor gemeenten die enge­len (opzieners) hebben, zijn ze geschreven."

 

Weer maant de apostel de goddelozen en ongelovigen om de kerk te verlaten, ondertussen ...

waren de diakenen teruggekomen en brachten in één van de zilveren bekers wijn binnen en op één van de zilveren schalen van de gemeen­te, ongezuurde koeken, die zij eigenhandig hadden klaargemaakt.

Twee van de diakenen stonden klaar om de apostel behulpzaam te zijn, maar hij verzocht hun te wachten en gaf de 35ste lofzang op: "It was on that night when doom do to know."

Nadat wij dit als uit één mond gezongen hadden, vroeg hij mij of ik deze zorg van Christus voor de gemeente op mij nam, hetgeen ik ten aanhoren van allen beaamde.

Toen liep hij op de diakenen toe en nam een stuk van het brood en dat met zijn handen opheffend, brak hij het en sprak: "Het lichaam van Christus, dat voor u gebroken is", en nadat hij mij had ge­vraagd te knielen, gaf hij het mij. Zo nam hij ook de beker, hief deze omhoog en zei: "Het bloed van Christus, dat voor u gestort is", en gaf het mij.

Vervolgens sprak hij: "Geef het de ouderlingen en andere dienaren van de gemeente en aan alle gemeenteleden", hetgeen ik deed.

De apostel was naar zijn plaats teruggegaan en toen de beker hem aange­reikt werd, stond hij op om hem aan te nemen en nam staande daaraan deel.

Sommige zaten, anderen knielden en weer anderen stonden ter­wijl zij het avondmaal ontvingen. Met uitzondering van mijn geval, was daarover geen woord uitgesprokene, hetgeen ik zo opvatte dat het een teken was dat ik door de persoon van de apostel, van de Heer het verbondszegel ontvangen had.

Terwijl de beker onder de broeders rondging, kwamen deze woorden van de heilige Geest: "Gij weigerde samen met Zijn vijanden brood en wijn te nemen, nu geeft Hij u de wijn van het Koninkrijk te drinken."

Hiermede eindigde dit gedeelte van de dienst, waaraan ik woorden toe­voegde om mijn kudde duidelijk te maken en te onderwijzen wat de Heer onder ons gewerkt had en ik deed dat zoals het mij door de onderwijzing des Heren in mijn geest werd gelegd. Daarna bad ik en daarop zongen wij de 133ste psalm en wij gingen na de gebruikelijke lofzang en zegen huiswaarts. De hele dienst had iets meer dan drie uur in beslag genomen.

 

Irving schrijft vervolgens dat de hele last van Londen op hen rust   en dat ze met de menselijke wetten en regels in de kerk moeten  breken.

De volgende avond riep de Heer bij monde van Zijn profeet, die eerst in vreemde taal en daarna in het Engels een prachtig lied zong. John Tudor, een man van grote geleerdheid en wijsheid en hoofdre­dacteur van "The Morning Watch", die het afgelopen jaar op de Heer wachtte om in een bediening te worden gebruikt, riep Hij tot ouderling, wat het aantal afrondde.

Tijdens de kerkeraadsvergadering van die morgen had de Heer, bij monde van Zijn apostel, drie diakenen uitgekozen om hel­pers te zijn, zodat er nu zes ouderlingen en vijf helpers waren die door de Heer met name waren geroepen; ook werd daarbij de belofte uitge­sproken dat Hij weldra nog een helper zou aanwijzen.

Tijdens diezelfde vergadering sloot de Heer alle monden van die gemeenteleden die voorheen de straten waren opgegaan en beval dat niemand meer zou uitgaan, dan alleen zij die gezonden waren.

Dit noopte mij om ernstig tot de Heer te roepen om evangelis­ten uit te zenden en in het bijzonder deed ik dat in de middag van deze zondag: op die tijd word geen kerkdienst gehouden, maar word aan allen die maar willen komen, het evangelie verkondigd.

De Heer verhoorde dit gebed. Tijdens de avonddienst, juist toen de gemeente naar huis wilde gaan, riep de Geest, door de mond van de profeet John Francis, een jonge man van goede huize die zich al langer dan een jaar aan de Heer gegeven had en met groot geduld en vriendelijkheid alle dingen in de straten van Londen terwille van Zijn naam ver­duurd had. Ook hem droeg de heilige Geest ten aanhore van al het volk op om het volk uit te nodigen, Babylon te verlaten en hun de blijde bood­schap van de verlossing te brengen -hierover is tot alle evangelisten gesproken en het blijkt, dat het niet het verkondigen van het evangelie aan de heidenen is,  maar het prediken van bevrijding en van leven aan de gevangenen in Babylon..

Tot donderdagmorgen werd vanwege de Heer verder niets gedaan. Toen de apostel teruggekeerd was en bij de gebedssamenkomst aanwezig was en ik na de dienst met hem sprak, kwam de Geest des Heren over hem en deed hem naar twee der broederen toegaan -de ene een helper en de andere een diaken- en hen tot evange­listen te roepen; de handen der gemeente om haar kinderen binnen te brengen.

Het waren met name Archibald Barclay en Charles Wallis, die ook ter wille van het evangelie op straat geen moeite gespaard hadden. Samen met de ene die een paar maanden eerder geordend was om te Brighton met de ouderling daar te arbeiden, waren er nu dus vier evangelis­ten, van wie er drie op ordening wachtten want hun was bevolen niet zonder wijding uit te gaan, daarom waren zij dikwijls in gebed om die ordening van de Heer af te smeken.

De volgende avond, een openbare samenkomst van de gemeente, voelde ik mij in de Geest gedrongen op te staan en de gemeente voor de volgende avond bijeen te roepen om de Heer in het bijzonder aan­gaande de wijding van de evangelisten en de ouderlingen te vragen, want tot nog toe had ik geen helder idee omtrent de helpers. Wat was hun plaats nu en moesten zij geordend worden of niet? Maar voor ik nog een woord gezegd had of zelfs overwogen had hoe ik het zeggen zou, werd de mond van de profeet geopend om te verkondigen dat de Heer de volgende avond, door het opleggen van de handen van de apostel, de evangelisten zou ordenen en hetzelfde zou de Heer in de mor­gendienst van de dag des Heren ten aanzien van de ouderlingen doen, waarna aan de kudde het avondmaal des Heren zou worden bediend.

 

 In deze zaterdagavonddienst worden de evangelisten door de  apostel de handen opgelegd en op hun taak gewezen.

 

De volgende morgen kwam de gemeente, zoals gebruikelijk op zondag­morgen, om tien uur bijeen om de gewijdde ouderlingen van de Heer te ontvangen en daarna het heilig Avondmaal des Heren met onge­zuurd brood te eten.

Door de Heer was bepaald dat alleen leden aanwezig zouden zijn en toen iemand mij tijdens de kerkdienst van de zaterdag daarvoor vroeg hoe het nu met hun bedienden (die geen leden der gemeente waren, zie de inlei­ding van dit hoofdstuk) stond, antwoordde ik dat de bedienden met hun heren inbegrepen waren, namelijk dat de gelovige meester zijn dienaren heiligde en de gelovige echtgenoot zijn vrouw en kinderen.

Ik stond toe dat ze ook kwamen, maar verlangde dat ze apart zouden zitten, opdat zij niet met de kudde het Avondmaal zouden eten en daar­door verontreinigd worden.

En inderdaad, de Heer heeft ons getoond dat het Zijn wil is dat de kudde apart zou zitten en er een onzichtbare omtuining zou worden gesteld, want zij waren Hem door sluiting van het verbond gehei­ligd.

Toen wij tot deze gemeente kwamen, had ik dit ingezien en zelfs daar­voor, maar de Heer verhinderde het toen, totdat de gemeente door de daad van de ordening van de engel en het verbond der wetten van Christus (Openb. 2 en 3) en het sacra­ment van ongezuurd brood dat ons daarbij gegeven werd, afge­zonderd zou hebben.

Aldus op de morgen van de dag des Heren samengekomen zijnde, riep de heilige Geest, na de vermaning en de schuldbelijdenis, in een woord dat deels in vreemde taal en deels in het Engels was, door de mond van de profeet: "Zijn knecht Gambier", een marine-kapitein die veel in Zijn dienst had gearbeid. Hem riep de Heer tot helper en vulde daarmede de nog open plaats in: zes ouderlingen en zes helpers.

Zijn knecht Thomas Evill, degene die de "Cry from the Desert" en andere kleine werkjes over de advent schreef, riep Hij tot diaken. Beide mannen riep ik naar voren in het aangezicht van de gemeente en vroeg of ze bereid waren om het woord des Heren te gehoor­zamen en in deze ambten te dienen.

Ik droeg hen dit op, tot zij de ordening daartoe zouden ont­vangen en vroeg hun om bij de andere broeders te gaan zitten.

De dienst werd met aanbidding voortgezet. Wij deden dat door de 23ste psalm eerst als gebed te lezen en daarna als lofzang te zingen, zoals we dat gewend zijn. Hierna knielden wij neer om ons morgengebed te bidden.

Na het "Amen" bracht ik de gemeente de goedheid des Heren in herinnering, namelijk de belofte dat Hij op deze dag de ouderlin­gen zou ordenen en ik riep hen allen op om met een vast geloof de 127de psalm te zingen, waarna ik mij, als de Heer het mij toestond, voornam om Hem in het gebed in het bijzonder om de vervulling van Zijn belofte te vragen.

Maar de geloofsdaad van de gemeente was voldoende en nadat wij de psalm gezonden hadden, kwam de Geest des Heren op de apos­tel en hij begon met een droevige klank in zijn stem woorden te uiten over de kerk, die de ordeningen des Heren bezoedeld had: "Zurende het brood en de wijn met water mengend" waarom de Heer hen verworpen had en Hij ons het nieuwe gaf en noch­tans niet het nieuwe, maar het oude dat wij van den beginne hadden."

Toen legde hij de gemeente haar grote zonde voor, want zij had het werk des Heren tegengehouden, waardoor wij voor de dienst des Heren onge­schikt waren en zielen en mensenkinderen omkwa­men.

Hierna beleed hij in een hart en nieren doorzoekend gebed, dat de gemeente in tranen van diep berouw deed versmelten, onze zonden voor God en aan het slot sprak hij de vrijspraak uit.

Daarop liet hij de ouderlingen neerknielen, evenals de helpers ,want de helpers waren ouderlingen en niemand dan alleen ouderlin­gen konden helpers van ouderlingen zijn, nochtans waren zij aan de ouderlingen ondergeschikt en in hun aanwezig­heid zwijgend.

Toen ging hij in de kracht van de heilige Geest van de één naar de ander en met woorden van weergaloze genade en heer­lijkste toepasse­lijkheid, legde hij, in de volgorde waarin zij op de avond van mijn wijding geroepen waren, zijn handen op de hoofden der ouderlingen en daarna, in een volgorde waarin de Geest hem van de één naar de ander scheen te drijven, op de hoofden van de helpers.

Over sommige van hen uitte hij profetieën van een hogere roeping, zoals hij ook over enigen van de evangelisten had gedaan. Alleen de helper die deze morgen geroepen was, ordende hij niet, maar gebood hem gedurende enige tijd te dienen in de kracht van het woord dat tot hen gesproken was.

Nadat dit geschied was, ging hij naar zijn eigen plaats terug en terwijl de ouderlingen en de helpers geknield bleven, was ik begonnen te spreken en mijn taak te verrichten -want de Heer had Zijn orde in mijn geest gelegd en ook in het woord der profetie op de vrijdag daarvoor getoond- toen, plotseling de heilige Geest mij ten aanhore van al het volk ook opdroeg om de ouderlingen mijn handen op te leggen en om daarna, samen met de ouderlingen, de handen op de helpende ouderlingen te leggen.

Ik deed dit, hun kracht en gezag gevend om het woord en de sacra­menten binnen de grenzen van deze stad te bedienen en met hen de gave delend die de Heer mij had geschonken.

Hierna riep ik de helpers één voor één en samen met de ouder­lingen legden wij de handen des ouderlingschaps op en gaven hun dezelfde kracht onder onze handen.

Nu las ik het laatste hoofdstuk van het evangelie naar Johan­nes en het laatste hoofdstuk van de eerste brief van Petrus en sprak tot hen over hun opdracht en onderwees hen, waarop de heilige Geest sommige van mijn woorden met Zijn eigen woord verzegelde en in het bijzonder, dat zij "mannen van één vrouw moesten zijn", hetgeen de Heer deed spreken toen ik hun opge­dragen had, zich niet in de dingen of gemeenten te mengen buiten onze grenzen, maar zich bepalen moesten bij de gemeen­schap der heiligen: dus zich ook niet van de plaats verwijde­ren waar hun taak lag, tenzij de Heer hen een andere plaats aanwees.

Nadat dit gebeurd was, verheerlijkten wij Gods naam door een paar verzen van de 46ste psalm te zingen; alzo verheugden wij ons in elkaar als man en vrouw in de Heer Jezus als onze Man.

Ondertussen vroeg ik de diakenen brood en wijn te gaan halen en het voor mij neer te zetten, want in de boodschap des Heren was mij getoond, dat zulks de diakenen toekwam omdat zij de zorg voor de goederen van het huis hebben totdat de elementen geconsecreerd zijn, daarna komen zij onder de hoede van de herders of de ouder­lingen.

De jaloersheid des Heren aangaande de orde van Zijn huis werd hier opmerkzaam getoond: onze vrijwillige voorzanger is een helper die uit de diakenen tot het helpersambt geroepen is en omdat hij naast mij stond, vroeg hij mij of hij zou gaan en Charles Buchan nam zijn plaats als voorzanger in.

Omdat ik er een moment niet bij stilstond, stemde ik erin toe, maar eer wij een regel gezongen hadden, schoot het mij te binnen dat hij tot helpende ouderling geordend was en onmidde­lijk zond ik één der ouderlin­gen achter hem aan om hem terug te roepen, hetgeen erop leek alsof twee helpers met de diake­nen meegingen, maar voordien waren zij beide diake­nen geweest.

Na een vers te hebben gezongen, kwam de Geest des Heren op de profeet en, na vreemde taal, riep hij uit dat de helpers niet met de diakenen vermengd moesten worden en er werd aan toege­voegd dat, naar de inzetting des Heren, er zeven diakenen in Zijn huis behoor­den te worden gesteld. Op dit moment waren beide helpers op mijn verzoek terugge­keerd.

Voor allen zichtbaar gaf de Heer hier een voorbeeld van de olie die gelijktijdig stroomt, waardoor Hij hetzelfde in het hart van de engel als in de mond van de profeet der gemeente legt, voorzeker is dit de verborgenheid van de engel, om van wat in de kudde ook door de herder, evangelist, profeet of apostel gezegd en gedaan wordt, de bestuurder en onderkenner te zijn.

 

 Dan volgt de voorbereiding en viering van het heilig Avondmaal.

 

Na afloop van de viering van het Avondmaal werd mij in het door God geschonken licht getoond, dat ik één der ouderlingen de woorden des verbonds moest laten voorlezen, waarin ik voor de gemeente verbon­den was, namelijk het tweede en derde hoofd­stuk van het boek der Openbaring.

Nadat ik de heer Perceval naar voren geroepen had om dit te doen, toonde de Heer, door van het volk te verlangen om op te staan, dat Hem dit aangenaam was en zij deden dat heel plechtig.

In een plechtig gebed spraken wij hierna onze belijdenissen voor de Heer uit, zongen nog een lofpsalm en ik sprak de zegen uit.

Maar de Heer liet ons niet toe om zonder een machtige lofprij­zing Gods, in een lied des heiligen Geestes, weg te gaan.

Het was een dag om dikwijls, heel dikwijls aan herinnerd te worden en gij mag met ons de Heer daarvoor prijzen.

 

 Irving schrijft dan over zijn dubbel-ambt: evangelist en engel en gaat verder over de doop.

 

Hierover sprekend mag ik ook gewagen van een gebeurtenis die een tijd geleden plaatsvond.

Na een kind overeenkomstig de precise vorm van de Schotse kerk gedoopt te hebben, had de vader het kind de trappen afgedragen die van het schip der kerk opvoeren naar de plaats waar de bestuurders der gemeente zitten en achter hen degenen die de boodschap des Heren verkondigen.

Ook had ik mijn knieën gebogen en de Heer dank gebracht, was daarna opgestaan, toen de apostel (die onmiddelijk na de doop gedreven werd om het te doen, maar zich uit vrees en eerbied ingehouden had) gedreven werd het kind terug te roe­pen, die de vader op mijn verzoek bracht.

De apostel nam het in zijn armen, nam het in de gemeente op en zegende het.

Gedurende het verdere verloop van de dienst deed de Heer mij inzien, dat dit ten behoeve van mij geschied was, om mij de volko­menheid van mijn inzetting te tonen en dat dit geen betrekking op de apostel had, maar op mij.

Toen wij samen naar huis wandelden (ik woonde toen niet bij de kerk) antwoordde hij mij op mijn vraag daarover, dat hij, terwijl hij het deed, voelde dat hij het nimmer meer zou behoeven te doen en ik zei: "Ik voelde dat de Heer u dit liet doen, opdat ik mocht inzien wat er in de vorm van onze dienst ontbrak."

Sindsdien heb ik na het dopen van de kleine in de armen van de vader, het altijd in de mijne ontvangen of beter, in die van Jezus en het met Zijns Vaders zegen gezegend.

Behalve hetgeen ik neergeschreven heb, herinner ik mij niets meer, behalve één ding, dat ik niet mag verzuimen te vertel­len.

Tijdens één van de samenkomsten van de gemeente besteedde ik bijzondere aandacht aan het dankgebed van uw broer, die tot engel geroepen is en voor de toestemming die u gekregen had om aan het Avondmaal des Heren deel te nemen en de troost die u daarin genoot.

Door de mond van de apostel sprak de Heer aangaande u dat, hoewel de Heer het toegestaan had, het niet Zijn orde was want Hij wilde Zijn heilig sacrament door geordende Herders bediend hebben, dat wij Hem danken mochten, maar dat Hij daarover nochtans bedroefd was, dat u om apostelen gebeden had, maar dat u uw gebeden zelf niet begreep.

Ik begreep hieruit, dat als u de Heer zocht, Hij of een apos­tel zou verwekken, of hem zenden zou die Hij hier verwekt heeft, om alles in de Geest te ordenen op de wijze zoals Hij het ons gegeven heeft, om die reden heb ik mijzelf ook erg berisp daar ik, toen ik u ontmoette om over uw deelname aan het Avondmaal des Heren in te lichten, dit niet in mijn herinnering teruggeroepen had.

Maar ik had mijn eigen ervaring vergeten en daarom was het mij niet gegeven om u van nut te zijn. Leg dit op uw hart, mijn broeder! Want gij zijt een zoon die de Vader liefheeft en die Hij niet in de kastijding voeren zal en zo is uw broeder ook.

Gij zijt zonen der vertroosting voor mij geweest!"

 

                             

 

                               

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TWEEDE BRIEF VAN IRVING AAN WILLIAM DOW

 

Londen, Newmanstr. 14

25 april 1833.

 

Mijn zeer geliefde Broeder,

 

Na u in mijn vorige brief een verslag gegeven te hebben dat ik naar mijn beste weten (aangevuld door mijn beste vrienden naast mij) samengesteld heb over Gods wegen en werk met be­trekking tot de ordening van de engel der gemeente, de ouderlingen, de profeet en de evangelisten, ben ik van plan nu, door Gods genade, hetzelfde te doen over  de zeven diakenen die nu over de gemeente gesteld zijn.

Toen wij, omdat wij ons aan het werk des Geestes vasthielden en weigerden Zijn stem in de grote gemeente te onderdrukken, uit ons mooie gebouw gezet waren, was aan twee van de diakenen, met name James Henderson en David Ker, de genade gegeven om samen met ons uit te gaan en de Heer aan te kleven. Dezen, samen met de twee ouderlingen Archibald Horn en Duncan Macken­zie, waren gewend om van tijd tot tijd met mij in mijn studeer­kamer te vergaderen en gezamelijk over de gemeente te beraadslagen waarover wij gesteld waren en vanaf de tijd van onze uitwerping uit Egypte, zagen wij het als onze plicht de aanwezigheid te verlangen van degenen die door de heilige Geest spraken, zowel mannen als vrouwen, opdat wij over geen enkele zaak beraadslagen zouden, noch in enige zaak handelen, zonder dan onder de terecht­wijzing van de stem des heiligen Geestes van wie wij getuigen waren geweest.

Toen wij in het allereerste begin zo vergaderden, werden wij ertoe geleid om ons te beraden over het aanvullen van ons aantal, dat oor­spronkelijk bestond uit zeven ouderlingen en zeven diakenen, van wie een ouderling ons door de dood ontval­len was, een ander die zich verhoogd had was in het oordeel des duivels gevallen, weer een ander, een diaken, is door de Voorzienigheid Gods naar een verafgelegen kolonie verhuisd en de overigen -drie ouderlingen en vier diakenen- waren door gebrek aan onderscheidingsvermo­gen in het huis der sla­vernij achtergebleven.

Terwijl wij vijven, het overblijfsel van de vijftien, aldus in mijn studeerkamer beraadslaagden, oordeelden wij het voor Jezus ons verheven Hoofd, onze plicht om te bidden om de leiding van Zijn wijsheid en in de boodschap des Heren antwoordde Hij, dat wij om leven moesten roepen. Levende stenen die de grote Bouwheer zelf in Zijn huis wilde plaatsen.

In gehoorzaamheid aan dit woord, besloten wij wekelijks bij elkaar te komen en de Heer aan te roepen.

Toen wij dit onderwerp tijdens één van die vergaderingen weer bespraken (want de kudde was groot in aantal, niet minder dan vijf- of zeshonderd) antwoordde de Heer en zeide: "Kies mannen uit, vol ijver voor het huis Gods en stel diegene voor de Heer, die van goede wil zijn om de Heer te dienen", wij hier­aan terstond gehoor­zaamde.

 

 Irving heeft dan gemerkt dat alle namen die hij in gedachten heeft­   ook daadwerkelijk door profetie geroepen worden.

 

Nochtans was ik in de geest zeer bedrukt wegens het onvoldoen­de opzicht over de kudde en toen ik merkte dat twee mensen geen enkele andere bezigheid hadden, waagde ik het ze als geschikte personen aan mijn beide ouderlingen voor te stellen om hen bij hun arbeid behulpzaam te zijn.

Omdat allen het erover eens waren dat zij waardig en bovendien gewillig waren, vroeg ik ze onze wekelijkse vergaderingen bij te wonen en terwijl ik om het in orde te maken, de zaak voor­legde, onderbrak de Heer mij met Zijn woord en zei dat Hij ze als helpers stelde en gaf hun opdracht de kudde te voeden in ondergeschiktheid aan de ouderlingen.

Tot dat moment had ik mij nog nimmer een idee gevormd over wat de bediening van "helpers" betekende, die de Heer sedertdien als een vaste inzetting in Zijn huis ingesteld heeft: één van de drie schaaltjes in de zij-armen van de kandelaar.

Maar de Heer stond de helpers niet toe om tijdens het Avond­maal mee te dienen, tot nadat zij geordend waren en op een zekere dag, toen zij op de ambtelijke zetels zaten waardoor één van de diakenen geen plaats meer had, berispte de Heer dat met Zijn eigen stem en al het volk hoorde het:

"Dat de ongeordene niet de plaats inneme van de geordene, maar dat hij wachte!"

En op vele andere wijzen openbaarde de Heer Zijn ijver over de wijding, zowel door het bewaren van de overgebleven dingen, als door het ons versterken in het uitzien naar de betere dingen die Hij weldra geven zou. Ook riep de Heer van tijd tot tijd één der ouderlingen, ordende en zond hem als evangelist uit, maar over de aangelegenheid der diakenen werd er geduren­de ongeveer zeven of acht maanden lang niets gezegd of gedaan en al die tijd lag de hele last van de gemeente op de schou­ders van David Ker (die de Heer sedertdien tot hoofd der diakenen gesteld heeft) want de heer Henderson had een zwakke gezondheid en was nauwelijks in staat om de kerkdiensten bij te wonen. De weg die de Heer volgde om de zaak der diakenen weer op te halen, was erg opmerkelijk en leerzaam.

Er bestond in de gemeente een vereniging van vrome en liefda­dige dames die jaarlijks, omstreeks het begin van de winter, gewend waren hun liefdadigheid en hun werk te combineren door de armen van kleren en andere vertroostingen te voorzien en intussen was de tijd weer aangebro­ken om met hun werk te beginnen.

Ik heb altijd betwijfeld of dit in een gemeente juist was en inzo­verre het de armen van de kudde betrof, voelde ik dat het, net zoals in de eerste gemeente, door diakenen of diako­nessen behoorde te worden gedaan.

 

En wat degenen die buiten waren aangaat, zag ik dat hun lief­dadig­heid, in verhouding tot de aangewende middelen, weinig uithaalde. Maar voorlopig wilde ik er geen eind aan maken, noch de mensen ontmoedigen, maar het zoals alle dingen in de hand des Heren leggen. In die tijd was ik in de geest zeer bedroefd om de armen van mijn kudde die naar mij toe kwamen en ik was niet in staat hen op te zoeken of ze te helpen. Ik was zozeer bedroefd, dat ik als na een worsteling toegedreven werd om te smeken om diakenen en mijzelf op te leggen om van brood en water te leven en alle lasten van de diakenen te delen, als de Heer ze mij alleen maar voor de armen in Zijn huis wilde geven.

Een paar dagen later was de bewuste bijeenkomst van de dames om de armen voor de winter te verzorgen. Zij zouden bij een dame samenko­men die er een groot aandeel in had en mijn vrouw zou er heengaan om de leiding te hebben, maar omdat zij niet kon komen, vroeg ik aan een vakbekwame dame, aan wie de Heer ook de gave der profetie geschonken had, om de plaats van mijn vrouw in te nemen en samen met een andere zuster, die ook de gave der profetie had, wachten zij in mijn spreekkamer, terwijl ik naar mijn studeerkamer ging om een brief aan de overige dames te schrijven.

Gedreven door de heilige Geest kwamen zij daar bij mij en de oudste van hen werd met het teken der tongen bewogen om mij te verkondi­gen, dat de Heer deze vereniging niet liefhad, dat Hij niet alleen de gave voor Zijn gemeente zou voortbrengen, maar ook de personen om de gave te bedienen.

Dit vertroostte mij zeer en terwijl ik uitlegde wat in mijn brief stond -daar ik nog aldoor de bedoeling had om die door haar hand over te laten brengen- toonde de Heer mij, door Zijn andere dienst­maagd verder aan, dat het mij toekwam Zijn woord te bedienen en er grote bemoediging aan toe, waaruit ik verstond dat het Zijn wil was dat de dames de door Hem gesproken woor­den overbrengen zouden.

Zo stelde ik de bijeenkomst uit tot ik zelf de leiding nemen kon en spoedig was het gevolg daarvan, dat deze wijze van mildadigheid doen moest worden opgegeven en opnieuw waren wij tot de noodzaak gebracht te smeken om diakenen en diakonessen en ondertus­sen deden wij wat ze konden met hetgeen voorbereid was.

Kort daarop sprak de Heer tijdens onze wekelijkse vergadering, door de mond van de apostel, zeggende: "Het is het welbehagen des Heren dat gij diakenen verkiest. De Here zelf noemt de ouderlingen bij name, maar het komt de oudsten toe de diakenen te kiezen."

Nadat wij om eenheid van zin met de Here Jezus en met elkaar gebeden hadden, zetten wij ons aan het werk waartoe wij door de heilige Geest opgeroepen waren en spoedig bemerkten wij, dat wij ten aanzien van acht mannen eensgezind waren.

En toen wij hen naam voor naam opnoemden, zei de Heer: "Het is de wil des Heren dat broeder Trimen een wijle wachte", hetgeen wij als een aanvaarding van de overige zeven opnamen.

Ten aanhore der broederen verhaalde ik toen van het gebruikt der kerk om hun namen aan de gemeente voor te leggen en van iedereen die bezwaren tegen hen mocht hebben, te verlangen dat zij die bij de ouderlingen zouden indienen, maar met sterke hand gaf de Heer aan, dat het aan ons was om ze te verkiezen.

Dienoverenkomstig stelde ik ze de volgende dag aan de leden voor als door ons gekozen en door de Heer aangenomen mannen, want allen waren bereid dat ambt te aanvaarden en ik vroeg de gemeente om door opstaan van haar instemming blijk te geven, hetgeen zij zeer spon­taan en dank­baar deed.

Desondanks hoorde ik dat de bevelen des Heren in deze aangele­genheid voor één uit de kudde een struikelblok was en voor mijzelf was het ook niet zonder zekere bezwaren, wanneer ik de door de apostelen in de gemeente te Jeruzalem genomen maatre­gel overdacht. Maar omdat ik het volste vertrouwen in het woord der wijsheid des Heren heb en ook in het licht dat het in de handen van Titus gelegd was om de ouderlingen te ordenen en nog mee, diakenen in elke stad en de veranderde omstan­dighe­den van de gemeente overwegend, was ik tevreden, ja verheugd de aanwij­zingen des Heren te gehoorzamen, doordat ik immer de heiligheid en goedheid van Zijn eigen wil bespeurde in elk woord dat Hij sprak.

Er waren nu negen diakenen en zoals uit het verdere verloop duide­lijk wordt, er behoorden er slechts zeven te zijn.

Maar de Heer heeft voor de mensen Zijn eigen middelen en openbaart Zijn wil op het moment dat wij in staat zijn zulks te dragen.

Toen de tijd van de wijding van de ouderlingen naderbij kwam (ik meen dat het de morgen na mijn wijding tot engel der gemeente was en wij weer bijeengekomen waren) bewoog de Heer Zijn dienstknecht, de apostel, om tot één, een ander en nog een ander van de diakenen te gaan, zeggende tot hen: "De Heer roept u tot helper", wat maar zes diakenen overliet maar er waren er nog maar vijf over gebleven, want één van hen, de heer Henderson, was op de avond na mijn ordening tot het ouderlingenambt geroepen.

 

 Door profetie worden een aantal broeders genoemd om het ambt van diaken, hulp van de ouderlingen, te ontvangen.

 

Toen de avond gekomen was en de gemeente bijeen was, begon ik, na onze gebruikelijke kerkdienst, hun uit te leggen wat ‘s morgens gebeurd was en nadat ik de heer Trimen naar voren geroepen had en hem naar zijn bereidheid gevraagd had en bevond dat hij er harte­lijk in toestemde, ging ik door het laten zingen van de 15de psalm en het voorlezen van het vierde hoofdstuk van Nehemia en het zesde der Handelingen, tot de wijding over.

Onderwijl vroeg ik de zeven mannen om op de bovenste trede te gaan staan, aan mijn beide zijden, voor de ouderlingen en in het gezicht van de gemeente en zo neder te knielen.

Dan, na een plechtig gebed om de tegenwoordigheid en kracht van het verheven Hoofd der kerk, riep ik hen één voor één om op de kleine verhoging (waarop de lessenaar of altaar staat en waar omheen de ouder­lingen stonden) neder te knielen en door het opleggen van onze handen gaven wij hun kracht en gezag, alsmede de opdracht en zegen om het ambt van diaken te vervullen.

Daarna daalden zij de treden af en stonden voor mij en ik onderwees hen uit de woorden van Paulus uit 1 Tim. 3:3-14 en getuigde tot elk afzon­derlijk van genade en plicht.

Na dit te hebben gedaan, nodigde ik hen één voor één uit op de verhoging te komen om de zegen van de apostel te ontvangen en deze stapte naar voren, voor de ouderlingen om hen tegemoet te treden.

Zij stonden daar in dezelfde volgorde als bij het ordenen, waarin ik hoofdzakelijk geleid was door de tijdsduur dat zij aan de gemeente verbonden waren.

Terwijl ik van dit principe uitging gevoelde ik, dat dit niet het zuiverste was en dat ik mij op de heilige Geest had moeten verla­ten.

Maar aan één ding twijfelde ik niet, namelijk dat David Ker, die zo ijverig gediend had, de eerste plaats moest hebben.

Aldus kwam hij om als eerste de zegen van de apostel te ont­vangen die, terwijl hij in de kracht des heiligen Geestes zegende, dat plotseling in nog grotere kracht volvoerde en gedreven werd om hem tot hoofd der diakenen te stellen en hem de zorg over de broederen gaf.

Toen, nadat ik de volgende in de volgorde waarin zij gewijd waren, genoemd had en hij voor mij stond, kwam het woord des Heren zeggen­de: "Het is de wil des Heren dat Zijn knecht Inglis kome."

Deze was in volgorde de vijfde. Hij was het die door de Geest gedrongen was te bidden dat hij tot diaken mocht worden ge­steld.

Toen hij de treden opkwam, beloofde de Heer hem, dat hij nog tot een hogere bediening geroepen zou worden en zegende hem.

Toen zei Hij: "Het is de wil des Heren dat Zijn knecht Wallis thans kome!" (Hij is één van de evangelisten want ik merkte dat de evangelis­ten zonder onderscheid uit de engelen, de diakenen, de helpers en uit de gemeente genomen zijn.)

Na Zijn overvloedige zegen ontvangen te hebben, daalde hij de trappen af. Nu was er een lange pauze, want Hij noemde geen ander en ik, ziende dat de Heer Zijn eigen regels volgde, zei: "Ik heb geen woorden meer", waarop ik de overigen op de verho­ging riep in de volgorde waarin ik ze de handen opgelegd had.

Dan kwam John Carlyle, de neef van mijn zwager Warrand, een man die in de afgelopen tien jaar de meest ijverige, beschei­den helper van de armen is geweest en die ze liefhad en uit alle uren die hem na zijn werk overbleven, nog tijd stal om hen op te zoeken. De Heer beloonde hem openlijk en ontving hem aldus: "De Here heeft u lief, de Here heeft een welbehagen in u" en na de zegen: "Ga heen in vrede, gij geze­gende des Heren" en hem de belofte gevend dat de Heer hem zou verhogen. Hierna volgde zang en zegen.

Sedertdien heb ik waargenomen dat de woorden tot elk der ouderlin­gen gesproken, niet alleen karakteristiek waren voor hen als persoon, maar een zekere verscheidenheid van gave aanduidde.

Tot de eerste aan mijn rechterhand: gehoorzaamheid en bestuur; de tweede: heiligheid en een voorbeeld der kudde; tot de derde: licht; tot de eerste aan mijn linkerzijde: kracht; de tweede: liefde; tot der derde: wijsheid.

Tot de eerste van de helpers zei de Heer, dat Hij ander werk voor hem had; tot de derde, dat Hij zijn hart met liefde had vervuld. En zo sprak Hij tot al Zijn dienstknechten van Zijn huis woorden uit Zijn eigen genadevolle hart en ik schep er al schrijvende een behagen in, om ze u zoals ze in mijn herinne­ring teruggebracht worden, mede te delen.

Toen de diakenen geordend en gezegend waren en de last hen toever­trouwd was en zij aan de voet van de treden stonden, werd de apostel terwijl hij nog op de plaats stond waar hij de zegeningen bediend had, door de heilige Geest gedreven om helder lichtende woorden uit te spreken die de dingen aanroer­de, welke zoëven waren geschied.

Zij hielden de verklaring in dat de diakenen niet door de handop­legging  van zijn handen geordend waren, noch met de hemelse gaven vervuld waren, omdat er nog geen met de heilige Geest vervulde gemeente was o m diakenen te  kiezen; dat dit echter komen zou; dat de hele gemeente met de heilige Geest vervuld zou worden en haar diakenen zou kiezen en dat de diakenen alsdan  geordend met alle gaven  des Heilige Geestes vervuld zouden worden..

Ondertussen was het de wil des Heren om het volk op het ont­vangen van de heilige Geest voor te bereiden, (merkwaardiger­wijze heeft Irving het de ene keer over hen die de heilige Geest ontvangen hebben, een andere keer over het nog ontvangen van de heilige Geest) door het onderwijs van de ouderlingen en Hij gewijd had en door wie Hij voorzeker Zijn woord aan hen zou bedienen; dat de diakenen als het ware de handen der gemeente waren om het woord Gods van de mond der ouderlingen te ontvangen en dit de kudde over te dragen wanneer zij onder de kudde rondgingen.

Het hield voor mij het idee in, alsof diakenen de vaten waren die door de gemeente aangewend werden om de hemelse gaven te ontvangen, die God door het ouderlingenambt mededeelde: als het ware de handen van het behoeftige volk, uitgestrekt om de schatten van goed­heid die de Heer door de rentmeesters over Zijn verborgenhe­den aan de gemeente wilde geven.

Op deze zaak ga ik niet nader in dan zoals het uitgesproken werd. Nadat ik de gemeente deze zaak verklaard had en op haar had toege­past, loofden wij de Heer en dankten Hem en na de gemeente aan Zijn hoede en bescherming aanbevolen te hebben, zegenden wij haar en gingen huiswaarts.

 

Aldus hebt u een getrouw verslag van Gods wegen in het ordenen van Zijn huis met een engel, met ouderlingen, helpers, diakenen, profeet en evangelist.

Moge de Heer u in staat stellen dit alles in geloof en liefde te aanvaarden en Hem dank te bewijzen voor Zijn heerlijke daden onder ons.

Desondanks zijn wij een zeer onnuttig volk, want ik ga u nu vertel­len van het heengaan van mijn lieve kleine Eben-Haezer die nu in de aangrenzende kamer opgebaard ligt voor zijn begrafenis.

O! hij is zo’n gedenkteken van ons ongeloof, waarlijk de Heer heeft ons de naaktheid van de kerk getoond en ons tot het stof gebracht.

Dezelfde avond dat wij van dit kerkgebouw bezit namen, waarin wij door het woord der profetie waren gebracht, boden wij de kleine de Heer aan en wij noemden hem onze Eben-Haezer, onze steen der hulpe.

Maar op dezelfde dag dat de ouderlingen voor het eerst in hun ambt de gemeente dienden, de afgelopen sabbath, kwamen zij eenparig op om voor hem te bidden en zij vertrokken niet eerder dan nadat de Heer hem weggenomen had en weigerde om hem op onze smekingen terug te geven.

Het was een kind dat vervuld was met de schoonheid van zijner moederschoot: vrede, geduld en vreugde en onbegrensde liefde waren op al zijn wegen, tot omstreeks de tijd dat ik door de kerk uitge­worpen werd en hij door een geleidelijke wegkwijning getroffen werd en niet meer lachte.

Nadat ik van het proces rond mijn uitwerping terugkeerde, lachte hij niet meer en daarvoor deed hij niets anders dan lachen en nu ligt hij in vrede, gelijk iemands wiens geest veilig in JezusEQ \O(', ) armen is.

En nochtans kan ik de goedheid van de Heer zien, tot mij en tot de Ouderlingen en tot de gemeente -want wij zijn één- in het wegnemen van mijn kind, meer dan in hem te genezen of terug te geven.

Wij kunnnen het niet dragen, broeder! Wij moeten nog veel dieper verootmoedigd worden eer wij kracht van omhoog ontvangen kunnen.ik zou het niet anders willen, behalve dat ik en mijn kudde geoe­fend mochten worden om tot de gestalte te komen waarin de Heer ons wil zien. O, broeder! bid voor ons, want wij hebben een verschrikkelijke strijd voor ons. De ootmoedigste zal het beste varen in de vurige strijd.

 

Edward Irving.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VERDERE INZETTINGEN VAN APOSTELEN EN OPRICHTING VAN GEMEENTEN

 

De vijfde mei 1833 werd een onvergetelijke dag voor de voor­ganger van de kerk in Bishopsgate, de rev. Miller.

s Morgens, juist toen hij met de gemeente het heilig Avondmaal wilde gaan vieren kwam een profetie waarin werd gezegd dat hij daarmee moest wachten en de gemeente gemaand werd om de verga­dering niet te verlaten.

Dezelfde middag nog kwam de verklaring, weer door middel van een profe­tie: "De Heer wil apostelen en profeten hebben, heilige apostelen en profeten, om zich te verheugen over de val van Babylon, en u (rev. Miller) moet geordend worden door apostel Cardale."

Toen een week later weer profetieën kwamen met dezelfde strek­king, werd Mr. King naar Newman Street gestuurd om de engel (Irving) te informeren.

King arriveerde tijdens een dienst. Na de dienst werd besloten dat apostel Cardale met enige andere dienaren poolshoogte zou gaan nemen in de kerk in Bishopsgate.

De volgende dag hadden ze gesprekken met Miller en onderzoch­ten ze de geestelijke toestand der gemeente. Miller werd gevraagd EQ \O(', )s avonds naar de Newman Street te komen. Dat deed deze met een groot gedeelte van zijn gemeente.

Die avond ontving Miller het engel-ambt en een Mr. Harris het oudste-ambt voor de gemeente Bishopsgate.

De vorming van nieuwe gemeenten volgden elkaar nu snel op. Na Bishops­gate volgde de gemeente Southwark waar Armstrong engel was, en College Street met Owen als engel.

 

Bijna negen maanden lang was Cardale de enige apostel, tot 25 septem­ber 1833 in Albury Drummond door de Geest het ambt van apostel ontving en gemaand werd trouw te blijven.

Nu werkte de twee apostelen nauw samen. In november 1833 waren zij gezamelijk in Brighton waar vele zielen door de prediking van Caird en Carré tot de gemeente waren toegetreden.

Mr. King (de latere apostel King-Church) ontving op 8 december 1833 middels een profetie de mededeling dat hij een apostel des Heren was, zes dagen later ontving Perceval, oudste in de gemeente Newman Street, eveneens deze profetie.

Nog voor het gedenkwaardige jaar 1833 ten einde liep ontvingen Mr. Tudor, die tot dan oudste was in de Newman Street, het engel-ambt over Brighton en William Tait het evangelistenambt. Beide door handoplegging van apostel Drummond op 29 december.

Zo werd 1833 afgesloten met vier apostelen, vier gemeenten in Londen, één in Albury, één in Brighton, allen met een engel als Voorganger en de gemeente Chatham waar een oudste voorgan­ger was.

 

In de eerste maand van 1834 openbaarde de Heer het als Zijn wil dat de engel van de gemeente Southwark het apostelambt zou ontvangen. Op 21 januari 1834, tijdens een avonddienst, werd Armstrong tot apostel afgezonderd. Tevens ontvingen vier oudsten en drie diakenen de ordening in het ambt.

De evangelisten Ryerson en Caird ontvingen de opdracht om naar Amerika te gaan en vertrokken op 1 febuari 1834.

 

In Schotland waren grote problemen ontstaan. De MacDonalds twijfel­den voortdurend en sleepten anderen in hun twijfel mee.

Desondanks kreeg ook daar het werk voet aan de grond, met name in Edinburgh waar Walter Tait veroorloofde dat de stem der profetie in zijn gemeente klonk. Dat leverde hem de nodige problemen op en op 2 augustus 1833 werd hij uit zijn ambt gezet en verwijderd uit de Schotse nationale kerk.

Tait trok met een groot deel van zijn gemeente in een ander gebouw, maar David Dow, die sterk onder de invloed van de MacDonalds stond, schiep een sfeer van onvrede.

Op aanraden van Thomas Carlyle vroeg Tait raad en bijstand vanuit Londen. Evangelist Caird werd naar Edinburgh gezonden, waarop de warrige profe­tieën tot zwijgen werden gebracht.

In januari 1834 vertrokken Irving en Taplin naar Schotland om de gemeen­ten te onderzoeken, te sterken en een bezoek van de apostelen voor te bereiden. Het bezoek van de tweehoofdige delegatie werktte verhelderend. Tait werd geroepen tot engel en verder werden acht oudsten en diakenen geroepen. Sitwell werd geroepen tot engel van de gemeente Lowick.

In gezelschap van David Dow keerden Irving en Taplin op 19 februari 1834 naar Londen terug.

In de daarop volgende maanden vertoefden de apostelen Cardale en Drum­mond in Schotland. Vele die reeds tot een ambt geroepen waren, werden geordend en er werden gemeenten gesticht in Edinburgh, Greenock en Kirkcudbright.

 

Ook gezamenlijk bezochten de apostelen Cardale en Drummond in juli van dat jaar het westen van Engeland en grondvestte gemeenten in Bath, Bristol, Wells, Chapstow en Frome.

Mr. Woodhouse, die in de gemeente Newman Street diende als helper van de oudsten, werd door een profetie op 13 augustus 1834 tot apostel geroepen. Met zijn 29 jaren werd hij de jongste in het apostelambt.

Nu werden de besluiten genomen door zes apostelen middels de heilige Geest. Een van hun eerste besluiten was de dagelijkse ochtenddiensten om zes uur en de dagelijkse avonddiensten om 17 uur te laten beginnen.

 

Irvings gezondheid liet tijdens het voorjaar 1834 veel te wensen over. Eind mei werd hij ernstig ziek en bad men voortdurend om zijn genezing. Ondanks zijn zwakte bleef hij onverminderd werkzaam. Er werd echter druk op hem uitgeoefend om rust te nemen in een warmer klimaat. Hij besloot om naar Schotland te gaan in de veronder­stelling dat de vaderlandse omgeving hem goed zou doen.

 

Inderdaad trad er verbetering op nadat hij vele oude bekenden had bezocht. Zo voerde hij gesprekken met Thomas Carlyle, zijn jeugd­vriend de historicus, en diens vrouw Jane Welsh. Het laatste bezoek dat hij bij hen bracht, verliep nogal emotio­neel. Carlyle schrijft hierover: "Ik zei tegen hem; "Bedenk, mijn vriend, dat is niet tot jou gezegd. Alles wat in 1. Kor. 13 staat doe je immers. Ik vraag je alleen: keer terug. Uit naam van onze aloude vriendschap zeg ik je dat Ik zal niet dulden dat een van mijn vrienden het sla­chtoffer wordt van bedrog en misleiding. Van ideeën van eigen maak­sel."

Gedurende deze tirade, die al met al zeker 20 minuten duurde, zat Irving midden op de vloer, rechts mijn vrouw, stil en medelijdend, links ik. Irving, met zijn hoofd kaarsrecht omhoog, droeg al deze woor­den met pijn,  tot ik uitgesproken was. Hij antwoordde op milde, zachte toon, met een gezicht vol vriende­lijkheid en liefde: "lieve vriend". Dat was zijn hele verdedi­ging. Ik moest nu eindigen en dat speet me. Ik zei hem vaarwel voor de laatste keer. Hij wacht in de eeuwigheid. God is met ons allen. Amen."

 

In een brief van 27 september meldde Irving dat het hem "zeer veel beter ging."

Ook aan zijn gemeente schreef hij brieven o.a. over het mis­bruik van zijn naam voor het Godswerk.

Van de rust die hij nemen zou kwam niet veel terecht. Het prediken en beleren kon hij niet laten. Begin oktober 1834 liep hij een zware verkoudheid op gepaard gaande met hoge koortsaanvallen. Hij vroeg zijn vrouw om meteen te komen en ze ontmoetten elkaar in Liverpool. De reis van daaruit naar Greenock werd over zee gemaakt. Deze zeereis echter maakte hem nog zieker dan hij al was. Sporen van de naderende dood waren al duidelijk zichtbaar toen het echtpaar Irving eind oktober bij de familie Ker in Glasgow arriveerde.

Mevrouw Ker schreef hierover onverwijld een brief naar Londen en eind oktober kwam apostel Woodhouse in Glasgow aan.

Irving's zwager, Samuel Martin, die tijdens de laatste dagen van zijn leven bij hem was schreef: "De laatste twee dagen was hij voortdu­rend buiten kennis. Wat op bed lag was het wrak, zowel licha­melijk als geestelijk, van een machtig man. De laatste vierentwintig uur herkende hij niemand, behalve af en toe zijn vrouw. Hij sprak veel, heel veel, in tegenstel­ling tot de uren daarvoor, over niets anders dan zijn Heer, het werk van de Heer en de kerk.

Eind november 1834 werd Irving steeds zwakker en hij ontsliep op 8 december. De laatste woorden die hij sprak waren:

 

"Als ik sterf, zo sterf ik in d e Heer. Amen, amen!"

 

Op dezelfde dag dat Irving overleed kwamen in Albury en elders profe­tieeen waarin gezegd werd dat de Heer zich verheugde in Ir­ving's komst. Francis Sitwell één van de latere apostelen had dezelf­de ervaring: "Ik voelde me gedwongen om op de avond van Mr. Irving's ont­slapen te knielen en te bidden en er kwam een kracht over mij die me gelukkig maakte, maar ik dacht dat dat een boze kracht was (waar­voor ik de Heer om vergeving vraag) omdat ik het niet passend vond."

Na zijn dood brak geweeklaag uit, ook van hen die hem tijdens zijn leven verguisd hadden en als ketter hadden veroordeeld.

Zo schreef het "Fraser's magazine", een veelgelezen theolo­gisch tijd­schrift uit die tijd: "Een van de nobelste figuren, een man van een antiek heroïsche gestalte in een bedenkelijk modern kostuum, dat hem slecht paste." Carlyle, de historicus, beschreef hem zo: "Hij was de openhartigste, broederlijkste, moedigste man waarmee mijn ziel ooit in kontakt gekomen is. Alles in alles noem ik hem de beste mens die ik ooit op de wereld gevonden heb of ooit nog hoop te vinden."

 Cardale schreef: "Begaafd met een leeuwenhart, trots maar bewogen als een vrouw, edel, grootmoedig, totaal niet in staat om te bedriegen. Iemand, die door de adel van zijn karakter, in de heiligheid van zijn leven en trouw aan zijn dienst nooit overtrof­fen is en wiens inzet, bereidwilligheid en vroomheid van onschatba­re waarde voor de kerk van Christus was."

Vele tegenstanders van het apostolische werk, w.o. de biografe van Irving, Mrs. Oliphant die ten onrechte schreef dat de Engelse Apostelen Irving naar Schotland en dus de dood hadden gestuurd, hebben gespecu­leerd over wat er zou zijn gebeurd als Irving was blijven leven.

Zou echter God, waarin Irving onvoorwaardelijk vertrouwde, die een God van orde en liefde is, zich hierin hebben vergist?

Irving zelf zou deze veronderstelling met kracht hebben terug­gewezen.

Hij werd begraven in de St. Mungo-kathedraal van Glasgow.

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

LAATSTE BRIEVEN VAN EDWARD IRVING

 

Aan de kerk Gods in Londen met de Oudsten en Diakenen.

 

Geliefden in de Heer,

 

Ik stuur u een  afschrift van de laatste woorden (opgetekend in twee brieven) van uw geliefde en geëerde Herder, als hoogst waarneembaar getuigenis van hem over wiens lippen op deze aarde nooit meer woorden des levens te horen zullen zijn en die aan u gericht waren toen hij in de afgelopen tijd van u gescheiden was en die hierbij, zoals in alle woorden die God via zijn mond gesproken heeft:  “hoewel dood, toch nog spreekt”.

Ik heb daarbij een uittreksel uit een andere brief, die later aan mij gezonden was, gevoegd. Verder een uittreksel uit een brief van een broeder die gegevens over zijn laatste levensuren bevat.

Ik verzeker u, geliefde broeders, dat ik uw trouwe en liefhebbende dienaar ben.

24 december 1834                                                                                                        John Bate Cardale

 

Aan de gemeente Gods die de Heer Jezus Christus aan mij toevertrouwd heeft om ze te bewaren en te zegenen, met de Oudsten en Diakenen.

 

Innig geliefde mede-arbeiders en leden van de Kerk van Jezus Christus.

 

Het betaamd mij, omdat ik het hoofdinstrument was, elke zonde te bekennen waarom de hand Gods lang op mij gelegen heeft, en om alles te doen wat in mijn vermogen ligt om het te overwinnen, zodat Hij Zijn aangezicht weer tot ons wenden kan, en omdat geen zonden op een andere manier en wijze, gedelgd kan worden, daardoor dat men ze bekend.

Onze bekentenis wordt nog ondersteund door ons weten, ons inzicht en het laten van de zonden die wij bekennen willen. Ik denk dat ik mijn God en mijn gemeente en de rust van mijn ziel en ook de gezondheid van mijn lichaam, het beste kan dienen door het streven u in de natuur en in de ergenis om deze zonden duidelijk te maken, die de Heer noemde en beschreef als “ze maken een kalf”.

U zult dan begrijpen, mijn geliefden, dat de Heer in Zijn grote genade  met Londen, de stad die onze woonplaats is, tot het welzijn van de gehele kerk besloten had, daarin een volledig en perfect voorbeeld van datgene op te richten, van wat Zijn kerk moet zijn, toegerust met de volheid van de heilige Geest. Dat betekend, geen gebrek hebben aan enige gave of genade of vrucht des Geestes, met heilige reinheid die niet alleen over ons land zou uitstralen, maar over de gehele aarde, dat het volk hier tezamen zou komen, zoals eens naar Zion en Jeruzalem, om de weg en de woorden van de Heer te vinden.

Dat is het grote raadsbesluit Gods, dat onze God op het geloof en op de gebeden van Zijn kinderen die Zijn naam aanroepen, langzaam maar zeker vervullen zal. Ondanks dit raadsbesluit hebben wij het gewaagd, Hem daarbij te hinderen. Wij hebben Hem tegengewerkt door iets anders tot stand te brengen. En het is door Zijn genade, dat wij niet vernietigd zijn in het brandhout voor Zijn toorn.

Het is waar, we deden het in onkunde, maar wij mogen met betrekking tot het werk van onze God niet onwetend zijn, omdat we toch profeten hebben die ons de weg openbaren, en apostelen die ons leiden naar de wil van de heilige Geest, die daardoor praten en verordenen. Wij hebben herders die de Openbaringen Gods in een eenvoudige en trouwe dienst voor het volk duidelijk maken. En boven dat alles uit hebben we de heilige zalving met het lichaan Christi, waardoor wij de mogelijkheid hebben om de waarheid te herkennen en ons van alle verleidingen verre te houden. Maar is onze gezindheid van genoegzaamheid, onze materieëele instellling en ons misbruik van de zegende werking van Zijn woord dat in ons midden gebracht wordt, voerde ertoe dat wij gemakkelijk in de listen van de duivel vielen, die van plan is om het raadsbesluit van onze God te vervalsen en te doorkruizen.

O, ik bleef ver achter in het ambt van goede herder, ben niet uw bewaker en beschermer geweest in deze dagen.

Daarom heb ik  bitterheid en zorgen in mijn hart en de hand van de Heer op mij doen ervaren. Maar om op mijn bedoeling, u onze zonden duidelijk te maken, terug te komen: U zult begrijpen, geliefden, dat de volheid van de Geest, zoals onze God aan Zijn kerk in Londen, schenken wilde, alleen maar onder de leiding en het bestuur van de Heer Jezus Christus staan kan. Geen apostel, geen profeet, evangelist, herder noch engel van welke gemeente ook, geen enkele mens of welk ander creatuur ook, heeft meer als één maat van de Geest, noch zal hij meer dan één maat of een deel van deze Geest bezitten of regeren kunnen, want alleen Jezus bezit die volheid in de kerk, waarover Hij regeert.

En als wij zien, dat Hij het in Zijn raadsbesluit zo bepaald heeft om aan Zijn kerk in Londen de volheid des Geestes te schenken, dat moet Hij zelf daarover heersen. Hij die tussen de cherubim zit, heerst alleen over haar.

Maar wij beginnen een domheid door te denken dat de volle maat van het tabernakel der Heer, aan de kerk gegeven had waarin ik als engel fungeerde. Dat zou niet minder te betekenen hebben dan een verhoging van de Engel der kerk, in de plaats van Christus. Ik beef, als ik aan die vreselijke gevaarlijke plaats denk, waarop ik gezet ben. Nu, deze afgod, waarover we het hebben is in de Schrift bekend als het kalf. En deze verheffing van de Engel der kerk, om aan de top te zitten over de volheid van de geest, was werkelijk als het maken van een kalf om te aanbidden, inplaats van Hem te aanbidden die tussen de Cherubin zit.

Ik spreek nu niet van het onrecht en de oneer die op de andere ambtsdragers van werk Christus gelegd wordt, door de verheffing van de één. Ik beschouw onze zonden als één die Christus zelf treft, de Godszoon. En ik zie het niet anders dan als een listig verzonnen voorbeeld om Zijn handen, de duurzaamste en edelste van allen, Zijn voorrecht als Hoofd der kerk, te vervreemden en aan een ander te geven.

In hetzelfde licht zie ik de benoeming van evangelisten door mij, dat wat aan geen ander toekomt dan aan de tweede Adam. Hij is het, die elk dier en elke boom in het geestelijk Eden, zijn naam geeft. Ook daarover heb ik berouw en ik roep de gehele gemeente op, dit met mij te berouwen. Ook in dat licht zie ik het uitzenden van niet-geordende evangelisten, dat een geringschatting van Jezus, de Apostel in Zijn apostelen was, die alleen het recht van uizending heeft. In al deze zaken heb ik zwaar tegen de Heer gezondigd, en u met mij. Wij waren verblind, wij waren niet waakzaam, wij waren eigengereid. Wij waren tevreden, rijk geworden te zijn. Wij dachten niet aan de armoede van anderen. Wij waren ongeduldig tegenover de leiding der Apostelen, de Heer in hen. Wij zochten de onafhankelijkheid van de kerk, maar in plaats van de genade Gods oogsten wij de onafhankelijkheid van Satan.

God zag dat deze stand van zaken niet uit ons hart kwam. Hij zag dat in ons hart verder niets was en dat wij door onze eenvoud, door de macht van het boze, gegrepen waren, En daarom had Hij medelijden met ons en begon de sluier voor onze ogen weg te nemen door de hand van Zijn Apostelen aan wie Hij het juiste inzicht in deze dingen gegeven heeft en die uitspraken wat zij zagen.

Maar voor wat mijzelf betreft ging ik aarzelend, ja tegenstribbekend, van mijn verkeerde weg af waardoor ik de zware tuchtiging der liefde van mijn God naar mij toe getrokken heb. En de Heer heeft duidelijk gemaakt dat dezelfde neiging tot de boze zaken onder de Oudsten en het volk aanwezig was.

Laat ons nu, mijn lieve kinderen, één van zin zijn zodat wij met afschuw en weerstand afleggen, waardoor wij in zo’n vergissing en zo verschrikkelijk misleid,  gevonden zijn. Want ik ben er zeker van dat de Heer ons bij het laatste avondmaal daarvoor een teken van goedheid toonde, dat het tot ons ontwaken gebeurde, dat wij door Zijn wederkerende liefde onze vorige eigen weg verafschuwen en snel onze voeten op de weg van Zijn heerschappij plaatsen.

Als wij echter in een toestand der verdoving volharden, ons de aangelegenheid weer ter harte nemen noch ze van harte te berouwen, weet ik niet met welk nieuw en nog ernstiger gerecht Hij zowel U als mij, beproeven wil.

Ik heb echter in mijn hart een goede hoop dat er een opwekking komt, dat we de bedoelingen van de Heer begrijpen en geduldig op Hem hopen. Toch ben ik over enigen niet zonder vrees, dat ze zich van de weg des levens afkeren en op hun vroegere wegen, die niet goed zijn, blijven.

O, herinner u, mijn geliefden, dat wij nu niet meer die zijn, die we waren toen de Heer ons vond. Wij zijn geroepen en uitverkoren en zijn afgezonderd tot een groot werk dat de Heer wil beginnen in ons en door ons en voor Zijn gehele kerk, ja voor de hele wereld,. Wij willen niet meer in ons huis van de ander huizen gescheiden wonen, wij willen niet in de schaapssstallen vertoeven, nog minder willen wij ons neerzetten bij de vleespotten van Egypte, maar we moeten onze lendenen omgorden en voorwaarts trekken. Wij moeten de last van de Heer dragen. Wij moeten beseffen dat Zijn tegenwoordigheid midden onder ons is en onze schoenen uittrekken omdat de plaats waarop wij staan, een heilige plaats is. Het is het woord van de Heer dat wij ontvangen hebben, om het heilig te houden en Hem te gehoorzamen. En gelooft zij de Heer, dat Hij het getuigenis van de Geest in ons midden bewaard heeft en iedereen teruggewezen die tot enige misvorming van Zijn woord verleid waren.

O, eer zij het woord van de Heer steeds wanneer het onder ons verkondigd wordt.  Gij, oudsten, vereerd het, U volk Gods, vereerd het. Roep tot de profeet, want hij is het verkoren werktuig. Belemmer hem tegen zijn rebellerende hart, laat hem niet gaan, en als hij niet wil terugkeren, o wees dan niet mede schuldig aan zijn val.

Ik mijnerzijds, terwijl ik mij bewust ben dat ik door de Heer onder Zijn dienaren verkozen ben en door Hem gebruikt is om u raad te geven, ben mij ook van Zijn hand bewust die op mij ligt, om mij zwak te maken.

Maar ik verwacht niet dat Zijn hand terug genomen wordt voordat wij gemeenschappelijk vol en geheel al onze zonden berouwt hebben en innerlijk door Hem gereinigd zijn.

De genade van onze Heer Jezus Christus, en de liefde van God de Vader en de gemeenchap met de heilige Geest, zij met u allen, Amen.

Uw trouwe en liefhebbende Herder

Edward Irving

 

 

 

Glasgow, 25 October 1834.

 

Ik weet dat noch tijd, noch plaats u van mijn hart scheiden kan, dat u mij zo waardevol bent als mijn eigen leven. Het is de Heer die deze band der liefde geknoopt heeft, die zelfs de dood niet verbreken kan, want krijgen wij niet onze kroon der vreugde in de nabijheid van de Heer bij Zijn komen?

Geliefden, u moet niet bedroeft zijn els ik u zeg dat de hand van de Heer zwaarder op mij drukt, dan ooit tevoren. Ik ben erg verzwakt en duizelig en heb nauwelijks nog kracht om iets anders te doen, dan alleen om de Heer te roepen. Want ik ben zonder wijsheid, in de geest neergeworpen en wens dat de Heer Zijn heerlijkheid, op welke wijze dan ook, genadig zal openbaren.

Toch is het een pijnlijke aangelegenheid, dat wij door onze zonden, door de hand van een genadige God zo geteisterd worden. Laat ons berouw tonen en ons meer verdeemoedigen en meer en meer zacht en teder in het aangezicht van onze God wandelen, elke ijdelheid en afgoderij afleggen, waardoor onze Heer barmhartig met ons is en de zwaarte van Zijn hand ver van ons neemt.

Lang heb ik geprobeerd om te ontdekken en steeds heb ik de Heer gesmeekt, om mij de velerlei redenen voor onze pijnlijke scheiding en de volledige zwakte van uw hoofd, te openbaren; en het is mij geopenbaard, dat wij niet uit het woord van de Heer de lessen getrokken hebben. Wij zijn daardoor niet gekneed geworden, ik noch u, en daarom is de Heer met Zijn gerecht over ons gekomen en heeft Zijn hand op het hoofd des aanstoots gelegd en wil ons helemaal afbreken, als wij geen boete doen.

De hardheid en verstoktheid van onze harten, ondanks de stromen van liefde die direct uit het hart van God vloeden, heeft zijn toorn gewekt. Hij heeft zich in Zijn trouw opgemaakt de Herder der gemeente te vellen.

En ik erken dat Hij terecht bedroeft is, en desondanks vol barmhartigheid en liefdevolle vriendlijkheid.

En als Hij mij met het zwaard en het gerecht wil slaan, zal ik deze handeling van Zijn barmhartigheid goedkeuren en mijn vertrouwen in Hem stellen. O, ik had veel ernstige beproevingen der ziel tijdens mijn afwezigheid van u, en Satan had verlof ontvangen om mij met zijn vuist te slaan. Maar de Heer heeft mij ook bijgestaan en heeft mij uit de diepte omnhoog geholpen en mij met Zijn eigen vrije Geest getroost. Mijn vertrouwen is in Hem, aan Hem waarin ik gelooft heb, is groter geworden, tesamen met het vooruitzicht dat Hij zich opgemaakt heeft om Sion en Jeruzalem te bouwen, dat alle natieën en koningen zich verzamelen zullen om de Heer te prijzen. Ik en u hebben gezondigd toen wij de stem van de Heer door de verharding van onze harten niet gehoord hebben. En nu heeft de Heer onze harten met droefheid vervuld. Ik ben er zeker van dat deze droefheid ertoe dienen zal om, zowel bij u als bij mij, te bewerkstellingen dat onze harten open gebroken en ontvangst bereid worden.

Daarnaast merk ik, dat de Heer mijn naam helemaal van het werk scheiden wil, dat Hij tot zegen voor de gehele mensheid opgericht heeft. O, wat voor een zorg is het voor mij geweest dat mijn naam gewoonlijk aan het werk des Heren gekoppeld werd. Vaak ben ik daarover heel bedroefd en beschaamd geweest, omdat er geen andere naam dan de naam van Jezus zal zijn, zodat ik de Heer bijna gesmeekt heb om liever weg genomen te worden dan dat de naam van Zijn hooggeloofde Zoon in de schaduw van mijn naam komt. En het is inderdaad mijn grootste troost, hoewel ik van u, mijn geliefde kinderen en van onze broeders, zo ver verwijderd ben, dat het duidelijk zal worden, zelfs voor de vijanden van het werk van de Heer, die mij sterk in het lichaam gemaakt heeft en Hem te dienen en om mij en vooral aan de kerk de vervulling van het woord duidelijk te maken.

Al het vlees is als gras en alle heerlijkheid als de bloemen in het gras. De hand van de Heer heeft mij aangeraakt en het vergaat mij als in het motto: “Hij echter zendt verder Zijn levend makende Geest, en het vervallen uiterlijk van de aarde zal nog eenmaal vernieuwd worden”.

O, roept naar de uitgieting van de heilige Geest, dan zal het lied der vreugde in de woningen van de rechtvaardigen zijn

Innig geliefden in de Heer, brengt lof en dank, want de Heer heeft uw gebeden verhoord en helpt Zijn dienaar.

Sinds de laatste dag van de Heer (zondag), toen u aan het sacrament van het heilig Avondmaal deelnam, ben ik duidelijk weer vervult met een zekere kracht en ben in staat geweest om de aanbevolen oefeningen weer te doen, namelijk paardrijden. En ik was in staat om een godsdienstoefening binnen de familie, waarin ik een hartelijk onthaal gevonden heb,  te houden.

O, verheug u weer in de zegeningen van Gods kerk, want treurig is de toestand van velen  in de kerkafdelingen, die wel vrolijk het evangelie ontvingen, maar niet tot een kerk behoren. Het is de grote genade Gods aan deze stad Greenock en aan Paisley, dat Hij eraan begonnen is Zijn volk tot een kerkelijke eenheid op te bouwen.

Veilig is de gemeente waar de deurwachter de deur solide dicht houdt. Maar geef Hem de eer voor uw veiligheid, dan zal u bij het in- en uitgaan op de vruchtbare weide geen gevaar dreigen.

U, Zijn dienaren, laat het woord dat bij God was, dat God was, door u gesproken worden.

En U, volk des Heren, laat het woord van God in het oor van de heilige Geest die in u woont, ingaan. Dan zal u Zijn getuige  zijn, zij aan zij met de andere kerken en broeders, als pijlers en toetssten der waarheid. Wees één van zin en één van Geest met de Heer. Leg af alle strijd en twijfel, want is niet de eeuwige God uw steun?

De vrede Gods zij met u en met heel Israël.

Uw trouwe en liefhebbende Herder,

Edward Irving.

 

Gedeelte uit een brief van Edward Irving aan de Heer Cardale.

Glasgow 5 november 1834.

 

De hand des Heren ligt nog even zwaar op mij als voorheen. Onder deze deze hand verlang ik er naar mij met de gehele gemeente te verdeemoedigen en daarbij te wachten op het raadsbesluit van God. Vaak denk ik, dat het de zachte hand van de Heer is die iedere band tussen mij en mijn gemeente geleidelijk verbreekt, omdat het dreigdE tot een soort aanhankelijkhieid over te gaan, ja zelfs tot een afgoderij dreigde uit te groeien. O, hoe ik van ze hou! Hoe dankbaar ik voor ze ben! Hoe werd ik door hen verwent! En ik weet zeker dat hun liefde voor mij sterker is, als mijn liefde voor hen. En ik zie, het is de grote goedheid en geduld van onze God, daarvoor te zorgen dat dat verhinderd wordt. Omdat deze neigingen in onheiligheid overgaat en dat Hij ons een grote dienst bewezen heeft om ons zover uit elkaar te brengen, zodat we onze harten onderzoeken kunnen en zelf kunnen vaststellen dat onze wederzijdse liefde uit God is! O, wat voor een verschrikkelijke zaak is het, een broeder bedroeft of bedrogen te hebben, omdat elke ziel door het bloed Gods duurgekocht is.

O, wees vol ijver voor Hem, mijn lieve zoon, en vol van ijver voor deze kerk, dat Hij Zelf, als een kuise maagd, tot Zijn bruid gemaakt heeft. O, laat geen dienaar proberen de opmerkzaamheid op zichzelf te vestigen, want trekt hij dan niet daardoor de gemeente van haar bruidegom -van de Heer- af?

 

Gedeelte uit een brief van een vriend en broeder van de Heer Cardale.

December 1834.

 

Uit alles is het duidelijk dat het in deze laatste uren waren,  voordat hij de rust Gods ingaat, die een bron van vreugde maar ook van droefheid zijn. Het is hem aan de zien, dat hij naar het lichaam veel pijn lijdt, hoewel hijzelf als ook zij die rondom hem stonden.

In zijn geest was merkbaar vrede en vreugde. Op zondag zei hij tot zijn vrouw: “Als ik sterf, sterf ik in de Heer”. De laatste woorden die hij tegen zijn vrouw zei, bevatte de wens, hem Psalm 18 helemaal voor te lezen. Als zij even haperde vroeg hij haar steeds om verder te lezen. Aansluitend vroeg hij om het vierde en bvijfde hoofdstuk van de eerste brief aan de Thessalonikers. Toen zei hij: “Vrede zij met je”.

Dat waren de laatste woorden die hij duidelijk tot haar richtte. Tegen de heer Taylor, bij wie hij in huis woonde, waren zijn laatste woorden: “Baant een weg naar de kerk, baant een weg naar de kerk”.

Tegen zijn schoonvader zei hij: “O, de diepte des vredes en de vreugde van Jezus Christus”.

Zijn gebeden golden voornamelijk de kerk en in het bijzonder zijn eigen gemeente en toen zijn moeder hem vroeg, of hij nog iets tot zijn vrouw of kinderen wilde zeggen, antwoordde hij: “Nee, wat zou ik nog moeten zeggen? De Oudsten zullen zich over hen ontfermen”, of  “ik vertrouw de zorg over de gemeente aan de Oudsten toe”. Aannemelijk is dat de woorden die hij wilde spreken moesten zijn: “Ik geef de Oudsten de gemeente in Londen en alle gemeenten, om voor te zorgen”.

De laatst verstaanbare woorden die hij sprak waren “bewaren tot die dag”, wat, zoals ik aanneem uit de tekst van 2 Tim. 1:12, “ik weet, wie ik geloof enz.” stamt. Dan gleed hij voor ongeveer zes uur in een bewusteloze toestand, kreunde erg veel en toen ging de geest van Edward Irving heen naar de rusttoestand, waar hij nooit meer kreunen zal. De pijlenschieters hebben op hem geschoten en pijn bezorgd, maar nu is hij heengegaan in Zijn heerlijkheid. Hij heeft zijn werk voltooid, hij heeft zijn loopbaan gelopen. Hij heeft zijn strijd gestreden en God heeft hem weggenomen. Het is niet aan mij, of wie dan ook, speculaties te doen, waarom of waar het uur ligt of lag, die oorzaak waren voor dit wegnemen. Ten dele misschien aan het land waarheen hij gezonden was, ten dele aan de gemeente, en misschien ten dele aan zichzelf. Want zelfs de besten onder ons (en zeer zeker was hij de beste) zijn allen koppige en eigenwijze wezens. Maar zeker geloof ik dat dit verlies, deze zware slag, zal de kerk van de Heer drukken op haar zonden, haar afgoderij van een mens, haar ingeloof in God en haar geringschatting van de heilige Geest. Ik zie veel in de tegenwoordige toestand van de kerk dat de Heer niet zonder schade kon laten voortduren. Als één lichaam zijn we zwak, erg zwak,ontrouw, onverschillig en zorgeloos, en als de Heer onze gebeden verhoord had, en hem genezen had, zouden wij ons voor goed en rijk en vol van geloof gehouden hebben. Daarom was deze slag, deze tuchtiging, absoluut nodig om op te waken uit onze slaap, de zelftevredenheid en de wereldse gezindheid.

Ik zie heel precies, dat sinds de stichting van de gemeenten en de inrichting, een stilstand gekomen is, tevredenheid met de uiterlijke zaken en dat, zodra wij ontvangen hadden waarom wij gebeden hadden -een Herder, Oudsten, sacramenten- de roep naar de doop met de heilige Geest, sterk afnam, en dat het beijveren voor de eer van onze heer Jezus Christus, als Hij die met de heilige Geest doopt, minder werd.

Wij ijverden niet meer om getuigen ervan te zijn, dat het Zijn naam en ambt is (en hoe kunnen wij getuigenis afleggen, als alleen door dat wat wij ontvangen hebben en wat ons geopenbaard is).

ja, wij rusten uit in ons zelf getimmerde huisjes, terwijl het Huis van de Heer, hoewel niet geheel en al verwoest, tenminste onvoleindigd en onbewoond bleef. Wij zijn ongevoelig voor de eenzaamheid, dat wij zonder Hem zijn, omdat wij zelfzuchtig en vergramt zijn en ons zeker voelen en ons niet bekommeren om hen die in gevaar zijn. Daarom moet de Heer over ons heen vallen en onder ons treden, hoewel Hij dat niet wilde en wij ook niet. En net zoals men verplicht is, om iemand die teveel gedronken heeft, wakker te maken om zijn leven te redden, zo is Hij in Zijn barmhartigheid verplicht ons te wekken, om ons door de vreselijke slag die ons getroffen heeft, ons uit onze verlammende onverschilligheid te trekken.

Ach, het is een vreselijke slag. Er was niemand die wij zo lief hadden als hem, want hij had de eenvoud van een kind, de liefde van een vrouw en het hart van een leeuw. Hij was waarlijk een man met een katholieke geest, een groot hart. En hoewel hij soms toonde dat hij menselijk vlees had, zo is zeker dat het lichaam heeft geleden en nu zal niemand hem meer kunnen verleiden, want hij slaapt rustig en vredig in de kathedraal van Glasgow, wachtend op de dag van de Heer, de dag van zijn opstanding in heerlijkheid.

Hoewel er ook met betrekking tot het lichaam veel reden voor droefheid geeft, zo hebben wij toch voor het betere, onstervelijke deel, alle reden voor vreugde en brengen God de dank, dat heel zeker het einde van alles de vrede is, en dat zijn geloof en zijn vertrouwen op God en in het werk van de Heer, onveranderlijk is en vast is gebleven tot het einde. En nu hebben wij hem in het graf gelegd “in het vertrouwen en zekere hoop op een zalige opstanding”.

Hij heeft zijn deel aan het werk gedaan. Wat nu voor de achter geblevenen geldt is om onze plichten na te komen, te waken, onze zorgzaamheid te verdubbelen en trouw te zijn, zoals hij het was, zelfs in de dood!

 

Niets van zijn theologisch denken en geschriften heeft Edward Irving op zo’n doodsbed terug genomen, zoals de Geneefse professoren suggereerden. Integendeel, de beide brieven getuigen van een diepe deemoed, een groot geloof en een groot vertrouwen in de Heer.

            

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CHRISTOLOGIE VAN EDWARD IRVING.

 

             ... en de rivieren van kennis moeten vloeien in de oceaan van het geloof ...

 

“Dat het leven maar kort is, dat zie ik. Dat het verwaarloost wordt. Daar ben ik mij van bewust, de verantwoordelijkheid overstelp mij en de ijdelheid ervan, daar schaam ik me voor.” (uit een brief aan Jane Welsh, 9 september 1822).

 

Nauwelijks 30 jaar werd Edward Irving zich dus al de betrekke­lijkheid van het leven en het korte verblijf op aarde bewust.

Hij overleed jong, op 42-jarige leeftijd. Het is nauwelijks voorstel­baar wat deze grote man, niet alleen geestelijk maar ook qua gestalte, in de weinige jaren die hij werkzaam is geweest, heeft volbracht. Door velen werd vergeleken met Johannes de Doper, Martin Luther en John Knox.

Vogens de mening van sommige biografen dat Irving zou stammen uit het geslacht Luther, de naam van zijn moeder was Mary Lowhter wat een verbastering zou zijn van Luther. Daarvoor is echter geen enkel bewijs te vinden.

Hij werd bewonderd en vergruisd. Hij werd uit zijn kerkgenoot­schap, de Nationale Schotse Kerk gestoten maar toch ligt hij in de St.Mun­go Cathedraal te Glasgow begraven en daar is ook een glas-in-lood raam aangebracht met het gezicht van Irving in de gedaante van Johannes de Doper.

Veel van zijn geschriften vormden een bron voor latere schrij­vers.

Zijn biografen beschrijven weliswaar Irving's kinderjaren maar trekken daar geen conclusie's uit voor wat betreft zijn latere inzichten omtrent religieuze zaken. Zoals al eerder beschre­ven, bezocht Irving met zijn onderwijzer en klasge­noten regelma­tig de dien­sten in het nabij gelegen Ecclefechan waar ds. Johnstone voorging.

Deze Johnstone was een z.g. Dissenter. Dissenters (dissiden­ten) was een verzamelnaam voor allen die in hun geloof ver­schillenden van de staats­kerk, in Irving's geval de Schottish National Kirk, b.v. Baptisten en Methodisten. Het dissident zijn had nogal wat conse­quenties. Groot-Brittannië had nog een sterke theocratische staats­vorm. Het was voor Dissenters niet mogelijk om in overheidsdienst te treden, allerlei beperkingen werden hen in de weg gelegd. Pas in 1828 werd de "Act of Supremacy", waarin het bovenstaande vervat was, opgeheven. overigens niet zonder tegenstand. Velen, w.o. ook Irving (A Letter to the King, 1828) vreesden dat de "roomsen" en de Paus, die gezien werd als de verpersoonlijkte duivel, maar ook de reformatorische kerken aan invloed in Engeland zouden winnen.

Thomas Carlyle heeft deze periode uit het leven van Irving beschre­ven: De zondaagse diensten in het gebouwtje van Mr. Johnstone waren de hoogtepunten van de week. Sommigen kwamen helemaal vanuit Carlisle, een andere groep, en één van hen werd mij later bekend als Edward Irving, uit Annan. Hun stomende jassen hingen, bij nat weer, uit te druppelen.

(Thomas Carlyle. A history of the first forty years of his life, 1795-1835, vol. 1, by James Anthone Froude.

Eén van de bekendste werken van Carlyle "Sartor Resartus" is fictief maar bevat ook vele elementen die overeenkomen met de gymnasiumperiode te Annan.)

Uit Schotland waren altijd al afwijkende theologische geluiden te vernemen. Het leven in de "highlands" was hard, de mystiek bloeide en hier was het leven anders dan in het “gecultiveerde” Engeland.

Twee namen van Schotten die ook een rol hebben gespeeld in Irving’s leven willen we hierbij vermelden: McCampbell of Row en Thomas Erskine.

 

Nogmaals, het is niet na te gaan in hoeverre deze jeugderva­ringen Irving hebben beïnvloed maar ze hebben zeker bijgedra­gen tot zijn vorming. Niet alléén bij Irving maar bij vele anderen die in het ver­loop van dit hoofdstuk de revue zullen passeren.

Ook de jaren die Irving als assistent van Ds. Thomas Chalmers werkzaam was zullen zeker sporen hebben nagelaten. Chalmers had niet veel op met Irving's latere meningen en publicaties maar tot een echte veroordeling van Irving is hij nooit gekomen.

De eerste publicatie van Irving was speciaal geschreven voor Chalmers: "Farewell Discourse on leaving St. John's Glasgow", een bro­chure van 41 pagina's, maar ook het eerste boek dat hij schreef: "For the Oracles of God" (4 Orations, 1823) droeg hij op aan Chal­mers. Hij schreef in het voorwoord o.m.: "Toen ik als uw assistent werkte was ik onvermoeibaar. Ik kan God niet genoeg danken omdat Hij mij met u in contact bracht."

Irving heeft niet alléén maar het goede van God ervaren. In zijn privé-leven is hem niets bespaard gebleven. Vooral het verlies van zijn eerstgeboren zoon, Edward, was een smartelijk verlies dat hij dragen moest. Niet alleen ontviel hem de kleine Edward, van de 7 kinderen bleven er slechts 2 in leven. Mede door het vroegtijdig ontslapen van zijn kinde­ren werd één van de thema's waarover hij schreef de doop.

 

Tot volledige ontplooiïng van Irving's christologie kwam het pas nadat hij in juli 1822 voorganger werd van de ca. vijftig zielen tellende gemeente van de Schotse kerk in de Caledonian Chapel.

Van een kleine ingedommelde gemeente werd het de belangrijkste kerk in Londen. George Cunning, parlementslid en later minis­ter-presi­dent,  bezocht één van Irving's predikingen, be­schreef deze dienst als de "…het meest welgesprokene wat hij ooit had gehoord en Irving als de "de grootste openbare spreker van onze tijd".

Hij sprak hierover in het parlement en vele Engelse promi­nenten uit die tijd, vooral op literair gebied, wilden hem wel eens horen.

Zo bezochten o.a. Macaulay, Charles Lamb, William Hazlett, Dorothy en William Wodsworth, Sir Walter Scott en S.T. Cole­ridge diensten van Irving. Ook de latere minister-president Wlliam Gladstone bezocht als kleine jongen Irving’s prediking en was diep onder de indruk.

Zo groot werd de toeloop dat de hele omgeving van de kapel verstopt raakte van de rijruigen en de kranten daarover steen en been klaagden. Uiteindelijk moest Irving toegangskaarten persoonlijk liet ver­strekken omdat het aantal zitplaatsen te beperkt was.

Allerwege werd de aandacht naar Irving getrokken. Zijn kerk bleef volstromen. Carlyle, de historicus, heeft een nogal tweeslachtige houding aangenomen ten opzichte van Irving. Een zekere jaloers­heid kan een opmerkzame lezer in zijn ge­

schrif­ten over Irving bespeuren.

Irving was "rijk", had een goedgevulde boekenkast en werd bekend, Carlyle moest vechten om erkenning te vinden en leefde lange tijd in erbarmelijke omstandigheden. Later, toen Irving in conflict met de gevestigde kerk kwam, trok Carlyle openlijk Irving's verstande­lijke vermogens in twijfel. Maar, terecht, merkt één van zijn biografen op:  “hoe had Irving zulk magnifie­ke boeken kunnen schrij­ven als hij zo in de war zou zijn ge­weest als enkelen het wilden voorstellen”.

 

In de eerste periode van zijn verblijf te Londen was Irving be­vriend geraakt met het echtpaar Montague. Mrs. Basil Montague zorgde als een moeder voor de jongeman. Het was ook ten huize van de Montague dat Irving kennis maakte met Samuel Taylor Coleridge.

Deze Coleridge (1772-1834) had al het één en ander meegemaakt. In zijn jeugd was hij een aanhanger geweest van het Unitarisme. Het Unitarisme ontstond in de 16e eeuw. De aanhangers hielden vast aan de concilies van Nicea (325) en Chalderon (451). Zij werd massaal vervolgd en emigreerden daarom in de negentiende eeuw groepsgewijs naar Amerika. Zij erkennen Christus slechts als mens en verwerpen de Drie-Eenheid. Zij gingen er vanuit dat niet de letter van de bijbel, maar de geest belangrijk was.

Coleridge was verslaafd geweest aan alcohol en narcotica, waarmee hij zijn gezondheid ruïneerde. Nadat hij in 1815 door een psychiater weer in goede banen gebracht was keerde hij het Unitarisme de rug toe en werd weer lid van de kerk van Enge­land. Coleridge raakte sterk onder invloed van Duitse filosofen w.o. Schleier­macher en nam van hen het z.g. evangelische christen­dom over. Zo schreef hij o.m.: “Met deze bedoelingen, met deze gevoelsns heb ik de boeken van het Oude en Nieuwe Testament –ieder boek als een geheel en ook als een compleet deel- onderzocht. En het is nodig te zeggen dat ik overal min of meer dezelfde bron van waarheid en krachtt en reinigende werking heb gevonden – dat ik woorden heb gevonden voor mijn diepste gedachten, liederen voor mijn blijdschap, uitingen voor mijn verborgen verdriet en een pleidooi voor mijn gebreken en zwakheden”. En “al te snel waren de theologen van de kerk vergeten dat het hart, de zedelijke natuur, het begin en het einde zijn en dat waarheid, kennis en inzicht nodig zijn voor de uitbreiding … Want het geloof is praktijk, christen zijn is leven, niet een filosofie”. . (Confessions of an Inquiring Spirit, 1840).

Als iemand aan Coleridge vroeg dit het te bewijzen, dan was zijn ant­woord eenvoudig: "Probeer het, de waarheid van het Christendom bewijst zichzelf." (Aids on Reflections, blz. 108, 126 en 134).

Vooral van Lessing nam Coleridge de stelling over dat de geschiede­nis één doorlopend proces is, zonder verleden is het heden niet moge­lijk.

Hij raakte diep onder de indruk van Irving´s preken en schreef over hem: "Ik blijf erbij dat Edward Irving meer van de geest en het streven van de eerste Hervormers bezit, dat hij meer van het hoofd en hart, het leven en de geestelijke kracht van Martin Luther heeft dan iedereen die vandaag leeft”.  (Collected Works of S.T. Coleridge).

Coleridge gaf de Engelse theologie een bredere horizon, een frisse inspiratie zoals Schleiermacher het in Duitsland had gedaan. Ook Carlyle beschrijft de vriendschap tussen Coleridge en Irving. Coleridge schildert hij af als een onafzichtelijk monster en verwijt Irving dat deze een bijna devote achting voor Coleridge heeft.

De hechte vriendschap tussen beide mannen duurt van 1823 tot 1826, het jaar waarin de eerste Albury-conferentie plaatsvind. Dan volgt een verkoeling omdat Irving meer aansluiting zoekt met James Hatley Frere (1779-1866) en diens stellige overtui­ging van JezusEQ \O(', ) spoedige wederkomst naar de aarde.

Enigzins spottend schrijft Coleridge dat Frere schreef en praatte over "… “duizendjarig rijk - en ik weet niet wat Armath Geddon (Arma­geddon) en de Joden" (Brief  8 febr. 1826 aan zijn broer Edward Coleridge.)

Na IrvingEQ \O(', )s vertaling van het werk van Lacunza schreef hij:

"O, Edward Irving! Edward Irving! door welke betovering is jouw geest weggetrokken van passage’s zoals deze  2 Thess. 2:1-10, om te gissen en te dromen over de voltrekking van de Openbaring". (Literary Remains, vol. 5 Compl. Works, blz. 518)

Later schreef Coleridge: "Tenslotte is de aard van de christelijke kerk algemeen. Ze is noch Latijn noch Grieks! In Engeland bestaat een Katholiek en apostolische kerk, die ik liever gewoon de kerk wil noemen, of de katholieke kerk van Christus in Engeland. De roomse heeft geen nationaal karakter, maar is ook niet universeel. De Engelse kerk heeft alle betrouwbare gewoonten behouden en beantwoord aan de behoeften van de Engelsman.”.

 

Dat we langer stilstaan bij Coleridge komt omdat zijn invloed op Irving later van groot belang zou blijken te zijn. Zo b.v. in IrvingEQ \O(', )s ge­schriften over de mogelijke zondigheid die Jezus Chris­tus, op aarde, zou kunnen hebben gehad.

In 1830 begon het proces tegen IrvingEQ \O(', )s vrienden McLeod Camp­bell of Row, Hugh Maclean en A.J. Scott.

Hoewel Irving hierbij niet direct betrokken was raakte dit hem wel en hij hield speciale kerkdiensten om te bidden voor hen en om een helder inzicht bij leden van de General Assemblee die moesten oordelen. Samen met McLeod Campbell verzette Irving zich tegen de des­tijds heer­sende predestinatie-leer. Een ander woord voor predestinatie is voorbeschikking. God heeft in Zijn raadsbesluit alles beschikt en hoe de mens zich ook wendt of keert, hij is uitverkoren of niet. Daarin is geen verandering te brengen, God heeft het nu eenmaal zo beschikt.

Veelvuldig wordt daarbij verwezen naar Rom. 8:29, 9:11 en Efeze 1:4.

Maar wie bepaalt wát door God verordineerd is of wat uit menselijke overwegingen is voortgekomen?

Dat een toestand niet statisch, dus onveranderlijk, hoeft te zijn bewijst apostel Paulus in zijn brieven aan de verschil­lenden gemeenten waarin hij oproept tot be- of terugkering naar God en de eerste liefde.

Ja, zelfs is apostel Paulus bereidt om door Christus verbannen te worden terwille van zijn broeders (Rom. 9:3).

Gods plan met de wereld, met Zijn kinderen, staat vast. Maar daarbij veronachtzaamt Hij niet de vrije wil van de mens. Daarom hoorde apostel Johannes op Patmos zeggen: "laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven om geeft" (Openb. 22:17).

Dit alles zou toch niet nodig zijn als God geen beweging, geen verande­ring zou toelaten?

De Predestinatie-leer werd ten volle tot ontwikkeling gebracht door de "kerkvader" Augustinus die het christendom zoals deze in het westen, d.w.z. Europa beleden werd, sterk heeft be­ïnvloed.

Ook Reformatoren zoals Luther en Calvijn bleven onverkort vasthou­den aan deze leer. Calvijn zwakte deze leer van de uitverkiezing later enigzins af, hij gaf toe dat de mens zelf aan zijn uitverkie­zing moest werken om deze te behouden en niet moest gaan zitten afwachten omdat alles toch al door God beslist zou zijn: "Er wacht u, die door Gods kracht wordt beschermd omdat u gelooft, in de hemel een onvergankelijke, ongerepte erfenis die nooit verwelkt. U ziet de redding tegemoet, die aan het einde van de tijd zeker geopenbaard zal worden”  zoals Petrus zegt (1 Petr. 1:5) is het toch God die ons bewaart. Indien ons geloof dus niet gegrond was in de eeuwige uitverkiezing Gods, is het zeker dat het ons iedere minuut door de Satan zou kunnen worden ontrukt. Al zijn wij vandaag de meest standvastigste mensen ter wereld, morgen kunnen wij bezwijken."  (Corpus Reformatorum. Opera Calvini, 1863-1900, dl. LI, blz. 265)

McLeod Campbell predikte een universele genade voor álle mensen. In Zijn onmetelijke liefde neemt Hij iedereen die een oprecht verlan­gen toont, aan.

Apostel Thomas Carlyle (dus nu eens niet de historicus!) schreef: "Een priester in het westen van Schotland, (Rev. J. MacL. Campbell of Row, aan de westkant van de Clyde) begon te preken over de machtige liefde van God voor zondaren. Ik ken hem en hoorde hem vaak. Menige gevangenen van de zonde kregen tranen van vreugde en berouw in hun ogen bij zijn woorden. Maar zij die zich niet veran­deren wilden werden getrof­fen door de scher­pte van zijn heilige boodschap en gingen weg.

McLeod Campbell dreigde niet, hij boezemde geen angst in door schildering van de verschrikkingen van de hel. Het schilderij dat hij maakte was van de liefde Gods en dat was onverdraagbaar voor hen die in hun zonden vol­hardden.

In de Schotse kerk van die dagen leefde de leer dat Christus alleen gekruisigd was voor de uitverkorenen. Vele vrome mensen hadden geen vreugde in God maar werden altijd heen en weer geslingerd door onzeker­heid en benauwdheid, want er was nie­mand die hen vertellen kon of ze uitverkoren waren of niet. Daarom leefden ze een z.g. christelijk leven in de hoop op hun doodsbed vergeving te ontvangen voor hun zonden en in vrede te kunnen sterven.

McLeod Campbell predikte dat Christus een menselijke natuur had aangenomen dat perfect heilig was, niet door Zijn almacht maar door Zijn geloof. Hij wandelde in het menselijke kleed, ons tot voor­beeld. Verder dat onze Heer Zijn leven gaf, in menselijke gedaante, aan het kruis, plaatsver­vangend dragend de zonden van alle mensen in Zijn eigen lichaam".

 

Het geloof terugbrengen tot een realiteit waaraan gewerkt moest worden was het kernstuk van Irving’s christologie.

In 1830 verschenen van zijn hand de volgende publikaties:

"Opinions circulating concerning our Lord's human nature tried bij the Westminster Confession", "The Orthodox and Catholic Doctrine of our Lord's Human Nature" en een jaar later "Chris­t's Holiness in Flesh".

Telkens keert daarin het volgende terug: "Elk mens is, door afstamming, verbonden met Adam en heeft daarom deel aan de schuld en ellende van Adam. Ieder kind dat door een vrouw ontvan­gen wordt, evenals elk kind dat het licht aanschouwt, iedereen van Adam's afstamming, mag alleen maar hopen op vergeving van de zonden, op de opstanding en het eeuwige leven, de zegen die God de zondaren aan­biedt."

Er bestaan drie "modellen" waarin het lichaam wordt beschre­ven:

1. zoals het was bij Adam vóór de zondeval,

2. zoals het nu is, sinds de zondeval,

3. zoals het zal zijn ná de opstanding uit de doden, onsterfe­lijk en geestelijk.

In de heilige Schrift wordt het tweede model gebruikt, b.v. daar waar staat geschreven over de "wet van het vlees" (Hand. 7:26), de vleselijke geest (1 Petr. 1:24), de "wil van het vlees" (Joh. 1:13 en 2 Kor. 1:17), "hij, die is in het vlees" (1 Joh. 4:2), "hij die wandelt naar het vlees" (Hand. 8:4), "het vlees is als gras" (1 Petr. 1:24), maar ook "Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk niet beërven" (Rom. 15:50 en Gal. 5:21).

 

Laten we, om een juist beeld te krijgen Irving zélf aan het woord: Uit het voorwoord van "On the human nature of Christ".

Het is allereerst noodzakelijk erop te wijzen dat, zo vaak ik in dit geschrift aan de menselijke natuur van onze Heer Jezus Christus zondige eigenschappen en neigingen toeschrijf, ik dit als geschei­den van Hemzelf bedoel. Ik beschrijf de eigenschap­pen van de natuur die Hij aannam en probeer daarmee te bewij­zen dat deze eigenschap­pen geheel aan de onze gelijk is ge­weest. Om het werk dat de Heer gedaan heeft te kunnen begrijpen, moet men eerst weten waarmee Hij het uitvoerde. Zijn werk bestond daaruit: onze natuur, die vol van zonde, dood, opstand en onrust is, te verzoenen, te heiligen, te bekeren en te verheerlij­ken.

Zij die dit geschrift over de menselijke natuur van Christus verwerpen, geven dit wél toe. Hun zienswijze wijkt  echter van de onze af, als ze beweren dat met het wezen van de menselijke natuur van onze Heer een verandering heeft plaats gevonden bij de wonderbare ontvangenis.

Wij verwerpen dit en zeggen: er heeft zich toen geen verande­ring voorgedaan maar pas bij de Opstanding. Bij de ontvangenis kreeg Maria een heilige geestleven, een leven der wedergeboor­te zoals wij die bij de wedergeboorte eveneens zullen ontvan­gen. Echter, bij Christus was het in groter mate terwille van Zijn volmaakt geloof, welk volmaakt geloof Hij daarom kon aanbieden omdat Hij een godde­lijk persoon van het wezen van de Vader was.

Wat wij beweren is dus dit: Zoals Adam dé volmaakte mens bij de schep­ping was, zo was Christus de volmaakte mens bij de Wederge­boorte. Volmaakt in heiligheid door volmaaktheid in het geloof en volmaakt in het geloof, ondanks dat de hele schep­ping ernaar streefde om Hem van God te vervreemden.

De kostelijke, wonderbare waarheid waarvoor wij strijden is niet, of Christus lichaam heilig was, want waarlijk, elk mens die zegt dat wij dat verwerpen, lastert tegen de waarheid, maar of dit vlees tijdens Zijn rondgang op aarde hetzelfde was als dat van ons, met z'n zwakheden en met de mogelijkheid van verleiding, of dat door de wonderbare ontvange­nis een verande­ring met Hem heeft plaats gevon­den, zodat het een ander li­chaam werd, een lichaam anders dan het onze.

Onze tegenstanders beweren alleen een identiteit van de oor­sprong. Wij echter beweren ook een identiteit van het leven.

Zij beweren een inwonende, blijvende heiligheid. Wij beweren een heilig­heid die door de Zoon voortdurend in stand gehouden moest worden door de kracht en het vermogen en de werking van de heilige Geest. Zij zeggen: hoewel Zijn lichaam door de verwekking een veran­dering heeft ondergaan is Hij toch nog een broeder van ons geweest in alle verleidin­gen en het lijden. Wij bestrijden dit want verandering is verandering en als Zijn lichaam door de ontvangenis anders zou zijn, dan was Hij ook in het werkelijke leven niet zoals wij.

In één woord, wij houden de gelovigen voor een werkelijk leven, een lijdend en stervend lichaam, een werkelijke dood en een werkelijke Opstanding. Zij houden het vlees, de dood en de Opstanding van veranderd vlees voor en scheppen zo een kloof tussen Hem en ons. Dit gaat onze inbeeldingskracht te boven. Daarmee verwerpen ze het hele geloof, al onze hoop op de verlossing van ons li­chaam. Niets blijft meer over van ons geloof aan God, niets van onze hoop voor de mensheid.

 

O, het doet me dagelijks pijn als ik zie hoe ongezond en wankelmoe­dig het geloof van zovelen met betrekking tot de ware mensheid van Christus is, het geloof in de mens die het wezen van de heilige maagd geweest is.

Mens naar lichaam en ziel, na en door alle verbindingen met de zondeval: in alle delen, innerlijk en uiterlijk, verleid zoals wij verleidt worden, maar steeds zegevierende over de verlei­din­gen. Een mens die heilig was, ja volkomen heilig in lichaam en geest. Niet omdat Hij vrij was van de eigenschappen, nei­gingen en driften zoals wij die ook hebben, maar alleen de kracht van de heilige Geest die hij tijdens de verleiding in stand hield, die Hem voor iedere zonde bewaarde en steeds met de wille Gods in overeenstemming hield.

Dat is het, wat ik het mens zijn noem. Wel weten we dat de mense­lijke natuur in verschillende toestanden is geweest en ook weer zal zijn: in die waarin ze zich gezond bevindt. Zulke toestanden echter zijn alleen gegeven door het geloof en de hoop, niet door weten en ervaring.

Als er gezegd wordt, de menselijke natuur van onze Heer was in Zijn eigenschappen verschillend van het onze, dan wordt gewe­zen op Adam vóór de zondeval, of zoals het onze zal zijn na de Opstanding, onsterfelijk, onvergankelijk, of als ergens tussen deze beide als mogelijk gehouden toestanden, alleen verschillend van de gevallen toestand, dat het vlees van de eerste mens tot op ons geslacht altijd gebleven is.

Zo mag het echter een vooruit bepaalde, aangenomen en in de ver­beelding een plaatsvindende natuur genoemd worden, de menselijke natuur die ik ken en begrijp is het niet. Het is dan van alles wat bestaat verschillend. Een wezen waarover ik kennis noch ervaring heb, iets nieuws, vreemds en onbekends.

 

Dit werk omvat vier delen. Het eerste zal een verklaring van de ware leer bevatten zoals dat uit de heilige Schrift naar voren komt. Het tweede een bevestiging hiervan door de ervaringen van de eerste christengemeente en de symbolen van de Schotse Nationa­le kerk. Het derde zal de in betrekking tot de wonderbare ontvangenis en het werk der verzoening gemaakte bezwaren opruimen en het vierde tenslotte de gevolgen opsommen die uit deze grote waarheid voort­vloeien. Uit ieder van deze verschillende delen volgt hieronder een uittreksel.

 

Getuigenis over de zondige natuur van Christus zoals dat uit de heilige Schrift naar voren komt.

 

Vast staat dat Christus uit een vrouw geboren werd (Gal. 4:4) dus was zijn vlees vlees van een mens en dat is zondig.

Vast staat dat Hij uit het geslacht Davids stamde naar het vlees (Rom. 1:3) en het zaad Davids is zondig.

Vast staat dat Hij niets van de engel maar het vlees van Abraham overgenomen heeft (Hebr. 2:16) en het zaad Abrahams is zondig.

Vast staat dat Hij onder de wet geboren werd (Gal. 4:4) en de wet is er niet voor de rechtvaardigen maar voor de zonda­ren, want de wet brengt het bewustzijn van de zonde (Rom. 7:7).

Vast staat dat Hij wist van het goede en het kwade en die kennis is van ná de zondeval, niet van daarvoor.

Vast staat dat Hij sterfelijk was, want op het eind kwam uit Zijn lichaam bloed, opdat Hij door Zijn dood hem verstoren zou die macht heeft over de dood. De sterfelijkheid behoort niet bij een zondelo­ze, maar bij een zondig wezen.

Zeker, Hij werd voor ons tot zondaar gemaakt opdat Hij van de zonden zou weten. Hij droeg onze zonden en onze ziekten nam Hij op zich, die niet de menselijke natuur van vóór de val, maar die van na de val zijn. Hij werd ook in alles verzocht, net als wij, wat bij Adam niet het geval was.

In Hem was een wil, die anders was dan de wil van de Vader. Dat was de wil van het lichaam, die daarom was als de wil van ieder ander, maar die door Hem steeds onderworpen werd. Vast staat ook dat Hij leed, maar dat Hij door strijd en lijden volkomen gemaakt werd.

Zeker is ook dat Hij voor God offerde, bad en smeekte, met geschrei en tranen tot Hem die uit de dood kon helpen (1 Petr. 2:21).

Vast staat dat de kruisiging van Zijn vlees ook de kruisiging van het onze is, wij zijn met Hem gekruisigd (Rom. 6:6).

Vast staat dat de Opstanding van Zijn lichaam ook de Opstanding van het onze is, wij worden met Hem opgewekt (Rom. 6:4) Wie nu ondanks al deze zekerheden nog beweert dat Christus niet ons eigen zondig lichaam heeft aangenomen, die is door dwalingen bevangen.

 

Christus, hoewel allerwege verzocht zoals wij, bleef toch zonder zonden omdat Hij daaraan niet toegaf.

 

Iedereen zal moeten toegeven dat voor een zondige handeling de wil aanwezig moet zijn. Het lichaam kan door kwelling en marteling, door onthouding van de dingen die voor het behoud nodig zijn, gedwongen worden de wil (geest) te beproeven, alleen als onze wil daar niet aan toegeeft, hoezeer ook het vlees knelt, begaan we geen zonden.

De wil van Christus heeft deze verleidingen ook ondervonden net zoals wij, maar Hij gaf aan die verleidingen niet toe en bleef dus zonder zonden. Door de honger van het lichaam was het dat Satan probeerde Hem te verleiden om van stenen brood te maken, door ogenlust, eerzucht en heersersgeest, lichame­lijk en geestelijk, probeerde hij Hem te verleiden toen hij Hem alle rijken van de wereld toonde en ze Hem aanbood als Hij maar voor hem zou knielen en hem zou aanbidden.

Christus, hoewel evenzeer verzocht als wij, bleef toch zonder zonde omdat Hij niet aan de verleidingen toegaf.

Bekendheid met God en het onjuiste verlangen naar Gods onmid­delijke hulp, evenals geestelijke drogbeelden waren het die de Satan gebruikte toen hij Hem op het dak van de tempel probeer­de te verleiden (zie Matth. 4:5).

Zou Satan deze pogingen hadden ondernomen als hij wist dat Jezus niets menselijks had? Maar tijdens al deze valkuilen beheerste Hij Zijn wil door Zijn rein­heid en oprechtheid. Als in de natuur van Christus geen begeerte, geen drijfveer naar het duistere aanwezig geweest was, hoe had Satan dan ooit ter wereld deze verleidingen aan Zijn wil kunnen opdringen?

Niemand zal kunnen zeggen dat de Satan, toen hij Hem probeerde te verleiden, Hem ook voor de verleidingen toegankelijk wilde maken door van alles te beloven als Hij maar God zou verloche­nen.

Echter, op de momenten en ogenblikken, dat Christus ontvanke­lijk was voor verleidingen, heeft dat toch niet plaatsgevon­den. Waarom niet? Waren dat dan geen verleidelijke dingen voor Hem? Verlangde ook niet Zijn lichaam dagelijks de natuurlijke spijs? Lag niet de wereld met al haar verlokkingen voor Hem open? Werd ook af en toe niet voor Hem  het aangezicht Gods verborgen en moest ook Hij niet het geloof opbrengen om verder te kunnen leven, zoals wij allen?

Of wil iemand beweren, dat Adam (voor de zondeval) door honger geplaagd werd, of dat diens lippen spleten door de dorst, of dat zijn hart smolt bij het aanblik van verlokkingen? Wil iemand beweren, dat Adam, heer over alles, voor koninkrijken en bezit verleid kon worden? Of dat door twijfel, duisternis en andere remmingen Gods aangezicht voor hem verbor­gen bleef?

Was dat wel zo geweest, dan zou er geen verschil tussen een onge­vallen en een gevallen kreatuur bestaan en dan was God alleen maar de Schepper van een zwak, machteloos en ongelukkig wezen. Alleen tijdens Christus rondgang in het lichaam was de mogelijkheid van verleiding aanwezig. Niet zoals bij Adam (voor de zondeval), maar zoals bij Abraham en David en Maria. Hoewel Hij gekweld werd door de duivel en de wereld en de boosheid der mensen, gaf Hij toch niet toe aan het boze maar streefde steeds naar het goede. Hij dwong Zijn wil tong, hand, voet, oog, oor en elk ander lichaamsdeel om de wil van God te doen.

Zegt iemand, dat wij allen door verleidingen van het vlees zonden begaan, dan heft hij het onderscheid op tussen een heilige, die het vlees overwint, en een zondaar die door het vlees overwonnen wordt.

Zo iemand wil niet toegeven dat het vlees van een vrome op de één of andere manier anders is dan het vlees van een zondaar. Ook Paulus, de apostel Paulus, bekend: “Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, dan erken ik dat de wet goed is”  (Rom. 7:16).

Als dus het zondigen daaruit bestaat, dat men aan verleidingen toegeeft, dan zondigde onze Heer en Heiland niet hoewel hij voort­durend aan verleidingen blootstond: omdat Hij daaraan niet toegaf.

 

Christus lichaam verloor geensins door de bij de ontvangenis meewerkende kracht de mogelijkheid van verleiding.

 

Als het lichaam van Christus bij de vorming of de ontvangenis een verandering onderging, zodat het een ander lichaam zou zijn dan het mijne en voor de verleidingen van de wereld of van de geest onge­voelig gemaakt werd, dan zouden de onder­staande gevolgen ontstaan zijn:

1. Hij zou niet in verleiding gebracht kunnen worden, zoals ik,

2. Hij kon dan onmogelijk een Hogepriester voor mij zijn, omdat dat alleen maar kon omdat Hij in alle dingen aan Zijn broeders gelijk was,

3. Hij had alleen met twee van mijn vijanden te strijden: de duivel  en de  wereld, en ik zou er dan geen bewijs voor hebben dat Hij de derde vijand, het vlees, ook kon over­winnen,

4. Hij zou nooit één zijn met mij en ik begrijp niet hoe ik dan één met Hem zou kunnen worden,

5. Ik zou geen zekerheid hebben dat de Heilige Geest in staat is om tegen het boze vlees te strijden, noch dat Hij in staat was het vlees te overwinnen,

6. Dan zou Christus leven geen voorbeeld zijn van de kracht van de heilige Geest over het zondige vlees, dan zou ook Christus opstanding geen zeker pand zijn voor mijn opstan­ding.

7. Zouden de gezamelijke Evangelieën slechts onwaarheid bevat­ten over Zijn leven. Ze zouden zijn geschreven alsof Hij niet aan elke verleiding en iedere natuurlijke begeerte onder­worpen zou zijn geweest, zoals ieder mens. Wie zoiets zegt die heft daar­door alle getuigenissen van de Schrift op.

 

Deze punten zouden met nog veel meer uit te breiden zijn. Ik zal zodra dat nodig is, meerdere leveren.

 

De heiligheid van Christus zou ons niet als voorbeeld kunnen dienen als Hij niet in een zondig lichaam gekomen was.

 

Hoe zou Christus een voorbeeld van heiligheid genoemd kunnen worden, als eerst niet, zoals beweerd wordt, zijn menselijke substantie geheiligd werd, als ook Hij niet onder de zondeval was, Zijn heiligheid niet eveneens door de kracht van de Heilige Geest bewerkt werd?

Omdat in de heilige Schrift, het oude en nieuwe Testament, zonder onderscheid, dezelfde uitdrukkingen steeds gebruikt worden als bewijs van de heiligheid van Hem, dan kan van deze twee dingen slechts één waar zijn: of de mensen, Christus broeders, worden, terwijl zij nog op deze wereld zijn, even­eens in de scheppingsge­daante van Adam voor de zondeval terug­gezet, of Christus heiligheid was, zoals het hunne, door de kracht van de Heilige Geest in de gevallen kreatuur bewerkt.

Als we het over de heiligheid van Christus hebben, dan is het niet alléén over Zijn goddelijke natuur, maar ook over Zijn mensheid. Als dus deze heiligheid door de kerk als reden voor hun geloof geldt, dan kan alleen de heiligheid van Zijn menselijke natuur bedoelt worden, waarmee de kerk alleen gemeenschap kan hebben.

Want wat voor gemeenschap kunnen schepselen van ná de zondeval wel hebben met schepselen die zich niet in deze toestand bevinden. Of hoe kan anders Christus als het Hoofd der wedergeborenen gezien worden, als in Hemzelf geen wedergeboorte had plaats gehad?

Het enige verschil tussen Zijn menselijke natuur en de natuur van een wedergeboren mens bestaat uit twee zaken:

1. dat Christus van het eerste ogenblik van Zijn verblijf op aarde zich al in de gedaante van een wedergeboren mens bevond,

2. dat de geest Gods zonder maat in Hem woonde en juist daar­door Zijn wedergeboorte werkzaam maakte ter volmaaktheid van Zijn geloof en Zijn heiligheid en ter volkomen onderwerping van de begeerte en de natuurlijke drijfveren van de gevallen mensheid.

Vraagt iemand wat wij onder wedergeboorte verstaan, dan ant­woorden wij, niet de schepping van een nieuw vermogen, een nieuwe kracht in het gevallen wezen, maar de instandhouding daarvan in haar tegen­woordige toestand door inwerking van de onzichtbare God. Niet ikzelf leef een nieuw leven, maar Christus leeft in mij. Hem, niet mij, komt alle eer toe.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 HENRY DRUMMOND EN ZIJN VRIENDEN TOT 1826.

                                                                                                                                                                                                                        

In de meeste biografieën komt Henry Drummond pas echt in beeld bij de zg. Albury-conferenties. Dat Henry Drummond ook een rol speelt in het Réveil in Genève is minder bekend, maar daarom niet minder interes­sant.

Het onderstaande is ten dele een ingekorte en licht gewijzigde tekst dat werd overgenomen uit het boekje "In de schaduw van de Mont Blanc: Henry Drummond 1786-1826" van B. Flikkema. Dit werkje verscheen in 1993.

Met deze beschrijving is tevens het driemanschap (Irving-Cardale-Drummond) beschreven die aan de wieg van de Katholiek-apostolische kerk hebben gestaan.

 

Henry Drummond komt voort uit een oud, rijk en adelijk Schots geslacht. Reeds in de middeleeuwen (1225) is er sprake van een familie Drummond. Een familiekroniek waagt het niet te spreken over de eerste Drummond: 'Their origens are lost in the mists of antiquity.'

Enige vrouwen uit het geslacht worden door het huwelijk opge­nomen in de koninklijke adel. In 1691 komt een John Drummond, 15 jaar oud, naar Amsterdam, dan het handelscentrum van de wereld, om het handelsvak te leren. Al spoedig volgt er een huwelijk met 'a good Dutch wife'. Ook met de handel gaat het voorspoedig, en tot 1712 bestaat er in Nederland de 'Handels­maatschappij Van der Heyden en Drummond'.

John gaat terug naar Engeland en helpt zijn neef Andrew Drum­mond wanneer die in september 1717 op het Charing Cross een geldhandel begint. Deze handel groeit in later jaren uit tot Drummond’s Bank. Tot op de dag van vandaag staat de bank aan dat plein, het heeft vele Drummonds een inkomen ver­schaft. Het is in de familie de gewoonte dat de oudste zoons als partners op de bank werkzaam zijn. Een achterkleinzoon van de broer van de oprichter Andrew Drummond is het onderwerp van deze beschrijving. Zijn ouders, Henry Drummond Junior of the Grange en Anne Dundas hebben vier kinderen, waarvan Henry, geboren op 5 december 1786 op het landgoed The Grange (bij Alresford, Hampshire), de oudste is.

 

Henry is nog geen zeven jaar als hij in 1793 naar Harrow gaat, een goed bekend staand internaat. Tegelijkertijd met hem zijn op Harrow ook Robert Peel, de latere premier en Byron, de latere Lord die z'n sporen in de literatuur zou verdienen. Henry Drummond volgt daar tot z'n zestiende zijn schooloplei­ding. In de archieven van de Hertog van Northumberland  zijn nog een aantal kinderbriefjes te vinden die Henry aan zijn ouders schrijft. In maart 1794 schrijft hij: '...Ik heb mijn geld nog niet uitgegeven. En ik vind Harow leuk...' Twee weken later schri­jft hij zijn vader: '...Mama schreef in haar vorige brief dat u zich niet goed voelt. U moet gauw weer beter worden. Ik voel me goed, maar ik heb maar een penny over. Ik zal er een ei van kopen. Ik heb een teke­ning ge­maakt. Die geef ik aan Eliza (zijn zusje) als ik in de vakantie thuiskom.'

Op 10 april laat hij weten: 'Ik wil heel graag weten hoe het met papa gaat...Harrow is niet meer zo leuk als eerst...'

 

De bezorgdheid om de gezondheid van zijn vader is be­grijpe­lijk: al op jonge leeftijd (32 jaar) is deze gegrepen door, zoals wordt beschreven, een vreemde, niet te behandelen ziekte. Hij overlijdt op 4 juli 1794, zijn oudste zoon is dan zeven jaar.

Bijna een jaar later, in juni 1795, overlijdt Henry Senior. Het gezin heeft dan geen vader en grootvader meer.

Henry's moeder trouwt in 1798 opnieuw met James Strange. In 1802 gaat ze samen met haar nieuwe echtgenoot naar de toenmalige Engelse kolonie India.

 

De opvoeding van Henry wordt ter hand genomen door zijn groot­vader van moederszijde, Henry Dundas, later de First Viscount Melville, in 1804 First Lord of the Admirality. Deze heeft in die tijd veel politieke invloed in Schotland, wat de oorzaak is van het feit dat hij door zijn tijdgenoten vaak 'King of Scotland' wordt genoemd. Hij mag zich verheugen in de gunst van koning George III en de vriendschap met William Pitt Jr., premier van Engeland van 1783 tot 1801 en van 1804 tot 1806.

Ook Pitt is invloedrijk; Henry Dundas maakt hier weer gebruik van om zijn invloed in de Schotse politiek te verstevigen. In deze omstandigheden leert Henry wanneer hij thuis is veel belangrijke, bekende en be­roemde tijdgenoten kennen. Vooral door Pitt, waarmee hij veel praat en die hem zeer schijnt te mogen, leert hij de politiek kennen en raakt daardoor conservatief geëngageerd. Twee keer in z'n leven, van 1810 tot 1813 en van 1847 tot zijn dood in 1860, zal hij dan ook Member of Parliament, afgevaardigde in het Engelse Lagerhuis zijn. Pitt is ook uitstekend thuis in de bijbel. Waarschijnlijk is hij de eerste die Henry op indringende wijze in aanraking brengt met de bijbelse geschriften.

 

Ook Robert Haldane of Airthrey dineert een keer bij Henry Dundas. Henry Drummond maakt na het diner kennis met de be­roemde Schotse theoloog, die samen met zijn broer James Alexa­nder bekend staat als zendeling en verdediger van het 'rechte geloof'. Vele jaren later zal Henry aan deze kennismaking refereren wanneer hij in Genève Robert Haldane weer ontmoet.

In 1802 vertrekt Henry naar Oxford, om te studeren aan Christ Church College. Al na twee jaar houdt hij daar weer mee op en verlaat Oxford zonder een graad te hebben behaald. Hij zet zijn eerste beroepsmatige schreden in de familiebank, maar schijnt daarbij niet bijzonder betrokken te zijn. Hij leeft het leven van een jonge en rijke man van adel, die zich graag vertoont in de 'society' van die dagen. Vroeg in het jaar 1807, 20 jaar oud, maakt Henry een rondreis door Rusland. Op dat moment zijn ook de troepen van Napoleon daar in actie, hij zal dus wel gezorgd hebben wat uit de buurt te blijven. 

 

Vlak na zijn terugkeer uit Rusland trouwt hij op 23 juni 1807 met zijn nicht, Henrietta Hay. Henrietta is de oudste dochter van de 10e Earl of Kinnoull, en dus een 'goede partij'. Dat Henry dan nog net niet meerderjarig is wordt in verschillende biografieën expli­ciet vermeld. Ze gaan wonen op het landgoed The Grange, dat Henry van zijn ouders erfde.

Het huwelijk wordt gezegend met vijf kinderen, maar de drie zonen overlijden alle op jonge leeftijd. De beide meisjes blijken gezonder en één van de dochters, Louisa, huwt later (1845) de Duke of Northumberland, A.G. Percy.

 

Na enige jaren huwelijk komt voor het eerst zijn religieuze betrok­kenheid openbaar. In 1811 en 1812 schrijft Henry Drum­mond voor gebruik in de Anglicaanse Northington Church een verzameling gezangen (hymns), tevens de eerste publicatie van zijn hand.

 

Door zijn maatschappelijke positie en connecties bij de Drum­mond Bank, zijn politieke betrokkenheid en de bij zijn groot­vader opgedane contacten lukt het Henry al spoedig een van zijn grootste ambities waar te maken. In 1810, op 23‑jarige leeftijd, wordt hij gekozen als afgevaardigde in het Engelse Lagerhuis voor het dis­trict Plympton Earl's. In 1812 wordt hij door de bank benoemd als partner, waarbij hij de gebruikelijke verkla­ring van goedkeuring en een brief met veel adviezen met be­trekking tot het schone bankiers­vak van de bankdirecteur, zijn oom Andrew Berkeley Drummond, ontvangt. In het jaar daarna gelukt het hem een wet met betrekking tot het bescher­men van deposito's tegen al te gretig misbruik makende ban­kiers te doen aannemen. De aangenomen wet krijgt als ambtelij­ke aanduiding: 52 Geo.III, c.63. Het lijkt er op dat Henry met de wet de beroepsstand der bankiers wil verbeteren, alsof het hem gaat om het aanzien en de integriteit van de banken te vergro­ten en te garanderen.

 

Is het misschien een merkwaardig toeval, of bestaat er een verband tussen het wetsvoorstel van Henry Drummond en de brief, die de bankdirecteur, oom Andrew, vlak na zijn aanstel­ling in februari 1812 aan hem richt?

De brief bevat een soort Tien Geboden voor aankomende ban­kiers: '... Wat bij de bankier wordt gedeponeerd is niet van de bankier! Neen, het is het eigendom van de vriend die je vertrouwt. Het is het eigendom van de weduwe of wees die het in jouw hand als veilig be­schouwt. Het is eigendom van de kroon en het land die ons ver­trouwen en die bij ons eerlijk­heid, integriteit en gentlemen's eer verwachten te vinden zoals gebruikelijk bij Men of Business...' De bankdirecteur gaat zo nog even door. Zou de enige wet die Henry Drummond in deze parlementsperiode heeft laten aannemen dan niet uit zijn eigen koker komen?  Het zal wel nooit ach­terhaald kunnen worden.

Nog een korte tijd blijft hij parlementslid. Hij beschouwt zichzelf als een “Tory” van de oude stempel, maar stemt altijd onafhankelijk van de zittende regering en volgt in alles zijn geweten. Door zijn vaak wat opmerkelijk en onafhankelijk optreden in het Lagerhuis trekt hij veel aandacht. In 1813 trekt hij zich terug en vermeldt als reden daarvoor de te grote lichamelijke belasting die het ambt met zich meebrengt. Hij lijdt dan ook aan TBC. Drummond heeft zijn hele leven slechts één ade­mende long en zal daarom extra voorzich­tig zijn geweest.

 

In 1814 vinden we Henry Drummond, nog steeds jong, rijk en van adel, terug in Parijs. Samen met zijn vier jaar jongere neef John Drummond reist hij, vergezeld door vele Engelse adellijke tijdgeno­ten naar de Franse hoofdstad ter gelegenheid van de kroning van Louis XVIII. De adel viert het einde van de Napo­leontische oorlo­gen. De verbannen keizer wacht op het eiland Elba op zijn kans om voor de laatste keer de macht te grijpen.

Nog enige jaren blijft Henry min of meer actief werkzaam bij Drummonds Bank. Er wordt niet veel over deze activiteiten bericht, maar hij staat niet bekend als een bankier in hart en nieren. Afgezien van de soms hoge bedragen gelds zal het leven van een bankier niet zo opwindend zijn. Zijn betrokkenheid loopt in latere jaren zelfs zo terug dat de partners van de bank de statuten aanpassen en Henry, met behoud van een riante jaarvergoeding, uitkopen.

 

In 1817 doet Henry een opmerkelijke stap: hij trekt zich terug uit de Anglicaanse Kerk. Is het omdat hij ontevre­den is over de wat gezapige, door de Verlichting steeds vlak­ker geworden godsbeleving?

Zoekt hij naar een manier om op praktische wijze het geloof te beleven en uit te dragen? Hij laat zich dopen door James Harrington Evans en treedt toe tot de kringen der 'Evangeli­cals'. Deze stro­ming is primair als Church-Evangelicals in de 18e eeuw voortgeko­men uit de Anglicaanse Kerk, onafhanke­lijk, niet centraal be­stuurd en hecht groot belang aan indivi­duele bekering en persoon­lijk geloof aan de verzoenende kruis­dood van Jezus Christus. Kerkorde, dogma­tiek en uiterlijke schijn zijn zaken waarover de Evangelicals zich het hoofd niet breken. Hun aandacht is gericht op een prakti­sche bijbelleer als uitgangs­punt voor een waarachtig vroom leven. De erfzonde, in uiterste consequentie beleden, staat naast de zeker­heid van de verzoe­ning door Christus' bloed. Niet het traag berus­ten in de genade, maar een actief belijden van de zonde en verlos­sing is belangrijk. De stroming bestaat niet uit een organisatie, maar is te beschouwen als een pro­testbeweging tegen de vastge­roeste Church of England, die in de tijd van de Verlichting veel van de oude geloofswaarheden had verloren. Het Engelse Réveil vindt hier in de Evangelicals en andere buitenkerkelij­ke groeperin­gen haar begin, een bewe­ging die bepaald wordt door de werkzaamhe­den van Henry Thorn­ton, William Wilberforce, Thomas Chalmers, Edward Irving, James en Robert Haldane en vele anderen.

 

Juist in deze tijd richten de Evangelicals veel genootschappen op ter verdieping van het geloof en verbreiding van het evan­gelie: Church Missionary Society, Religious Tract Society, London Society for Promoting Christianity amongst the Jews en talloze andere. Voor Henry is de overstap niet zozeer een stap uit het conservatie­ve Toryisme, maar veeleer een bewijs van zijn diepe overtui­ging dat het evangelie zuiver en actief wederom onder de mensen moet worden gebracht. Een jaar later, in 1818, laat hij op eigen kosten voor J.H. Evans een kerk bouwen in John St.Bedford Row, niet ver verwij­derd van het British Museum in London.

 

In hetzelfde 'omslag'‑jaar 1817 ontplooit Henry een nieuwe activi­teit die van grote invloed zal blijken te zijn op hem­zelf en anderen. Hij is voornemens om naar het Heilige Land te gaan. Dat is voor een Evangelical niet ongebruikelijk. De tien verdwenen Joodse stammen, de terugkeer van de Joden naar hun geboorteland en de bekering der Joden zijn voor de bijbel­getrouwe Evangelicals veelbe­sproken en veelbeschreven onder­werpen.

Veel rijkere Evangelicals, zendelingen en actieve christenen hadden als doel om minstens één keer in hun leven de heilige grond waarop Jezus Christus had gelopen, te betreden. Ook Drummond volgt deze gedachte en wil tegelijkertijd in de Engelse kolonie aldaar zijn kennissenkring uitbreiden. Vanaf 1817 zal hij zijn energie, tijd en niet onaanzienlijk vermogen in dienst stellen van religieuze zaken. Hij verklaart 'satia­ted with the empty frivolities of the fashiona­ble world', verza­digd met de lege frivoliteiten van de grote wereld, te zijn. Hij verkoopt het landgoed The Grange aan een andere bankier, Alexander Baring, negeert verder zijn bankverplich­tingen en geeft zijn buitenverblijf op.

 

Henrietta en Henry Drummond gaan tenslotte scheep naar het Heilige Land. Aangezien Henry de kleinzoon is van de First Lord of Admiral­ty, Henry Dundas, lukt het hem een plaats aan boord van het fregat van de bevelhebber van de Middellandse Zeevloot, admiraal Deans Dundas, te verkrijgen. Onderweg spreken de admiraal en Henry veel over het werk van de gebroeders James Alexander en Robert Halda­ne. De admiraal blijkt een geregeld bezoeker te zijn van de zendings­voordrach­ten van James Haldane. Op de Middel­landse Zee, terwijl ze aan dek nog even staan te praten voor het diner begint, merkt Henry plotseling een rimpeling van het water op. Hij wijst admiraal Dundas er op en deze besluit de zeilen in te nemen. De rimpeling blijkt de voorbode van een hevige storm te zijn, zoals die ook in Handelingen der Apostelen 27 beschreven staat. Het schip zoekt beschutting in de haven van Genua. Lady Henrietta is zeer bevreesd en haalt Henry over om aan wal te gaan. Ze ontmoeten in Genua andere Engelsen en weer komt het gesprek op de gebroeders Haldane, deze keer voornamelijk op Roberts werk in Genève en de opschudding erover die daar ontstaan is.

Henry's overleggingen beginnen nu vaste vormen aan te nemen, nadat hij al eerder met het idee had gespeeld: hij besluit naar Genève te gaan.

 

Genève staat al sinds de dagen der Reformatie bekend als de stad van het Calvinisme. Toch is de kerk in Genève in de loop der eeuwen niet onaangetast door de tijdgeest gebleven. Mevr. Kluit (in 'Het Réveil in Nederland en daarbuiten 1815-1865) drukt dat op z'n kortst uit: 'Het rationalisme vierde er hoogtij.' D'Alembert schrijft in zijn Encyclopedie (1785) over Genève: 'Meerdere predikanten geloven niet aan de Goddelijkheid van Jezus Christus; terwijl ze beweren dat men in de Schriften nooit letterlijk moet nemen wat de menselijkheid en de rede niet kan verdragen... De godsdienst te Genève is bijna geheel teruggebracht tot de aanbidding van een God, slechts de eer­bied voor Christus en de Schriften onderscheidt het nog van een volledig deïsme.'

Jean Jacques Rousseau drukt het nog krasser uit: 'Als men de predikanten van de kerk van Genève vraagt of Jezus God is, durven ze niet te antwoorden... Ze weten niet wat ze geloven of niet geloven!'

De 'Venerable Compagny' (het predikantencollege van Genève) protes­teert furieus tegen deze aantijgingen, maar weet niet aan te geven waar het wel voor staat.

 

Het antitrinitaire socianisme, het rationalisme, de onkunde onder predikanten en theologische studenten, het 'verlichte' denken der Christenheid blijven buiten Genève beslist niet onopgemerkt. Al in 1741 sticht Graaf Zinzendorf er een Broe­dergemeente. Deze Hernnhut­ters en hun piëtistische levenshou­ding trekken de aandacht en belangstelling. Veel studenten treden toe, onder nauwelijks verho­len protesten der theologen. Het blijkt dat ze pas in deze Vrien­denkring, zoals de vergade­ringen al spoedig worden genoemd, hun geloof ook kunnen beleven. Uiteindelijk eist het Geneefs predikan­tencollege de opheffing van de gemeente.

De studenten wordt door de professoren meer of minder subtiel het vuur na aan de schenen gelegd. Ook in de toekomende tijd zal de Venerable Compagny nog vaak dwars gaan liggen en probe­ren de status quo te bewaren ten koste van de wederopleving van het geloof.

 

In 1813 bezoekt Madame von Krüdener de stad Genève. Deze wel zeer opmerkelijke vrouw is de weduwe van een Russi­sche diplomaat in Venetië en Kopenhagen. Haar volledige naam luidt: Barbara Juliane Freifrau von Krüdener ‑ Von Vieting­hoff. Geboren in Riga komt ze in aanraking met de Hernnhutters, maar pas na een onrustig en lichtzinnig diplomatenleven komt ze in 1804 tot beke­ring. Ze reist door Europa en komt in Duitsland in contact met Heinrich Jung‑Stilling. Deze illuste­re arts, schrijver, econoom en chiliast getuigt haar van zijn geloof dat de Franse Revolutie het laatste tijdperk van de christelijke huishouding heeft ingeluid en dat God nu, voor het komen van Zijn Rijk, de laatste arbeiders in Zijn wijn­gaard zal zenden.

Barbara von Krüdener belijdt een geloof dat gekenmerkt wordt door een mengsel van piëtisme, hernhuttervroomheid en chilias­me. In 1813, op één van haar zendingsreizen waarin ze de profetieën over de eindtijd onder de aandacht brengt, lukt het haar de onder zware druk levende Broeder-gemeente ('de Vrien­denkring') in Genève nieuw leven in te blazen.

Het predikantencollege reageert woedend op de vrome, piëtisti­sche invloeden en eist wederom ontbinding van de groep. Eén van de leden, Henri Empaytaz, een theologiestudent, wordt gedreigd te worden uitgesloten van het predikambt als hij zijn bezoeken aan de Broedergemeente niet staakt. Hij negeert alle verboden, wordt secretaris van Madame von Krüdener en verge­zelt haar op haar zendingsreizen. De Vriendenkring blijft onder druk staan, maar onder leiding van vooral J.H. Merle d'Aubigné en Frédéric Monod blijft ze waarachtig protestants en protesterend tegen de Venerable Compagny. Langzamerhand groeit ze uit tot een kerkgemeente met regelmatige bijeenkom­sten en diensten.

Richard Wilcox, een Schot, wordt hun voorganger. Hij wordt al na korte tijd opgevolgd door een landgenoot, Robert Haldane.

 

Deze gewezen marineofficier staat samen met zijn broer James Alexander in grote gedeelten van Europa bekend als zendeling. In Schotland, zijn vaderland, in Engeland, Frankrijk, Zwitser­land, onophoudelijk is hij onderweg om het ware geloof uit te dragen. Hij heeft daarvoor al aan het begin van zijn zendings­reizen zijn huis in Airtrey verkocht en grote sommen geld besteed aan de opleiding van studenten, het drukken van trac­taten en de financiering van de opvoeding van Afrikaanse kinderen. Een actieve, positieve Christen die zijn geloof leeft.

In 1816 komt hij voor het eerst in Genève en treft daar de hierbo­ven geschetste omstandigheden aan. Al spoedig wil hij weer vertrek­ken, omdat het hem zeer veel moeite kost contact­personen te vinden waardoor hij ingang in de kerk van Genève kan krijgen. Hij ontmoet dan een theologiestudent uit Crête, James. Louis Gabriel James, in zijn jeugd een vurig bewonde­raar van Rousseau. Deze liet zich, om zijn vader niet teleur te stellen, als student in de theologie te Genève inschrijven, maar was voor­nemens zich na zijn studie aan het onderwijs te wijden. Door de ontmoeting tussen Haldane en James, waarbij de eerste bemerkt hoe weinig geestelijk leven er bij de laatste aanwezig is, besluit Robert Haldane in Genève te blijven. Hij bespeurt namelijk naast het gemis aan geestelijk leven ook een verlan­gen naar het evangelie. Hij ontmoet ook andere theolo­giestu­denten en bemerkt hoe onkundig ze zijn ten opzichte van het ware godsbegrip, de verzoening en de vergeving van zonden.

Door James kan Haldane verschillende contacten aangaan. De reeds afgestudeerde L. Gaussen en  Cèsar Malan komen hem vaak bezoeken. Al spoedig verzamelt zich een groep studenten om Robert, die driemaal per week bijbelles over de Brief aan de Romeinen geeft.

Ondertussen lopen de professoren en de leden van de Venerable Compagny 'onopvallend' voor het huis langs om de belangstel­ling te peilen en de bezoekers te noteren.

Ondanks de tegenwerking van de officieele kerk van Genève blijft Roberts strijd tegen het socianisme (ontkenners van de drieëenheid, de heiligheid van Christus en de sacramenten) niet zonder gevolg. Al in maart 1817 predikt Cèsar Malan in de "Getuigeniskapel"  over het onder­werp: 'De mens kan slechts door Jezus Christus gered worden.' Reeds de vol­gende dag wordt hij door het college aangeklaagd. Het predi­kanten­college ziet de preek als de spreekwoordelijke water­druppel, de strijd breekt openlijk uit. De Venerable Compagny stelt dat Genève "gekastijd wordt door schorpioenen". Ze vaardigen op 3 mei 1817 het beruchte reglement uit (geldend voor het hele kanton Genève): 'Het is verboden in de preek te noemen of te bespreken: de wijze waarop in Jezus zich de Goddelijke met de menselijke natuur heeft verenigd; de erfzon­de; de werking der genade of de doelmatig­heid der genade; de predestina­tie'. Jonge leraren, studenten en proponenten moeten het reglement tekenen op straffe van uitsluiting van het ambt.

Er ontstaat grote beroering. Een scherpe tweedeling laat zich al spoedig waarnemen, omdat onder de weigeraars zich een bruisende, nieuwe en bewuste geloofsgemeenschap vormt. Robert Haldane heeft de aanzet gegeven tot een duidelijke scheiding der geesten.

 

Aan het eind van zijn werkzaamheid in Genève is de situatie duide­lijker dan daarvoor. De kerk van Genève blijft socianis­tisch, daartegenover staat de strijdbare Société des Amis, de Vrienden­kring. Haldane wil in juni 1817 vertrekken naar Montauban. Deze Zuid‑Franse stad is het centrum van het Franse protestantisme. Daar is ook de theologische faculteit voor het gerefor­meerde of Calvi­nistische deel van Frankrijk te vinden. Op die plek wil Robert Haldane zijn werk voortzetten. Twee dagen voor zijn vertrek meldt zich Henry Drummond aan zijn deur.

 

In juni 1817 komen Henry en zijn vrouw Henrietta in Genève aan, nadat ze de reis naar het Heilige Land in Genua hebben afgebroken. Het eerste wat Drummond onderneemt is een bezoek aan Robert Halda­ne, die dan waarschijnlijk dus z'n koffers staat te pakken.

Haldane ziet de storm die Drummond op de Middellandse Zee beleefde, als een bijzonder teken. Wat kon Drummond anders doen dan zijn rug naar de wereld keren, zijn kapitaal voor het evangelie beschikbaar stellen en de profetische mantel aan te trekken?

En zo stelt Drummond, rijk en goedgeefs, zich achter de nieuwe kring op. Hij neemt zijn intrek in het hotel van Sêchero­n, vlak buiten de stadsmuren, maar op Geneefs grondgebied. Al spoedig staat zijn appartement daar vol met kisten gevuld met bijbels en tracta­ten en open voor allen die geïnteresseerd zijn in het Evangelie. De Venerable Compagny hoopte op een gemakkelijke manier van Robert Haldane af te zijn, maar ziet zich nu geconfronteerd met een nieuwe 'tegen­stander'.

Aangezien Henry Drummond zich al spoedig laat kennen als een vurig ijverend strijder tegen de standpunten der gevestigde kerk en al gauw de aanvoerder der Vriendenkring wordt, vaar­digt het predikan­tencollege een deputatie af om hem ter ver­antwoor­ding en tot de orde te roepen. In de tuin van het hotel vindt de eerste ontmoeting plaats. Professor Chenevière, de leider van de deputatie, vraagt hem op de man af of hij voor­nemens is dezelfde leerstellingen als Haldane te verkondi­gen. Ad rem vraagt Henry aan Chenevière een uitgebreid exposé van de leer van Haldane.

De deputatie ziet zichzelf staan tegenover een waardige tegen­stander en vertrekt in woede.

 

Vanuit het predikantencollege wordt aan Henry een heftige brief geschreven, die hij even krachtig beantwoordt. In een Geneefse krant van 5 september 1817 wordt de brief beschreven. Henry be­schuldigt daarin het college van ketterij en het bezoedelen van de naam van Christus. Gaussen schrijft later over de brief: 'It was very well done.' Het predikantencolle­ge, gesteund door de kantonre­gering, daagt hem voor de Staats­raad.

Daar probeert het college Drummond te intimideren en hem te bewegen de gewraakte brief weer in te trekken. Henry houdt voet bij stuk. Hij verhuist daarop naar Ferney, de plaats waar Voltaire zijn oude dag doorbracht, op Frans grondgebied, maar op een steenworp afstand van Genève. Op die manier is hij goed bereik­baar, vlak bij zijn ar­beidsveld maar buiten de Geneefse juris­dictie. Zijn villa, Campagne Pictet, blijft hetzelfde open‑hu­is‑ka­rakter behouden.

 

Korte tijd hierna komt de nieuwe kerkelijke gemeente in Drum­monds huis tezamen om er kerkdiensten te houden. De eerste Avondmaalsvie­ring buiten de officiële kerk van Genève wordt gehouden op 21 september 1817 in Campagne Pictet. In een later van deze gebeurte­nis gemaakt verslag staat het volgende te lezen: 'Het was in het huis van Drummond en Dr. Malan ging voor. We waren met tien perso­nen, waarvan zeker zeven bekende namen droegen. Naast de beide net genoemde mogen worden ge­noemd: Pyt, Méjanel, Gonthier, Guers en C. Burckhardt... Het deed ons denken aan een ander Avondmaal, in 1536, de eerste viering van de protestanten in Genèv­e.'

 

Een andere belangrijke werkzaamheid van Henry Drummond is het verspreiden van tractaten en bijbels. Hij laat ze op eigen kosten drukken. Ondertussen klaagt de bank in Engeland over de hoeveelheden geld die de bankpartner in Zwitserland uitgeeft! Vele, ook bevriende theologen, vinden het intussen “typisch Engels” om zo met het gedrukte woord te strooien. Daarbij val te denken aan de vele tractaat-  bijbel- en zendingsgenootschappen in Engeland, veelal door Evangelicals opgericht.

Eén van hen vaarschuwt zelfs: “Het ware evangelie is noch te vinden in karrevrachten of kisten, noch wordt het bereikt met geld en comitees”.

Martin vertaalde in de 16e eeuw rechtstreeks vanuit de Vulgaat. De Hugenoten gebruikten hiervan al de Franse versie.

Ook deze vertaling is tegen het zere been van het doorluchtige predikantencollege, dat immers zelf in 1805 een socianische vertaling het licht heeft doen zien. Ze verspreiden het bericht dat “de secte een bijbelvertaling uitgeeft aangepast aan hun eigen opmerkelijke inzichten”. Via een krant weerspreekt Drummond deze mening. Hij toont daarin ook aan hoe gemakkelijk het te bewijzen is dat degenen die de godheid van Christus loochenen blasfemisten zijn. Hij voegt er aan toe dat hij alle nieuwe bijbelvertalingen wantrouwt en de versie van de kerk van Geneve (1805) verfoeit.

“Zoals de kerk gekend wordt, zo gezond zijn de kerk en haar kudde. Zoals de bijbel wordt verborgen, zo verborgen zijn de kerk en haar leden”, aldus Drummond.

Het is ook in 1817 in Geneve als Drummond met pen en tong de strijd voert tegen de opnemen van de apocriefe boeken in de bijbel. Hij is ervan overtuigd dat de apocriefen niet alleen ongewenst, maar ook schadelijk zijn voor de lezers.

Ook in Engeland raakt hij vanwege dit standpunt dan ook verwikkeld in de apocriefencontroverse. The British and Foreign Bible Society, opgericht vanuit de Evangelische kringen in 1804 in Londen, was gericht op het verspreiden van de Heilige Schrift “zonder aantekeningen en commentaar”, zoals vermeld in de oprichtingsstatuten. Deze verspreiding van de bijbel richtte zich ook op het buitenland, waarvoor speciale vertalingen en edities in ruime omloop werden gebracht. (In 1827 al in 147 verschillende talen).

Bevreesd voor menselijke beïnvloeding van het woord Gods, het rationalisme, het socianisme en andere stromingen en gedachten die schadelijk en devalueerd zouden kunnen werken, verklaart het Britse Bijbelgenootschap nog in 1815 de bijbel te drukken exclusief de niet-canonieke geschriften.

 

Al op het Concilie van Trente, waar de uiteindelijke vorm der bijbelse canon wordt bepaald, is volgens de meer rechtzinnige reformatoren onrecht gedaan aan het zuivere woord van God door de apocriefen toe te staan.

De orthodoxe Calvinisten in Schotland en Engeland reageren dan ook furieus tegen elke vorm van toevoeging, annotatie, commentaar, inleiding of verklaring in één band met de bijbel. Uit Schotland komt in die tijd de uitspraak: “All Scotland would rise as one man against the Apocrypha”.

Door de anti-apocriefisten worden deze geschriften beschouwd als niet-geïnspireerd, bijgelovig, in tegenspraak met Gods woord, in tegenspraak met de canon en daarom verwerpelijk.

 

Zowel Robert Haldane in Montauban als Henry Drummond in Geneve werpen zich op als krachtige verdedigers van het “zuivere” woord. Het Bijbelgenootschap daarintegen ziet zich geconfronteerd met practische overwegingen. Om, juist op het contignent, ook de Grieks-Orthodoxe, de Rooms-Katholieke en bepaalde Protestantse kerken te bereiken is het noodzakelijk de apocriefe boeken aan de bijbel toe te voegen. Zo kan een betere aansluiting bij de in die kringen levende traditie van toevoeging der apocriefen worden gevonden.

Daar worden de aprocriefen als waardevol beschouwd, zoals Luther ook benadrukte.

 

Als Robert Haldane, terug in Londen vanuit Montauban, op het hoofdkantoor van de British Bible Society in augustus 1821 ontdekt dat, mede op zijn kosten, Franse vertalingen inclusief de apocriefen worden gedrukt, ontstaat een heftige polemiek. Ijn de volgende jaren wordt er in Engeland een bittere strijd gevoerd tussen voor- en tegenstanders.

Vanuit de burelen van het Bijbelgenootschap wordt geprobeerd de zaak te sussen met pragmatische argumenten. De tegenstanders waaronder Drummond en Haldane, blijven het Genootschap bestoken met petities, brieven en aanklachten.

Ondanks aanvankelijke beloften blijkt het Genootschap de apocriefen te blijven toevoegen. Landelijk vergaderingen waar bekende namen elkaar ontmoeten (Edward Irving, Thomas Chalmers, Robert en James Haldane en vele anderen), kunnen op een grote belangstelling rekenen. Voor Drummond en Haldane is de appel extra zuur omdat de Continental Society bijbels verspreidt die worden gedrukt door de Bible Society.

De Continental Society is medefinancier van het Bijbelgenootschap. De strijd zet zich zelfs voort op het continent waar mannen als Empaytaz, Pyt, Bost en anderen veel tijd en energie besteden aan de kwestie.

Het blijkt niet alleen een felle, maar ook een zeer langdurige strijd te zijn (1821-1830). Pas in 1850 treedt er een belangrijke verandering in wanneer er, na een “zuivering” in het Bijbelgenootschap, het besluit valt de apocriefen niet meer aan de bijbel toe te voegen.

 

De heikele kwestie is eigenlijk nooit tot een goed einde gebracht, doordat er zoveel bitterheid, verwijdering en controverse was ontstaan. In de loop van de strijd is bijna een hele bibliotheek over de zaak geschreven en dat veelal vanuit eeen polemische gedachte. Al in 1822 publiceert Henry Drummond: “Observations on Circulation of the Apocrypha”, in 1829 zijn  “Letter to Alexander Haldane, Esq., respecting the Septuagint”, waarin hij zijn canoniek begrip uitwerkt.

Robert Haldane heeft aan het eind van zijn leven spijt dat hij zoveel energie in de strijd heeft gestoken en dat er zoveel verbittering door is ontstaan. Henry Drummond zal er in zijn latere werkzaamheid in de Katholiek-Apostolische Gemeente mede voor zorgen dat deze de apocriefen als niet-canoniek volledig afwijst.

 

De al genoemde L.G. James, die de oorzaak is van Haldanes verblijven in Geneve, komt in 1818 naar Nederland omdat hij in Geneve weinig kans heeft op een aanstelling. In 1820 wordt hij benoemd als predikant van de Franstalige Waalse kerk te Breda.

Zijn enthousiasme, al bekend door zijn rol in het Geneefse Réveil, steeks zelfs Isaac da Costa aan. Deze spreekt over hem als “de van ijver brandende James”. Ook met Abraham Capadose heeft James goede contacten. Capadose wordt peet van James’ elfde kind. James behoort dus tot de eersten die het nieuws van het Geneefse Revéil en de verhalen over Haldane en Drummond in Nederland verkondigen.

 

Een opmerkelijke ontmoeting vindt in dezelfde tijd plaats als Francis Sitwell (1797 ‑ 1864) Genève bezoekt. Sitwell komt uit een oud adel­lijk geslacht waarvan het begin teruggaat tot in de Saksische tijden. Net als bij Henry Drummond, is hij ook van adel en overlijdt zijn vader als hij nog jong is. Al op jonge leeftijd beheert hij het kasteel, Barmoor Castle, in Northumberland, vlakbij de Schotse grens.

Zijn jonge jaren brengt hij op een actieve wijze door, hij besteedt veel tijd en inspanning aan de jacht en sport. Gods­dienst en geloof, zo vertelt hij in latere jaren, spelen in deze periode een ondergeschikte rol. Alleen uit plichtsbe­trachting bezoekt hij de kerk. Zijn opleiding valt op door zijn goede resultaten op het gebied van de talen. Latijn, Grieks, Frans en Spaans. Talen waarin hij ook later les­geeft. Op grond van zijn maatschappelijke positie en de fami­lietraditie dient hij in het Engelse leger als officier.

 

Jaren later bericht hij zijn zuster over zijn vroegere ontmoe­ting met Drummond. Aan Mary Tait ‑ Sitwell, gehuwd met de Aartsbisschop van Canterbury, Campbell Tait, schrijft hij, waarschijnlijk in het jaar 1847, hoe hij door het geloof gegre­pen wordt op een reis door Euro­pa: 'Je weet dat ik tot de kennis des Heren en Zijn waarheid ben gekomen in Genève...

Geen geestelijke kwam ooit tot mij om te zeggen: "Sir, weet u dat u verkeerd handelt?"... Niemand deed ooit een beroep op me berouw­vol te zijn omdat mijn zonden waren vergeven. Niemand predikte mij de vergeving der zonden... De Heer legde Zijn liefdevolle hand op mij op meerdere manieren en leidde me naar Geneve... en toen, op een gezegend uur, bracht hij Drummond, die het eenvoudige Evangelie predik­te. Mijn zonden werden vergeven in Jezus' naam, en ik zou van God een leugenaar maken als ik het niet geloofde... Vanaf dat moment veranderde Hij mijn hart... ik wilde mezelf in Zijn dienst stellen... Tot dat uur was ik een vossenjager, daarna werd ik een jager op men­sen.'

 

De verandering in Sitwells leven door de aanraking Gods en de prediking van Henry Drummond resulteren na terugkeer in Enge­land in gebedsbijeenkomsten op Barmoor Castle en een geeste­lijk opwekking aldaar.

In Londen bezoekt Francis Sitwell later de gebedsbijeenkomsten ten huize van J.B. Cardale. De vriendschap tussen Henry Drum­mond en Sitwell wordt ook in latere jaren voortgezet. Drummond bezoekt dan zelfs samen met Edward Irving Barmoor Castle.

 

Ondertussen blijft Henry Drummond naarstig het evangelie verkondi­gen in Genève en omgeving. Doordat hij steeds meer contacten in evangelisch- theologische kringen krijgt en bezoeken brengt aan andere steden, vooral in Zwitserland en Frankrijk, krijgt hij steeds meer oog en oor voor de geeste­lijke noden op godsdienstig gebied.

 

In Montauban is Robert Haldane op dezelfde wijze als voorheen in Genève bezig het socianisme, het rationalisme en de onkunde der geestelijkheid en studenten te bestrijden. Hij merkt in een latere brief op dat hij hier niet zo'n uitgelezen groep mannen ontmoet als in Genève.

Veel tijd en veel inspanningen kosten het drukken, uitgeven en verspreiden van vooral bijbels. Ook tractaten en theologische boeken worden door Haldane ingezet als wapen tegen het christelijk analfabetisme. Toch zoekt hij naar wegen en manieren om het werken effectiever te maken en het werkgebied uit te breiden. In Ferney en Genève spelen bij de inmiddels uit Rome teruggekeerde Henry Drummond dezelfde overwegingen.

 

De enthousiaste leden van de Bourg de Four‑gemeente zijn ondertus­sen al in Lausanne en Bern met succes werkzaam. De theologen uit deze kring worden echter door de officiële kerk niet erkend en krijgen op grond van het reglement van mei 1817 geen aanstelling. Het direkte gevolg van dit reglement is het beschikbaar komen en voorhanden zijn van een zeer grote groep enthousiaste, goed ge­schoolde en kundige predikers, ijverig en vervuld van hemelse geestdrift.

Terwijl Haldane, Drummond en anderen corresponderen over de oprich­ting van een genootschap ter verbreiding van goddelijke kennis over het Europese continent, stuurt Drummond in 1818 alvast op eigen kosten Ami Bost, uit de Bourg de Four‑kring, op zendingsreis naar de Franse Elzas. Een betere zendeling had Drummond nauwelijks kunen kiezen. Ami Bost is de zoon van een Geneefse Hernnhuter en bezocht de school van de Broedergemeente in Neuwied bij Koblenz. Hij organiseerde na zijn terugkeer in Genève bijbelkringen waaruit mannen naar voren kwamen die een rol in het Geneefse Revèil speel­den. De zendingsreis van Ami Borst heeft grote resultaten!

Hij is hiermee de eerste zendeling van de nog niet officieel opgerichte Continental Society.

Deze Continental Society for the Diffusion of Religious Know­ledge, zoals de officiële naam luidt, wordt opgericht in 1819 in Ferney van­uit de bovengeschetste gedachte het arbeidsgebied uit te breiden en effectiever te werken. Henry Drummond is de grote initiator en stimulator, Robert Haldane speelt ook een belangrijke rol. Andere leden van de Geneefse Bourg de Four‑gemeente zijn enthousiaste medewerkers.

Nog vele jaren zal Drummond grote sommen gelds schenken om het werk van dit genootschap te ondersteunen.

Over de doelstellingen van de Continental Society staat te lezen in het eerste rapport (First Report of the Continental Society, 1819): 'Het genootschap is opgericht om het nog steeds aanwezige ongeloof in Frankrijk en Italië, en het socianisme in de Geneefse kerk te bestrijden. Verder de bestrijding van de verspreiding van de Toulouse‑editie van de bijbel, die voorzien van de apocriefe boeken wordt verspreid in Frans Gereformeerde kerken in Zwitser­land, Frankrijk en Nederland. Andere bedreigingen die moeten worden weerstaan zijn de infil­tratie van de zg. Duitse neologie in de grote Duitse universi­teiten en de ontwikkeling van een mystiek spiritisme onder de ongeletterden.'

Hoofdmotief van het genootschap is echter: 'De verkondiging van de komende Dag des Oordeels, die, op zeer korte termijn, aanstaande is!' Dit hoofdmotief is terug te voeren op een combinatie van de praktische 'Evangelical'-gedachte, het in deze tijd sterk in de belangstelling staande millenialisme en de hernieuwde belangstel­ling voor de profetische geschriften (Vnl. Daniël, Openbaring).

De gedachten van de Continental Society worden later (1826) door Irving verwoord in zijn boek "Babylon and Infidelity Foredoomed", vooral gericht aan de "warrige Duitsers, de flegmatise Hollanders en de harde Zwitsers".

 

In Engeland bestonden, of werden gesticht, verenigingen die zich ten doel stelden de evangelisatie over de wereld te brengen. Naast de Continental Society voor de zending op het vasteland van Europa, bestond ook het eerder opgerichte Missionary Society.

In 1801 kwam Joseph Frey met Palm en Ulbricht (over de laatste twee is niet meer bekend) vanuit Berlijn naar Engeland om een bijeenkomst bij te wonen van de toenmalige “Missionary Society”. Dit gezelschap was opgercht in 1795.

Later werd de naam gewijzigd in “The London Missionary Society”. Het viel Frey op hoe de Joden in Londen leefden en hij begon met evangeliseren onder hen. In 1805 zocht hij aansluiting bij de “London Missionary Society” en stichtte een school voor Joodse kinderen. Later werd een oude Franse kerk in gebruik genomen die de naam van “The Jews Chapel” kreeg, om lezingen en diensten voor Joden te houden. Namen van mannen die in deze dienst voorgingen zijn o.a.

J.W. Cunningham en W. Marsh, namen die we ook weer later tegen komen..

Weer wat later werd de “Palestine Place” gehuurd voor de duur van 99 jaar. Hiervoor werd op 7 april 1813 de eerste steen gelegd door de Duke of Kent in het bijzijn van o.a. William Wilberforce en Lewis Way.

Op 16 juli 1814 werd dit kerkgebouw, dus speciaal voor christelijke Joden, geopend.

Toen op 14 maart 1815 een nieuw reglement werd opgesteld werd de Society een onderdeel van de Church of England.

 

De levensloop van Lewis Way is opmerkelijk. Hij beschikte over weinig geld. Op een dag passeerde een Mr. John Way het huis van Lewis Way en zag zijn (achter)naam op de deur staan. Lewis en John Way maakte kennis met elkaar en toen de oude man overleed liet hij Lewis een fortuin na van 300.000 pond met de bepaling deze te gebruiken voor de eer van God.

Lewis Way hoorde dat er een Society was om het evangelie onder de Joden bekend te maken. De Society verkeerde in geldnood. Way doneerde 20.000 pond met de bepaling dat het oude bestuur moest aftreden en het hele beleid aan de kerkmensen overgedragen zou worden. Dat werd geaccepteerd.

Zelf nam Way zestien Joden in zijn huis op, onderwees en doopte hen. In 1817-1818 kwam Way op eigen kosten naar het vasteland en bezocht o.a. Nederland waar hij een geopend oor vond. Het merendeel van de Joden in Nederland waren arm. Slechts enkelen werkten als bankier of waren rijke kooplieden.

Way is ook de inspirator tot de bouw van een kapel en daarnaast een instituut. Christen-evangelisten en bekeerde Joden ontvangen aan het instituut, gevestigd aan de Randolph Street, een opleiding tot zendeling.

Ook een weeshuis voor Joodse kinderen behoort tot het complex. Drummond, als Réveil-man, is natuurlijk zeer betrokken bij dit gebeuren, zowel als bestuurslid als in praktische kwesties. Ook financieel laat hij zich van zijn positieve kant kennen.

 

De komst van Joden in ons land valt in twee perioden te verdelen. De eerste periode is rond de negentiende eeuw, ze zijn dan vooral te vinden in Vlaanderen, Brabant en Gelderland. Rond 1370 werden ze verdreven.

De tweede golf is aan het einde van de zestiende eeuw. De toen opgerichtte Republiek der Vereenigde Nederlanden  was een veilige haven voor de Joden uit Spanje tijdens de gruweldaden van Philips II en de fanatieke Mary van Engeland. Deze asylzoekers waren meestentijds Marranos of  “Nieuwe Christenen”. Hun voorouders in Spanje hadden voor de schijn, uit lijfsbehoud, het christendom aangenomen.

Voor hun nazaten, die de wijk uit Spanje namen waren de Europese grenzen gesloten of het verblijf in die landen was niet gunstig. Dat in tegenstelling tot de Republiek der Vereenigde Nederlanden waar ze zich vrijelijk konden vestigen.

De eersten kwamen hier rond 1590 en in Amsterdam werd in 1598 een synagoge opgericht. Deze stad werd niet voor niets “Nieuw-Jeruzalem” genoemd. Volledige burgerrechten werd in 1619 verkregen. Bekende namen waren o.a. Uriel Da Costa

(een voorvader van de latere Isaac da Costa) en Baruch Spinoza.

Willem van Oranje ontving van de jood Baron Suasso een miljoen gulden om de invasie naar Engeland te kunnen financieren.

Tussen de Askenazie joden, die later vanuit Duitsland vluchten, en de aristocratische Sefardim gaapte een diepe afgrond.

Uiteindelijk beliep het aantal joden in Nederland zo’n 100.000 peronen waarvan er ongeveer 75.000 in Nederland woonden. Nu zou het een onbeduidend aantal zijn geweest, maar het Nederland van die dagen telde ten hoogste 2 ½ miljoen inwoners.

 

In Rotterdam, waar Lewis Way en zijn helpers aankwamen, maakten zij kennis met een jood met de naam Erasmus, genoemd dus naar de grote humanist. Deze bracht hen in kennis met de hoofdrabbijn in die plaats, maar ondanks het werken van Lewis Way lukte het niet de rabbijn te overtuigen. Hij noemde het Nieuwe Testament een “onheilig ding”.

Anders was zijn broer in Den Haag, ook rabbijn, die het Nieuwe Testament wel aanvaardde.

Maar, zoals al geschreven, de grootste concentratie Joden was te vinden in Amsterdam. Velen van hen accepteerden de christelijke boeken en twee drukkers wilden de traktaatjes van de Society drukken op eigen risico.

In 1822 werd een kapel opgericht met A.S. Thelwall als voorganger en als assistent E.H. Simon die het Nederlands goed beheerste. Door de Society werd veel gedaan om de Joden met het evangelie bekend te maken. Ze werden daarbij krachtig ondersteund door Isaac da Costa en Abraham Capadose. Op hen komen we later terug.

 

Rond die periode werd ook de vijfde conferentie van de Society gehouden in de Freemasons-Hall met bekende sprekers die we ook weer ten dele bij de Albury-conferenties vinden zoals William Wilberforce, Lord Calthorpe, John Owen en J. Haldane Stewart.  

Overigens zijn da Costa en Capadose later, rond 1851, in dezelfde Freemasons-Hall te vinden waar ze spreken voor de Evangelische Alliantie en ook weer over de evangelisatie onder de Joden. Da Costa schreef er een verslag over onder de titel

“Een-en-twintig dagen te Londen”, (Amsterdam, Höveker, 1852)

In 1823 was Henry Drummond vice-voorzitter van de Society. Sprekers voor de Society waren in die periode (1820-1829) o.a. de al genoemden Lewis Way en William Wilberforce, Henry Drummond en Edward Irving.

 

Joseph Wolff werd geboren in 1795 of 1796 in Weilersbach, destijds een klein plaatsje in Beieren. Zijn vader was rabbijn van de stam Levi.

Na vele omzwervingen, waaraan we nu voorbijgaan, kwam Wolff terecht in het Vaticaan bij de Congregatie voor Propaganda, om daar opgeleid te worden. Door zijn onafhankelijke opstelling maakte hij zich daar niet geliefd.

Zo zei hij dat de kerk niet het recht had om mensen te verbranden, zoals in de middeleeuwen was gebeurd. De rector vroeg:

“Hoe wil je dat bewijzen, Wolff?”. Wolff antwoordde: “Dat is duidelijk. Gij zult niet doden”.

Waarop de rector: “Mag een herder een wolf doden als deze de kudde aanvalt?”. Wolff: “Een beest is geen mens”.

De rector: “Zeventien pausen hebben het zo geleerd”. Wolff: “Dan hebben zeventien pausen het verkeerd gedaan”.

Tijdens deze hele conversatie stonden twee mannen in de deuropening: Henry Drummond en Hallyburton, de latere Douglas of Edinburgh. Ze kwamen brieven brengen aan Wolff van o.a. Pestalozzi en Felleburg vanuit Zwitserland.

Wolff ontving in die tijd ook veel bezoek van zijn vrienden zoals Niebuhr, Bunsen en Brandis, bepaald geen aanhangers van de R.-K. leer. Uiteraard werd Wolff’s positie bij de Congregatie voor Propaganda onhoudbaar.

Wel waren de leerlingen en opleiders amicaal tegenover hem. Op een dag zonden ze hem een grote taart die hij mee nam naar zijn kamer. De volgende morgen nodigde hij zijn vrienden uit, de Duitse artiesten, katholiek en protestants, en gebruikte met hen het diner met de taart. Buiten stonden de leerlingen en leraren zich te verbijten omdat hij de taart verorberde met ketters.

 

Op een avond arriveerde bij Wolff een brief van Henry Drummond waarin deze  schreef: “Wolff vlucht uit Babylon”.

Wat noch Wolff noch Drummond wisten was dat de post gecensureerd werd. Nu werden ’s avonds, na het avondgebed, alle deuren van de kamers van de leerlingen afgesloten.

Wolff schreef een brief aan kardinaal Litta met o.a. daarin de opmerking: “De protestanten van Duitsland hebben gelijk, de Congregatie voor Propaganda zit verkeerd”. Aan een vriend schreef hij: “Als Christus niet voor iedereen de dood inging, hoeft niet iedereen hem te aanbidden”.

De volgende dag kwam Litta naar Wolff’s kamer, zei dat hij de brieven gelezen had, en dat het grootste gedeelte onzin was.

In dezelfde tijd ontving Wolff brieven van Testa, de privé-secretaris van de Paus, waarin deze hem schreef dat hij in gevaar verkeerde. Tevens schreef Testa aan Litta waarin deze vroeg Wolff te beschermen.

Litta antwoordde: “Dat kan ik niet langer”.

Enige dagen daarna kwam een kleermaker naar Wolff’s kamer en nam zijn maten, een schoenmaker kwam en mat de maat van zijn voeten, een hoedenmaker kwam en nam de maat van zijn hoofd. Wolff wist niet wat er gaande was.

Op 15 april 1818 stuurde Kardinaal Litta Wolff een briefje met de vraag om hem te ontmoeten.

Tijdens dze ontmoeting zei Litta: “Jouw gevoelen, mijn beste Wolff, zijn nu bekend”. Al zijn brieven aan o.a. Bunsen waren gelezen. “Ik heb dat doorgegeven aan Paus Pius VII. Deze zei dat je verwijderd moet worden. Je moet terug naar Wenen. Hier zijn twee brieven, één voor Kardinaal Lanta in Bologna en één voor graaf Leardi, de pauselijk nuncius in Wenen. Nu moet je met iemand naar een huis waar je moet blijven tot je uitgezet wordt”.

In dat huis vond Wolff de kleding en schoenen waarvoor de maten genomen waren. Daarna verliet hij het huis onder begeleiding van een heer die in werkelijkheid lid van het Heilig College, m.a.w. de inquisitie, was.

Onderweg ontmoette hij Bunsen waartegen hij zei dat hij onderweg naar de inquisitie was. Bunsen rende naar Niebuhr en vertelde hem dat.

Wolff werd naar monsigneur Degeler gebracht, de advocaat van het Heilig College. Hier werd hij vijftien uur onder arrest geplaatst en mocht zijn vrienden niet ontmoeten.

Om 3 uur ’s morgens kwam een koerier van het kabinet van de Paus, geëscorteerd door 25 leden van de Zwitserse garde om hem buiten het Vaticaan te zetten.

 

Toen hij buiten op straat was ontmoette hij een Engelse dame. Wolff vroeg haar of ze Henry Drummond kende. Dat was inderdaad het geval, ze was speciaal gestuurd om hem op te vangen. Ze bracht hem naar het huis van een Prof. Levade en zei: “U moet naar Engeland gaan. Henry Drummond wacht op u. Wij zullen alles nazenden”.

De naam van de Engelse dame was Greaves. Ze was een zuster van de man die negen jaar eerder miss Fancourt, die bedlegerig was, in de naam van Jezus bevolen had om op te staan en te gaan lopen.

Allen vertrokken naar Lausanne waar ze iemand ontmoette van de Whitchall Chapel, ds. Thomas Jones, die met Wolff naar Engeland zou gaan.

In juli 1819 arriveerden ze in Geneve waar Jones, samen met Wolff, een ontmoeting had met zijn oude vrienden Empaytaz en Madame d’ Armnaud die hij via Madame de Krüdener in 1816 had leren kennen.

Samen met Jones kwam Wolff in Parijs aan waar hij Robert  Haldane leerde kennen.  Tussen Jones en Haldane boterde het niet zo goed.

Daarom werd besloten dat Wolff met Robert Haldane en zijn vrouw, naar Engeland zou vertrekken. Zo reisden ze samen naar Calais en vandaar naar Dover. Wolff reisde door naar Londen.

Daar begaf hij zich naar Charing Cross waar dus Drummond’s bank gevestig was. Drummond bracht Wolff onder bij een mrs. Stennet en een week later in zijn eigen residentie, England House, Kensington.

Bij Drummond thuis maakte Wolff kennis met Lewis Way en Simeon. Er groeide een hechte, levenslange vriendschap tussen Drummond, Wolff en Way.

Samen met Drummond bezocht Wolff enige kerken, maar niets kon hem boeien. Tenslotte zei Drummond: “Wolff, ik zie wat je nodig hebt”, en bracht hem naar de Joodse kapel op Palestine Place, Bethnal Green Road.

Dat beviel Wolff beter en zo werd hij lid van de Church of England, maar voelde zich niet gebonden. Hij ontving de sacramenten van een Dr. Steinkopf in de Lutherse Kerk en de volgende zondag van een dienaar van de Church of England.

 

Wolff  zou tot missionaris opgeleid worden in Stansted Park te Cambridge. Daar leerde hij velerlei op het gebied van het missiewerk. Tijdens deze studie maakte Wolff kennis met een man met de naam La Roche. Deze arriveerde in Cambridge zes weken na Wolff. Van hem leerde Wolff het e.e.a. waaronder Arabisch, Perzisch en Chaldees.

De totale opleiding zou twee jaar duren maar werd veel langer dan de tijd die voorgeschreven was. Dit tot grote ergernis van Drummond die hem schreef:

“Mijn beste Wolff,

Het doet me pijn dat je zolang bij de London Society for promoting Christianity among the Jews blijft. Wat kan je van hen leren dat je zelf nog niet weet? Zeg hen dat ze je onmiddellijk moeten uitzenden en als ze dat niet willen, doe ik het zelfr. Bij de Church of England heerst net zoveel trots als bij de Kerk van Rome”.

Wolff’s antwoord

“Mijn beste vriend,

Ze willen dat ik hier nog iets langer blijf, zodat ik meer over de wereld weet. De Society is tot nu toe teleurgesteld over elke Jood die uitgezonden werd. Eén werd Mohammedaan, een ander een dief en een derde een zakkenroller. Ik blijf hier om ze te laten zien dat er ook eerlijke Joden zijn. Ze willen me na enige maanden met Lewis Way wegzenden om de wereld beter te leren kennen”.

Wolff wilde Stansted dus nog niet verlaten en voerde als argument aan dat hij zichzelf nog niet kon scheren, thee zetten enz. Hij schreef dat aan Drummond en Way. Drummond schref daarom aan de Society: “Het is inderdaad een Joodse Society! Oog om oog, tand om tand. Ik sta niet toe dat jullie Wolff nog langer houden. Ik zend hem zelf uit”, en aan Wolff zelf:

“Je bent al net zo groot in kennis als mijn vrienden Lewis Way en Charles Simeon. Wat kan je over de wereld leren in Stansted Park? Kennis over de wereld kan je alleen leren in de wereld”.

 

Om te oefenen trok Wolff naar Portmouth om voor de Joden te prediken, waarvoor hij een briefje zond aan Way:

“Beste Mr. Lewis Way, ik weet dat het misschien tegen de regels is als ik je vertel dat ik ga prediken voor de Joden nin Portmouth. Ik ga daarheen zonder je toestemming”.

 

Nu ging de Society overstag en stuurde Wolff naar Gibraltar en Malta. Voor Gibraltar scheepte hij in op 17 april 1821. Na twee maanden trok hij naar Malta waar hij contact opnam met Cleordo Naudi, agent van het Britse bijbelgenootschap en de Society. Deze had al vele bijbelgedeelten in het Maltees vertaald. In 1816 had Naudi kennis gemaakt met Henry Drummond die toen op Malta was. Drummond had steeds contact met hem gehouden. Om kort te gaan: in 1835 vertrok Naudi naar Engeland, sloot zich daar aan bij de Katholiek-apostolischen en ging als evangelist naar Malta terug, waar hij overigens kort daarna overleed.

 

Terug naar Wolff’s bezoek op Malta in 1821, waar Naudi alle tijd had om hem bij te staan. Mr. Joseph Greaves stuurde Wolff naar een rijke jood, Ben Simra, die net bezig was in zijn warenhuis temidden van vele Joden en Engelsen. Toen verteld werd wat Wolff kwam doen, was zijn reactie negatief en toen Wolff verzocht om in de synagoge te mogen prediken werd hem dat geweigerd. Een slecht begin voor zijn missiewerk. Later vinden we Wolff terug in Arabië en in de Sinaï. Hier vandaan schrijft hij brieven aan Drummond en Bayford. Veel van deze correspondentie staat afgedrukt in het boek

“Travels and adventures of the rev. Joseph Wolff …late missionary to the Jews and Muhammadans in Persia, Bokhara, Cashmer etc.” , London,  1861.

 

Toen Wolff, tijdens een “tussenstop” in Londen arriveerde zocht hij contact met Edward Irving. Over Irving had Chalmers gezegd: “Hij is net zoals de zon die zijn licht verspreid”. Het was negen uur ’s avonds en de Irving’s waren niet thuis. Een achtergelaten briefje zei hem dat hij hen kon vinden in het huis van Lady Olivia Sparrow.

Dat was de eerste keer dat Wolff voorgesteld werd aan Lady Georgiana Walpole, dochter van de Earl Sparrow. Zij trouwden in februari 1827, waarbij Wolff ook het Britse staatsburgerschap ontving.

Tegen elf uur vertrokken de Irvings en Wolff naar huis. Wolff zei tegen Irving: “Ik kan mezelf niet scheren, kan je me morgen een barbier wijzen?”. “Hoe laat”, vroeg Irving. “Om zeven uur”, was het antwoord.

De volgende morgen om zeven uur werd er op Wolff’s deur geklopt. Toen hij “binnen” riep trad Irving in de kamer met de uitrusting van een barbier. Irving schoor hem met vaste hand, vele dagen lang.

Korte tijd daarna wandelden Wolff en Irving in de nabijheid van Oxford Street, waar voor de etalage van een boekhandel een kleine oploop was. In de etalage stond een karikatuur waarop Irving te zien was terwijl hij een wolf stond te scheren. Dat tot groot ongenoegen van Irving.

 

Wolff en Lady Georgiana waren dus in februari 1827 getrouwd, in april vertrokken zij naar Amsterdam om het evangelie onder de Joden te prediken. Ook maakte hij hier kennis met da Costa en Capadose. Wolff doceerde aan het Athenaeum van Amsterdam en de universiteiten van Utrecht en Leiden. In Amsterdam zocht Wolff ook contact met een vooraanstaande Joodse advocaat, lid van de gemeenteraad, die echter niets van het christendom wilde weten. Daarop vertrok Wolff met Lady Georgiana naar Zeist waar hij een ontmoeting had met Mr. Reichardt, misionaris van de London Jew’s Society. In Zeist bevind zich de Hernnhüter Gemeenschap (Broedergemeente) waar mannen en vrouwen tot op heden gescheiden leven. Samen met Reichert bezochten ze enige kerkdiensten van de Hernnhüters.

Korte tijd later nodigde Drummond Wolff en Irving uit voor een conferentie op Albury Park, nabij Guilford in Surrey.

Daar werd geconfereerd over het komende Rijk Gods en het herstel van Israël.

De dialogen die daar gevoerd werden, werden gebundeld. De sprekers hanteerden fictieve namen. Zo was Wolff “Josephus” en Irving “Athanasius”.

 

We zullen Wolff niet verder volgen op zijn verre reizen. Het “spreken-in-tongen” heeft hij nooit kunnen accepteren en hij is ook, evenmin als Lewis Way, meegegaan in het katholiek-apostolische werk. De vriendschap echter tussen Drummond, Irving nog de korte tijd die hij daarna leefde, en Way heeft altijd voortgeduurd.

 

Na dit “intermezzo” terug naar waar we gebleven waren. De werkwijze van het Continental Society bestaat, vooral in de aanvangsperiode, uit het opleiden en begeleiden van zende­lingen, die, voorzien van introductiebrieven en benodigde gelden, tractaten en bijbels, naar een bepaalde streek of stad worden gestuurd. Eén van de eerste vertegenwoordigers van het genootschap is Méjanel. Zijn arbeid in Parijs en enige andere streken in Noord‑Frankrijk wordt rijk gezegend. Het aantal uitgezonden zendelingen neemt snel toe: Henri Pyt, Felix Neff, Guers, Porchat en vele anderen.

 

In 1820 staat in het tweede rapport van de Continental Society een lijstje afgedrukt met daarin de namen van het bestuur. Enige bekende namen daaruit: Sir Thomas Baring, M.P., presi­dent; Henry Drummond en Lewis Way als twee van de zes vi­ce‑presidenten; John Bayford en Joseph Wolff als leden van het bestuur. Een nadere omschrijving van de taakstelling is ook in dit rapport te vinden: 'Het aan het licht brengen van de verdorvenheden van het Christen­dom', waarvoor het noodzakelijk is een totale stilte te bewaren omtrent de namen van personen en plaatsen om leden en vertegenwoor­digers van de Society niet in gevaar te brengen. Onder het hoofd­stuk­je 'Bepalingen' staat te lezen: 'Onderwerp van het genootschap is het assisteren van de plaatselijke predikanten bij het verbrei­den van het Evange­lie, het verspreiden van bijbels, testamenten en andere reli­gieuze publicaties over het continent van Europa, maar dit alles zonder de achterliggende gedachte om enige afgescheiden richting of secte op te richten.' Het bestuur zou maandelijks bijeenkomen op een plaats 'in of nabij Londen'.

 

 Niet alleen Franstalige gebieden worden door de zendelingen van de Continental Society bezocht. Vanuit Londen worden in de volgende jaren veel, later bekend geworden, mannen uitgezonden naar ver­schillende landen van het Europese continent. In Hamburg werkt Johann Gerhard Oncken. Op 8 augustus 1823 schri­jft hij aan Drum­mond:

'O Sir, als u met eigen ogen zich ervan kon overtuigen hoe treurig de omstandigheden hier zijn, dan wist ik zeker dat u uw ziel geen rust meer zou gunnen alvorens u alles had gedaan om deze arme zondaars tot Christus te brengen.'

Oncken arbeidt hierna met grote zegen in de Duitse Innere Mission (Inwendige Zending). Zijn opvolger J.H. Wichern is de oprichter van het in Hamburg zo bekende 'Rauhe Haus', een opvoedingstehuis voor verwaar­loosde kinderen.

Carl von Bülow wordt in dezelfde tijd door de Continental Society naar Denemarken gestuurd om ook daar 'inwendige zen­ding' te bedrij­ven.

 

Nadat Henry Drummond mee heeft geholpen de Continental Society op te richten, ziet hij minder reden om voortdurend op het Europese continent aanwezig te zijn. Bestuur en organisatie van het Vastelandsgenootschap kunnen immers ook vanuit Engeland ter hand worden genomen. Henry en Henrietta gaan daarom in 1819 terug naar hun vader­land. Ze bezitten een huis in Londen, Belgrave Square. Daarnaast koopt Drummond van Charles Wall een landgoed in Albury, 30 kilometer ten zuiden van Londen gelegen. Op die manier kan hij zowel in Londen, 'where it all happens', als op het rustige platteland van Surrey zijn.

Hij laat het landhuis in latere jaren door de beroemde archi­tect Augustus Welby Northmore Pugin, om het aan te passen aan zijn voorliefde voor de gotiek, volledig verbouwen en renove­ren. Het verbouwingsplan blijkt zo ambitieus te zijn dat de zoon van Pugin het pas in de vijfti­ger jaren afkrijgt. De bij het landgoed beho­rende tuinen en landerijen worden gereorgani­seerd en door tijdgeno­ten uitzon­derlijk bewonderd om de goede verhoudingen, prachtige aanleg en interessante inrichting. Tot voor enkele jaren waren de gebouwen in Albury in handen van de Trustee’s van de Catholic Apostolic Church, maar nadien aan een,  ons onbekende, verkocht.

 

Door de aankoop van Albury Park komt Drummond ook in het bezit van een oud Saksisch kerkje, één van de oudste in Engeland, Albury Old Parish Church. Het staat op enige tientallen meters van het land­goed. In latere jaren laat hij daarin een familie­tombe bouwen. Tevens wordt hij grootgrondbezitter en drager van de titel High Sheriff. De vele landerijen worden verpacht aan boeren. Al in 1819 krijgen deze allemaal een stukje grond voor zichzelf, in die tijd een ongehoord fenomeen, wat dan ook in alle biografieën vermeld staat.

Onder de plaatselijke bevolking staat hij bekend als een misschien wat autocratische, maar genereuze en rechtvaardige landheer. 

 

Drummond speelde binnen het Continental Society dus een vooraanstaande rol. In de Theologische Literatur Zeitung van 18 februari  1829 blijkt dat ook, er staat in dat blad een jaaroverzicht van de Continental Society (dat in dit stuk vertaald werd in “Continentaal genootschap”) over 1827-28, waarin ook blijkt welke rol Drummond binnen dat genootschap speelde.

“Het doel van dit genootschap is om een levend christelijk geloof in de katholieke en protestantse landen op het vasteland van Europa te verbreiden. De middelen van het genootschap zijn, om redenen die we verderop zullen verklaren, beperkt. De inkomsten over het jaar 1827-1828 bedroeg 2649 pond, d.w.z. 784 pond meer dan het jaar daarvoor.

Het genootschap heeft, met zeer matige salarissen, enige colporteurs en bijbellezers in Frankrijk, drie agenten in Duitsland die zich in het Rijnland, in Hamburg en Hannover bevinden, en een agent in Noorwegen. De werkzaamheden bestaan uit het voorlezen uit de heilige Schrift, het verdelen van traktaten en het houden van lezingen. Vanuit Frankrijk bevat dit verslag meerdere bemoedigende berichten. Een geestelijke schrijft b.v.  “U zult zeker met genoegen vernemen dat nog steeds enige katholieken in mijn omgeving opgewekt worden. De uitdeling van de heilige Schrift werd steeds omvangrijker. Bijzonder opvallend is de geestelijke beweging in Parijs, waar meerdere personen uit de hogere stand opgewekt worden. Men bemerkt de voortgang van de verbetering”.

De colporteurs vinden steeds meer toegang in de huizen en de mensen laten zich in veel gevallen, en ook na de vele aanvallen van de Rooms-katholieke priesters, niet verhinderen om te komen als de reizende prediker het evangelie uitlegt. – De agent in Hamburg is bijzonder ijverig geweest in het prediken van het evangelie aan de zeelieden aan boord van de schepen, en door het stichten van een Zondagsschool.

De agent  in het gebied van Hannover is wegens het uitdelen van traktaten opgepakt en gevangen gezet. – In Noorwegen werkt een zekere heer van Bülow in dienst van het genootschap. Hij heeft een avontuurlijk plan aan de leden van het genootschap voorgelegd en verdedigd, om een eigen schip op te tuigen en dan naar de Noorse eilanden tot aan de Noordkaap te zeilen, bijbel en traktaten te verdelen en met de mensen te spreken.

Het is niet te begrijpen waarom hij niet over het vasteland van Noorwegen wil reizen, waar hij met minder kosten hetzelfde doel –dan wel niet bij de eilandbewoners- dienen kan. Er werd gezegd dat het volk op de eilanden over de heilswaarheden zeer onwetend zijn. Zelfs herleven daar de oude dagen, de tijd waarin afgoden aanbeden werd. Iets wat door andere bronnen zeer bestreden wordt.

De geest waardoor het genootschap werkt is niet helemaal zuiver. Haar leden hebben ten dele zeer eenzijdige denkbeelden. Enigen zijn tegenstander van de kinderdoop en ook enige van haar agenten in Frankrijk droegen ideeën uit die tegengesteld zijn aan die in de gehele christelijke kerk, waardoor in vele protestantse gemeenten in Frankrijk splitsingen en onrust veroorzaakt werd. Maar nu zouden deze agenten door het genootschap ontslagen zijn.

Enige leden en ook agenten richten zich op het separatisme. Over het algemeen maken zij zich schuldig aan een te snel oordeel over hen die nog niet tot een volkomen christelijk geloof en christelijk geloof gekomen zijn en omdat ze er niet aan denken om de christelijke elementen, die ook bij de minder gelovige christenen aanwezig zijn, vreugdevolle erkenning te schenken. Zo stellen ze in de regel de toestand op het continent, in betrekking tot het christendom, slechter voor dan het in werkelijkheid is.

Elke nieuwe opmerking van een reizende Engelander over het houden van de sabbath op het vasteland, is voor hen een bevestiging van hun meningen. Daarbij komt dat in de laatste tijd enige leden van het genootschap, ook in openbare bijeenkomsten, de overdreven verdedigers zijn van een volkomen Calvinisme en een, daarmee in verband staande, eigen uitlegging van de profetieën brengen. Deze profetische theologie hebben ze openbaar gemaakt in het werk: “Dialogues on prophecy”, London, 1828, 2 delen.

Het grondidee is de volgende: God heeft, uit vrije willekeur, het volk Israël verkoren om Hem voor alle overige volken te verkondigen. Toen ze de Messias niet aannamen verloren ze, nadat het strafgericht bij de verwoesting van  Jeruzalem over hen gekomen was, voor een tijd dit voorrecht aan de heidenen (Rom. 11), en zij die de vrije genade aannamen, werden zalig. Aan het einde echter zal over de massa der heidenen, nadat dus enigen zalig geworden zijn, net zulk een strafgericht aanrichten als over Israël. Deze gegevens zijn te vinden in Luc. 21, 24.

In die tijd wordt dan het volk van Israël naar Palestina gevoerd, waarbij Christus persoonlijk vooraan gaat. Er volgt dan een wonderbare bekering van het volk en de stichting van een zichtbaar Rijk van Christus op aarde.

Ook in dit jaaroverzicht spreken enige leden, met zure gezichten en strengheid, deze Calvinistische ideeën uit.

Zo in het bijzonder de rede van de bankier H. Drummond die zei: “Het doel van dit genootschap is, predikers in het hart van de christenheid te brengen, om hen te zeggen dat zij Christenen zijn. Dat klinkt hard in de oren van hen die zich niet alleen als christenen beschouwen, maar ook van hen die het voorrecht van zaligheid hebben. Maar niet alleen hen zal deze boodschap gebracht worden, maar ook aan hen die in het protestantse ongeloof verzeild zijn geraakt. Ik spreekt hiermee niet volgens de ideeën van het genootschap, maar wel volgens mijn eigen rotsvaste overtuiging, als ik zeg, onze agenten moeten uitspreken dat Babylon niet geleerd moet worden, maar verdoemd. We moeten daarom iedereen oproepen om uit haar te vluchten, om niet met haar verdoemd te worden. Een andere misvatting waartegen ons genootschap op te treden heeft, is de zonde zich met Socianer, Arianer en ongelovigen te verbinden, om dat te propageren wat zij religieuze doelen noemt. Ik wil hier niet mijn eigen argumenten naar voren brengen, de Schrift moet spreken. Josafath was een vrome koning, het afgoden dienende Israël vroeg hem, hun tegen hun vijanden bij te staan, hij deed dat, en toen hij terugkwam, vroeg de profeet van de Heer aan hem: “Moest je de goddelozen helpen en liefhebben, hen die de Heer haat? Daarom is de Heer vertoornt over je”. Toen Cherubabel een tempel voor de Heer bouwen wilde, kwamen de inwoners van het land naar hem toe en zeiden: “Laat ons met u samen bouwen, dan zoeken wij de Heer net als U”. Maar hij zei:

“Jullie heben niets daarmee te doen om voor de Heer een huis te bouwen”.

Dat werkte er aan mee dat ze zich tegen hem verzetten. Ik ben van mening dat het een werkelijke plicht van onze agenten is, hen als ongelovigen te behandelen en te zien, die de Engelse kerk in een ander licht voorstellen. We hebben voor alles elke vezel van het ongeloof te bestrijden, des te meer, omdat het ongeloof zelf zich steeds meer verbreidt. De grondslag waarop de universiteit in Londen  rust, is het ongeloof. Ik weet dat enkele vrome mannen hulp geboden hebben, maar dat zegt niets om de grondslag waarmee ze opgericht is, als ongelovig te verklaren. De opleiding, zoals die daar gegeven wordt, is niet op God’s woord gebaseerd, daarom moet het geheel een ongelovig werk zijn. (Luid bijval vanuit de zaal en het podium). Ik ken een vroom man die zei:

Hij is er voor om een blok aan hun roer te zijn, men had gevraagd deel te nemen om door zijn votum de vota van de ongelovigen te overstemmen. Deze  man antwoordde ik: “Het woord Gods zegt mij niet om een blok aan het roer der ongelovigen te zijn, maar om van hen uit te gaan en zich van al te onreine te scheiden.”

In dezelfde wijze praat de geestelijke heer MacNeile, die niet genoeg zeggen kan, hoe noodzakelijk het is een voortdurend prediken van de Calvinistische verkiezingsleer. Onder de redenaars van deze jaarvergadering is ook Dr. Bialsoblossky uit Göttingen, die in zijn bijdrage opmerkzaam maakt, dat men in de verschillende graden van het ongeloof niet alleen een afzinken maar ook een voortgang bemerken moet. Deïsten, Unitariërs, Arminianen zijn niet alleen afgevallenen, maar ten dele ook zich verheffende Christenen, want het gebeurt dat in onze tijd de huidige Arminianer eens Unitariër, de Unitariër Deïst, en de Deïst atheïst was.  .   

      

Vanuit Albury, dus het leven van een landheer en groot­grondbezitter leidend, houdt Henry zijn vele contacten in de evangelische wereld aan. Hij reist nog wel eens naar Europa, correspondeert met de vele zendelingen van de Conti­nental Society, probeert internatio­naal om plaatselijke voor­gangers te stimuleren en financiert vele projecten. De eerder begonnen vriendschap met Joseph Wolff wordt voortgezet.

 

 

Naast de bovengenoemde Londense kapel ontstaat in Engeland een instituut. Christen‑evangelisten en bekeerde Joden ont­vangen aan het instituut, gevestigd aan Randolph Street, een opleiding tot zendeling.

Een weeshuis voor Joodse kinderen behoort ook tot het complex. Drummond, als Réveil‑man, is natuurlijk zeer betrokken bij dit genootschap, zowel als bestuurslid als in de practische kwes­ties. Ook financieel laat hij zich van zijn positieve kant kennen.

 

Als Henry Drummond in 1819 Joseph Wolff bij Lewis Way introdu­ceert, ontstaat al spoedig het voornemen Wolff op te leiden tot zendeling onder de Joden, in dienst van de 'London Socie­ty'. Wolff verklaart zich daartoe bereid en studeert met een bewonderenswaardige ijver. Verder onderwijs mag hij, als speciale protégé van Way en zijn Society, volgen aan het King's College te Cambridge. Naast Oosterse talen vormen natuurlijk de theologie, missiologie en Joods‑Christe­lijke standpunten en raakvlakken de belangrijkste onderdelen van zijn studies. Hij gaat over naar de Anglicaanse Kerk en reist in 1821 naar Palestina. Daarmee is hij de eerste 'moderne' christelijke zendeling onder de Joden aldaar.

De kosten van deze reis worden gedragen door Henry Drummond en John Bayford. Deze reis zal de eerste zijn van een leven lang Evangelie-verkondiging in de meest exotische landen en onder de grootst mogelijke verscheidenheid aan volkeren dezer we­reld.

In later jaren brengt Edward Irving hem in contact met Geor­giana Mary Walpole, die hij in 1827 huwt. Hun eerste zoon noemen ze 'Henry Drummond Wolff'.

 

Reeds in 1817 voert Drummond in Genève met pen en tong de strijd tegen het opnemen van de apocriefe boeken in de bijbel. Hij is ervan overtuigd dat de apocriefen niet alleen onge­wenst, maar ook schadelijk zijn voor de lezers.

In Engeland raakt hij vanwege dit standpunt dan ook verwikkeld in de apocriefencontroverse. The British and Foreign Bible Society, opgericht vanuit de Evangelische kringen in 1804 te Londen, was gericht op het verspreiden van de Heilige Schrift 'zonder aanteke­ningen en commentaar', zoals vermeld in de oprichtingsstatuten. Deze verspreiding van de bijbel richt zich ook op het buitenland, waarvoor speciale vertalingen en edities in ruime omloop worden gebracht. (In 1827 al in 143 verschillende talen.)

Bevreesd voor menselijke beïnvloeding van het woord Gods, het rationalisme, het socianisme en andere stromingen en gedachten die schadelijk en devaluerend zouden kunnen werken, verklaart het Britse Bijbelgenoot­schap nog in 1815 de bijbel te drukken exclusief de niet‑cano­nieke geschriften.

 

Al op het Concilie van Trente, waar de uiteindelijke vorm der bijbelse canon wordt bepaald, is volgens de meer rechtzinnige reformatoren onrecht gedaan aan het zuivere woord van God door de apocriefen toe te staan.

De orthodoxe calvinisten in Schotland en Engeland reageren dan ook furieus tegen elke vorm van toevoeging, annotatie, commen­taar, inleiding of verklaring in één band met de bijbel. Uit Schotland komt in die tijd de uitspraak: 'All Scotland would rise as one man against the Apocrypha'.

Door de anti‑apocriefisten worden deze geschriften beschouwd als niet‑geïnspireerd, bijgelovig, in tegenspraak met Gods woord, in tegenspraak met de canon en daarom verwerpelijk.

 

Zowel Robert Haldane in Montauban als Henry Drummond in Genève werpen zich op als krachtige verdedigers van het 'zuivere' Woord. Het Bijbelgenootschap daarentegen ziet zich geconfron­teerd met practische overwegingen. Om, juist op het continent, ook de Grieks-Orthodoxe, de Rooms‑Katholieke en bepaalde Protestantse kerken te bereiken, is het noodzakelijk de apo­criefe boeken aan de bijbel toe te voegen. Zo kan een betere aansluiting bij de in die kringen levende traditie van toevoe­ging der apocriefen worden gevonden.

Daar worden de apocriefen als waardevol beschouwd, zoals Luther ook benadrukte.

 

Als Robert Haldane, terug in Londen vanuit Montauban, op het hoofdkantoor van de British Bible Society in augustus 1821 ontdekt dat, mede op zijn kosten, Franse vertalingen voor Frankrijk inclu­sief de apocriefen worden gedrukt, ontstaat een heftige polemiek. In de volgende jaren wordt er in Engeland een bittere strijd gevoerd tussen voor‑ en tegenstanders. Vanuit de burelen van het Bijbelge­nootschap wordt geprobeerd de zaak te sussen met pragmatische argumenten. De tegenstanders, waaronder Drummond en Haldane, blijven het Genoot­schap bestoken met petities, brieven en aan‑ klachten. Ondanks aanvankelijke beloften blijkt het Genoot­schap de apocriefen te blijven toevoegen. Landelijke vergade­ringen, waar bekende namen elkaar ontmoeten (E. Irving, T. Chalmers, R. en J.A. Haldane, A. Thomson en vele anderen), kunnen op een grote belangstelling rekenen. Voor Drummond en Haldane is de appel extra zuur omdat de Continental Society bijbels verspreidt die worden gedrukt door de Bible Society.

De Continental Society is medefinancier van het Bijbelgenoot­schap. De strijd zet zich zelfs voort op het continent, waar mannen als Empaytaz, Pyt, Bost en anderen veel tijd en energie besteden aan de kwestie.

Het blijkt niet alleen een furieuze, maar ook een zeer langdu­rige strijd te zijn (1821‑1830). Pas in 1850 treedt er een belangrijke verandering in wanneer er, na een 'zuivering' in het Bijbelgenoot­schap, het besluit valt de apocriefen niet meer aan de bijbel toe te voegen.

 

De heikele kwestie is eigenlijk nooit tot een goed einde gebracht, doordat er zoveel bitterheid, verwijdering en con­troverse was ontstaan. In de loop van de strijd is bijna een bibliotheek over de zaak geschreven, en dat veelal vanuit een polemische gedachte. Al in 1822 publi­ceert Henry Drummond:

'Observations on Circulation of the Apocrypha'; in 1829 zijn: 'Letter to Alexander Haldane, Esq., respecting the Septua­gint', waarin hij zijn canoniek begrip uitwerkt. Robert Halda­ne heeft aan het eind van zijn leven spijt dat hij zoveel energie in de strijd heeft gestoken en dat er zoveel verbitte­ring door is ontstaan.

 

De heikele kwestie is eigenlijk nooit tot een goed einde gebracht, doordat er zoveel bitterheid, verwijdering en con­troverse was ontstaan. In de loop van de strijd is bijna een bibliotheek over de zaak geschreven, en dat veelal vanuit een polemische gedachte. Al in 1822 publi­ceert Henry Drummond:

'Observations on Circulation of the Apocrypha'; in 1829 zijn: 'Letter to Alexander Haldane, Esq., respecting the Septua­gint', waarin hij zijn canoniek begrip uitwerkt. Robert Halda­ne heeft aan het eind van zijn leven spijt dat hij zoveel energie in de strijd heeft gestoken en dat er zoveel verbitte­ring door is ontstaan. Henry Drummond zal er in zijn latere werk­zaamheid als Apostel in de Katholiek‑Apostolische Kerk mede voor zorgen dat deze de apocriefen als niet‑canoniek volledig afwijst.

 

Elders werd al beschreven hoe aan het eind van de zeventiende en begin van de achtiende eeuw een vloedgolf van profetisch-apocalyp­tische literatuur verscheen.

Henry Drummond is door al zijn contacten goed op de hoogte van wat er zich afspeelt in de profetisch‑apocalyptische kringen. Zijn connecties met Way, Frere, Irving en vele anderen maken in hem een grote interesse en een groot verlangen naar de vervulling van de bijbelse profetieën wakker.

Vaak treedt hij op als catalysator en stimulator bij het bijeen­brengen van groepen profetie‑studenten, hij brengt Wolff in contact met de groep, bestudeert de geschriften uit oude en nieuwe tijd, maar publiceert er nog niet over.

 

Pas na de Albury-conferenties zal hij via de pers over dit onder­werp van zich doen horen. Irving ontmoet hij in 1824 in diens Hatton Garden‑gemeente te Londen, de kennismaking wordt hernieuwd wanneer Irving in 1825 een toespraak voor de Conti­nental Society in Albury houdt. Nog 10 jaar zal een diepe vriendschap beide mannen met elkaar verbinden.

 

In het begin van 1826 rijpt bij J.H. Frere het idee een ge­nootschap ter bestudering der profetieën op te richten. Hij verkrijgt van Edward Irving de toezegging in zo'n genootschap mee te werken. Frere schrijft enige ideeën over zo'n genoot­schap op en maakt alvast notities voor een openingstoespraak. Na enige tijd laat hij het idee rusten met de gedachte dat God, als het genootschap echt nodig is, anderen wel op het­zelfde idee zal brengen. Niet lang daarna komt Lewis Way terug van Frankrijk naar Engeland en wil Irving spreken.

 

In een verlangen de resultaten en conclusies van het genootschap te toesten aan de inzichten van anderen en dit te doen in een breder verband, neemt Way contact op met Henry Drummond in het najaar van 1826.

Na overleg besluiten ze een grote groep theologen, profetiestudenten, geïnteresseerde leken en andere belangstellenden uit te nodigen voor wat later bekend komt te staan als de z.g. Albury-conferenties. 

Frere vergezelt hem en bij aankomst vertelt Way over de nood­zaak en licht van de kerk om de profetieën met betrekking tot de weder­komst des Heren te bestuderen. Enthousiast zoekt Way een behuizing in de buurt van Frere's huis om samen met hem de Openbaring te bestude­ren. In juni 1826 wordt in Londen, onder auspiciën van Way, de 'Society for the Investigation of Prophecy' opgericht. Een van de eerste leden is John Tudor, die in het genootschap vooral bekend­heid krijgt als redacteur van de verslagen en schrijver van artike­len in de 'Papers Read before the Society for the Investiga­tion of Prophecy'. Ook C. Hawtrey, secre­taris van de Society for Promoting Christianity amongst the Jews sluit zich aan. Later voegen zich onder anderen ook J. Haldane Stewart, H. Drummond en H. McNeile onder de leden van het genoot­schap. De vergaderingen, tijdens de zomer van 1826 enige keren, worden veelal in Londen belegd. Belang­rijke onderwerpen vormen de tijdvakberekeningen, de tekenen der tijd en de beschrijving door de kerkvaderen van de wederkomst des Heren. 

In een verlangen de resultaten en conclusies van het genoot­schap te toetsen aan de inzichten van anderen en dit te doen in een breder verband, neemt Way contact op met Henry Drummond in het najaar van 1826.

Na overleg besluiten ze een grote groep theologen, profetie­studen­ten, geïnteresseerde leken en andere belangstellenden uit te nodigen voor wat later bekend komt te staan als de zg. Albury-conferenties.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

LEVENSBESCHRIJVING DER OVERIGE ENGELSE APOSTELEN.

 

Na Cardale en door zijn handoplegging, ontvingen alle overige apostelen der Katholiek-Apostolische Gemeente hun ambt.  Onderstaand volgt een korte beschrijving van hun leven en hande­len. Dit overzicht werd voornamelijk samengesteld aan de hand van een beschrijving van J. Aarsbo, katholiek-apostolisch en in het dagelijks leven bibliothe­caris te Kopenhagen, en andere bronnen.

 

Henry Drummond (1786-1860).

 

Omdat over Drummond is al het één en ander is bericht, op deze plaats een korte, complementaire beschrijving.

Op 21 maart 1834 richtte hij samen met Cardale de hoofdge­meente Edinburgh op. Drummond ontving de zorg over Schot­land en Zwit­serland. In 1838 overhandigde hij samen met Perceval en Woodhouse het Testimonium aan de vertegenwoordiger van de Paus en de keizer van Oostenrijk.

Vanaf 1847 tot aan zijn ontslapen nam hij de zorg voor de stam Frankrijk over van Dalton die lange tijd afwezig is ge­weest. In 1849 richtte hij de gemeente Bazel en in 1850 de gemeente Parijs op. Zes jaar later nam hij in Ulm en Bazel de eerste gemeenten van de uit Beieren verdreven rooms-katholieke Priester Lutz, voor het werk onder Engelse apostelen over.

De bouw van de Apostelkapel in 1840 kostte hem 16.000 pond, gezien het prijspeil van die tijd een heel kapitaal. Drie jaar later bekostigde hij de bouw van een nieuwe kerk in Albury.

Omdat hij als grootgrondbezitter (het z.g. collatie-recht zoals het in Nederland heette, en tevens patroon der plaatselijke kerk was, had hij het recht om de plaatselijke geestelijke te kiezen. Na McNeils vertrek werd dat John Hooper, één van de deelnemers aan de Albury-confe­renties die zich bij het werk der apostelen aansloot, maar ook trouw op zijn plaats in de staatskerk bleef.

De lijfspreuk van de familie Drummond was: "Liever sterven dan het geloof verloochenen."

De Co-Adjutoren van de Drummond voor de stammen Schotland en Zwit­serland waren William Rennie Caird (1805-1894) en Emil Geering (1827-1894).

 

Henry John King-Church (1787-1865).

 

In Hackney, een klein stadje dat inmiddels deel uitmaakt van de gemeente Groot-Londen, werd op 10 mei 1785 Henri John King geboren. Waarschijnlijk was hij in aanzien de minste van alle Engelse aposte­len die maatschappelijk hoge posities hadden. Hij was beambte bij de Londense Tower, de staatsgevangenis.

Hij trouwde met een plaatsgenote, Lydia, en uit dat huwelijk werden tien kinderen geboren. Zolang hij in staatsdienst was, waren de inkomsten van het gezin King zeker, maar toen hij geroepen werd tot apostel stond hij als vijftigja­rige voor een moeilijke beslissing.

Vroegtijdige pensionering werd niet toegestaan. Omdat zijn gezin volledig achter hem stond waagde hij de stap en verhuis­de naar Albury. Enige tijd konden ze daar leven dank zij de ondersteuning van  Drummond.

Toen een ver familielid van King overleed bleek hij een aanzien­lijk fortuin geërfd te hebben. Eén van de testamen­taire voorwaarden was wel dat hij de naam van dat verre fami­lielid, Church, bij zijn eigen naam voegde. Hiervoor kreeg hij koninklijke toestemming en vanaf 13 februa­ri 1849 voerde hij de naam King-Church.

Henry John King-Church had zich in de dertiger jaren van de vorige eeuw aangesloten bij de Vrijgemaakte Kerk onder leiding van J.L. Miller die in Bishopgate, Londen, bijeenkwam. Deze rustige en vrome man was Oudste in deze gemeente en door de medewerking van priester (en latere apostel) Nicolas Armstrong werd hij door de geestelijke opwekking gegrepen.

Op 18 december 1833 werd King-Church door de Geest tot apostel afge­zonderd. In 1836 werden de stammen Denemarken, Nederland en België aan zijn zorgen toevertrouwd.

Verschillende malen heeft hij dan ook, samen met zijn medewer­kers, Nederland bezocht. We komen daar later nog op terug.  Samen met de Evangelist Böhm bezocht hij in 1838 voor de eerste keer Denemarken. Böhm was Deen maar zijn werkgebied was Duitsland, voor welk land hij in 1859 co-adjutor werd.

Op 14 juni 1861 kon de King-Church een kerk in Kopenhagen op­richten.

In België kon King-Church in 1853 in Luik een gemeente stich­ten. Een voormalige rooms-katholieke Priester, Abbé Vleughel, werd de eerste Voorganger.

De co-adjutors voor de stammen Denemarken en Nederland waren Sir Georg R. Hewitt (1818-1876) en Dr. Isaac Capadose (1834-1920). Onder hun leiding werd ook met de arbeid in Noorwegen en Zweden begonnen, waar de hoofdgemeenten in Christiania en Stockholm in 1877 en 1887 werden opgericht. De eerste katholiek-apostolische gemeente in Nederland ont­stond in Den Haag in 1864.

 

Spencer Perceval (1795-1859).

 

Spencer Perceval werd op 11 september 1795 in Londen geboren als één van de elf kinderen van de Engelse premier die in 1812 vermoord werd.

Zijn loopbaan begon Perceval als ambtenaar; in de jaren 1818-1832 was hij driemaal parlementslid.

Van zijn vrome ouders had hij een diep-geestelijk begrip geërfd en omdat hij een kennis was van Henry Drummond werd hij uitgenodigd voor de Albury-Conferenties. Hij trouwde op 3 juli 1823 met Anna Eliza. Uit dat huwelijk werden drie zonen en drie dochters geboren.

Toen hij zich later aansloot bij de golf van geestelijke opwekkin­gen en zijn woning voor gebedsbijeenkomsten open stelde, probeerde zijn vriend, de pastoor van Albury Hugh McNeile, hem in een serie van brieven, die ook gepubliceerd werden, tot andere gedachten te brengen. Echter tevergeefs.

In 1833 werd Perceval Oudste in Irvings gemeente en leidde een tijdlang de nieuw opgerichte gemeente in Oxford. Op 14 decem­ber van dat jaar werd hij als apostel afgezonderd.

In 1836 werd hem opgedragen een "Testimonium" aan de koning van Engeland te schrijven, dat Drummond en hij bij koning William IV bezorgden. Bronnen vermelden dat de apostel werd toegestaan om het 45 pagina’ s tellende document aan de koning voor te lezen. De koning zou tot tranen toe geroerd zijn geweest. Tastbaar resultaat van deze ontmoeting was dat het ministerie van Buitenlandse Zaken aanbeve­lingsbrieven schreef voor de Engelse aposte­len die ze bij hun missie-reizen konden gebruiken.

Aan Spencer Perceval werd de zorg voor de stam Italië opgedra­gen. Het werk in zijn stam begon in 1838 toen de beide genoemde aposte­len aan kardinaal Acton, een Engelsman van geboorte, het Testimoni­um voor de Paus brachten. Toen al was de eerste Italiaanse medewerker van Perce­val, de Evangelist en arts Dr. Cleardo Naudi van Malta, overleden.

Van 1841 tot 1853 werd onder leiding van de Perceval een groot­scheepse evangelisatie in Italië verricht. Vijf Engelse en Itali­aanse, voorheen rooms-katholieke, priesters namen daaraan deel.

Het zichtbare resultaat was echter gering. Kort voor zijn vroege ontsla­pen (1859) had de Perceval de uitgave van het Liturgieboek in het Itali­aans voorbereid en eveneens de op­richting van het altaar in Florence, dat twee jaar later tot stand kwam. De co-adjutor voor de apostel voor de stam Italië was Dr. William Flewker (1805-1876).

 

Nicolas Armstrong (1801-1879).

 

Armstrong werd in 1801 in Ierland geboren en studeerde theolo­gie in Dublin. Op jonge leeftijd werd hij pastoor van de St. Jameskerk in Dublin, later van de St. Dunstan-kerk in Londen-West.

Hij werd medewerker van het tijdschrift "The Morning Watch" en kwam daardoor in kontakt met geestelijke en gelovigen leken die later tot het Engelse apostolische werk zouden behoren. De St. Dunstan kerk brandde in 1830 volledig af, waarop hij een vrije predikantenplaats aannam en spoedig een graag ge­hoorde predikant werd.

In augustus 1831 bezocht hij een openbare prediking van Edward Irving en werd ook uitgenodigd om een gebedsbijeenkomst bij Irving thuis mee te maken. Daar kwam hij voor het eerst in kontakt met profetieën.

Ook bezocht hij bijeenkomsten in het huis van Spencer Perceval en na mei 1832 trok hij, met zestig anderen door de straten van Londen om te  evangeliseren..Op 6 januari 1834 werd Armstrong tot Engel voor de gemeente Sothwark gewijd die hij voor bleef gaan, ook nadat hij twee weken later tot apostel afgezon­derd werd.

Pas in juni 1835 kwam een andere voorganger voor de gemeente en kon Armstrong in 1836 de zorg over de stam Ierland, met Griekenland en het Nabije Oosten op zich nemen. De hoofdgemeente in de stam van deze Engelse apostel werd al in 1835 in Dublin met de vroegere priester van de Staatskerk, J. Wardmann als Engel, opgericht.

In 1838 ondernam Armstrong zijn eerste reis naar Grieken­land en het Nabije Oosten. Tien jaar later, nadat de heilige Verzegeling was ingevoerd, maakte hij een tweede reis.

Vanaf april 1848 predikte Armstrong in Dublin en in oktober van dat jaar trok hij met Evangelist White naar Grie­kenland. Daar hield hij op Korfu een serie advent-predikingen. In februari 1850 vinden we hem in Athene in de St. Paulskerk waar hij predikt voor Engelsen, Grieken en Armeniërs. Een half jaar later is hij weer in Ierland terug.

In de volgende jaren werkt Armstrong veel in Canada en de Engelse koloniën, in nauwe samenwerking met  Wood­house. Later woonde hij in Albury waar hij, ziek zijnde, zijn laatste jaren op aarde doorbracht.

De co-adjutor voor de stam Ierland was Edmund Lewis Hooper (1820-1888).

 

Francis Valentine Woodhouse (1805-1901)

 

Woodhouse was, evenals Cardale, Carlyle en Perceval, jurist en werkte enige jaren als advocaat in Londen. Hij behoorde tot die gelovige, jonge mensen uit de gemeente van Irving die ondanks tegenstand van familie en bekenden en met ver­lies van werkkring en aanzien, als evangelisten rondtrokken om in de straten van Londen de boodschap van het komen van de Heer en de val van Babel, te verkon­digen.

In februari 1842 trouwde Woodhouse met Harrietta Liston, een zuster van de vrouw van Carlyle.

Nadat Woodhouse een tijdlang Oudste in de gemeente in de gemeente van Irving was, werd hij op 13 augustus 1834 tot apostel afgezon­derd. Met de vijf reeds geroepen broeders werd hij nu bij de eerste beraadsla­gingen in de kring der Engelse apostelen opgenomen.

Hij werd spoedig voor ambtshandelingen naar gemeenten buiten Londen gezonden. In december van hetzelfde jaar was hij in Glasgow en bracht Irving op zijn sterfbed het laatste heilig Avondmaal.

Daarna bezocht hij de gemeente te Edinburgh en onderwees de ambts­dragers over het apostelambt.

In 1836 werden Oostenrijk en Zuid-Duitsland aan zijn zorg toever­trouwd.

Samen met de evangelist Caird, echtgenoot van Mary Campbell, bezocht hij in 1838 deze landen. De apostelen Drummond en Woodhouse brachten het “Testimonium” aan Prins Metternich voor de keizer van Oostenrijk. In de landen die Apostel Drummond als werkgebied waren aange­wezen bestond geen godsdienstvrij­heid. Daarom werkte Woodhou­se, ter ondersteuning van Cardale, in een deel van Noord-Amerika.

In de veertiger jaren bezocht hij meerdere keren de gemeenten in Noord-Amerika en Canada waar de evangelisten Ryerson, Andrews en Daven­port werkten en waar de eerste gemeente in Kingston in 1840 was opgericht.

Het jaar 1849 is het oprichtingsjaar van de gemeente New York. Beide en later ook andere gemeenten werden geleid door vroege­re priesters van de Episcopal Church.

 

In de daarop volgende tien jaar begon de boodschap in Zuid-Duits­land gehoor te vinden, eerst bij de leerlingen van de vrome bis­schop Sailer, hoofdzakelijk bij de priester Lutz en zijn vrienden.

Na het ontslapen van Carlyle nam apostel Woodhouse ook de stam Noord-Duitsland over. De ontwikkeling van het godswerk in dat gebied was nogal stormachtig. In de paar maanden van september tot december 1863 kon apostel Woodhouse daar ruim 500 zielen verzege­len.

Eerder in dat jaar zorgde een beslissing van Woodhouse voor een historische wending. Zonder pardon excommuniceerde hij, op aandringen en na "voorlichting" van de opziener Rothe, de complete Hamburgse gemeente nadat daar Duitse apostelen waren geroepen om de leeg gekomen plaatsen op te vullen. Deze zijn echter daarmate van het oorspronkelijke idee van de Engelse apostelen afgedwaalt zodat wij daar verder geen aandacht aan besteden.

 

Zo werd Woodhouse indirect medeverantwoordelijk voor het ontstaan van de latere apostolische beweging. In het jaar 1867 hield de apostel een raadsvergadering in Berlijn met veertig engelen en evangelisten. De gemeenten in Wenen (1872) en St. Petersburg (1871) werden door hem opge­richt.

In 1871 bezocht Woodhouse voor de eerste keer Karlsh­uld waar de stem van de heilige Geest al in 1828 in Lutz gemeente geklonken had. In datzelfde jaar was hij in Rome.

Na 1874 werden alle reizen en de arbeid in de plaatselijke gemeen­ten aan de co-adjutoren opgedragen. Maar tot 1891 kon Woodhouse de bijzondere apostolische diensten in Albury en Londen leiden.

Toen op 3 februari 1901 Woodhouse ontsliep had hij 66 jaar lang het apostelambt gedragen.

Hij was de laatste levende apostel van de Katholiek-Apostolische beweging en na zijn heengaan, ging de lang aangekondigde "Tijd der Stilte (Openb. 8:1)" in, de onderbreking van alle werkzaamheden naar buiten.

Apostel Woodhouse is de auteur van verschillende belangrijke apostoli­sche geschriften. De co-adjutor voor de stam Oosten­rijk was Max von Pochhammer (1822-1895) en later Edward Heath.

 

 

Thomas Carlyle (1803-1855).

 

Carlyle stamde uit een Schots adellijk geslacht en studeerde in Edin­burgh rechten. Hij verdedigde in 1830 de Priester John Campbell die veroordeeld werd omdat hij leerde dat God alle mensen lief heeft en dat Christus gekruisigd is ter verlossing van het gehele mensdom. Door Campbell leerde Carlyle diens medestrijder Edward Irving kennen en sloot zich aan bij de gemeente van Tait in Edin­burgh.

Hier werd Carlyle oudste. Zijn wijsheid en inzicht werkten eraan mee dat de geestelijke opwekkingen in Schotland door de apostelen in Londen als echt werden erkend. Ook hij was een regelmatige medewerker van het tijdschrift "The Morning Watch". Zelf werd hij in mei 1835 tot apostel afgezon­derd en ontving een jaar later de stam Noord-Duitsland ter verzorging. Vanaf 1838 tot zijn heengaan werkte Carlyle onvermoeibaar in deze stam.

Door zijn reizen leerde hij het land goed kennen, bestudeerde gebruiken en gewoonten, las de Duitse literatuur, leerde de Duitse taal als een Duitser en ging om met invloedrijke mannen uit alle lagen van de bevol­king.

Zijn "Blicke eines Engländers in die kirchlichen und sozialen Zustânde Deutschlands" is een veelgelezen studieboek geworden. Dat boek wekte ook de belangstelling van koning Friedrich Wilhelm IV van Pruisen. Samen met een vertrouweling, Bunsen, komt Wilhelm tot de conclusie dat het opzienersambt onmisbaar is binnen de kerk. Zij zorgen dat in Jeruzalem een kerk komt waarin een bisschop de leiding heeft. Indirect dus het gevolg van het werken van Thomas Carlyle De Deense theoloog Rudelbach noemde Carlyle het "oog van de kerk".

Toen zijn evangelist Charles Böhm in 1843 de beroemde theoloog Prof. Thiersch tot het nieuwe apostolische geloof gebracht had, hield Carlyle in zijn huis in Marburg preken voor een uitge­lezen kring van vrienden.

"Nog nooit heb ik iemand met zulk een goddelijke ingeving en kracht horen getuigen", zei Prof. Thiersch over hem. In de herfst van 1847 begon het werk in Noord-Duitsland voet aan de grond te krijgen.

In de toenmalige bondsdagstad Frankfurt am Main hield de apostel op 17 oktober de eerste verzegelingsdienst.

Temidden van het revolutiegeweld en herrie werd de hoofdge­meente in Berlijn 19 maart 1848 opgericht, alle andere kerken bleven geslo­ten, hier werd echter ongehinderd het heilig Avondmaal gevierd.

Maar dan twaalfhonderd catechesanten ontvingen in het verloop van de weinige jaren voor zijn ontslapen de handoplegging door deze apostel en tot kort voor zijn dood werd nog een serie van ijverige medewerkers voor het goddelijke werk gevonden o.a. de vroegere pastoor van de Evangelische Landeskirche Carl Rothe. apostel Carlyle kon in zijn werkgebied 12 engelen en 35 pries­ters inzetten.

Carlyle overleed na een vermoeiende reis door Zweden in 1855.

Thomas Carlyle wordt vaak en gemakkelijk verwisseld met Edward Irvings vriend, de historicus en schrijver Thomas Carlyle (1795-1881).De beide Carlyles kenden elkaar wel maar voelden geen sympa­thie voor elkaar.

Zowel de apostel als zijn co-adjutor Charles F.T. Böhm (1812-1880) schreven veel en van beiden is in de Duitse bibliotheken nog veel werk aanwezig. Buiten Engeland was het nieuwe apostolische werk het wijdst verbreid in Duits­land wat voor een goed deel te danken was aan de inzet van Carlyle.

 

Henry Dalton (1805-1869).

 

Dalton werd in 1805 in Ierland geboren en tot theoloog aan het seminarie in Dublin opgeleid. In 1827 werd hij al tot Priester gewijd en was vanaf 1832 werkzaam bij de St. Leonardskerk in Bridhnorth als vicaris.

Uit deze functie werd hij op 21 maart 1833 geschorst wegens zijn opvattingen.

Hij was één van de eerste verkondigers van de boodschap van het apostolische godswerk en het komen van de Heer. Een proces om hem uit het ambt te verwijderen, duurde twee jaar, op 28 juli 1833 werd hij uit zijn ambt gezet.

Gedurende die tijd werkte hij al meerdere maanden als engel in Birming­ham. Op 4 april 1835 werd hij tot apostel afgezonderd. De stam Frankrijk werd aan zijn org toevertrouwd. Voor die tijd was daar al gewerkt door de evangelist Dr. C.M. Carré en de vroegere protestantse geestelijke Pierre Mejanel.

Meerderen reizen volgden en in 1836 werden de gemeenten Londouzy la Ville en Saulzoir, als eerste gemeenschappen op het Europese vasteland, opge­richt. Dalton wijdde voor deze gemeenten de engelen L. Dup­roix en F.L. Petitpierre. In Frankrijk echter werd het werken door de wet onmogelijk gemaakt. Toch reisden de Drummond en Dalton in oktober 1838 naar Parijs om het Testimo­nium aan koning Louis Philippe te overhandigen. Deze audiënte werd geannuleerd wegens rouw binnen de vorstelijke familie.

Het geloofsleven van Dalton was bijzonder levendig. Zo stelde de Ierse hertog van Leinster (Zuidierland) hem in 1846 aan als zijn kapelaan. Deze functie heeft Dalton tot aan zijn levens­einde behouden.

Eveneens in 1846 werkte hij als vicaris in Middleston en vanaf februari 1847 in dezelfde functie in Clovelly. In 1856 ver­huisde hij naar Frithelstock Devon waar hij tot 1860 als pastoor diende. Hij genot hier groot aanzien en diende de anglikaanse bisschop als adviseur.

Het is altijd een raadsel gebleven waarom Dalton vanaf 1846 tot 1853 niet aan de Raadsvergaderingen in Albury deelnam en pas weer na 1859/1860 actief zijn ambtsopdracht als Apostel vervulde.

Henry Drummond had tijdens deze jaren de zorg voor de Franse gemeen­ten.

Na het heengaan van apostel Drummond trad Dalton dus weer toe tot de kring der Engelse apostelen en kreeg behalve zijn werkgebied Frankrijk de zorg voor de stam Schotland erbij. Vanaf die tijd bezocht hij ook vijfmaal zijn stamgebied Frank­rijk. Tijdens zijn afwezigheid was in 1850 een gemeente in Parijs opge­richt waar de vroegere rooms-katholieke Priester Celeste Massiot als Engel diende. Dalton overleed op 6 novem­ber 1869.

De co-adjutor voor de stam Frankrijk was Langford E. Symes (1801-1875).

 

John Owen Tudor (1784-1861).

 

Tudor werd in Wales geboren en leefde in Londen. Hij was schrijver en tevens leraar Grieks en Hebreeuws. Al vroeg kwam hij bij Irving thuis, met wie hij de profetieën van Ezechiël bestudeerde. Irving beschreef hem als een geleerde, bescheiden en godvre­zende man.

Tudor nam aan de Albury-conferenties deel en werd redacteur van "The Morning Watch" (deze titel was gebaseerd op Jesaja 21:11-12 ) waarin hijzelf ook veel over de profetieën en de profeti­sche geschriften schreef.

Op 14 april 1833 was hij één van de zes oudsten die in de Centrale Kerk geordend werden, maar al op het eind van dat jaar werd hij tot engel voor de gemeente Brighton gewijd en in februari 1835 tot apostel ingezet..

Polen, Indië en Australië ontving hij in 1836 ter verzorging. In Polen, dat destijds door politieke verwikkelingen ver­scheurd werd, konden geen ambtshandelingen verricht worden.

In de toenmalige Pruisische, nu Poolse, provincie Posan werd Bromberg "Aartsengel-gemeente" en ook in andere steden in deze provincie ontston­den gemeenten, echter alle met Duitse leden en ambtsdragers.

Dat Tudor met evangelist Wilkinson enige keren Indië bezocht zou hebben, is niet met zekerheid te achterhalen. De gemeente Melbourne werd al in 1856 opgericht.

 

Apostel Tudor was Cardale’s naaste medewerker bij de uitgave van het eerste Liturgie-boek. Bovendien onderwees hij de Profeten die jaarlijks voor studie in Albury bijeen kwamen.

Hij schreef drie werken over het bijbelboek "Openbaring", in 1847 het boek "De heilige geologie".

Dit laatste werk bevat een verhandeling over de houding van de natuurwe­tenschappen tot het christendom.

Toen hij op 77-jarige leeftijd op 4 maart 1861 overleed, was hij de zesde Engelse apostel die heenging.

 

Francis Sitwell  (1787-1864).

 

Sitwell kwam uit een oud geslacht van officieren en groot­grondbe­zitters in Northumberland. Hij diende als officier in het Engelse leger terwijl hij tegelijkertijd het bezit van zijn vader, Basmoor Castle, dicht bij de Schotse grens, beheerde. Als jonge edelman hield hij zich hoofdzakelijk bezig met de jacht en sport. Op één van zijn reizen door Zwitserland maakte hij kennis met Henri Drummond en zijn missiewerk in Genève. Hier werd Sitwell geestelijk wakker en besloot zich geheel in het werk des Heren te begeven.

Toen hij in Engeland terug was, verzamelde hij een kring van gelovigen mannen en vrouwen om zich heen om gezamelijk een school te bouwen. Tijdens een zakenreis naar Londen had hij gelegenheid om een gebedsbijeenkomst bij de familie Cardale bij te wonen en ook om Irving te horen prediken.

Na zijn terugkeer in Port-Glasgow nam hij aan soortgelijke bijeenkomsten van de familie MacDonald deel.

Vanaf toen begon ook een kleine schaar in Barmoor om de gave van de heilige Geest te bidden en steeds meer zielen sloten zich daarbij aan. Toen de plaatselijke geestelijke hiervan kennis nam, waar­schuwde hij scherp tegen deze "valse geesten".

Op zichzelf aangewezen zocht men hulp in Londen. Op een reis naar Schotland in 1833 kwamen Irving en Taplin naar Barmoor en werd Sitwell ingezet als herder over deze kleine gemeente.

Enige maanden later ontving hij de wijding tot engel door de Drummond en Armstrong, de arts van het plaatsje werd als evangelist en de slottuinier als diaken ingezet. Een paar maanden later, in 1835, werd Sitwell tot apostel afgezonderd en het jaar daarop werd de stam van Spanje en Portugal aan zijn zorg toevertrouwd.

Door de strenge godsdienstwetten, die tot voor enige jaren in Spanje van kracht waren, kon van openlijke evangelisatiearbeid geen sprake zijn. In de plaats van de apostel werkte een Sebastian Arnold in Spanje in stilte vanuit zijn woon­plaats Gibral­tar.Na het heengaan van Drummond nam Sitwell de zorg voor Schotland over. In Edinburgh hield hij een serie lezingen met als titel: "Het Raadsbesluit Gods met de kerk vanaf de grondvesting tot de volein­ding". Na zijn ontslapen verschenen de lezingen in boekvorm met als titel "Licht zur Abendzeit". Evenals Drummond was Sitwell kerkpatroon van de plaatselijke kerk waarvan de inwoners tot drie verschillen­de kerkge­noot­schappen behoorden.

De vrome landbezitter werd als een vader en geestelijke raad­gever door allen geêerd en was zeer geliefd.

 

William Dow (1800-1855).

 

Als jongste zoon van de geestelijke Dr. Anthony Dow werd William Dow op 10 maart 1800 in Kirkpatrick geboren. Omdat de naam Dow van Keltische oorsprong is, behoord het als "Doeh" uitgesproken te worden, hetgeen "zwart" betekend.

Nadat hij zijn studie beëindigd had werd hij, op voorstel van koning Georg IV,  Kapelaan in de kerk van Tongusland en dien­de, evenals zijn broer, meerdere jaren als geestelijke in de Presbyte­riaanse kerk.

William Dow gold als een kenner van de Griekse taal en behield daarvoor de academische graad "Master of Art" in 1839. Evenals zijn landgenoten Irving en Story was hij deelnemer aan de Albury-conferenties.

Beide broeders waren bevriend met de priester John Campbell en werden evenals hij, uit hun ambt gezet. Voor William Dow was dat op 23 mei 1832.

Terwijl David Dow een tijdlang, zonder succes, probeerde een sekte uit te bouwen en zich met apostolische volmachten voor­zag (hij werkte in de gemeente van de MacDonalds, die slechts korte tijd bestaan heeft) erkende William Dow spoedig de bevoegdheid die van het apostelambt in Albury uitging.

Hij werd engel over de kleine schaar die hij in Kirkudbright verzameld had. Op 3 juni 1835 werd hij tot apostel afgezonderd en ontving een jaar later de stam Rusland ter verzor­ging. Dow werkte in zijn stam onder zeer moeilijke omstan­dighe­den, door de harde godsdienstdwang der Russische kerk.

Alleen onder de Duits sprekende bevolking van de Oostzeelanden en onder de Duitse kolonisten bij het Zwarte Meer vond de boodschap gehoor. Later ook bij de Letse en Estlandse bevol­king.

In Zuid-Rusland werkte al vanaf 1852 de Duitse engel W. Hermes uit Frankfurt a.d. Oder onder de kolonisten.

Pas na jarenlange arbeid van de evangelist Victor von Dittmann werd de Russische hoofdgemeente in St. Petersburg door Woodhouse in 1871 opgericht, hetgeen Dow niet meer beleefd heeft.

In het jaar 1851 reisde Dow naar Zweden en schreef een boek over de kerkelijke toestanden in dat land.

Hij was een voortreffelijk spreker.

William Dow overleed op 3 november 1855 en werd in Albury begraven, zoals bijna alle Engelse apostelen. Deze begraaf­plaats heet dan ook het "Opstandingsveld". De co-adjutor van Dow voor de stam Rusland was F. Diestel (1821-1899).

 

Duncan Mackenzie (voormalig apostel).

 

Waarschijnlijk uit teleurstelling omdat Mackenzie zijn ontvangen ambtsvermogen niet tot zijn dood  vervuld heeft, hebben de overige Engelse apostelen niets over zijn levens­loop bewaard en zelfs nooit zijn portret gepubli­ceerd.

Toch is er nog wel iets over Duncan Mackenzie als mens en zijn werk als apostel bekend. Een geboortedatum weten we niet, waarschijnlijk was dat in het jaar 1897 ergens in Schotland. Zijn beroep was apotheker en hij bezat in Londen een groothan­del in medicijnen en drogisterij-middelen. In de Kerk op London Square in Londen, waar hij de funktie van Presbyter (Oudste) bekleedde, was hij medewerker van Edward Irving.

Toen deze wegens het toelaten van geestesuitingen en het “spreken in tongen” uit deze kerk verwijderd werd, ging Macken­zie als enigste Presby­ter met hem mee.

Ook bij de kerkelijke rechtbank waarvoor Irving moest ver­schijnen, verdedigde Mackenzie hem met vuur.

Nadat Irving met zijn schaar volgelingen de eerste apostoli­sche gemeente gevestigd had in de Newman-Street volgde de ordening van Mackenzie als apostolische oudste op 14 april 1833 door Cardale.

Mackenzie wist in het Londense stadsdeel Islington zielen te winnen en werd op 7 oktober 1834 als engel (voorganger) geordend.

Het ambt van apostel ontving hij in de Centrale Kerk op 14 juli 1835, wat ook de datum is van de dag dat de apostelen zich afzon­derden in Albury. Als missiegebieden kreeg Mackenzie Noorwe­gen en Zweden toegewe­zen. Samen met Dalton bracht hij in oktober 1838 het “Testi­monium” aan de kanzelier van koning Karl XIV. De laatste apostelvergadering waar Mackenzie aan deelnam was in augustus 1840 en ondanks de inspanningen van de overige Engelse apostelen was hij niet tot terugkeer te bewegen.

In 1855 ontsliep hij als eerste van de twaalf Engelse aposte­len, slechts enkele dagen voor Carlyle.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET WAARMERK VAN APOSTELEN (bewerking naar een artikel van Carlyle)

 

Nadat de apostelen hun ambt hadden ontvangen, is het nu zaak de rechtmatigheid en de waarheid daarvan te onderzoeken.

Volgens menselijke opvattingen kan een buitenstaander, als onpartijdige, het best de zaak beoordelen. Aan de ene kant is dat waar, vaak echter ook niet.

Natuurlijk, zij die de goddelijke waarheid erkennen, die er naar verlangen om weer apostelen te hebben, zijn niet onpartijdig. Maar het is de vraag: “wat is de meest gunstige houding om achter de waarheid te komen, welke houding is dat”?

Het antwoord is: niet de neutrale houding van een buitenstaander of de onkunde van een onwetend iemand, maar alleen van degenen die geleerd hebben om de waarheid te kennen.

We kunnen die waarheid van God aannemen of verwerpen, naar het ons uitkomt. We moeten echter in de waarheid gegroeid zijn anders ontbreekt het ons aan de mogelijkheid om die te herkennen. Jezus toonde Zich na Zijn opstanding alleen aan degenen die Hem hadden nagevolgd. Hij koos die mannen uit die over Zijn opstanding konden getuigen, hoewel ze bij de mensen zouden gelden als partijdige getuigen.

En waarom dat? Omdat ze vanaf het begin aan bij Hem geweest waren. Immers, zij konden het beste over het apostolische ambt oordelen. Zij hadden de ontwikkelingen meegemaakt, hadden deel gehad aan en waren samen met Hem opgegroeid. Het geloof werd door God in een uiterlijke onwetendheid, zwakheid en verwarring gevonden.

De apostelen, die niet deze zwakheden hadden, werden als misvormden uit de synagoge gegooid en dat gold als een bewijs tegen hen. Zeiden ze het geloof te willen redden, dan moesten ze met het geloof gered worden. Ze moesten uit de onwetendheid en zwakheid, tot kennis en kracht uitgroeien. De rechtvaardige valt zeven maal en staat weer op.

Er moest een dag komen, niet om onfeilbaar te worden, maar dat de onfeilbare God hen leidt naar onfeilbaarheid, dat een voorrecht is voor de kerk die in Christus blijft en waarvan door de apostelen gezegd kan worden dat, wat ze op aarde binden en verlossen, ook in de hemel gebonden of verlost zal zijn. Als ze niet door het geloof en gehoorzaamheid van de kerk ondersteund worden, kunnen ze dat doel niet bereiken. De weg tot het geloof  is het getuigenis aannemen, de weg van het ongeloof is de vraag een bewijs te ontvangen en geen mens te vertrouwen.

Er moeten meer bewijzen getoond worden, buiten het getuigenis dat gegeven wordt.

De Heer zei: “Zalig zijn zij die niet zien en toch geloven”. Maar in een zaak van zo een belangrijk gewicht, waarbij we of het grote heil of een grote teleurstelling ontvangen, en in een tijd waarin we valse apostelen van allerlei slag verwachten kunnen, van politieke, sociale of religieuze aard, is het niet onverstandig bewijzen voor de ware apostelen te verlangen. Maar wat voor bewijzen? Bewijzen voor het geloof, niet voor het ongeloof.

Paulus maakt uitdrukkelijk onderscheid tussen zijn ambt als heraut en verkondiger, en als apostel (om dit te verkondigen, ben ik als apostel aangesteld … 1 Tim. 2:7;  Van dit evangelie ben ik verkondiger, apostel en leraar, 2 Tim. 1:11). Hij zegt echter ook: Alles wat een apostel tot een apostel maakt, heb ik u laten zien: elke volharding, alle tekenen en wonderen, elke kracht (2 Kor. 12:12). Dat was toen hij tijdens zijn aanwezigheid, met de bewijzen van een apostel, onder de Korinthiers heeft gewerkt, met wonderen en geweldige daden.

Als we dat echter verbinden met Rom. 15:19, zien we dat dit voor hun bekering gebeurde, in de tijd dat ze nog heidenen waren, niet toen ze een gemeente vormden. Waar de apostelen als evangelisten handelden, daar werden hun woorden door wonderen bevestigd.

Maar de huidige vraag betreft de kerk van nu: wat zijn de bewijzen van het apostolisch ambt voor de kerk? In dit opzicht vergaat het de apostelen net zoals elke andere ordening Gods, en met haar heroprichting is het net zoals met elk ander werk  van God. God zond het tot de gelovigen. Hij heeft het niet tot de ongelovigen gezonden, hij verlangt geen gehoorzaamheid van ongelovigen.

Daarom zijn apostelen een teken voor dit geslacht, die het ongeloof openbaard en daarom door Hem verworpen worden. Zolang de kerk in haar tegenwoordige toestand blijft is het vergeefse moeite van haar de erkenning van apostelen te verwachten.

Menselijke overwegingen kunnen het vlees erkennen, maar niet het goddelijke. Apostelen te geven die door de tegenwoordige kerk, in haar huidige gedaante, wel erkend zouden worden, moeten valse apostelen zijn. Kerkhoofden die door mensen aangesteld zijn, of zichzelf opgeworpen hebben, Herders die als stomme honden zijn, die zich met het wol van de kudde kleden maar de schapen niet lief hebben, een kerk waarin het aan goddelijke ordeningen ontbreekt of waarin goddelijke ordeningen misbruikt zijn, christenen die noch hun plaats in Christus kennen, noch hun heilige voorrechten eren, noch hun macht gebruiken, maar dit alles verloochenen, verachten en misbruiken, in Christus gedoopte mensen die, net zoals de heidenen, alleen in de macht van het boze denken en alles volbrengen, mensen die voorgeven God te aanbidden maar in plaats daarvan hun eigen afgoden, ja, de werken van hun eigen handen vereren, die de religie tot een wetenschap maken, waarin alles van Hem en over Hem geleerd kan worden, die Gods geboden niet houden, mensen die zichzelf leiden, de Almachtige beoordelen en met het profaan gewicht van het menselijk verstand zeggen: breng die mannen naar voren die wij erkennen; een volk wiens hart niet verlangt naar God en niet hongert en dorst naar de gerechtigheid, en die nooit de Mensenzoon vanuit de hemel verwachten, mensen die hun eigen weg volgen naar hun eigen verlangens, die Gods werk naar eigen smaak omvormen, die de schijn van godzaligheid hebben, in plaats het geheim van de godzaligheid te leren en het geheim zelf te zijn, die de kracht van godzaligheid verloochenen en ze in een verdienste veranderen, een volk verloren in de duisternis, verzonken in gebreken, trots op splitsingen, die de eerste grondregels van Christus vergeten en elke band met Hem verbroken hebben, die het geloof in de Vader met voeten treedt en andere goden aanbidt, een kerk die niet weer hoe ze de geesten beproeven moet, of ze van God zijn, ja aan de Heilige Geest totaal niet meer geloven, een kerk die niet meer weet wat apostelen zijn, niet gelooft dat er apostelen moeten zijn en ze ook niet verlangt. Een kerk die elk geloof daarin verloren heeft, dat Christus leeft en door mensen werkt om alles in allen te vervullen, die elke vaardigheid verloren heeft Zijn hand en Zijn stem te verkennen, een ontrouw getrouw geslacht dat uit gebrek aan geloof en aan gemeenschap met God, een bewijs eist, zulk een volk kan nooit aan de echtheid en instelling van het apostelambt geloven. Aan hen zal nu ook een bewijs geleverd worden, buiten het gerecht. Zulke mensen zullen geen bewijs krijgen buiten het teken van de profeet Jonah – een lichaam dat met Christus gestorven is en voor God leeft, die ze niet zien kunnen, een geestelijk werktuig waarvoor ze geen geestelijk zintuig beschikken.

Als ze David zoeken, zullen ze alleen het beeld vinden (1 Sam. 19:13). Zoals de mannen van Sodom, zullen ze tevergeefs naar de boden roepen die ze erkennen willen. Als ze de profeten niet geloven, kunnen ze ook de uit de dood opgestane niet geloven. Voor een kerk die Gods wil niet kent en Zijn woord niet hoort zijn alle bewijzen over het apostelambt tevergeefs. Maar zij, die de liefde voor God hebben en allen die door de doop Zijn heilige naam dragen, die Zijn geboden houden en op Zijn heil wachten, die het geloof en het werken van hun Vader eren en geloven  dat Christus leeft, dat Zijn genade niet tevergeefs is en Zijn wegen onveranderlijk zijn, wiens tranen in de hemel opgetekend zijn, wiens gebeden en aalmoezen door God zijn aangenomen, die worden door God gesterkt. Hun hart bereidt Hij voor, hen vallen de zegeningen toe en voor hen is voldoende: “Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken en zij volgen mij” (Joh. 10:27). Hij, die het getuigenis over Hem gelooft (1 Joh. 5:10) hebben de Geest ontvangen die van God is, zodat ze erkennen kunnen de dingen die ons door God geschonken worden (1 Kor. 2:12-15). Toen God aan Mozes een teken gaf, gebeurde het om hem te overtuigen, zodat hij de roep van God gehoorzaamde. Maar zoals in de oude tijden de Joden niet wisten wat het manna was, zo is het nu met de tegenwoordigheid van Christus in Zijn kerk –Immanuel- het geestelijk bewijs van de apostelen, iets wat de kerk niet kent, dat het vlees niet omvatten kan (2 Kor. 3:3).

Wie echter zullen de waarheid over de apostelen controleren? Zijn we alleen, dan kan een ieder voor zich beoordelen en handelen. Zijn we echter één lichaam, niet figuurlijk, maar werkelijk, dan moet het lichaam met de daarvoor bestemde organen Christus woorden horen en vervullen. Hieruit bestaat de gemeenschap der heiligen, dat  wat de door God geschonken organen doen, door allen en voor allen gedaan wordt en dat door niemand anders volbracht kan worden. Hoewel een ieder van ons, voor zichzelf, God rekenschap wil geven, zo is toch weer zijn eigen  geweten, noch zijn eigen oordeelskracht, zijn God. Dat iedereen voor zichzelf de kracht zal hebben apostelen te onderzoeken, de geesten te onderzoeken of iemand anders, de hele kerk. De in de bijbel gegeven verordeningen te vervullen komt niet ter sprake. Zoals de apostelen één geest en één wet aan de kerk schenken, zo zijn de Engelen of Bisschoppen, kortom de hoofden van alle bijzondere verenigingen verplicht de apostolische gaven aan te nemen. Daarom zijn ze ook verplicht en gerechtigd om te zien, dat geen verwisseling door de duivel bewerkt wordt.

De engelen der gemeente te Efeze ontvingen de lof omdat ze de valse apostelen ontmaskerd hadden. Waarschijnlijk zullen zij,  die het zo gewoonlijk verlangde bewijs leveren konden, de Heer gezien hebben, zoals men zegt. Daarbij werd de Engel door het geloof van zijn gemeente ondersteund. Hij stond daar als het hoofd van een gelovige gemeente, en toch had hij alleen  de opdracht de geesten te beproeven. En om nu zo’n beproeving te kunnen uitvoeren moest het hoofd van de gemeente net zo zijn als de engel van Efeze. En wat was daarbij de eerste aan de orde komende eigenschap – dat hij een echte apostel opnam en hem gehoorzaamde.

Een gemeente, die Johannes verwierp of los van hem stond en van zijn bijstand beroofd was, had nooit de valse apostelen kunnen toetsen  en herkennen. De apostel is de rechterhand van Christus, de engel de ster die hij vasthoudt aan Zijn plaats. Ontvalt hem de ster, dan is zijn licht weg, veranderd alles in duisternis.

Waar is nu echter de gemeente zoals Efeze. Waar de bisschop die op de engel van Efeze lijkt? Die gelijkenis kan niet gevonden worden. Wat God in Zijn grote erbarmen gedaan heeft, toen Hij de armzalige resten van Zijn ordeningen steun gaf, toen Hij het geringste spoor van trouw voor Hem, en de zwakke zorg voor Zijn schapen beloonde – dat is een andere vraag. We spreken hier over de door Hem gestelde weg en beweren dat de gemeente en geestelijken die niet door hen geeerd worden, noch recht, noch macht hebben om de valse apostelen te beproeven, en dat zulke die de echte apostelen verwerpen, maar toch de beproeving willen doen, verkeerd uitkomen en in verwarring raken. De apostelen die de Heer geeft, hebben in de zonden en het lijden van de kerk gedeeld. In de schoot der kerk zijn ze opgegroeid. In dat deel van de christenheid zijn ze terecht gekomen

Waarin waarheid en vrijheid, niet waarheid zonder vrijheid en geen vrijheid zonder waarheid is, alleen beiden tezamen zijn volkomen. Ze hebben niet zichzelf verheven, maar zijn door God geroepen, niet d.m.v. een innerlijke fanatieke overtuiging, maar door de uiterlijke kracht van de heilige Geest. Niet in het verborgene, maar midden in de kring van hen die geloofden dat apostelen noodzakelijk zijn. Ze hebben zichzelf niet opgedrongen en gejaagd met de haast van onwetendheid en eigen streven, maar stap  voor stap, vaak tegen hun eigen wil in, zijn ze tot hun ambt gevoerd. Door een openlijk handelen van de gemeente zijn ze van elke andere werkzaamheid voor hun heilig werk afgezonderd. Nadat ze deze plaats ontvangen hadden, zijn ze door de gemeente voortdurend aan de Heer voorgesteld als hun offer, opdat Hij hen in genade aanneemt, met kracht uitrust en gebruiken wil.

Ze zijn aan hun werk begonnen, zonder in het bezit te zijn van een eigen volkomen systeem. Ze hebben met elkaar, door Zijn woord geleerd, het licht door Zijn profeten ontvangen, met de hulp van alle andere ambten, ja, van Zijn hele volk. In hun volledig blanke stelling hebben ze op de goedkeuring door Zijn woord en op een wenk voor Zijn steun gewacht. Bevangen door zwakte, geplaagd door fouten en strijd tegen toenemende verleidingen, voorwaarts gegaan. Door niets minder als een waar wonder van genade, zijn ze bewaard gebleven. Ze blazen zich niet op, ze prediken niet zich niet op, ze prediken niets uit zichzelf. Ze vormen een front van de zwakkeren, ze worden door anderen geloofd, ze zijn gerechtigd om te regeren en de zegen te schenken in de mate die voor Gods kinderen te dragen is. Ze baren geen opzien door wonderdaden. Ze verleiden niemand tot navolging. Ze verleiden ook niemand om grote mensenmenigten en vleselijk gezinde massa’s om zich heen te verzamelen. Ze verleiden niet door spelen, oorlogszucht of staatsgrepen zijn niet hun zaak en ze wensen dat ook niet.

Ze  willen ook niet door gunsten der wereldmachten de kerk winnen. Hoe het hen toestaat, wat de basis voor het bouwen is, ze worden niet gezien en veracht. Ze zijn ermee tevreden, dat zij het zijn, waardoor de bouw zich verheft als ze aan de dag overladen om haar werk te openbaren (1 Kor. 3:13; 4:9). Zij zijn de zwakke zijde Gods, die sterker is als die van mensen. Johannes deed geen wonder (Joh. 10:41) maar hij werkte aan de terechtbrenging van zijn volk. Hij wees op de Verlosser en alles wat hij over Christus zei was waar. Paulus schreef aan de Korinhiërs: “Ik zou geen apostel zijn? Maar heb ik dan niet Jezus, onze Heer, gezien?” (1 Kor. 9;1). Dat was zijn getuigenis. Hij wees op de daad van zijn apostelambt, hij wees erop, dat hij de opdracht noch onderwijs van mensen had ontvangen, omdat hij vrij was van alle autoriteiten, om in de vreze des Heren en om in de eenheid der apostelen, te regeren. Hij verteld hoe Jezus met hem gehandeld had, hij wees erop wat hij al gedaan had.

Op dezelfde manier is de inzetting van apostelen ook nu. Ze werken in hun ambt. Ze zijn door profetie geroepen, maar apostelen door de Heer. Ze beroepen zich niet alleen op voorbije geschiedenissen, ze wijzen op voortdurende gebeurtenissen. Ze kunnen over de manier en wijze, ter voorbereiding van hun ambt, vertellen.

En God zij dank, ze kunnen naar hun werk verwijzen. En op wat voor werk wijzen zij dan? Op de gemeenten die ze opbouwen, zegenen en ordenen. Op de katholieke gezindheid van deze gemeenten, of die nu bestaan uit honderd of vele duizenden zielen. Op hun heilige wandel, op hun trouw in het maatschappelijke leven, op de orde in hun huizen en beroepsleven, op hun kennis en juist gebruik van de heilige schriften, op reinheid en vreugde in hun godsdiensten, op de volledigheid en op het zegenrijke werk van de in deze gemeenten bestaande ambten, op de rijkdom en troost van hun gaven, op de wijsheid, de kracht en barmhartigheid in hun werk en het wederkerende hulpbetoon van hun leden. Op de standvastigheid in hun hoop, op de waarheid, de kracht, de ijver, het geduld en de liefde in hun getuigenissen, op de hemelse matiging in het gebruik van hun wapenen ten strijd en verdediging. Tegen de listige aanvallen van de Satan die ze ontmaskeren in zijn kwaad, dat ze verminderen en verwijderen. Op de zegeningen die ze uitdelen, op de wijze waarop ze de antichrist ontmaskeren en weerstaan, of hun liefde en voorbereiding voor de komst van Christus. Dat is het werk. Niet een in het oog springende wonderwerk of kunststuk, maar een gestage voortgang van de reinigingsordening en zegening door de werkzaamheid van Christus in hun midden, door de reiniging die alleen zij voltrekken kunnen in wiens hand zij de werktuigen zijn,

Door de ontdekking en wegneming van de zonden, door een waar dragen van het kruis en hoop op de kroon. Elk gedeelte van dat werk is een bewijs dat Jezus in het vlees gekomen is (1 Joh. 4:2). Bij dit alles wordt het zekere en zorgeloos lachen, en de nog onontdekte farizeeërs zullen met de vinger wijzen naar hen door wie Hij anderen heeft geholpen, maar die zichzelf niet kunnen helpen (Nehem.. 4:2).

Wij moeten de smaad dragen dat onze toestand openbaar wordt met onze vergankelijke onaangenaamheden en zondevallen. Het is een last van de Heer, maar Hij zal degenen rechtvaardigen die ze dragen. Voor zover het God lukt ons te reinigen en te leiden, voor zover Zijn volk, de gemeenten, het zegel van het apostelambt dragen. En Hij zal dat zegel volkomen maken. Dan zullen de apostelen hun volledige erkenning hebben, dan zal hun werk volbracht zijn.

De  tijd is gekomen voor God, om Sion te gedenken en Jeruzalem weer op te bouwen. De roep van de weduwe wordt door de barmhartige rechter gehoord. De vijgenboom bloeit op. De ark wordt nu gebouwd, want zie, de stellingen zijn gevallen, er is geen man meer daar, het Huis der Heren is een dievenhol, Babylon een huis van de duivel geworden. De afgodendienaren vergaderen zich, de naam des Heren wordt belasterd, de religie der mensen heet zonde.

Daarom zend God nieuwe apostelen, met hun profeten, evangelisten, herders en leraren. Hij heeft hen geroepen, opgevoed, afgezonderd en uitgezonden. Hij heeft hen hun werk aangewezen en medewerkers gegeven. Hij heeft hen hun werk aangewezen en hen de hemelse voorbeelden getoond volgens welke ze werken moeten.

Hij heeft hen met Zijn hemelse macht uitgerust. Hij zendt niet om iets nieuws te beginnen, maar om weer op  te richten. Niet om te zaaien, maar om te oogsten, niet om te beginnen, maar om te eindigen. Niet om te verzamelen, maar om volkomen te maken, niet om de kerk te stichten, maar om haar kroon te zijn, niet om de bruid te vinden, maar om haar kroon te zijn, niet om macht te scheppen, maar om die te handhaven. Niet om op de Geest te wachten, maar om hem uit te delen. Niet om het A te leren, maar om het O. Niet om van de opgestane Heer uit te gaan, maar om Hem bij Zijn wederkomen te ontvangen.

Ze kunnen en zullen niet berechten de steden Israels, voordat de Zoon der mensen komt.

Nu echter werken zij om te redden hen die gered willen worden, en de resten van het christendom weer volledig te maken, om, zoals David, hun derde en laatste zalving te ontvangen, als de verzamelde stammen met een mond en een hart haar ambt erkennen en de Heer hen zal zetten over Zijn gehele erfdeel.             . 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

RECHTVAARDIGING prediking, in Dundee, Schotland, door Francis Sitwell, pinksteren 1860.

 

In deze prediking gaat Sitwell in het bijzonder in op de gedragingen van de protestantse en katholieke kerk en hoe de apostolischen hiermee moeten omgaan. Hoe de kerkeenheid te bereiken.

 

Epistel: Rom. 6:19- “Gelijk gij uw leden gesteld hebt om dienstbaar te zijn aan onreinheid en ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uw leden om dienstbaar te zijn aan de gerechtigheid, tot heiligmaking. Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de gerechtigheid. Wat vrucht da n hadt gij toen die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood. Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.”

 

Het Epistel van deze zondag geeft mij aanleiding om tot u te spreken van wat men gewoonlijk de rechtvaardiging noemt. De vraag, die vandaag bij mij opkomt, is: gelooft ge het Evangelie? Weet ge wat rechtvaardiging is? Gelooft de gemeente in deze stad met al haar leden in het Evangelie en wandelen zij in het geloof in de rechtvaardiging? Aanvaarden zij haar in al haar betekenissen, begrijpen zij de betekenis van wat zij zeggen – wat rechtvaardiging is, langs welke weg rechtvaardiging verkregen wordt, wat haar oogmerk is, en wat haar uiteindelijke bedoeling?

Welnu, om dit onderwerp te begrijpen is het nodig te weten, dat het woord rechtvaardiging verschillende betekenissen kan hebben. De bijbelvertalers hebben het betreffende Griekse woord, en sommige daarmee samenhangende woorden, niet altijd op dezelfde manier weergegeven; zo vertalen zij het woord dikaiosune nu eens met rechtvaardigheid, dan weer met gerechtigheid, maar in het Grieks staat er steeds maar een woord. Maar dat ene woord wordt in het Nieuwe Testament in twee verschillende betekenissen gebruikt. De ene betekenis is die van toegerekende gerechtheid of rechtvaardigheid (Gen. 15:6, Rom. 4:3), dat wil zeggen dat men wat als rechtvaardig bechouwd, ook rechtvaardig verklaard wordt, en de andere betekenis is die van toegediende rechtvaardigheid of gerechtigheid, dat wil zeggen, dat zij ons meegedeeld, in ons teweeggebracht wordt. En de betekenis waarin het woord rechtvaardiging verstaan moet worden, als toerekening of toediening van rechtvaardigheid of gerechtigheid, moet uit het verband waarin het gebruikt wordt opgemaakt worden.

Het feit dat men hier onvoldoende acht op heeft geslagen heeft geleid tot al de disputen over het woord rechtvaardiging, die de christelijke Kerk verscheurd hebben, en die totaal onnodig zijn geweest. De rooms-katholieken bestrijden de protestantse opvatting van rechtvaardiging, en de protestanten bestrijden de rooms-katholieke opvatting van rechtvaardiging, en beide partijen hebben volmaakt gelijk in wat ze staande houden, en hun dwaling ligt niet in wat zij beweren, maar hun dwaling is dat zij niet van hun broeder willen aannemen wat hij zegt en wat evenzeer waar is.

De rooms-katholieke, en het algemeen hoogkerkelijke, partij strijdt voor rechtvaardiging door het geloof in die betekenis, dat rechtvaardigheid, gerechtigheid, aan de mens wordt meegedeeld in het gebruik van Gods ordeningen: en zij strijden voor een groot, wezenlijk en belangrijk punt, in feite een waarheid zonder welke het onmogelijk is de bijbel ook maar enigszins te begrijpen.

Aan de andere kant strijden de protestanten en laagkerkelijken voor de toerekening van de gerechtigheid van Christus aan het geloof en door het bloed van Christus; en ook zij strijden voor een waarheid, zonder welke het geweten van de mens niet zuiver kan zijn en hij nooit God zal dienen als een kind, maar in een geest van dienstbaarheid, ondanks het gebruik van sacramenten en ordeningen.

En daarom, broeders, is het onze taak om die beide te combineren, ze allebei te gebruiken, ze allebei aan te nemen, en zo te wandelen in vrede met God en in gerechtigheid van leven. Er zijn twee boeken in het Engels, het ene geschreven door bisschop Bull, het andere door bisschop Rigman, de eerste van de hoogkerkelijke, de tweede van de laagkerkelijke partij: beide boeken zijn vol waarheid aan de kant die zij verdedigen en vol dwaling aan de kant die zij bestrijden.

Laten wij het eens bekijken in het tegenovergestelde: toerekening en mededeling van ongerechtigheid. Wij zijn allemaal kinderen van Adam. Adam is van nature en door voortplanting onze stamvader: in hem hebben wij gezondigd, in hem zijn wij gevallen, in hem zijn wij bedorven, in hem zijn wij verkocht onder de macht van de duivel, in hem zij wij veroordeeld tot smart, harde arbeid en de dood. Zij zonde wordt ons toegerekend. Wij sterven niet omdat wijzelf zondigen! Een kindje van een uur oud sterft al, ja, zelfs al voordat het geboren is, en het sterft omdat Adams zonde het wordt toegerekend. Wij worden geoordeeld in hem in wie wij allemaal gezondigd hebben en wiens zonde ons wordt toegerekend. Maar bovendien, als ge het onbevooroordeeld bekijkt, dan ziet ge dat de zonde van Adam niet alleen toegerekend wordt, maar ook meegedeeld, zodat ge in een kind van het allereerste ogenblik af zonde waarneemt. Het slaat naar zijn moeder als het nog geen week oud is; en zodra het allereerste besef van zijn omgeving ontwaakt is, zal het, als het iets geweigerd heeft dat hem aangeboden werd, en vervolgens wordt dat aan zijn hroertje aangeboden, er dan naar grijpen, waaruit blijkt dat jaloezie en schijnheiligheid al in het jongste kind aanwezig zijn. Zo ziet ge dus, dat de zonde van Adam niet alleen toegerekend, maar ook meegedeeld wordt, zodat een kind dat nog niet willens en wetens gezondigd heeft, sterft tengevolge van Adams zonde. En niemand van ons, hoe groot ook zijn zonde mag zijn, sterft de eerste dood tengevolge van zijn eigen zonde.

Zo zien we dat, zoals ik gezegd heb, dat niet alleen de zonde van Adam toegerekend wordt, maaar dat er ook een levende kiem van boosheid, een “wet der zonde” aan het werk is in het gevallen schepsel, waarover Paulus klaagt: Ik wil het goede doen, maar ik zie in mij een wet der zonde en des doods, die mij, ellendig mens, tot zonde en boosheid brengt (Rom. 7:15-26).

Er is in Schotland (waar de mensen erg van filosofische discussies houden) veel gediscussieerd over de “vrije wil”. Ik heb in een kathedraal in het buitenland een dispuut gehoord onder priesters, speciaal georganiseerd om het vraagstuk van alle kanten te bespreken. Ik heb hen er een uur lang over horen redetwisten of de wil vrij is, dan wel gebonden, waarbij de ene het protestantse standpunt verdedigde dat hij gebonden is, de ander dat hij vrij is, enzovoort. Ik had het gevoel dat zij streden over strohalmen! De vraag is niet, of de wil vrij is: Paulus zegt, dat zijn wil vrij was, en hij kon willen doen wat de Wet zei dat heilig en rechtvaardig en goed is; maar was hij vrij? Hij zegt: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van dit lichaam van zonde en van dood?” (Rom. 7:24). Dat was het: het lichaam was in dienstbaarheid!

Welnu, laten we, om “rechtvaardiging door het geloof” te begrijpen, bezien wat de oorsprong was van de zonde. God heeft de zonde niet gemaakt – alles wat God maakte was goed; en toen Hij de engelen maakte, vervulde Hij hen met macht en heerlijkheid, heerschappij en wijsheid, en al wat goed was. En één was er onder hen, die – voorzover wij kunnen onderscheiden achter het voorhangsel, voorzover wij kunnen beoordelen – de machtigste, de meest wijze, de geweldigste was, - Gods voornemen was van alle eeuwigheid af, zichzelf zichtbaar te maken. “Niemand heeft ooit God gezien”, ja en nooit zal dat het geval zijn: de wezens eigenschappen van de Almachtige maken het onmogelijk voor het schepsel om Hem te zien. De Almachtige is oneindig, Hij is onzichtbaar. Als enig schepsel  Hem zou kunnen zien, zou Hij niet langer onzichtbaar zijn; als enig schepsel Hem zou kunnen bevatten, zou Hij niet langer oneindig zijn. Het eindige schepsel kan de Onmetelijke niet bevatten, het is niet geweldig genoeg, het is er niet toe in staat. En toch, om geliefd, gevreesd, begrepen te kunnen worden, om gezien te kunnen worden, moest God een weg vinden waarlangs de Onzichtbare zichtbaar kon worden, de Ondoorgrondelijke begrijpelijk, de Oneindige omvat kon worden, In onze ogen zijn dat tegenstrijdigheden, en zijn ze volslagen onverenigbaar; maar voor God zijn ze dat niet. In de Persoon van Zijn Zoon, Mens geworden, wordt Hij zichtbaar en begrijpelijk; in de persoon van de heilige Geest wordt het mogelijk dat Hij omvat wordt door het schepsel.Als er geen Heilige Drieeenheid was, als de leer van de Unitariers waar was, dan moest God onzichtbaar blijven, onbegrijpelijk, onbekend, ongezien; maar door de ware leer, die van de Kerk, de leer van de allerheiligste Drieeenheid, Vader, Zoon en heilige Geest, waarbij de Zoon gekarakteriseerd wordt als het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, de Openbaring van Hem Die op geen andere manier geopenbaard kan worden,- daardoor kunnen we begrijpen hoe de wezenseigenschappen van de Almachtige zuiver behouden kunnen worden, en dat Hij toc h gezien en begrepen kan worden, en hoe Hij, doordat Hij gekend en gezien wordt, gewaardeerd, geliefd kan worden. Uw vrouw houdt van u, omdat zij u ziet, u kent, en u begrijpt.

En daarom, toen God in Zijn oneindige begrip en goedheid geliefd  wilden worden, - begrepen wilde worden om geliegd en gekend te worden, - toen openbaarde Hij zich in Christus Jezus; en dat voornemen was bekend gemaakt in de hemel eer de wereld er was. “Hij heeft ons uitverkoren in Hem (in de Zoon) voor de grondlegging der wereld” (Ef. 1:4) -  dat was dus niet na de grondlegging maar daarvoor. “Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, tot een onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u” (1 Petr. 1:3-4).

Maar er was één die weigerde zich hierbij neer te leggen, en dat was hij: de geweldige, de machtige, de aartsengel Satan; en hij weigerde ondergeschikt te zijn aan Christus. Hij weigerde afhankelijk te zijn van God; hij dacht, dat omdat hij machtig en sterk en wijs was, hij zijn krachten kon meten met de Almachtige. Hoogmoed drong binnen, en met de hoogmoed de zonde, en met de zonde de val, en het verlies van zijn hoge plaats, en eeuwig verderf.

Welnu, God wil u verhogen tot de hoogste plaats in de schepping. Hij wil u verheffen tot de troon van de Heere Jezus, welke troon verheven zal zijn boven alle engelen en overheden en machten, en boven alle machten van deze aarde. Gij zijt daartoe voorbestemd; maar God moet iedereen leren beseffen en weten, dat er maar Eén goed is, en dat is God. – Een jongeling kwam tot Jezus en zei: “Goede Meester” (dat woord moest eigenlijk vertaald worden: Leraar); maar de Heer berispte hem en zei: “Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.” En geloof me, geliefde broeders, dat is de sleutel tot het hele vraagstuk van de rechtvaardiging; en tenzij ge dat goed in uw gedachten geschreven hebt, dat er maar Eén goed is, zult ge nooit ooit maar een deeltje van de Schrift begrijpen, en waarom ge vergaderd bent in de kerk. Maar wanneer ge deze fundamentele waarheid weet, dat alleen God goed is, en dat niemand in Zijn nabijheid kan verblijven dan degenen die goed zijn, en dat Hij alleen u goed kan maken en goed kan houden, - dan kunt ge begrijpen waarom wij u oproepen om u te bekeren en het evangelie te geloven.

Bekeert u! Ik wilde dat wij bovenop de kathedraal van Dundee konden staan en tot iedereen roepen: bekeert u! En waarom dat bekeren? Omdat niemand kan vertoeven in de tegenwoordigheid van de Goede, dan wie goed is! Zal iemand van u een slecht, verdorven mens in huis brengen om bij uw kinderen te wonen? Natuurlijk niet! Natuurlijk zoudt ge tot zo iemand zeggen: In mijn huis is er voor u geen plaats! En de mens is het beeld van God, en hij beeldt in een kleine mate, voor het geopende oog, uit wat de Onzichtbare is. Er is niemand goed, dan God; en als gij en ik bij Hem willen wonen, dat moeten we eerst rechtvaardig gemaakt worden, en als wij niet rechtvaardig gevonden worden op de dag van de openbaring van de kinderen Gods, dan zullen  wij niet temidden van hen geopenbaard worden als kinderen Gods.

Satan kwam en verleidde de mens en vertelde hem dat hij goed kon zijn buiten God om; en hij beweerde God heeft u dat niet verboden omdat Hij u liefheeft, of weet wat slechts voor u is, maar Hij gunt u de boom niet, omdat ge onafhankelijk zoudt zijn en wijs en goed, als ge eet van de boom. En zo drong de hoogmoed bij de mens binnen en werd ook hij een gevallen schepsel, en werd de toestand van de mens verdorven tot in het diepst van zijn hart (tenzij een mens wederom geboren wordt!). Hij hij werd weggezonden uit Gods nabijheid; hij werd uit het paradijs verbannen; en als God ons daar had gelaten, toen wij de Cherubim de rug toekeerden, en Hij niet een middel gevonden had waardoor wij ons konden omkeren, met ons gezicht naar de Cherubim, naar het Hof van Eden, en konden terugkeren in het paradijs en in de tegenwoordigheid van onze Vader, dan zouden we in eeuwigheid daarbuiten hebben moeten blijven.

De mensen gebruiken het woord bekering – wat is bekering eigenlijk? Ik loop weg met mijn rug naar het altaar; ik keer mij om en loop ernaar toe: dat is bekering! Bekering is het omkeren van wat we deden toen we uit het paradijs weggingen; het is terug gaan naar God onze Vader. En bekering is niet iets dat even begonnen wordt en waar we in een ogenblik klaar mee zijn; maar bekering is iets dat op een bepaald ogenblik, zolang we hier zijn, begonnen moet worden, maar dat, geloof me broeders, niet voltooid is voor de dag van onze verlossing. Onze gezegende Heer is gekomen om de verbannen mens terug te brengen. God legde op Hem de last van onze menselijke natuur. Hij rustte niet voordat Hij teruggekeerd was in de tegenwoordigheid van Zijn Vader, welke tegenwoordigheid en Wiens schoot Hij om onzentwil verlaten had. En nu is het aan ons, om ons in de kracht en in de genade van Christus te bekeren, dat is: ons gezicht naar Hem toe te keren en naar Hem toe te lopen, ons voorwaarts te haasten, wetende dat de duivel die ons uit het paradijs verdreven heeft, ons indien maar enigszins mogelijk zal beletten terug te keren, en dat ons eigen vlees en de wereld om ons heen, die in het boze ligt, ons zullen hinderen zoveel ze maar kunnen. O, weet ge niet de macht van de boze, de reusachtigheid van zijn leger, de aanwezigheid van zijn boze geesten die de wereld vervullen, en die u trachten te beletten, niet zozeer om een begin te maken met de bekering, maar om het pad van bekering te blijven volgen!

En nu, waarvan hebben we ons te bekeren? In de eerste plaats: van de jongste tot oudste onder ons hebben wij ons ervan te bekeren dat wij een verdorven schepsel zijn.  Doet het u leed, dat ge verdorven bent? Is het u een diepe smart, dat ge zonde in uzelf aantreft? Heeft de almachtige God, Die u gemaakt heeft, dat soms in u gelegd? Hoe is het daar dan gekomen? Ge hebt u ervan te bekeren, elk van u, dat ge in Adam gezondigd hebt, dat ge in de wereld gekomen bent als een met schande beladen, ontaard, zondig, verdorven schepsel dat een wet van zonde en van dood in zich draagt die, als ge haar niet kwijt raakt, u zal meesleuren in de tweede dood. Wie kan u dus goed maken, wie kan u verlossen van deze wet van zonde en dood? Er is slechts Eén goed, dat is God, en ge moet tot Hem naderen teneinde gerechtvaardigd in de betekenis van toediening van gerechtigheid te zijn. Maar hoe kunt gij, een zondig schepsel, naderen tot de Ene Goede, teneinde goed gemaakt te worden? Door toerekening van gerechtigheid, doordat uw geloof gerekend wordt tot gerechtigheid! Want als het de boosheid was van het schepsel dat het tegen God in opstand kwam, dan zal op het moment dat ge u bekeert van een gevallen schepsel te zijn, en van uw eigen zonden die gij daaraan hebt toegevoegd, en ge het Evangelie gelooft dat Hij gestorven is opdat Hij u een rechtvaardig mens zal maken (op dezelfde manier waarop Abraham geloofde dat God aan zijn vrouw een kind zou geven, ondanks haar hoge leeftijd), op Hem vertrouwend, tot Hem naderend in dat geloof, Hem erkennend als de Ene Goede, - dan zal op dat moment uw geloof u toegerekend worden als gerechtigheid. Als ge gelooft dat Hij het zal doen, ook al verzetten al de machten van de hel, en uw eigen boze hart, zich ertegen, dan rekent Hij u gerechtigheid toe, opdat ge tot Hem kunt naderen zonder vrees.

En zoals Hij Abraham gerechtigheid toerekende, zo rekent Hij u Zijn gerechtigheid toe, - en wel opdat ge van de oude Adam bevrijd zult worden. Ge ontvangt de Heilige Geest, ge verkrijgt het nieuwe leven, om u in staat te stellen om op de rechte weg te wandelen; en dan hebt ge de bedieningen van Zijn Huis om u te helpen voort te gaan tot aan de opstanding.

Zo wordt ge dus gerechtvaardigd door:

  1. geloof,
  2. het Bloed van Christus,
  3. de gerechtigheid van Christus,
  4. het Woord van Christus,
  5. de bedieningen van Christus,
  6. de sacramenten van Christus,
  7. de werken, en uiteindelijk door:
  8. de opstanding.

En wanneer ge dan van dit lichaam van zonde en van dood verlost bent, en ge ontvangt uw nieuwe lichaam bij de Opstanding, dan wordt ge niet meer alleen als een rechtvaardige gerekend, maar dan bent ge er ook één in werkelijkheid. En wanneer God dit met u bereikt heeft, dan zal Hij u aanstellen om bedienaren van gerechtigheid te zijn voor de hele wereld in eeuwigheid.

Daarom, geliefde broeders, denk hieraan: bekeer u van de zonde van Adam, en, om Gods barmhartigheid wil, houd ermee op de zonde van Adam nog te vermeerderen! Gij zijt hier bijeen vergaderd om te laten zien wat rechtvaardigheid betekent. Laat de wereld om ons heen zeggen: Waarin zijn deze mensen nu eigenlijk beter dan wij? En terwijl ge berouw hebt – wat een deel is – om verlangt rechtvaardig gemaakt te worden – wat een tweede bestanddeel is – en geloof hebt ook al lijkt het onmogelijk, komt tot Hem om het aan u te laten voltrekken. Weet dat het bloed van Christus reinigt van alle zonden! God ziet uit naar de tijd dat Hij Zijn voornemen aan u zal verwerkelijken, wanneer ge ten volle zult verstaan dat rechtvaardiging twee betekenissen heeft. In eeuwigheid zal gerechtigheid u toegerekend worden. Het is de rechtmatige instelling van het schepsel tegenover God, zich van Hem afhankelijk te weten. En in eeuwigheid zal er de toediening van gerechtigheid zijn. Hij Die u gemaakt heeft zal u in alle eeuwigheid goed houden, omdat ge vertrouwt op de Almachtige.

          

      

 

REISDAGBOEK VAN EEN ENGELSE APOSTEL

 

Hieronder volgt een vertaald uittreksel uit de aantekeningen die een Engels geestelijke, John Henry Church (10-05-1787/16-9-1865),in het voorjaar 1837 maakte tijdens zijn reis door ons land.

 

1837

19 maart: In gezelschap van Mr. Hill uit Albury vertrokken  naar Londen, op weg naar Nederland.

21 maart: Om 7 uur v.m. ingescheept op de "Columbine".

22 maart: Om 1 uur n.m. in Rotterdam aangekomen en ons intrek genomen in het ons aanbevolen hotel "Pays Bas". Bezochten de heer Moens; deze druk "in zaken", wat het karakter van de stad medebrengt. Maakten de        avonddienst in de Grote Kerk mede; ongeveer 500 aanwezigen; eerbied bij sommigen, onverschilligheid bij anderen; allen zingen zeer luid en hebben  kerkboeken.

23 maart: Vroeg op voor een dienst in de Joodse synagoge..s'Middags per diligence doorgereisd naar Den Haag,  via Delft, en daar het door de heer Corbet gerecommandeerde Hotel "Het Hof van Berlijn" opgezocht in de Heerenstraat.

24 maart: Onze introductiebrief afgegeven bij Monsieur Hengepeter van het museum. Hartelijk ontvangen als        Christelijke broeders.

25 maart: Bezochten de Kloosterkerk. De Koning en zijn zoon waren aanwezig en bogen bij het binnenkomen naar de gemeente, precies zoals ook in Londen gebruikelijk is bij gewone diensten ... s'Avonds in de Franse                Kerk. De voorganger Monsieur Secretain, preekte voornamelijk over de predestinatie. Door de heer                Hengepeter geintroduceerd bij de heer Schijff,  Boekhorststraat, en afgesproken daar te logeren.

27 maart: Intrek genomen bij de heer Schijff. s'Morgens wandeling naar Scheveningen gemaakt en daar                   geluncht. Naar huis geschreven.

28 maart: De studie van de Nederlandse taal aangevangen: een  leraar om 7 uur 's morgens a fl. 1,50 per les en een om 10 uur a fl. 1,--.

30 maart: Onze opwachting gemaakt bij de heer Capadose, een bekeerde Jood, en langdurig met hem gesproken over de Hoop op het Koninkrijk Gods ...

31 maart: Studie. Onze introductie voor de Britse ambassadeur afgegeven.

 1 april: Zondag. 's Morgens in de Kloosterkerk ... Om 5 uur  in de Lutherse Kerk. Er werden 2 kinderen gedoopt ...

 2 april: De gehele morgen gestudeerd. En familie gedineerd  met de Britse ambassadeur, Sir Alex en Lady Mallet.

 4 april: Tot half twee gestudeerd. 's Avonds een lang gesprek met de heer Henzepeter (over het Raadsbesluit Gods met Zijn Kerk).

 5 april: Wandeling naar het Huis ten Bosch en dit van binnen bezichtigd.

 8 april: In de Franse Kerk. Ds. Secrestan wijdde uit over het lijden van Christus, daarbij zeer werkend op het          menschelijk gevoel. In de Engelse Kerk niet meer dan 30 personen: dienst zonder veel leven. In de middag          dienst om 2 uur in de Grote Kerk: Ds. Mol; eenvoudig en, voor zover ik de preek kon volgen, ernstig opko-          mend voor de waarachtige Mensheid van Christus. Om 5 uur weer in de Grote Kerk (ca. 1500 mensen), waar

Ds. Molenaar, een ernstig prediker, zijn rede eindigde met de uitroep "Kom Heer Jezus, ja kom haastig".

10 april: Op bezoek bij de heer Capadose en anderhalf uur met hem gesproken (over de Wederkomst van Christus).

12 april: Donderdag. Naar Delft per trekschuit. De heren Schijff en Jongbloed, Leidse studenten, toonden ons        het monument voor Willem I. Grotius.

16 april: Studie tot half een. In de Nieuwe Kerk: Simon Verhoeven, een bijzonder begaafd prediker...

17 april: Sir E. Disboro bezocht. 's Avonds Nederlandse les:  "Moeder en Suigeling" (bij Schijff). Volgens Heer

Jongbloed zijn hier de huwelijkswetten als in Frankrijk ...

18 april: Naar Rijswijk gewandeld. Opnieuw bij de heer  Capadose.

19 april: Bij de Britse ambassadeur.

20 april: Brieven van mijn broeder, mijn vrouw en Mr. Cardale.  's Avonds een gesprek met Monsieur van Renesse, een zeer scherpzinnig man ...

21 april: Bij de heer G. la Grand, onze leraar Nederlands, een document achtergelaten ter vertaling van het Frans     in het Nederlands ... 's Avonds bij de heer  Hengepeter.

22 april: Zondag. In de Grote Kerk: Ds. Rooseboom. Viering van het Heilig Avondmaal (ca. 1500 deelnemers) ...

24 april: Per trekschuit vertrokken naar Haarlem: vonden het een prettig vervoersmiddel. Ongeveer 3 uren. De heer Schijff jr. vergezelde ons. In Leiden door tussenkomst van de heer Jongbloed kennis gemaakt met een              jong student die ons het Historisch Museum toonde  Logeerde in "De Leeuw". Aan de table d'hotel een 12-tal studenten.

25 april: Tegen de avond doorgereisd naar Haarlem. Om 9 uur in  "De Gouden Leeuw" ...

26 april: Voor de lunch de stand verkend en een lijkwagen gevolgd naar een begraafplaats bij Bloemendaal.            Blijkbaar een arm persoon die geen enkele familierelatie of vriend had om hem op zijn laatste tocht  te vergezellen en die zonder enig godsdienstige plechtigheid onder de grond gestopt werd. Bezochten het Museum Teylers en daarna de kwekerijen van ... (naam ontbreekt) waar we enkele zaden kochten voor de heer Irving. Bezichtigden een groot buiten, vroeger eigendom van Mr. Hope in Amsterdam, later aangekocht door Louis Bonaparte, en thans eigendom des Konings.  Verlieten Haarlem om 5 uur per trekschuit, op weg naar Amsterdam. Ongeveer halfweg is er een interessant punt waar men van de ene schuit in de andere moet overstappen. Enkele sluizen hier scheiden het  Y van de Haarlemmer Meer ... Naast het kanaal is een spoorweg in aanleg. De rijweg loopt er vlak

naast. Het zal curieus zijn, de vervoersmiddelen op deze 3 paralelle wegen straks tegelijk in bedrijf  te zien; op de ene baan met een snelheid van misschien wel 3 mijl per uur, op de andere met een snelheid van resp. 10 en 3 mijl per uur. De schipper scheen geen vrees voor concurrentie te hebben. In Amsterdam ons bivak opgeslagen in "Het Wapen van Londen", Warmoesstraat.

27 april: Onze kaartjes afgegeven bij de heer Koenen, Keizersgracht, bij Utrechtsche straat. Daarna de stad beke-

ken ...

28 april: Een gesprek van bijna 3 uur met de heer Koenen (over de werkingen van de Heilige Geest) ... Bij het         afscheid gaf hij ons een introductie voor de heer W. de Clercq, die we later op de dag bezochten. Hij had van       onze aanwezigheid in Den Haag gehoord. Met hem dezelfde onderwerpen besproken ... De heer de Clercq introduceerde ons bij Mr. Is. Da Costa. 's  Avonds bezochten wij de Portugese Synagoge, die naar men zegt, gebouwd is volgens de Tempel van Salomo.  Een ruim gebouw, maar helaas geen glorie.

29 april: 's Morgens in de Nieuwe Kerk. Preek over Titus 2 ... De Koning en andere leden van het Koninklijk Huis

aanwezig. De heer Koenen, die ons opzocht, informeerde naar een brief die hij destijds aan Irving had geschreven s Avonds in de Franse Kerk nog geen 100 personen; de dominee, een man op  leeftijd, moet niet erg populair zijn. Hij preekte over Col. 2:11.

30 april: Bezochten de heer Huet, 252 Bloemmarkt, met wie wij al eerder kennis hadden gemaakt. Een zeer voorkomend man... Bezochten ook de heer Mollet, de enige Quaker in Nederland, Reguliersgracht bij de Heerengracht. Hij bleek geen erg hoge dunk te hebben van de toestand waarin de Christenheid verkeerd ..Hij had juist een brief gekregen van een zekere heer Ross, een Quaker in Hammersmith, die hem het bekende                  tractaat had toegestuurd, waarin Steward de Christenen oproept om zich in gebed te verenigen en  te smeken om een uitgieting van de Geest. De heer Mollet was van plan te voldoen aan het verzoek van Ross om het stuk in het Nederlands te vertalen.

 1 mei  : Naar Zaandam ... In de kerk viel ons een schilderij op, voorstellende de kerk zelf, geheel gevuld met            koeien, hoornvee en mensen. Dit moet werkelijk gebeurd zijn in 1825 toen hoog water allen dwong                daarheen te vluchten omdat de wijde omgeving geheel overstroomd was: een treffende voorstelling van de              waarheid dat de Kerk de plaats van redding is voor alle schepselen. s Avonds doorgereisd naar Utrecht,             een reis van ongeveer 4 uur ...

 2 mei  : Ons eerste bezoek gold Dr. Kohlbrugge, met wie ik vroeger had gecorrespondeerd. Drie uur lang hadden

we een interessant gesprek ...

3 mei  : Weer bij Dr. Kohlbrugge (Zuilenstraat) ...

 4 mei  : Per diligence naar Leiden, maar direct doorgereisd  naar Den Haag, waar we ons oude kwartier in de

 Boekhorststraat weer opzochten ...

 6 mei  : In de Nieuwe Kerk: Ds. Molenaar over Joh. 18. Om 2 uur in de Franse Kerk, war Ds. Secretain sprak             over "het gebed".

 7 mei  : ...'s Avonds naar de heer Hentzepeter; hij bleek niet thuis. Trof hem later bij de heer Schijff.

 8 mei  : Bij de heer Capadose een zeer interessante jongeman ontmoet, die in dienst stond van de Prins van            Oranje. Hij verlangde ernaar Christus te dienen.

10 mei  : Op zijn verzoek nogmaals bij de heer Capadose geweest. Hij wilde van gedachten wisselen over het          vaccinatievraagstuk ...

11 mei  : Afscheidsbezoek bij de heer Hengepeter.

12 mei  : Om 8 uur v.m. naar Rotterdam gereisd en ingescheept op het s.s. "Giraffe" dat om 12 uur naar Londen       vertrok.

 

 

 

 

 

 

 

HET DONAUMOERAS IN ZUID-DUITSLAND.

 

Het gebeurt vaak dat praktisch identieke gebeurtenissen bijna te gelijkertijd in verschillende delen van de wereld voorkomen.

.Ook de Heilige Geest, de geest die van Hem uitgaat, werkt tijd- en plaatsovereenkomstig. Weliswaar blijft het doel, de mensheid weer tot God terug te leiden, dezelfde, de wijze waarop kan verschillen. Rond de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw begon zich op vele plaatsen tekenen te openbaren van een spoedige uit­storting van een "tweede spade regen" die zou leiden tot herstel van de, in het verleden verloren gegane, gaven en geestelijke ambten. In het voorgaande werd reeds geschreven over de verschillen­de publica­ties met betrekking tot de spoedige wederkomst van Jezus. Deze publicaties verschenen onafhankelijk van elkaar in vele landen van Europa. Ook geestesgaven, die in de vroege kerk reeds voorkwamen en die in de bijbel beschreven staan, kwamen opnieuw tot ui­ting.

Omstreeks 1800 baarde Ds. Wangemann, een geestelijke in Pommeren, groot opzien en beroering door het genezen van zieken na het bidden en smeken daarom, door de kracht van de heilige Geest.

 

Voor het jaar 1790 bestond het moerasgebied van de Boven-Donau in Beieren uit een enorme modderpoel van ongeveer vijftien kilometer in de breedte en dertig kilometer in de lengte. Het was het hele gebied tussen Neuburg a.d. Donau en Ingolstadt. Voor de drooglegging was dit gebied, op enkele plaatsen na, bijna ontoegankelijk en velen hadden er reeds de dood gevon­den. Heel sinister heette een plek in het moeras de "Bruidsvloer" omdat een grote bruidsstoet die verdwaald was, erin verdwe­nen was. In 1790 begonnen de werkzaamheden om het moeras droog te leggen.

De geestelijke Lanz had daarvoor een plan ontworpen en de fondsen in het leven geroepen om het geheel te financiëren.

Vijf jaar later was het hele gebied drooggelegd.

Daarna verbeterde snel het klimaat en de grond zette zich om in turf van het goede soort en van een enorme laag.

Na de drooglegging stroomden van alle kanten mensen toe en werden zonder veel formaliteiten in de kolonie opgenomen.

Terwijl de eerste families die zich er vestigden vrijgesteld werden van belasting en rente-afdracht, werden de latere kolonisten zo zwaar belast dat de afdracht vaak de inkomsten overtrof, waardoor een verdere groei van de kolonie uitbleef.

De plaatselijke overheid verhielp dat door overal bedelaars van de straat te halen, toestemming gaven om te trouwen (een toestemming die in het toenmalige feodale Beieren nodig was) en een stuk land gaven om te  bewerken. Zo werd het Donau­moeras een kweekplaats van bedelaars en dieven.

 

In het midden van het Donau-moeras lag de grootste kolonie: Karlsh­uld.

De eerste kolonisten vestigden zich in de jaren 1796 en 1797 op het land dat behoorde aan een adelijke bezitter. Karlsh­uld zou model moeten staan voor wat een nederzetting zou moeten zijn. De land­heer wilde daarom niet meer dan 20 gezinnen huisvesten. Deze gezin­nen zouden dan zoveel land verbouwen als ze voor hun levensonder­houd nodig zouden hebben.

Helaas ging dit voornemen niet door. Weldra leefde binnen het kleine gebied zo'n 126 gezinnen. Door dat grote aantal heerstte in Karlsh­uld bijzonder slechte sociale omstandigheden.

Toen Lutz er in 1826 arriveerde, leefde het grootste deel van de bevol­king in hutten, opgetrokken van hout, op de sponsachtige turfbodem. Een lage en donkere kamer, een tweede "kamer" nog slechter, was de slaapkamer voor het hele gezin. De vloer was de kale aarde bedekt met wat karton. Als het lang regende sloeg de damp, door­trok­ken van de turfgeur, door het hele "huis", wat de gezondheid niet ten goede kwam.

Bedden waren bijna nergens aanwezig, de slaapplaats bestond uit een bundel stro. De kleding, lompen, dienden sEQ \O(', )nachts als dekens. De voeding was weinig en slecht. Degenen die dagelijks brood hadden golden als rijk. De meesten hadden voor een paar weken brood en moesten dan leven van de slechte moeras-aardappels.

"Ik zou met mijn aardappels tevreden zijn" zei in de strenge winter van 1820 een kolonist, "als ik er maar wat zout bij had".

"ik hoef geen zout", zei een ander, "als ik voor mijn kinde­ren maar wat aardappelen had".

Het behoeft verder geen betoog dat in dit ellendige verpau­perde gebied voor religieuze en onderwijszaken weinig tot niets werd gedaan.

Geld had men er niet voor en ook de landeigenaren hadden daar niets voor over, integendeel, zij verlangde ook nog een onredelijke belasting in natura. Mensen, die zich het lot van de kolonisten aantrokken, klaagden over deze toestand bij de dekaan en priester van Weichering, Eust­ach Rieger, de latere Domkapittel van Augs­burg.

Hij bracht deze klachten over aan Keizer Maximilian. Deze grootmoe­dige vorst kocht in 1825 voor een niet gering bedrag Karlshuld dat toen staatseigendom werd.

Nu zou voor de kolonie een betere tijd aanbreken. Er werden plannen gemaakt voor het bouwen van een kerk, een pastorie en een school. Helaas overleed Keizer Maximilian in 1826 en ging de regering over aan zijn zoon Ludwig. De mooie plannen verdwenen weer in een bu­reaulade en bleven daar voorlopig liggen.

Hoewel het in onze huidige tijd vaak ontkend wordt is in het verle­den bevestigd dat geloof en zedelijkheid een door niets anders te vervangen grondslag vormt voor het burgerlijke en maatschappelijke welzijn.

Religie, als die is wat het behoord te zijn, hereniging van de van God afgevallen mensheid met God, de oerbron van alle waarheid, heiligheid en zaligheid, door de ene bemiddelaar, Gods Zoon, Jezus Christus, bepaald het hele handelen en leven van de mens, brengt hem in onmiddellijke nabijheid met God, door Christus, doordringt en vervult hem zo met hemelse wijsheid, goddelijke gerechtigheid en eeuwige zaligheid.

Het ontwikkelen en in stand houden van een gezond  geloofs­leven  moet voor de mens die streeft naar harmonie en vrede, het belang­rijkste zijn. Daarvoor zijn nodig de juiste leraren en middelen.

Dat alles ontbrak in Karlshuld. De arme kolonisten vormden een aan zichzelf overgeleverd leger dat alleen maar voor het welzijn van de grootgrond-bezitter had te zorgen. Religie- en schoolonderwijs bestond in de eerste jaren totaal niet.

Daarvoor moest naar Weichering getrokken worden, zo’n anderhalf uur lopen.

 

De geestelijke verzorger van Weichering, die ook de zorg voor de kolonie Karlshuld had, kon dan ook weinig doen. Als in de loop der jaren de onzedelijkheid in Karlshuld hand over hand toeneemt, groeit het besef dat de kolonie een eigen zielsverzorger nodig had.

De man die deze taak op zich zou nemen had de verantwoorde­lijkheid voor ruim 900 zielen, waarvan ruim 100 kinderen die ook schoolon­derwijs moesten ontvangen. Hij moest priester, onderwijzer, misdie­naar, organist en lijkbezorger zijn, een armoedig hout huisje als woning hebben en per gezin 2 gulden en 20 franken per jaar ontvan­gen.

Dat alles was zo karig dat er voor de kolonie jaren geen zielsver­zorger te vinden was. In die jaren zonk het geeste­lijk en zedelijk peil op schrikbare wijze. Zo waren er onder de 60 à 70 ongehuwde vrouwen velen die meerdere kinderen hadden, vaak van verschillende mannen. Bloedschan­de en overma­tig alcoholgebruik met alle gevolgen van dien, waren aan de orde van de dag.

 

Zo was  de toestand in Karlshuld tot de lieve God besloot in te grijpen.

In de zomer van het jaar 1826 bezocht de Bisschop van Augs­burg, Ignaz Albert von  Riegg, het noordelijke deel van zijn bisdom, waaronder ook het beruchte Donau-moeras en de kolo­nie Karlshuld. Hij zag daar de door brand aangetaste pastorie, het verval­len kerkhutje en de erbarmelijke situatie van de kolonisten. Hij zag een kudde zielen, in lompen gehuld, mager, als schapen zonder herder. De bisschop was tot in het diepst van zijn ziel getroffen en bracht woorden vol vuur en kracht, genade en erbarmen. Die woorden hadden effekt. Er werd hem gesmeekt een geestelijk verzorger te zenden die orde kon scheppen en het evangelie prediken, die de genademiddelen kon verstrek­ken. Vol zorg vertrok de bisschop naar de pastorie van Weichering en schreef dezelfde avond nog een brief aan de koning over datgene wat hij had gezien.

 

Hier, in de pastorie van Weichering, was het ook dat de bisschop de gedachten kreeg en tot het besluit kwam om Johannes Evangelist Georg Lutz, de toenmalige vicaris van Grimoldsried, naar Karlshuld te halen.

 

Lutz werd geboren op 12 maart 1801 in Burg. Zijn ouders waren boeren en hij was de oudste van zes kinderen.

Tot zijn zeventiende jaar volgde hij het Gymnasium en het Lyceum. Omdat door het overlijden van zijn vader het gezin in armoede verviel, was er geen geld meer om verder te studeren. Het zag er slecht voor Johann uit maar ook hier toonde de lieve God Zijn oneindige liefde. Invloedrijke personen trokken zich zijn lot aan en stelden Lutz in staat om zijn studie voort te zetten en met de bemerking "uitste­kend" af te sluiten.

In 1823, dus 22 jaar oud,  werd hij gewijd tot priester, zielzorger en biechtvader voor de plaatsen Weissenhorn, Burg, Unterroth en Grimoldsried, Een jaar later werd hij vicaris (plaatsvervan­ger van o.a. de pastoor) van Grimoldsried.

Met grote trouw en ijver oefende hij zijn ambt uit, steeds erop bedacht zijnde om te dienen als een knecht des Heren.

Uitgerust met een buitengewone predikersgave verstond hij het om zijn toehoorders te boeien. Ondanks deze natuurlijke gave hoedde hij zich voor eigenwaan en bereidde elke dienst terdege voor.

Het was geen gemakkelijke taak en na twee jaar wilde hij de Bis­schop van Augsburg om overplaatsing vragen. Toen hij de brief aan het schrijven was kwamen twee vrienden, die aanwe­zig geweest waren bij het bisschoppe­lijke bezoek aan Karls-h­uld, met de mededeling dat hij daarheen gezonden zou worden.

Toch bleef de bisschoppelijke verordening uit omdat er twijfels waren of Lutz zijn post, waar ook zijn moeder en de andere kinderen woonden, zou kunnen verlaten. Na een reis naar Augsburg kwam eindelijk het decreet met als datum 26 mei 1826. Daarin stond o.m.

"In bijzonder vertrouwen op de kennis, wijsheid en beroeps­eer, verbonden met een geheiligde priesterlijke wandel van de heer vicaris Georg Lutz in Grimoldsried, werd als maatre­gel genomen hem naar Karlshuld over te plaatsen".

Voordat Lutz naar Karlshuld vertrok wilde hij eerst samen met zijn moeder zijn nieuwe woonplaats bekijken. Voordat ze echter  Karlshu­ld bereikt hadden werd zijn moeder angstig door de spook­achtige omge­ving en wilde terug. In de hele omtrek voor geen behoorlijke weg te vinden. Bij elke stap zakte de schoenen diep in de modder. Lutz wilde als eerste de burgemeester bezoeken en vroeg een man, bedekt met modder en vuil van het turfsteken, waar hij deze kon vinden. Tot verrassing van Lutz antwoordde de man: "De burgemeester, dat ben ik."

 

Op 23 augustus 1826 kwam Lutz in zijn nieuwe gemeente, Karlshuld, aan. De zondag daarop, 27 augustus hield Lutz de eerste dienst in de open lucht omdat de kerk niet te gebruiken was. Op het erf van een inwoner, Joseph Schedelbauer, werd een platform gebouwd dat dienst deed als altaar. Rondom stonden, zaten en lagen de toehoor­ders. Mensen die uit alle woonstreken van Duitsland naar het Donau-moeras waren getrokken, uit allerlei geloofsgemeen­schappen.

Als tekst gebruikte Lutz 1 Kor. 2:2: “Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus”.

Behalve de kerk was ook de school onbruikbaar. Naar allerlei vrien­den en instanties schreef Lutz over de erbarmelijke toestanden in Karlsh­uld. Dat bracht vele harten in beweging en er werd hulp geboden. De regering stelde ruim 650 gulden ter beschikking voor de bouw van een school. Particu­lieren schonken schoolboeken en andere leermiddelen.

 

Door de predikaties van Lutz, vol erbarmen, kracht en gena­de, nam het geloof toe en berouwde men de tot dan gevoerde levenswijze. Velen vonden het geloof terug dat ze door de bittere omstan­digheden verloren hadden.

Op een avond vervoegde zich een man bij Lutz aan de deur, vertelde dat hij en zijn broer de weg tot God terug gevonden hadden en wilde biech­ten. Lutz nam de biecht af, schonk de genade Gods maar liet ook de andere broer bij zich komen.

Aan hem vroeg Lutz wat er precies gebeurd was. Deze vertelde: "Toen we gisteravond met elkaar tot 10 uur gelezen hadden, ging ik de kamer uit om naar bed te gaan. Mijn broer bleef nog op. Toen ik in bed wilde stappen voelde ik mij gedreven om voor mijn broer te bidden. Ik  knielde voor mijn bed en bad tot 11 uur dat de Heer met mij en mijn arme broer erbarmen zou hebben en ons zou willen bekern van onze zonden. Hij kan dat, als Hij wil. Om 11 uur hoorde ik uit de kamer een schreeuw en lawaai. Ik snelde naar beneden en vond mijn broer".

Zelf had deze man enige weken eerder een boekje gelezen dat hem tot inkeer had gebracht en hem ertoe had aangezet weer regelma­tig te bidden. Het openbaar worden van Gods genade beperkte zich niet alleen tot deze broers. Zo berouwden vele kolonisten hun voormalige levenswan­del en kwamen opnieuw tot geloof.

 

Toch zonk de gemeente weer ineen, vooral na de hongerwinter die volgde. In de winter van 1829/1830 steeg de nood bijzonder hoog. Het vroor bijzonder streng. In de zomer had een zware storm praktisch alle koren vernietigd, nu bevroren de opgeslagen aardappelen.

In januari 1830 viel het Lutz op dat de schoolkinderen tussen de middag niet naar huis gingen. Het bleek dat er thuis toch niets te eten was. Toen hij één van de kinderen vroeg of deze s'morgens wel gegeten had antwoordde deze huilend: "Nee". "En gister­avond?", vroeg Lutz, "ook niets". Van alle andere kinderen hoorde hij hetzelfde. Voor hem zaten vijftig uitgemergelde kinderen. Thuis had Lutz nog enige broden en drie of vier gulden. Dat was voldoen­de voor de eerstvolgende dagen.

In deze dagen (1829/30) liet Lutz ook een vlugsschrift drukken met de volgende  tekst::

 

In de kolonisten-gemeente op het Donaumoeras, heerst, zoals bekend grote armoede en nood. Deze armoede en nood bereikte in de afgelopen winter een punt, zoals dat tot nu toe zelden het geval was. De kolonisten verloren in de zomer van het afgelopen jaar door slechts weersomstandigheden het grootste gedeelte van hun graan en hennep, de nu al lang aanhoudende en op het moeras buitengewoon strenge kou, beroofde hen van hun laatste voedingsmiddelen –de aardappels waren bevroren en onbruikbaar. Zeer vele, en daaronder zeer nette families, hebben al wekenlang geen stukje brood meer te eten, om zich van de hongerdood te redden, voeden zij zich met de bevroren, half vergane aardappels, en vielen hebben dat zelfs niet meer. Vele vechten tegen een hongerdood, en dat in de ware betekenis van de uitspraak. Deze ellende laat zich ook bijzonder bij de schoolkinderen bemerken. Velen moeten een half, driekwartier of een heel uur lopen om de school te bereiken. Daar zitten ze dan, en hebben de hele dag honger. Komen ze ’s avonds thuis, dan is ook hier niets, of –als het goed gaat- half verrotte moerasaardappelen te eten. Om tenminste de kinderen voor de hongerdood te redden, laat ondergetekende tweemaal, ‘s middags en ’s avonds, brood verdelen aan 52 kinderen (dat getal groeit echter uit naar 74 tot 80). Omdat echter zijn maandelijks inkomen niet voldoende is, om zo velen te voeden, en er gevreesd moet worden dat, als er niet snel hulp komt, ziekten zullen uitbreken, als het al geen hongerdood is, en omdat de ondergetekende de nood van zijn hulpbehoevende gemeente het beste kent, voelt hij zich door zijn geweten verplicht, elk middel te proberen om aan deze ellende een eind te maken. Daarom wendt hij zich vol vertrouwen tot edele mensenvrienden met het hartelijke verzoek hem zoveel mogelijk brood, aardappelen of ander eetbaars te zenden, zodat de bovengenoemde schoolkinderen nog enige weken voedsel krijgen, evenals de allerergst getroffen familie’s.

Geldbedragen zullen voor aankoop van brood gebruikt worden. Als enige mensenvrienden zich hierdoor aangesproken voelen om hun hongerende medemensen een helpende hand te bieden, dan worden ze eerbiedig verzocht hun bijdragen te zenden of door een vertrouwd persoon aan hem te overhandigen. Voor het mogelijk beste gebruik van de gelden stelt zich garant,

Karlshuld, 31 januari 1830. J.E.G. Lutz, prediker-vicaris

 

Van de ingekomen gelden bracht Lutz ook verslag uit:

“Verslag over de inkomsten en het gebruik van de voor Karlshuld in het Donaumoeras, von 1 januari 1830 tot 21 december 1830 binnengekomen milde bijdrage. En daarbij de hartelijke dank. Gemaakt door J.E.G. Lutz”.

De periode van 1 januari tot 30 april 1831 sluit hij af met:

Totaal-inkomsten                             7063 fl. 24 kr. 6 hl.

Totaal-uitgaven                                7482 fl. 12 kr.

Daardoor een rest van                     418 fl. 47 kr. 2 hl.

 

De waarde van het binnen gekomen bedrag kan men meten, als het vergeleken wordt met de inkomsten van 1 dag werken in het Donaumoeras, dat was 9 fl. (Guklen). Voor rundvee moest destijds 19 fl. betaald worden.

Het door Lutz gestichte “Armen – zieken en schoolfonde” had volgens een overzicht van 1865/66 nog een vermogen van 4681 fl. 27 ½ kr.

   

Van vrienden vanuit Neurenberg en Augsburg wist Lutz steun te krijgen om de eerste nood te lenigen. Alom werd de situa­tie zoals die in Karlshuld was, bekend. In maart 1830 arri­veerde een heer en wenste Lutz te spreken. In het huisje van Lutz legde hij 110 gulden op tafel en zei: "Dit is voor uw gemeente". Lutz bedankte de man en sprak hem aan met "bisschop". "Hoe weet u dat", vroeg deze. De ring aan z'n vinger had hem verraden. Hij weigerde echter te zeggen hoe zijn naam was en vroeg slechts om God de dank te brengen. Later bleek dat het de Bisschop van Eichstatt was geweest.

Op 27 juni 1830 raasde een wervelwind over Karlshuld. In minder dan twee minuten waren de armzalige huisjes met de grond gelijk gemaakt en stond het gebied onder water. Vanuit München ontving Lutz 2581 gulden en ook van andere kanten kwam.

Zo was Lutz, naast de geestelijke verzorging, ook druk met sociale hulpverlening.

Hier leerde hij, in deze verlaten uithoek, het prakti­sche geloof kennen. Te handelen naar de praktijk, ver weg van boeken­wijsheid.

Pas veel later vertelde Lutz zelf: "Ik had de genade en waarheid van het Evangelie zelf nog niet grondig ervaren. Ik had wel veel kennis over het werk en de wegen van de Heer, maar dat waren geen vruchten van eigen ervaring maar groten­deels uit boeken. Tot een eigenlijke volledige zegen der genade, tot een eigenlijk genieten van het alles omvattende heil in Christus, dat had ik nog niet beleefd. Men had mij bij mijn opleiding telkens geprezen voor mijn bijbelgetrouwheid, mijn duidelij­ke verklaring van het Evangelie, voor mijn bescheiden le­venswandel.

Dat alles belemmerde mij zeer te geloven dat juist zij, de slechten en grootste zonderen in mijn parochie, tot Jezus konden komen en door Zijn genade schuldenvrij gemaakt en zalig werden.

Maar het gaf mij een gevoel van zelfvoldoening en trots, wat ik niet graag toegaf. Daarbij voelde ik diep in mij, dat alles waar het op aankomt, het leven uit God, de God uit God, bij mij ontbrak

Ik geloof en kon bewijzen, Jezus Christus is de Zoon van de levende God, is de Verlosser van de wereld. Had iemand mij gevraagd: Geloof je, dat Christus ook jouw Heiland is, dat had ik ja gezegd, maar ik was mij mijn aandeel in het heil van Christus niet bewust en daar­over niet blij. Integendeel was in mij steeds een heimelijke on­rust, angst, vrees voor God, de dood en het gerecht. Ik kon mij en anderen precies vertellen wat er in ons veran­deren moest als we echter christenen wilden zijn, hun uit­voerig beschrij­ven wat voor een zaligheid het is om door Christus vergeving der zonden, de gerech­tigheid die voor God geldt, de vrede Gods en het eeuwige leven te vinden. Maar ik bezat dat alles niet. Ik had wel woorden der waarheid, maar niet de waarheid over het Woord.

Urenlang huilde, smeekte en riep ik tot de Heer en vervloek­te dit en dat. Duizendmaal heb ik gewenst, de Heer zou mij maken tot een volgeling zoals eens Paulus, Petrus en Johan­nes Zijn volgelingen waren".

(Citaat uit een brief van Lutz.)

 

Zo voer de gemeente van Lutz in Karlshuld van de ene erken­ning in de andere en ook hier evenals in Schotland,  klonk de stem der profetie.

De eerste profetie die in de gemeente van Lutz klonk, door één van de twee eerder beschreven broers, luidde: "Weet u niet, kinderen Gods, dat u in de laatste tijd leeft. In de tijd waarin de Heer zal komen. Weet u niet, dat de Heer, voor Hij komt, weer apostelen, profeten, evangelisten en herders geven zal en gemeenten zoals in het begin was".

Ook de profetie: "Ik wil u", spreekt de Heer, "weer aposte­len zenden en Mijn Geest uitgieten, zoals in het begin", werd gehoord.

 

Al op 29 maart 1830 vernam Lutz het gerucht dat de priester Seel van Weichering en Stark van Zell hem bij de bisschop in Augsburg hadden aangeklaagd en verklaard dat zij niet zouden rusten voor Lutz uit Karlshuld weg zou zijn.

Met moeite kon Lutz enige mannen uit zijn gemeente ervan weerhouden om naar Augsburg te gaan om van de bisschop opheldering te verlan­gen. Lutz wilde afwachten wat er zou gebeuren. Ondertussen gingen zijn tegenstanders door om belastend materiaal tegen hem te verzamelen. Niet alleen om hem als ketter te kunnen afschilderen, maar ook als politiek rebel. Lutz schreef naar aanleiding daarvan: "Met net zoveel tegenzin ik voor Rome een haar zou willen verliezen, zo graag wil ik voor mijn koning mijn hoofd geven. Een christen wordt wel een martelaar, maar nooit een revolutionair".

Weldra ontving hij het verzoek om naar Augsburg te komen waar hij van 26 tot 30 april onder leiding van de domkapit­tel Kiechle ver­hoord zou worden. Als eerste punt werden tijdens het verhoor dogma­tische vraagstukken behandeld waarbij Lutz naar eer en geweten antwoord gaf en zich onvoor­waardelijk stelde achter de paus als primaat van de kerk. Een uitspraak die hij later ingetrokken heeft.

Toen werden hem de klachten van zijn ambtsbroeders voorge­legd maar Lutz wist ze als leugens, misverstanden of vergis­singen te ontmaske­ren.

Over Kiechle schreef Lutz: "Hij won mijn liefde en achting. Hij kent het evangelie niet alleen uit boeken maar ook uit ervaring. Hij behandelde mij met liefde en begrip, wat mij ontroerde".

Nadat Lutz nog enkele schriftelijke verklaringen had afgege­ven werd hem op 11 juni 1830 de verzekering gegeven dat de bisschop volkomen gerust gesteld was en dat verdere verhoren voorlopig niet nodig waren.

Wel werd hem verzocht onverkort aan de kerkelijke leer vast te houden en alles te vermijden wat opzien zou kunnen baren. Verder werd hij onder toezicht gesteld van de geestelijke Mayr uit Hollen­bach.

Gerustgesteld was Lutz echter geenszins en hij voelde inner­lijk dat de zaak hiermee niet afgesloten zou zijn.

Meer dan ooit verdiepte hij zich in de studie van de Schrift en de kerkgeschiedenis. Deze periode, waarin hij rust uit­straalde, werkte zegenend op de gemeente Karlshuld. Deze rust was echter maar uiter­lijk.

Lutz was in verwarring en zijn studie bracht hem steeds meer aan het twijfelen aan de juistheid van de katholieke ge­loofsleer.

Aan een vriend uitte hij op 28 augustus 1830 als zijn mening dat aan de evangelieverkondiging in de gemeente grote gebre­ken zaten, dat in de plaats van het evangelie bijgeloof en geesteloze kerkge­bruiken waren gekomen.

De rust na het verhoor in Augsburg was slechts schijn. Een pastoor, wiens naam Lutz niet noemt, verzamelde in het geheim nieuw belastend materiaal en vroeg leden van de gemeente Karlshuld uit. Of hij nog wel eens een kruis sloeg, de rozenkrans bidde. Terwijl Lutz zelf steeds bezig was om dieper in het reine evangelie door te dringen hechten zijn tegenstanders grotere waarden aan uiterlijkhe­den. Lutz predikingen werden inhoudelijk dieper en ernstiger.

Dat alles had gevolgen bij zijn gemeente-leden. Plechtig beloofden zij van hun zondige levenswandel af te zien en te dienen en te leven naar Christus voorbeeld. Velen ondertekenden een verklaring met deze  strek­king.

In februari en maart 1831 begon Lutz met lessen voor geeste­lijke verrij­king. Er werd gezamelijk gelezen in het Nieuwe Testament, Thomas a KempisEQ \O(', ) "De navolging van Christus" en andere boeken.

Lutz stelde de regering en het bisdombestuur op de hoogte van deze lessen. Het bisdombetuur (ordinariaat) verbood deze lessen, de regering besloot ze te dulden "zolang ze onder de leiding van de uitstekende vicaris Lutz en zijn vervanger Ebenhoeck bleven", verlangde echter dat de boeken voor gebruik werden goedgekeurd door de rechtbank van Nuern­burg en dat ook andere onderwerpen, van algemeen nut, behandeld zouden worden.

Daarop verzocht Lutz het bisdombestuur om het verbod op te heffen maar er kwam geen antwoord. Zo vonden de lesuren plaats zonder bisschoppelijke toestemming. Een verdere verwijdering van het katholicisme.

Dat was koren op de molen van Lutz’ tegenstanders. Eén van hen verklaarde zich bereid alles te betalen wat het zou kosten om Lutz uit Karlshuld weg te krijgen. Lutz merkte dat alles wel maar reageerde er niet op. Wel predikte hij in zijn gemeente steeds meer het wezen van het christendom, over Christus en over de betekenis van het apostelambt.

Het Mariabeeld werd uit de Consistorie verwijderd en de Duitse liturgie werd ingevoerd, dit alles in overleg met zijn gemeentele­den.

Vreemde geruchten werden verspreid. Zo zou Lutz in binnen- en buitenland 40.000 aanhangers hebben, 36.000 voor een nieuwe kerk hebben en, indien het bisdombestuur niet zou toegeven, apostolisch-katholiek worden.

Let wel, dat alles was in 1831, dus nog voordat de gebeurte­nissen in Schotland in een stroomversnelling waren geraakt.

 

Lutz zelf ging gebukt onder zware aanvechtingen. Een breuk met de Rooms-Katholieke kerk werd bijna onvermijdelijk.

Op 7 augustus 1831 ontving hij een brief van een vriend die hem waar­schuwde voor acties van zijn tegenstanders. Deze vriend raadde hem aan zich voor de Heer te verootmoedigen en om zijn verplaatsing te vragen. Deze vriend was geen geringere dan de bisschop Riegg persoon­lijk. Verder schreef hij dat de regering Lutz verdienste erkende en een bevordering zou goedkeuren. De grens tussen kerk en staat zijn in Beieren altijd heel vaag geweest.

Het was waarschijnlijk de wens van de bisschop zonder ophef Lutz te laten verdwijnen en de zaak te sussen.

Lutz echter besloot in Karlshuld te blijven. Hij wilde zijn gemeen­te in deze zware tijd niet verlaten.

Op 10 augustus kwamen enkele gemeenteleden bij hem die naar de bisschop in Augsburg wilde gaan om toestemming te halen voor per­soonlijk gebruik van de bijbel, het gebruik van de Duitse taal in de eredienst en de afschaffing van bepaalde katholieke ceremoniên zoals het gebruik van wierook. Dat ging Lutz in eerste instantie te ver. Hij wilde eerste afwach­ten wat de uitkomst zou zijn van het onderzoek dat door het bisdom­bestuur tegen hem zou worden ingesteld.

Besloten werd dat, indien het onderzoek zou plaats vinden, te verlangen dat de gemeente ook gehoord zou worden.

Iets later vernam Lutz dat dat inderdaad het geval zou zijn. Enigs­zins gerustgesteld ging hij met vakantie.

Bij terugkeer vernam hij, ook weer via geruchten, dat hij zonder onder­zoek overgeplaatst zou worden naar een plaatsje aan de grens met Tirol.

Inderdaad kwam op 15 oktober 1831 een overplaatsingsbevel naar Bayeroy­en. Het decreet bevatte de zinsnede "dat het Zijne Konink­lijke Hoogheid de koning het in zijn genade bewogen had, Lutz, met bijzondere erkenning voor de verdien­sten die hij jarenlang voor Karlshuld had gehad, de parochie Bayeroyen te overdragen".

Lutz verzocht de Koning hem in Karlshuld te laten en zijn gemeente richtte eveneens zoEQ \O(', )n verzoek tot de koning.

Hetzelfde verzoek richtte Lutz aan het bisdombestuur. Verder ver­blijf in Karlshuld werd hem geweigerd met de mededeling dat hij bij aankomst van de benoemde vicaris Baur, alle functies in Karlshuld zou verliezen.

Later ontving hij per expresbrief de mededeling dat op 29 oktober Baur in Karlshuld zou aankomen en dat hij de pastorie aan hem moest afstaan. Lutz weigerde Baur toegang tot zijn huis en werd daarin gesteund door de Landsrechtbank.

Toen het bisdombestuur echter van de rechtbank eiste dat tegen de “Schwärmer” Lutz opgetreden moest worden ontving hij van de politie bevel zich uit Karlshuld te verwijderen en terug naar zijn geboorteplaats Burg te gaan.

Dat deed Lutz niet, hij trok zich terug naar Untermaxfeld waar twee zusters van hem woonden.

Uiteindelijk werd er toch een onderzoek naar het handelen van Lutz ingesteld. Dit onderzoek werd niet begonnen op initatief van het bisdombestuur, maar door hemzelf aangevraagd.

Tijdens zijn verblijf in Untermaxfeld schakelde hij de advovaat Touissaint uit Augsburg in om te appeleren tegen de uitwijzing uit Karlshuld. De uitwijzing werd echter niet ongedaan gemaakt.

Hij vertrok toch niet naar zijn geboorteplaats Burg maar vond onderdak bij de evangelische azijnfabrikant Volk in Ausburg.

Ausburg.

Voordat hij vertrok gaf hij zijn gemeenteleden in Karlshuld nog een verklaring in een boekje getiteld “Worte der Ermahnung, der Bitte und des  Trostes an meine ehemaligen Pfarrkinder auf dem Donaumoose”.

.

Kort daarop had Lutz een audiëntie bij koning Ludwig I in München die hem aanraadde naar de parochie Bayersoyen te gaan. Lutz voelde echter dat hij niet meer in de Rooms-Katholieke Kerk thuishoorde. Het onderzoek tegen Lutz ging onverminderd door. Dat Lutz een vroom leven leidde, het evangelie met liefde en duide­lijkheid verkondig­de, dat alles kon niet ontkend worden. Dat Lutz staatsgevaarlijk zou zijn kon ook niet waargemaakt worden.

Het onderzoek tegen Lutz moest daarom afgebroken worden en de kosten kwamen voor rekening van de staat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

EEN ANDERE RICHTING EN EEN KENNISMAKING

 

Sinds een aantal jaren stond Lutz in contact met een reizend prediker van de Herrnhuters, Enkelmann. Ze hadden elkaar voor het eerst in december 1829 ontmoet en Enkelmann schreef over deze ontmoeting: “dat men in het gesprek met Lutz totaal vergat dat hij een katholiek priester is”.

Ook leerde Enkelmann vele van Lutz gemeenteleden kennen.

Dat alles leidde ertoe dat Lutz in september 1831 een verzoek deed om met zijn hele gemeente tot de Broedergemeente (Herrnhuters) te mogen oevrgaan. Dat werd door de centrale kerkleiding van de Broedergemeente afgewezen.

De Broedergemeente werd door Beierse overheid niet erkend en men vreesde dat een verzoek tot erkenning ter willen van de gemeente Karlshuld, afgewezen zou worden omdat het de overgang van een hele Rooms-Katholieke gemeente betrof.

Bovendien zou dat de onderhandelingen met de regering van Saksen over erkenning negatief kunnen beinvloeden.

Verder hadden de Herrnhüters niet de financieële middelen om een gemeente van een dergelijke omvang te kunnen stichten en te onderhouden.

Lutz werd de raad gegeven zicfh met zijn gemeente aan te sluiten bij de Evangelische Kerk. Op 11 januari 1832 richtte Lutz aan het Oberkonsistorium in München het verzoek om met zijn gemeente opgenomen te worden in de Protestantse Kerk. Ook verzocht Lutz om opname als Pastor-kandidaat.

Op 15 februari 1832 werd hij inderdaad opgenomen in de Protestantse Kerk door de Dekaan Gender in Augsburg,

Met Lutz ondernamen ruim 600 leden van zijn voormalige Rooms-Katholieke parochie in Karlshuld deze stap.

In de periode van zijn afscheid als RK-geestelijke in Karlshuld en de opname in de Protestantse Kerk schreef Lutz de eerste vier delen van  zijn boek over de voorvallen in Karlshuld.

Op 9 april moest Lutz examen afleggen om als Protestantse prediker te kunnen werken. Hij sloot het examen af met de bijzondere opmerking “zeer goed”.

Als tekst voor de proefpredikatie was gekozen Joh. 4:10-11 “Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hem erom vragen en dan zou hij u levend water geven. Maar heer, zei de vrouw, u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen?”

Vervolgens werd Lutz getest over zijn kennis van de kerkgeschiedenis, de exegese van het Oude en Nieuwe Testament.

Als Protestants prediker werd hij in Ansbach geordend en vanaf 1 juli als predikant in Wassertrüding benoemd.

Deze benoeming echter aanvaardw Lutz niet met als argument dat hij door het Landsgerecht van Nürnberg onder toezicht was gesteld en dat hij nog steeds niet van alle blaam gezuiverd was en dat een nieuw gerechtelijk onderzoek tegen hem op gang werd gebracht.

Daarmee nam de leiding van de Protestantse Kerk in Augsburg geen genoemen. Volgens hen zou Lutz zich vanzelf rehabiliteren als eerzaam staatsburger als hij de predikantenpost in Wassertrüding zou aannemen en dat hij verder alleen maar te gehoorzamen had.

Deze brief van de Protestantse kerkleiding kwam te laat …

 

Nu leerde Lutz ook een andere kant van de Protestantse Kerk kennen.

Voelde hij de sterk georganiseerde Rooms-Katholieke kerk met haar vele wetten en voorschriften, met de inquisitie van waaruit een complete kerkelijke rechtbank was gegroeid als een benauwd keurslijf, de vergaande vrijheid in de Protestantse kerk waarbij elke gemeente, elke voorganger een eigen separate kerk vormde, was hem vreemd.

Hij vond er vele schakeringen aan predikanten, van zeer ruimdenkend tot zeer behoudend en vaak had de ruimdenkende lijn de orthodoxie (rechtzinnige lijn) overvleugeld.

 

Juist deze vrijheid in het preken had bewerkstelligd dat enige protestantse geestelijken vele van de reformatorische waarden overboord hadden gezet. Hoewel Lutz de aanvaarding van ambtsdrager in Ansbach had afgewezen ging hij wel een bezoek afleggen bij de man di daar nu dat ambt droeg. Ze hadden een prettig gesprek met elkaar tot deze predikant aan Lutz vroeg wat hij geloofde over Jezus Christus.

Lutz gaf ten antwoord: “Christus is de Zoon van God”. Dat beaamde ook de predikant maar zei verder: “Ja, maar zo is een ieder van ons een zoon van God. U en ik zijn zonen van God”.

Toen Lutz daarover later met een protestantse vriend sprak zei deze: “Onze geestelijken geven altijd zulke antwoorden, de meesten van hen geloven niets”.

 

Dat alles was voor Lutz aanleiding om afscheid te nemen van de Protestantse kerk. Zijn verblijf daar was dus van korte duur. De ervaringen die hij dar had opgedaan beschreef hij in zijn boek: “Prüfung des Geistes unserer Zeit”.

Nu was Lutz dus totaal ambteloos. Hij bezocht enkele van zijn Rooms-Katholieke vrienden en het was vooral zijn oude vaderlijke vriend, de pastoor van zijn geboorteplaats Burg die zijn terugkeer in de Rooms-Katholieke kerk mogelijk maakte.

Ook de man die hem als zielszorger van Karlshuld had opgevolgt, Pächtner, zette zich voor Lutz in. Lutz maakte ook aan hen die hem naar de Protestantse kerk wareen gevolgt duidelijk waarom deze terugkeer nodig was.

We zullen de theologische verhandeling die Lutz hierover schreef, waarin hij o.a. verklaarde dat de Rooms-Katholieke kerk de rechtmatige opvolger was van de kerk onder de apostelejn der oude tijd, verder loaten rusten.

 

Op 16 november 1832 werd Lutz weer opgenomen in de Rooms-Katholieke kerk. Na zijn terugkeer werkte hij enige tijd onder de hoede van de priester Lutzenberger en daarna als pastoor in Tafershoven en Unterroth.

In 1839 werd hem Oberroth als standplaats aangewezen waar zijn eerrste werk was om de kerk die in een bouwvallige staat verkeerde, te laten restaureren en een pastorie met een schoolgebouw te laten bouwejn. In Oberroth kon Lutz, wiens lichaam door de gebeurtenissen van de jaren daarvoor danig was verzwakt, tot zegen dienen.

 

Het geduldig wachten van Lutz op de vervulling van de profetieën die in Karlshuld gesproken waren, was niet tevergeefs.

De vervulling van de profetieën in Schotland, waaruit het Engelse apostelambt was voortgekomen, zouden ook Lutz bereiken.

Hoe hem dat ter ore kwam beschreef hij aldus:

“In 1842 schreef mijn vriend, priester Leinfelder, mij vanuit Augsburg over een man die uit Engeland kwam en die hem bezocht had. Een man vol wijsheid en met een duidelijke uitleg van het goddelijk woord, speciaal met betrekking tot de profetieën. Zulk een wijsheid en uitleg is bij onze theologen nog niet aangetroffen. Mag hij ook jouw bezoeken?

Mijn antwoord was: Nee, hij mag hier niet komen om mij te spreken. Er zijn zoveerl sekten in Engeland en je weet dat ik die niet welgezind ben. De man waarvan je sprak is mischien de leider van één zo’n sekte. Ik heb al eens mijn vingers gebrand en wens dat geen tweede keer meer”.

Leinfelder schreef terug: “De zaak is niet zoals jij denkt, er is hier geen sprake van een sekte. Dat kan met een man die zo hartelijk is en met zo’n karakter. Laat hem je bezoeken”.

Lutz stemde toe maar nam zich vast voor om niet te gaan argumenteren.

De man die hem bezocht kwam uit Schotland en heette William Caird.

Lutz kon het weldra goed met hem vinden en moest Leinfelder gelijk geven. Caird’s uitleg van de heilige Schrift en van de profetieën was voor Lutz een openbaring. Samen maakte zij lange wandelingen waarbij ze elkaar veel te vertellen hadden. Lutz waakte er echter voor om zich tegenover Caird volledig uit te spreken.

Bij het afscheid spraken ze meteen af voor een volgende ontmoeting. Bij deze tweede ontmoeting zei Lutz tegen Caird:

“Nu gaan we aan tefel ziten met de bijbel voor ons en beginnen met bladzijde 1 tot en met het einde en je moet zolang bij me blijven tot we klaar zijn”.

Uiteraard nam dat vele bezoeken in beslag. Het resultaat van dit Bijbelonderzoek werd beschreven in het boek

“The purpose of God”.

Lutz was onder de indruk van Caird’s bijbelkennis, vooral omdat Caird vele bijbelgedeelten uit het hoofd kende en niet alleen met het verstand maar ook met zijn hart.

 

Lutz en Caird werden goede vrienden. Lutz, op zijn beurt, leerde Caird veel over de Rooms-Katholieke kerk.

Lutz schreef verder: “Mr. Caird ging zeer omzichtig met mij te werk en was zo verstandig niets te zeggen over het apostelambt. Op een dag, toen we met de vierde hoofdstuk van de brief aan de Efezen voor ons zaten,

spraken we over de ambten in de kerk zoals die waren in  de begintijd.

In de loop van het gesprek liet Caird zich de woorden ontvallen: “In Engeland zijn er kerken zoals die er in het begin waren. Ik was zeer verbaasd over deze uitspraak en vroeg om meer bijzonderheden.

“Mannen vol van verstand”, was zijn antwoord.

Maar hoe worden dan die mannen vol van verstand dan genoemd, vroeg ik verder.

“Apostelen”, zei Mr. Caird.

Wat, Apostelen, zei ik, is dat werkelijk zo? Ik wacht op apostelen en het bijzondere werk van God in de kerk al veertien jaar!

“U wachtte op aposteeleln?”, vroeg Caird verrast en nieuwsgierig, “Waarom dat?”

Ik vertelde hem over alles wat er in Karlshuld voorgevallen was. 

“Wanneer zijn die profetieën begonnen?” vroeg Caird.

Ik vertelde hem dat dat tegen het einde van 1826 geweest was. Iets later was dat ook in Schotland begonnen.

Lutz was zeer ontvoerd en overtuigd van de hoogheiligheid van dit goddelijk werk. Niets kon Caird verder nog verzwijgen. Alles wilde Lutz horen. Hij hoorde over de roeping van de apostelen, het ontstaan van het “Testimonium” en de aanbieding daarvan aan kerkelijke en wereldse leiders.

In dat alles zag Lutz de hand van de lieve God. Het viel hem niet moeilijk de zending der Engelse apostelen te aanvaarden, hij had  er veel te lang op moeten wachten.

 

Uiteraard kon Lutz zijn mond niet houden. In zijn preken in Oberroth sprak hij keer op keer over het nieuwe apostelambt.

Ook onder zijn mede-priesters getuigde hij over het apostelambt, maakte hen bekend met Caird. Meer  dan dertig priesters namen zijn getuigenis aan.

 

Natuurlijk kon tegenstand niet uitblijven. De hele pers, zowel de kerkelijke als de burgerlijke, viel over Lutz en het “Irvingisme” heen.

Maar ook de kerkelijke overheid, die al het één en ander met Lutz had meegemaakt, greep in. In een brief met als datum

4 okotober 1854 werd Lutz beshuldigd van “Irvingisme”. Er volgde een briefwisseling over en weer, vooral nadat er enkele publikaties verschenen waren die door Lurtz en Caird gezamenlijk waren geschreven. Over dat mede-auteurschap werd Lutz ondervraagd. Een fel debat volgde over geloofszaken en Lutz’s vriendschap met Caird.

Er werd hem een lijst overlegd met zeven punten inhoudende de erkenning van de R.K. kerkleer als het enig zaligmakende, het primaatschap van de paus en de onjuistheid van de apostolische leer. Lutz weigerde keer op keeer deze lijst te ondertekenen. Daarop werd hij geschorst uit de aktieve dienst.

Op 25 september 1856 kreeg hij een bijzonder scherpe brief van de bisschop van Augsburg waarin hem te verstaan werd gegeven óf loyaal katholiek te blijven óf met “de secte” verder te gaan.

 

Uiteindelijk werd Lutz op 8 maart 1857 geëxcommuniceerd.

Met Lutz werden nog vijf andere geestelijken w.o.. de Domvicaris Philip Jakob Spindler en 400 gelovigen geëxcommuniceerd.

 

Hoewel het de wens van Lutz was te werken onder de leiding van de Engelse apostelen was hem gevraagd daar te blijven waar God hem gesteld had, namelijk in de Rooms-Katholieke kerk. Na zijn excommunicatie was dat natuurlijk onmogelijk.

Spindler verbleef zes maanden in Engeland om het nieuwe apostolische werk te onderzoeken.

Hij schreef enthousiaste brieven aan Lutz waarin hij betuigde dat alles, de profetieën, de roepingen, volgens hem werkelijk het werk van de lieve God was middels de heilige Geest. Ook Lutz werd uitgenodigd om naar Engeland te komen.

Drummond was vol interesse over de gebeurtenissen die in Zuid-Duitsland hadden plaatsgevonden.

Lutz woonde vele diensten bij, was getuige van het “spreken in tongen” en hij ontving de heilieg Verzegeling.

Na zijn terugkeer in Duitsland bezocht hij vele van zijn voormalige ambtsbroeders in Beieren en raadde hen aan getuige te worden van het grootse werk dat in Engeland begonnen was.

Het werkterrein, nu als ambtsdrager in de Katholiek-Apostolische gemeente, was voor Lutz Bazel.

Lutz’ liefde voor de gemente, voor alle mensen, zijn godsvertrouwen en eerbied voor het goddelijk werk, werd in een groot gebied bekend.

Eén voorbeeld van zijn liefdesdaden die tevens zijn nauwe verbondenheid met de evangelist Caird ullustreerd, willen we hier verhalen.

 

Op een dag, toen hij door de weilanden van Bazel wandelde, zag hij een boer in gebed geknield. Lutz ging op hem af en stelde vast dat de man in nood verkeerde. Hij had zeer dringend 400 franc nodig maar wist niet waar hij dat vandaan moest halen.

Lutz voelde sympathie voor de man en wilde hem wel helpen maar wet hij ontving vanuit de kerk was net voldoende voor het allernoodzakelijkst.

Hij bezat nog wel het gouden ornament dat hij ontvangen had uit handen van de koning voor het verdienstelijke werk in het Donaumoeras. Zonder aarzeling gaf hij het aan de  man, vertelde dat het van grote waarde was en vervolgde zijn  weg.

Mr. Caird, die net in die tijd bij Lutz aan huis was geweest, was Lutz achterna gegaan en ontmoette eveneens de boer.

Deze vertelde aan Caird dat een vriendelijke heer hem het ornament had gegeven en dat het een waarde van 400 franc had.

Caird betaalde het bedrag en gaf het ornament enige tijd later aan Lutz terug die zeer verbaasd was.

 

In het totaal verbracht Lutz 14 jaar in Bazel. Omdat hij vrijgezel was kan hij het zich veroorloven nogal mobiel te zijn.

Darom was hij ook vaak in Zürich om te dienen. In deze gemeente diende Lutz’ neef Egger als voorganger. In Zürich bestond een kleine apostolische gemeente.

In 1869 bezocht Lutz zijn voormalige woonplaats Augsburg. Ook daar was inmiddels een kleine apostolische gemeente ontstaan. Ondanks zijn 68 jaren was Lutz nog een energieke man met veel begrip en geduld voor zijn medemensen.

Hoewel de meesten van zijn vooormalige gemeenteleden in Karlshuld en Oberroth overleden waren, had hij toch nog enkele ontmoetingen met oude vrienden. Groot was de ontroering bij elke ontmoeting als bleek dat een vroegere droom, een profetie, zich tot op de letter had vervuld.

Alleen de invitatie om naar Karlshuld te komen sloeg Lutz af, hij wilde de Rooms-Katholieke kerk geen ergernis bezorgen.

Zelf vergeleek Lutz dit bezoek mjet het leven van Mozes die ook na veertig jaar zijjn volk bezocht.

 

Karlshuld is een weerspiegeling van Lutz leven geworden. Er staat een grote Rooms-Katholieke kerk en een kleinere Protestantse kerk vlak bij elkaar. In dezelfde straat, enige tientallen meters verder, een kleine Apostolische Kapel.

 

In de volgende jaren bleef Lutz jaarlijks zijn oude geboorteomgeving bezoeken. Hij diende daar in Ulm, Geisslingen, Gerstetten en Altheim. Ook diende hij in Stuttgart, Heilbronn en Nürnberg waar hij ook enige tijd woonde.

 

Op zondag 9 juli 1882 was Lutz gekleed om naar de kerk te gaan en wachtte op het ontbijt dat zijn huishoudster klaar maakte. Hoewel het niet langer duurde dan anders maande hij har aan op te schieten, hij was rusteloos.

De hand van de engel des doods had hem beroerd en toen de huishoudster het ontbijt binnenbracht zat Lutz vredig in zijn armstoel en was ontslapen.

 

Zo eindigde het aardse bestaan van een groot godsman die door diepe dalen was gegaan maar nooit de godsvreze had verloren.

Zijn leven had bestaan uit geven, medeleven met armen en verdrukten. Rustend in de machtige liedesarmen van zijn hemelse Vader kan hij terugzien op een rijk gevuld, gezegend en zegenrijk leven.

De gemeente Karlshuld is haar “grote man”  niet vergeten. Vooral de daar bestaande vereeniging houdt de herinnering levendig.      

 

Op 2 oktober 2004 werd de steen op het graf van Johann Evang. Georg Lutz onthuld. Het merkwaardige is dat op deze grafsteen vermeld staat dat Lutz pastoor en predikant is geweest, maar met geen woord dat hij later een apostolische dienaar was. De rede die bij de onthulling van de grafsteen in Karlshuld (tegenwoordig een plaats met moderne en luxe huizen. Ook de apostolische kapel is verdwenen) laten we in vertaling volgen.

 

Zeer geëerde dames en heren en geëerde gasten, ik mag u in naam van de KHV (=Karlshulder Hist. Verein) bij de onthulling van de grafsteen van Joh. Evang. Georg Lurz, hartelijk begroeten.

Voor de geschiedenis van Lutz en zijn grafsteen, en de verbinding met Karlshuld, moeten we naar het jaar 1826 teruggaan. De toenmalige katholieke gemeente Karlshuld was voor alle katholieken van het westelijke Donaumoeras verantwoordelijk en had toen al 939 zielen, maar was sinds vier jaar zonder pastoor.

Toen in de zomer van hetzelfde jaar de Augburger bisschop het noordelijke gebied van zijn diocee bezocht en ook in de toenmaals beruchte Donaumoeras en naar Karlshuld kwam, was hij diep getroffen door de armoede en ellende die hier heerste. Op het dringende verzoek van een geestelijke antwoordde hij: “Ja, u zult er een krijgen, en wel de beste”, en dat was de vicaris Lutz.

Zo komt Lutz dan nog in hetzelfde jaar naar Karlshuld, “het pastoorhutje was twee jaar eerder afgebrand, de kerk, een nauwe hut door instorting bedreigt en onbruikbaar”, zo bericht Lutz later. Op 27 augustus hield hij de eerste godsdienst in de buitenlucht onder de wijde hemel, als kansel diende een stapel hout. De evangelische predikant Dr. Georg Pickel bericht later over Lutz: Hij was werkelijke de juiste man in de Karlshulder omstandigheden en ontvouwde een roerende activiteit ter religieuze, morele en sociale vermeerdering van zijn gemeente”.

Wat de oorzaak van de nood en armoede in Karlshuld betreft, wil ik een ooggetuige citeren (volgt een citaat dat boven reeds is weergegeven).

Naast zijn werk in de zielzorg verwierf Lutz zich buitengewone verdiensten in sociaal gebied, dat in de geschiedenis van het Dounaumoeras behoorlijk heeft ingegrepen. Zo gaf hij de schoolkinderen, waaraan te zien was dat ze niet gegeten hadden, te eten – de pastoor was destijds ook schoolmeester, en als zijn geringe vicarissalaris niet meer voldoende was, ging hij naar zakenlieden in Neuburg om voor zijn schoolkinderen te bedelen.

Toen de armoede en nood in de winter 1829/30 in de gemeente een buitengewone hoge stand had bereikt, liet hij een brief drukken en de oproep om geld te geven. De brief werd op grote schaal verspreid. Deze brief werd met onverwachts succes bekroond. Van alle kanten kwam er hulp en werd het, voor toen geweldige bedrag, 6000 gulden opgebracht. De gelden werden gebruikt voor de noodzakelijkste dingen; de school, leningen aan kolonisten en handwerkers en de stichting van een school- armen- en ziekenfonds. Voor deze sociale activiteiten werd aan Lutz door koning Ludwig I, het “Goldene-Civilverdienst-Ehrenzeichen” verleend.

Met heel veel ijver is Lutz ook bezig met de zielzorg binnen zijn gemeente, hij vindt vele aanhangers, maar ook vele vijanden die hem beschuldigen van overdreven hervormingsstreven die als een valse leer en ketterij werden omschreven. In april 1830 moet Lutz zich bij het ordinariaat in Augsburg aan een verhoor onderwerpen en onder toezicht gesteld van de pastoor van Hollenbach. In het voorjaar van 1831 ontstaat in Karlshuld een religieuze jeugdvereniging en nieuwe beschuldigen worden tegen Lutz ingebracht.

Op 7 october ontvangt hij een verplaatsingsdekreet naar Bayersojen. Hij gaat daar niet op in hoewel het een geweldige inkomenspositie zou betekenen (jaarinkomen in Karlshuld 480 fl. in Bayersojen 1200-1500 fl.). Maar hij wilde onder alle omstandigheden binnen zijn gemeente blijven en richt daarom een schrijven aan de koning, dat tevergeefs is.

Zijn laatste godsdienst in Karlshuld is op 27 october en nog een godsdienstoefening in de kapel te Obermaxfeld. De volgende dag moest hij de pastorie ontruimen en begeeft zich naar Untermaxfeld waar hij sinds 1830 een huis heeft.

Op 17 december verzoekt hij het ordinariaat om ontslag uit de katholieke kerk, en op 11 januari 1832 om opname in de Evangelische Kerk. Hij wordt in Ansbach geordineerd en krijg in Wassertrüdingen een predikantenplaats. Vanaf februari lopen tegen Lutz onderzoeken door de politie wegens religieuze zweverige uitlatingen. Hij wordt voor het landsgerecht Neuburg meerdere malen verhoord. Op bevel van het landsgerecht wordt het verblijf in Karlshuld en omgeving verboden.

Het uittreden van Lutz uit de Katholieke kerk had tot gevolg dat van de ca. 1300 zielen, die de Katholieke kerk toen telde, 600 zielen hem volgden. Van deze hebben zich 462 in de Evangelische kerk van Untermaxfeld laten inschrijven.

Omdat ook de Evangelische kerk een terugkeer naar Karlshuld niet toestond, keerde Lutz haar de rug toe en werd op 12 december weer in de katholieke kerk opgenomen. Deze gebeurtenissen hadden natuurlijk het nodige stof doen opwaaien, en het is te begrijpen dat beide kerken (de Katholieke en de Evangelische) Lutz niet meer in Karlshuld wilden hebben.

Met het besluit van de appellatie-rechtbank van 15 februari 1833 worden de onderzoekingen tegen Lutz opgeheven.

In Juni kwam hij nog eenmaal naar Karlshuld en mocht een mis houden, waarin hij tot terugkeer naar de katholieke kerk opriep. Niet iedereen volgde hem, 180 personen bleven evangelisch en legden daarmeee de grondslag voor de huidige evangelische gemeente te Karlshuld.

Na zijn  herintrede in de katholieke kerk is Lutz als kapelaan en pastoor in verschillende plaatsen werkzaam. In 1839 komt hij naar Oberroth, waar hij na enige jaren dekaan wordt. In 1842 ontvangt hij bezoek van William Renny Caird uit Schotland, een van de belangrijkste wegbereiders voor de Katholiek Apostolische Kerk in Duitsland. Zij schrijven het boek “Het raadsbesluit Gods” en om dit boek en andere geschriften stelt het bisschoppelijk ordinariaat een onderzoek tegen hem in. In 1855 wordt hem zijn ambt ontnomen en zijn geschriften verboden.

Twee jar later wordt Lutz geëxcomminiceerd, treed in de Katholiek Apostolische Kerk en gaat als prediker naar Bazel en Bern en wordt daar later Engel (Bisschop). In 1869 komt hij naar Duitsland terug, in enige tijd in Augsburg en komt in 1870 meermalen in het Donaumoeras en Untermaxfeld. Door sticht hij met bekenden en familieleden een kleine Katholiek-apostolische gemeente die in Grasheim een kerkje bouwen. De ouderen onder u zullen het Irvingianer- en Lutzenkerkje nog gekend hebben. Deze geloofsgemeenschap kon zich in het Donaumoeras niet verder ontwikkelen. Lutz had niet meer de aantrekkingskracht van 40 jaar geleden. De nood en ellende was grotendeels opgeheven. Ongeveer 100 personen had de Katholiek-apostolissche gemeente in het begin, nam echter steeds meer in omvang af en in 1926 zijn de godsdiensten stilgezet.

Vanaf 1876 is de woonplaats van Lutz Esslingen en hij gaat in 1882  met pensioen, op 9 juli, op een zondag, als hij al voor de kerkgang aangekleed is, overleed hij aan een hartkwaal.

En nu kort naar de gechiedenis van de garfsteen. Het KHV was het graf in Esslingen bekend en van de steen is ook een foto in het archief. Aan het eind van 2003 vernamen wij dat de plaats van het graf in Esslingen geruimd is. Naspeuringen brachten aan het licht dat de huidige grafsteenmaker de steen in zijn bezit had. Deze wilde de steen aan de vereniging afstaan, waarvoor onze bijzondere dank. Ons bestuur was van mening dat de steen, als een stukje gemeentegeschiedenis, van belang is en naar Karlshuld moest komen. De Evangelische gemeente stond positief tegenover het plan, en zo zijn we dan bij elkaar om de steen te onthullen.

Afsluitend richt ik woorden van dank aan allen die hebben meegeholpen de grafsteen in Karlshuld te krijgen, voor de reiniging van de steen, de financieeele ondersteuning en hen die deze bijeenkomst muzikaal omlijsten.

 

Hoewel in deze rede veel werd verhaalt van wat boven al was geschreven, lijkt het van belang om erop te wijzen hoezeer de geschiedenis van bijna 200 jaar geleden, nog in het Donaumoeras, in Karlshuld, leeft.         

 

 

                          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET TESTIMONIUM  DER ENGELSE APOSTELEN

 

Om de samenhang te bewaren is in het vorige hoofdstuk het verloop van de gebeurtenissen in Zuidduitsland als één geheel beschre­ven.

Nu gaan we weer terug naar Engeland en verplaatsen we ons ook weer even terug in de tijd en gaan zelfs nog even de oceaan over. Nadat de Engelse apostelen zich op het landgoed Albury hadden terug getrok­ken, alleen als een bezoek aan één der gemeenten noodzakelijk was verlieten zij Albury, werd een begin gemaakt met ernstige bijbel­studie. Dat gebeurde samen met de zeven Profeten. Over deze periode schreef  Carlyle: "Wij trokken ons terug om rustig samen te blijven in gezel­schap van enige der belangrijkste mannen onder hen die profeteren en de geheimen van de Heilige Schrift kunnen verklaren. We lazen gezame­lijk de hele Heilige Schrift door, waarbij we onze gedachten uit­wisselden en steeds nieuwe inzichten ontvingen door de profetische stemmen. Alle ver­borgen­heden van de kerk en haar betekenis, de godsdienst, de orde - alles werd ons verklaard door profetieën. Bij het lezen van het Oude Testament werden verborgenheden geopen­baard die wonderbaar waren.

We werden gewaarschuwd voor de zonden en gevaren, we werden ge­troost door beloften die anderen niet begrijpen of gelo­ven. De geschiedenis van het christendom, haar huidige toestand en haar toekomst werd door het profetisch licht verklaard.

Zo werden wij uit de onwetendheid tot de kennis van het raadsbe­sluit van onze God geleid. Door dit alles werd de Heilige Schrift voor ons met lichtstralen gevuld. Niets werd erkend en gedaan zonder overeenstemming met het geschreven woord. Want wij verwach­ten geen nieuwe openbaring, maar licht over de Openbaring Gods die al gegeven is".

Nu werd ook een begin gemaakt met de samenstelling van een getuige­nis (Testimonium) over het nieuw apostelambt en het spoedige weder­komen van Jezus. Woodhouse schreef in "A narrative of events" over het ontstaan van het Testimonium:

 

De heilige Geest, werkende door de profeet, verklaarde dat de kerk der gehele christenheid in verval was geraakt, dat ook de heersers over de staat van God waren vervreemd en dat de tijd van het Oor­deel nabij was.

Nu al stonden de woorden "Mene mene tekel perez" op de christelijke instellingen geschreven.

De Heer wilde echter een getuigenis aan de hoofden in kerk en staat afleggen en gaf daartoe de Engelse apostelen de opdracht. Tijdens de vele woorden die over deze aangelegenheid geuit werden werd uitdrukke­lijk gezegd dat de zorg over deze landen lag op de apostelen. Zij zouden nu de last van hun hart wegens de zonde van het land en zijn regeerders en van de hele christenheid, apart opschrijven en hun opstel­len aan de eerst geroepen apostel Cardale geven. Deze opstellen moesten door hem tot één geheel verwerkt worden en het aldus ontstane geschrift moest door de Apostelen aan de hoofden der kerk en staat worden overhan­digd.

Als eerste werd een geschrift van 71 bladzijden op de raads­vergade­ring van kerstmis 1835 door Cardale voorgelezen en aange­nomen. Dit geschrift werd begin 1836 aan William Howley, de Aarts­bisschop van Canterbury, door de Drummond en Woodhouse overhan­digd, daarna aan alle bisschoppen en gees­telijken van de Anglikaan­se kerk. Spencer Perceval schreef een versie van 45 bladzijden over de toestand van de staat en het Engelse volk. Drummond en Perceval konden het document op 18 april 1836 persoonlijk aan koning William IV overhandigen.

In de zomer van het jaar 1836 werd door een profetie van  Drum­mond gevraagd een getuigenis op te stellen voor de gehele christenheid in kerk en staat.

Weer leverden de apostelen hun bijdragen die door Cardale, met de beide reeds verschenen getuigenissen tot één geheel werden verwerkt. Met wijzigingen, voorgesteld door de Raadsvergadering, verscheen de definitieve versie in de zomer van 1837.

Het werd vertaald in Latijn, Frans en Duits. Later ook nog in het Deens en Spaans zodat de gedrukte versie pas in de zomer van 1838 beschikbaar was.

 

Koning William IV blijkt het Testimonium dat voor hem be­stemd was ook werkelijk gelezen te hebben.

Uitdrukkelijk schreef Woodhouse in zijn "Narrative ..." :

De uiteindelijke bedoeling van God met het Testimonium was niet de afschaffing of vernietiging van de waardigheid en autoriteit van konin­gen en priesters, maar juist het tegen­over gestelde, hen te voeren tot een juist en legitiem gebruik van hun autoriteit die zij ontvangen hadden van God om de mensheid voor te bereiden op Zijn wederkomen.

 

Een uittreksel uit het Testimonium zoals dat samengesteld werd door Cardale in overleg en onderling goedkeuren der Engelse apostelen in het jaar 1838:                           

 

De aanhef van het epistel luidt:

Aan de patriarchen, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere hoofdbestuurders in de kerk van Christus over de gehele aarde., en aan de keizers, koningen, souvereine vorsten en opperhoofden der Natiën van de gedoopten.

In de naam des Vaders en des Zoons en de heilige Geest, één God, Amen.

 

De kerk van Christus is de gemeenschap van allen, zonder onder­scheid van tijd of plaats, die in de Naam des Vaders en des Zoons en de Heilige Geest gedoopt en door hun doop van alle andere mensen afgezonderd zijn.

Eén lichaam (Ef. 4:4). De pilaar en grondvest der waarheid (1 Tim.3:15). De woonstede Gods. De tempel van de Heilige Geest (2 Cor. 4:16).  De verklaarster van Gods wil voor alle mensen. De bewaarster van Gods woord en instellingen.

In haar wordt alle ware aanbidding gebracht die God van Zijn kinde­ren ontvangt. Door haar zijn al die zegeningen aange­bracht in het maatschappe- lijk en huiselijk leven, waardoor de christenheid van andere volkeren wordt onderscheiden. Zij bevat de enige hoop voor de mensheid, is eveneens het enige middel ter vervulling van dat raadsbesluit, waarop God wacht en waarop het schepsel reikhalzend wacht (Rom. 8:19).

 

Zoals de kerk de vereniging is der gedoopten, zo is de christenheid de gemeenschap van de natiën, die als volk het geloof der kerk Christi belijden en wiens hoofden en be­stuurders niet alleen erken­nen, dat zij al hun macht aan God ontlenen waardoor zij hun wij­ding over hun volk in Gods kerk ontvangen hebben, maar tevens daarmee aanvaarden dat zij hun tronen beheren voor Christus, totdat Hij komt om het Koninkrijk in bezit te nemen. Die door het aannemen van de zalving, uit de hand van Gods priesters, ook hebben erkend dat hun bekwaamheid tot regeren voort komt uit de genade van Zijn Geest, hun door Zijn kerk toebedeeld en die in diezelf­de heilige daad zich en hun volk metterdaad, of althans uiterlijk, hebben overgegeven om onderwijs in Gods wegen te ontvangen van de lippen van hen, wiens handen hen gezalfd hebben.

 

De christenheid is één geheel, één lichaam, van alle andere volke­ren der aarde afgezonderd, omdat zij de leer van Jezus Christus erkent als de grondslag van het internationaal recht en onderling verkeer. Van alle andere volkeren hierin verschillende dat zij door hun wettige hoofden, als staten, in verbond met God zijn gebracht, en dus aan­spraak hebben op alle zegeningen. Dat ze zijn verantwoor­de­lijk zijn voor alle verplichtin­gen en blootgesteld aan alle oordelen, die uit zodanig verbond voortvloeien of volgen.

 

De eeuwige en onveranderlijke God, die in den beginne vanuit de duisternis beval dat het licht zou schijnen, heeft zich in al Zijn  bemoeiïngen met de mensheid steeds dezelfde God betoond, barmhar­tig, genadig en verge­vingsgezind. En altijd wanneer de mensen door hun ongerechtigheden ellende over zichzelf hebben gebracht, is Hij in de angstigste uren hun nabij geweest. Niet alleen om hen uit de bestaande nood te redden, maar om hen dieper te leiden in Zijn raadsbesluit van barmhartigheid en genade.

 

Toen de mens gezondigd had en de ganse schepping daardoor tot onherstel­bare ondergang gebracht scheen, was Hij meteen bereid om de belofte van verlossing te geven en wel in het zaad van haar, die in de zonde was voorgegaan.

Toen later de zonen Gods zich verdorven hadden, en de wereld der goddelozen rijp was ter verdelging, beval Hij Noach een ark tot redding van zijn gezin te bouwen. Na de zond­vloed, toen de mensen de aanbidding van de waarachtige God hadden vergeten, riep Hij Abraham en zijn zaad om Zijn getrouwen te zijn temidden van de omringende afgoderij.

 

En is niet juist nu de tijd, waarin God zich zal opmaken om Zijn volk te bezoeken. Om Zijn stem te verheffen tot allen die getrouw gebleven zijn temidden van de alles overstromende goddeloosheid?

Nu wij van alle kanten de zee en de watergolven groot geluid horen geven (Luc. 21:25), nu degenen, die in hun hart overleggen dat de tijd gekomen is om alle tronen omver te werpen en Gods altaren om te stoten, zich opmaken tegen alle geloof en alle eerbied en beraadslagen tegen de gezalfde des Heren; nu de mensen het hart bezwijkt van vrees en verwachting van de dingen, die over de aarde zullen komen, zal dan God, die dezelfde is als altijd, die Zijn kerk nooit verlaat, Zich niet opmaken om de dwaasheid van het volk te bestraf­fen? Om het hart sterken van Zijn kinderen die naar Hem opzien om hulp? Om bezoeking te doen voor de ongerechtig­heid en om scheiding te maken tussen de reinen en de onreinen? Bovenal, zal Hij niet verschijnen tot hulp van de gezalfde prie­sters van Zijn altaar en van de gezalfde koningen der christenheid, hun de verzekering vernieu­wende, dat Zijn macht hun deel is tot vervulling

van al hun plichten. Terwijl de poorten der hel de kerk van de levende God schijnen te overweldigen, was het geen ijdel woord, waarmee Jezus Christus, onze Heer, van Zijn discipelen afscheid nam: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, en zie, ik ben bij U al de dagen tot aan s'wereld einde" (Matth. 28:18-20).

Niemand kan de vreselijke gevaren in twijfel trekken, die u van alle kanten omringen en de dringende behoefte aan steun en raad die God kan geven. Wij kunnen toch niet ontkenen: het verwijderen van alle oude bakens, het opbreken van alle ordeningen des levens, het verdwijnen van eerbied voor wie de Heer in enig bestuur heeft gesteld, bij kinderen tegenover hun ouders, bij dienst doenden tegenover hun heren, bij onderdanen tegenover hun overheid. Of als men kijkt naar de verachting van het priesterlijk ambt en de ontken­ning van Gods heiligste daden.

 

Het kan niemand onbekend zijn, hoe velen het christelijk geloof haten, hoe velen nog meer het met vereende krachten aanvallen omdat het een bolwerk is van alle regering en openbare orde. In vele heilloze vereni­gingen, worden zelfs schijnbaar godsdienstige mensen meege­sleept. Ze laten zich meeslepen door de valse beginselen van een niet in wezen, maar in schijn bestaande vrijzinnigheid. Ze werken samen met ongelovigen tot omverwerping van de christelijke staats­regeling der Europese natiën, van de vereniging van kerk en staat. Niet alleen daar waar door ontaarding van die bond de kerk tot dienares van de staat vernederd is, of de staat aan het pries­terschap onderworpen is en deze zich het  staatsgezag heeft aange­matigd, maar zelfs waar ze bestaat in de rechtmatige vorm. Ja, in elke vorm waar nog enige invloed of tussenkomst in de aangele­genhe­den van menselijk beheer is verbleven aan de Godsdienst. En onder degenen die niet geschaard staan in de gelederen der aanvallers. Hoe weinigen van hen verstaan de aard van de christelijke roeping, het gezag van de christelijke priester of de waardigheid van de christelijke koning?

Het regeren "door Gods genade" de oude titel der christelijke koningen, is nog als vorm in de meeste staten behouden. Maar bij hoe weinigen is het meer dan een verouderd gedenkstuk, een laatste overgebleven flikke­ring van dat bewustzijn der verplichtingen, waarvan het bestaan vroeger erkend werd door de regeerder ten opzichte van God en Zijn kerk, door de onderdanen ten aanzien van ChristusEQ \O(', ) stadhouder.

Het gevaar van de tegenwoordige tijd bestaat niet alleen in de vorderin­gen die het werk der verwoesting en ontbinding reeds heeft gemaakt, maar in de algemene vergetelheid van wat de christelijke kerk is en wat een christelijke staat is. Een verbond der natie met God.

 

Als de gezalfde koning en de gezalfde dienaren Gods gewillig instemmen met de goddeloosheid, met de losbandigheid op maatschap­pelijk en godsdienstig gebied, als zij uit een vals beginsel van eerbied voor de openbare mening of uit gemakzucht of om werelds voordeel en eer er in toestemmen, afstand te doen van hun plaats als de ordening Gods, als zij het volk erkennen als de bron van hun gezag en dit uitoefenen in gehoorzaamheid aan de telkens wisse­len­de stem des volks, of als de priesters Gods er in bewilli­gen op te treden als de dienaren, niet van een kerk maar van een der vele sekten die in de tempel zijn toegelaten, welks afgod onder de voorwerpen van pantheïstische verering dezer eeuw een plaats heeft ingenomen. Als de regeerders in de staat het hun van God toever­trouwde gezag willen oversluieren door de aangematigde maje­steit van het volk en niet regeren volgens Gods wetten, die eeuwig zijn, maar met een doeltreffend genoemde meegaandheid (steeds veranderlijk omdat het van de wispelturige volksbeweging afhangt).

Als sommigen in deze noodlottige valstrik gevallen zijn en zich niet willen bekeren van hun ongerechtigheid, voor zover dit in hun vermogen is, de dwaling hunner wegen goed te maken en tot God opzien, dat Hij hen bevrijde van de dienstbaarheid, waarin zij zich gesteld hebben onder degenen over wie zij moesten heersen: dan heeft het kwaad inderdaad de hartader van het leven aangetast. Dan is God niet alleen verworpen, maar verraden. Dan blijft Hem niets over dan de fiolen van Zijn verterende oorde­len uit te gieten.

Want de bron van alle gezag is God, niet het volk.

 

Reeds in de meeste landen van Europa is de hand van heilig schennen­den roof aan het eigendom der kerk geslagen. De eerste daad van die aard heeft het voorbeeld voor alle volgenden gegeven.

De eerste buit heeft de honger nog meer gewekt. En die geest van aarze­lend toegeven, die tegelijkertijd de omwil verraadt van de gezaghebben­de tot inschikkelijkheid en hun onbekwaamheid tot weigeren, heeft geen ander gevolg dan de opeenhoping van bouwstof­fen voor nog grote onheilen. De diepere en zekerder ondermijning van de fundamenten, de vermeerdering van de macht van het kwaad en de aanwakkering van de lust daartoe; totdat de vloed der boosheid, niet meer te stuiten is, elke zwakke dam zal doorbreken en in ontembare vaart elk gevoel van trouw, alle overblijfselen van vroomheid en vreze Gods onder het hele volk zal wegvagen.

 

Dan wordt er gewaarschuwd voor de naderende onheilen die te verwachten zijn.

"Mené, mené, tèkel, ufarsin”. En dit is de uitlegging der woorden: Mené, dat is: God heeft uw koninkrijk geteld en er een einde aan gemaakt; tekèl, dat is: men heeft u in een weegschaal gewogen en gij zijt te licht bevonden; perès, dat is: uw koninkrijk is ver­deeld en de Meden en Perzen gegeven" (Dan. 5:26-28).

Dit staat nu beslist op elk aards instituut, wereld of kerkelijk, geschreven. Zoals eertijds op de paleismuren van de koning van Babylon.

Als er geen redding te bereiken is, dan moet God de oorzaak van het onheil wegnemen en de weg ter redding wijzen. Want deze dingen zijn Gods gerecht over hen die Zijn weg en werk verlaten hebben.

 

Wij beleven geen tijd van onwetendheid; de wetenschap is vermenigvuldigd (Dan. 12:4), alle vakken daarvan met uitzondering alleen van de kennis van God en Zijn wegen; terwijl Zijn vreze, die het beginsel der wijsheid is (Spr. 9:10) van de aarde verdwijnt.

 

En toch is er nog een toevlucht, een veilige schuilplaats, een binnenste heiligdom, een vesting en beschutting en dat toevluchts­oord, dat heiligdom is in Zijn kerk.

Maar dat kan alleen bereikt worden als men terugkeert op de oude paden waarvan men sinds lang afgeweken is (Jer. 6:16).

 

Moge Zijn genade met u zijn, opdat u hoort en verstaat!

 

Vervolgens wordt erop gewezen dat God slechts het goede voorheeft met de mensheid. Hij werd mens onder de mensen. Hij nam het zaad Adams aan. Zijn raadsbesluit zal vervuld worden.

 

En hierin heeft God Zijn rechtvaardigheid geopenbaard, omdat hij recht­vaardig is en gerechtvaardigd degenen die uit het geloof van Jezus zijn. Want door Zijn heilig leven heeft de Godsmens zich bewezen als een onschuldig en onbevlekt Lam (1 Petr. 1:19). Door Zijn dood heeft Hij een allesverzoenend offer voor ons gebracht.

Hij heeft geleden voor de zonden. Hij is rechtvaardig voor de onrecht­vaardigen (1 Petr. 3:10). Hij is de verzoening voor onze zonden en voor de zonden van de gehele wereld (1 Joh. 2:2). Hij heeft ons voor God gekocht, niet met goud of zilver, maar met Zijn eigen dierbaar bloed. Daarom heeft de Vader Hem ook uitermate verhoogd en alle mensen de verzekering gegeven, dat Zijn offer voor ons is aangeno­men, omdat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt en aan Zijn rechter­hand heeft gesteld.

En verhoogd zijnde, heeft Hij van de Vader de belofte van de heilige Geest ontvangen (Hand. 2:33). Hij schenkt die aan degenen die geloven, opdat zij medegebouwd worden tot een woonstede Gods in de Geest (Ef. 2:22). Dat zij als levende stenen gebouwd worden tot een geestelijk huis. Tot een heilig priesterdom om geestelijke offeran­den te offeren die God aangenaam zijn door Jezus Christus (1 Petr. 2:5). Weet gij niet, o gij gedoopten, dat Uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in U is, die gij van God hebt en dat u van uzelf niets bent. Want gij zijt duur gekocht, zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn (1 Kor. 6:19).

 

Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente: "O heerlijke verborgenheid van de roeping der kerk, van Zijn vlees en Zijn benen te zijn, hoewel van Hem onderscheiden en afzonderlijk, steeds oneindig minder met opzicht tot de waardig­heid van Zijn goddelijk persoon, en toch voor eeuwig tot Zijn troon verheven en de deelgenoot Zijner heerlijkheid. Onbegrensde nederbuiging voor de aanbiddingswaardige Zoon Gods, om voor ons door Zijn eigen offer en lijden, zichzelf voor te stellen als een gemeente zonder vlek of rimpel! Dat zal vervuld worden in Zijn vergade­rende heiligen en de stem, als van sterke donderslagen, zal uitroepen: "Halleluja! Want de Heer, onze God, de almachtige, heeft het rijk aanvaard. Laat ons verheugd en vrolijk zijn en hem de eer geven: want de bruiloft des Lams is gekomen en Zijne vrouw heeft zichzelf bereid (Openb. 19:6-7).

 

En de tijd moet komen, waarin dit woord vervuld zal worden, want het staat geschreven in het boek der waarheid, van de toekomstige heerlijkheid der kerk. Het is haar hoogste plicht, de hoop van deze heerlijkheid vast te houden. Te jagen naar bereidheid om haar Heer, haar Bruidegom, te ontmoeten. Met smachtend verlangen uit te zien naar het ver­schijnen van Hem, die thans ter rechterhand des Vaders zit. Waar Hij heen is gegaan  om plaats te bereiden voor Zijn discipelen. Hij zal wederkomen om hen tot zich te nemen, opdat zij ook zijn mogen waar Hij is (Joh. 14:3) Zijn heerlijkheid aanschou­wende met Zijn heerlijkheid bekleed (Joh. 17:22-24), want wij zullen Hem gelijk zijn. Wij zullen Hem zien zoals Hij is

(1 Joh. 3:2). Zoals een vrouw in barensnood (dat is het beeld dat de Heer Zijn discipelen profetisch gedurende de tijd van Zijn afwezigheid schildert). Zoals een vrouw, wanneer zij baart, droef­heid heeft omdat haar uur gekomen is, zo zouden ook zij droefheid hebben, tot ze Hem weer zien. Dan zou hun hart zich verblijden en niemand zou hun blijdschap van hen wegnemen (Joh. 16:21-22).

 

Dat is het eeuwige voornemen van God met Zijn kerk. De middelen om dit voornemen te volvoeren, de middelen waardoor de mens, in zonden geboren en ontvangen zal deze zaligheid deelachtig worden. Deze middelen laten zich onder twee hoofden samenvatten: de sacramenten des levens en de van God verordineerde bedieningen tot vervulling van dat leven.

Deze twee komen overeen met het zoëven aangetoonde tweevoudig voornemen van God. Zijn voornemen namelijk met de mens en met de kerk als het lichaam van Christus, de Bruid, die voor Zijn komst moet worden toebereid. Eveneens komen zij overeen met het tweevoudige werk van Jezus op aarde. Zijn leven in het vlees, waarin Hij ons een voorbeeld was. Heilig, onschuldig, onbesmet, afgezonderd van de zondaren.

Het getuigenis dat Hij van God aflegde als degene die de Vader openbaarde, diens werk verrichtte, diens boodschap verkondigde, het evangelie predikte en de genade verkondigde.de tweede Adam is.

 

De sacramenten die door Jezus Christus zijn ingesteld staan rechtstreeks en onmiddellijk in betrekking tot het leven dat God ons door Zijn Zoon  geschonken heeft.

 

Maar deze heilige sacramenten kunnen volgens de wet van Gods kerk alleen door degenen worden bediend, die daartoe de volmacht hebben verkregen. Deze volmacht kan alleen door de Heer Jezus Christus, het Hoofd der kerk, verleend worden, hetzij direct, hetzij door tussenkomst van hen van wie Hij Zich bedient tot uitdeling van zodanige volmacht.

Zo komen we tot de tweede soort van middelen, waardoor Gods raads­besluit in de kerk wordt uitgevoerd, n.l. tot die van God bestelde bedie­ningen, waardoor Jezus Christus de Heer in Zijn kerk arbeidt tot volmaking der heiligen en tot een getuigenis aan de wereld.

 

De kerk, haar wezen is geen andere dan zoals Hij het in Zijn woorden be­schrijft. Geen verzameling, geen bond, geen vereniging of gezel­schap of welke namen er ook zijn is de kerk als die naar Zijn wil is ingericht.

Apostel Paulus geeft ons, wel niet in een volledig betoog, doch op verschillende plaatsen in zijn eerste brief aan de Korinthen en de brief aan de Efezen, een volledig en duidelijk beeld, hoe Gods kerk ingericht moet zijn. Hoe God deze gevormd heeft.

 

1. Kor. 12 handelt over de verschillende gaven des geestes in de leden van de gemeente dat Paulus vergelijkt met het menselijk lichaam, dat vele leden heeft maar al deze leden vormen dat ene lichaam.

Ontbreekt één lid dan is het lichaam niet compleet. Daarna zegt hij: "Gij nu zijt het lichaam van Christus en leden, elk naar zijn deel. En God heeft  gesteld in de gemeente ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna wonderdoeners, daarna gaven om gezond te maken, helpers, regeerders, menigerlei talen" (1. Kor. 12:27-29).

 

In de brief aan de Efeziërs leert de Apostel, hoe de eenheid zal zijn. Ze is geroepen tot éénEQ \O( , )hoop, één Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen.

Die is boven allen en door allen in u allen. Maar aan elk van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus.

Daarom zegt Hij, als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevan­genis gevangen genomen. Heeft de mens gaven gegeven. "Sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders en leraars"; opdat de heiligen bereid zouden worden tot het werk des ambts, waardoor ChristusEQ \O(', )lichaam opgebouwd wordt. Totdat wij allen komen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon, en een volwassen man worden, naar de maat van ChristusEQ \O(',')  volkomen ouderdom. Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, als golven bewogen en geslingerd door allerlei wind der leer, door bedriegerij der mensen en arglistigheid, waarmede zij heime­lijk aankomen om te verleiden. De waarheid betrachtende in liefde, wassen in alle delen van hem die het hoofd is, Christus. Uit wien het gehele lichaam, samengevoegd en verbonden door alle gewrichten, die elkander handreiking doen naar het werk van elk lid in zijne mate, de wasdom des lichaams verkrijgt tot zijn opbou­wing in liefde (Ef. 4:4-16).

 

Daarom ook dat de Heer Jezus Christus, die de Vader openbaart, (want wie Hem zag, zag de Vader (Joh. 14:9-10)) in Zijn wandeling op aarde, al deze bedieningen in zich verenigende. Hij was de Apostel onze belijdenis (Hebr. 3:1), de van God gezonde­ne (Joh. 3:34). Vervuld met de wijsheid Gods met woorden van wijs­heid en heilige leer. Met wijsheid van wandel en bestuur; Hij was de Profeet machtig in woorden en in werken (Hand. 3:22, de open­baar­der der verborgenheden Gods. De verklaarder van Zijn woord; Hij was de Evangelist, die de armen de blijde boodschap predikte, de gezalfde heelmeester der zieken (Jes. 61:1), der gewonden, verlam­den, versla­genen.

Hij was de Goede Herder, die Zijn leven liet voor de schapen en de van God gezonden leraar (Joh. 10:11).

 

Op dezelfde wijze wil God thans door Jezus Christus geopenbaard worden in Zijn lichaam, de kerk. Christus zelf zit ter rechterhands Gods. Hij alleen bezit de volheid en verenigd in Zich de Goddelijke heerlijkheid. "Want het is Gods welbehagen geweest, dat in hem alle waar­heid wonen zou" (Col. 1:19) en "En uit zijne volheid hebben wij allen geno­men, en wel genade voor genade" (Joh. 1:16).

"Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, maar niet alle leden énerlei werking hebben, alzo zijn wij velen één lichaam in Chris­tus, maar onder elkander is de één des anders lid; en wij hebben menigerlei gaven, naar de genade die ons gegeven is" (Rom. 12:4-6).

Daaruit volgt dat alle vier ambten waardoor God werkt en die in Jezus Christus verenigd waren, in Zijn kerk door verschillende leden uitgeoe­fend moeten worden. En zoals Hij in het begin door deze ambten in Zijn persoon de wereld getuigenis gaf, Zijn kinderen verzamelde en die Hij zegende en troostte, zo wil Hij ook in Zijn kerk tot aan EQ \O(', )s werelds einde getuigen, verzamelen en zegenen. Maar dat alles niet door het werken van één persoon, want dan zou deze drager van de volheid zijn die alleen Jezus Christus kon zijn, veel meer daardoor dat Hij de veelvoudige ambten aan verschillende leden schenkt. Zo kan ieder zijn eigen opgave vervullen en zich geen andere aanmatigen.

Anders zouden de eigenschappen der verschillende leden verloren gaan en het ene lid zou tot het andere kunnen zeggen: "Ik heb u niet van node" (1 Kor. 12:21). Want de kerk is geen fantasiebeeld, ook is het geen lege beeld­spraak als ze "het lichaam Christi" heet. De kerk is werkelijk zichtbaar, voelbaar, begrenst. Een gemeenschap van mensen. Ze staan in verschillende betrekkingen tot elkaar en tot Hem, hun Hoofd. Maar ze zijn tot zo een waarachtige en werke­lij­ke eenheid gebracht dat het menselijke lichaam daarnaast onvol­komen lijkt.

Ja, slechts een uiterlijk beeld, een afschaduw van de kerk. Deze zelf is het grote origineel van de goddelijke gedachte.

Evenmin als de gaven, die Hij voor de mensen ontvangen heeft en aan mensen heeft gegeven, onpersoonlijke invloeden of ideeën zijn, maar het zijn zelf levende mensen die vanuit de kracht die in Hem is, de zegen afdragen. Door hen wordt in Zijn kerk de werking van de Heilige Geest duidelijk.

 

Daarom zegt Apostel Paulus: "En hij heeft sommigen tot apostelen gege­ven; en sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders en leraren" (Ef. 4:11).

Deze ambten zijn niet alleen gegeven voor een tijd die al voorbij is. Het doel waartoe ze geven werden was nog niet bereikt en kan alleen door hen bereikt worden.

 

De Heilige Schrift geeft ons een uitvoerige beschrijving van de bijzon­dere en bepaalde taken waarvoor Apostelen gegeven zijn. Zij zullen onder Christus de hoofden en regeerders der Algemene Kerk zijn.

De Heer zelf heeft deze plichten in de handen der Apostel gelegd. Daarvoor werd hun de sleutelmacht gegeven om te verlossen of te binden aarde. "En ik zal u de sleutelen des hemelrijks geven; al wat gij op aarde binden zult, dat zal ook in de hemel gebonden zijn: en al wat gij op aarde ontbinden zult, dat zal ook in de hemel ontbonden zijn" (Matth. 16:19).

 

Apostelen zijn de fundamenten van de kerk (Ef. 2:20, Openb. 21:14)  niet van deze of gene kerkafdeling, maar van de Ene Heilige, Algeme­ne en daarom Apostolische Kerk. De grondslag waarop de levende stenen moeten worden gebouwd en het voortdurend middel om het gebouw van de levende tempel, de kerk in eenheid van geest en wandel, van leer en bestuur te handhaven en te sterken. Dit is dus het aposte­lambt zoals het ons duidelijk in de Heilige Schrift wordt voorgesteld en zoals wij het daar ook in werking zien.

 

Even duidelijk en bepaald wordt het ambt der profeten beschreven. De profeet is het kanaal waardoor de verborgen zin van God door openbaring tot de kerk wordt gebracht. Niet in de vorm van een leer, want de leer van de kerk is de "leer der Apostelen"

En ten slotte nog zijn er Profeten om Gods wil bekend te maken aangaande Zijn dienstknechten die Hij in de heilige bediening gebruiken wil.

 

Daarna volgt een beschrijving van het ambt evangelist,oudste, herder, priester, diaken, onderdiaken en diakonissen, zoals dat door de Katholiek-apostolischen gezien werd.

 

Want behalve het onderscheid met betrekking tot het ambtsgebied is er nog een ander onderscheidend kenmerk tussen het apostelambt en dat der ondergeschikte herders en andere bedieningen. Dit namelijk, dat iedere bediening een bediening des levens is. Dat het Apostel­ambt de levendmakende Geest rechtstreeks van de Heer Jezus Chris­tus ontvangt en uit­deelt en dus de bron en sterkte wordt voor alle andere bedieningen.

Het is het kanaal tot uitdeling van de Heilige Geest, wiens gaven door al de dienaren der kerk, door al de gedoopten uitgeoefend worden. Het is het ambt waardoor de Heer Jezus Christus zich openbaart als degene die met de Heilige Geest doopt (Matth. 3:11).

Hij alleen kan de Heilige Geest schenken en volgens de oorspronke­lijke inrichting der kerk gaf Hij die slechts aan Apostelen. Vandaar dat, toen Philippus te Samaria het Evangelie had gepredikt met grote tekenen en wonderen en vele gelovig geworden en door hem gedoopt waren, het nu nodig was, dat de Apostelen Petrus en Johan­nes zich van Jeruzalem daarheen begaven opdat de gedoopten door gebed en oplegging der handen de Heilige Geest ontvingen (Hand. 8:16-17).

Apostelen zijn de fundamenten van de kerk (Efez. 2:20, Openb. 21:14) niet van deze of gene kerkafdeling, maar

Niet dat het getal van hen, die na elkaar in het ambt zouden dienen beperkt was. De Heilige Schrift, zowel als de onbestreden overleve­ring der kerk tonen duidelijk dat er in de eerste tijden meer dan twaalf mannen als apostel hebben gewerkt. Maar zij zijn dé "Twaalf" genoemd die uit de besnijdenis voortkwamen. Zij hadden tot taak de twaalf stammen Israels te richtten (Matth. 19:28).

De verkiezing van Matthias om het twaalftal vol te maken (Hand. 1:15) en vele anderen passages uit de Heilige Schrift en uit de overleveringen uit de vroege kerk, moeten leiden tot de conclusie dat het apostelambt op zich een twaalfvoudige is.

 

Dat zijn dus de hoofdbedieningen in het lichaam Christi. Maar ze zijn niet hét lichaam zelf. Het zijn slechts de handelende leden van het lichaam, die van het lichaam zelf al hun kracht, werkzaam­heid en leven ontvangen. Dat lichaam is de grote schaar der gedoop­ten. De gedoopten maken het lichaam uit. Door de wederkerige werkzaam­heid van ieder lid, daar ieder de ander nodig heeft en door middel der anderen de kracht van de Heer ontvangt (want elk lid heeft zijn eigen geaardheid en maakt daarom op zijn eigen manier gebruik van deze kracht) moest de gemeenschap der vreugde en van het leven bewaard zijn gebleven. Het hele lichaam tezamen opwassen en opge­bouwd zijn. Zo was het bij de geboorte en in de eerste dagen van de kerk, zoals geschreven staat: "En zij bleven volstandig in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en de broodbreking, en in het gebed.

En een vrees kwam over alle zielen, en er geschiedden vele wonderen en tekenen door de Apostelen. En allen die gelovig waren geworden, waren bij elkander, en hielden alle dingen gemeen.

 

Dit is de kerk in haar oorspronkelijk wezen en gestalte. Gegrond op de rots die de poorten der hel niet zullen overweldigen. Voor wie alleen de beloften Gods gelden. En tot wie in de personen van mannen die het apostelambt bekleden, de woorden van Jezus Christus gericht waren: "En zie, ik ben met u al de dagen tot aan EQ \O(', )s werelds einde" (Matt. 28:20. Deze is de Ene, Heilige, Algemene en Apostoli­sche Kerk, in welke Gods wetten gehoorzaamd, Zijn wil uitgevoerd, Zijn lof verkondigd, Zijn naam geheiligd moet worden.

De kerk, die Hem aanbidding in geest en waarheid (Joh. 4:24-25) behoort te brengen en die de gebeden van alle heiligen, de smekin­gen, voorbeden en dankzeggingen voor alle mensen als een reukwerk moeten doen opstijgen tot Zijn troon (1 Tim. 11:1, Openb. 8:3-4).

 

De kerk is één. Zij is in elk van haar leden verbonden, door ééEQ \O(',n) leven, dat uit één bron voortvloeit en door één en hetzelfde voedsel wordt onderhouden.

 

Deze éne kerk is Gods getuige en geeft getuigenis.

Zij is heilig, zoals het de bruid betaamt van Hem, die zelf de Heilige God is. Heilig als het levende, heilige welbehagelijke offer dat voort­durend God de Vader wordt aangeboden door de ware Hogepriester aan Zijn rechterhand. Heilig als de woonstede van een Hoge en Heilige, die in de kerk woont, omdat geschreven staat: "Ik zal onder hen wonen en  onder hen wandelen en zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn (2 Cor. 6:16). Heilig door de Heilige Geest, de "Geest des Levens van de Vader en de Heer Jezus Christus, die de mensen vernieuwt haar en het beeld Gods, de Geest der heiligheid, wiens tempel de kerk is. Heilig, omdat zij de vruchten van de Heilige Geest voort­brengt. Heilig omdat zij de gaven van de Heilige Geest openbaart, welke zijn: "het woord der wijsheid aan een ander wordt gegeven, het woord der kennis, door dezelfde geest, aan een ander geloof, door dezelfde geest aan een ander gaven om gezond te maken, door dezelf­de geest aan een ander werkingen der krachten, profetie, onder­schei­ding der geesten, uitlegging van menigerlei talen" (1 Cor. 12:8-11).

 

Aldus volhardende in Gods raad, met Hem wandelende als kinderen des lichts. Tot het lichaam vergaderende omdat God hem wegnam" (Hebr. 11:5).

 

Het allereerste ambt in de kerk is het apostelschap in mensen. Apostelen in de hand des Heren, waarmee Hij Zijn dorsvloer zuivert. Het is het ambt door welke Hij doopt met de Heilige Geest en met vuur, dat verloren gegaan is, al zijn enige apostolische handelin­gen nog gebleven. Toch is het doel, waartoe Apostelen gegeven worden nog niet bereikt.

Slechts één enige kerk, één heilig volk, vermag het evangelie te prediken aan alle creatu­ren, alle volkeren te leren alles te onderhouden, wat de Heer geboden heeft. Slechts zij vermag alle mensen tot het geloof te brengen. Ervan te overtuigen dat God Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld. Slechts de Ene, Heilige Algemene Kerk kan Apostolisch zijn want het is alleen in zulk een lichaam, dat God gegeven heeft, "ten eerste Apostelen". Dit lichaam alleen kan Apostelen of andere dienaren door Apostelen ingezet, uitzenden om het getuigenis af te leggen en het leven te schenken. Daarom werd de kerk gesticht.

De Christenheid, zoals zij nu is, vermag slechts de zendelingen van één of meer sekten uit te zenden tot de heidenen. Zij kan geen Apostelen, Profeten, Evange­listen, Herders en leraren voortbrengen, die vanuit het lichaam, het éne geloof, die éne God bekend maken. Met het richtsnoer des gerechts en het paslood der gerechtigheid geme­ten, is zij niet te rechtvaardigen. Evenals de Engelen hun beginsel niet hebben bewaard, net zoals de volkeren voor de zond­vloed zijn afgevallen en het licht hebben uitgeblust dat hun van God, voor allen, was gegeven, evenals de joden, die de Heer krui­sig­den, de raad Gods tegen henzelf verworpen hebben, net zo zeker zijn de gedoopten afgevallen uit de heerlijke stelling, waarin God in het begin de kerk heeft geplaatst (2 Petr. 2).

 

Toen in de aanvang de kerk geopenbaard werd in de zichtbare heer­lijkheid van de Heilige Geest, beval de Heer aan Zijn Apostelen, die Zijn hemel­vaart gezien hadden en allen uit het zaad Abra­hams en Apostelen der besnijdenis waren, om eerst aan de Joden het evange­lie te prediken, zoals Petrus op het Pinksterfeest zei: "Doet beter en ieder late zich dopen in de naam van Jezus Christus, tot verge­ving der zonden, zo zult gij de gave van de Heilige Geest ontvan­gen. Want u en de uwen kinderen is deze belofte" (Hand. 2:38-39).

En kort daarop in de tempel: "Voor het eerst heeft God Zijn knecht Jezus opgewekt, en heeft hem gezonden, om u te zegenen" (Hand. 3:26).

De Joden wilden deze genade echter niet aannemen en voor hen was de bediening der Apostelen tevergeefs geschonken. En toch was het tweevou­dig getuigenis van God, dat door Zijn kerk te Jeruzalem gegeven werd, het middel waardoor in die tijd Zijn overblijfsel naar de verkiezing der genade verzameld, Jeruzalem gericht en de Joden tot op deze dag ver­strooid zijn geworden.

Het was nodig, zeiden Paulus en Barnabas tot de Joden, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, "maar omdat gij het verstoot en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heide­nen" (Hand. 13:46).

Toen wendde God zich tot de heidenen om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn naam (Hand. 15:14). God werkte en Hij werkt nog steeds om een volk te verkrijgen dat Zijn zegen kan ontvangen en aldus Zijn volheid en in Zijn naam volkomen geopenbaard kan worden. Een gemeente, die Hij eerst wil volmaken en dan, bij haar opneming, verheer­lijken wil.

En dit werk moest door Apostelen geschieden. Daartoe was het, dat Paulus werd werwekt. Daarvoor werd Hij afgezonderd van zijn moeders lichaam  (Gal. 1:15-16). Gesteld als een prediker een Apostel, een leraar der heidenen in geloof en waarheid (1 Tim. 2:7, 2 Tim. 1:11). Zoals hij op een andere plaats spreekt van de genade die hem van God gegeven was. Opdat hij een dienaar van Jezus Christus zou zijn, onder de heidenen het evangelie van God bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam werd, geheiligd door de Heilige Geest (Rom. 15:16).

 

Zo toont ons de Heilige Schrift aan, dat er in de gemeenten zonden aanwezig waren, die vanzelf moesten leiden tot het ophouden van de apostolische bediening, door mannen die voor dat doel ingezet waren.

Maar het feit, dat de gave van het apostelambt geheel gestopt is in de daadwerke­lijke openbaring in mensen, namelijk in Apostelen, die door Gods ordening zijn tot haar openbaring. Terwijl Godes gaven onberouwelijk zijn, en het doel waartoe deze bepaalde gaven ver­leend werden nog niet bereikt is.

 

Het is waar, dat toen als gevolg van het ongeloof en de onverschil­lig­heid, waardoor niet meer tot God werd geroepen, het voortduren Zijner gaven, de aostelen uit de kerk verdwenen, als vanzelf hun gezag overging naar de bisschoppen. Maar even waar is het, dat juist door deze stap en door deze noodzakelijkheid Gods weg tot eenheid in Zijn kerk verbroken werd en de hele geschiedenis van de kerk van die tijd tot op onze dagen.

 

Het is geen wonder dat uit de zonde talloze onheilen moesten voortvloeien. Het verval en de ontaarding zullen zich onvermijde­lijk steeds verder uitbreiden totdat alle gezag en ambt verdwenen zijn.

Alles zal zich hebben opgelost in een chaos van verwarring, waaruit dan de antichrist zijn werktuigen kiest en in nabootsing van Gods kerk, zijn leugenbouw oprichten zal.

Toen de gedoopten en hun leidslieden het daarover eens waren geworden, dat het voortbestaan van Apostelen, die de ware bron van alle leer zijn, overtollig is, zijn talloze ketterijen ingeslopen.

Waarlijk, als niet in Jezus, het Hoofd der Kerk al de volheid had gewoond, die Hij steeds bereid is om door mensen te openbaren, zodra het lichaam door het geloof weer in staat is om die zegen te kunnen aannemen en indien niet altijd in Gods hart de tijd aan­staande was geweest, wanneer die zegen weer door de in de aanvang verorden­de kanalen zou vloeien, dan was de kerk reeds lang verzwol­gen in de heilloze gevolgen van de zonden der gedoopten. De belof­ten van de Heer, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldi­gen, was voor niets geweest.

 

Het woord Gods door een profeet als een hiertoe van God gebruikte dienaar, is de verklaring van Zijn wil aan de Algemene Kerk. Alleen door de Apostel kan dit als geldige overlevering of inzet­ting bevestigd worden.

Zo zegt Apostel Petrus: zijt indachtig aan de woorden, die van de heilige profeten van tevoren gesproken zijn en aan ons gebod, die des Heren en Zaligma­kers Apostelen zijn.

 

De kerk, wij herhalen het, is geen menselijke instelling voor menselijke doelein­den. Zij is een goddelijke instelling tot vervul­ling van Gods raadsbesluit. Beantwoordt zij hieraan niet, dan wordt zij zoals het zout dat smakeloos geworden is.

Evenmin kan Gods raadsbesluit vervuld worden door enig ander middel dan welke Hij zelf verkoren heeft. Middelen, die in de Schrift duidelijk  aangegeven zijn. Die niet onverschillig terzijde gescho­ven of veranderd of door andere van menselijke vinding vervangen kunnen worden. Die niet straffeloos verwaarloosd kunnen worden of verloren gaan zonder jammer­lijke verminking van het lichaam van Christus. Zonder remming en verhindering van Gods zegen. Zij zijn noodzakelijk, zij zijn volledig en mogen dan alleen ophouden, wanneer het doel waarvoor zij zijn gegeven, bereikt is.

 

Had dan de Algemene kerk de samenbinding van de apostelen niet nodig? Was het genoeg voor het behoud van haar eenheid dat zij onder bisschop­pen stond? Dat was niet Gods weg tot eenheid en daarom is het niet te verwonderen, als wij tot de slotsom komen, dat de eenheid niet behouden kon worden.

De bewering, dat de eenheid van de kerk daaruit bestaat, dat zij door enige andere bisschop (opziener) bestuurd wordt dan door de Heer Jezus Christus zelf, is een vorm der dwaling die tot gevolg zal hebben: dienstbaarheid onder mensen, verberging en duisternis van God. Een scheiden van het Hoofd en het lichaam, alsof dit laatste alleen genoeg was.

De bewering, dat zij bestaat in een onzichtbaar hoofd, namelijk Jezus in de hemel, met uitsluiting van alle zichtbare eenheid op aarde, is een dwaling.

 

Het waar dat, hoewel apostelen en profeten opgehouden hebben, de kerk toch in haar Hemels Hoofd volledig was en steeds gebleven is. Hij was en bleef de Apostel en de profeet voor zijn volk en de kerk bleef het lichaam, geschikt om deze ambten te zegeningen. Door mensen vervuld, te ontvangen, en van die geopen­baarde leden in zich te bevatten (hoewel zij op aarde, niet gelijk het had behoren te zijn, altijd zichtbaar volledig in deze leden was.

Daarom is het ook altijd mogelijk geweest dat, als Zijn wijsheid het bepaalde, deze ambten zich weer in mensen, in Apostelen en profeten kon openbaren. Hij kon zorgen en Hij heeft gezorgd, dat Zijn kerk nooit ophield te bestaan.

Hij heeft daarom Zijn raadsbesluit niet veranderd en ook geen nieuwe inrichting gegeven tot uitvoering van Zijn voornemen en de eerste verworpen, omdat het onvoldoende gebleken was. De eerste heeft weliswaar niet tot het doel geleid door de zonde van Zijn volk, maar Hij heeft zich intussen van die werktuigen bediend, die Hij gebruiken kon.

Dat, tot Hij Zijn eerste verordende werktuigen weer herstelde onder een volk, dat geloof genoeg had om aan te nemen.

Maar zij zijn niet opgehouden en door andere vervangen zonder grote schade. De volledige middelen, waardoor de Heilige Geest Zijn genade de gedoopten schenkt, zijn niet in werking. Er heeft dus geen volle genadebedeling plaats. De gaven waardoor God de Heer onder mensen wil wonen, zijn niet behouden gebleven. Een toestand, waarin de heiligheid van de God Israël verduisterd scheen en haar heilige woonstede als het ware verlaten heeft, om aarzelend te vertoeven op de dorpel van de Tempel (Ezech. 10:4).

De door God zelf gestelde bedieningen tot levensbehoud van de kerk, evenals de zegeningen, die dit leven van lid tot lid moeten doen vloeien, zijn in verval geraakt. De levensstroom is slechts arme­lijk voortge- vloeid en heeft zich slechts spaarzaam verbreid. De groei van de kerk werd gehinderd, alles is achter gebleven en de uitvoering van Gods raadsbesluit in de kerk wordt tegengehouden.

 

In het “Testimonium” wordt de geldigheid van sacramenten, afgedragen door anderen dan door apostelen ingezette dienaren, als ongelding verklaard en er vele gedoopten in feite feite onrein zijn.

 

Evenmin had de leer van het vagevuur ingang kunnen vinden bij hen, die wisten, dat zij nu reeds met Christus opgestaan zijn door het geloof van de werking Gods (Col. 2:12), in wie de ogen van de weerstand verlicht waren geworden, zodat zij wisten wat de uitne­mende groot­heid van Zijn krachten aan ons is, die geloven. Naar de werking der sterkte van Zijn macht die Hij geschapen heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt (Ef. 1:18-20).

 

Evenzo leveren de geloften van het celibaat en het verbod voor de geestelijke stand om te trouwen slechts het bewijs, dat waar de gedoopten zelf onrein waren geworden, alle dingen onrein waren.

Dus poogden zij die bewuste onreinheid te ontgaan. Een onna­tuurlij­ke poging, waarop geen zegen rusten kan die de heilig­heid stelt, niet in het gebruik van geoorloofde en natuurlijke zaken, maar in gehele onthouding daarvan. Zij die God en Zijn werken en wegen smaad aandoen, Zijn heilige instelling veracht waarvan de Heilige Schrift zegt: "De echt wordt in ere gehouden en het echtbed onbe­vlekt" (Hebr. 15:4).

 

Naarmate nu het leven Gods in de gedoopten als lichaam, ver­viel, werd de zuiverheid van de leer belangrijker dan ooit tevoren. Gedurende het leven van de apostelen was hun uitspraak in deze beslissend. Hoewel ook toen reeds ketters opstonden werden zij spoedig uitgeworpen en hun leerstelsels veroordeeld door het gezag der kerk, dat zich door de apostelen bekend maakte.

 

De leer, zoals die door de Apostelen werd overgeleverd, was de leer van de kerk. Toen zij heengegaan waren, kon geen enkele bisschop het oordeel van de kerk uitspreken tegenover deze, door de dwaalle­raren ingevoerde ketterijen. Tenzij dan dit oordeel van de Algemene Kerk uitging of door haar werd goedgekeurd. Dikwijls zien wij in de geschiedenis der kerk dat bisschoppen zelf de ketterijen hebben ingevoerd.

Hoewel iedere bisschop is in de ene Algemene Kerk, toch is hij in de uitoefening van zijn bediening beperkt tot zijn eigen ambts­gebied.

 

Hoe weinig het bestuur der bisschoppen of het gezag der patri­archen tot eenheid voert, is duidelijk gebleken uit de toe­stand der kerk ten tijde toen de Romeinse Keizer Constantijn het christelijk geloof omhelsde. Afrika was in de handen van de Donatisten*. Een groot aantal bisschoppen in Egypte met hun gemeenten en gehele streken van Azië waren de leer van Arius toegedaan. Deze oordelen Gods, rechtvaardigden de wijsheid van Zijn eigen ordening tot instandhouding der eenheid in de kerk, namelijk Apostelen, die Zijn algemene kerk zowel in zaken van geloof als van kerkelijke tucht moesten besturen.

En de zedeloosheid, de meteen na de bekering van het hoofd van de staat ontstond, de oude reinheid verdreef en sindsdien voortdurend de christelijke naam geschandvlekt heeft, getuigde evenzeer hoever het christelijke leven vervallen was.

 

Als bewijs voor de bovenstaande stelling wordt in het navolgende een overzicht van de kerkgeschiedenis gegeven.  Het geschrift gaat verder in de tegenwoordige tijd, dus de tijd waarin het geschreven werd.

 

Het koninkrijk dat God zal oprichten strekt zich nu dus nog niet tot beheer over aardse aangelegenheden uit. Terwijl de kerk der gedoopten thans de eerstelingen van dat rijk bezit in de gave van de Heilige Geest, namelijk de krachten der toeko­mende eeuw en zoals Petrus schrijft: "een koninklijk pries­terdom, een heilig volk is",

(1 Petr. 2:9). Terwijl, zoals Johannes in de Openbaring zegt: "Jezus Christus, de overste van de koningen der aarde ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gods en Zijn Vader (Openb. 1:5,6) moeten wij ter wille van het geweten onderwor­pen zijn aan de over ons gestelde machten."

Het Godsrijk is nu nog binnen in ons. Het is nog niet te voorschijn gekomen en wij bidden steeds onze Vader, dat Hij het doet komen  (Luk. 17:21).

En het zal komen: "in de wedergeboorte als de Zoon des mensen zitten zal op de troon Zijner heerlijkheid". Dan zullen de twaalf Apostelen, die met Hem op de aarde waren, ook zitten op twaalf tronen, "oordelende de twaalf geslachten Israëls" (Matth. 19:28).

 

Dan ook zal geschieden wat Johannes in de Openbaring gezien heeft: "En ik zag tronen en zij zaten daarop en het oordeel werd hun gegeven". Dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding, over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen pries­ters van God en van Christus zijn en zij zullen met hem als koningen heersen duizend jaren (Openb. 20:4-6).

Maar nu zijn wij nog in het natuurlijke lichaam en hebben het geestelijke lichaam nog niet ontvangen. Dat zullen wij verkrijgen bij Zijn verschijning en koninkrijk: "maar onze wandel is in de hemel, vanwaar wij verwachten de Zaligmaker Jezus Christus, de Heer, die ons  nietig lichaam veranderen zal" (Fil. 3:21).

 

Tot dan moeten wij ons tevreden stellen om te zijn, zoals onze Meester op aarde was en Zijn voorbeeld navolgen. Hij was een geboren koning en toch onderwierp Hij zich en betaalde schat­ting. Ook wij zijn als gedoopten geboren koningen, de kerk is het konink­rijk. In de kerk wordt de heerschappij over het koninkrijk gevoerd en de dienaren van de kerk zijn de dienaren van het koninkrijk en hun namen zijn eeuwige namen.

Maar de kerk is het koninkrijk "in de Heilige Geest" (Rom. 14:17). Het koninkrijk dat nog verborgen is: de opstanding heeft nog niet plaats gehad. De koninkrijken dezer wereld zijn nog niet omver geworpen en dus zijn wij in de dingen die de wereld aangaan, trouw en gehoorzaamheid schuldig aan de over ons gestelde machten.

In de kerk zien wij, dat als een koning tot de doopvont na­dert, hij gedoopt wordt evenals alle andere mensen. Als hij nadert tot Gods altaar, ontvangt hij het Heilig Avondmaal uit de handen van Gods priesters, evenals ieder ander mens, niet als koning. En wanneer Hij in Gods huis met de gemeente neer­knielt, ontvangt hij de zegen gelijk alle anderen, niet als koning. Maar in een staat moeten al de gedoopten, priesters zowel als leken, gehoorzamen.

 

De koning en de Vader zijn even nodig als de apostel en de herder. En in een christelijke staat worden al deze banden door de doop bezegeld en God heiligt ze door zijn priester tot in hun oorsprong. In de kerk van de levende God worden de huwelijksgeloften van man en vrouw aangenomen en erkend. Door de handelingen van Gods pries­ter worden zij bezegeld en de geestelijke vereniging der gehuwden tot stand gebracht. Ook de christelijke vorst komt tot Gods kerk, dáár worden zijn gelof­ten aangenomen. Dat hij zijn volk trouw regere en al zijn koninklijke plichten vervullen zal en hij ont­vangt uit de handen van Gods priester de zalving die hem bekwaam maakt om die plichten na te komen, en aldus regeert hij "bij de genade Gods".

Doch het gezag der priesters beperkt alleen tot zich Gods kerk. Tot die kring van geestelijke verhoudingen, die in de doop neergelegd zijn of daaruit voortvloeien. Hij mag zich niet mengen in het bestuur over de huisgezinnen. Laat staan in dat van het grote huisgezin van de staat.  Omgekeerd is in de kerk ook de grootste monarch slechts ontvangen van Gods genade. Hij heeft in die kerk noch macht uit te oefenen, noch ambten uit te delen en iedere daad van die aard aanmatiging zijn.

 

De wereldlijke en geestelijke bestuurders hebben dus ieder hun eigen ambtsverrichtingen. Het is de taak van de priesters om beide, koningen en onderdanen, te onderrichten over hun verschil­lende plichten  zij zijn tevens de organen die aan allen de genade en de zegen uitdelen, zonder welke zij onbekwaam zijn, hun plichten te vervullen. Er is geen gezonde staatskunde, die niet tevens een christelijke staats­kunde is. De priesters zijn de aangewezen onderwijzers van de beginselen waarnaar gebieders en onderda­nen beide te handelen hebben. Maar hun taak is van zuiver geeste­lijke aard. Hun woorden richten zich tot het geloof en het geweten. Hun macht is geestelijk en als burgers moeten zij gehoorzamen. Het is de plicht der konin­gen en der vorsten hun volk te regeren naar Gods wetten en inzet­tingen, die zij, gelovende in Hem en niet in de mensen, van de lippen der priesters ontvan­gen. Als de eersten onder haar zonen, behoren zij voor te gaan in gehoorzaamheid aan de kerk, waarin alle gedoopten Gods geboren worden en aan wier borsten zij gezoogd zijn. Met kinderlijke zorg behoren zij haar voor alle uitwendig gevaar te behoeden en te beschermen. Zij moeten over al hun onderda­nen met rechtmatigheid heersen: maar geen enkel gezag of rechtsbevoegdheid in geloofszaken, noch in- of uitwendig gezag in de kerk komt hen toe. Dit zou een ingrijpen zijn in het ambt van Christus, de ware Melchizedek, die alleen tegelijk koning der koningen en priester van de Allerhoogste is.

De zalving en kroning van een christelijke vorst door de hand van Gods priester is een goddelijke instelling. Zij betekent niet dat de priester enig wereldlijk gezag bekleedt over de vorst, maar duidt aan, dat niemand zonder Gods zegen zijn plichten kan vervul­len. Dat deze zegen slechts in Zijn kerk en door hen, die daartoe verordend zijn, wordt uitgedeeld.. Dat zij evenmin als alle andere plechtige handelingen in Gods kerk een vertoning is, maar een werkdadig middel, waardoor God aan de vorst Zijn genade schenkt en beide, gebie­der en onderdanen, maakt tot een in de Heilige Geest verbonden volk.

Zij sluit echter ook de veronderstelling uit als had de vorst enig geestelijk gezag over de kerk van wier dienaren, als uit de hand des Heren, hij zijn kroon met de zegen, die hij nodig heeft, ontvangt. Zij bezegelt en heiligt de hele oorspronkelijke verant­woordelijkheid van de koning en van het volk beide tegenover God en tegenover elkaar. De plicht van de koning om niet voor zichzelf, maar ten beste voor zijn volk te regeren. De zwakken te beschermen, de onderdrukten te wreken, voor de noodlijdenden te zorgen, zijn gezag tot be­scherming van allen aan te wenden en voor alle dingen steeds te bedenken, dat alle macht van God gegeven is. Anderzijds is het de plicht van ieder mens als lid van de staat om zijn plaats te vervullen, hetzij als meerdere, hetzij als onderge­schikte waarin God hem gesteld heeft en zichzelf te beschouwen als Gods rentmees­ter over al wat hem is toevertrouwd.

De plichten van koningen en regenten en van hun verschillende raadslieden is om in de vreze Gods en tot algemeen welzijn te regeren.

 

De plechtige handeling van de vernieuwde vestiging van een rijk door de kroning van Zijn Koning in de kerk, brengt nog hoger en meer eigen plichten met zich en sluit grote verantwoordelijkheid in. Zij bevat namelijk een verplichting. Beide, van de koning en van het volk, om Gods ware Algemene kerk te beschermen en te verdedigen en wel van de zijde van de koning doordat hij aan de bediening van Gods woord de vrije loop zal laten. Het onderwijs van al zijn onderdanen zoveel mogelijk zal bevorderen en door voorbeeld en invloed Gods gezag in de kerk zal handhaven. Van de zijde van de koning en het volk beide, dat zij Gods waarheid, die hun door de kerk geopenbaard wordt, aannemen en als volk daarin zullen wande­len.

Voorts sluit zij de erkenning in, dat de Vader alle macht aan de Zoon gegeven heeft en dat de vorst de stadhouder van die Zoon is, totdat Hij zelf komt. Bovenal stelt zij koning en volk in staat de Heilige Geest te ontvangen ter vervulling van de wet van Christus, dat het bestuur zowel als de gehoorzaam­heid betreft. Zij verzekert hun op al hun wegen Gods tegen­woordigheid en bescherming en de volheid van alle nationale zegeningen.

Maar in geval zij dit verbond ooit mochten breken en vallen uit  hun stand, dan verzekert zij even stellig van de ver­scheuring van alle zedelijke banden, die de mensen tezamen houden. De opheffing van alle beteugeling van hun hartstochten en de ontaarding en ontbinding van de hele maatschappelijke toestand.

Zodanig behoorde de wederzijdse verhouding van kerk en staat te zijn geweest, toen het hoofd van de staat bekeerd en het christen­dom de staatsgodsdienst werd. Als toen de gedoopten het ware standpunt van de kerk erkend hadden en in het bezit waren gebleven van al de ordeningen tot handhaving van de eenheid in leer en regering, dan was de kerk leermeesteres geweest van koning en volk. Of zij nu hoorden of onwillig waren, de onder­wijzeres van alle mensen in hun verschillende levensbetrekkin­gen en het orgaan ter uitdeling van de genade aan allen tot vervulling van hun plichten.

Nooit was er dan tussen de vorsten van een gelovig volk het vraag­stuk over de band tussen kerk en staat, noch door de ene, noch door de andere partij uit een staatskundig of partijzuchtig oogpunt behandeld. Dit zou zich hebben opge­lost in de eenvoudige vraag of God, wiens tegenwoordigheid in de kerk door het volk en de regering erkend werd, hen al dan niet door zijn dienaren wilde laten onder­wijzen in de beweeg­redenen, middelen en doeleinden, die hen leiden moesten om voor Hem te regeren en voor Hem te leven.

De ware leer van het standpunt der kerk, die geen bespiegeling van het verstand, maar een levende, zich tot het geweten richtende werkelijkheid is, zou haar dienaren bewaard hebben voor de laaghar­tige eerzucht om zich enige macht in de staat te willen aanmatigen. Het tevens onnodig en onmogelijk hebben gemaakt, dat het gezag van de staat in geestelijke zaken werd ingeroepen.

 

Toen echter de christenheid het apostelambt gewillig liet uitster­ven en zichzelf wijs gemaakt had dat haar zonde Gods wil was: toen de uitoefening van de macht om aan de satan over te geven tot verderf van het vlees (1 Kor. 5:3) moest worden vervangen door de kerkelijke ban: het uitleveren aan de we­reldlijke arm, toen het gezag der apostolische besluiten plaats moest maken voor dat van synoden van bisschoppen wiens gezag eigenlijk alleen op hun aantal berustte, toen bleek, zoals wij zagen, dat deze wapenen niet  volstonden zodat er een strijd tussen ontstond bisschoppen, tussen synode en synode.

 

Wat ook de beweegredenen geweest mogen zijn van hen, die de inroe­ping van de wereldlijke macht of de verheffing van de bisschop van Rome bevorderd hebben, hetzij geestelijke onverdraagzaamheid of ijver voor Gods waarheid in het eerste geval, hetzij gees­telijke eerzucht of enige andere drijfveer, in het tweede geval, zeker is het dat al hun pogingen dit beginsel als grondslag hadden, dat eenheid het kenmerk in de ware kerk en derhalve zichtbaar behoort te zijn. Die eenheid hebben zij niet kunnen bereiken en zij zal nooit bereikt kunnen worden dan door de inwoning Gods. Daartoe werden Apostelen en profeten (en deze beide als fundament van alle anderen) evangelis­ten en herders gegeven.

Toch was dat streven naar eenheid, althans de erkenning van hetgeen de kerk behoorde te zijn, een hulde die de uit hun geestelijke stand gevallen gedoopten brachten aan de waarheid, die zij hadden behoren te verwezelijken en te openbaren.

Maar hoewel zij dit beginsel erkenden, namen zij inplaats van berouw te hebben over het verleden en Gods wederkerende genade te zoeken, de toevlucht tot middelen, die slechts tot dieper verderf konden leiden. Ten eerste door het ware standpunt van de kerk te laten varen, ja vrijwillig prijs te geven. Een daad aan welke gevolgen zij slechts ontkwamen door de ondergang van het Romeinse Rijk, de staf waarop zij leunden. Ten tweede doordat de bisschop van Rome zich de tweevoudige waardigheid des Heren Jezus toeëigende en zich stelde tot algemeen bisschop en tot vorst van de koningen der aarde. Ook zich het recht toeeigenende, om keizers en koningen te kiezen en af te zetten en om alle volke­ren belastingen op te leggen. De eerste van deze aanmatigingen werd meteen aangevochten en verworpen door de gehele kerk, hoewel zij dat later trapsge­wijs hebben toegestaan.

 

Tot op de huidige dag zijn deze in- en uitwendige gebreken in werking gebleven. Het geestelijke leven is nagenoeg uitgeblust en de gedoopten nemen allerlei vleselijke hulpmiddelen te baat om de meer en meer verdwijnende werkelijkheid te vervangen.

Zo gebeurde het, dat toen de geestelijke bediening van de leer en de tucht, de bediening in de Heilige Geest, onbekend werd, men naar wereldlijke middelen omzag om zowel de ene als het andere vast te stellen.

Het Testimonium analyseert verder de christelijke wereld en verwerp zowe het katholicisme als het protestantisme.

 

Overzien wij nu de toestand der christenheid, haar beschouwen­de zoals God haar aanziet, namelijk als één geheel en met voorbijgaan aan alle  verdeeldheden, sekten en benamingen, die allen evenveel van de oorspronkelijke gedaante en inrichting der kerk afgeweken zijn, en slechts één kenteken in het oog houden n.l.,  dat allen gedoop­ten zijn, dan ontdekken wij in de twee hoofdafdelingen der chris­tenheid het streven van de Heilige Geest, Gods Geest, om in de gehele kerk het tweevou­dig werk te verrichten. De mededeling van Zijn leven en de uitoefe­ning daarvan in levende getuigen,waardoor God het lichaam van Christus volmaken wil.

Maar wij zien ook het tweevoudig streven van de verborgenheid der ongerechtigheid om de werken van de Heilige Geest tegen te werken. Te verhinderen dat de kerk en de wereld worden voorbereid voor de openbaring van de ongerechtigde, de tevoren aangekondigde Anti­christ. Want Rooms-Katholiek en Protestant zijn niet de namen van twee kerken, maar de uitdrukking, zowel van het goede als het kwade, dat in het gehele lichaam is. Elke waarheid en elke dwaling welke in één der twee afdelingen aanwezig is, kan ook in de anderen gevonden worden. De wijze, waarop zij zich openbaren kan zeker zeer verschillend zijn en de verschillende hoofdtrekken van beide afdelingen geheel tegenover elkaar staan. Wat wij in dit opzicht te zeggen hebben van deze twee afdelingen der kerk, sluit alles in wat ook over de Griekse kerk, moet worden gezegd.

 

De Rooms-Katholiek kerk heeft getracht, de eenheid der kerk te behouden in haar vorm, inrichting en leer. In haar alleen zag men het getuigenis dat de kerk één is en de werking van het beginsel, dat éénheid haar eigenlijke wezen is. Het bestendig streven om dat beginsel te behouden. Haar getuigenis in het getuigen van het éne lichaam, dat de kerk één is.

Het Protestantisme levert de geschiedenis van het streven van de kerk om "leven uit God" te behouden, dat haar in het begin toever­trouwd werd. Van het worstelend bewustzijn, dat er nog iets meer nodig is, dan eenheid alleen. Haar getuigenis is het getuigenis der kerk van het "leven uit God”..

 

Sommigen van de Protestantse kerkgenootschappen hebben de heer­schappij der paus alleen ontweken om onder het priester­schap van de koning te komen. De keuze van de dienaren der kerk onverholen aan hen over gelaten en zonder verzet de kerkelijke goederen door hebzuchtige vorsten lieten roven als prijs voor hun bescherming. Anderen hebben elk begrip van enigerlei bestuur in de Algemene kerk verworpen en getracht iedere kleine vergadering en gemeente los te maken van het verband met andere gemeenten. Dat alles onder de schijn van christelijke vrijheid en van het recht tot persoonlijk oordeel de haat tegen alle heerschappij en de verwerping van alle gezag, zowel in de staten als in de kerk ingevoerd.

 

Onder de noemer van persoonlijke godsdienst en gemeenschap met het onzichtbaar Hoofd verscheuren zij zonder schroom Zijn lichaam, ver­delen Zijn klederen en werpen het lot over Zijn gewaad.

Zij scheppen zich een hersenschim van een onzichtbare kerk, van een verborgen eenheid, die niet eens zoals de Rooms-katho­lieke kerk beweert, in de ordeningen Gods staan.

Aan de bestaande toestand is niet één der “partijen” schuld.

 

Neen, wij zeggen met nadruk: de gehele christenheid. Want het is niet slechts onder protestanten dat deze beginselen in werking treden.

 

Zo behoort ook tot de zogenaamde vooruitgang van deze eeuw de afschaffing van het brengen van de tienden tot Gods altaar. In sommige landen is het reeds helemaal in onbruik geraakt. Omdat de protestantse geestelijken vreesden, in deze op hun recht te staan.

In andere landen is het weggevaagd door het tomeloos geweld der revolutie zonder hersteld te worden.

En nu eist men nog de afschaffing van het laatste overblijfsel daarvan onder het schoonschijnend vooroordeel, dat de nieuwere vormen van staatshuishoudkunde dat offer eisen. Dat de tienden een ongelijk drukkende belasting is en schadelijk voor de landbouw.

 

Het feit, dat er in deze redenen enige waarheid ligt, is op zich­zelf een bewijs, hoezeer de christenheid is afgevallen van het geloof der vaderen. Zeker zijn zij een ongelijk drukkende belasting op het land, maar dat is omdat het voorschrift van Augustinus aan de gelovigen om de tienden te brengen niet slechts van de jaarlijk­se opbrengst van het land, maar ook van hun dagelijkse winst, niet meer beginsel en gebruik onder de christenen is.

Toen de vroomheid onzer voorouders bij de geestelijke en nationale wetten en besluiten, haar tienden de Heer wijdde, waren de rijkdom­men van het Romeinse Rijk reeds verdwenen. Het is niet bezijden de waarheid, wanneer wij beweren, dat de voortbrengselen van het aardrijk de enige bronnen van welvaart waren. Om die reden en omdat de wetten zich niet tot andere soorten van eigendom konden richten, gewaagde de letter van de wet onder alle volkeren slechts over de op­brengst van het land.  Toen nu echter als loon van de vroom­heid der christenen God hun rijkdommen van allerlei aard op voorbeeldige wijze heeft vermeerderd, is zelfs daar waar de letter der wet bleef bestaan, thans de geest, waarin de tien­den gebracht moesten worden geheel geweken. Terwijl de gelovi­gen vroeger de tienden gaven van al hun bezittingen, hebben hun nakomelingen zich alleen tot de verplich­ting der letter bepaald. Omdat zij de tienden van hun overige bezittingen terughielden, gaven zij er zelf aanleiding toe, dat nu de tienden van de opbrengst van het land een ongelijk drukkende belasting lijken.

God openbaarde zich daarin dat men aan Zijn kerk een gedeelte van zijn inkomsten gaf,. Deze Tienden had Hij zich zonder twijfel voorbehouden toen Hij de aarde en haar vruchten aan de mensen overgaf. Immers, de Tienden zijn ouder dan de Mozaïsche wet en hebben altijd de belijdenis der gelovigen van God, als gever van al het goede uitgedrukt.

 

De volgende stap in dit vreselijke verval is het idee, dat de staat alle vormen van godsdienst als geheel gelijkstaand beschouwen en behandelen moet. Dat aan elke sekte een, aan haar zielental evenre­dige subsidie moet worden verstrekt, of dat de geestelijkheid financieeël onderhouden moet worden.

In deze gevallen houdt de staat op Gods kerk te erkennen en God zelf, evenals de godsdienst te belijden.

In het eerste geval houdt de staat op christelijk te zijn in de eigenlijke zin van het woord. In het laatste belijdt hij wat de regering betreft, godloochenende grondbeginselen te omhelzen. Gods waarheid is één, zijn heil is één en alleen in de ene kerk van God zijn beide te vinden.

Zij gaan uit van God tot de mens en moeten door de mens aange­nomen of tot zijn eeuwige schade verworpen worden. Zij kunnen nooit een zaak van menselijke willekeur zijn of door een louter menselijke meerderheid beslist worden. Daarom is de gelijkstelling van alle sekten door de staat een feitelijke ontkenning der openbaring. De dienaren der godsdienst, die aanspraak maken Gods kerk te zijn, verraden hun opdracht wanneer zij zoiets toestaan. Het volk dat daarnaar streeft, verloochent zijn doop. Als in het volk een bewustzijn van zijn verplichtingen niet levend gehouden wordt. Als de geestelijken niet om ChristusEQ \O(', ) wil hun plaats handhaven. Als

 

En zo werden de enige middelen prijs gegeven, die de kerkbe­stuur­ders nog overbleven om hun plichten naar Gods wil te vervullen. Om de onheilen tegen te houden, die over de volkeren van Europa dreigen los te barsten.

Want een rechtvaardig bestuur wordt niet uitgeoefend in de kracht van de natuurlijke mens. Deze is altijd dwaas, tyran­niek en weer­spannig. De vorsten die God niet aanroepen en om de genade van Zijn Geest smeken, die de zalving vergaten, welke zij van de Almachtige hebben ontvangen, zullen er toe komen om de hun van God geschonken macht te misbruiken om onderdrukkers te worden. De bron van onder­drukking en wanbe­stuur is altijd deze geweest: dat in de heidense tijden, de regeerders die de zalving ontbeerden en na de invoering van het christendom, dat zij niet in de genade bleven.

Zij erken­den wel deze ontvangen te hebben maar alleen uiterlijk. Nu echter wordt de maat van de zonden der vorsten van de christenheid daar­door volge­meten, dat zij de zalving in hun hart gering schatten en vergeten. Haar zelfs verachten en verwerpen.

Daarom worden hun rijken door beroeringen en opstanden ge­plaagd.

 

De Franse omwenteling van 1793 was slechts een gedeeltelijke uitbarsting van de algemene beroering. Een eerste schok van de aardbeving, die elk burgerlijk en geestelijk gebouw omver zal werpen.

 

Verhief zich die revolutie tegen de betere, toen bestaande beginse­len, die zij met ontzaglijk geweld aantastte en probeerde omver te werpen, tenslotte werd toch paal en perk daaraan gesteld. Nu

echter bedreigt de grote revolutie, waar­van de Franse een voorteken was, de van het gif reeds geheel doordrongen christenheid. Het tast instellingen aan wiens beginselen reeds geheel ondermijnd zijn.

Het ongeloof, dat ten tijde van het diep bederf van het pausdom in stilte en duisternis zijn verborgen loop voortzette, dan in de protestantse afval nieuwe kracht ontving en aan het licht kwam, zal in de derde en de laatste vloed van antichristelijk godslastering tot een geweldige stroom worden. Het afval zal de kerk en staat, de nog van God getuigende instellingen met zich mee voeren. In haar plaats zullen de instellingen van de hel opgericht worden.

 

Wij weten uit Gods woord, dat in de laatste tijden de zonden van zelfzucht, geldgierigheid, laatdunkendheid, onheiligheid, gemis aan natuurlijke liefde, onverzoenlijkheid, achterklap, onmatigheid, wreedheid, tegenzin voor het goede, verraad, roekeloosheid, opge­blazenheid, liefde der wellusten (2 Tim. 3:1-5) zullen toenemen. Het wordt verdoezeld door vormen van aanbidding en godzaligheid, maar waaraan alle kracht ont­breekt. Deze schijn zal niet slechts haar dienaren zullen hebben zoals altijd, maar dat zij ook de gemoederen der mensen geheel be­heersen.

In één woord, wetteloosheid zal geheel de overhand hebben. De mensen zullen heen en weer slingeren als de golven der zee, tot zij al haar verenigde kracht zal openbaren in ongerechtig­heid en wetteloosheid.  Dan zal geopenbaard worden de mens der zonde, die zich teweer stelt en verheft boven al wat God genoemd of als God geëerd wordt. Diens toekomst is naar de werken van de satan in alle kracht en wonderen der leugen (2 Thess. 2:3,4,9).

En spoedig zal hij geopenbaard worden. Temidden der toenemende beroering en verwarring onder alle volkeren van Europa. Tij­dens de benauwdheid en twijfelmoedigheid der volkeren nadert de in Gods woord aangekondigde tijd met rasse schreden (Luk. 21:26). De Zoon zal komen op de wolken des hemels om de volke­ren te oordelen en dat koninkrijk op te richten, dat geen einde zal hebben (Dan. 7:13-14).

En als Hij komt, dan zal die wetteloze zich reeds geheel geopen­baard hebben. Er staat geschreven dat de Heer hem ver­doemen zal met de Geest van Zijn mond en vernietigen zal door de verschijning van Zijn toekomst  (2 Thess.2:8).

 

Dit nu is het grootste keerpunt in de geschiedenis der mens­heid dat de wereld tegemoet gaat. Dit is het uur van de ver­zoeking die over de gehele aarde komen zal om te verzoeken, die op de aarde wonen (Openb. 3:10).

De afval en het komende gericht, het zichtbaar bederf en de tegen­woordige ellende van Gods gedoopten, de volslagen gelijkvor­migheid der zogenaamde kerken, zal zowel van ieder afzonderlijk als van allen toenemen. Zowel in uitwendige gedaante, ordening, éénheid en geestelijke heerlijkheid als in inwendige heiligheid, reinheid, vrede, zegen en goedheid. Die volslagen ongelijkvormig­heid aan dat lichaam, dat in de Heili­ge Schrift met de naam van " de Kerk " wordt aangeduid, haar daaruit voortvloeiende onbekwaam­heid om Gods raadsbesluit met haarzelf of haar plicht omtrent Hem en Zijn schepselen te vervullen. Haar gehele onbereidheid voor de toekomst des Heren, dit alles hebben wij thans aangetoond. Wij beroepen ons, wat de waarheid van onze beweringen aangaat, op het geweten van allen tot wie dit, ons getuigenis, komt.

 

De spotter en ongelovige wijst met de vinger op de gedoopten. Hij beroept zich op de Heilige Schriften, vergelijkt haar uitspraken met de feiten en grondt zijn besluit tot verwerping van de openba­ring op de handelswijze van haar belijders. Die logenstraffen immers door hun daden hun eigen woorden.

De koude twijfelzuchtige godsdienstbelijders van onze tijd, die van de ongelovige zoveel verschilt als de verschillende beoefenaars der bespiegelde filosofie van elkaar verschil­len, maakt het christen­dom slechts tot een stelsel van zedekunde. Schrijft alles, wat iets hogers schijnt aan te duiden aan oosterse spreektrant toe.

De grote menigte der christenen, die bekommert zich niet om Gods eer of raadsbesluit, zelfs niet eens of God enig raadsbe­sluit heeft. Het schept er behagen in om op haar verschillende wegen een geestelijk genot te zoeken en zoekt slechts naar vrede voor het eigen geweten. Zij heeft geen hoger beroep of beginsel, dan haar heidense voorvaderen.

Indien wij godsdienst slechts beoefenen als een middel om onze vrees te stillen, of onze verbeelding te voeden, alsof God daar niet in gemoeid was, of enig raadsbesluit zou hebben, dat Hij, indien ook voor onze ogen langzaam maar zeker volvoert, dan verla­gen wij haar tot een verchristelijkt heidendom.

 

Het bewijs voor onze beweringen, ligt niet enkel in de toe­stemming van ieders geweten, ook in de bewuste of onbewuste angst van dat geweten. Zijn vrees voor tegenwoordige onafwend­bare onheilen en zijn benauwdheid voor hetgeen nog voor liggen mag, dat zijn even­zeer onze getuigen. De onrust der wereld, dat eindeloos en onbevre­digend vragen, waarom toch deze dingen zo zijn en de algemene kreet om verandering en verbetering, leggen op hun wijze getuigenis van deze waarheid af.

 

"Maar wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen? en wie zal bestaan als Hij verschijnt? want Hij zal zijn als het vuur van een goud­smit en als de zeep van de vollers. En Hij zal zitten loute­rende en het zilver reinigende en Hij zal  de kinderen van Levi reinigen en Hij zal ze doorlouteren als goud en als zilver. Dan zullen zij de Heer spijsoffer toebrengen in ge­rechtigheid (Matt. 3:2,3).

Slechts een heilig volk kan voor Zijn aangezicht bestaan. Een volk wandelende als "kinderen des lichts en kinderen des daags"

(1 Thess. 5:5), vervuld met de Heilige Geest, de dienstknechten Gods, die Hij aan hun voorhoofden verzegelt eer de vier winden der aarde de verwoestende elementen over de aarde en de zee zullen loslaten (Openb. 7:1-3).

En deze uitdeling van de Heilige Geest zal niet plaats hebben, deze verzegeling zal niet geschieden, de kerk kan niet tot volmaking geleid worden anders dan door de ordeningen, welke God in het begin voor dat doel gaf.

Maar zij zullen weergegeven worden. De beloften Gods aangaande het herstel van Zijn Zion in het uur van de hoogste nood zullen vervuld worden. Gods raadsbesluit zal ten uitvoer gebracht worden, volgens Zijn plan door Zijn middelen en niet door de maatstaven van de mensen.

God zal weer verschijnen in de machtige tegenwoordigheid van Zijn Geest. Opnieuw zullen, Zijn bij de hemelvaart aan Zijn Zoon ge­schon­ken, gaven openbaar worden. Apostelen, niet gezon­den van mensen, noch door een mens, profeten, evangelisten, herders en leraren, door Apostelen gewijd, zullen Gods werk in Zijn kerk volbrengen. Hun bediening vervullen tot opbouwing van het lichaam en het lichaam zal met nieuw leven vervuld worden. De dorre beende­ren zullen weer tot elkaar naderen en op hun plaats gesteld worden, om op te staan als een heel groot heir (Ezech. 37). Zij die het Lam volgen, die niet bevlekt zijn, in wiens mond geen bedrog is gevon­den, die onberispelijk zijn voor de troon van God, zullen staan met het Lam op de berg Sions als de zichtbaar geopenbaarde eerstelin­gen Gods en het Lam (Openb. 16:1-6). Als het onderpand van die heerlij­ke oogst, als de Zoon des mensen. Zijn engelen zal uitzenden en zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden van het ene uiterste der hemelen tot aan het andere uiterste derzelven (Matt. 24:31).

 

Dat nu is uw roeping, gij gedoopten, want nog heeft God u niet verworpen en uw hoop is deze "dat Zijn Geest nog in het midden van ons staat met de woorden, in hetwelk Hij met ons een verbond heeft gemaakt, als wij uit Egypte uittrokken (Hagg. 2:6). Jezus Christus, het Hoofd der kerk, is nog steeds bereid om Zijn ordeningen weer tot hetzelfde doel in werking te stellen, opdat Zijn dienaren in staat mogen zijn om de plich­ten te vervullen die op hen rusten.

Daarom, dan gij bisschoppen, opzieners der kerk, God roept u op om Hem uw kudden voor te stellen als een heilig volk, dat voor Zijn gezicht kan bestaan en waardig bevonden worden om te bestaan voor de Zoon des mensen. En gij, koningen, machthebbers en vorsten, aan u allen zal God Zijn trouw bewijzen en u en uw onderdanen bewaren voor de vloed der goddeloosheid, indien gij van uw kant uw plicht als Zijn rentmeesters wilt erkennen en Hem wilt zoeken in Zijn kerk. Deze redding is geen aardse verlossing of herstel van aardse macht en heerlijkheid. Reeds wordt het laatste klokgelui van de uitvaart van deze wereld vernomen.

De wereld gaat voorbij en met haar de dingen van deze wereld, en de enige hoop is altijd de hoop van de kerk geweest "teza­men met hen weggerukt te worden in de wolken, de Heer tege­moet" (1. Thess. 4:17). om voor altijd bij de Heer te zijn. Verlost van d val der verleiding en de grote verdrukking die over de aarde komen zal.

Maar zult gij Hem horen? God weet het, velen zullen het horen en wie wil die zal zeker door het zegel Gods bewaard blijven voor de verwoesting en geborgen in Zijn tent.

Wie echter niet wil horen en het zegel Gods niet aannemen kunnen het gerecht niet ontlopen waarvan geschreven staat: "Daarom zal God hun een kracht der dwaling zenden, om de leugen te geloven; opdat geoordeeld worden allen, die de waarheid niet geloofd, maar lust gehad hebben aan de ongerechtigheid" (2 Thess. 2:11-12).

 

Maar alles kan ten goede keren: want God heeft de smekingen van Zijn volk gehoord en de stille gebeden, de uitdrukking der begeerten, die de voorkomende genade van Zijn Geest in het hart van Zijn verborgen kinderen had verwekt. Ook de gebeden die in iedere eeuw der kerk onder zijn voorzienig bestuur tot Hem zijn opgegaan in het heilg dienstwerk van de verschillende gemeenten der gedoopten.

Hij heeft het oor geneigd tot de stem van een ieder die Hem met een oprecht geloof aanriep "om neder te zien op de nood van Zijn volk en Hem te zenden die te komen staat, het Lam, dat op de aarde zal heersen van de rots der woestijn tot de berg der dochter van Zion, opdat Hij het juk onzer gevangenschap verbreekt".

 

In de loop van deze eeuw kwamen velen, die voor God ijverden in verschillende plaatsen, maar vooral in Groot-Brittannië, overeen om te bidden om een rijkelijke uitstorting van de Heilige Geest.

In het jaar 1830 werden deze gebeden van Gods volk, dit roepen om de Heilige Geest beantwoord door dezelfde Geest en wel in het westen van Schotland. De vorm, waarin Hij zich in deze dagen van geestelijke dronkenschap en wanorde openbaarde, was, zoals Jesaja het profeteerde in zijn visioen der gerichten, die over de dronke­nen van Efraim en Jeruzalem zouden komen, namelijk: "door bela­chlijke lippen en door een andere tong" (Jes. 28:11).

De leden der Schotse kerk, in wier midden de Geest des Heren na zolang stilzwijgen en vergetelheid Zijn stem opnieuw deed horen, waren eenvoudige en ongeleerde mensen, die even weinig als de gehele kerk de praktische en letterlijke zin van 1 Kor. 14 verston­den. Maar zij waren onderwezen en wachten gelovig, dat de kerk opnieuw, zoals in de dagen van eertijds, vervuld zou worden met geeste­lijke gaven tot haar bevestiging en volmaking. Wel was het een wonderbaar en groots werk, dat God verrichtte, toen Hij opnieuw Zijn stem verhief in het midden van Zijn vergaderde gemeente.  Er was vreugde in de hemel, de engelen zongen Gods lof en eer, de engelen in de hemel verheugde zich, toen de stem van Jezus opnieuw in Zijn gemeente werd vernomen. En deze stem zal nimmermeer zwijgen, maar uitgaan tot aan de uiterste einden der aarde.

 

En wat is nu de vrucht geweest van deze stem, die in het midden der kerk opging en door de kerk verworpen werd. Die weerklonk temidden van de wachters en zij kenden het geluid der bazuin niet en hebben het land niet gewaarschuwd. Het geluid dat zich liet horen midden onder het volk en zij hebben haar bespot en veronachtzaamd?

De stem riep: "alle vlees is als gras" (Jes. 40:6) en zij deed het vlees verwelken met al zijn kracht, heerlijkheid en schoo­nheid.

De wandel der voorzichtigen is gebleken achteloos te zijn. De wegen der oprechtsten zijn goddeloos bevonden. De wijsheid der wijzen en de raadslagen der verstandigen zijn verijdeld geworden. De gedach­ten en overleggingen van het menselijke hart zijn ontdekt en zijn verdorvenheid dat van jongs afaan, is openbaar geworden. Het licht heeft geschenen in een duiste­re plaats, de Heilige Geest heeft een levende uitlegging der Schriften gegeven en de wet en het getuige­nis zijn tot één verbonden.

 

Maar God verliet het werk van Zijn eigen handen niet. In het land waar God zich zo openbaarde, waren er betrekkelijk weinigen die acht gaven op het gerucht, dat de Heilige Geest weer in de kerk sprak. Nog geringer het aantal van hen, die de stem van hun Vader erken­den.

Toch waren er enigen die wel wilden horen en de tucht aanna­men. Zij hebben de kracht ondervonden van de stem der Almachtige. De stem van Hem, die doodt en levend maakt, die doorwondt en Zijn handen helen.

Hij heeft hen behouden door Zijn profeten" (Hos. 6:5). Hij heeft hen gewassen met het waterbad van Zijn woorden. Hen geleid door Zijn Geest. Hen teruggebracht tot de oude wegen en hen geleerd daarop te wandelen.

Het werk des Heren door Zijn Geest is dit geweest: mensen door vele beproevingen, door veel tuchtiging, door velerlei openbaring van hun eigen zondigheid en verkeerdheid om Zijn alles over­treffende genade voor te bereiden. Om Zijn kracht, Gods kracht, Gods eigen kracht te kunnen ontvangen. Haar te gebruiken tot opbouw van Zijn kerk, tot zegen van Zijn kinderen. Tot bijeen vergaderen van alle gedoopten, zodat zij Gods volk tot het oorspronkelij­ke wezen en de apostoli­sche inrichting der kerk van Christus terugbrengen. Hen voor te bereiden om het viervoudig ambt van Jezus te ontvangen en zich aan de ordeningen van de Heer te onderwerpen.

 

Van het eerste moment aan, dat de stem van de Heilige Geest in Schotland werd gehoord, verhief zich telkens het geroep om "een lichaam".

De betekenis daarvan werd toen nog door niemand duidelijk begrepen.

Allerminst door de profeten van wie dit woord uitging. Nu echter is het duidelijk gebleken, dat de gave der profetie slechts binnen de grenzen der kerk, die het lichaam van Christus is, veilig uitoefend en tot nut der kerk aangewend kan worden.

Maar hoewel dit woord nog niet goed verstaan werd, werd het in geloof aangenomen.

 

Ook heeft Hij in zeven gemeenten in Londen een voorbeeld, een afschaduw gegeven van datgene, wat Zijn ‘Algemene Kerk’ behoort te zijn. Er zijn gemeenten opgericht in de meeste grote steden van Engeland, Schotland en Ierland en in enige ander plaatsen op het vasteland van Europa en Amerika.

Deze gemeenten werden gebouwd op het "fundament van apostelen en profeten" en ieder in het bijzonder gesteld onder het oppertoezicht van een engel of opziener. Met ouderlingen waarvan niet meer dan zes in elke gemeente. Die met en onder de engel en het zevenvoudig ouder­lingschap, Gods ordening tot uitdeling van geestelijk licht vormen. Terwijl nog andere ouderlingen, naarmate de behoefte der gemeente zulks vereist en God hen schenkt, de eerstgenoemden terzijde staan. Aan wie zij, hoewel van gelijke rang, echter in gezag en waardig­heid onderworpen zijn.

Tenslotte zijn er diakenen en onderdiakenen. Aan de armen is het evangelie verkondigd door evangelisten die de inzetting zijn voor het werk ter inzameling van de gelovigen tot de kerk.

De priesters die in het herderlijk ambt dienen en de evange­listen, worden ieder in het bijzonder door het woord der profetie tot hun bediening geroepen en door de handen van de Apostelen geordend.

De bediening der diakenen daarintegen wacht op de tijd, dat de

Apostelen, uitgezonden met de volle zegen van het evangelie van Christus, hun handen op al de leden der kerk zullen leg­gen, om hun de gave van de Heilige Geest te schenken. Daarna zal de gemeente hun diakenen, vol van de Heilige Geest, voort­brengen en hun aan de Apostelen voorstellen, zoals de kerk der eerste tijden deed

(Hand. 6).

Ook heeft de Heer bevolen dat voor de bediening van het Heilig Avondmaal ongezuurd brood gebroken moet worden tot een teken van de afzondering van Zijn kerk van alle bederf. Van alle verwarring in de tucht en van alle onreinheid des levens, van ketterij, scheuring en onheiligheid, die Hem tot droefheid en Zijn gedoopten tot schande strekken.

 

Dit is geen nieuwe sekte, het is Gods eigen werk, waardoor Hij Zijn zegen wil schenken aan de gehele christenheid, aan de gedoop­ten. God verwerpt niemand. Hij zal allen, die zich van harte tot Hem wenden, aannemen en hun plaats aanwijzen.

Dit is het getuigenis Gods. Een kerk, die midden onder een onge­hoorzaam en tegensprekend geslacht wandelt in gehoorzaam­heid aan allen, die over haar gesteld zijn.

 

Daarbuiten raakt de dagelijkse eredienst in verval of wordt schaars bezocht door de leken. Hier is de dagelijkse morgen- en avond­dienst, van God Zelf door de stem van Zijn Heilige Geest, sprekende in het midden der gemeente, de gelovigen voorgeschreven.

 

Hoe anders gaat  het in de nieuwe apostolische kerk toe: Rijk en arm beiden zien wij de tienden van al hun inkomsten brengen tot het door God weer opge­richte altaar naar Zijn gebod. dat Hij in deze laatste dagen richtte tot een nauwgezet en gelovig volk. Dat door geen mense­lijke wetten behoeft gedwongen te worden.

 

Dit zijn de merktekenen van een vernieuwd apostelschap en de gewisse onderpanden dat, wanneer het de Heer behagen zal om Zijn Apostelen uit te zenden, om aan al Zijn volk hun handen op te leggen, dit volk ook het zegel van hun apostelschap zal zijn in de Heer (1 Kor. 9:2, verg. Ef. 1:18, 2 Kor. 1:22).

 

Wonderen zijn, in de gewone zin van het woord, op zichzelf nog geen bewijzen van de waarheid. Als getuige van Zijn goddelijke zending noemde de Heer Jezus Christus in de dagen toen Hij in het vlees was, in de eerste plaats Zijn woorden en hun vruch­ten. Daarna pas Zijn wonderwerken.

Door het eerste wisten Zijn discipelen, dat Hij waarlijk "van God was uitgegaan", en "dat Hij en de Vader één waren".

Terwijl de schare, die Zijn wonderen gezien hadden en zelfs vele van Zijn discipelen Hem verlieten, omdat zij zagen en toch niet geloofden, bleven zij, die de kostelijkheid van Zijn woorden hadden gesmaakt, Hem trouw en zeiden: "tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwige levens" (Joh. 6.).

 

Ook in de herleving van Zijn kerk geeft de Heer dit tweevoudig getuigenis, doch wel voornamelijk het eerste.

Door de woorden der waarheid en des levens zondert Hij het geeste­lijke overblijfsel af van de menigte der belijders van het chris­tendom. Hoewel Hij ook nu Zijn kerk, door vele teke­nen en wonderen bevestigd heeft, is toch de waarheid, het ontdekken van de grond­slagen van Zijn woorden. Dat is het hoofdbewijs voor dit, Zijn werk.

 

Daarentegen zal het merkteken van de antichrist in de laatste tijden juist de werking zijn van tekenen en wonderen. Door zijn wonderen zal hij de wereld verleiden, maar door zijn leugens zich aan de heiligen verraden. Tenslotte is het nog een merkteken van het werk des Heren in de laatste tijden, dat niet alleen de waar­heid uit de Heilige Schrift in woorden aan het licht wordt ge­bracht, maar dat ook de vruchten der waarheid zich openba­ren in levende mensen. Dat Zijn kerk

uit haar diepe verval opheft, en wel naar het in het begin gegeven

voorbeeld. Dat de geest van Elia die komen zou, allen weer opricht en de harten der vaderen bekeert tot de kinderen. De harten der kinderen tot de vaderen en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen (Mal. 4, Marc. 9:129.

En de merktekenen, die voornamelijk in Zijn apostelen, zowel als in Zijn kerk verwacht mogen worden zijn die, welke in de brief aan de gemeente van Filadelphia worden genoemd: "een kleine kracht, en gij hebt mijn  woord bewaard en hebt mijn naam niet verloochend" (Openb. 3:8). Mannen, broeders en vaders! geeft ons gehoor. Wij komen niet als rechters of scheidsrechters tot u. Wij komen niet om te prijzen of af te keuren. Om te rechtvaardigen of te veroordelen. Om uitspraak te doen in twisten. Wij komen ons niet mengen in de onenighe­den, die vaak van een klein begin uitgaande steeds groter worden, totdat zij een dodelijke en onherstelbare scheuring in het lichaam van Christus teweeg hebben gebracht. Wij komen als gezanten van de Heer der heirscharen en wij bidden u, zoals God door ons bad: wij bidden u, laat u met God verzoenen.

Wij komen om te verkondigen: "Ere zij God in de hoogste heme­len en vrede op aarde in de mensen een welbehagen"!

Wij komen, om u terug te roepen tot de oude paden (Jer. 6:16) om u van alle vleselijke verbintenissen (Jes. 6:16) af en tot de eeuwig­heid des Geestes in een band der vrede terug te roepen. U in herinnering te brengen, wat gij van het begin gehoord hebt. Datgene te verlevigenden, wat altijd het gebed, de hoop en de sterke vertroosting van Gods kerk is geweest. U de weg der heiligheid, de weg der heerlijkheid te wijzen.

Om uit te roepen, dat het jaar van het welbehagen des Heren is gekomen (Jes. 61:2) en de dag der wrake van onze God zeer nabij is.

 

Evenmin als Jezus Christus, uw en onze Heer deze namen erkent of erkennen zal. Evenmin mogen en kunnen wij die namen niet erkennen, waarmee de leden der enige Heilige Algemene Aposto­lische Kerk zich van velerlei sekten onderscheiden.

Wij oordelen u niet over het verleden. Opdat wijzelf niet geoor­deeld worden. Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over degenen, die geen barmhartigheid gedaan heeft en de barmhar­tigheid roemt tegen het oordeel.

Wij oordelen niet voor de tijd, maar wij zeggen u aan, dat de tijd van het gericht aanstaande is. Dat de rechter voor de deur staat, die alles aan het licht brengen zal wat in het duister verborgen  was.

 

Zijn anderen door enige misdaad overvallen. Zo tracht hen terug te brengen met de geest der zachtmoedigheid. Maar wordt gij bevonden elkaar bijtende en verslindende? Ziet toe, dat gij dan elkander niet verteerd wordt.

Hebben anderen u verdrukt of uitworpen? Vergeef hen, gelijker­wijs God u in Christus vergeven hebt. Maar hebt gij behoord tot de onderdrukkers, tot de oproermakers van de dag, tot de verwoesters van het erfdeel van de Heer, tot de goddelozen en onheiligen? Tot hen die Gods kudde vertrooien en opeten, en de verdeelde schapen verdruk­ken. Tot de wolven in schaapsklederen?

Vertwijfel zelfs dan nog niet, maar bekeert u. Laat af van kwaad te doen, leert goed doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht en handelt de twistzaak der weduwe (Jes. 1:17).

 

En vraagt men, waarom juist God deze dingen aan ons geopen­baard heeft, zo is dit ons antwoord: niet om enige gerechtig­heid die in ons is, of omdat wij ver gebleven zouden zijn van de zonden, die God bedroef­den en Zijn gerichten haastelijk doen komen en waaraan ook wij in vorige tijden ons aandeel hebben gehad. Niet om onzent­wil, maar om Zijn Naams wil en omdat Hij Zijn raadsbe­sluit in Zijn gehele kerk en voor al Zijn volk  ten uitvoer wil brengen.

 

Hij, die tussen de cherubim woont, is aldus blinkende versche­nen en heeft Zijn macht opgewekt.

In herstelling van Zijn viervoudig ambt van apostelen, profe­ten, evangelisten en herders en leraren, waarin de kracht van Zijn Geest uitgaat om zichzelf aan de mensen te openbaren. Door de werking van deze ambten in alle landen zoals zij in Zijn apostelen tezamen gevat en door hen bestuurd worden, zullen als Gods heiligen bijeen­vergaderd, gereinigd en tot Zijn tempel gebouwd worden. Over de gehele aarde zullen al Zijn gelovigen, al Zijn gemeenten, al Zijn heerschappijen en ordeningen zich in zichtbare eenheid openbaren.

Want de gelovigen moeten tot één vergaderd en als zodanig openbaar worden door een zichtbare afzondering van de ongelo­vigen. Gelijk de dienstknechten des Heren uitgaan in de landen der christenheid om Zijn banier op te richten, zo verzamelt ook de satan zijn leger­macht en zet Zijn werk voort. En indien dit het waarach­tig werk Gods is en inderdaad het is Zijn eigen, hoogheilig, rein werk, welke moeten dan de onvermijdelijke gevolgen zijn van de verwer­ping of verachting hiervan?

Als God tot Zijn gezalfden nadert om hun het enige middel tot herstel en redding aan te bieden, als Hij Zijn Geest uitstort en Zijn handen tot hen uitstrekt. Als zij dit alles verwerpen, wat zou dan nog kunnen verhinderen, dat hun vrees komt als een verwoes­ting en hun verderf als een wervelwind?

 

De voorbereiding der gedoopten om de Heer te kunnen ontvangen als Hij komt, is de volheid van de Heilige Geest. Blijven zij echter in het vlees wanneer Hij hen roept en de middelen onder hun bereik brengt om met de Heilige Geest vervuld te worden, wat kan hen dan nog verhinderen om vervuld te worden met de geest van machtige dwaling en in de handen te vallen van de mens der zonde? Als de Heer weer Apostelen en profeten zendt tot Zijn kerk en de gedoopten hen verwerpen en vervolgen, zo verklaren zij zich hiermee afvalli­gen te zijn. Dan moet het licht de duisternis openbaren. Het komen des Heren in de Heilige Geest tot Zijn kerk zal beide, hen die Hem vrezen en hen die Hem niet vrezen, aan het licht brengen. Het geestelij­ke woord der waarheid zal allen die de waarheid belijden en haar behoorden te kennen, beproeven of zij inderdaad geeste­lijk zijn. Zoals het bittere vloekwater allen als ongelovigen zal veroordelen, die het niet met vreugde aannemen".

(Numeri 5:12).

 

En nu, gij dienaren Gods, opzieners en herders van Zijn kerk, gij die de eersten zijt om de zegen te ontvangen. Maar ook de eersten in verantwoordelijkheid als vaders der kerk, als herders van de Heer bezweren wij verwerpt deze onze getuigenis niet. Wij bieden aan het geloof, een hulp en kracht Gods, die de oprechten moeten begeren, die alle vromen die in Gods woord zijn onderwezen zullen geloven en die Gods getrouwen bij Hem zullen zoeken.

Eeuwenoude vooroordelen, de zonden van vele geslachten, de misstap­pen, ja zelfs de pogingen om het kwaad te herstellen, waaronder de kerk gezucht heeft, hebben u in bezwaren verwik­keld. Wanneer gij ons woord verwerpt zullen deze met schier verpletterende kracht op u wegen en gij kunt uzelf niet daaruit verlossen.

 

Wij vermanen u, doet niet één enkele schrede in eigen kracht. Zoekt niet uzelf los te maken van de verplichtingen, waarin gij omtrent uw meerderen, uw gelijken of uw ondergeschikten staat.

Dit is het wat God van u verlangt. Dat een ieder blijft in uw eigen plaatsen en Zijn hand erkend in dit Zijn werk. Dat gij de zonden belijdt, die als een dikke wolk het aangezicht des hemels bedekken, en het licht des levens verduisterd hebben. Dat gij afstand doet van alle afgoderij. Dat gij u verre houdt van elke daad, ieder woord en gedachte, die in zichzelf boos zijn. Maar dat gij met de onder u gestelde gemeente dag en nacht wacht op de verlos­sing Israëls, meer dan de wachters op de morgen. In aanhoudend gebed, met blijde hoop. Omdat uw verlossing en die uwer kudden nabij is door de kracht Gods en de heilige Geest.

En bovenal, bidt voor ons, dat, zoals de Heer zich nu van ons bedient om u de woorden van deze blijde boodschap te verkondi­gen, wij ook de werktuigen mogen zijn om deze beloofde verlossing teweeg te brengen.

De organen van al die zegeningen, die de Heer Jezus begeert en altijd begeerd heeft uit te storten in de schoot van Zijn kerk.

 

En gij, vorsten en oversten der christenheid, zijt verzekerd, dat in de weerkerende heerlijkheid van de Heilige Geest, die aan Gods kerk geschonken wordt, uw ware sterkte, uw gewisse en enige veilig­heid in deze verwarrende tijden is gelegen. Daarom bezweren wij u, in de naam van onze God, dat gij als goede strijders wilt staan, voor Zijn waarheid en Zijn kerk.

zijt getrouw in de vervulling uwer plichten, gaat alle onzede­lijkheid en goddeloosheid tegen. Reinigt uw hoven van alle zonden en bederf. Stelt eerlijke, trouwe en godsvruchtige mannen in uw dienst.

Vergeldt de goeden het goed en straft de verkeerde handelin­gen: zodat gij het zwaard niet tevergeefs draagt. En bedenkt bovenal, dat gij verplicht zijt, de kerk van Christus te beschermen en te ondersteunen.

Wij bidden u. Laat haar niet de prooi worden van de boze aanslagen der mensen. Laat haar onder geen enkel voorwendsel van hervorming verscheurd of verwoest worden. Erkent en hand­haaft haar in al haar rechten en aanspraken en zijt in geeste­lijke zaken onderdanig aan hen, die de Heer over u, zowel als over alle gedoopten gesteld zijn.

 

En nu, dat Hij Zijn oorspronkelijke verordeningen ter uitoefe­ning van het bestuur en het gezag in Zijn kerk herstelt, vreest niet deze te erkennen. En voor zover uw wettelijke macht, invloed en voorbeelden werken, zijt behulpzaam aan de uitvoering van Gods werk. Opdat Zijn zegen de vrije toegang hebben tot Zijn kerk. Want daarin ligt de eerste redding ook voor u en uw onderdanen.

Geen menselijke redmiddelen kunnen u beschermen tegen de storm, die gereed is om over u los te barsten. De enige weg ter ontkoming is, dat gij vóór het naderend kwaad wordt wegge­nomen. Dat gij de toekomst des Heren begerende en verhaasten­de, moogt opstijgen tot de berg Gods. Daartoe is dit werk Gods de enige voorbereiding.

 

Wij hebben getracht u deze dingen voor te leggen in alle getrouw­heid en waarheid, maar tevens met de eerbied en het ontzag, waarmee het ons voegt u te naderen.

Wat ons aangaat, zo is het ons voor het minste, dat wij van een menselijk oordeel geoordeeld worden (1 Kor. 4:3). Wij weten, dat God Zijn raad ten uitvoer zal brengen, hetzij door ons, hetzij door anderen. Maar om uwentwil, gij gezalfden, terwille van uw moeder de kerk, terwille der kinderen Gods, die onder Uw volk zijn en over wie gij in geestelijke of wereldlijke zaken regeert. Terwille van het heil der wereld, wier hoop hieraan hangt, bezweren wij nog­maals, dat gij Gods waarachtige boodschap, die wij u bren­gen, wilt aannemen.

Hetzij gij gelooft of niet, hetzij gij ons aanneemt als Gods gezanten of niet, wij weten, de last die Hij ons heeft opge­dragen en die wij niet mogen nalaten uit te voeren.

In de eerste plaats is dit onze roeping, waarin wij met de hulp van onze God hopen te volharden. Te volharden in gedurige smekingen en voorbiddingen, die verhoring zullen vinden voor de gehele kerk van God voor alle huisgenoten des geloofs, voor alle bestuurders der

christenheid. Voor de mensen van alle standen en betrekkin­gen, die binnen de grenzen der kerk leven.

 

God, de almachtige Vader, Die de harten der mensen in Zijn hand heeft en hen naar Zijn onfeilbare wijsheid neigt en leidt, verlene u de kennis en volbrenge in u al het welbehagen van Zijn wil.

De genade van onze Heer en Zaligmaker Jezus Christus, vervulle u met al de zegeningen van Zijn goederentierendheid.

De Heilige Geest, de Trooster, de Geest des Vaders en des Zoons leidde u van nu voortaan en tot aan het einde in Zijn volkomen weg ter ere Gods. Tot heil van uwe zielen en de zielen van al Zijn volk. Amen.

 

Ere zij de Vader en de Zoon en de heilige Geest, gelijk het was in den beginne, nu en ten alle tijden van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

KLANKEN VAN HET TESTIMONIUM IN NEDERLAND

 

De achttiende eeuw vormde in veel opzichten een keerpunt in de wereldgeschiedenis. Er werd afgerekend met de laatste restan­ten van de maatschappij zoals die in de middeleeuwen was ont­staan. In deze eeuw werden de theorieën gezaaid waarvan in de negentiende en de twintigste eeuw de vruchten geplukt zouden worden.

De Franse revolutie had, ook al werd na dat gebeuren weer veel teruggedraaid, een verandering in de maatschappelijke struc­tuur, veroorzaakt Deze verandering, vooral op geestelijk terrein, was al begonnen vóór de revolutie. Misschien had zelfs, zonder het tijd­perk dat "Verlich­ting" genoemd wordt, nooit een Franse revolutie plaats gevonden. De benaming "Verlichting" staat ook in duidelijk contrast met de uitdrukking "duistere middeleeu­wen".

De denkbeelden van de Verlichting werden ontwikkeld en uitge­dragen door vele filosofen en schrijvers. In Engeland waren dat o.a. Hobbes (1583-1679), Hume (1711-1776) en Locke (1663-1704), in Duitsland o.a. Leibnitz (1646-1716) en in Frankrijk Voltaire (1694-1778), Diderot (1713-1784) en vooral Rousseau (1704-1788).

De strijd van de Verlichting richtte zich tegen het bijge­loof, een middeleeuws restant, maar ook tegen het geloof in een almachtige God die de wereld geschapen heeft, leidt en be­stuurd. De Verlichting stelde de mens in het middelpunt, de mens met zijn handelingen en verstand. Er werd onderlinge gelijkheid geëist en individuele vrijheid. Het goddelijke gezag werd terzijde geschoven, daarvoor in de plaats kwamen maat­schappelijke verdragen.

Vanaf 1751-1772 verscheen de Encyclopédie *1) in 28 delen. De eindre­dactie daarvan was in handen van Diderot en d'Alembert. In de redactie zaten o.a. Voltaire en Rousseau. Deze Encyclope­die was doortrokken met de theorieën van de Verlichting. Al het menselijke kunnen en kennen, de wetenschap werd hierin opgetekend en gebruikt als bewijs van het menselijke vermogen. Een God was niet nodig.

De periode van de Verlichting is niet in jaartallen te vatten, ook verschilde de stroming van land tot land en van persoon tot per­soon. Niet alle deelnemers waren tegen de religie, enkelen wilden alleen verandering, maar naar het atheïsme was het maar een kleine stap. In het "Boek voor onze tijd", verschenen in 1872, waarover later meer, werd de Verlichting genoemd als een uiting van  het Beest zoals beschreven in de Openbaring van Johannes.

"Eén van de eerste monden van het Beest was Voltaire, vrijden­ker en gewetenloos spotter met alle godsdienst. Gelijktijdig met hem leefde Rousseau  en beiden hebben bijgedragen om alle gods­dienst verdacht te maken."

"Verlichting" als een geestelijke omslag, "revolutie" als een maatschappelijke omslag waren de proloog van de "moderne tijd".

 

Hoewel beide stromingen, verlichting en revolutie, de vooruitgang op geestelijk en maatschappelijk terrein bevorderd hebben, was de balans doorgeslagen.

God, werkend door de heilige Geest,  waarschuwde tegen teveel eigendunk. Hij bereidde alles voor om weer aposte­len te zenden die hun komst bekendmaakte door het Testimonium. Maar, zoals vaker voorgekomen, werkte de Heilige Geest op meerdere plaatsen gelijktijdig. Echter, niet altijd is de mens in staat en bereid om het werk van God, d.m.v. de Heilige Geest, te erkennen, zoals dat destijds in Engeland wel het geval was.

 

Toch laat de Heilige Geest laat zich niet inperken tot een Geest die naar eigen goeddunken en volgens eigen tijdplanning gebruikt kan worden In Hand. 2:17 zegt God:

"Ik zal mijn Geest uitstorten op alle vlees", Hij bepaald bij wie en wanneer. Hij gebruikt daarvoor Zijn knechten, de Apostelen, maar Hij is het Hoofd en de Meester die daarvoor de opdracht geeft. 

 

In Nederland gebeurd alles vijftig jaar later, althans naar de mening van de Duitse satirische schrijver Heinrich Heine.

Dat gold zeker voor de werken van Heine zelf. Het Nederland van die dagen had grote moeite om de vaak venijnig bijtende teksten van Heine te accepteren. Maar de schijn bedroog. Nederland was alles behalve achter, weliswaar heerste een gezapige stilte, maar dat gold zeker niet op het kerkelijk erf. Al in 1822 waren twee Joden, Abraham Capadose en Isaac da Costa, leerlingen van Bilderdijk, tot het christendom bekeerd. Vooral da Costa zou een vooraanstaande plaats innemen in de Revèil-beweging, internationaal al vroeger ontstaan, maar in

Nederland in ca. 1840.

 

 

*) Volledige beschrijving: “Encyclopedie du Dictionnaire raisonne de sciences, des arts et des metiers.

17 delen tekst, 11 delen illustraties. Verschenen tussen 1751-1572. Eindred. Diderot en d’Alembert

 

 

 

Later komen we, met vermelding van de activiteiten op het Revèil in Nederland terug. Bij vele christenen in die dagen heerste de mening dat, als eerst alle Joden weer in Israel een staatskundig en geestelijk huis moesten hebben, Christus zou wederkomen. Bewegingen waren actief die ijverden voor dat doel, met name in Engeland. Het waren gezelschappen die tot doel hadden Joden te bekeren. Joseph Wolff, die een prominente gast was bij de Albury-conferencies, was zendeling onder de joden.

Deze activiteiten werden voornamelijk gebaseerd op de bijbeltekst in Ezechiël 37:22: "Ik zal ingrijpen, volk van Israel – niet omwille van jou, maar omwille van mijn heilige naam".

De bekering van da Costa en Capadose werd ook in dat kader gezien.

 

In 1823 werd de "Bezwaren tegen de geest der eeuw" van Isaac da Costa gepubliceerd. De reactie´s waren furieus, da Costa had zelfs politiebescherming nodig. Echter, wat da Costa is zijn "Bezwaren" schreef, vinden we later, ten dele, ook terug in het Testimo­nium. Wat da Costa schreef was niet uniek maar leefde binnen de kringen van vele veront­rustte christenen.

Godsdienst, zedelijkheid, verdraagzaamheid en menselijkheid, schone kunsten, wetenschappen, constitutie, geboorte, publieke opinie, onderwijs, vrijheid en verlichting zijn de thema's die da Costa in zijn "Bezwaren" behandelden.

Zo verzucht hij, na vastgesteld te hebben welke tijdgeest regeert, “Veregeefsch openbaart ons de Apostel Johannes, dat Jezus Christus is het Woord dat bij God was, vergeefsch noemt Thomas zijn God en zijn Heer, vergeefsch belijdt Hem Paulus als den God, boven allen te prijzen in eeuwigheid; vergeefsch schrijft Hij zelve zich namen en eigenschappen toe, die den Almachtige alleen kunnen toebehoren”.

En over de opkomende denkbeelden in zijn tijd: “Wij hebben immers de metafysiche stelsels van Schelling en Fichte: wat hebben wij langer met die van Paulus en Joannes van nooden? Wij hebben de hoogmoedige eigen wetgeving van Kant; wat zullen wij ons langer om de nederige leer van liefde en zelfverloochening van den gekruisten Jezus van Nazareth bekommeren”  “De gevolgen blootleggende ... waardoor aan de Schriften, die zijne natie, sedert zoo vele eeuwen als een pand van Gods genade bewaart, al minder en minder heiligheid en gezag wordt toegeschreven, ja waarin allerlei valshe­den en zotheden worden uitgedacht, en in hon­derden, van grote en kleine geschriften (die de drukpers zich beijvert met ongebonden vrijheid wereldkundig te maken) ver­spreid”

“Of is het wellicht, om dat men eertijds den misdadiger streng kastijdde; en den braven burger in zijn leven, eer, en fortuin krachtdadig handhaafde, terwijl men thands met eene lafhartige laauwheid de openbare rustverstoorders slechts teh halve durft temmen, en de orde der maatschappij niet den met een zekere schroomvalligheid bewaren, dat men deze eeuw menschlievender heeten moet? Het zij verre, dat wij allen in zulk eene verregaande verwarring van denkbeelden en woorden zouden denken!”

Toch, ondanks dat da Costa opkwam voor een levenswandel zoals het in de bijbel, door Jezus Christus voorgeleefd, zo is hij een man van zijn tijd en schrijft over de slavernij:

“Vergenoegen wij ons dan met de plicht te vervullen, die ieder dag ons aanwijst, en die de Voorzienigheid aan ieder onzer naar mate van zijne vermogens, van zijne betrekkingen, en van de waarachtige behoeften onzer  medemenschen heeft opgelegd; en stellen wij ons niet in den Vader, die in de Hemelen is, als hadden wij  Zijner schepselen liever dan Hij-zelve (Gen. IX, 25-27) Neen! zoo op het nageslacht van Cham nog de vloek rust van den gehoonden Aartsvader, ook aan dien vloek heeft Gods oneindige barmhartigheid een zegen ter verzachting gehecht: en de Neger, wier de door Hem bepaalde orde aan den naar lichaam en ziel verre boven hem verhevenen blanken heeft dienstbaar gemaakt, geniet daartegem eene veiligheid, een welvaart in zijnen staat, die een oneindig getal vrijen in den hunnen vaak ontbeert, De slavernij sluit hem ook niet uit van die alles vervullende Goedheid, die zich op zoo vele en zoo onderscheidene wijzen openbaart, verre boven onze bevatting en boven onze verbeelding. In dien hoogeren staat, waartoe het kortstondig verblijf op aarde, slechts eene voorbereidng is, zullen wij eenmaal de aanbiddelijke Wijsheid rechtvaardigen, die een zoo groot en veelvuldig onderscheid tusschen Adams kinderen gewild heeft, en wij zullen de Waanwijsheid verfoeien en beklagen, waarmede wij zijne ondoorgrondelijke ontwerpen zoo dikwerf, schoon vruchteloos, trachtten te verijdelen in onze blindheid”.

 

“En wie als zij, aan de heiligheid en waarheid der zaligmakende leer van Christus ziel en leven hebben getracht te ontnemen, diegenen die in de zending van Christus weinig meer gelieven te zien, dan een voortreffelijk wijsgerig stelsel

... want zelfs de naam van christendom is aan de vrijheids- en verlichtingsschreeuwers onzer filosofische tijden onverdraag­lijk. Wij hebben immers de metaphysische stelsels van Schel­ling*) en Fichte*); wat hebben wij langer met die van Paulus en Johannes van node. Wij hebben de hoogmoedige eigen wetge­ving van Kant; wat hebben wij ons langer om de nederige leer van liefde en zelfverloo­chening van den gekruisten Jezus van Nazareth te bekommeren”?

 

“En dat deze werkelijk de staat van zaken in het tegenwoordige Europa is, zal toch wel niemand ontkennen, die maar enigszins met oplettendheid de Geest heeft nagegaan, van hetgeen dage­lijks van verre en van nabij rondom ons geschiedt. Bijna ieder uitkomend geschrift kan getuigenis geven van de slapheid, van de onverschil­ligheid, van de verkeerdheid, van de verdorven­heid, van de afschuw­lijkheid der heersende denkwijze omtrent de godsdienst. Niemand minder dan de verklaarde voorstanders der verlichting van de eeuw zal ons dit tegenspreken. Zij roemen daarop, als op zovele bewijzen van de opgehelderde begrippen, die thans heersende zijn! Maar bij u, oprechte aanhangers, van welke meer of min strenge geloofsbelij­denis het ook wezen moge, bij u kunnen althans deze bewijzen niet doorgaan; en hoe gij dan ook in andere opzichten mocht genegen zijn, zijn de verlichting onzer dagen te erkennen en toe te juichen, op dit punt hetwelk u boven alles aan het hart be­hoort te liggen, op het punt der godsdienst zult gij moeten bekennen, dat er een verschrikkelijke uitzondering plaats heeft! En wanneer gij nu dit zult bekend hebben, zo denkt na en onderzoekt en overweegt onpar­tijdig, of het niet in alle andere betrekkingen van de mens in onze dagen even slecht gesteld is, niettegenstaande alle begoochelingen die men in het werk stelt, om elkander het

tegendeel op te dringen. Gij zult er eindelijk toe geraken om gelijk zich deze eeuw alle de gevoelens en alle de

de wijsheid van onze voorouders, van onze Hervormers, van de apostelen zelve, ja! ….van de Heer der Hemelen schaamt, u met ons de eeuw te schamen, die zich zo veel aanmatigt, en om openlijk haar diepe verdorvenheid  en verregaande dwaasheid met ons te verkondigen! (10, 11) ... één dier leuzen, waarmee men een halve wereld te wapen roept, en ten strijde leidt tegen alles wat aan de heerszuchtige oogmerken

Van hen, die niets in de hemel noch op de aarde boven zich verdragen willen, de minste tegenatand durven bieden …indien de overheden de banden, waarin zij tot behoud der maatschappij wederhouden worden, goed vonden los te maken, en hun de vrije macht gaven om naar welgevallen te plunderen en te moorden … Want aldus spreekt de geest die thans over alle landen van Europa schijnt te heersen. “Gij, Vorsten, Ouders, Leraren! Wat gekommert gij u over de denkwijzen uwer onderdanen, uwer kinderen, uwer kwekelingen ten aanzien van  de godsdienst. Mits zij de waarde van de mens en  de rechten van de burger kennen, wat hebben wij met de plichten van de Chris­ten van node? Indien immers de Jood het voorrecht zijner afkomst en de hoop op zijn Messias wilde opgeven, en de christen de leer zijner Verlossing en verzoe­ning, en alle

verdere verschil van begrippen in de godsdienst uit de weg geruimd waren, dan zouden de algemene verbroede­ring, welvaart, verlichting en wijsheid der menschen door niets meer verhinderd worden. Het domme, bijgelovige voorge­slacht moge het van groot belang voor de mens gerekend hebben, te weten wat de dingen des hemels zij! Laten wij wijzer zijn, en onze kostbare tijd niet aan dergelijke bespiegelingen verspil­len. Neen, maar houden wij ons veeleer bezig met de beste middelen, om aanzien en eer te verkrijgen, om geld te verza­melen, ten einde onze driften en begeerlijkheden de volle teugen te kunnen vieren, in één woord, met de aardse dingen, want deze alleen zijn wezenlijk! Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij!”

 

Geheel in de geest der tijd heeft da Costa dus twijfels over de afschaf­fing van de slavernij.

 

“... afschuwelijker en tevens meer algemeen in onze dagen aangeno­men, en met meer woede voorgestaan, dan dat van de oppermacht des volks, en van de oorspronkelijke ondergeschik­theid van alle Vorsten en Overheden aan die oppermacht, welke zij alleenlijk heten uit te oefenen, en voor welke uitoefening zij in zo verre aanspraaklijk aan het volk gesteld worden, dat hunne macht in 's volks boezem terugkeert..

Zo is er dan geen waarborg voor vrijheid en wederzijdse rech­ten in een ellendig stuk papier, dat door een sterke  hand zo licht verscheurd wordt maar de waarborg moet gezocht worden enig en alleen in het geweten van de Vorst, die voor een van God ontvangen aanstelling voor Gods vierschaar dan ook verant­woordelijk is”.

 

Da Costa veroordeeld dat alles door middel van verdragen en over­eenkomsten beslist wordt, zonder iets aan de goddelijke leiding over te laten. Gaan de vorsten en overheden af op de "publieke opinie" nu, deze publieke opinie bestond ook in Sodom en Gomorra, bij de Joden in de woestijn, toen de profeten in Jeruzalen gestenigd en gedood werden. De publieke opinie bespotte Noach, toen hij de ark bouwde.

“Wel aan dan, gij Vorsten, wien God in deze hachelijke tijden den scepter toevertrouwd heeft om uw moed en vertrouwen in Hem op de proef te stellen! Staat op en dulde niet, dat door middel van een bedrieglijk en ter dood toe vleiend sofisme* alle de banden, die de mensen onderling en tezamen met de hemel verenigd, wegvallen. Het is uw plicht u boven de publie­ke opinie te verheffen, niet door haar bestierd te worden, maar haar te bestieren en daartoe alle die middelen in werk te stellen, die uw geweten en uw van God afkomstig recht u aan de hand zullen geven”.

 

Samenvattend concludeerde Da Costa: “Dit is een eeuw van: slavernij, bijgeloof, afgoderij, onkunde en duisternis”.

 

*) Volledige beschrijving: “Encyclopedie du Dictionnaire raisonne de sciences, des arts et des metiers.

17 delen tekst, 11 delen illustraties. Verschenen tussen 1751-1572. Eindred. Diderot en d’Alembert

 

Dan de reactie´s. Da Costa werd van vele kanten aangevallen. Geschriften verschenen waarin hij veroordeelt werd. Enige citaten:

“Ofschoon nu dit werkje van den Heer da Costa vele, wel treurige, doch niettemin zekere waarheden bevat, zoo stuitte ons echter reeds dadelijk de meesterachtige, hoogdravende en alles veroordeelende toon, welke hierin doorstraalt”. “Wij verheugden ons zoo hartelijk,en zoo velen met ons, toen de Heer da Costa het Christelijk geloof omhelsd had, en beloofden ons daarvan voor het vervolg zoo veel goeds; maar voegt het nu, in den mond van eenen pas in onze kerkgenootschap aangenomenen, dat hij liefdeloos over leeraars en leeken een oordeel velt; en zulks waarom? … omdat deze eeuw verdraagzamer is. Het is zijn Ed. nog niet bekend, al het kwaad, dat dit in zijn geschrift veroorzaakt heeft, niet alle bij zijne tegenwoordige broeders, maar ook onder enkele belijders van den Godsdienst, welke hij vroeger aankleefde; en wij willen zulks ook voor hem verzwijgen, om zijne sombere gemoedsgesteldheid daardoor nog niet slechts te vermeerderen!…”

Dit boekje, anoniem verschenen van de hand van J.J.E. F. Schröter uit den Haag, verscheen in 1823 in Dordrecht bij Blusse en van Braam.

In hetzelfde jaar verscheen “De bezwaren tegen den Geest der Eeuw van Mr. I. da Costa, toegelicht door Mr. .Willem Bilderdijk, de leermeester en vriend van da Costa.  Enige citaten hieruit:

“Het kan zijn, dat men hier den zachten en by jonger leeftijd welvoegenden toon, door da Costa in acht genomen (doc die echter den kitteloorigen domkoppen, naar het blijkt, nog te hard is,) niet hoort; maar die vijftien jaren lang by het achtbaarst Gerechtshof van Europa voor de onschuld en ’t recht gesproken heeft, zal of kan by het nietig geslacht dan thands opgestaan is geenen anderen aannemen, dan hem altijd eigen was, en die hy het recht heeft te voeren.” “… zoo is dan het stelsel van Natuurlijke Godsdienst ontstaan. Dat is: Godsdienst uit loutere eigen natuurkrachten des menschen door zijn eigen verstand buiten Openbaring ontdekt. Een onding, dat niet dan door de onderstelling bestaat, dat de mensch als de dieren en kruiden uit de aarde opgekomen of door God in het zaad heengeworpen zou zijn, zonder zich aan hem bekend te maken. Een onding, zeg ik …”. “Wat Godsdienst is, of kan er zijn, by die hunne kinderen, Christus erfdeel, zonder hen met God of Godsdienst bekend te maken, aan een schoolonderwijs overgeven, waar de Godsdienst volstrekt uitgesloten is; by hen wier stelregel is, die men een kind van God, vooral niet van Christus moet spreken, ja zelfs het bidden voor hun verbergen? Wat kracht of wat wezendlijkheid by een kerk, waar hem ieder, hoe Godslasterend van gevoelens, hoe Godtergend ook van leven, tot het avondmaal toelaat, om dit te ontheiligen, en anderen tot de gruwlijkste ergernis te strekken; waar geen recht tot onderzoek op geloof of zeden, geen recht tot uitsluiting is of geoefend kan worden; een recht dat toch elk gezelschap hoe nietig ook, in zich heeft!” “Zie daar de gevolgen, waar de Godsdienst ’t beginsel der kennis niet is! Dan boezemt men hem een afgodischen eerbied voor Heidensche schriften in, leeft hem plichten uit Cicero, welsprekendheid uit Socartes, filozofie uit Plato of Seneca enz. Zoo wordt hy met opgetogenheid over zich-zelven vervuld, gevoelt niet hoe veel hy mist, of gevoelt hy daar iets van, hy letterblokt voort, verhardt in de hem ingestampte vooroordeelen; ’t egoïsme stijgt bij hem ten top, en de bron, ’t middelpunt aller kennis en waarheid is hem onbekend gebleven, hy voert zijne verblindheid overal om en verspreidt haar ter goeder trouw.” “Is dan tegenwoordig de Eeuw van Constitutien maken. – Indien God onmiddellijk, en gelijk wy het Rijk van Christus verwachten, op aarde regeerde, men zou, (durf ik hopen) geene Constitutie verlangen om Hem, den Almachtige, de handen te binden. Ik zeg dit te hopen, maar waag hier reeds veel mee, want, met grond van waarheid heeft Luther in zijn tijd reeds gezegd: Dit kan God van de menschen niet krijgen, dat zy hem God willen laten zijn, en niet Zijne plaats innemen. En dagelijks zien wy dit bevestigd; en die zelf-zelf de Zedenwet geven wil, waarom zou die ook de Staatwet niet zelf willen regelen? Ik stond op het punt van te zeggen, het is dus mistrouwen op den Vorst, waarom men hem banden oplegt; maar neen, het is wederspannigsgeest tegen God-zelven, het is wil om zich-zelven de wet te geven, zelf te regeeren, zelf boven alle gezag (God niet uitgezonderd) te zijn; het is met een woord gezegd, de hoogmoed van Lucifer.” 

En zo gaat het geschrift van Bilderdijk, 66 blz. dik, nog een poosje door. Bilderdijk dikt alles wat da Costa schreef nog een beetje aan. Dat kon hij ook doen omdat hij, gezien zijn leeftijd, niets van tegenmaatregelen te vrezen had.

 

Ook Groen van Prinsterer schreef later een werk waarin hij wees op de tijdsomstandigheden, In 1847 verscheen zijn "Onge­loof en revolutie. Eene reeks van historische voorlezingen".

Dan echter bestaat er al een reeks van contacten met Reveil-mensen in andere landen. Abraham Capadose, de vader van de latere co-adjutor (apostelhelper) Isaac Capadose, heeft vele vrienden in Schotland en Engeland. Over zijn verblijf in Scotland in 1846 en Londen in 1851 berichtte hij uitvoerig in de blad "Christelijke Stemmen". Capadose kende Thomas Chalmers. de prediker bij wie Edward Irving gediend had en die in 1849 in Londen de laatste preek tij­dens zijn aardse leven hield.

In 1848 is ds. Callenbach in Londen en heeft daar ontmoetingen met Robert Inglis, Haldane Stewart en 

apostel King-Church toefde, samen met zijn helpers, enige malen in Neder­land, o.a.  in 1838 en 1847. Het is niet meer precies na te gaan wie zij bezocht hebben, slechts enkele namen zijn bekend w.o. die van Da Costa. Al zou het nog jaren duren voordat in Nederland een Katholiek-Apostolische Gemeente ontstond, 1864, was hier dat werk als eerste land buiten bekend, mede door Willem de Clercq. Met regelmaat verschenen "waarschuwingen" tegen de "Irvingia­nen". Het is wel zeker, ook al ontbreken concrete aanwijzingen, dat het Testimonium in Nederland bekend was, zeker in Reveil-kringen.

Groen van Prinsterer meende door politieke invloed de staat weer op haar "volmacht door de hand van God"  bewust te kunnen maken. De inhoud van "Ongeloof en Revolutie" vormt dan ook de proloog voor het oprichten van een politieke partij. Toch bevat dit standaard­werk van Groen ook passage's die overeenkomen met de tekst van het Testimonium". Hieronder volgen enkele citaten, uit de eerste druk, van "Ongeloof en Revolutie" van 1847.

 

"Deze wanorde is geenszins binnen het eigenlijke Staatsrecht be­perkt. Veeleer strekt zij zich uit tot de gehele maatschappij. Ik wijs u op te niet gaan van de verscheidenheid der standen, gelijk zij op verkregen rechten en op de aard van de ontwik­keling, gebouwd was .

Dezelfde twijfelzucht is zichtbaar ten aanzien van de grond­slagen van de godsdienst, zedelijkheid en recht.  De meeste verdeeldheid van begrip­pen, alles is subjectief en individueel. Een ieder heeft zijn eigen geloof, zijn eigen mening, bij velen zo wankelbaar dat zij, in eigen verstand en hart, bij het veranderen der omstan­digheden en wisselen van jaar en dag, telkens door een andere even ras voorbijgaande mening gevolgd en afgewisseld wordt. Wij hebben thans niet één kerkgeloof, niet enige Godsdienstige Gezindheden, maar inderdaad onder bijkans de algemene benaming van Christelijke belijdenis, een ontelbare menigte van opvat­tingen omtrent God en Zijn woord. Niet door vermeerderde overeenstemming, maar door afnemende belangstelling, vermin­dert somswijlen de hevigheid van de strijd. Reeds brengt bij menigeen de twist over leerbegrippen weerzin tegen elke leer­begrip teweeg, zodat het tijdperk nabij zou kunnen komen waarin uit onverschilligheid aan de godsdienst en en behoefte aan rust, de waarheid, dat is het enig overgebleven middel van redding, niet zou worden geduld.

De revolutie moet in verband met de wereldgeschiedenis worden beschouwd. Zij is, in omgekeerde zin, wat de Hervorming voor de Christenheid is geweest. Gelijk deze Europa uit het bijge­loof gered heeft, zo heeft de omwenteling de beschaafde wereld in de afgrond van het ongeloof geworpen. Gelijk de Reformatie, even zo strekt de revolutie zich over elk gebied van praktijk en wetenschap uit. Toen was onderwerping aan God, heden is opstand tegen God het beginsel .

De bijbel is de onbedrieglijke toetssteen. Onvoorwaardelijke onderwerping aan Gods Woord is steeds de waarborg van plicht­matige gehoorzaamheid en van plichtmatige wederstand, van orde en vrijheid geweest. Met de uitspraken der Openbaring kan geen leer van trotse zelfvolmaking of van schromelijke losbandig­heid bestaan.

Vraagt gij van het wezen van de Staat: die had tot kenmerk de Souvereiniteit, de onafhankelijkheid van het gezag. Vraagt men naar de oorsprong: men wist dat de Staat niet van menselijk maaksel, maar van goddelijke instelling was, met de natuur en met de behoef­te der gevallen mensheid in onafscheidelijk verband. Nuttige waarschuwing: indien zij betekent dat in een welgeor­dend Rijk of Gemenebest, niemand volkomen onafhankelijkheid bezit, dat alle ingezeten onderdaan en, of alleen, of met andere verenigd, in al wat tot de kennisneming van het staats­gezag behoort, enigermate ondergeschikt is.

De heiligdom van de rechten der standen werd als hoeksteen van het Staatsgebouw  gewaardeerd, totdat, toen men omverwerping ten doel had, de hoeksteen natuurlijk als een steen des aan­stoots beschouwd werd.

Het goddelijk recht der overheid werd, althans in de laatste tijden en wordt nog tenminste vrij algemeen, als verouderd misbegrip der duistere middeleeuwen, als zinneloos verdichtsel van vorstelijke sluwheid en priesterlijke hebzucht beschouwd, als een weefsel der ongerechtigheid, hetwelk met eene menigte van dwalingen en ongerijmheden in verband staat .

Een kerk, gelijk de godsvruchtige en beroemde Chalmers die zelf deze stelling in de praktijk weet te brengen, zich uit­drukt, een kerk kan in tijdelijke zaken van de Staat afhanke­lijk zijn, zonder dat er in geestelijke dingen een zweem van afhankelijkheid zij, al ontvangt zij onderhoudt van het bur­gerlijk gezag, behoeft zij van dezelfde kant niet haar Godsge­leerdheid te ontvangen”.

Verder wijst Groen van Prinsterer op de verschillende staats­vormen, monarchie, republiek etc. en beschijft het falen van de staat, zowel van de vorst als speelbal der standen, als de partijstrijd in een republiek en geeft een historisch over­zicht waaruit dit blijkt.

“... Dat alle Souvereiniteit, in tegenstelling een door mensen opgedragen macht, een eigen gezag en een van God, om daarmee te woekeren, toevertrouwd talent is, en terwijl ge met mij, evenzeer legitieme republieken als legitieme monarchieen erkent, verzet ge u, evenals ik, tegen al wat, met vernieti­ging van elke staatsvorm, revolutionair is.

... Wordt opstand voor de onderdanen beginsel, dan zal voor de vorsten dwingelandij politiek zijn ... (citaat van Edmund Burke*).

“... en zo we niet steeds in het oog houden, dat zij het ge­wrocht van een meer algemene oorzaak geweest is, van een wereldcri­sis, die tevens een crisis was in de geschiedenis der christelijke kerk, een tijdperk van verval en afval, een strijd tegen het Evangelie op elk gebied van wetenschap en praktijk, dat zij in alle

 

*)Edmund Burke (1729-1797):: Engels staatsman en schrijver, conservatief politicus. De latere co-adjutor  Isaac Capadose schreef een boek over hem.

 

 

vormen en perioden de ontwikkeling was van een systematisch ongeloof, hetwelk zich in een reeks van politieke stelsels en van gruweldaden uitge­drukt heeft.

De toegang tot de waarheid is geopenbaard, laat ons van dit voor­recht gebruik maken. Leest de geschiedenis van mijn eer­waardige vriend Merle 'd Aubigné*). .

Hoe geschied dit, de verbreiding van het revolutionaire ongeloof? Op zeer natuurlijke wijze. Het Evangelie is het zout der wereld. Dit zout is door de Roomsen uitgeworpen, bij de Protestanten zouteloos geworden en algemeen bederf is gevolgd

Na de verkeerdheden en ondeugden van de Rooms-katholieke en Angli­kaanse kerk beschreven te hebben vervolgd Groen van Prinste­rer: “Ik mag niet vergeten dat ook bij de Protestanten en groot deel der verantwoordelijkheid en der schuld ligt. Aan hen waren de woorden Gods toevertrouwd. Hoe hebben wij dat

kostelijk erf­goed bewaard? De opwekking is, in haar zuiverheid en levendma­kende kracht, kortston­dig geweest. Veel verkeerds heeft zich erbij gemengd. Veel verflau­wing werd spoedig openbaar. De geschiedenis der Protestanten was, gelijk die van het oude Volk Gods, gelijk die van ieder volk en van iedere zondaar, verval en achteruitgang, zodra hij niet door Gods geest opge­beurd, staande gehouden, voort­geleid wordt, Reeds in het midden der zestiende eeuw had de Refor­matie, veertig jaar tevoren begonnen, het hoogste toppunt bereikt (1730. De bestrijding der dwaalbegrippen is voor het geloof onmis­baar, maar wee der kerk, als die handhaving enkel bestaat in het voeren van de plichtmatige strijd. Dat toch ontaardt de strijd zo licht in spitsvondig en liefdeloos ophalen van ver­scheidenheden, met voorbij­zage der overeenkomst. De liefde gaat verloren en waar de liefde verloren gaat, is het geloof in levensgevaar. Voorzeker, waar de goddelijke oorsprong van het gezag miskend wordt, daar blijft, zolang de energie der bevolking niet uitgeblust is, geen keus dan tussen het uiterste der losban­digheid en het uiterste der slavernij” .

Veelvuldig citeerd Groen van Prinsterer uit het werk van Thiersch.  Ook beschrijft Groen “de tekenen der tijd”. .

 

Zo leefde de inhoud van het "Testimonium" bij vele christenen in vele landen. Het "Testimonium" echter was expliciet gericht aan vorsten, burgerlijke en kerkelijke overheden die, door hun aanzien ook in staat zouden zijn om veranderingen teweeg te brengen.

 

*) Merle 'd Aubigne: Geschiedenis der Hervorming.   Ook geciteerd in het "Boek voor onze tijd".

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BEGIN VAN DE BEZOEKEN AAN LANDEN IN EUROPA

 

Het "Testimonium" zoals op de voorgaande pagina’s, zeer verkort, weergegeven, telt in de Nederlandse uitgave 131 pagina's.

Dat complete “Testimonium” heeft met de bijbel gemeen, dat het van verrassende actualiteit is, anders geschreven: tijdloos. Beschrijft de bijbel situaties die we kunnen herkennen in ons dagelijks leven, ook het “Testimonium”  bevat passage's die ook vandaag, waarschijn anders verwoord, geschreven zouden kunnnen zijn.

Het belangrijkste echter dat het “Testimonium” weergeeft is dat, wil de mogelijkheid geschapen worden van Jezus wederkomst, de kerk, als lichaam van Jezus weer ingericht wordt naar Zijn wil. Dat de ordeningen, zoals die in de eerste kerk onder de apostelen beston­den, de ambten en gaven, vooral het ambt van Apostel, weer hersteld zouden worden.

Uitdrukkelijk staat in het “Testimonium” dat Jezus wederkomst pas plaats kan hebben als de "volheid der kerk", het volwassen zijn, bereikt is. Pas als kind een mansgestalte heeft aangenomen, Gods kinderen één zijn in de breking des broods, het gebed en de leer der aposte­len, dan zal het wonder­baar­lijke dat apostel Johannes op Patmos mocht zien, werkelijkheid worden.

 

Zoals de God de geest en pen leidde van hen die de heilige Schrif­ten schreven, zo leidde God ook de geest en pen van Cardale en zijn mede-apostelen bij het schrijven van het “Testimonium”. En net zoals het leven volgens de bijbel moeite en strijd kost, zo kost het ook moeite en strijd om het “Testimonium” in de dagelijkse praktijk te brengen.

God echter is genadig. Hij ziet naar het pogen en streven van Zijn kinderen om te worden als Zijn Zoon en alleen al dat pogen en streven ziet Hij met welgevallen en Zijn loon zal daarop rusten.

 

Ook dragers van een geestelijk ambt moeten daarvoor moeite doen. Zij hebben niet minder te strijden tegen vlees en bloed dan ieder andere gelovige. Daar, waar aanzien en verering ontstaat, zal de Wederstrever er alles aan doen om dat aan te wakkeren, het laten omslaan naar vergaren van eigen roem en eer.

Dat overkwam de Engelse apostelen. Zij dulden geen personen meer naast zich die het apostelambt zouden dragen, met hen zou alles voleindigd worden. Dat alles in tegenstelling met wat oorspronkelijk geschreven werd: dat de kerk in “volheid” hersteld moest worden.

Wat de Engelse apostelen onder deze volheid verstonden was o.a. de samenstelling van de z.g. Raad van Sion.

Deze raad kwam voor de eerste keer bijeen op 14 juli 1835 in de Centrale Kerk.

Tot deze raad behoorden de 12 Engelse apostelen, 7 profeten, de 4 pilaar-ambten, de 7 engelen van de (Londense) gemeenten, 42 oudsten met hun 42 hulpen, de 5 Pilaar-evangelisten, de 60 evangelisten voor Londen, de 60 evangelisten "voor de volkeren", 5 voor elke stam, en 49 (= 7x7) diakenen. Wilde deze Raad compleet zijn dan waren 288 personen aanwezig. In werkelijkheid echter is het aantal deelnemers nooit boven de 234 uitgekomen.

 

Tijdens de dertiende vergadering van de "Raad van Sion" op 14 juni 1836 kwam een profetie van Drummond waarin werd gezegd dat Christus onder de Apostelen, als vorsten van de stammen van Israël, de hele christenheid verdelen wilde om in te werken. Europa, als het grootste christelijke gebied, werd in twaalf stammen verdeeld en elke apostel ontving een werkgebied (Openb. 21:24, 22:2).

Deze Europese staten werden gezien als de "grote stad"  (O­penb. 24:8, 23:2) terwijl de niet-Europese landen als hun "Voorstad" genoemd werden. Zij moesten als waarnemers naar de christelijke landen gaan, de geestelijke toestand in die landen onderzoeken. Ze moesten het goud der waarheid in de hele christenheid opzoeken, ontdoen van het vuil en stof van menselijke meningen en inzichtin­gen, en verzamelen.

 

De verdeling was als volgt:

 

Land:                                                        Naam van de “Stam”:                                      Apostel:

 

Engeland                                                  Juda                                                                   Cardale

Schotland en  prot. Zwitserland              Benjamin                                                           Drummond

Denemarken, Nederland en Belgiê         Isachar                                                               King-Church

Italiê                                                        Manasse                                                             Perceval

Ierland, Griekenland en de Oriênt          Zebulon                                                              Armstrong

Zuidduitsland, Oostenrijk en

Noordamerika                                         Ruben                                                                 Woodhouse

Frankrijk en het kath. deel van

Zwitserland                                              Asser                                                                 Dalton

Polen, India, Australiê                            Ephraim                                                             Tudor

Noordduitsland                                         Simeon                                                              Carlyle

Spanje, Portugal, Zuidamerika                 Naftali                                                               Sitwell

Rusland, Finland en de Baltische

landen                                                       Dan                                                                    Dow

Noorwegen en Zweden                            Gad                                                                    Mackenzie

 

 

Al voordat deze profetie kwam waren de eerste missie-arbeiders al op reis gegaan. Op 17 mei 1836 vertrokken de evangelisten William Renny Caird en William Hastings Cuthbert de oceaan over, naar Canda en de Verenigde Staten. Hoe verging het deze missie-pioniers?

 

Door de "Canada Act" van 1791 was Canada gesplitst in Opper- en Nedercanada. Nedercanada was voornamelijk Rooms-Katholiek maar Oppercanada, het latere Ontario zou voor het nieuwe werk belangrijk worden en ook blijven. Een invloedrijk man in Ontario was de bis­schop John Strachan. Deze John Strachan had al enkele ontmoetingen gehad met Edward Irving.

 

De filosoof Thomas Carlyle beschrijft Strachan als een "echte Canadees met een sterk Aberdeens dialekt".

 

In dezelfde tijd was het de Methodistische Kerk, ook komende vanuit Engeland, sterk in opkomst. Deze Methodisten stonden onder leiding van Egerton Ryerson. Deze Ryerson en zijn broers hebben een be­langrijk stuk Canadese geschiedenis bepaald. Zo waren zij ook de voorvech­ters voor de openbare scholen in Ontario.

In 1829 was Ryerson begonnen met een tijdschrift, The Christi­an Guardian. Via dat blad en de bladen die onder invloed van Strachan stonden werd een felle strijd gestreden. Methodisten contra de gevestigde kerkorganisatie. We hoeven daar niet verder op in de te gaan ware het niet dat in deze strijdperiode de eerste evangelisten in Canada arriveerde. Dat waren Caird en ... Georg Ryerson, een broer van Egerton.

Dit eerste bezoek vond plaats in 1834 en had geen enkel resultaat.

 

Weliswaar had Caird in Methodistische kerken gepreekt, maar de manier waarop Caird werkte, na enige tijd deed hij alsof de kerk in de Adelaide Street zijn eigendom was, maakte dat hij ook spoedig tegenstand ondervond. Ook de apostolische zendelingen werden het mikpunt van The Christi­an Guardian.

 

Het tweede bezoek, in 1836, zou succesvoller zijn.

In Kingston werd de eerste gemeente opgericht met als voorgan­ger Adam Hood Burwell, voorheen een Anglicaans geestelijke, die in 1837 het ambt van engel ontving. De tweede gemeente ontstond in Toronto in 1837 en daar werkte George Ryerson als voorganger. In New York vonden eerst een aantal weken een serie lezingen plaats over het heropgerichte apostelambt. Hier ontstond de eerste gemeen­te in 1851 met als voorganger William Watson Andrews. Zowel Canada als de VS werden regelmatig bezocht door de Engelse apostelen Woodhouse en Armstrong. William Hasting Cuthbert die met William Caird de tweede missiereis ondernam werd later Districts-Evangelist voor Canada.

 

Hoe was de "stand van zaken" op het ogenblik dat het “Testimo­nium” gereed was en de apostelen op het punt stonden om Europa te bezoe­ken. Er bestonden nu in Engeland, Schotland en Ierland in het totaal 36 gemeenten.

Daarom zou Cardale in Engeland blijven om deze gemeen­ten te verzorgen en voor enige coördinatie. Ook de apostelen voor Grieken­land en het Nabije Oosten en voor Polen, Armstrong en Tudor, bleven in Engeland omdat ze vooralnog weinig in hun missiegebieden konden doen.

 

In de komende maanden werden talrijke landen bezocht door de Engelse apostelen en hun medewerkers. Ze bezochten hoogwaardigheidsbe­kleders in kerk en staat. bestudeerde de liturgieën en regels in de verschillende kerken. Bezochten kerkdiensten en hadden gesprekken met predikanten en theologen. Het Testimonium werd in juli 1838 door Drummond, in begeleiding van Woodhouse en Perceval, aan de in Engeland geboren Kardinaal Acton voor Paus Gregorius XVI overhandigd. In Sep­tember aan Prins Metternich voor Keizer Ferdinand van Oostenrijk.

Mackenzie en Dalton brachten het Testimonium aan koning Karl XIV van Zweden en aan de R.K. aartsbisscop van Uppsala. Met kerstmis 1838 keerden ze naar Albury terug, 1260 dagen na hun afzondering.

De apostelen hadden Noord- en Zuidduitsland, Oostenrijk, Rusland, Zweden, Noorwegen, Denemarken, Nederland, België, Frankrijk, Zwitserland, Spanje, Portugal, Italië, Griekenland, Canada en de Verenigde Staten bezocht.

 

"Hun leertijd was nu ten einde en hun eigenlijke apostolische werkzaamheid tot zegen van de gehele kerk zou nu beginnen. Hun verstand was gescherpt voor de onderscheiding van het goede en het kwade in de christenheid. Een reusachtige taak lag voor hen. Ze zouden de muren tussen de kerken slechten, de scheuringen opheffen. De verstrooide en elkaar vijandige christelijke broeders met elkaar verzoenen en de gedoopten in de Heer voorbereiden op de wederkomst van de hemelse Koning en bruidegom.”, aldus Ludwig Albrecht: in  "Das apostolische Werk des Ende".

 

In de maanden die nu volgden werden de gegevens die de Engelse aposte­len verzameld hadden uitgewerkt. Analoog aan de gegevens over de Cherubim en het eerste hoofdstuk van Ezechiël werd de viervoudige ambtsbediening in de “Algemene Kerk” en in de aparte gemeenten ingevoerd.

Nadat dit voltooid was trokken de apostelen weer naar hun verschil­lende stammen. Cardale bleef in Engeland en ontving de volmacht om alle apostelen terug te roepen als de omstandigheden dat nodig maakte. en dat gebeurde sneller dan verwacht!

 

Eind 1839 moest Cardale van zijn volmacht gebruik maken en de apostelen naar Albury terug halen. Wat was er aan de hand?

Enige gemeentevoorgangers en zelfs enkele directe mede­werkers van de Engelse apostelen,  waren tijdens de afwezigheid van de meeste apostelen, tot de opvatting gekomen dat de Raadsvergadering het orgaan was waardoor God de “Algemene Kerk” wilde leidden. De apostelen zouden er alleen maar zijn om de besluiten van de Raadsvergaderingen uit te voeren.

Deze opvatting was in flagrante tegenspraak met de opdracht die Jezus zelf aan Zijn leerlingen, de latere apostelen, gegeven had, zij moesten de kerk besturen.

 

In de zomer van 1840 waren alle apostelen in Albury terug. Na uitvoerig beraad verscheen een document waarin nogmaals de autori­teit van het apostelambt werd duidelijk gemaakt.  De meeste ambtsdragers accepteerden, niet geheel zonder strijd en aanvechtingen, de besluiten van de Engelse apostelen.

Deze waren:

 

1. De Raadsvergaderingen van de Zeven (Londense) Gemeenten, de Raad van Sion en hun gemeenschappelijke godsdiensten werden opge­schort.

 In werkelijkheid hebben nadien deze Raadsvergaderingen nooit meer plaats gevonden. Pas in 1847 kwamen de Zeven Gemeenten weer samen, alleen in een kleinere samenstelling. Cardale, als Pilaar-apostel, kwam toen samen met de in Engeland werkza­me profe­ten, evangelisten en herders met de voorgangers (engelen) van de Londense gemeenten. Deze Raadsvergadering bestond dus in feite alleen uit ambtsbroeders uit de stam Juda (Enge­land). Ze bepaalden alles voor de hele kerk. Deze Raadsvergaderingen vonden vierwekelijks plaats en hebben bestaan van 1835 tot 1908 (alleen onderbroken in de periode 1840-1847). Ook nadat in 1901 de laatste levende Engelse apostel ontslapen was bleven deze vergaderingen doorgaan onder de leiding van de Co-adjuto­ren.

2. Van de werkzaamheden van apostolische medewerkers werd geen gebruik meer gemaakt totdat hun "verkeerde meningen over de uitleg­ging en ware betekenis van profetieën uit hun harten"  verbannen was.

3. De apostelen besloten om van profetieën geen gebruik meer te maken zolang de bestaande toestand voortduurde.

 

Over dat laatste schreef  Woodhouse o.a.:

 

"dat de apostelen uit veel ervaringen, uit het licht der profetie zelf en uit de brieven van apostel Paulus aan de Korinthiërs geleerd hebben, dat bij het profetische ambt, niet minder als bij alle andere ambten, de reinheid van het gespro­ken woord van de innerlijke reinheid van de mens afhankelijk is. Wie werkelijk een werktuig in de hand van Christus zelf wil zijn, moet zich bescher­men tegen elke onreinheid in de vlees en in de geest. Als echter een profeet of een andere dienaar in een onreine positie is, dan is zijn woord en werk onbruikbaar.

Want in een vuil vat wordt de hele inhoud ongenietbaar. Daarom geldt als regel: Valse voorstellingen met betrekking tot geloof en leer, die een profeet in zich draagt, verhinderen hem om een profe­tie in geloof te brengen. Voor de leer echter zijn de apostelen gegeven. Omdat deze bij enige profeten zwaarwegende onduide­lijkheid waarnamen, werd voor enige tijd afgezien van alle profetieën."

Had tot nu toe eigenlijk alles wat in de eerste jaren werd onderno­men, pas plaats na duidelijke mededelingen van de heilige Geest middels profetie, nu  begonnen ook eigen gedach­ten en meningen een rol te spelen.

God had mannen als Zijn werktuig aangesteld die in staat zouden zijn Zijn wil, zoals Hij het had laten vastleggen in de Heilige Schrift, te leren en te verklaren. Die ook in staat zouden zijn om de tijdsomstandigheden te analyseren en het “Testimonium” te schrij­ven.

Dat waren mannen die geleerd hadden en door hun afkomst een middel- of hoge positie hadden. De grote, verpauperde, massa zou het in het begin niet begrijpen, maarjuist daarom moet aan hem Gods woord verklaard worden. Inplaats daarvan richten de Engelse apostelen hun  “Testimonium” , was hun werk gericht tot de heersers in kerk en staat.

Deze echter hadden geen enkel belang bij verandering van de be­staande toestand.

De apostelen meenden dat, door geestelijken en machtigen te berei­ken, ook het volk wel zou veranderen.

 

Lang heeft dat afzien van profetieën niet geduurd. Ondanks het feit dat profeten regelmatig "vergaten" dat als  “eerste aan aposte­len” (1 Kor. 12:28) gegeven zijn, de gemeenten en het Woord,  en dat apostelen de verantwoording hebben voor het hele werk. Toch werd het profetenambt spoedig in alle glorie hersteld.

 

De laatst geroepen apostel, Duncan Mackenzie, had deze hele ontwik­keling met grote droefheid gade geslagen. Hoewel hij instemde met de genomen besluiten, trok hij zich uit de apostelkring terug. Dat hoewel hij er niet aan twijfelde dat hij het apostelambt ontvangen had.

De Engelse apostelen waren tot het inzicht gekomen dat zij, zoals Jezus het Hoofd der Kerk is en niet de heilige Geest, ook zij te handelen hadden. Er zou eerst zorgvuldig afgewogen worden wat door een profetie gezegd werd.

MacKenzie was niet tot andere gedachte te bewegen. Waar­schijnlijk heeft hij zijn oude beroep, grossier in drogis­terij- artikelen, weer opgevat.

Nu werden weer alle gemeenten bezocht. Er werd bericht over de gebeurte­nissen maar tevens de verzekering gegeven dat het werk niet veran­derd was. Het bleef de taak van de apostelen om de gemeenten, de gelovi­gen, voor te bereiden op de dag van Jezus wederkomst.

 

Zij die toetraden tot de apostolische geloofsgemeenschap kwamen uit alle bestaande kerkgenootschappen. De meeste ambts­dragers hadden eerder in een andere kerk een ambt gedragen of binnen de gemeente een vooraanstaande rol gespeeld. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de meest uiteenlopende opvattin­gen over de liturgie van de dienst heerstte. Pas vanaf 1842 beston­den slechts algemene bepalingen over het verloop van de dagelijkse diensten en de viering van het heilig Avond­maal. Elke gemeente-voorganger, engel of oudste, hield de dienst volgens eigen inzicht en vermogen binnen het ruim van de algemene bepalin­gen. Ook de kleding tijdens de eredienst was niet uniform. Enige voor­gangers droegen een Talar, anderen een gewoon zwart pak. In de loop der tijd kwam steeds sterker de wens naar voren voor een grotere eenheid in de liturgie.

Bovendien hadden de Engelse apostelen op hun reizen veel liturgische gebruiken leren kennen en waarderen. Dat alles leidde ertoe dat de apostelen in september 1842 een eerste vorm van liturgie en gebruik van kerke­lijke kleding in Albury invoerde. Het werd voorlopig aan de gemeenten zelf overgelaten of ze dit wilde overnemen. Alleen werd door de apostelen verwacht dat de voorschriften betreffende het verloop van de eredienst opge­volgd zouden worden.

Binnen korte tijd uiten de gemeenten de wens de door de apos­telen in Albury in gebruik genomen godsdienstvorm over te nemen.

 

Naast de zondags Eucharistieviering, die vanaf 1836 in alle gemeen­ten gevierd werd, bestond een dagelijkse morgen- en avonddienst die in het eerste en het laatste uur van de dag, s'morgens om zes uur en s'avonds om vijf uur, gehouden werd. Op de zondag werd bovendien een ochtend- en middaggebedsbij­eenkomst ingevoerd die met de volledige ochtend- en avond­dienst in verbinding stond. Deze gebeds­bijeenkomsten op zondag waren om 10.00 en 14.00 uur.

De gehele liturgie werd verschillende malen gering gewijzigd en aangevuld. Van het Liturgieboek verschenen in het totaal acht oplagen in de jaren 1843-1890 en het werd vertaald in elf talen.

Deze wijzigingen en aanvullingen betroffen speciale handelin­gen zoals de zalving der zieken en het dopen van ontslapenen, de invoering van wijwater en wierook in 1851, maar ook, zoals in 1845 de wijziging dat de gemeente de kommunie vóór het altaar ontvangt. Daarvoor werd het door de diakenen naar de gemeente-leden gebracht die op hun plaats bleven zitten.

Vanaf 1847 worden ingevoerd de apostolische handoplegging, de kerkelijke huwelijksvoltrekking, de persoonlijke biecht, de wijding van kerken en altaren, de zegening van koorleden. Ook in 1851 word een hele reeks van liturgische handelingen inge­voerd o.a. speciale gebeden in tijden van epidemiën en oorlogen.

 

Het brengen van het evangelie en de boodschap van het heropge­richte apostelambt bracht soms hele opschuddingen teweeg. Eén aspekt die vooral in universitaire kringen opzien baarde is het volgende.

De evangelist Colling Manger Carré, oorspronkelijk arts van beroep, werd op 10 januari 1833 op 24-jarige leeftijd geor­dend.

Omdat hij geboren en getogen was op Jersey, één van de Britse kanaal-eilanden die "onder de rook" van Frankrijk liggen, was hij heel goed op de hoogte met de Franse taal en cultuur. Hoewel hij evangelist was voor Frankrijk werkte hij ook in het franstalige deel van Zwitserland. In dat gedeelte van Zwitserland zou een geweldige opschudding ontstaan die begon op de Theologische faculteit van de Univer­siteit van Genevé.

Begin februari 1836 begonnen een aantal zittingen van het bestuur der faculteit onder voorzitterschap van Prof. Merle d' Aubigne. Deze zou één van de felste bestrijders van het apos­tolische werk worden.

Twee jaar eerder al, dus in 1834, had evangelist Carré de Prof. Preiswerk bezocht en hem en zijn studenten over het apostolische werk verteld. Dat had diepe indruk gemaakt.

Preiswerk had het getuigenis aangenomen maar was tevens als profes­sor theologie colleges blijven geven op deze faculteit van evange­lische snit. Preiswerk bood Merle d'Aubigne aan om de Evangelist Carré enige lezingen op de faculteit te laten houden. D'Aubigne voelde weinig voor deze "gratis propaganda". Hij kwam er ook achter dat bij Preiswerk regelmatig thuis godsdienstbijeenkom­sten werden gehouden waarbij vele studenten aanwezig waren.

Merle d' Aubigne riep deze studenten bij zich en vroeg hen uit over deze diensten. Preiswerk moest zich voor het faculteits­bestuur verantwoorden. Merle d'Aubigne had daarbij een prof. Gaussen als "getuige-deskun­dige" aangeworven. Deze Gaussen had meerdere bijeenkom­sten meege­maakt in Schotland en Londen waarbij was geprofe­teerd en in tongen gesproken. Preiswerk wist echter op alle aanvallen een waardig antwoord. In afwachting van ontslag werd hij voorlopig geschorst en werd hem de toegang tot de faculteit ontzegd. De dag nadat deze uitspraak kwam, 10 februari 1837, werden 27 studenten die min of meer regelmatig bij Preiswerk waren geweest, verhoord.

Ook nu bracht Gaussen zijn kennis over het apostolische werk naar voren. Hij weerlegde op "wetenschappelijke" wijze vijf dwaalleringen van de "Irvingianen". Merle deed ook nog een duit in het zakje met een lezing over profetiën.

 

Hoe de studenten hierop reageerden is nergens terug te vinden. Op 13 februari werd aan Prof. Preiswerk enige vragen voorge­legd:

1. Gelooft u dat de Irvingse profeten ware door God geleidde profeten zijn zoals we de profeten uit het Oude en Nieuwe Testa­ment kennen?    Preiswerk beaamde dat volmondig.

2. Gelooft u dat de ambtsstructuur van de Irvingse kerk, en in het bijzonder het apostelambt, uit God is?

   Antwoord: Ik geloof dat.

3. Heeft u de Irvingse leer over de menselijke natuur van onze Heer aangenomen? Een leer die inhoud dat HIj ook besmet was met de  verdorvenheid van onze stamvaderen?  Antwoord: Dat is een leer die ik niet ken.

4. Beschouwd u het werk van de Evangelische Kerk van Genevé en van de theologische faculteit niet meer als een wetmatig en chris­telijk werk?   Antwoord: Ik beschouw het nu, zoals altijd, als een min of meer  goed werk, al naar gelang de stromingen die erin heersen.

 

Zo ging het vraag- en antwoordspel nog een poos door. Preis­werk erkend dat het hernieuwde apostelambt als van God is gegeven en is niet bereid om ook maar iets van deze erkenning terug te nemen.

Als zovelen voor en na hem wordt Preiswerk ontslagen. Voor dinsdag 21 februari 1834 was een grote bijeenkomst ge­plant met de studenten. Preiswerk was daarbij niet aanwezig, wèl Emil Guèrs die ook goed bekend was met de kort daarvoor ontstane Katholiek-Apostolische Gemeente.

Enkele studenten die de leer der apostelen, geleerd door Carré, gevolgd hadden gaven een verklaring over het herstelde apostelambt. De standpunten bleven mijlenver uit elkaar liggen.

Dat veranderde ook niet toen evangelist Carré zelf enige brieven aan Merle d'Aubigne schreef. De studenten werden zodanig onder druk gezet dat zij uiteinde­lijk eieren voor hun geld kozen en de bijeenkomsten met Carré en Preis­werk meden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VERDERE INVOERING VAN SYMBOLISCHE TEKENEN

 

Voor de ambtsdragers komt een ingewikkeld ritueel met betrek­king tot de liturgische kleding.

Alle dienaren bedekken, voor ze een wit kleed aantrekken, hun wereldse kleding geheel met een Talar. De zwarte kleur daarvan verwijst naar de dood van de oude mens die voor de dienst onbruik­baar is. Daarover wordt naar oudkerkelijk gebruik, de witte Albe als het eigenlijke priesterlijke kleed aangetrok­ken. Alleen de in het witte kleed van de gerechtigheid Gods geklede mens mag de levende God naderen.

Over de Albe draagt de celebrant tijdens de Eucharistie de Kasula, omdat de Kasula, een wit kleed -dat met passende versiering- wegens het ontbrekende van de mouwen uit één stuk bestaat. Deze symboli­seert de eenheid van het door het offer en de heerlijkheid Christi bekleedde lichaam der kerk. De ambtdragers van de drie trappen, engelen, priesters, diake­nen dragen tijdens hun kerkelijke opdrachten de stola als symbool en waardigheid van het ambt dat Christus op Zijn dienaar legt. Voor de gemeente-voorganger (engel) was de mantel, een verwij­zing naar het voorgangerschap en bestuur waarmee de engel in de gemeente belast is. Als kleed voor de diakenen was de dalmatika. Voor de meeste liturgische handelingen en de invoering van geeste­lijke gewaden werd verwezen naar Exodus 28:2 en verder.

 

Twee kerken hebben een belangrijke functie vervuld binnen de Katholiek-Apostolische gemeenten. De Centrale Kerk, eerst de kerk in Newman-Street, later Gordon Square, waar alle Londense akti­viteiten plaatsvonden en de Apostelkapel te Albury.

Deze Apostelkapel werd in 1840 gebouwd en op 4 september van dat jaar geopend, om te dienen als hoofdkwartier van de apos­telen en als centrum van de “Algemene Kerk”.

Voor de bouw kwam men elke zondag samen in  het huis van de familie Drummond en later in een omgebouwde stal.

De kapel werd gebouwd in de gotische stijl van de vijftiende eeuw, door William McIntosch Brooks ontworpen. Het heel groot raam werd ontworpen door Augustin Pugin. In het altaargedeelte zijn de eerste twaalf bijbelse apostelen in glas-in-lood ramen weerge­geven, de ramen van het dwarsschip werden door Drummond's dochter, Lady Rokewode Gage, ontworpen.

Vergeleken met de kerk op Gordon Square is de kapel in Albury bescheiden van omvang en versiering. Voor de bouw werd alleen bouwmateriaal uit de omgeving gebruikt. Voorwerpen die in de plaatselijke kerken in gebruik waren, waren in de kapel niet te vinden. Zo is er geen bisschopszetel of Engel­plaats omdat de Voorganger van de “Algemene Kerk” de Heer zelf is die een plaats in de hemel heeft. Zo waren er ook geen zeven lampen voor het Heiligdom, zoals in de plaatselijke kerken.

 

De diensten in Albury waren de godsdiensten van de “Algemene Kerk”. Deze diensten werden door de Engelse apostelen zelf gehouden. Hier leidde de apostel de kerk, d.w.z. “de strijdende kerk” hier op aarde.

Hier leidden  de apostelen de diensten als oudsten in de “Algemene Kerk” onder de engel van het Nieuwe Verbond, Jezus Christus. Daarom zag men in Albury ook niet het purpere kleed van de engel maar de eenvoudige zwarte soutane, zoals door de oudsten in de plaatselijke gemeenten gedragen werd Want in Albury dienden zowel de apostelen als de engelen als eenvoudigen oudsten onder de grote Engel in de Hemel. De Apostelkapel was als volgt ingericht:

Het ijzeren kruis op de toren is van ijzergieterij William Filmer. Het orgel dat in de kerk staat werd in 1862 door Holditch, Londen, gebouwd en tot 1901 door waterkracht bediend. In 1965 werd een electrische motor ingebouwd.

Het sacramentskistje waarin de heilige voorwerpen (brood, wijn, wierook) werden bewaard was gemaakt van cederhout uit Libanon. De lampenhouders aan beide zijden van het altaar werd gemaakt uit hout van de olijfboom van de Olijfberg.

Het invoeren van de uitgebreide liturgie en ambtsgewaden was enerzijds een verdere versterking van de eenheid binnen alle Katholiek-Apostolische gemeenten, anderzijds stuitte deze zaken, die sterk aan de Rooms-Katholieke en Anglicaanse cultus deden denken, vele zielen tegen de borst.

De groei van de gemeenschappen stagneerde sterk in Engeland en Schotland. In 1843 moesten te klein geworden gemeenten opgehe­ven worden. Niet alleen het noodzakelijke aantal ambtsbedieningen ontbrak, de gemeenten waren dusdanig geslonken dat het houden van een eredienst onmogelijk werd.

De leden werden terug verwezen naar hun landskerk. Overigens was dit dubbele kerklidmaatschap, van de oude oorspronkelijke gemeente en de Katholiek-Apostolische gemeente gebruikelijk. Het werd zelfs nagestreefd om de eenheid binnen de verschillende "kerkafde­lingen" te kunnen bevorderen. Het Katholiek-Apostolische werk is nooit bedoeld geweest om een kerk, naast de kerken, te vormen, maar als instrument om de kerkeenheid te bewerkstelligen. Eén van de argumenten voor opheffing was, dat men de beschul­diging van sektarisme wilde voorkomen.

 

Zes apostelen zoeken in februari 1844 weer hun stamgebied op waaruit ze in 1840 teruggeroepen werden.

Cardale, Armstrong, Tudor en Sitwell blijven in Engeland. Maar ook nu ontstaat er een crisis en eind 1845 werden de apostelen teruggeroepen.

Weer waren de ceremoniën de oorzaak. In verschillende gemeen­ten was daartegen weerstand ontstaan. Er was stilstand, terug­gang. Velen vielen in hun vorige leven terug en gingen weer naar de landskerk.

In andere gemeenten daarentegen was de smaak naar méér opgeko­men en werd op eigen gezag het aantal rituelen uitgebreid.

De eenheid was in gevaar en deze zorg brachten de engelen bij Mr. Cardale. Deze verklaarde dat het hem niet alleen aanging, hier  was de apostolische autoriteit was nodig om het gevaar te keren.

Op 12 januari 1846 zijn alle Engelse apostelen, met uitzondering van Macken­zie en Dalton, weer bijeen in Albury.

Het ontbreken van Henri Dalton bij deze Raadsvergadering en ook in de volgende jaren is altijd een geheim gebleven. Zestien jaar lang oefende hij zijn apostelambt niet uit. Deze  jaren diende hij als hulpgeestelijke in Clovelly en vanaf 1856 als vicaris van Frithelstock in de Anglicaanse Kerk.

 

Als resultaat van deze Raadsvergadering bleven enige ceremonië gehandhaafd, anderen werden naar de toekomst verschoven. Tevens werd bepaald dat de zorg voor de zeven Londense gemeen­ten zou berusten bij de Pilaar-apostel. De eerste zorg van Cardale was nu om de engelen van de Londense gemeenten weer in het gelid te krijgen. Hij bezocht en onderwees de gemeenten en trad kordaat op tegen onstane misstanden.

 

Vijftien jaar zijn in 1847 al bijna verstreken vanaf het tijdstip waarop tegen Cardale werd gezegd: "Waarom deelt u de Heilige Geest niet uit". En nog steeds was deze vraag onbeantwoord gebleven.

Wel waren de ambtsdragers, alle priesterlijke ambten, na roeping, en door handoplegging van de spostel in het ambt gezet maar een heilige Verzegeling, de afdracht van de heilige Geest had nog niet plaats gevonden.

 

De eerste dienst met heilige Verzegeling was op 31 mei 1847 in de Centrale Kerk in Londen door Apostel Cardale.

Dit sacrament werd toen, in een besloten dienst, ontvangen door de dragers het zuilenambt, de eerste onder hun gelijken in het ambt, Taplin, Place en Thompson. De zeven engelen van de Londense gemeenten waren daarbij als getuigen aanwezig.

Een week later ontvingen alle engelen de heilige Verzegeling en in de daarop volgende dagen alle overige ambtsdragers en leden. Eind augustus 1847 hadden meer dan duizend personen dit sacra­ment ontvangen.

Tot invoering hier van was door het apostel-college in het voor­jaar besloten. De voltrekking van de heilige Verzegeling gebeurde bij hen die reeds de waterdoop ontvangen hadden en twintig jaar of ouder waren.

Het werd afgedragen door handoplegging van de apostel en zalving met zalfolie, chrisma of chrisam genoemd. Deze zalfolie werd ook gebruikt bij het inzetten van ambtsdra­gers (niet van diakenen die door de gemeenten gekozen werden). Deze zalfolie bestond uit mirre, kaneel, kalmoes en olijfolie (vgl. Ex. 30:23-24).

Later werd ook een speciale zalving der zieken ingevoerd met verwijzing naar Jacobus 5:14.

 

Ook waren de apostelen vanaf het begin ervan overtuigd dat alle christenen zich onder hun leiding, als gezanten van Jezus, behoorden te stellen. Een streven dat voorbij ging aan de bestaande toestand. Elke kerk beschouwde zich als de enige echte “ware” kerk. Oecumene was nog een “onebekend” woord.

Echter, al in de tijd van de apostelen van het Nieuwe Testa­ment ontstonden er groepen en fracties. Niet voor niets schr­eef Apostel Paulus aan de Corinthiërs: "Door Chloë’s huisgenoten is mij namelijk verteld, broeders en zusters,  dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik bedoel dat de één zegt: “Ik ben van Paulus, een ander: “Ik ben van Apollos”, een derde : “ik ben van Kefas”, een vierde: “Ik ben van Christus”  (1 Kor. 1:11-12)."

Deze poging om eenheid te brengen onder alle gedoopten vormde ook het uit­gangs­punt van het “Testimonium”. Daarom werd er gesproken en geschreven over "kerkafdelingen". In de loop der jaren werd echter wel duidelijk dat de kerklei­ders van de bestaande kerken er niet over peinsden om zich onder de Engelse apos­telen te stellen.

Integendeel, de kerkleiders en theologen voerden strijd tegen de apostolischen die zichzelf zagen als de  alleen zaligmaken­den. Het aantal anti-apostolische geschriften nam toe. Sekta­risme en dwaal­leer werd de Engelse apostelen verweten. De betiteling van apostolischen was meestal "Irvingianen". De apostolischen zelf noemden hun kerk meestal de "Algeme­ne Kerk" (waarvoor de naam Katholiek gebruikt werd) als tegen­stelling van de "kerkafde­lingen". In de Raadsvergadering van januari 1849 nam de Pilaar-apostel Cardale, na overleg met de engelen, het besluit om op de kerkgebouwen bordjes te bevesti­gen met de naam "Catholic Apostolic Church". Deze naam zou ook gebruikt worden bij optreden aan de buitenwereld.

 

Eind 1850 werden twee belangrijke gemeenten buiten Engeland opge­richt, namelijk in Parijs, door  Drummond met als eerste voorganger de voormalige Rooms-Katholieke priester Celeste H.M. Massiot en in New York. Hier was al in 1837 een eerste poging ondernomen om een gemeente te stichten. Dat mislukte echter. Eerste voorganger van New York werd de voorma­lige Anglicaanse priester David Morris Fackler.

 

Niet altijd was het brengen van de boodschap over de heropge­richte apostelambt zonder gevaar. Toen de evangelist voor de stam Rusland in 1851 het “Testimonium” aan Tsaar Nikolaas II aanbod werd hem te verstaan gegeven dat, als hij Rusland niet binnen acht dagen verlaten zou hebben, hij naar Siberië gede­porteerd zou worden.

Beter verging het de evangelist Charles Böhm. Hij bracht in 1854 het “Testimonium” aan Bisschop Martensen in Kopenhagen. Deze was de primus van de Deense staatskerk.

King-Church had al in 1838 geprobeerd het “Testimonium” aan koning Frederik VI van Denemarken te overhandigen. Deze meende echter het te moeten weigeren omdat hij hoofd was van de Deense staats­kerk.

De kleinzoon van Frederik VI, Kristiaan IX, heeft het vermoe­delijk in 1870 van de evangelist Thompson ontvangen en dat had opmerkelij­ke gevolgen, zoals hier onder beschreven. In juni 1861 werd de gemeente Kopenhagen opgericht met als eerste voorganger George Hewitt.

          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0000000000000000000000000000000000000000000000000

                                                                                                                                     

Uittreksel uit een bericht in “Newsletter” nr. 8 Aug. 1955

 

In het jaar 1936 kwam een dame van adel met koning Chris­tian X van Denemarken in gesprek. Toen ze opmerkte dat zij tot de Kath.- Apostolische Kerk behoorde zei de koning: "Ik bezit een schrij­ven dat lange tijd geleden aan mijn grootvader gegeven is. Ik heb het zelf niet gelezen maar zal het u laten zien". Hij ging met de vrouw naar zijn privé-werkkamer, ging naar een kast en nam daaruit een in perkament gebonden document - een exemplaar van het “Testimonium”. De dame bekeek de titel: Aan de Koningen, Bisscho­pen en Vorsten ..., en naar de laatste regels. Toen zei ze tegen de koning: "Wat u mij laat zien is een boodschap van de Heer want uwe majesteit ontvangt anders geen document dat in de naam van de Drieënige God besluit".                                          

Ze gaf hem het document terug. De koning legde het niet in de kast terug maar lag het op zijn bureau.                          

Op 31 oktober 1936 ontving de koning ongeveer 150 gasten voor een banket op slot Amalienburg (Kopenhagen). Daaronder waren adellijke en kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders van verschil­lende confessie’s die t.g.v. de Reformatieherdenking in het land waren.

Nadat de geestelijk adviseur van de koning over de beteke­nis van  Reformatie gesproken had las de koning zelf een groot gedeelte uit het Testimonium voor. Daarvoor koos hij de stukken over het pausdom, afgoden en vagevuur. Tenslotte ook de twee laatste blad­zijden met  de vermaning het  “Testimonium” niet af te wijzen.                  

Voor de aanwezige vreemdtalige kerkvertegenwoordigers werd het voorgelezene in het Duits en Frans vertaald. Het gelezene werd   iedereen goed begrepen. Het geheel duurde ongeveer drie uur. Het 

banket eindigde om halftwee  ‘s nachts. Meermalen moest de koning tijdens het lezen stoppen omdat hij tranen in de ogen kreeg. Met bijzondere nadruk las hij de gedeelten over het Gerecht en over de geestelijkheid.                  

Aan het eind van de audiëntie zei hij dat dat wat de Heer met het “Testimonium” gedaan had, een genade was die we niet begrij­pen konden en waarbij we stil moesten worden.                        

                                                                 

000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000000

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CHRONOLOGIE APOSTOLISCHE GESCHIEDENIS 1836-1850

 

Jan. 1836    Het eerste “Testimonium” wordt door Cardale en Drummond aan de geestelijkheid ge­bracht. Een tweede getuigenis, waarin op de toestand van de staat beschreven was, werd door Perceval aan Koning William IV van Engeland gebracht.

 

17 mei 1836  Tweede uitzending van evangelisten (Caird en Cuthbert) naar Amerika. In Kingston, Ontario, ontstaat een gemeente. Woodhouse blijft een vol jaar in de Verenigde  Staten. Jonathan Smith is de eerste engel.

 

14 juni 1836 In de dertiende bijeenkomst van de Raad van Sion worden de Engelse apostelen door een profetie geraden de christe­lijke landen te bezoeken als lerenden en bele­renden. Europa wordt in "Stammen" verdeeld waarbij  elke apostel een stamgebied krijgt toegewezen.

 

12 juli 1836 Charles J.T. Böhm, in Kopenhagen geboren uit Duitse ouders, sinds 1834 zakelijk in Londen, wordt op 24-jarige leeftijd door Cardale tot engel gewijd. Hij is de hulp van Carlyle in de stam Simeon (Noordduits­land).

 

7 aug. 1836  Dalton, samen met de profeet Horsnail, wijd de eerste engel op het Europese vasteland. Het is Jean Charles Louis Duproix in Laudouzy. Laudouzy, Purfonde­val en Montigny waren de eerste gemeenten in Europa, buiten Engeland.

 

Juli 1836- Het derde, grote “Testimonium” aan de gehele chris­telijke wereld wordt gereed gemaakt. Deze verschijnt  in verschillende talen.

 

14 jan. 1837 In Toronto (Canada) word de tweede gemeente in Noord-Amerika opgericht, aanvankelijk met George C. Gambier, later met George William Ryerson.

 

Begin 1837   De eerste bezoeken van de Engelse apostelen aan hun stamgebie­den beginnen. Bezocht worden Duitsland, Oostenrijk,  Rusland, Zweden, Denemarken, Nederland en België, Frank­rijk, Zwitserland, Spanje en Portugal, Italië, Grieken­land, Canada en de V.S. Dit nam ongeveer twee jaar in beslag.

 

21 febr.1837 Er worden vijf profeten geordend voor de “Algemene Kerk”  Dit zijn medewerkers van de Engelse apostelen, zonder aan een bepaalde apostel toegevoegd te zijn.

 

4 apr. 1837  Bijzondere gebeden worden in alle gemeenten opgezonden voor de onderdrukte en lijdende gemeenteleden in Frankrijk die van de autoriteiten geen openlijke diensten meer mogen houden.

 

Zomer 1837   Eerste bezoek van Carlyle aan Noordduits­land in begeleiding van de evangelisten Barclay, Chapman en  Moorewood.

 

1838  King-Church bezoekt voor de eerste keer zijn stam in Nederland samen met de profeet John Taylor en de evangelist Böhm. Evenals zijn tweede bezoek in 1847, zonder tastbaar resultaat.

 

Medio 1838 Het "Testimonium" wordt aan verschillende kerke­lijke en eind 1838.wereldse hoogwaardigheidsbekleders overhandigd.

 

25 dec. 1838 Na afloop van de 1260 dagen na 14 juli 1835 komen de Engelse apostelen in Albury weer samen en brengen verslag uit. In  de zomer van 1839 bezoeken ze opnieuw hun stamge­bied.

 

 

7 febr. 1839 De apostelen besluiten engelen voor een hoger ambt aan te bieden en stellen het Aartsengelambt in. Hoewel verschillenden Engelen dit ambt meteen ontvingen werd het pas veel later werkzaam.

 

Eind 1839-   In de gemeenten ontstaan misverstanden en onjuiste opvattingen over de plaats en de autoriteit van apostelen. Cardale ziet zich genoodzaakt om van zijn volmacht gebruik te maken. Hij roept de apostelen naar Albury terug waar ze op 24 juni 1840 bijeen komen.

 

Juli/aug. 1840    Om aan de gerezen problemen een eind te maken, verordenen  de apostelen:

De Concilies van de Zeven Gemeenten (Raad van Sion) worden opgeschort. Ze hebben nooit meer voltallig vergaderd.  Van het gebruik van apostolische medewerkers word afgezien tot de onjuiste meningen over de onderscheiding en ware betekenis van profetieën, uit hun harten verdwenen is, en om  zolang de verwarrende toestand bestaat, van profetische uitingen geen gebruik te maken Dit afzien van medewerkers en profetieën duurde tot 1842.

 

Aug. 1846  Mackenzie stemde aanvankelijk in met de genomen verordeningen maar besloot later hieraan niet mee te werken. Hij trok zich uit de apostelkring terug. Van de echtheid van zijn apostelambt bleef hij echter overtuigd.

 

4 sept. 1840 In nieuwe kapel in Albury wordt in gebruik genomen.

 

19 juli t.m. Invoering van een vaste ordening volgens een liturgieboek Sept. 1842   kerkelijke gewaden. (Exodus 28:2 --)

 

Herfst 1842  Johann E.G. Lutz uit Karlshuld (Beieren) ontmoet de  evangelist W.R. Caird en neemt kennis van het   her-opgerichtte apostelambt.

 

1843  Opheffing van verschillende kleine gemeenten in Engeland en Schotland. De leden worden verwezen naar de plaatselijke kerk.

 

Febr. 1844   Zes Engelse apostelen beginnen weer aan een bezoek aan hun stamgebied waaruit ze in 1840 teruggeroepen waren. In Albury blijven Cardale, Armstrong, Tudor  en Sitwell.

 

Eind 1845 Weer worden de apostelen teruggeroepen. De weerstand in enige gemeenten tegen de ingevoerde ceremoniën en de apostolische autoriteit vereisen dat.

 

12 jan. 1846 Tien apostelen (zonder Mackenzie en Dalton) komen samen om de crises over de liturgische geboden te bezweren. Een deel daarvan blijft gehandhaafd, een ander deel verschuift naar de toekomst.

 

Lente 1846   De gemeente Westminster in Londen word opgeheven. In de praktijk zijn er dus geen Zeven Gemeenten in Londen meer. Pas in 1874 worden de volledige diensten in Westminster  weer hervat.

 

2 Mrt. 1847  De, sinds September 1840, onderbroken bijeenkomsten van de Zeven Gemeenten in Londen worden hervat, hoewel in kleinere samenstelling.

 

31 mei 1847  Eerste dienst met heilige Verzegeling in de Centrale Kerk in Londen door Cardale. De invoering van dit sacrament was door het apostelcollege in het voorjaar van 1847 besloten nadat Cardale in januari de gemeente-leden in Engeland daarvoor rijp had verklaard.

 

Herfst 1847  Invoering van het sacrament van de Zalving der Zieken volgens Jac. 5:14.

 

17 okt. 1847 Eerste dienst in Noordduitsland met heilige Verzegeling door Carlyle in Frankfurt/M.

 

2 jan. 1848  Heinrich Wilhelm Josias Thiersch, doctor in de theologie en filosofie, sinds 1843 buitengewoon en daarna gewoon hoogleraar in de theologie aan de universiteit van Marburg/L., wordt als Priester geordend. Tevens word daarmee de eerste gemeente in Noordduitsland opgericht: Marburg/L.

 

29 mrt. 1848 Onder het geweld van de maartrrevolutie vind in Berlijn de eerste dienst met heilige Verzegeling plaats.

 

10 jan. 1849 In de Raadsvergadering in Londen maakt Cardale, na overleg met de engelen, de voor Engeland genomen beslissing  bekend om op alle kerkgebouwen een bord met de naam  "Catholic Apostolic Church" te plaatsen en de naam ook bij contacten naar buiten te gebruiken.

 

1 juli 1849  Oprichting van de gemeente Bazel door Drummond, eerst als “filiaal”-gemeente van Edingburgh onder de engel William F. Pitcairn. Daarna als moedergemeente voor  Zwitserland met als engel Johann Jakob Traugott Geering.

 

Eind 1849    De eerste uitgave van de "Liturgie" verschijnt in het Duits.

 

31 mrt. 1850 De Engelse apostelen verordenen de reservering van een deel van de gewijde sacramenten de de bewaring daarvan in het tabernakel, een altaarkastje dat boven het altaar bevestigd is.Het werd getoond n de dagelijkse ochtend- en avonddienst. In samenhang daarmee volgt (uiterlijk in 1852) de invoering van de sakramentslamp in het heiligdom in alle gemeenten. Dit als symbool van Jezus Christus als het Licht des Levens en Zijn aanwezigheid in de sacramenten van de eucharistie. De lamp brand als in het tabernakel heilige sacramenten zijn.

 

30/31 juli  1850 Eerste dienst met heilige Verzegeling in Bazel door Drummond. 94 zielen ontvangen de Verzegeling.        

 

18 okt. 1850 Oprichting van de gemeente Parijs door Drummond met  als eerste engel Celeste H.M. Massiot.

 

1 dec. 1850  Eerste viering van de heilige eucharistie in de nieuw opgerichte gemeente in New York. Het begin van deze gemeente-gronding gaat terug tot 1837. De eerste voorganger was David Morris Fackler.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OVER DE SACRAMENTEN EN DE APOSTOLISCHE HANDOPLEGGING.

 

Alles maak ik nieuw (Openb. 21:5)

 

“Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenkt, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen”. (Luc. 11:13 NBG

 

Het begrip der apostolischen over verzegeling kan verwarring ontstaan.. Een diplomtiek stuk wordt verzegeld, dat wil zeggen, mag niet geopend worden door onbevoegden. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt i.p.v. het afdragen van een verzegeling, gesproken over “stempel”. Zo staat o.a.. te lezen in de NBG Ef. 4:30: “Maak Gods heilige Geest niet bedroefd, want hij is het stempel waarmee u gemerkt bent voor de dag van de verlossing”.

Bewust werd daarom boven melding gemaakt van Luc. 11:13 waarin gezegd wordt dat ieder die daarom vraagt de heilige Geest zal ontvangen. De afdracht van de heilige Geest impliceert dus al een “verzegeling” (stempel). Van een apart sacrament is hierbij dus geen sprake.

In het navolgende zullen we echter de apostolischen navolgen het de “verzegeling” zien als een apart sacrament.

 

Op 31 mei 1847 droeg Pilaarapostel Cardale voor de eerste maal de heilige Verzegeling af door handopleg­ging. ­Eeuwenlang had deze handeling niet meer plaats gevonden, terwijl dit toch één der twee sacramenten is die eenmalig worden afgedragen. Deze twee zijn de heilige Waterdoop en heilige Verzegeling.

 

Het derde sacrament, het heilig Avondmaal, wordt periodiek gevierd. Het woord "sacrament" zal men tevergeefs in de bijbel zoeken. Het komt uit het Latijns en betekend "verborgenheid" of "mysterie", al naar gelang de vertaling. Het woord "verborgenheid" in verband met het sacrament is te vinden in de brief aan de Efeziërs (1:9 en 3:2), aan de Kolossers (1:25).

Een "sacrament" volgt altijd na een belofte. Nadat belooft is de dopeling op te voeden in het geloof, nadat belooft is een waardig kind van God te zijn (hetzij door de dopeling zelf, hetzij door de ouders), nadat het "Onze Vader" gebeden is, volgt de doop, de verzegeling of het heilig Avondmaal. Terecht schrijft Calvijn dat het sacrament de belofte versterkt en verzegeld, m.a.w. het verplicht de ontvanger van het sacrament de belofte die eraan vooraf ging gestand te houden.

Een sacrament is een handeling die weliswaar zichtbaar afgedragen wordt (doop, handoplegging) maar waarvan de gevolgen "verborgen" zijn. Alleen kunnen de gevolgen merkbaar zijn in de levenswijze en wandel van degenen die dit sacrament ontvangen hebben.

Waarop is deze handeling, de afdracht van de heilige Geest door handoplegging, die tegelijk met het apostelambt verloren ging, volgens de apostolischen,  geba­seerd?

 

Apostel Petrus zegt in zijn toespraak na de uitstorting van de heilige Geest tijdens pinksteren, tot hen die verzameld zijn:

"Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan  zal de heilige Geest u geschonken worden (Hand. 2:38). Een voorwaarde om de heilige Geest te mogen ontvangen is dus boetedoening en de waterdoop.

De doop, het wassen met water als een religieuze handeling was al veel eerder onder de Joden bekend. In de Mozaïsche wetten is opgenomen dat allen, die volgens de wet onrein waren, eerst gereinigd moesten worden. Dit gold vooral voor de proselieten voordat ze toegelaten werden tot de voorrechten van het Ver-­

bondsvolk.

Onderweg, vanuit Egypte naar het beloofde land, moesten de Joden aan de voet van de berg Sinai hun kleding reiniging, maar vooral ook hun lichaam (Ex. 19:14).

Bij de wijding van Aaron en zijn zonen was hun eerste opdracht zich te reinigen (Ex. 29:4). De Priesters moesten, hoewel ze rein waren, voor elke handeling hun handen en voeten reinigen (Ex. 40:12).

Ook handoplegging als religieus symbool wordt in het Oude Testament beschreven, hoewel in  een totaal andere betekenis dan later bij de christenen.

Onder de wet legde de offeraar zijn handen op het offerdier en het werd aangenomen als verzoening voor zijn ziel (Lev. 1:4 e.v.). Op de Verzoendag legde de hogepriester zijn hand op de kop van de bok (Lev. 16:21).

Zo zijn er in het Oude Testament nog vele voorbeelden te vinden van religieuze reiniging. In de boeken van de Profeten en de Psalmen wordt over de afwassing gesproken als reiniging van het geweten en vergeving van schuld.

 

Het was Johannes de Doper waarvan in het Nieuwe Testament staat dat hij ook de doop volgens de Joodse Wet en traditie  voortzette.

Hij was een alom geacht man en doopte niet alleen tollenaars en zonda­ren maar allen die tot hem kwamen en wilden boeten voor hun zonden. Ook de voorname Sadduceeën en Farizeeërs wilden door hem gedoopt worden (Matth. 3:7) waartegen Johannes heftig protesteerden omdat het uitsluitend als een provocatie

diende. De mannelijke Israeliten werden op de achtste dag na de ge­boorte door besnijding in het Verbond opgenomen.

De waterdoop is als de geestelijke besnijdenis waarbij de dopeling wordt opgenomen in het verbond met God, een bad der wedergeboorte (vgl. Titus 3:5).  De doop zoals door Johannes voltrokken, hoewel een ordening van het oude Verbond, mag geenszins onderschat worden. Het was geen uiter­lijke cere­monie, ondanks dat het het geen christelijke doop was.

 

Calvijn stelde, ten onrechte, de doop van Johannes en de latere apostelen op één lijn: "Daaruit wordt het zeer gewis, dat de dienst van Johannes geheel dezelfde geweest is als die, welke later aan de apostelen is opgedragen" (Calvijn: Instituties, boek IV, vert. Sizoo).

In zijn schrijven aan de Corinthe waarschuwt Apostel Paulus hier uitdrukkelijk voor: "Ik wil graag dat  u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal  door de zee trokken, dat ze zich allemaal  in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, en ze  aten allemaal  hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze  dronken uit de geestelijke rots die  hen volgde en die rots was de Christus. Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken in de woestijn" (1 Cor. 10:1-5). Deze Oud-Testamentische doop werd door Johannes voortgezet. 

Het werk van Johannes was ter voorbereiding en aanname van het evange­lie, een uiterlijk en zichtbaar teken van berouw voor de overtre­dingen van het oude Verbondsvolk.

Hoewel de Oversten Johannes' doop niet wilde erkennen maar het niet waagden om hem tegen te spreken, zonden ze toch pries­ters en Levieten om hem te testen, zoals al in het begin van dit hoofdstuk geschreven werd. Echter, Johannes zelf zei over zijn handeling: "Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven,: maar na mij komt iemand die meer vermag  dan ik" (Matt. 3:11).

 

De christelijke doop is een ordening van het nieuwe Verbond. Het is de doop der wedergeboorte, tot ontvangst van het nieu­we, hemelse leven en dient ter invoering in het Rijk Gods dat in de kerk aanwezig is.

Gedoopt wordt in de naam des Vaders, des Zoons en de Heilige Geest. Hierdoor ontstaat een "bloedverwantschap". God wordt een geestelijke Vader, Zijn Zoon de grootste geestelijke broeder.

 

De doop is een "wedergeboorte". Het begin van de vernieuwing van de gehele mens, naar geest, ziel en lichaam. Een wedergeboorte tot een levende hoop (1 Petr. 1:3), als eerstelingen van Zijn schepselen (Jak. 1:18) om nu reeds te zien en straks in te gaan in het Koninkrijk waarvoor de geboorte uit water en geest onmisbare vereisten zijn.

 

Dat alleen de waterdoop iets anders is dan de doop met de heilige Geest bewees Jezus zelf, ook Hij liet zich dopen door Johan­nes. Echter, ogenblikkelijk daarna opende de hemel zich boven hem, en hij (Johannes) zag de Geest Gods gelijk een duif nederdalen en op hem komen.

Dit was de eerste maal dat de Geest gods, de Heilige Geest werd afgedragen, maar pas nadat Jezus de Waterdoop door Johannes ontvangen had! ok het begrip verzegelen heeft een voorgeschiedenis. In de oudheid was het gebruikelijk dat slaven behandeld werden als dieren en evenals de dieren, een eigendomsmerk of zegel kregen  ingebrand. Zo kregen tempelslaven het stempel van hun godheid ingebrand en werden daardoor een blijvend eigendom van de tempel. Later werd zo'n zegel ingebrand bij personen die geen slaven waren maar die zich  daardoor bonden aan hun god.

Zo is bekend dat de Egyptische Farao Ptolemaeus IX (221-204 v. Chr.) een aantal joden het zegel van zijn familiegod Dionysos inbranden om ze tot heiden en vereerder van deze god te maken.

Daarom was het voor de eerste christenen zonder meer duidelijk wat de Verzegeling inhield. n.l. de persoon die verzegeld werd tot een goddelijk eigendom te maken.

 

In Handelingen 8:17 staat te lezen: "Na het gebed legden Petrus en Johannes hun de handen op, en zo ontvingen de heilige Geest." Verder ook: "En toen Paulus hun de handen had opgelegd daalde de heilige Geest op hen neer" (Hand. 19:6)  en "We moeten de eerste beginselen van de leer over Christus hier toch maar laten rusten en ons richten op wat voor volwassenen bedoeld is. We willen niet nog eens het fundament leggen en speken over het zich afkeren van daden die tot de dood leiden, over het geloof in God, de leer over het dopen en de handoplegging en over de opstanding van de doden en het laatste oordeel. We maken deze keuze in het vertrouwen dat God  het ons toestaat" (Hebr. 6:1-3).

 

Zoals uit bovenstaande blijkt is in de schriften van het Nieuwe Testament duidelijk geschreven over de afdracht van de heilige Geest door middel van handoplegging door apostelen, als één van de midddelen. We herinneren daarbij aan Luc. 11:13 waarin staat dat de heilige Geest ook zelfstandig, zonder tussenkomst van anderen, werkt..

Dit is het sacrament van de heilige Verzegeling, een sacrament dat, toen het apostelambt verdwenen was, geleidelijk verdween. Hoewel deze afdracht van de heilige Geest gebeurt door de degenen die door Hem de opdracht hebben ontvangen, is het toch God zelf die werkt, via mensen.

Het oorspronkelijke sacrament van de heilige Verzegeling is alleen in de R.K. kerk ten dele bewaard gebleven als het "Vormsel".

Het merkwaardige is dat bij Luther geen duidelijke afwijzing van de verzegeling te vinden is. In het in 1520 verschenen werk "De captivitate Babylonica ecclesiae praeludium" stelt bij handoplegging waarbij de heilige Geest word afgedragen  op één lijn met de handoplegging van Jezus toen Hij de kinderen zegende en met de handoplegging der apostelen ter genezing van zieken. Luther rekent al deze handelingen onder

sacramenten.

Anders is het bij Calvijn die stelt dat handoplegging wel charismen verleent maar niet de heilige Geest. In de protestantse kerk is de het sacrament van de heilige Verzegeling geheel verdwenen en kent men alleen nog de heilige Doop, die dus de verzegeling ( het stempel) in zich draagt.

 

Leerzaam is het gesprek van Jezus met Nicodemus. "Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien" (Joh. 3:3). “Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: wat uit vlees en bloed bestaat kan geen deel hebben aan het koninkrijk van God”  (1 Kor. 15:50).

Toen Hij tegen Zijn jongeren zei dat zij moesten wachten met verkondigen totdat zij de heilige Geest ontvangen hadden, hadden enigen van al de doop door Johannes ontvangen. Dat de jongeren moesten wachten was noodzakelijk omdat Jezus eerst moest opvaren tot Zijn Vader, wilde de Trooster, d.i. de heilige Geest, komen (vgl. Joh. 16:7).

 

Uit de woorden van Apostel Petrus op de eerste Pinksterdag is op te maken dat de apostelen een onderscheid maakte tussen de doop en de gaven van de heilige Geest. Ze gaven aan dat de heilige Geest niet hetzelf­de was als de christelijke doophan­deling. Ook de christelijke doop is alleen een teken der genade, van het sluiten van een Verbond. Weliswaar zegt de apostel: "Wie uit God geboren is, zondigt niet"

(1 Joh. 3:9) maar deze uitspraak is gericht tot hen die reeds lang gedoopt en verzegeld waren en die de zonden behoorden te vermijden. Al is de heilige Doop ontvangen, dan is de zonde toch nog niet dood in ons. Een vrijgemaakte slaaf kan de sleur van zijn slavernij verkiezen boven de strijd en inspanning die vereist zijn om in eigen levensonder­houd te voorzien.

Ook tijdens de doortocht van de woestijn dachten vele joden nog met weemoed terug aan de vleespotten van Egypte.

 

Op enkele plaatsen in de heilige Schrift komt duidelijk naar voren dat Waterdoop en de ontvangst van de heilige Geest bijeen horen: In Efeze waren zielen die door Johan­nes gedoopt waren.

Toen apostel Paulus hen vond vroeg hij hen: "Hebt gij de heilige Geest ontvangen, toen gij gelovig werd?" Het antwoord dat hij kreeg was "Wij hebben zelfs niet eens gehoord of er een heilige Geest is". Op de vroeg van apostel Johannes hoe ze dan gedoopt waren kreeg hij als antwoord dat ze deze ontvangen hadden van Johannes.

Toen zei Paulus: "Johannes heeft gedoopt met de doop der boete, zeggende tot het volk dat zij geloven zouden in degene, die na hem komen zou, dat is in Jezus, dat deze de Christus is." Daarop legde Paulus hen de handen op en zij ontvingen de heilige Geest (Vgl. Hand. 19:1-7).

Er is dus duidelijk een gave van de heilige Geest die ver­schilt met de waterdoop. Maar toch kunnen beiden, doop met water en doop met vuur (de heilige Geest) niet van elkaar geschei­den worden.

Het achtste hoofdstuk van de Handelingen der apostelen geeft ons nog meer duidelijkheid in het sacrament van de waterdoop door de eerste apostelen en het sacrament van de heilige Verzegeling (afdracht van de heilige Geest), die daarop volgt. Bij de vervolging die na de dood van de diaken Stefanus los­barstte werd de Jeruzalemse gemeente over Judea en Samaria verstrooit, alleen de apostelen bleven in Jeruzalem.

De diaken Filippus kwam in een Samarische stad en predikte daar over Jezus. Enigen van zijn toehoorders namen het geloof aan en lieten zich dopen. Toen de apostelen dit verna­men, zonden zij twee van hen, de apostelen Petrus en Johannes. Deze baden voor de zielen die door Filip­pus gedoopt waren dat zij de heilige Geest zouden ontvangen. Daaruit blijkt dat zij welis­waar de waterdoop hadden ontvangen in de naam des Heren, maar niet de heilige Geest. Toen legden de apostelen hen de handen op en zij ontvingen de heilige Geest (Vgl. Hand. 8:16-17).

 

Andersom gebeurde het ook, God heeft zo Zijn eigen regels, vooral om mensen, die vaak vastgeroest zitten aan eigen menin­gen en gewoonten, iets duidelijk te maken.

In de Handelingen der apostelen lezen we in het tiende en elfde hoofdstuk dat er tot dan toe uitsluitend Joden gedoopt en verzegeld waren. Te Cesarea leefde en hoofdman (aanvoerder van een legerafde­ling) met zijn gezin en huishouding. Deze hoofdman Cornelius is een vroom en godvrezend man. Op een dag ontvangt hij bezoek van een Engel die verteld dat zijn gebeden en aalmoezen door God met welgevallen werden aanvaard. Hem wordt gezegd dat hij twee mannen naar Joppe moet zenden om apostel Petrus te halen die daar verblijft. Petrus krijgt te horen dat hij met deze twee mannen mee moet gaan, maar hij heeft zo z'n bedenkingen. Immers, Cornelius was een Romein, geen Jood en dus, volgens Petrus, onrein. Dat was nog niet eerder voorgekomen! God toont Zijn oneindige geduld, Hij moet Petrus tot driemaal toe duidelijk maken dat, wat Hij rein acht, de mens niet onrein zal achten.

Petrus gaat met de twee mannen mee. Bij Cornelius thuis pre­dikt hij over Jezus en terwijl hij daarmee bezig was viel de Heilige Geest op allen die hem aanhoorden, waarna Petrus de waterdoop voltrok (Hand. 10:44-48).

Hier vond dus het omgekeerde plaats, eerst de heilige Verzege­ling, door God zelf verricht, daarna de waterdoop. Deze uit­zondering vond alleen maar plaats om apostel Petrus te tonen dat ook niet-Joden deel konden uitmaken van het nieuwe Ver­bondsvolk.

Uit het bovenstaande blijkt nog iets anders: "... viel de Heilige Geest op allen die hem aanhoorden."

M.a.w. op de aanwezige mannen, vrouwen en kinderen. Later werd door enkele kerkvaderen en reformatoren de doop van kinderen afgewezen omdat kinderen onmondig zouden zijn.

In zijn geschrift "Wedergeboorte en doop" schrijft Isaac Capadose, de latere Co-adjutor binnen de Katholiek-apostolische gemeente behartens­waardigheden die hier, gedeeltelijk, vrij weergegeven worden:

"In de dagen der wording van de kerk werd de doop meestentijds toege­diend aan bekeerlingen uit Israel of de heidenen en van hen werd enige kennis van het geloof verwacht. Filippus vraagt ook aan de Moorman voordat hij deze doopt: "Gelooft gij van ganser harte" (Hand. 8:37).

Van jonge kinderen kon dat natuurlijk niet verwacht worden. Wel vinden we op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament de doop van een geheel huisgezin vermeld (zie boven). Om te vinden of kinderen gedoopt mogen worden moeten we echter nog dieper graven.

Het huisgezin is de oudste instelling Gods, de oorsprong van alle latere (zie Gen. 1:27). De verbinding tussen man en vrouw is van oorsprong een heilige instelling en vergelijkbaar met de innige en heilige betrekking tussen Christus en de gemeente. Ook het vierde gebod, gij zult uw vader en uw moeder eren, en Ef. 6:15 behandelen het huisgezin en de verhouding tussen ouders en kinderen. kinderen en ouders.

Vandaar dat we niet alleen in het Oude, maar eveneens in het Nieuwe Testament de verbondenheid Gods met de vaders en diens kinderen, met het hoofd en het hele gezin, zien aangegaan.

Het verbond met Israel omvatte het gehele volk, omdat God "zoals hij u heeft beloofd en zoals hij ook uw voorouders Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd” (Deut. 29:12). Uitdrukkelijk worden de kinderen daarin opgenomen.

In de al eerder aangehaalde rede van apostel Petrus zegt deze:

"Want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen" (Hand. 2:39, daarbij verwijzende naar Joël 2:32. Ook verdient Paulus' woord aan de Korinthiërs de aandacht (1 Kor. 7:14), dat zo één der ouders nog heidens of joods is. doch de ander gelovig, de heiden of de jood door de gelovige geheiligd is en dientengevolge hun kinderen niet onrein, maar heilig zijn.

Het ongelovige lid van het echtpaar wordt geheiligd door het gelovige lid. De ongelovige echtgeno(o)t(e) komt immers voortdurend in aanraking met het leven Gods in zijn gelovige wederhelft, hetzij tot zegen, hetzij tot verzwaring van zijn oordeel. De ongelovige echtgeno(o)t(e) is door de huwelijksband met een gelovige getrokken binnen de kring, waarin Gods genade zich vrijer ontwikkeld en openbaart, dan in de "heidenwereld" of zelfs onder de joden. Het kind is een product van de ouders, niet alleen hun vlees en bloed, maar ook tot op zekere hoogte van hun geest.

Kinderen zijn zo uitverkoren voorwerpen van Gods tedere Vaderliefde, zelfs onder de hemelse heerscharen van gedienstige geesten die uitgezon­den worden om bepaalde kleine diensten te bewijzen (vgl. Hebr. 1:14). "Hun engelen", zegt de Heer, "zien altijd het aangezicht van mijn Vader, die in de hemelen is" (Matth. 18:10).

 

Dit vrije citaat maakt niet alleen duidelijk waarom kinderen, hoewel nog niet het verstand des jaren bereikt hebbende, de doop kunnen ontvangen, maar ook de waarde van het huisgezin.

 

Jezus had al gezegd dat Hij niet gekomen was om de wet te verwerpen maar om deze aan te vullen en zei daarbij:

"Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel" (Matth. 5:3) en "Ik loof u, Vader, Heer van de hemel en de aarde, omdat U deze dingen  voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden , maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld” hebt” (Matth. 11:25). “De mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen. Toen Jezus dat zag wond hij zich erover op en zei tegen hen:  "Laat de kinderen bij  me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij" (Marc. 10:13-14).

 

Om de betekenis van de heilige Verzegeling in volheid te omvatten is het goed te citeren uit het laatste bijbel­boek, de Openbaring die Apostel Johannes op het eiland Patmos mocht ontvangen:

"Hierna zag ik vier engelen bij de vier hoeken van de aarde staan. Zij hielden de vier winden van de aarde in bedwang, om te voorkomen dat er een wind over land of op zee of door de bomen zou waaien. Ik zag in het oosten een andere engel opsteigen, die het zegel van de levende God had. De vier engelen doe de opdracht hadden gekregen om schade toe te brengen aan het land en de zee, riep hij met luide stem toe. Laat het land en de zee en ook bomen nog ongemoeid! Eerst moeten wij het zegel van onze God op het voorhoofd van zijn dienaren aanbrengen. Toen hoorde ik het aantal van hen die het zegel droegen:honderdvierenveertig duizend in totaal, afkomstig uit elke stam van Israel" (Openb. 7:1-4).

Allen die de heilige Verzegeling hebben ontvangen staan opgetekend in het Boek des Lams, het levensboek en maken deel uit van het Lichaam Christi. Enige Katholiek-apostolische leraren, w.o. Pilaar-apostel Cardale, wezen erop dat dit getal niet woordelijk maar symbo­lisch gelezen moest worden.

 

Een doop hoeft niet altijd door een priesterlijk ambt voltrokken te worden, behoeft echter wel een priestelijke bevestiging en zegen.

De waterdoop in de Samariaanse stad was echter wel een priesterlijke handeling,  Filippus was evangelist. Het is niet helemaal duidelijk wanneer Filippus dat ambt ontvangen heeft, immers, oorspronkelijk was hij aangewezen als één der zeven diakenen (Hand. 6:8).

In deze geschiedenis komt duidelijk naar voren dat de doop met de heilige Geest, de heilige Verzegeling uit­sluitend door een apostel, door handoplegging, afgedragen kan worden.

Er is in de heilige Schrift geen enkel voorbeeld te vinden waaruit blijkt dat de heilige Geest door een ander ambt ge­schonken kan worden. Bij hoge uitzondering kan een apostel deze volmacht voor een bepaalde tijd delegeren zoals met Timotheus, "de geliefde zoon van Paulus en met apostolische volmachten bekleed" en Titus gebeurde (1 Tim. 1:3, 3:14, Tit. 1:5.

 

De tweeledige doop (water- en geestesdoop) heeft nog een verdere beteke­nis, n.l. dat de kerk, het lichaam Christi, niet alleen uit ambtsdra­gers, door Hem geordende mannen, bestaat.

Ieder die de heilige Verzegeling heeft ontvangen en daardoor drager van de heilige Geest is geworden, heeft een plaats in het lichaam Christi en is zelf voor het functioneren binnen dat lichaam verantwoordelijk. Juist voor het vervullen van bijzondere plichten wordt de heilige Geest geschonken, om te kunnen groeien in het wezen van Christus.

Daarom is alleen de waterdoop, waardoor de gelovige een ver­bond met Christus sluit, niet voldoende. Als een kind ter wereld komt is daarmee ook niet aan alles voldaan, het kind moet gevoed en geleid worden om op te groeien. Het kind moet de mansgestalte Christi bereiken en dan kan ook te voorschijn komen wat de heilige Waterdoop, de heilige Verzegeling en de opvoeding door gelovige ouders, bewerkstelligt hebben.

 

De ordening zoals God die gesteld heeft laat Hij niet onge­straft schen­den. Toen het apostelambt weggenomen was  omdat het niet meer nodig werd geacht, verviel het éne lichaam, traden schisma's op en werd het ver­schil tussen de gedoopten en de heidenen steeds minder.

 

Ook de "kerkvaderen" vergaten, hoewel ze veel waardevols geschreven hebben, dat de brieven der apostelen, m.n. van Apostel Paulus geen leerstellige verhandelingen waren. Het was en is de apostelen niet te doen om bijdragen of bouwstoffen te leveren tot een wetenschappelijke dogmatiek. Zij werkten niet aan de uitwerking van een stelsel, maar zij bouwden aan een geestelijke tempel om de wedergeborenen als levende stenen samen te voegen tot een woonstede Gods in de geest.

Het merkwaardige is zelfs dat de oudere "kerkvaderen" w.o.Clemens Alexandrinus en Origenes twijfelden over de kracht van de heilige Geest. Athanasius beleed de heilige Geest echter krachtig en pas vanaf het Concilie van Nicaea (381) werd de Vader, Zoon en heilige Geest als Drieeenheid beleden.

Behalve Athanasius hadden ook de z.g. "Cappadocische Vaders" (Basilus de Grote, Gregorius van Nyssa e.a.) van de kerken in Klein-Azië, hierin een werkzaam aandeel door hun overredingskracht. Deze Drie-eenheid werd vastgelegd in het z.g. Nicaeno-Constanti­nopolitanum. Augustinus ziet het heil der gelovigen als het werk van dw heilige Geest en wijst op het verband van de heilige Geest, de prediking en de kerk. In de middeleeuwen gaat het begrip "kerk" allengs de heilige Geest verdringen.

Het wordt dan "Waar de kerk is, is de Geest", inplaats van wat Augusti­nus geleerd had "Waar de Geest is, is de kerk".

 

De bisschoppen beseften wel degelijk dat zij niet gerechtigd waren om de apostolische handelingen uit te voeren. Maar met het wegvallen van het apostelambt werden zij verplicht om in de geestelijke noden van de gedoopten te voorzien. Daarom ook werden zij door de heilige Geest ertoe gebracht om oudsten en diakenen te ordenen. Daarom werd ook door hen de conformatie doorgevoerd, maar ze maten zich niet het apostolische recht aan om dit door handoplegging te volbrengen. Ook hierin, in de uiterlij­ke tekenen, is een verloop te bekennen. De Heer blies op Zijn apostelen en sprak: Ontvangt de heilige Geest want dat is de bron van al het leven. De apostelen legden de gedoopten hun beide handen op omdat zij door Christus waren gezonden om de Heilige Geest af te dragen.

Ook de handoplegging verviel, weliswaar doopt de geestelijke en legt daarbij, veelal, één hand op de dopeling, de apostoli­sche handoplegging gebeurd met beide handen.

 

Pilaar-apostel Cardale schreef met betrekking tot het verval­len van dit sakrament:

"Wat hebben we te zeggen over de vele miljoenen die, nadat er geen apostelen meer waren. gedoopt zijn. Apostel Paulus wijst erop dat hun doop niet volledig, niet volkomen is. "Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik houd vol in de hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft”.  (Fil. 3:12).

Nu kan natuurlijk de vraag opkomen: gebruikt God niet ieder die Hij wil, ongeacht of ze gedoopt zijn in Zijn naam, leef­tijd of geslacht? Natuur­lijk is dat zo. Door onmondigen en zuigelingen wordt Zijn lof gezongen. Hij zal iedereen, onge­acht de leeftijd, gebruiken als daarmee een doel gediend kan worden. Hij vervulde mannen met Zijn geest: Abraham, de aarts­vaderen, Samuel, David, Salomo en de profeten.

Hij gebruikte Mozes, Elia en Eliza om geweldige daden te verrichten. Ook Ruth en Naomi en andere vrouwen waren een werktuig in Zijn hand. Hun werk was zeker niet minder dan dat van de latere apostelen.

Maar daarom geldt des te meer dat Christus hen gebruikt die in Zijn naam gedoopt en een deel van Zijn lichaam zijn. Door de zending van de heilige Geest werden de jongeren met Christus in het ene lichaam ver­enigd waarin de apostelen, volgens Zijn ordening, de dienaren werden om de heilige Geest uit te rei­ken."

 

Niet allen die de heilige Verzegeling hebben ontvangen uit de hand van een apostel maken deel uit van het lichaam Christi. De geest moet gevoed en onderhouden worden, zoals in een bovenstaand voorbeeld al aangegeven is. Daarom is ook het derde sacrament, het Heilig Avondmaal noodzakelijk.

Tenslotte geldt het volgende: niemand kan de almacht en de grootheid Gods doorgronden. Ook de Zoon moet wachten totdat Hij van de Vader toestemming krijgt om Zijn volk te halen.

Te bedenken valt echter dat van alle miljarden mensen die reeds op aarde geleefd hebben, van de ca. 5 miljard aardebewoners die er nu zijn, niemand hetzelfde is. Niemand is een exacte kopie van de ander, geeft dat niet de almacht Gods weer?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET ENGELSE APOSTOLAAT BEGINT UIT TE STERVEN

 

Op 26 januari 1855 ontsliep de, sinds 1840 al niet meer werkzame apostel Duncan Mackenzie op 70-jarige leeftijd. Kort voor zijn dood zei hij: "Ik weet dat God Zijn zwakste apostel", hij bedoelde zichzelf, "snel tot zich nemen zal. Pijnlijk vind ik het echter dat Hij waarschijnlijk ook Zijn sterkste apostel", daarmee bedoelde hij Carlyle, "zal wegnemen."

Twee dagen later, 28 januari, overleed, na een inspannende reis door Zweden, de apostel voor Noordduitsland, Thomas Carlyle, op 51 jarige leeftijd.

Hij is wel de actiefste Apostel geweest, zowel op missionair als lite­rair terrein. Bijzonder zegenrijk was zijn werk in Duitsland. Hij was meerdere keren te gast op het slot Charlottenburg bij koning Friedrich Wilhelm IV van Pruisen. Deze bezoeken en gesprekken waren en mede oorzaak van dat Friedrich Wilhelm IV er van doordringen werd dat het bisschoppelijk ambt binnen de Evangelische Kirche hersteld moest worden en dat, mede door Josius Bunsen, een bisschop te Jeruzalem benoemd werd. We zullen hier in een apart hoofdstuk verder op ingaan.

 

Had God een bedoeling gehad met het, op jonge leeftijd, wegnemen van deze bijzondere Engelse apostel die ook een groot kenner was van de Duitse geschiedenis en cultuur en, later, ook accentloos Duits sprak?

Carlyle schreef: "Nergens in de heilige Schrift is te lezen dat de ambten slechts voor beperkte tijd zouden zijn. Niet door ontslapen apostelen, maar door levende Apostelen moet de kerk geleerd en geregeerd worden."

De Pilaar-apostel Cardale zei twee dagen na het ontslapen van Carlyle: "Velen hebben gedacht en ik beken dat ik daar ook toe behoor, dat zij die als apostel zijn geroepen, als ze trouw blijven, niet zouden sterven totdat ze de gelovigen in de hemelse erfenis gebracht hadden. We hebben ons vergist."

apostel Woodhouse, die al in Zuidduitsland werkte, nam de Noordduitse stam over.

 

Op 21 juni 1855 overwegen de Engelse apostelen de vraag of er stappen genomen moeten worden om de plaatsen van de ontslapen apostelen op te vullen. Ze kwamen tot de slotsom dat nergens in de heilige Schrift een verwij­zing daarnaar te vinden is. Ze besloten op aanwijzingen van God te wachten.

In datzelfde jaar, 3 november 1855, overleed nog William Dow.

 

Een zeer zware slag trof de Katholiek-apostolische gemeenten toen in april 1862 de Pilaar-profeet Edward Oliver Taplin ontsliep. Hij was een "oud-gediende". Door hem waren Drummond als herder, Cardale als apostel en iets later Drummond ook als apostel geroepen. Alle aanvallen op zijn persoon, door persmedia en bekende persoonlijkheden, toen hij als eerste in de gemeente van Irving profeteerde, had hij over zich heen laten gaan. Op 27 mei 1851 hield Taplin in Londen een lezing over het voortdurende apostelambt. Ook zijn profetie in 1856 te Albury, naar aanleiding van Ezra 3, was al een duidelijke verwijzing naar hetgeen gebeuren zou.

 

"De heerlijkheid van het laatste huis zal groter zijn als van het eerste huis, hoewel het volk weent. Waarom, ja waarom? Omdat de Heer in dezelfde tempel verschijnen zal. Niet nog eenmaal de heilige Geest zend. Hij heeft geen tweede toekomst. De heilige Geest heeft geen twee toekomsten, maar de Heer des tempels zal in Zijn heerlijkheid verschijnen. Gij mannen van Tyrus en Sydon, wilt u niet werken om de cederbomen te halen waaruit het Huis gebouwd zal worden?

Wil  u u niet brengen de ceders en de dennen waarmee het Huis gebouwd zal worden?

Dit altaar is op Zijn grondvesten gebouwd, al voor de grond van de tempel gelegd was. Hebt u het niet gezien? Hebt u het niet waargenomen? Het zal een tempel zijn waarin de goddelozen geen toegang hebben.

De ceders en dennen zijn het, waarop ze bouwen."

Hij was het ook die, na de Profetenvergadering in Albury van 1860,  had gesproken over een nieuwe ordening.

 

Zover zijn we echter nog niet met het verhalen van de geschiedenis. In de "Kerkelijke Circulaire" van juni 1862 schreef Woodhouse: "Als zuil der profeten stond Taplin de apostelen terzijde, gaf raad over hoe met profetiën te handelen. Door zijn ervaring met profetische uitingen kon hij profeten en begaafde personen over de verleidingen waaraan zij blootstonden, troosten en helpen en tevens onderwijzen over een juist gebruik van deze gave.

In de uitoefening van zijn profetische gaven bemerkte men nuchterheid en het verre blijven van opwinding en lichamelijke betrokkenheid. Toch waren in zijn woorden de kracht en invloed van de heilige Geest zowel bij de zachtste tonen als bij de watervallen van woorden die in tongen of in de taal der mensen gesproken werden. Vol majesteit en krachtvol kwamen ze uit zijn mond voort. Hij kan met de grootste en roemrijkste godsmannen, die ooit op aarde in de naam van de Almachtige God en gedreven door de heilige Geest, tot hun medemensen gesproken hebben, op één lijn gesteld worden."

 

In 1870 waren dus nog slechts drie van de twaalf Engelse apostelen in leven: de Pilaar-apostel John Bate Cardale, Nicolas Armstrong en Francis Valentin Woodhouse.

Maar we gaan nog even ruim tien jaar terug in de geschiedenis. Juist in die periode zouden er onomkeerbare gebeurtenissen plaatsvinden die van groot belang zijn voor het verdere verloop van de katholiek-apostolische gemeente. 

 

In mei 1858 begint de eerste jaarlijkse bijeenkomst van veertien dagen met de profeten. Het is de bedoeling om tijdens deze zittingen de uitleg van de verschillende bijbelboeken te bespreken. Deze bijeenkomsten vonden plaats in Albury, slechts drie jaar van 1858 tot 1861. De eerste bijeenkomst was gewijd aan de boeken van het Oude Testament, Ezra en Nehemia. De deelnemers waren de twaalf profeten, Bligh, Davidson, Esterford, Faesch, Geyer, Hester, Jeffery, Petitpierre, Prentice, Smith, Taylor en Watts. Ook de apostelen met hun hulpen waren daarbij aanwezig.

 

Hoewel in 1852 in de Raadsvergadering werd besloten dat iedere apostel het recht had om, na goedkeuring der andere apostelen, een gewijdde Engel als zijn hulp of Co-adjutor in zijn stamgebied te benoemen, gebeurde dat de eerste keer in juli 1859. Charles Böhm (1812-1880) werd door Taplin geroepen als eerste Co-adjutor voor Noord-Duitsland. Na 1865 kwam dat ambt sterker naar voren. In de geschiedenis van de

Katholiek-Apostolische Gemeente zijn twaalf mannen als Co-adjutor werkzaam geweest. Zij assisteerde en vervingen als eersten de Engelse apostelen, echter niet met de volmachten en gaven van de apostel.

Vanaf 1859 werkte Charles Bôhm dus in dat ambt in Noord-Duitsland, na 1870 ook voor Rusland.

De twaalf mannen die het ambt van co-adjutor gedragen hebben waren: 1865: William Rennie Caird voor Zuid-Duitsland en Zwitserland, na 1870  ook voor Canada, de Verenigde Staten, Frankrijk en België.

---   John Leslie voor Engeland, Australië en India.

---   Georg John R. Hewitt voor Denemarken, Nederland en Vlaanderen.

1870: William Flewker voor Spanje en Italië. Langford Rowley Symes voor Frankrijk.

1873: Max von Pochhammer voor Oostenrijk en na 1880 ook Noord-Duitsland.

1875: Isaac Capadose voor Nederland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en na de dood van von Pochhammer in 1896 ook voor Rusland, Polen,  Frankrijk, België en Italië.  Emil L. Geering voor Zwitserland en Zuid-Duitsland.

1879: Friedrich B.A. Diestel voor Rusland.

1881: Edmund Lewis Hooper voor Ierland en Schotland.

1886: Edward Heath, oorspronkelijk Australië en Nieuw-Zeeland, na het overlijden van verschillende Co-adjutoren, Heath was de laatstlevende, ook Engeland, Schotland, Ierland, Amerika, Canada, Zwitserland, Zuid-Duitsland en Oostenrijk.

 

                             

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

LAATSTE STADIUM EN DE “TIJD DER STILTE”

 

Na 1886, de roeping van Edward Heath, werden geen verdere Co-adjutoren meer geroepen.  Woodhouse, die daarna nog bijna vijftien als enige apostel van de oude ordening werkte, had zeker nog vele Co- adjutoren kunnen gebruiken. Woodhouse wilde het werk echter niet eigenmachtig voortzetten.

 

Naast het Co-adjutorenambt kwam in een later stadium nog een ambt voor de "Algemene Kerk", namelijk dat van Apostolische Gedelegeerde. Hierover werd al in 1835 en 1857 profetisch gesproken maar het kwam pas in 1890  naar voren.

Een Apostolische Delegatie bestond uit twee mannen met het ambt van engel die van de apostel volmacht kregen om apostolische handelingen te verrichten. Was deze handeling uitgevoerd dan verviel de volmacht.

Terwijl de Co-adjutoren blijvend alle apostolische handelingen konden verrichten, was dat voor de Gedelegeerde alleen tijdelijk en voor speciale handelingen. Gedelegeerden konden alle handelingen opgedragen krijgen behalve de wijding van engelen en de stichting van gemeenten. Dat was voorbehouden aan de apostelen en Co-adjutoren.

Een ander ambt in de "Algemene Kerk" was dat van aartsengel. Dit ambt kwam in 1839 naar voren. Het waren toen Archibald Campbell Barclay, Augustus Frederic Bayford en Georg Gambier.

De volgende roeping van een aartsengel zou veertig jaar op zich laten wachten. In januari 1878 R.T. Roskilly. Tot 1895 werden nog zeven aartsengelen geroepen, zelfs op 13 juli 1900 vlak voordat de laatste Engelse apostel overleed werden nog zes engelen als aartsengel ingezet. Dat waren Carl Eduard Schwarz en Ludwig Al­brecht. Albrecht overleed als laatste aartsengel in 1931.

De aartsengelen behoorden niet tot een bepaalde stam maar ontvingen hun opdrachten rechtstreeks van de apostelen. Ook werden aartsengelen "gestationeerd" in steden die tot aartsengelplaats werden verheven met een symbolische naam.

Dat gebeurde in 1860 en de steden waren: Londen als Ephesus, Berlijn als Smyrna, Parijs als Pergamus, Rome als Thyatira, Wenen als Sardes, Bern als Philadelphia en Stockholm als Laodicea.

 

Maar dan zijn we alweer voorbij een uiterst belangrijke datum in de Engelse apostolische geschiedschrijving.

 

Op 30 mei 1860 vond de derde veertiendaagse bijeenkomst plaats van de profeten in Albury onder leiding van de apostelen.

Al langer bestond onder de ambtsdragers verschil van mening over de invulling van het apostelambt. Nergens is in de bijbel terug te vinden dat het twaalftal een wetmatigheid is. Ook in het Nieuwe Testament zijn meer dan twaalf apostelen werkzaam. Buiten de apostelen die de Heer persoonlijk heeft geroepen, worden in de bijbel nog de volgende mannen, die de apostelbediening droegen, genoemd: Matthias (Hand. 1:23-26), Barnabas (Hand. 13:1-4, 14:14, Gal. 2:9), Paulus (Hand. 9:15, 13:1-4, 1 Cor. 9:1-16, 2 Cor. 11:1, Tim. 2:7), Andronicus en Junius (Rom. 16:7), Epafroditus (Fil. 2:25), en nog enkele anderen. Ook in hun "Testimonium" hadden de Engelse apostelen meermalen betoogd dat apostelen noodzakelijk waren om de wederkomst van Jezus voor te bereiden. De weigering van dezelfde Engelse apostelen om anderen naast zich te dulden, werd door velen met gemengde gevoelens bejegend.

Tijdens de derde jaarlijkse bijeenkomst van de Profeten is het de beurt aan Heinrich Geyer, een Duitse profeet om voor te lezen. Hij leest de tekst van Efeze voor en gaat dan meteen over in een profetisch woord:

"Maar  dit heb ik tegen u; u hebt de  liefde van weleer opgegeven. Bedenk van welke hoogte u gevallen bent. Breekt met het leven dat u nu leidt en doe weer als vroeger” (Openb. 2:4). Verlang naar de apostelen, die hun stoel verlaten hebben. De Heer geeft u twee apostelen op de lege stoelen als onderpand, dat Hij ook de overige weer bezetten zal, zodat uw schouders niet bezwijken: Charles Böhm en William Caird als apostel!"

Hierop had niemand gerekend! Ogenblikkelijk werd de bijeenkomst opgehe­ven en konden de profeten gaan. Alleen Taplin, als Pilaar-profeet mocht blijven.

EQ \O(', )s Avonds, toen de profeten bij Taplin thuis waren, gaf deze als zijn mening te kennen dat alle ambten in volheid aanwezig zullen zijn bij het verschijnen van de Heer. De volgende morgen moest Geyer bij  Woodhouse komen. Deze gaf hem te verstaan dat de Engelse apostelen de roeping verwierpen en dat van opvulling van de opengevallen plaatsen geen sprake kon zijn.

Maar daarmee was deze crisis niet bezworen.

 

Min of meer zijn de gebeurtenissen tijdens de profetenbijeenkomst van 1860 er de oorzaak van dat deze bijeenkomst nog éénmaal plaats vind en daarna nooit meer. Het is niet de eerste en ook niet de laatste keer dat de Engelse aposte­len en profeten het niet met elkaar eens waren.

 

In 1865 slaagt de eerste poging om in het werelddeel Australië een gemeente te vestigen. Dat was in Wellington (Nieuw-Zeeland). En de oprichting van gemeenten gaat in de volgende jaren door:

St. Petersburg (1871), Wenen (1872), Kristiania (Oslo, 1877), Stockholm (1878). De eerste gemeente in Nederland gaat in 1864 van start maar daar zal in een apart hoofdstuk op terug gekomen worden.

Toch, ondanks het stichten van deze nieuwe gemeenten, was er verloop Een correspondent van de "Evangelische Kirchenzeitung" bericht op 25 maart 1876 het volgende:

"De "Katholieke en Apostolische Kerk" van de Irvingianen ontvoud in  de zeven, meest aanzienlijk grote maar ten dele zeer spaarzaam bezochten kerken die ze in Londen bezit, een trotse pracht van de cultus.

In deze overbied ze in elke schakering het Anglicaanse hoogkerkdom.

In de hoofdkerk op Gordon Square celiberen in de zondagsdienst bijna vijftig geestelijken, gekleed in bonte ornaten. Maar ook in de ochtend- en avonddiensten, die dagelijks om 6 uur v.m. en 5 uur n.m. plaatsvin­den, zowel hier als in de kleinere kerken, fungeren regelmatig tenminste veertien ambtsdragers of meer, wat tijdens deze diensten waar vaak niet meer dan twintig personen aanwezig zijn, in groot contrast staat. Wijwaterbekers, reukwerk, uitdeling van de sacramenten, gebeden voor overledenen - niets ontbreekt tijdens de diensten van deze secte die een spruit van de puriteinse Knox is (sic!).

Tegenwoordig is echter veel van wat aan haar Schotse verleden en in het bijzonder aan haar stichter Edward Irving herinnert, verdwenen.

Evenals het "praten in tongen", dat bijna overal is verdwenen. Het aantal apostelen schijnt tot drie geslonken te zijn. Ook datgene wat de oorsprong en het bestaansrecht van de secte was, de profetieën, komen nog slechts zelden voor."

 

Op 18 juli 1877 ontsliep geheel onverwachts de Pilaar-apostel John Bate Cardale, bijna 75 jaar oud.

Woodhouse hield op 14 augustus 1877 een toespraak voor de zeven gemeenten van Londen en haalde daarbij de profetie aan die gesproken werd bij Cardale's inzetting als Pilaar-apostel. Hij zei daarbij:

"Merkwaardig is de uitspraak in het woord: Gij apostel Cardale, gij eerste fundament, er zijn diepten die Jezus niet kan openbaren. Direkt daarna kwamen de uitspraken over het hart. In het hart bevinden zich dus de diepten. Die kunnen alleen geopenbaard worden als de mens open is voor de ander. Uit dit woord volgt duidelijk, dat Gods openbaring door mensen doorgaat, want de openbaring is niet bij Jezus afgesloten.

Een pilaar dient de verborgenheden van het hart te openbaren. Denk in dit verband aan de overwinningsbelofte van de gemeente te Filadelfia; God zal hen maken tot pilaren in Zijn tempel!"

Ook in deze toespraak sprak Woodhouse dus over voortzetting van de openbaringen Gods, door apostelen, terwijl anderzijds het inzetten van nieuwe apostelen veroordeeld werd.

Vier dagen daarvoor was hij tijdens een bijeenkomst van de Zeven Gemeen­ten in Londen ziek weggedragen en naar Albury teruggekeerd. Twee jaar later, 9 oktober 1879, overleed Nicolas Armstrong, die allang ziek was, op de leeftijd van 78 jaar.

Ook nu werd de riep naar nieuwe apostelen steeds sterker maar er volgde ook een profetie:

"Jezus heeft zich niet veranderd, ook kan er geen verandering komen in de leiding en ordening van Zijn huis, totdat de laatste van Zijn knech­ten thuisgehaald is." (L. Albrecht).

 

Ruim 21 jaar was Woodhouse als enige Engelse apostel  werkzaam. Juist in die periode werden de grootste aktiviteiten ontwik­keld. Vanaf maart 1897 was Woodhouse zozeer verzwakt dat hij al het werk aan de Co-adjutoren moest overlaten.

Op 3 februari 1901 overlijd de laatste Engelse apostel, Woodhouse, tegen 13.00 uur in Albury. Hij is bijna 96 jaar oud geworden. Het ambt van Apostel heeft hij 66 jaar gedragen, 21 jaar als één der twaalf Engelse apostelen, 24 jaar met een kleiner aantal en 21 jaar als enige apostel.

 

Daarmee werd een punt gezet achter het werk binnen de Katholiek Apostolische Gemeente. Nog gaat de Katholiek Apostolische Gemeente door maar wel voorbijgaand, uitstervende, in het "halfuur stilte" waarvoor gekozen werd.

De stichting van alle Katholiek-Apostolische Gemeenten voltrok zich in de jaren 1833-1901. Na de dood van Woodhouse werd elke aktiviteit naar buiten gestaakt. Er worden geen nieuwe leden meer aangenomen, behalve de nakomelingen van de bestaande leden.

 

Begin 1901 bestonden er over de hele wereld 938 gemeenten.

De eerste gemeente in Engeland, Albury, werd in 1832 gesticht. In 1901 bestonden er in Engeland in het totaal 315 gemeenten. Schotland, eerste gemeente Edinburgh 1834, in 1901 28 gemeenten. Ierland, eerste gemeente Dublin 1835, in 1901 6 gemeenten, Frankrijk, eerste gemeente Landouzy 1836, in 1901 7 gemeenten,

Canada, eerste gemeente Kingston 1836, in 1901 12 gemeenten, Noordduitsland, eerste gemeente Marburg/L. 1848, in 1901 305 gemeenten, Zwitserland, eerste gemeente Bazel 1849, in 1901 41 gemeenten,

Verenigde Staten, eerste gemeente 1850, in 1901 29 gemeenten, België, eerste gemeente Luik 1852 in 1901 3 gemeenten, Zuidduitsland, eerste gemeente Ulm 1856, in 1901 43 gemeenten, Australië, eerste gemeente Melbourne 1856, in 1901 15 gemeenten, Italië, eerste gemeente Florence 1859 in 1901 2 gemeenten, Denemarken, eerste gemeente Kopenhagen 1861, in 1901 59 gemeenten. Nieuw-Zeeland, eerste gemeente Wellington 1865, in 1901 5 gemeenten, Nederland, eerste gemeente Den Haag 1867, in 1901 17 gemeenten,

Rusland, Balkanlanden, Finland en Polen, eerste gemeente, St. Petersburg (Leningrad), in 1901 18 gemeenten, Oostenrijk en Hongarije, eerste gemeente 1872, in 1901 8 gemeenten, Noorwegen, eerste gemeente Kristiania (Oslo), in 1901 10 gemeenten en Zweden, eerste gemeente Stockholm 1878, in 1901 15 gemeenten.

Deze opsomming bevat ook de allerkleinste gemeenten zonder eigen ambten, maar waar periodiek een priesterlijk ambt uit de moedergemeente kwam.

In het gebied met verreweg de meeste gemeenten, Noordduitsland, waren in 1901 ca. 60.000 gemeente-leden.

Het totale aantal gemeente-leden binnen de Katholiek- Apostolische gemeenten was in 1901 ca. 200.000.

 

Ondanks vele missie-reizen konden er geen gemeenten gesticht worden in Spanje en Portugal. De twee gemeenten in Italië (Florence en Rome) hielden dienst in huiskamers.

In het Verre Oosten werd gewerkt in India, Indië en Japan. In India woonden 200 tot 300 Katholiek-Apostolischen verspreid over het hele land, vooral echter in Bombay, Madras en Calcutta. Tot stichting van

gemeenten is het niet gekomen.

In Indië stonden de Katholiek-Apostolischen onder de plaatselijke leiding van een diaken J.H. Jacobs en onder de zorg van de aartsdiaken Abraham Capadose die het land in 1897, 1909 en 1911 bezocht.

In Tokio kon de evangelist C.T. Layton uit Londen in 1899 enige Japan­ners en een Amerikaanse missionaris voor het werk winnen.

  

Drie weken na het overlijden van Woodhouse, zondag 26 februari 1901, werd de eerste dienst gehouden van de Zeven gemeenten te Londen. De eucharistie bleef daarbij achterwege.

 

Voor ging toen Dr. Isaac Capadose, één der twee toen nog levende Co-adjutoren. Wat hij toen zei komt grotendeels overeen met de inhoud van een brief die hij, kort daarna, schreef aan Dr. J.H. Gunning jr.

in Nederland. Enkele passage´s uit deze brief volgen als citaat hieron­der:

 

"Op uw zoo hartelijk deelnemend schrijven van 11/2 volgde dusver alleen een gedrukte dankzegging. Daarbij wil ik het niet laten. Maar heden is de eerste dag (1 april 1901) dat ik relatief rustig op mijn studeerkamer kan zitten. Ge hebt zeker wel gehoord hoe, nog eer onze dierbare Mary begraven was, de 96-jarige Apostel Woodhouse ontsliep. Daardoor ben ik in een reeks van raadsvergadering en conferencies gewikkeld, die eerst j.l. zaterdag eindigden, daar we deze "stille week" (holy week, zeggen de Engelschen) onverdeeld aan de overdenking van hetgeen de geheele Christenheid in deze dagen bezighoudt, wilden wijden.

We  hebben een zwaren winter doorgemaakt. Vier maanden lang een innig geliefd kind, de onzelfzuchtigste van allen, zóó te zien lijden, en op alle gebeden nooit een zichtbaar antwoord te krijgen (behalve dat haar bovenmenschelijk geduld het bewijs van ´s Heeren krachtdadige ondersteu­ning gaf), dat is een vuurproef, zooals ik er nog geen had doorgemaakt.

Het bleek van achtereen de toebereiding tot de zware taak, die op mij zou komen. Geen gietijzer, maar smeedijzer wordt voor ankerkettingen gevor­derd. En in zekeren zin mag ik mij bij een ankerketting vergelijken. Want na het ontslapen des laatsten apostels geldt het voor ons in stil geduld te wachten op wat de Heer nu verder zal doen het geldt weestand te bieden aan den geweldigen stroom van aanstonds maat-

regelen te nemen tot voorziening in de plotseling ontstane leegte ...

Doch nu gebiedt de Heer ons halt, en dikwijls moet ik er aan denken, hoe onze  Heiland, toen de tijding van Johannes des Doopers dood hem gewerd, Zijne discipelen aan een stille plaats voerde en zeide: rust een weinig. - Dat neemt niet weg dat er veel te doen is, om met nauwgezetheid en als gespeende kinderen op elken wenk des Heeren acht gevende, te schiften tusschen wat we na de tijdelijke wegname (van deze aarde) van  ´s Heeren ordening tot bestuur Zijner ééne Kerk, nog mogen, nog moeten doen, - en alles wat nu voor een tijdmoet stilstaan. Voor menigeen, ook zelfs in apostolische gemeenten, is dat ontslapen van Mr. Woodhouse gansch overwachts geweest; maar ik kan oprecht zeggen dat ik sedert jaren verwachtte, ook op grond van veelvuldige profetieën, die er ons op voorbereidden. En nu jubelt mijn gansche hart, niet omdat Mr. W.gestorven is, maar omdat die dood ons een zeker teeken is dat de Heer met de afsluiting dezer bedeeling haast maakt. De arke des verbonds en al het heilige kerkgerade van den tabernakel worden weggenomen en ingehuld opdat Israël voorttrekke naar het beloofde land.

 

De rest van deze brief heeft betrekking op persoonlijke aangelegenheden van het gezin Capadose en laten we hier verder weg.

 

Meteen na de dood van Woodhouse werden, na beraad van de twee Co-adjutoren met de aartsengelen en engelen de volgende maatregelen getroffen:

 

- Geen nieuwe inzettingen meer van Engelen, Priesters en Diakenen,

- Alle dienaren in de gemeenten en in de “Algemene Kerk”  blijven in het  ambt dat zij voor 1901 droegen,

- Het evangelistenwerk (verkondiging en verzamelen van de gelovigen) houdt op. Het werk van de    districtevangelisten en hun medewerkers beperkt zich tot de evangelisatie binnen de bestaande gemeente,

- Er worden geen nieuwe gemeente-leden opgenomen. Ook zij niet die reeds voor de opname stonden,      

- De apostolische handoplegging kan, wegens ontbreken van het apostelambt, niet meer afgedragen worden,    

- De vierwekelijkse bijeenkomst van de Zeven Gemeenten te Londen kan niet meer onder de leiding van een apostel plaatsvinden, de godsdienstige bijeenkomst wordt, op een lagere geestelijke lijn onder leiding van de Co-adjutoren voortgezet. De dagelijkse ochtend- en avonddiensten met bewieroking en "grote voorbedes" vervallen, er zal nu in de gemeenten alleen nog de orde van  de korte morgen- en avonddienst, zonder de "voorbedes" gehouden worden,

- In de eucharistieviering zullen de gebeden voor de levenden en  ontslapenen niet meer in de uitgebreide, maar in de kortere vorm  gehouden worden,  

- Het gezang "ter bewieroking" met het brengen van de wierook in de eucharistieviering vervalt, het reukvat blijft onberoerd,

- De dagelijkse ochtendcommunie, aansluitend op de ochtenddienst,  vervalt,

- De zevenarmige kandelaar wordt niet meer aangestoken. Bij nieuwe kerkgebouwen wordt deze nog wel geinstalleerd, maar niet gebruikt,

- De bijzondere gebeden bij het verwijderen van de afgezonderde gaven uit het tabernakel na de zondagvoormiddagdienst, wordt niet meer uitgesproken, maar nu weer -als voor 1868- in de consistorie gedragen.

 

De beide Co-adjutoren benadrukten verschillende keren dat zij hulpen waren van levende Apostelen en nu niet meer gerechtigd waren om aposto­lische handelingen te voltrekken.

In maart 1906 moest de vergadering van de Zeven Gemeenten in Londen uitgesteld worden. Co-adjutor Heath is plotseling onwel geworden en Capadose was al ziek.

16 April 1914 kan in feite beschouwd worden als de afsluiting van de aktieve periode van de Catholic-Apostolic Church. Op die datum vind de laatste Raadsvergadering plaats onder leiding van de beide Co-adjutoren.

Op 13 oktober 1920, op 86 jarige leeftijd, overleed de oudste Co-adjutor, Isaac Capadose. Al vanaf 1906 kon hij geen altaardienst meer doen omdat hij aan beide benen verlamd was.

Nog bijna negen jaar lang is Co-adjutor Heath de hoogste ambtsdrager binnen de Catholic-Apostolic Church op aarde. Op. 29 augustus 1929 overleed hij.

Toen Ludwig Albrecht op 28 februari 1931 overleed kwam ook een eind aan het ambt van aartsengel in de “Algemene Kerk”. Zonder uitzondering zijn nu ook de laatste ambtsdragers overleden.

 

De laatste engel (gemeente-voorganger) was Carl Schrey, in Siegen in Westfalen. Hij overleed in 1960 op 91-jarige leeftijd. De laatste priester was Wildrief Maynard Dawson in de Londense gemeente Paddington. Hij overleed in februari 1971 op 95 jarige leeftijd.

De laatste diaken was C.W. Leacock in Sydney, Australië. Hij werd weggenomen in juni 1972, eveneens 95 jaar oud.

                             

Met betrekking tot het afsluiten van het katholiek-apostolisch werk naar de buitenwereld hield de co-adjutor Capadose een predikatie waarvan de tekst hieronder staat Deze prediking werd gehouden op 1 juni 1902 te Albury.

 

SLUIT UWE DEUREN TOE.

 

Trek je terug in je kamers, mijn volk, en sluit de deur achter je. Nog een korte tijd, tot de woede bekoeld is..

        

Jesaja, 26:20

 

(In de verdere tekst werd de oude bijbelvertaling aangehouden)

Deze tekst wordt soms op het staan van de 144.000 op de berg Zion betrokken. Het is echter moeilijk om in te zien waarom deze tekst hierop betrekking kan hebben. Want als de 144.000 zich op deze plaats der zekerheid voor de vervolging van de anti-christ bevinden, zal dat zeker niet door eigen verdiensten zijn geschiedt, maar door de daad Gods. Hier echter roept Jesaja het volk op zelf een daad te stellen.

"Ga heen - in uw kamers", merk: uw kamer, een uitdrukking die voor de berg Zions, Gods zelfgekozen woning, totaal ontoereikend lijkt.

Deze moeilijkheid komt nog sterker naar voren als we deze tekst met Psalm 27:5 vergelijken waar David zingt: "Want Hij verschuilt mij in Zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij heimelijk in Zijn tent en verhoogt mij op een steenrots." Dat is nu juist het tegenover gestelde van dat wat Jeremia vraagt "Ga heen, mijn volk, in uw kamers, en sluit de deuren achter u toe."

(vertaling uit de Engelse bijbel, in diverse Nederlandse vertalingen staat het in enkelvoud).

Laten we op het meervoud letten, uw kamers, uw deuren, wat ogenschijn­lijk niet op één goddelijk toevluchtsoord duidt, maar op verschillende menselijke woningen. Iedere familie, iedere gemeente voor zich, net als in de nacht van de Pascha-maaltijd in Egypte toen alle Joodse families in hun eigen huis moest blijven dat met het bloed van het Paaslam getekend was: en niemand ga uit zijn huisdeur tot aan de morgen (Ex. 20:22).

Laten we er verder op letten hoe Jesaja hen de deur laat sluiten, dat is niet een daad van Hem die de sleutel Davids heeft, die opendoet en niemand sluit, die sluit en niemand opendoet, maar hun eigen daad, totaal verschillend van dat wat bij Noach gebeurde waar de Heer zelf alles wat voor de zondvloed gered moest worden, de ark indreef. Verder zegt Jesaja: "verberg u een klein ogenblik". Dat kan moeilijk in

overeenstemming gebracht worden met de hoop van de 144.000 om met het Lam te staan, niet voor een klein ogenblik maar voor altijd. Ook zijn deze 144.000 er verre van zichzelf te verbergen, want zij zullen als heilanden op de berg Zion openbaar komen tot troost en sterking voor hen die achtergebleven zijn.

Zij die zeggen, wij zijn Joden, zullen komen en aan de voeten van Philadelphia erkennen en aanbidden de Heer die hen bemint heeft.

Tussen het begin en het eind van het zesentwintigste hoofdstuk van Jesaja, waaruit ons tekstwoord komt, bestaat een merkwaardige tegenstel­ling.

Aan het begin van het hoofdstuk klinkt het lied: "Wij hebben een vaste stad, muren en schansen maakt hij tot heil" (Jes. 26:1-2). Dit heeft ogenschijnlijk betrekking op een tijd van bevrijding en oprichting.

 

Die zo zingen worden opgeroepen: "Doet de poorten open, opdat het rechtvaardige volk daarbinnen trede", want ieder die deze machtige hulp en liefde Gods heeft ervaren, kan dat niet voor zich behouden maar die nodigt anderen uit om te komen en aan Gods vrij aangeboden genade deel te nemen.

Het verbergen in eigen kamer met toegesloten deuren duidt daarintegen op een tijd van deemoediging van hen die zich voor hun eigen armoede en naaktheid schamen.

Voordat we bekijken welke betekenis deze tekst op ons kan hebben, moeten we eerst proberen te begrijpen wat Jeremia tegen zijn tijdgenoten wilde zeggen. De geest van de profeet was op de heerlijke toekomst gericht, tot het Israël dat onder de koningen geroepen was, zoals een twijg uit de stam Jesse voortgekomen was. Maar hij zag ook de duidelijke gevaren vanuit de omringende heidense volkeren, in het bijzonder van Egypte in het zuiden en Grootsyrië in het noorden die beiden naar de wereldheerschap streef­den.

Toch, ondanks deze dreigingen bleef Jeremia kalm door de hem getoonde openbaringen voor wat betreft het strafgericht van God over deze volke­ren.

Maar de grootste hindernis tot uitvoering van het genadige raadsbesluit Gods was de geestelijke afval van het volk Juda. Daar lag de ware oorzaak voor de beproevingen en tegenslagen waarvan het leven van Jesaja zo vol was.

Eerst leek de regering van Uzzia vol van belofte voor de spoedige oprichting van het rijk Gods dat de profeet in visioenen gezien had en waarnaar hij met al het verlangen van een trouwe Israëliet, naar leefde.

Toen echter Uzzia in al zijn ondernemingen glansijk slaagde, werd hij opgeblazen en verbeelde zich aan het eind van zijn regering zo een lieveling van God te zijn, dat hij zijn macht ook naar de priesterlijke bevoegdheden uitstrekte.

Voor deze zonde werd hij met melaatsheid geslagen. Zijn zoon en opvolger betrad nooit de tempel. Zo zag Jeremia zijn hoop vervliegen en nog meer toen hij zag hoe koning Achaz allerlei soorten van afgoden in Jeruzalem invoerde.

 

Maar de verwachtingen van Jesaja werden onder de regering van Hizkia opnieuw levend omdat deze de tempel reinigde en door een edele gezind­heid probeerde de tien stammen te bekeren, daarmede handelende naar de wille Gods om een eenheid van het twaalfvoudige verbondsvolk. Jesaja was ervan getuige hoe na het gebed van Hiskia de Assyriërs van het belegerde Jeruzalem teruggedreven werden. Echter, nieuwe tegenslagen volgden toen de koning Manasse Jeruzalem met allerlei gruwelen vulde. Tenslotte kwam Jesaja tot de overtuiging dat hij het rijk Gods, waarop hij zolang gehoopt en gewacht had, tijdens zijn leven niet meer zou mogen zien. Het werd hem geopenbaard hoe juist de beloofde Verlosser, de uitverkoren knecht Jehova, veel lijden zou moet doormaken voordat Hij tot de heer­lijkheid zou komen.

In dit opzicht bestaat een overkomst tussen Jesaja en Paulus die beiden in hun latere jaren de hoop moesten opgeven om in dit leven het komen van de Heer te beleven, dat beide tot de overtuiging kwamen, dat de weg tot het rijk Gods door veel leiden voert.

 

Deze verandering in de geestelijke perspectieven geven het laatste deel van de profetiën van Jesaja een geheel ander beeld, zodat vele theologen over twee verschillende schrijvers spreken.

Het hoofdstuk waaruit onze tekst genomen is, werd aan het eind van de eerste periode van Jesaja geschreven. Men ziet daarin weerspiegeld hoe zijn geest tussen hoop en teleurstelling zweeft. Het hoofdstuk wordt met een visioen geopend over de heerlijkheid van Jeruzalem na de nederlaag van hun belagers. Jesaja geeft van zijn innerlijk verlangen uitdrukking: "Van harte begeer ik u des nachts, ook met mijnen geest, in het binnen­ste van mij zoek ik u" (Jes. 26:9).

Maar hij bemerkt ook hoever nog de vervulling van zijn hoop is. Gods verkoren volk had zijn hoge uitverkiezing niet begrepen. "Wij waren ook zwanger en beangst, dat wij nauwelijks ademhaalden, wij konden het niet helpen, en er werden geen bewoners des aardbodems geboren. "(Jes. 26:18).

De dood had hem weggenomen die, evenals Hiskia, van ganser harte de weg tot het rijk Gods trachtte te effenen. Jesaja verwachtte niet langer de bevrijding door iemand, een levende mens. Door een visioen ziet hij de opstandingsmorgen: "Maar uw doden zullen leven, ook mijne lichamen zullen opstaan, waakt op en roemt." (Jes. 26:19). Dan volgt onze tekst, niet als een deel van het visioen, maar als de conclusie die de profeet daaruit trekt.

Hij keert zich van het idealistische standpunt tot de realistische, van het visioen tot de vermaning. Omdat hij niet langer in de toekomst kijkt maar naar de vernederende toestand van Jeruzalem, spreek hij: Ziet toe, mijn volk, inplaats van te speculeren, denk eraan om te vluchten, in plaats van over de heerlijkheid te dromen waarvoor u nog niet klaar bent. Verberg u liever in uw kamers en sluit uwe deuren.

Dat is de directe betekenis die wij op onszelf toepassen mogen. Wij mogen daarover geen vermoedens maken, of onze tekst niet op de volgende fase van Gods werk wijst, of de kinderen Gods geholpen worden om zich voor de aardse verschrikkingen te verbergen, zoals er vrijsteden in de stammen waren.

Wij beperken ons liever tot gebruik van deze bijbeltekst op onze tegen­woordige toestand.

Evenals de verwachtingen van Jesaja waren ook die van ons vergissingen. Degenen, door wie wij tot de voleinding gevoerd wilden worden, zijn door de dood weggenomen, zonder dat wij de grens bereikt hebben.

Eerst hielden wij het alleen voor een beproeving van ons geloof, dat alleen maar een klein ogenblik zou duren. Wij beelden ons in rijpe eerstelingsvruchten te zijn. Wij vroegen voor de erkenning van de Apostelen des Heren zulk een bevoorrechte positie boven de massa der gedoopten, wij rekenden erop dat de Heer ons ieder ogenblik in Zijn persoonlijke tegenwoordigheid boven op de berg Zion zou opnemen en dat het dan voor ieder duidelijk zou zijn dat wij Zijn kinderen zijn aan wie Hij een welgevallen heeft.

De verlenging van ons aardse leven ontnuchterde ons echter van deze, ozne valse zekerheid. Langzaam begon het tot ons door te dringen, dat deze onverwachte daad van God, in de wegname van de laatste levende apostel uit ons midden, een veel diepere betekenis heeft.

In het feestelijke zwijgen begonnen we de stemme Gods te herkennen die tot ons zegt: "Ga uit, mijn volk!"

 

O, het lankmoedige erbarmen en het geduld Gods: wij zijn nog niet verworpen, maar worden nog als Zijn volk aangesproken. "Ga uit, mijn volk, in uw kamers en sluit de deuren achter u, verberg u een klein ogenblik, tot de boosheid voorbij is."

Geef u niet langer als de gezalfden des Heren, maar verberg u liever, beschaamt daarover, dat u verzuimt heeft de daadkracht van deze zalving te openbaren.

Laat niet langer de posaunen klinken om luid te verkondigen hoe de Heer in de wederoprichting van het apostolische en profetische ambt voor u een geopende deur tot het hemelrijk gegeven heeft, maar trek u zwijgend in uw kamers terug en beproef of uw openlijk getuigenis niet vaak met sektarische pralerij vermengd was (Job 31:34).  Doe niet langer uw deur voor de wandelaar open (Job 31:32), maar sluit uw deuren achter u om uw schande te verbergen, opdat de wierook niet langer opstijgt. Komt achter gesloten deuren tezamen in stille doorzoeking van uw eigen harten, of onze vroegere dienst van voorbeden niet vaak een lege ceremonie was. Namen wij werkelijk deel aan de diepe smart van onze Hogepriester over Zijn verdwaald volk?  Was ons hart werkelijk met Zijn zorgende liefde, zoals met gloeiende kolen, vervuld? Die de wierook als een wolk opstijgen liet en tot in het allerheiligste doordrong?

Waren onze gebeden niet vaak alleen een vorm van woorden? Waren onze harten wijd gemaakt, dat ze de ware liefde voor onze broeders bevatte? Na onze hoog geloofde Heilands dood troffen zich Zijn jongeren achter gesloten deuren uit vrees voor de Joden.

Wat konden ze antwoorden als hen iets gevraagd zou worden? Ze waren door smart overmeesterd, niet alleen om het verlies van hun Meester. Zeker niet minder daarom, omdat ze Zijn leiden en doodsangst nog vermeerderd hadden toen ze Hem verlieten en eerst zichzelf in zekerheid brachten.

Zouden niet de Joden spotten: "Als jullie aan Jezus geloven, waarom tonen jullie dan niet je geloof door jullie daden?"

Daarom verkozen ze het om alleen te zijn, om hun schande te verbergen. Voor hen, wiens zielen werkelijk bedroeft zijn en die in het omkijken hun zonden erkennen, hoeft het verbergen niet langer dan een kort ogenblik te duren. Hun zal de opgestane Heer, ondanks de gesloten deuren. verschijnen en Zijn troostrijke vredesgroet brengen. Sluit uw deuren achter u toe. Dat betekend niet alleen maar een zichtba­re afzondering. Dat wijst naar een geestelijke terugtrekking om met God alleen te zijn en het doorschijnende licht van de Heilige Geest toe te laten, opdat de verborgen vlekken die ons doopkleed hebben bezoedeld, blootgelegd kunnen worden.

Sluit de deuren van uw ogen, opdat u niet, bij het ongestoorde doorzoe­ken van uw hart, door uiterlijke dingen wordt. Sluit de deuren van uw oren opdat u niet door de vele stemmen van deze aarde gestoord worde. Vooral, sluit de deur van uw mond, opdat de hoeveelheid van uw eigen woorden u niet hinderen, om Hem te horen die in de stilte, ook in het verborgene, tot u woorden van innerlijke kracht spreken wil. Om u zo op Zijn reinigende woord voor vergeving voor te bereiden.

Door het wegnemen van Zijn laatste apostel heeft de Heer ons in het aangezicht van de dood gebracht. Wij waren tot een eenzijdig bezien van het eeuwige leven geneigd, wij waren geneigd te ferm over verandering en opstanding te spreken, alsof we daarvoor al klaar waren.

 

Maar de Heer brengt ons tot het bewustzijn dat wij naar de opstanding van de doden hebben uit te zien. Er is geen andere weg tot de opstanding dan door de dood. Want zelfs zij die in één ogenblik veranderd zullen worden, moeten eerst door de geestelijke dood hun eigen persoonlijkheid opgeven.

Als wij aan het naderende gericht ontvlieden willen, waardoor alles wat het rijk Gods in de weg staat ter dood gebracht zal worden, dan moeten wij dit laatste halve uur van het geduld van onze God benutten. Onszelf aan God als een geheel en volkomen brandoffer geven. Wij moeten gewillig zijn om ons levensbloed aan de voet van het altaar Gods te brengen.

Wij mogen daarvoor niet terugschrikken om geslacht en in stukken gehakt te worden, waarmee al het vlees in ons verteerd wordt en de Heer tot slot Zijn hartenwens vervuld ziet om voor Zijn Vader een handvol eerstelingsvruchten te brengen Als wij onszelf niet geven, om gebroken te worden, wordt de Heilige Geest geweerd en verhinderd. Een beangstigde geest en een gebroken hart zijn de offers die God bevallen.

Alleen als we willig zijn, geheel onszelf te sterven, helemaal niets te worden, alleen dan kan de kracht van de zalving ruimte vinden om in ons het leven Christi te openbaren.

Alleen dan kan de Heer niets aan ons vinden. Alleen dan kan de Heer ons als heilanden op de berg Zion gebruiken. In deze zeventig jaar heeft de Heer getracht tot heiliging van de oogst, een eerstelingsvrucht te heiligen. Want als de eerstelingsvrucht heilig is, is ook het geheel heilig. Onze hartenstraagheid heeft de heiliging van het hele werk vertraagd.

Daarom spreekt nu tot ons de stem van de Heer: "Ga heen, mijn volk."

Denk in de stilte van uw afgelotenheid na over de woorden. Wie zal op de berg van de Heer gaan? En wie zal staan aan de heilige plaats? Die onschuldige handen en een rein hart heeft. Die zo in de geest en in de waarheid in hun kamers gaan en zich om hun hele onwaardigheid verbergen, maar daarbij uit het diepst van hun hart tot Hem schreien. Bij wie veel vergeving en veel verlossing is, die zullen getroost worden als plotse­ling de stilte door de jubelroep onderbroken zal worden:

"Verhef uwe hoofden ...!"

 

Dat de Koning der ere intrekke! Amen.

 

Na 1901 was de Katholiek-apostolische kerk zonder apostolische leiding. De twee coadjutors, Heath en Capadoe, luidde de eindtijd, althans voor de bestaande kerk in. Dat wil niet zeggen dat alles meteen afgelopen was. Wel werden de diensten ingeperkt, d.w.z. bepaalde handelingen werden niet meer uitgevoerd. Jonge dienaren, die kort voor het overlijden van Woodhouse het ambt hadden ontvangen, leidden de diensten verder. Naarmate de tijd verder schreed, overleden er natuurlijk meerdere dienaren. Getracht werd om internationaal de eenheid te bewaren, maar de internationale binding, het Engelse apostelambt, was weg. Onderstaand volgen enige artikelen n.a.v. de langzame verdwijnen van de Katholiek-Apostolische Gemeente. Weliswaar verdween de kerk, maar niet het gedachtegoed. Ook de “grote” kerkgenootschappen zagen de noodzaak van eenheid in. Zo kwam in Nederland in 2004 de Protestantse Kerk Nederland, voort uit het samenvoegen van  de Hervormde, Protestantse en Lutherse kerkafdelingen.

Weliswaar leidde deze samenvoeging tot enige afsplitsingen, die ook vooralsnog ook inderdaad “splinters” zijn, daarnaast bestaan er nog enige zelfstandige kerkafdelingen, maar de wil om samen te werken, Gods werk ook werkelijk één werk te laten zijn, en niet uit verschillende “werken”, is gegroeid. 

Onderstaand volgen enige stukken met betrekking tot het “afsterven” van de Katholiek-Apostolische gemeente.

 

Onze tegenwoordige toestand.

 

Het kan voor ons goed zijn om heden onze aandacht te richten op de toestand waarin de Heer ons in deze tijd gebracht heeft, en te overdenken wat de Heer wil bewerkstelligen en wat Hij ons als onze onmiddellijke hoop voor ogen stelt.

Door de wegname van de apostelen heeft de Heer ons n deze tegenwoordige proeftijd gebracht. Het is nauwelijks nodig u te herinneren aan het machtige Werk dat de Heer door Zijn dienstknechten, Zijn apostelen verricht heeft, - hoe Hij de Heilige Schrift geopenbaard heeft van het begin van Genesis af tot het einde van de Openbaring toe (waarmee ik niet wil zeggen, dat het Hem behaagd heeft alles te openbaren, maar practisch is de Bijbel voor ons een geopend boek geworden, terwijl hij voor onze broeders om ons heen in de christenheid naar verhouding een gesloten boek is), - hoe het de Heer behaagd heeft Zijn viervoudige bediening van apostelen, profeten, evangelisten en herders te herstellen, - hoe Hij vermocht heeft Zijn viervoudige aanbidding te herstellen door ons te doen zien wat de betekenis  van alle schaduwbeelden die in de Mozaïsche tabernakel daarop betrekking hebben, en ons te geven ons te verblijden in de tegenbeelden daarvan, - en tenslotte het grootste van allemaal: hoe Hij door de handoplegging van Zijn apostelen ons de gave van de Heilige Geest, de Trooster, geschonken heeft.

Welnu, wij zijn door de Heer in een tijd van beproeving gebracht, want alles dat wij opgesomd hebben, is thans weer helemaal teruggenomen. Zo bijvoorbeeld de verzegeling; en verder is er, zoals wij weten, tengevolge van de wegname van de apostelen niet langer die grote handelingen die wij de Voorbidding noemen, omdat er niet langer apostelen zijn om op aarde de Voorbidding samen te vatten, en er daarom in de plaatselijke gemeenten geen Voorbidding in die zin meer kan plaatsvinden; en er vindt geen getuigenis aan de christenheid meer plaats, omdat de volmaakte vorm van aanbidding van de Heer niet langer gezien kan worden. En tenslotte (en misschien zijn wij geneigd dat te vergeten) is er niet meer het apostolische woord van zegening en van vrede, en dat moet grote gevolgen met zich meebrengen.

Het terugtrekken van al die dingen betekent, dat de Heer ons in die tijd gebracht heeft, waarover in hoofd stuk 8 van het Boek de Openbaring gesproken wordt als de tijd van stilzwijgen. Niettemin heeft de Heer door ons in deze tijd van stilzwijgen te brengen, in Zijn raadsbesluit een machtige stap voorwaarts gedaan; want in dat hoofdstuk wordt ons gezegd, dat dat stilzwijgen van omtrent een half uur intrad, toen het Lam het zevende zegel geopend had. Dat halve uur van stilzwijgen vangt pas aan nadat het zevende zegel geopend is; aangezien de Heer ons in die tijd van stilzwijgen gebracht heeft, zijn dus nu alle zeven zegels geopend. En dus is er voor de Heer geen enkele belemmering meer om met Zijn werk verder te gaan tot aan de volle verwezenlijking ervan.

Nu moet de Heer wel een reden gehad hebben om ons in dat halve uur van stilzwijgen te brengen. Het is niet een pas achteraf opgekomen denkbeeld. Hij heeft er een bedoeling mee gehad. De Heer heeft deze tijd van stilzwijgen apart gehouden om daarin iets speciaals tot stand te brengen. Wat is het dan, dat de Heer thans wil bereiken? Zijn bedoeling is, de volgende stap, die Hij op het punt staat te down, voor te bereiden, namelijk de twee scharen gereed te maken, uit de levenden en de ontslapenen, die tezamen de eerstelingen voor God en het Lam zullen vormen.

Dit is dus de tijd van voorbereiding voor de verandering van de levenden en van de opstanding van de ontslapenen, van hen die waardig geacht zullen worden om deel te hebben aan de eerste opstanding. Toen onze Heer op aarde was, zei Hij: “Ik ben de Opstanding en het Leven.” Deze twee termen betekenen niet één het zelfde. Het zijn twee verschillende uitdrukkingen, en zij hebben betrekking op Hem in wat wij mogen noemen twee verschillende functies of bedieningen. “Ik ben de Opstanding, en Ik ben het leven.”

Hij is de Opstanding, omdat het Zijn voornemen is de ontslapenen op te wekken, en Hij is nu bezig om hen gereed.te maken voor die grote gebeurtenis, waarin zij Hem openbaar zullen maken als Degene die de Opstanding is, doordat zij zelf geopenbaard zullen worden in opstanding, leven en kracht in hun hele wezen; in lichaam, ziel en geest. Natuurlijk hebben zij evenals wij in de heilige Doop het wedergeboren leven, het opstandingsleven, reeds ontvangen, maar nog pas als een kiem, en in hun geest. Dat opstandingsleven moet nog geopenbaard worden in hun gehele wezen, niet alleen in hun geest en ziel, maar ook in hun lichaam, De Heer heeft ons bekend gemaakt, dat Hij in deze tijd bezig is Zijn ontslapen heiligen erop voor te bereiden om uit hun graven te voorschijn komen, om Zijn opstandingsleven en macht openbaar te maken, zodat Hij geopenbaard wordt als Degene die de Opstanding is.   

En Hij is ook het leven. Hij arbeidt in deze tegenwoordige tijd om ons voor te bereiden voor de verandering: om de levenden te veranderen, opdat datzelfde opstandingsleven, dat zijn oorsprong in Hem heeft, ook gezien zal worden in degenen die waardig geacht zullen worden om veranderd te worden.

Of het nu de bedoeling van de Heer is, zelf persoonlijk te verschijnen om dit te bewerkstellingen, dan wel of het Hem zal behagen eerst Zijn apostelen te zenden, of dat Hij samen met hen zal komen, - dat heeft het Hem nog te behaagd te openbaren. Maar wat Hij ons voor ogen stelt als onze onmiddellijke hoop, is de openbaring van onsterfelijkheid; en datgene waarvoor Hij ons tracht voor te bereiden, is de verandering.

Of denkt u soms, dat wij geen voorbereiding nodig hebben? Hebt u er ooit over nagedacht, wat het betekent, te staan tegenover mensen die nooit meer pijn of smart zullen lijden, over wie de dood geen macht meer heeft, die volstrekt eeuwig zullen leven? Hebt u zich ooit ingedacht, wat dat betekent? In onze sterfelijke toestand, broeders, kunnen wij dat niet ten volle begrijpen of beseffen. Ongetwijfeld is voorbereiding dus noodzakelijk. En de Heer poogt ons in ons hart en in onze geest op dat machtige werk voor te bereiden door de verborgen werking van Zijn geest in onze geest. De Heer verzekert ons, dat dit het is wat Hij nu bezig is te doen en in ons poogt tot stand te brengen.

Maakt u zich geen zorgen over de vraag, of de middelen die de Heer ter beschikking heeft, wel toereikend of geschikt zijn? Herinnert u dat de Heer, toen Hij op aarde was, en paar broden en enkele vissen man, en dat Zij discipelen toen tot Hem zeiden: “Wat zijn deze onder zo velen?” Maar de Heer wist wat Hij doen zou en Hij wist dat de middelen die Hij zou gebruiken, ruimschoots voldoende zouden zijn, en met die weinige broden en die paar vissen spijzigde Hij de mensen en er werden tot Hem teruggebracht twaalf volle koren, nadat ze verzadigd waren en gegeten hadden! Laten wij er dus in ons hart van verzekerd zijn, dat, welke middelen het de Heer ook goed zal dunken te gebruiken, zij toereikend zullen zijn om te verwezenlijken wat Hij beoogt!

Nu kan het zijn, dat de Heer persoonlijk verschijnt, en dat is in elk geval wat Hij wil dat wij verlangen en waar wij om moeten bidden. Maar het kan zijn, dat Hij niet onmiddellijk persoonlijk verschijnt. En de Heer heeft ons aanduidingen gegeven, dat Hij misschien eerst Zijn apostelen voor Zijn aangezicht zal zenden. En als het de Heer zou behagen eerst Zijn apostelen te zenden in onsterfelijkheid, - als het zo zou zijn, dat wij enigen van onze ontslapen broeders, opgewekt uit de doden, zouden zien, terwijl wij zelf nog in het sterfelijk lichaam zijn, dan zal het niet zo zijn dat de Heer hen tot ons zendt om ijdele nieuwsgierigheid te bevredigen, opdat wij kunnen zien hoe mensen in opstandingslichamen er uitzien – dat staat vast! Hij zal hen niet met lege handen tot ons zenden, maar zij zullen tot ons gezonden worden om Zijn bedoelingen en Zijn wil aan ons over te brengen, om aan ons bekend te maken wat Hij wil dat wij zullen doen en waarop wij ons moeten voorbreiden. Zij zullen als Zijn boodschappers tot ons komen.

En in de tweede plaats is het heel goed mogelijk – want de Heer gaat zachtmoedig en teder met Zijn volk te werk, zoals Hij dat altijd gedaan heeft – en het zou een heel zachtmoedige handelswijze kunnen zijn, en een teder en liefdevol gedrag van Zijn kant, als Hij in plaats van plotseling zelf in al Zijn heerlijkheid te verschijnen, eerst Zijn apostelen zou zenden in de opstandingstoestand, om ons geloof te versterken, om ons op te heffen tot die geestelijke toestand, waarin wij in staat zullen zijn om ons over te geven in die hoogste daad van geloof, waardoor wijzelf in een ogenblik, in een punt des tijds, veranderd zullen worden tot dezelfde toestand als waarin zij reeds verkeren. Want, weest daar zeker van, het zal van onze kant een uiterste daad van geloof vereisen, om ons over te geven in de handen van de Heer, opdat Hij ons zal veranderen van onze huidige toestand van sterfelijkheid tot onsterfelijkheid!

Ook zijn wij niet helemaal zonder voorbeeld of illustratie van de mogelijkheid, dat de Heer Zijn apostelen zal zenden. U zult zich herinneren, dat Mozes destijds de berg Sinaï beklom; maar hij besteeg die berg bij meer dan één gelegenheid; hij beklom de berg tweemaal, bij twee gelegenheden, en hij kwam bij twee gelegenheden weer terug. En zo zou het heel goed ook kunnen gaan met de geestelijke Mozes, de apostelen van de Heer. Tweemaal zijn zij geschonken, en tweemaal zijn zij weer teruggetrokken; maar zij zijn nog niet voor de tweede keer teruggekomen, zij zijn nu op de berg bij God. Zij zijn in het onzichtbare teruggetrokken, en wij zien hen niet, maar wij moeten uitzien naar hun terugkeer, niet in sterfelijke lichamen, maaaar in opstandingslichamen, in eeuwig leven en eeuwige kracht en in de heerlijkheid van God. Wat gebeurde er, toen Mozes voor de tweede keer afdaalde van de berg. “En het geschiedde, toen Mozes van de berg Sinaï afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, toen hij van de berg afging), ook wist Mozes niet, dat het vel van zijn aangezicht glinsterde, toen Hij met hem sprak. Toen nu Aäron en al de kinderen Israëls Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel van zijn aangezicht; daarom vreesden zij tot hem toe te treden. Toen riep Mozes hen; en Aäron en al de oversten in de vergadering keerden weer tot hem; en Mozes sprak tot hen. En daarna traden als de kinderen Israels toe; en hij gebood hun al wat de Heere met hem gesproken had op de berg Sinaï (Exod. 34:29-32).

Hier nu merken wij drie dingen op. In de eerste plaats; Mozes kwam niet met lege handen; maar hij bracht de tafelen der getuigenis met zich mee in zijn hand, en hij gebood aan de kinderen Israëls al wat de Heere tot hem gesproken had op de berg Sinaï. En in de tweede plaats; het vel van zijn aangezicht glinsterde met de heerlijkheid van de Heere. En in de derde plaats: Israël werd bevreesd om dicht bij hem te komen.

Dat was het schaduwbeeld. En zo zal het ook zijn met de geestelijke Mozes. Zij zullen komen en met zich meebrengen de openbaring van de bedoelingen van de Heer aangaande wat Hij wil dat wij zullen doen. Zij zullen ons gebieden al wat de Heere tot hen gesproken heeft op de Berg, en zij zullen komen, niet in sterfelijke lichamen; maar in lichamen der heerlijkheid, - in de heerlijkheid van God in opstandingslichamen.

En wat heeft Paulus gezegd juist over dit schriftgedeelte? Hij zegt: “Indien de bediening des doods, in letters bestaande en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid geweest is, alzo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien vanwege de heerlijkheid zijns aangezichts, die toch te niet gedaan zou worden, hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn? Want indien de bediening der veroordeling heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardiging overvloedig in heerlijkheid. Want ook hetgeen verheerlijkt was, is niet verheerlijkt geweest in dit opzicht, dat deze heerlijkheid het overtrof. Want indien hetgeen te niet gedaan wordt in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft in heerlijkheid” (2 Kor. 3:7-11). En als wij dan bedenken, welke heerlijke hoop de Heer ons voor ogen gesteld heeft, mogen wij dan niet de woorden van de apostel Paulus een beetje veranderen en ze toepasselijk maken op de tegenwoordige omstandigheden, en zeggen: “Indien de bediening des doods, in letters bestaande en in stenen gegrift, in heerlijkheid geweest is, zodat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet sterk konden aanzien vanwege de heerlijkheid van zijn aangezicht, die toch te niet gedaan zou worden, zo dan niet veel meer de bediening van het leven – in tegenstelling tot de dood – zal dan niet de bediening van het leven, het eeuwige leven in levende mensen, overvloedig in heerlijkheid zijn?”

En wat de Heer in ons zoekt te bewerkstelligen, is dat wij niet bevreesd zullen zijn, zoals de Israëlieten destijds bij de terugkomst van Mozes, maar dat wij klaar zullen staan om hen te zien, de apostelen, om hen te ontvangen, - om hen te verwelkomen met blijdschap en verzekerdheid in ons hart; want wat zal dat een bevestiging van ons geloof zijn! En, broeders, als het werk van ded cherubim hervat moet worden, zoals wij dat hebben leren geloven, op aarde, in opstandingslichamen, dan is niet in te zien hoe dat tot stand zou kunnen komen, tenzij eerst de apostelen terugkomen in opstandingsleven. En als dat mysterieuze werk tussen hemel en aarde voortgezet moet worden, zoals wij geloven, dan moeten eerst de apostelen verschijnen, - dat mysterieuze werk, dan beantwoordt aan het werk van onze Heer gedurende de veertig dagen tussen Zijn opstanding uit de doden en Zijn hemelvaart, die tijd, die periode waarin Hij geen bewoner van de aarde meer was, maar een bezoeker uit de hemel, die van tijd tot tijd aan Zijn apostelen verscheen en hun geloof versterkte, hen bevestigde en hen onderwees aangaande het Koninkrijk der hemelen.

Als deze dingen tot stand moeten komen, dan moeten de apostelen terugkomen in het leven en de kracht van de opstanding. Maar dan rijst de praktische vraag (en u moet die aan uzelf stellen): zijn wij erop voorbereid om het getuigenis te geloven; wanneer het ook maar  tot ons zal komen, dat onze broeders, sommigen van hen uit de ontslapenen, op aarde gezien zijn en dat zij met mensen gesproken hebben – zijn wij erop voorbereid om zo’n getuigenis te geloven? Leven wij in de hoop, van dag tot dag, dat wij hen elk ogenblik zullen kunnen zien, ja, hier in dit priesterkoor, en zijn wij erop voorbereid om hen met blijdschap en vreugde te verwelkomen, omdat dat het zegel en de bevestiging van onze hoop zal zijn? Welke aardse hoop, welk aards streven kan ook maar een ogenblik vergeleken worden met zo’n heerlijke hoop als deze?

Welnu, de Heer heeft ons reeds gewaarschuwd, dat de tijd kort is. Hij heeft ons gewaarschuwd, dat het halve uur van stilzwijgen reeds ten einde loopt, en dat Hij op het punt staat de volgende stap voorwaarts te zetten; en Hij zal dat doen, of wij gereed zijn of niet! De Heer wil in Zijn raadsbesluit niet wachten. Hij vergist zich niet, en Hij zal niet naar rechts noch naar links afbuigen, want Zijn raadsbesluit moet rechtuit voorwaarts gaan. En wanneer het ogenblik komt, dat door de Vader vastgesteld is, dan zal de Heer die stap doen. Let wel – wij beweren niet, dat de eerstvolgende stap hetzij de persoonlijke verschijning van de Heer zal zijn, of in plaats daarvan de uitzending van Zijn apostelen; daar doen wij geen uitspraak over. Maar waar de Heer dat wij gereed zijn, is dat wij Hem zullen zien; en Hij kan zelf elk ogenblik verschijnen. En als wij gereed zijn om Hem te zien, dan zullen wij ook gereed zijn om Zijn apostelen te zien, dan zullen wij gereed zijn om met Hem de volgende stap voorwaarts te doen, wat die stap ook moge zijn. Maar het zal een machtige stap voorwaarts zijn! Want de Heer is reeds bezig de deur te sluiten. Laten wij daarom ernstig zoeken en bidden, dat wij bekwaam gemaakt mogen worden om die stap met Hem voorwaarts te doen en om zo met Hem op een hoger plan en op een grotere schaal dat Werk van zegening te verrichten voor Zijn Kerk, voor de hele mensheid en uiteindelijk voor de gehele schepping – dat Werk, dat de Heer voor ons te doen heeft.

Dat zijn de heerlijke dingen die de Heer ons voor ogen stelt. Hij wel, dat elk van ons gereed staat om daaraan deel te nemen en onze taak daarin te vervullen. Daarom roept Hij ons op om nu gereed te zijn!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HOOFDINHOUD van de mededeling van het bestuur aan de gemeenten Groningen en Scheemda, aldaar voorgelezen op 8 october 1989.

 

Geliefde Broeders en Zusters,

 

Het heengaan van uw onderdiaken L. Feiken brengt voor u, de twee noordelijke gemeenten, ingrijpende veranderingen met zich mee. Het houdt in, dat de Heer u opnieuw een stap verder de diepte inleidt. “Een stap verder de diepte in: - want wij weten immers, dat het al lange tijd het kenmerk is van de weg waarlangs de Heer ons leidt, dat die weg in de diepte voert. – Wij geloven dat de Heer in de vorige eeuw apostelen gezonden heeft om een Werk te doen aan Zijn gehele Kerk, om haar op te roepen om zich te bekeren van haar sectarische verdeeldheid en om zich door boete en verootmoediging gereed te maken voor de komst van haar Bruidegom. Wij geloven dat hij op veel plaatsen in de wereld door Zijn apostelen gemeenten opgebouwd heeft als een model van wat de Kerk had kunnen zijn en had moeten zijn; en wij geloven dat, toen in Zijn wijsheid de tijd gekomen was om dit getuigenis te beeindigen, het Zijn wil was om dit model geleidelijk weer af te breken en weg te nemen. In 1901 werd de laatste van de apostelen in de rust des Heren opgenomen, en dat bracht met zich mee dat alle gemeenten in de hele wereld van de ene dag op de andere afstand moesten doen van een groot deel van wat hun geestelijke rijkdom een heerlijkheid was geweest. In de tientallen jaren die volgden, moest stap na stap het aantal diensten verminderd worden doordat de ene dienaar na de andere weggenomen werd. De ouderen onder ons, herinneren zich, hoe nog tot in het jaar 1957 toe in de Nederlandse gemeenten de heilige Eucharistie gevierd kon worden met nog altijd grote heerlijkheid en onvergetelijke schoonheid, maar hoe daaraan een einde kwam door het overlijden van Priester Landsman, Sedertdien zijn wij nog tientallen jaren rijk gezegend geweest door de dienst van onderdiakenen; maar ook hun aantal nam steeds meer af, en dientengevolge moest ook het aantal diensten steeds meer ingekrompen worden.

Dit alles hebben we leren kennen als “de weg in de diepte”. Wij hebben geleerd dat wij geroepen zijn “het Lam te volgen, waar Hij ook heen gaat?, het Lam dat geslacht is. Wij hebben geleerd, onwankelbaar vast te houden aan de hoop, de vaste verwachting van de komst van de Heer zelf, Die beloofd heeft dat Hij persoonlijk een werk tot genezing van Zijn gehele Kerk zal verrichten, groter en machtiger dan het werk dat wij gekend hebben en dat Hij nu afsluit en wegneemt. Wij hebben geleerd te geloven, dat elke stap verder de diepte in een stap voorwaarts is in de ontplooiing van Gods raadsbesluit. Dat geloof, die hoop zijn onze troost en sterkte, nu Hij ons opnieuw zo’n stap verder de diepte in doet gaan.

De twee noordelijke gemeenten zijn nu in een situatie gekomen die veel overeenkomst heeft met de situatie van de twee zuidelijkste gemeenten, Brussel en Chatelet, sinds het heengaan van de laatste onderdiaken in België, onderdiaken Jonckheere, begin vorig jaar. Gezien de verplichtingen van de Nederlandse onderdiakenen tegenover de andere gemeenten was, en is, het hun niet mogelijk vaker dan één keer in de maand daar een namiddagdienst te houden. Daarom heeft het bestuur toen gezocht naar een mogelijkheid om de leden de gelegenheid te geven om vaker dan die ene keer in de maand bijeen te komen, teneinde de onderlinge band en wederzijdse steun en bemoediging in stand te houden, de jongere leden te onderwijzen in de leer van de apostelen en in de verwachting van de Heer, en gezamenlijk hun smekingen en gebeden op te zenden. Dat leidde toen, zoals u destijds op medegedeeld is,  tot het besluit, de lekehelpers in België te verzoeken om op zondagnamiddag beurtelings in Brussel en te Chatelet een bijeenkomst met de leden te beleggen, waarin in het schip van de kerk de Litanie gebeden en een preek of onderwijzing voorgelezen zou worden. In een wat later stadium is in elk van de beide gemeenten nog een gemeentelid aangewezen om bij voorkomende gelegenheid de lekehelpers te assisteren in het voorgaan in de gebedsbijeenkomsten.

Bij het invoeren van deze nieuwigheid werden de leden er met nadruk op gewezen, dat zulke bijeenkomsten niet de plaats kunnen innemen van diensten geleid door onderdiakenen. Zoals het bestuur enkele jaren geleden in een brochure uiteengezet heeft, maken onderdiakenen nog deel uit van ded bediening van een gemeente. Wanneer die laatste rest van bediening ontbreekt en nog slechts leken voorgaan, is er sprake van een gemeentebijeenkomst tot stichting en gebed, waaraan de Heer zeer zeker Zijn zegen wil verbinden, maar die niet meer als een eigenlijke kerkdienst beschouwd kan worden. Daarom is het de vaste overtuiging van alle bestuursleden, dat zulke door lekehelpers en leken geleide bijeenkomsten niet meer op zondagnamiddag gehouden behoren te worden, of zelfs op een weekdag. Op de zondagvoormiddag, zo is de overtuiging van het bestuur, behoren alle gedoopte christenen, indien maar enigszins mogelijk, de Dag des Heren te heiligen door deel te nemen aan een officiële kerkdienst, geleid door een ambtsdrager of lid van de kerkelijke bediening; en wanneer geen onderdiaken aanwezig kan zijn op zondagvoormiddag, dan behoren de leden dus de zegen van de Heer te zoeken in een eredienst in een van de gemeenten van de “Algemene Kerk”. Zo hebben wij het geleerd van onze dienaren; zo hebben ook de onderdiakenen het altijd aan de leden voorgehouden, met name aan de gemeenten waar al vele jaren lang niet meer elke zondag in de voormiddag een dienst gevierd kon worden, dat was ook de overtuiging van de  betrokken Belgische lekehelpers en van vele anderen die spontaan aan het bestuur hun instemming met de betreffende bestuursmededelingen betuigden, zo is het ook de richtlijn die in grote delen van het buitenland in acht genomen wordt.

Het is natuurlijk bekend, dat in veel gemeenten in Duitsland in dit opzicht een andere gedragslijn gevolgd wordt. Men beroept zich daarvoor op een aanwijzing van de engel Schrey. Het is verre van ons, op deze dienaar of op onze Duitse broeders kritiek te willen oefenen. Zeker zal de Heer hem wijsheid gegeven hebben om voor de aan zijn zorg toevertrouwde gemeenten de gedragslijn aan te wijzen die in hun situatie en in hun omstandigheden noodzakelijk of onontkoombaar was. Maar het is goed, te bedenken dat deze in een deel van dat land gevolgde gedragslijn ovr de hele beschouwd, eerder de uitzondering dan regel is. Voor ons geldt dat wij ons natuurlijk moeten houden aan de richtlijn die onze dienaren aan ons gegeven hebben. Hun oogmerk daarbij was, dat wij een krachtig getuigenis zouden afleggen dat Gods werk nooit een eigengerechtige, zich afzonderende secte heeft willen zijn. Door die richtlijn  in gehoorzaamheid te volgen hebben wij altijd duidelijk de zegen van de Heer mogen ervaren.

Zoals reeds gezegd, heeft uw situatie veel overeenkomst met die van Brussel en Chatelet. Het bestuur meent dan ook voor de twee noordelijke gemeenten een soortgelijke regeling te kunnen treffen als voor de twee zuidelijke. Dat wil zeggen: van de drie overgebleven onderdiakenen zullen de twee jongste, Vermeyden en Leenman, ernaar streven om, zo enigszins mogelijk, om beurten eenmaal per maaand naar het Noorden te komen om in een namiddagdienst in Scheemda of  Groningen voor te gaan. Op de overige zondagnamiddagen kunnen er in Scheemda of Groningen gebedsbijeenkomsten gehouden worden zoals in de Belgische gemeenten, geleid door lekehelpers of door de akolyt Kroon. Verder heeft het bestuur ook in Scheemda gezocht naar leden die de akolyt of de lekehelpers van tijd tot tijd kunnen assisteren; met dankbaarheid kan u meegdeeld worden, dat de Broeder Willem Tuin daartoe bereid gevonden is.

Wat de zondagvoormiddagen betreft – het bestuur herhaalt tegenover u wat het ook aan de Belgische gemeenten voorgehouden heeft: het is onze plicht als gedoopte christenen, de zondag, indien maar enigszins mogelijk, te heiligen door in de voormiddag aan een van de officiële erediensten van de Kerk deel te nemen. De bestuursleden beseffen heel goed de practische en principiële moeilijkhheden en bezwaren, die de leden daarbij knnen ondervinden; maar zij zijn eenstemmig van gevoelen, dat zij de gemeenten geen andere weg kunnen wijzen, want dat het de Heer is, Die ons al geruime tijd geleidelijk naar een situatie toeleidt waarin onze blik meer en meer op de Algemene Kerk gericht wordt en waarin wij met haar en met al haar problemen en noden in aanraking gebracht worden, maar waarin wij ook de zegen leren kennen die Hij door haar trouwe dienaren nog steeds uitdeelt. Die zegen zult u ervaren, als u die zoekt op de plaats die Hij u wijst.

Wij weten, dat het Werk van de Heer door apostelen vaak vergeleken is met de zending van Elia. In de jaren van droogte en hongersnood, toen de hemel gesloten was en er geen regen of dauw was op het land, voorzag Gods goedheid in Elia’s onderhoud, in zijn schuilplaats aan de beek Krith. Maar op den duur droogde ook die beek uit; toen gebood God hem zijn eigen land te verlaten en zich in den vreemde op te houden, in Zarfath bij Sidon, waar God een weduwvrouw geboden had hem te onderhouden; en omwille van Elia werd de weduwe gezegend. Daar  wachtte Elia af, totdat Gods tijd gekomen was om de stilte te verbreken, in te grijpen van de hemel, het offer van Elia aan te nemen, en daardoor zijn zending als profeet te bevestigen (1 Kon. 17 en 18). Mogen we daarin er niet een beeld van zien, hoe de Heer de Eliagemeenten in de tijd van stilzwijgen en afwachten en geesstelijke hongersnood eerst in het verborgene zegent en onderhoudt, en tenslotte, wanneer zelfs de waterstroom en Hij geschonken had, uitdroogt, hem uitnodigt om zich naar de weduwvrouw te begeven, om door haat gezegend te worden, en om haar tot een zegen te zijn?

Broeders en Zusters, laten wij niet bedroefd achterom kijken naar wat wij gehad hebben en wat de Heer ons ontnomen heeft, maar in vast geloof onze blijde hoop vasthouden, want Die het beloofd heeft; is getrouw!  En laten wij goedsmoeds zijn, want de weg die de Heer ons doet gaan, is bijna ten einde, en spoedig, zeer spoedig zal Hij zelf komen en de stilte verbreken met het machtige getuigenis van de zeven bazuinen Gods!

 

Mededeling van het bestuur, voorgelezen aan de leden van de gemeente Amersfoort op 14 juli en te Utrecht op 15 juli 1990.

 

Met is met droefheid en verslagenheid, dat wij afgelopen zondag moesten vernemen dat onze hemelse Vader uw onderdiaken, onze lieve broeder Bakker, in Zijn rust had opgenomen. Wij hadden gehoopt dat hij zou mogen blijven totdat de Heer gekomen zou zijn; wij konden ons niet voorstellen hoe de gemeenten het zonder hem zouden moeten stellen; maar de Heer in Zijn wijsheid en liefde oordeelde anders. Met diepe dankbaarheid gedenken wij, hoe God hem na het heengaan van onderdiaken Van Oordt van een ernstige ziekte deed herstellen en hem een verlenging van leven schonk van 18 jaar, waarin hij een instrument van grote zegen mocht zijn voor de gemeente Amersfoort en later ook voor Utrecht. De Heer heeft gegeven – veel gegeven in die 18 jaar -, de Heer heeft genomen; de Naam des Heren zij geloofd!

In de achter ons liggende weken hebben wij al ondervonden, dat het wegvallen van onderdiaken Bakker ingrijpende gevolgen moet hebben voor de beide gemeenten. Er was niet aan te ontkomen, dat het aantal diensten zou verminderen. Het bestuur is bezig een nieuw rooster van diensten op te stellen, dat u binnenkort uitgereikt zal worden. Daarbij zullen de diensten zoveel mogelijk over de twee gemeenten zodanig verdeeld worden, dat u vrijwel elke zondag gelegenheid hebt om aan een dienst in een van beide deel te nemen, soms ’s morgens, soms alleen ’s middags. Wij gaan er daarbij van uit, dat, wanneer er een opvolger van priester Beukes benoemd zal zijn, deze bereid zal zijn de Communiediensten voor onze gemeenten voort te zetten zoals tot dusver. Daarnaast is het de bedoeling, dat, zo de Heer de twee overgebleven onderdiakenen daartoe de kracht geeft, voor de gemeente Utrecht de voormiddagdienst op de derde zondag van de maand gecontinueerd wordt en er bovendien, voor zover mogelijk, elke maand op een of twee zondagen een namiddagdienst wordt gehouden. Voor Amersfoort is er, behalve de maandelijkse Communiedienst, nog maar zelden een dienst in de voormiddag mogelijk; maar namiddagdiensten zullen er, zo de Heer wil, op twee zondagen in de maand gehouden worden, en daarnaast zullen, zo nodig, een keer per maand de lekehelpers op een zondagmiddag in een gebedsbijeenkomst voorgaan zoals die sinds enige weken ook op de woensdagavonden gehouden wordt en zoals de gemeenten in België en in het Noorden die al langere tijd kennen.

Wat betreft de pastorale zorg – de beide onderdiakenen zijn va harte bereid om leden die daaraan behoefte hebben, bij te staan met hun raad, of door met en voor het altaar in gebed te gaan, of door bijvoorbeeld een huisinzegening of een kraamdienst te komen verrichten. Contact kunt u met hen opnemen via lekehelpers Roeleven in Utrecht Boneschanscher in Amersfoort, of vanzelfsprekend desgewenst ook rechtstreeks.

Er zullen onvermijdelijk zondag zijn waarop er voor u geen gelegenheid zal zijn om op de zondagvoormiddag aan een dienst in uw eigen gemeente deel te nemen. Het bestuur heeft al verschillende malen uiteengezet, dat het de vaste overtuiging heeft dat de leden in zo’n geval toch hun plicht tot heiliging van de Dag des Heren behoren te vervullen en Gods zegen behoren te zoeken; dat kunt u dan doen hetzij door naar Den Haag of Rotterdam te gaan, hetzij door deel te nemen aan een kerkdienst geleid door een officiële voorganger van één van de andere kerkgenootschappen. In de afgelopen weken hebben velem van u al ervaren hoezeer de Heer ons een bijzondere zegen wil geven, wanneer wij Hem zoeken en dienen in gemeenschap met onze gelovige en getrouwe broeders in Christus, maar ook hoezeer wij daarbij voor moeilijkheden en ons tot dusver onbekende problemen kunnen komen te staan.

In verband met dat laatste zijn enige vragen aan het bestuur voorgelegd door leden die in de nieuwe situatie dringend behoefte voelden aan raad en richtlijnen. Wij willen trachten die vragen te beantwoorden en in alle ootmoed enige aanwijzingen te geven.

1.Een eerste vraag kan als volgt weergegeven worden;  Reeds sinds tientallen jaren hebben de gemeenten niet meer wekelijks de Communie kunnen ontvangen, maar hoogstens nog maar een keer per maand; moet het dan niet onjuist geacht worden om nu, wanneer wij eucharistie- of avondsmaalvieringen in een ander kerkgenootschap bijwonen, vaker dan die ene keer in de maand aan de Communie deel te nemen?

Ons antwoord op deze vraag is, dat wij dit gevoelen niet delen. Wij denken aan de gemeenten in Engeland, al lang voor de laatste oorlog, die gesloten werden wanneer ze geen priester meer hadden die de eucharistie voor hen kon vieren; door de dienaren, met name door hun co-adjutor Heath, werd de leden op het hart gebonden om zich in alle opzichten te voegen in het leven van de gemeente waarin zij gastvrijheid ontvingen en daar dan ook aan de Communie deel te nemen. (Zie bijvoorbeeld de circulaire van de coadjutor van april 1914, aangehaald in de Herderlijke Onderwijzingen van juni 1957, blz. 294: “De kerkdiensten moeten in het algemeen thans worden geregeld in verhouding tot de krachten van de dienaren en het aantal leden dat aanwezig kan zijn. Het is duidelijk dat in de kleine dochtergemeenten de diensten moeten worden verminderd en in sommige gevallen zelfs geheel moeten ophouden. Wanneer dat laatste geval zich voordoet, dat moet worden zorg gedragen dat de leden op het hart wordt gebonden de plicht om in de Algemene Kerk de erediensten bij te wonen en aldaar de h. Communie te ontvangen”.) en wat voor onze leden in Engeland geoorloofd was, kan niet voor ons ongeoorloofd zijn. Wel is de weg die de gemeenten in ons land gegaan zijn anders dan die van de gemeenten in Engeland; bij ons zijn de diensten zo lang mogelijk voortgezet door diakenen en onderdiaken, maar werd op gezette zondagochtenden, meestal een keer per maand, geen dienst gehouden om de leden de gelegenheid te geven te communiceren in de Anglikaanse of Nederlands-Hervormde kerk, die ons als gasten toegang tot het avondmaal gegeven hadden. In die situatie zou het niet juist geweest zijn als leden de diensten in hun eigen gemeente zouden verzuimd hebben om elders individueel ter Communie te gaan. Maar het is natuurlijk een heel ander geval, wanneer thans door de omstandigheden de eigen gemeente op zondagochtend geen dienst heeft; de leden zijn dan vrij om, wanneer de Heer het op hun weg brengt om zich te voegen bij een gemeente waar elke zondag een eucharistische dienst gevierd wordt, aan heel die dienst deel te nemen met inbegrip van de bekroningen ervan: de heilige Communie.

Wel dienen wij, helaas, in deze boze tijd waakzaam te zijn tegen profonatie van het hoogheilig sacrament en ons dus van deelname te onthouden, wanneer er respectloos mee wordt omgegaan, bijvoorbeeld doordat men het door kleine kinderen of door vrouwen laat uitdelen, of doordat men de dienst begeleidt met amusementsmuziek. Het is wel niet onze taak om wat onze broeders doen te bekritiseren; maar wanneer we voor ogen houden wat de heilige Communie is, namelijk gemeenschap aan het Lichaam en Bloed van Gods Zoon, Die Zijn leven geofferd heeft om ons te verlossen van onze zonden, dan zal de Heilige Geest ons leren te onderscheiden wanneer wij ons, bedroefd, niet verontwaardigd, van deelname dienen te onthouden.

2.Een tweede vraag die ons werd voorgelegd, is, of het ons geoorloofd is deel te nemen aan de Communie in de Rooms-katholieke kerkafdeling, aangezien daar het sacrament bediend wordt “onder een gedaante”, dat wil zeggen dat het brood, maar niet de beker aan de communicanten bediend wordt.

Ons antwoord is, dat wij menen op dit punt de leden voorzichtigheid en terughoudendheid te moeten aanraden.

Voorzichtigheid is geboden, omdat het op grond van officiële regels die nu eenmaal in de Rooms-katholieke kerk gelden, aan hun geestelijken in het algemeen formeel niet is toegestaan dat de Communie uit te reiken aan niet Rooms-katholieken, en dat dienen wij, wanneer we als gasten in de Rooms-katholieke diensten deelnemen, vanzelfsprekend te respecteren. Wel zijn er bijzonder gevallen waarin de geestelijken een uitzondering mogen maken. Maar helaas is het ook zo, dat er tegenwoordig geestelijken zijn die de voor hen geldende regels niet serieus nemen en ze naar eigen goeddunken af of niet toepassen, en zelfs zijn er priesters die in dit en in andere opzichten openlijk ongehoorzaam zijn aan hun bisschoppen en dat is natuurlijk een misstand, waaraan wij niet bewust behoren deel te nemen van de ons door onze dienaren geleerde regels voor de dienst aan de verantwoordelijke geestelijke toegang tot de Communie te vragen, en wanneer hij ons die op grond van de voor hem geldende regels weigert, dienen wij daar begrip voor te hebben.

Terughoudendheid menen wij de leden te moeten aanraden in het deelnemen aan de Communie in de Rooms-katholieke kerk, omdat daar als regel het sacrament onder een gedaante bediend wordt, wat een ernstige verminking ervan betekent. (Zie: Leer en gemeenschap van Apostelen, blz. 149-152)

Juist van de beker heeft de Heer gezegd: “Drinkt allen daaruit!” (Matth. 26:27), en dit duidelijke en uitdrukkelijke gebod maakt krachteloos op grond van menselijke theologische argumenten. Wel is het waar, dat onze dienaren, voorzover wij weten, onze leden nooit uitdrukkelijk verboden of ontraden te hebben om aan een op deze wijze bediende Communie deel te nemen; maar zij hadden daar ook weinig aanleiding toe, aangezien in hun tijd de regels in de Rooms-katholieke kerkafdeling veel strenger waren en veel strenger gehandhaafd werden dan tegenwoordig, zodat het nauwelijks voorgekomen zal zijn dat onze leden in de Rooms-katholieke mis konden communiceren.

Wel kunnen zich heel bijzonder situaties voordoen waarin iemand zich in geweten verplicht kan voelen om ondanks deze bezwaren samen met zijn Rooms-katholieke broeders ter Communie te gaan. Maar dat zijn dan ook uitzonderingsgevallen, die de algemene regels bevestigen.

3.Ten aanzien van deelname aan de Communie in de Oud-katholieke kerk, waarover ons eveneens vragen gesteld zijn, is de situatie iets anders. Wanneer wij daar voor de dienst aan de priester toegang vragen, zal hij die ongetwijfeld verlenen. En het sacrament wordt daar principieel onder beide gedaanten bediend. Wel is het in de Oud-katholieke kerk de gewoonte de wijn aan de communicanten te bedienen door het brood in de beker in te dopen, en dat is een wijze van bedienen van het sacrament waarover onze dienaren duidelijk afwijzende uitspraken hebben gedaan. (de circulaire die de diakenen van New York na het overlijden van de engel van de gemeente tot de leden aldaar richtten, waarin gezegd wordt: “(voortaan) zal er op elke eerste zondag van de maand geen diaconale voormiddagdienst gehouden worden om aan onze leden gelegenheid te geven deel te nemen aan de heilige Communie in die episcopale gemeenten waar het brood niet in de wijn wordt gedoopt”.). Maar vrijwel elke Oud-katholieke priester zal onmiddellijk bereid zijn de beker afzonderlijk, zoals dat behoort, te bedienen aan elk die hem dat voor de dienst vraagt.

4.In antwoord op nog weer andere vragen herinneren wij aan wat wij al meermalen uiteengezet hebben: dat het ons niet geoorloofd is deel te nemen aan een dienst waarin een vrouw voorgaat, in strijd met duidelijke Bijbelse aanwijzingen (bijv. 1 Kor. 14:34). In Nederland komen gelukkig nog geen vrouwelijke priesters voor,

(let wel: het artikel  stamt uit 1990) wel helaas vrouwelijke dominees in sommige protestantse kerkafdelingen. Dat betekent, dat wij in bepaalde gevallen waakzaam moeten zijn en tevoren dienen te informeren wie in de zal voorgaan. Maar komt iemand van ons onverhoopt ondanks zijn voorzorgen in de situatie dat bij het begin van de dienst de voorganger een vrouw blijkt te zijn, dan lijkt het ons in het algemeen niet aan te bevelen om demonstratief op te staan en weg te lopen en daarmee de dienst te storen en de aanwezigen pijn te doen; beter lijkt het ons, dan in stilte te treuren en zich voor God te verootmoedigen om de overtredingen van Zijn Woord die onder ons christenen steeds meer de overhand nemen, en voorbede tot Hem op te zenden voor de dwalenden.

Heel veel komt het tegenwoordig voor dat, ook wanneer de voorganger een man is, een vrouw bijvoorbeeld een Schriftlezing doet of een andere onderschikte taak verricht. Ook dat zijn dingen die niet behoren te geschieden; maar zij komen zo veelvuldig voor, dat het in kleine woonplaatsen heel moeilijk kan blijken te zijn om een kerk te vinden waar zoiets niet gebeurt. Wanneer iemand van ons dan niet de mogelijkheid heeft om naar een grotere plaats te reizen waar hij een ruimere keuze heeft, zal hij een persoonlijke beslissing moeten nemen naar zijn eigen geweten en naar het licht dat de heilige Geest het geeft.

Dit was ons antwoord op enige vragen die aan het bestuur gesteld waren. Mochten er nog verdere vragen bij u leven of zich nieuwe problemen voordoen, ook ten aanzien van uw persoonlijke kerkelijke omstandigheden, schroomt u dan niet ze aan het bestuur voor te leggen, dat zal trachten antwoord of raad te geven.

Broeders en zusters, de Heer heeft met ons een grote stap gedaan – een stap verder de diepte in, - maar wij hebben immers geleerd dat dat altijd een stap voorwaarts betekent! Hij heeft ons in een nieuwe situatie gebracht, waarin Hij ons op de proef stelt in twee opzichten: aan de ene kant of wij allemaal trouw blijven aan alles wat Hij ons geleerd en geschonken heeft, en aan de andere kant of het waarachtig is wat wij met de mond belijden, namelijk dat wij alle broeders liefhebben en weten dat wij geroepen zijn tot dienst aan de ene algemene Kerk. Laten wij tot onze broeders uitgaan, niet om hen te oordelen; laten wij niet breed uitmeten wat wij bij hen als tekortkomingen beschouwen; laten wij ons liever verkwikken aan hun geloof en hun trouw en aan het licht en de zegen die de Heer nog altijd overal in Zijn heilig Huis uitstort. Laat  “Filadelfia” – dat betekent immers: broederliefde – ons wachtwoord zijn. En laten wij daarbij steeds dat woord van de Heer aan de gemeente te Filadelfia voor ogen houden: “Houd wat hij hebt, opdat niemand uw kroon neme!”.

Ja, laten wij vasthouden wat wij hebben: laten wij vasthouden ons geloof, niet alleen het geloof in de Bijbelse grondwaarheden, maar ook het geloof in de waarachtigheid van dat Werk ten behoeve van Zijn verdeelde Kerk, dat Hij aangevangen heeft op de dag die wij vanmorgen gedacht hebben. Laten wij vasthouden onze hoop op de spoedige vervulling van Zijn grote beloften. En laten wij steeds elkaar aanmoedigen om vast te houden de liefde, de broederliefde, zowel op de plaats in de kleinere gemeente waar de Heer ons gesteld heeft, alsook in die grote gemeenten waar wij door onze Doop behoren. “Zie, Ik kom haastig; houdt wat gij hebt, opdat niemand uw kroon nemen!” Amen, ja, kom, Here Jezus!     

     

 

          

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CHRONOLOGIE APOSTOLISCHE WERK 1851-1902

 

Zomer 1851   Meer dan 100 gemeenteleden uit Parijs, Lille, Landouzy en Bertry in Noord-Frankrijk ontvangen de heilige Verzegeling   door Drummond.

 

Sinds 1852   Invoering van de zevenarmige kandelaar. Deze verwijst naar de zevenvoudige volheid van de heilige Geest en de dienst  door het zevenvoudige oudste-ambt (1 engel en 6 oudsten).

 

April 1852   Oprichting van de gemeente Luik in België door King-Church. De R.K. Priester M. Vleughel werd de eerste voorganger. De april 1875 werd de gemeente opgeheven omdat deze te klein geworden was.

 

21 apr. 1852 Heinrich Geyer, onderwijzer, op 25 juli 1850 in Berlijn door Carlyle als priester geordend en als profeet dienend, wordt in Albury door een profetie van Taplin als engel geroepen en op 9 september 1852 geordend.

 

Pinksteren   Verordening van de kandelaren links en recht van het altaar 1852  als symbool voor de in de kerk verordende ambten, in het bijzonder voor het apostel- en profetenambt (Ef. 2:20) door wie de kerk de wil en het licht van de Heer verkondigd worden. Deze zullen branden als tijdens de Heilige Eucharistie de afzondering plaats vind.  De Apostelen verordenen verder het brengen van wierook in de godsdiensten als symbool van het gebed is het algemeen  en de voorbede in het bijzonder.

 

1852  Oprichting van de gemeente Königsberg/Pr. met als Engel  (vanaf 1854) Eduard Schwarz) .Eveneens oprichting van de gemeente Memel in Litouwen dat grotendeel uit voormalige Baptisten bestond, met als  voorganger Heinrich Deventer.

 

20 okt. 1852 Besluit van de apostelen in de Raadsvergadering: iedere apostel heeft het recht, met instemming van de andere  apostelen, gebruik te maken van een gewijdde engel als hulp (Co-adjutor). Afgezien van Böhm (17.7.1859) werd voor  1865 daar geen gebruik van gemaakt.

 

1853   Oprichting van de gemeente Bern als tweede gemeente in Zwitserland. Vanaf 1859 met als engel Johann E.G. Lutz.

 

1 juli 1853  Eerste uitgave van een jaarverslag der Engelse apostelen over hun werk in de stammen. Deze verslagen verschenen tot 1901.

 

24 dec. 1853 De nieuwe Centrale Kerk in Londen op Gordon Square wordt door  Cardale ingewijd. Deze kwam in de plaats van het gehuurde kerklokaal in de Newman-Street.

 

Lente 1854   Oprichting van de gemeente Melbourne als eerste gemeente in Australië. De eerste voorganger was William Wilson. In 1895 werd Melbourne aartsengelstad.

 

19 apr. 1854 Eerste godsdienst, na voorwerk van evangelist Ch. Böhm en medewerking van de Berlijnse Diaken Johann Gottfr. Hochschildt, in de nieuwe gemeente Hamburg, door engel Carl Rothe uit Berlijn. De eerste Verzegelingsdienst in Hamburg was op 27 augustus 1854 door Carlyle, Voorganger werd priester Friedrich Wilhelm Häger uit Berlijn die echter door de politie werd uitgewezen. Nadat het             vergaderverbod minder streng werd toegepast en "stille diensten" gehouden konden worden, kwam op 21

juli 1855  priester C.W.L. Preuss, in de vermomming van meubelmakersgezel, van Berlijn naar Hamburg.

 

26 jan. 1855 De eerste, zijn ambt sinds 1840 niet meer uitoefenende,  Duncan Mackenzie op 70-jarige leeftijd ontslapen.

 

28 jan. 1855 Thomas Carlyle, apostel voor Noordduitsland, na een slopende reis naar Zweden, als tweede apostel op 51-jarige leeftijd ontslapen.

 

21 juni 1855 De apostelen vragen zich af of door hen stappen genomen moeten worden om in de plaats van de beide overleden apostelen anderen te roepen. Zij menen echter dat in de heilige Schrift nergens een volmacht in die richting te vinden is  en besluiten om dat aan de Heer over te laten.

 

3 nov. 1855  Willia Dow, als derde apostel, op 55-jarige leeftijd in Edinburgh overleden en in Albury begraven.

 

20 mei 1858  Eerste van een veertiendaagse profeten-samenkomst in Albury voor de studie en uitleg van verschillende bijbelboeken. De  bijeenkomsten hebben tot 1861 jaarlijks plaats gevonden. Deelnemers waren de 12 profeten Blight, Davidson,  Esterford, Faesch, Geyer, Hester, Jeffery, Petitpierre, Smith, Taylor en Watts. Ook de apostelen waren daarbij aanwezig.

 

17 juli 1859 Ch. J. Th. Böhm, evangelist met de apostel, ontvangt door een profetisch woord gesproken door de Pilaar door profeten Taplin, in Albury de volgende boodschap: "Jezus roept u, apostolische boodschapper. Hij wil u, Co-adjutor, gebruiken  om voor Hem te verzamelen die Hij verzamelen wil."

Korte tijd later word hij de apostelhelper voor Noord-duitsland met Woodhouse. Hij is de eerste die het ambt van Co-adjutor draagt.

 

6 sept. 1859 Spencer Perceval, apostel voor Italië, op 64-jarige leeftijd ontslapen. Hij is de enigste, naast Mackenzie, die  niet in Albury begraven is.

 

20 febr.1860 Henri Drummond, apostel voor Schotland en Zwitserland,  later ook voor Frankrijk en Italië, op 73-jarige leeftijd  te Albury ontslapen.

 

30 mei 1860  Tijdens de Profetenbijeenkomst te Albury spreek de profeet-Engel Geyer, na het voorlezen van Openb. 2:1-5, het volgende: "Verlang naar de Apostel die hun stoelen verlaten hebben. De Heer geeft u twee apostelen op de lege stoelen als onderpand, dat Hij ook de overige stoelen nog bezetten  wil: Charles Böhm en William Caird als apostel!" De volgende dag verklaard apostel dat de Engelse apostelen deze roeping niet zullen aanvaarden.

 

4 mrt. 1861 John Owen Tudor, voorheen redacteur van The Morning  Watch, op 77 jarige leeftijd in Albury ontslapen.  Het Engelse apostolaat bestaat nu nog uit zes personen.

 

10 okt. 1861 Friedrich Wilhelm Schwartz, van beroep kleermaker, in 1848 tot de eerste zeven diakenen van Berlijn behorend, op 25 juli 1850 als priester geordend en dienend als oudste in Berlijn, eind 1858 naar Hamburg verplaatst waar met Pasen 1850 een gemeente ontstaan is, en hier als voorganger dienend, wordt nu na de al op 15 mei 1858 gevolgde roeping door  de profeet Geyer, door apostel Woodhouse in Berlijn tot

engel gewijd. Hij is daardoor nog geen engel voor Hamburg  maar blijft daar leidende oudste.

 

7 apr. 1862  Edward Oliver Taplin, voorheen leraar, Pilaar der profeten en profeet met de apostel voor Engeland, op 62-jarige leeftijd overleden en in Albury begraven.

 

18 okt. 1862 De engel-profeet Geyer, Profeet met de apostel, roept de als oudste in Königberg dienende priester Rososchacki, in  diens woning zonder verdere aanwezigen, tot apostel, als eerste van een nieuwe rij.

Waarover we het niet verder over zullen hebben.

 

23 nov. 1862 De profeet Geyer spreekt in de Berlijnse gemeente op de zondag voor de advent, in de morgendienst, na het lezen van  Spreuken 26:23 en 27:5, in verbinding met 2 Thess. 2:1-3, in een profetisch woord de verwachting uit dat de antichrist nog voor de wegname van de Eerstelingen (Openb. 7:1-8) voor de gemeente openbaar zal komen. De engel Rothe  ziet daarin een tegenstelling met het leerstuk dat de

Eerstelingen nog voor het verschijnen van de antichrist weggenomen zullen worden. Na enige gesprekken hierover volgt de excommunicatie van Geyer en zijn ambtsontheffing  dat hem meegedeeld word via een brief van de apostolische  Herder Thiersch van 31 december 1862.

 

4 jan. 1863  Rudolf Rososchacky word door de voorganger van Hamburg, Fr. W. Schwartz en de Engel-profeet Geyer uit Berlijn, aan de Hamburgse gemeente als apostel voorgesteld en door alle leden, op 5 na, aanvaard.                                 

 

17 jan. 1863 Rososchacky schrijft aan Schwartz, met een kopie aan Geyer en Rothe, dat hij zijn apostelroeping niet meer als van God erkend en dat hij zich weer onder de leiding van  apostel Woodhouse voegt. Zijn ambtsontheffing als priester  (oudste) word per 5 april 1863 ongedaan gemaakt.

 

27 jan. 1863 Oudste Fr. W. Schwartz reist naar Berlijn en spreekt met Rothe en apostel Woodhouse. Tevergeefs echter, Schwartz en  Geyer worden, met de gehele gemeente Hamburg,             geëxcommuniceerd.

 

Sept./Nov. 1863  Apostel Woodhouse bezoekt Noordduitsland en verzegeld 522 gemeenteleden, zegend 34 diakenen, ordend 6 priesters en wijd 5 engelen.

 

Jan. 1864   John Taylor in 1834 tot priester geordend, sinds 1861 profeet met de apostel voor Nederland en Denemarken, ontslaapt op 69-jarige leeftijd.

 

Pinksteren 1864 Uitgave van het gezangboek voor de Engelse gemeente (Hymns for the use of the Churches) met 205 liederen. De Duitse uitgave was al in 1859 verschenen.     

 

5 aug. 1864 Apostel Francis Sitwell op 67 jarige leeftijd in Londen ontslapen en in Albury begraven. Het apostolaat bestaat nu  nog uit 5 personen.

 

12 jan.1865 De als apostolische helpers gekozen engelen (Co-adjutoren) moeten eerst door een profetie geroepen worden, aldus besluit het apostelcollege.    

 

16 sep.1865 King-Church op 84-jarige leeftijd in Albury ontslapen. Zijn werkzaamheid in de hem toegewezen stam Nederland werd door een al in 1854 verschenen boek van Em. Guers: "Irvingisme en mormonisme getoest aan de Schrift", dat ook  tegen het apostolische werk geschreven was, zo bemoeilijkt

dat hij hier nauwelijks tot gesprekken kwam. Anders dan in België waar in 1852 in Luik een gemeente opgericht kon  worden. Het andere deel van zijn stam, Denemarken, werd het land waar naar verhouding van grootte en inwoneraantal, de meeste gemeenten opgericht kon worden: Kopenhagen, Aalborg, Aarhus, Odense en Silkeborg.

 

25 jun.1866 William Hennig Place, jurist van beroep, evangelist met de apostel voor Engeland en pilaar der evangelisten, op 66  jarige leeftijd overleden.

 

19 aug.1866 Oprichting van de gemeente Stuttgart onder priester Dr. Julius Pilgrim.

 

28 feb.1867 Oprichting van de gemeente Den Haag onder de priester en  vanaf 1868 engel Jacobus Johannes Landsman. Dit was het resultaat van de werkzaamheden van de engel-evangelist Max von Pochhammer. In 1882 werd in Den Haag een nieuwe kerk in gebruik genomen. Op 25 februari 1898 werd Den Haag aartsengelstad.

 

6 mrt. 1867  In Mönchengladbach vind de eerste verzegelingsdienst door Woodhouse plaats. Het is de eerste gemeente in  Westduitsland, in 1872 volgde Düsseldorf en op 26 dec. 1876 Keulen.

 

10 mrt. 1867 Dr.Isaac Capadose, 32 jaar, tot Priester geordend en als evangelist werkzaam. Op 1 april 1868 ontving hij in Den Haag door Woodhouse het engelambt. Per 13 maart 1873 is hij districtsevangelist en op 14 september 1873 evangelist met de apostel voor Nederland. Op 27 juni 1875 werd hij Co-adjutor voor Nederland en Denemarken. Hij verhuisd dan naar Albury en wordt Brits staatsburger.

 

3 juli 1868  Verdere romanisering van de eredienst. Na een profetie op 29 maart 1868 begint het gebruik van wijwater. Deze  bevind zich in een bekken bij de kerkingang. Dit moet de heilige Waterdoop en de wedergeboorte symboliseren.

 

6 nov. 1869  Henri Dalton, 64 jaar, te Albury ontslapen. Er  zijn nu nog maar drie Engelse apostelen, Cardale, Armstrong en  Woodhouse.

 

1870   Oprichting van een gemeente in Hannover met als voorganger de priester (vanaf 1875) engel Wilhelm Kenter.

 

Eind 1871    Oprichting van een gemeente in St. Petersburg, later Petrograd, na het werk van evangelist Victor von Dittmann, door Woodhouse Eerste voorganger was C. von Erdberg.

 

Jan. 1872    De Engelse apostelen besluiten dat in alle gemeenten lijsten aangelegd moeten worden van ontslapen dienaren en leden. De namen moeten tijdens de viering van Allerzielen opgelezen worden "opdat de namen in herinnering blijven in de gemeente, bij de Engelen in de hemel, bij de Zoon en Zijn Vader."

 

29 sept.1872 Oprichting van een gemeente in Wenen

 

Hierna gaat de Chronologie vele data vermelden van het ontslapen van dienaren. Deze data zullen we alleen dan vermelden als het betrekking heeft op een Nederlandse dienaar, of één die in Nederland gewerkt heeft, zoals ...)

 

27 mrt. 1875 Langford Rowley Symes, advocaat, sinds 1854 districts-evangelist in Frankrijk, vanaf 1863 apostolische Evangelist voor Frankrijk en Nederland en vanaf 1870 Co-adjutor voor de stam Frankrijk, op 74-jarige leeftijd in Albury  ontslapen, de eerste uit de rij der Co-adjutoren.

 

5 oct.1875   Alle reizen en plaatselijke arbeid in de stammen dragen de nog levende Engelse apostelen over aan de Co-adjutoren.

 

15 apr. 1876 George John Hewitt, eerst evangelist voor Noorwegen en Denemarken, sinds 1865 Co-adjutor voor Nederland, Denemarken en Zweden, op 57-jarige leeftijd in Albury ontslapen.

 

Juni 1877    Oprichting van een gemeente in Oslo (Noorwegen). De geestelijke verzorging voor deze gemeente moet vanuit Denemarken komen.

 

19 juni 1877 Laatste vergadering van de Zeven Gemeenten van Londen onder voorzitterschap van Pilaar-Apostel Cardale.

 

14 juli 1877 Halverwege een eredienst moet Cardale ijlings de kapel verlaten wegens ziekte en op

 

18 juli 1877 ontslaapt de Pilaar der apostelen op bijna 77-jarige leeftijd. Er zijn nu nog twee apostelen van de Kath.-Apostolische beweging in leven.

 

21 jan. 1878 Oprichting van een gemeente in Stockholm, de hoofdgemeente in Zweden.

 

Eind 1878    Oprichting van een gemeente in Frankfurt/M. Hoewel hier al op 17 oktober 1847 een eerste Verzegelingsdienst was gehouden, moest de geestelijke verzorging vanuit Marburg  komen.

 

9 okt. 1879  Nicolas Armstrong, 78 jaar, in Albury ontslapen. Slechts één Engelse apostel, Woodhouse, is nu nog in leven. Hij wordt bijgestaan door 7 Co-adjutoren die allen, behalve  Capadose, voor hem ontsliepen. De pas in 1886 ingezette Co-adjutor Edward Heath, ontsliep in 1929. Het ambt van  Co-adjutor gold slechts zolang de apostel in leven was.  Ontsliep de betreffende apostel en werd de Co-adjutor bij een andere apostel gevoegd, dan moest eerst inzetting plaats vinden.

 

Eind 1879    Een profetie word uitgesproken: "Jezus heeft zich niet veranderd, ook kan er geen verandering in de leiding en ordening van Zijn huis komen, totdat Hij Zijn laatste knecht tot zich genomen heeft."

 

Mei 1880     Max von Pochhammer, sinds 1873 Co-adjutor voor Zuid-Duitsland en Oostenrijk, motor van het Katholiek-apostolische werk in Nederland, wordt dat nu ook voor  Noordduitsland.

 

9 juli 1882  Johann E.G. Lutz op de hoge leeftijd van 81 jaar,  ontslapen.

 

1883   In Melbourne (Australië) word een wereldwijde gebedsgemeenschap voor de Wederkomst van Jezus gesticht. In elk ochtend gebed zal de toevoeging "Come Lord Jesus" opgenomen worden.

 

23 apr. 1887 William Thomas Henry King-Church, zoon van de Apostel King-Church, Co-adjutor in de Centrale Kerk, op 54-jarige leeftijd overleden. Zijn vrouw was Susan Ann, een dochter van  Woodhouse.

 

Juni 1888    De engelen van de Zeven Gemeenten zullen een korte samenvatting schrijven over het Werk des Heren en dat, samen met het “Testimonium” van 1838 aan de deelnemers van de derde Lambeth-conferencie zenden. Dat was een bijeenkomst van de Aartsbisschoppen en Bisschoppen van de Anglicaanse kerk.

De zending gaat vergezeld met de opwekking het werk onder het heropgerichtte apostelambt te erkennen.

 

Juni 1889    In de Raadsvergadering word bericht dat het stuk naar de derde Lambeth-conferencie, met 145 deelnemende Bisschoppen,  is gezonden. Besloten werd om een dergelijk schrijven ook in Noord-             duitsland te verspreiden. Dat vind plaats in september 1889 door de engelen Rothe en Wagener.

 

Vanaf 1891   De viering van de Heilige Eucharistie in Albury en de leiding bij de samenkomsten van de Zeven Gemeenten van  Londen word nu aan de Co-adjutoren overgelaten omdat Woodhouse daartoe lichamelijk niet meer in staat is.

 

1891  Henry Welchman King, oudste zoon van King-Church, oudste in de Centrale Kerk, secretaris van de Concilies van Sion, apostolisch Herder voor India, Polen en  Ierland, overleden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

KATHOLIEK-APOSTOLISCHE LIERATUUR

 

Behm, Johannes: Die Handauflegiung im Urchristentum nach Verwendung, Herfunft und Bedeutu8ng im religionsgeschichtlichen Zusammenhang untersucht. (1911)

 

Adler, Nikolaus: Taufe und Handaauflegung. Ein exegetisch-theologische Untersuchung der Apg. 8,14-17 (1951)

 

Capadose, Isaac: Wedergeboorte en Doop in verband met den eersten en laatsten Adam (1876)

 

Cardale, J.B.: Vorlesungen uber die Liturgie und andere Gottesdiente der Kirche 2. Band 4.

Tl. Die Handauflegung.

 

Elderenbosch, P.A.: De oplegging der hanjden (1953)

 

 

1. Dow, William: Die Taufe des Herrn durch Johannes

 

2. Ueber die heilige Versiegelung. Zwei Vorträge gehalten von einen Evangelisten, 1919     

 

3. Thiersch, H.W.J.: Die Bergpredigt und ihre Bedeutung fuer die Gegenwart, 1878

 

4. Groser, Thomas: Amtaufgaben und Legimation von Aposteln. Drei Vortraegen

 

5. Boehm, Charles: Schatten und Licht in dem Gegenwärtigen Zustaende der Kirche.Neun Abhandlungen über Christliche Wahrheiten für unsere Zeit

Mit einen Vorwort von H.W.J. Thiersch, 3. Aufl. 1878

 

6. Cardale, John Bate: Reading upon Liturgie Vol. I,1 On the eucharistie and daily offices connected therewith

 

7. Mickwitz, Karl von (Hrsg.):Stimmen aus der Kirche über die Wiederkunft des Herrn.Kirkliche Zeugnisse für den Tag des Herrn von Luther, Melanchton und anderen Vaetern und Lehrern der Kirche, Basel 1893

 

8.Dalton, Henry: Leib, Seele und Geist, 1847

 

9. Bramley-Morre, W.: Das Altar des Ahas, oder Die unantastbarkeit des Gottlichen Dienstes der Anbetung, wie er von Gott verordnet ist, repr. 2001

 

10.Davenport, J.S.: Der letzte und grosse Antichrist Predigt in Chicago, 1895

 

11. Boehm, Charles J.T.: Reden mit Zungen und Weissagen. Apostel, Propheten, Evanbgelisten,Hirten und Lehrer. Ein Wort der Ermahnung für aller Kinder Gottes, 1850

 

12. Albrecht, Ludwig: Abhandlungen über die Kirche, besonderes ihre Ämter und Gottesdiensten,  Berlin, 1898

 

13. J. B. Cardale: Die Liturgie und die andere Gottesdienste der Kirche.

Die andere Dienste am Tage der Herrn, Die Untergeordnete Dienste

 

14. Die Glaubenssymbole der Einen Heiligen Katholischen und Apostolische Kirche

 

15. Die Ordnung der Konsekration oder Weihe Eines Engels

 

16. The Catechism

 

17. Naehere Anwesung in Betreff der kirchllichen Gewaender und andere Zeugstruecke, 1880

 

18. Der Katechismus der Katholisch-Apostolischen Gemeinden (KAG)

 

19. To the Patriarchs, Archbishops, Bischops and other in places of chief rule over the Church of Christ througout the earth, and to the emporors, Kings, sovereign princes and chief governers over The nations of the baptized.

 

20. Die Liturgie der christliche Kirche oder darstellung der richtigen Feier des Heiligen Abendmahls mit Vergleich der Abendmahlfeier der Griechischen, der Roemischen, der Anglikalischen und der Lutherische Abteilungen der Kirche. Augburg, 1879

 

21. Cardale, John Bate: Vorlesungen II.1 Der Morgen- und Abenddienst.

 

22. Cardale, John Bate: Vorlesungen II,5 Die Ordination.

            

23. Carlyle, Thomas: Die Geschichte des apostolischen Werkes in kuerzer Uebersicht, 1851

 

24. Carlyle, Thomas: Über das Sakrament der Heiligen Taufe

        

25. Carlyle, Thomas: ::Uber die Sendschreiben an die sieben Gemeinden in der Offenbarung des St.

Johannes, 1855

 

26. Carlyle, Thomas: Das apostolische Amt. Seine urspruengliche Gestallt, sein Verfall und seine Wiederherstellung, Berlin 1850

  

27. Lutz, J.E.G.: Die Bestimmung der Menschheit und der Christliche Kirche insbesondere im Lichte des Evangeliums Christi.

   

28. Naehere Anweisung in betreff der kirchliche Gewaender und anderen Zeugstuecke, mit 5 mustertafeln

 

29. Ueber die Heilige Versiegelung. Zwei Vorträge gehalten von einem Evangelisten, vorzugsweise an die jüngeren Glieder der Gemeinde, 1919

 

30. Cardale, John Bate: A discourse upon the obligation of Tithe delivered in the CAC Gordon Square on Tuersday, October 5, 1858

 

31. Sitwell, Francis: Licht zur Abendzeit,Über den Ratschluss Gottes im Schöpfung und Erlösung und seine allmähliche Entfaltung in und durch die Kirche, 1910 

 

32. The purpose of God in creation and redemption, and the successive steps for manifesting the same in the Church, 1868

   

33. Aarsbo, J.: Lebenslauf und Wirksamkeit der Apostel. Kurze ubersicht

 

34. Ein Wort der Zeugnisse, Ehrerbietig gerichtet an die Erzbischöfe und Bischöfe der Kirche von England

 

35. Beyer, Willy: Die Sieben Gemeinden in London Eine beschreibung der Lonedenr Kirchen, 1930

 

36. Schwarz, ed.:Gottes Werk unter uns (1907)

 

37. Hume, Henry: Das Diakonat. Die Sieben und anderen Diakene. Predigt

 

38. Buschor, Valentin: Der Früh- und Spätregen in Israel. Ein Vorbild der Ausgiessung des Heiligen Geistes auf die Kirche, 1885

 

39. .Valentin, A.: Ueber das Sakrament der Eucharistie und seine feierliche Entfernung vom Altar,1938

 

40. Wagener, C.: Die Beichte, 1894

   

41. Bramley-Moore, W.: Der Mensch, Gottes  Ordnung. Predigt

 

42. .Valentin, A. Das Evangelium im zweiten Buch  Mose. Dezember 1935

 

43. Woodhouse, F.W.: Eine Erzaehlung von Begebenheiten welche die gegenwaerige lage und die Aussichten der gesamtem Kirche Christi betreffen, 1895

 

44. Woodhouse, F.V.: Teaching delivered in the assembly of the Seven Churches in London on the Archangel’s Ministry, 1878

 

45.Woodhouse, F.V.: Ueber die Fortdauer des Apostalats 

 

46.Woodhouse, F.V.: Mitteilungen :uber das Prophetische Amt

 

47. Cardale, J.B.: The Office of morning and evening prayer. Repr. 1933

 

48. Armstrong, N.: Christi Versuchung. Hirtenbrief, 1938

 

49. Lutz, J.E.G : Wahrheit in Sachen der apostolischen Gemeinden. 1840

 

50. Rothe, Carl: Die Schöpfung, Gottes Werk, 1905

 

51. Thiersch, H.W.J.: 96 Thesen. Auf verlangen meines Schwiegervater aufgestellt, 1849

 

52. Woodhouse, F.R.: Eine Belehrung über das Prophetenamt, 1867

 

53. Woodhouse, F.V.: Eine Belehrung über das Apostolische Amt in der heiden-christlischen Kirche

 

54. Woodhouse, F.V.: Eine Belehrung :uber die Stiftshütte. 1887

 

55. Dalton, Henry: What is the Church, 1863

 

56. Bramley-Moore, W.J.: The Church forgotten hope, or thoughts on the translation  of the saints, 1902

 

57. Woodhouse, F.W.: Teaching delivered in the Seven Churches in London, 1878

 

58. Cardale, J.B.: Rightenouss and Holiness Sermon, 1888

 

59. Cardale, J.B.: Christi Jünger mussen trübsal Leiden, 1869

 

60. Drummond, Henry: Abstract principles of revealed religion, 1845

 

61. Tudor, J.O.: Kurze Auslegung der Offenbarung. A brief interpretation of the book of Revelation. 1855

 

62. Tudor, J.O.: Selig ist, der da liest und die da hören. Sechs vorlesungen über die Offenbarung, 1861

 

63. Wigand, Paul: Die Grundwahrheiten unseres Glauben. Vier Predigten

 

64. Wigand, Paul: Das geheimnis der Heiligen Drei-Einigkeit und der Gottheit Jesu. Vortrag, 1897

 

65. Wigand, Paul: Die Auferstehung der Toten. Drei Vorträge

 

66. Cardale, J.B. : Die letzte Briefe von Edward Irving

 

67. Cardale, J.B.: A discourse upon the obligation of tithe, deliverd in the CAC Gordon Square, on

Tuersday, October 5, 1858

 

68. Cardale, J.B.: Die heilige Eucharistie und die Ausspendung der Heiligen Kommunion am

Sonn- und Werktagen, 1908

   

69. Cardale, J.B. : Vorlesungen I,2. Die Handauflegung, 1879

 

70. Cardale, J.B.: Vorlesungen I,3. Schrift und Tradition, 1875

 

71. Cardale, J.B.: Vorlesungen. Die Typen des Gesetzes

 

72. Dow, William: Die Grundlagen der Einheit. 1847

 

73. Dow, William: Wer sind unsere Brüder. 1847

 

74. Dow, William: Der Herr ist Nahe. 1930

 

75. Dow, William: Die Auferstehung. Uebersetzt von Th. Zanger, 1903

 

76. Dow, William: Die Aufgabe der Kirche. Uebersetzt von Th. Zanger, 1903

 

77. Fürchte Dich nicht, Glaube nur. Predigt zum  Anfang des Neuen Jahres

 

78. Der Brandopferaltar. Pastor. Mittlg. 1928/11. Smyrna-Stimmen 1/61

 

79. Rawson, T.E.: Warum es Frauen nicht erlaubt ist in der Gemeinde zu lehren.

 

80. Leitz, Hermann: Gottes Werk, nicht Menschenwerk.  1954

 

81. Morris, Georg: Die heiligen Engel. 1867

 

82.Ehlers, William: Vom Werk des Heiligen Geistes, 

 

83. Rothe, Carl: Ueber die soziale Bedeutung des Christentums, 1890

 

84. Armstrong, Nicolas: Christus in Euch. Fünf predigten

 

85. Armstrong, Nicolas: Christi Versuchung, 1938

 

86. Thonger, James: “Die Siebenzig” Acht Predigten, 1887 in die Gemeinde Leeds

 

87. Four Sermons on Freemasonry. (Vier Predigten ::uber die Freimauerei

 

88. Jennings, Samuel: Sechs Predigten ueber die Prophetische Geschichte der Kirche Christi, 1902

 

89. Heath, Edward: Papers on the gift of prophecy and the duty of Angels with regard to prophetic persons, Albury, 1891

 

90. Thonger, James: Eigt sermons on “the Seventy” Preached at Leeds, 1895

 

91. Cardale, John Bate: Das Bild des Tempels. Betrachtungen am Tage des Allerheiligen.

 

92. Albrecht, Ludwig: Der Islam. 1918

 

93. Albrecht, Ludwig: Der Buddhismus. 1919

 

94. Albrecht, Ludwig: Das apostolische Werk des Ende. Zwei Vortreaege. 1924

 

95. Capadose, Isaac: Wie Simon –Jonahs Sohn- Petrus Wurde.

 

96.Capadose, Isaac: Sei Stille dem Herrn und warte auf  Ihm. Ostern, 1915

 

97. Capadose, Isaac: Johannes, Der Juenger, welchen Jesus liebhatte.

 

98. Rossteucher, E.: :Uber die Berechnung der zu entrichtenden Zehnten, 1863

 

99. Hooper, John: Die Entrueckung, oder, Die Verwandlung der lebenden Heiligen und ihre Erlosung von den gerichten die da kommen auf Erden. 1857

 

100. Michwitz, Karl von: In spater Stunde. Einzelne tone letzter Noahpredigt. 1898

 

101. Thiersch, H.W.J.: Inbegriff der christlichen Lehre. 1886

 

102. Carlyle, Thomas: Die Vorbilder im Dritten Buch Mose (Leviticus) Kap. I-XVL, 1894

 

103. Carlyle, Thomas: Die Kirche in unsere Zeit. Ein Wort an Geistliche und Laien

 

104. Carlyle, Thomas: Einleitung zur Liturgie. 3.Auflage, 1933

 

105. Carlyle, Thomas: Aufschluesse ueber das Buch Levikus (3. Buch Mose) 1889

 

106. Carlyle, Thomas: Ueber die Symbole im Gottesdienst der Kirche. 3. Aufl. 1899

 

107. Carlyle, Thomas: On symbol in Worship, 1853

 

108. Carlyle, Thomas: On the office of the paraclete in the prayers of the Church, 1853

 

109, Carlyle, Thomas: The mosaic tabernacle in its  Arrangement and worship, as the type of the Christian                                 Church, 1901

 

110. Carlyle, Thomas: Der taegliche Gottesdienst nach den Vorbild des Goldenen Altars und seines Dienstes,2. Mose 30, 1888

     

111. Mickwitz, Karl von: Welt- und Kirchengeschichte in der Bibel, Mit besondere Beziehung auf Gegenwart 1904

 

112. Drummond, Henry: Substance of lectures, delevered  in the Churches, 1847

 

113. Drummond, Henry: Remarks of the Ministry of  Instruction in the Church, 1854

 

114. Andrews, W.W.: The History and claims of the Body of Christians know as the Catholic Apostolic Church 1886

 

115. Becker, F.W.: Die Herrlichkeit des letzten Hauses

 

116. Heath, Edward: Ueber die Gabe der Weissagung und  uber die Aufgabe der Engel in Bezug auf prophetisch begabte Personen, 1891

 

117. Geering, Emil (Coadjutor m.d. Apostel) Waechter: eine Betrachtung

 

118. Boehm, C.J.T.: Light and Shadows in the present Conditon of the Church, 1902

 

119. Taplin, E.O.: Die geistlichen Zyklen und die Zehn Jungfrauen, 1854

 

120. Taplin, E.O.: Gog und Magog. Aus eine Belehrung in der Versammlung der sieben Gemeinden, London, 1855

       

121. idem, in het Duits

             

122. Taplin, E.O.: Neun Vorlesungen ueber  “Geistliche Gaben”, 1833

 

123. Taplin, E.O.: The study of the Holy Sciptures, 1851

 

124. Taplin, E.O.: Nine lectures on “Spirital Gifts”

 

 

Geplaatst op: 12-04-2012  Alle plaatsings rechten zijn overgedragen aan: Bauke Moesker / apostolischekritiek.nl. Met voorbehoud van alle rechten en weren