- 1
Vredekoning, vol genade,
Gij biedt ons een rijk onthaal,
nu G'ons heden weder nodigt:
"Komt, aan 't Heilig Avondmaal."
Dankbaar willen wij genieten
van de dis, door U bereid,
't harte vindt daarin verkwikking,
en de ziel haar zaligheid. (bis)
2
Vrede, zegen, heil, erbarming,
liefde, goedheid, vriend'lijkheid,
daarmee spijzigt G'onze ziele,
en bereidt G'ons zaligheid.
Innig dankbaar voor die gaven,
roemen wij Uw liefdedaân,
en verhogen in ons loflied
Heer, Uw onvolprezen Naam. (bis)
Bron: Lied 186, gezangboek H.A.G.E.A. (1953)
@all
Velen zullen dit lied nog wel kennen. Zoals tal van andere liederen belandde ook dit lied min of meer argeloos in een donker archief. Dat is ooit gebeurd omdat de door stamapostel Ernst Streckeisen aangereikte suggestie van de hand werd gewezen, namelijk om in het vanuit het Duits te vertalen nieuwe gezangboek een supplement op te nemen met een aantal mooie vertrouwde liederen uit de oude Nederlandse gemeentebundel. Districtsapostel Pos antwoordde met een wedervraag: waren wij niet oprecht dankbaar met een nieuw gezangboek met maar liefst 652 liederen? Ja apostel, nee apostel. Alleen al dat er een vraag bij je opkwam die mogelijk blijk gaf van ondankbaarheid, plaatste je in een verdachtenhoek.
Telkens bij zulke confrontaties en antwoorden, werd er, zo voelde dit althans voor mij aan, naar mij uitgehaald of eigenlijk: op mijn ziel getrapt. Daar hoorde je je in het nieuw-apostolische werk gods snel bij neer te leggen want ongenoegen of ontevredenheid misstaat je als kind van god. Zo werden klein en groot geacht tegen geesten uit de afgrond alvast gepokt en gemazeld te zijn. Vandaar nu geen (af)god met een hoofdletter. Aldus regeerde de angst want legden wij ons niet
in stilheid en vertrouwen overal bij neer, was
onze vormingstijd op aarde voor niets geweest. Maak er in dit geval maar misvormingstijd van, heb ik daardoor wel eens gedacht. De nieuw-apostolische heilige geest werkt enkel via anderen.
Maar wij werden ontvoerd,
mishandeld; gekidnapt onder het mom van geloofsgehoorzaamheid:
"Aufschauen nach oben, zum Segensträger hin!" Ondertussen werd er op ons neergekeken. Wij werden geminacht. Alles draaide om de hoogsten in rang. Voor anderen gold: slikken of stikken. Wij moesten ons laten "voor- en toebereiden". Graag of niet. Met het grootste gemak wordt elk ambt ontbonden of iemand uitgeschreven. De communicatie met "Führungsverantwortliche" resulteerde in eenrichtingverkeer. De "zegenaars" dragen geen zegen met zich mee en zegenen niet. Hierdoor waren wij alsmaar meer hooguit stiefmoederlijk bedeeld. Offergaven belandden bij marketinglieden. Die wisten er wel raad mee.
Niet een vijandelijk leger wordt dan verstrooid maar stilaan
"neeg'nennegentig" van de 100 schapen (vgl. hierbij ook lied 197; NAK-koorboek).
De gevolgen van manipulatie en intimidatie, psychische onderdrukking en emotionele verwaarlozing blijven niet uit. Tóch waren wij voorbereid:
- Ik kom spoedig. Houd vast aan wat u hebt, dan zal niemand u de lauwerkrans kunnen afnemen.
Uit: Openbaring 3: 11 (NBV21)
- 1
De rotsgrond "Geloof en Vertrouwen",
die d’ invloed der tijden weerstaat,
zij u ’t fundament om te bouwen
een woning, die nimmer vergaat.
Al mogen dan stormen en golven
het beuken met hevig gedruis,
de kracht van de branding zal breken
op die rotsvaste grond van uw huis.
2
Geen schrik zal uw harte bevangen,
noch vrees voor de komende vloed,
als sterk in u staat de erkenning:
mijn God m’ in gevaren behoedt.
Bouw niet op het zand van miskennen,
het zou u berouwen, o kind!
Staat gij op de "rots van erkennen",
ondermijnt u geen zee en geen wind.
Bron: Lied 60, gezangboek H.A.G.E.A. (1953)
Kortom, ik wíl helemaal niet ondankbaar zijn, maar voor mij zijn de 275 liederen uit die vermaledijde oude gemeentebundel nog wel toereikend.
Groet,
TjerkB