APOSTOLISCHEOBSERVER.NL

Akte van stamapostel Peter Kuhlen.2
VOOR NIEUWS EN HISTORISCHE ACHTERGRONDEN.                      

<>Index<>Navigatie pagina><Contact<> Disclaimer <> Archief<> An.reageren.<> Boeken <>forum

STAMAPOSTEL/STAMAPOSTELHELPER PETER KUHLEN.


P. KuhlenPeter Kuhlen
 

Gedurende de daarop volgende tijd heb ik alles gedaan dat in mijn vermogen lag om de stamapostel te ondersteunen en hem vreugde te bereiden. Ik had met hem ook steeds een goede verhouding, moest echter helaas in de tijd, dat ik stamapostelhelper was, steeds meer merken, dat er tegen mij krachten aan het werk waren, die het er helemaal niet mee eens waren dat ik in de toekomst de leiding van het Werk zou overnemen. Deze mensen wisten heel goed, dat ik veel dingen, die onder de dekmantel van het heilige ideaal van ons geloof plaats vonden, niet meer zou dulden wanneer ik eens de leiding van het Werk zou overnemen.
Als de een of andere apostel mij mededeling deed over allerlei verwerpelijke zaken, die met misbruik van de hoge achting voor de stamapostel en rekening met hem houdend, plaats vonden heb ik gewaarschuwd, geduldig te zijn tot de oplossing van die zaken vanzelf zou komen als de stamapostel zou overlijden. Wanneer – dat was mijn argument – tijdens het leven van de stamapostel deze zaken te berde zouden worden gebracht, zou de  verhouding worden verslechterd en toch geen goede oplossing worden gevonden. En ik wilde verzekerd zijn van een grondige herziening van de handelingen, die een vermenselijking van onze zaak en een langzaam wegvloeien van ons ideaal ten gevolge zouden hebben. De invloed door bemoeienis van niet gerechtigde mensen konden wij volgens mij slechts werkelijk tegengaan als er geen rekening uit piëteit met de stamapostel meer behoefde te worden gehouden (dus na zijn eventuele dood.)
In de loop van de tijd werd het mij steeds duidelijker, dat zekere lieden er zeer listig op uit waren, de handeling waarmede ik tot opvolger van de stamapostel was uitgekozen, teniet te doen. In de tijdschriften “Wächterstimme”, “Amtsblad” en “Unsere Familie”  werd steeds de mening duidelijker, dat de apostelen en het apostelcollege niets anders zouden zijn dan willoze werktuigen in de hand van de stamapostel.Voor het Volk Gods werd niet meer, zoals vroeger, gepredikt dat zij op hun apostel moesten vertrouwen, maar zij moesten op hun apostel letten, of hij wel ook alle dingen geloofde, lief had, hoopte en leerde zoals de stamapostel. Zo niet, dan behoefden zij hem niet meer te volgen. Aldus kwam het zo ver, dat in enige aposteldistricten groepen ontstonden, die zichzelf “stamaposteltrouw”noemden en er hun boodschap in zagen, hun eigen apostel te bekritiseren. En elke keer dat de desbetreffende apostel niet geheel volgens hun wens handelde verscholen zij zich bij hun tegenstand tegen de apostel achter de bewering, dat zij hem niet behoefden te volgen wanneer zij merkten, dat de apostel het niet met de stamapostel eens was. Apostel Schall zond mij het bericht, dat ook in zijn district een priester openlijk had verkondigd, dat de ervaring had geleerd, dat ook een apostel afvallig kon zijn en dat men dus uitsluitend de stamapostel moest volgen.

In het Saarland heb ik de broeders, die daar in het bijzonder in opstand kwamen tegen de Zwitserse apostelen, gezegd, dat iedereen het recht had, zich met bezwaren over een apostel tot de stamapostel te wenden, maar dat nooit leden van een gemeente of  iemand, die een lagere rang had dan de apostel, uit zichzelf een  apostel kon afwijzen. Men kan toch het werk niet van beneden naar boven hervormen, maar moet het van boven naar beneden op orde houden; anders wordt het een chaos.

Al lange tijd werd in de nieuw-apostolische tijdschriften een absolute regering door de stamapostel alleen onderwezen en dat slechts hij - als het hoofd -  de juiste leer verkondigde.Telkens meer werd geheel duidelijk gemaakt, dat de apostelen in het werk van God niets hadden te besluiten, maar dat dit uitsluitend de zaak van de stamapostel was. Daardoor hoopte men het doel te bereiken, erop attent te maken, dat de afzondering van stamapostelhelper Kuhlen door een besluit van de apostelen was veroorzaakt en dus niet zou kunnen worden erkend.

In het artikel “Einssein - Vollkommenheit” in nr. 18 van het “Ambtsblad” uit het jaar 1950 stond letterlijk: “ Een aantal mensen kan door een meerderheidsbesluit een mening te berde brengen zonder het geheel eens te zijn. De apostelen des Heren willen het echter met de hen door God gegeven stamapostel eens zijn, zoals de Zoon met de Vader één was en één is.
Voor hen bestaat geen meerderheidsbesluit, geen verkiezing en geen stemmenverhouding. Besluiten, die op deze wijze waren genomen, zouden voor de kracht van het geloof geen bestendigheid hebben en zouden door alle gelovigen en getrouwen moeten worden verworpen.” Dit artikel is volgens de gehele manier van schrijven afkomstig uit de pen van een man, die graag wilde dat ik uit mijn ambt verwijderd zou worden. Ik moet hierbij opmerken, dat ik ondanks mijn plaats als eerste medewerker van de stamapostel geen enkele invloed had op de nieuw-apostolische pers.

Bovendien werd zowel in het Saarland als ook in het aposteldistrict Frankfurt (in het bijzonder in het district Wiesbaden) de fluistercampagne van mond tot mond doorgegeven, dat de keuze van de apostel Kuhlen als opvolger van de stamapostel menselijk zou zijn geweest. In het district Saarland vertelden mij de districtsoudsten en districtsevangelisten en ook een naaste familielid van apostel Rockenfelder – de evangelist Steffen – dat ik nimmer stamapostelhelper zou zijn geworden als toen ter tijd apostel Rockenfelder al in de kring van apostelen zou zijn geweest. Ook werd daar heel open gezegd, dat – als het zou zijn gelukt, de apostel E. Güttinger op zij te schuiven – de volgende stap tegen Kuhlen zou gaan. Diegenen, die tegen apostel Güttinger opponeerden, hadden zich namelijk onvoorzichtig ettelijke keren als volgt geuit:”Eerst is Güttinger aan de beurt en dan Kuhlen.”

In januari 1950 was ik in Nederland. Bij die gelegenheid vertelde apostel Kamphuis mij over zijn eerste bezoek in Frankfurt am Main in 1949. Toen was hij met helper Schlapphoff  ook in de woning van districtsevangelist Friedrich Bischoff en hoorde onder andere F.Bischoff tegen de stamapostelhelper Schlaphoff zeggen: ”Die Güttinger moeten wij eruit gooien, die moet eruit uit de apostelkring. De districtsevangelist had zeker aangenomen, dat de Nederlandse apostel Kamphuis deze in het Duits gesproken woorden niet had verstaan. Maar apostel Kamphuis had het maar al te goed verstaan en was hoogst ontsteld over een dergelijke taal.

Tegen apostel E. Güttinger begon dan ook met de grootste hevigheid een storm die als doel had, de oprechte man eruit te gooien. En telkens weer ben ik beschermend voor apostel E. Güttinger opgekomen en steeds weer heb ik tussen hem en de stamapostel bemiddeld en alles gedaan om een breuk te voorkomen, die voor het werk Gods verschrikkelijke gevolgen zou hebben gehad. Mijn  verdediging van apostel E. Güttinger is mij weliswaar zeer kwalijk genomen; ik moest toch in tegendeel helpen, die man op non actief te stellen, die met zijn  open en de waarheid minnende aard als lastig werd ervaren.

Toen kwam in de lente van 1950 het probleem van de ambtsrust der apostelen die ouder dan 65 jaar waren aan de orde. En toen de stamapostel schreef, dat de apostelen Hartmann, E. Güttinger, Schneider, Buchner en Ludwig al boven die leeftijd waren en dus ambtsrust verleend moest worden, verzocht apostel E. Güttinger, de leeftijd voor ambtsrust voor apostelen tot 70 of 72 jaar te verhogen. Dan moest echter ook de stamapostel aan die voorwaarde voldoen omdat ook hij – zoals ieder mens - ouderdomsverschijnselen zou kunnen krijgen. Dit verzoek van apostel E. Güttinger werd door de stamapostel met verschrikkelijke ergernis bejegend en er werd toen alleen nog maar gezegd, dat apostel E. Güttinger de stamapostel kwijt wilde.

Tijdens de apostelvergadering in Berlijn op 8 mei1950 zei tot verbijstering van alle aanwezigen de stamapostel, dat hij een brief had ontvangen met het bericht van de apostelen, dat zij hem ter gelegenheid van zijn binnenkort komende 80ste verjaardag in de rust wilden zetten. Ik zei toen tegen hem, dat daarvan onder de apostelen nooit sprake was geweest en dit met de gang van zaken niet overeenkomstig was. Dat zeiden ook de andere apostelen. De stamapostel was echter van mening, dat daarover toch wel gesproken zou zijn en hij ons dat daarom wilde vertellen. Ik heb toen gevraagd: “Wie heeft dan een zo leugenachtige brief geschreven?” Daarop antwoordde de stamapostel, dat die brief anoniem was geweest. Alle apostelen gaven daarop blijk van hun verontwaardiging over een dergelijke manier van doen. Ik vroeg toen, of die brief er nog was en de stamapostel antwoordde, dat hij hem in de prullenmand had gegooid. Ikzelf had in dit geval het gevoel dat diegenen, die er belang bij hadden dat de stamapostel tot zijn dood in het ambt zou blijven en ík tot dan van mijn ambt zou moeten worden ontheven, deze anonieme brief aan de stamapostel hadden geschreven. Die mensen kenden toch de angst van de stamapostel en hebben hem daarmee willen suggereren, wat voor kwalijke apostelen hem omgaven. Of wel: zulk een brief is nimmer bij de stamapostel aangekomen en het ging bij de mededeling over deze zaak door de stamapostel alleen maar om “iets aanhangig maken” om te weten te komen, of er toch niet iets liep om de stamapostel in de rust te krijgen. 

Toen daarna de apostelen met de stamapostel in Nederland waren vertelde de stamapostel in de hotelkamer in Eindhoven aan de apostelen E. en O. Güttinger en R. Schneider op 18-6-1950 dat de Heer hem had geopenbaard dat hij niet meer zou sterven en er dus voor hem geen aanleiding was om af te treden, vooral omdat hij toch veel gezonder was dan Kuhlen enz. enz. Daarenboven was de vrees dat de apostelen de stamapostel wilden uitrangeren geheel ongegrond, want daarover had ík in ieder geval in mijn tijd als stamapostelhelper nooit gesproken.

Sindsdien werd dan meer en meer de leer verkondigd, dat de stamapostel de wederkomst van Christus zou beleven en het werk zou voleindigen en dat hij dus ook de laatste stamapostel zou zijn.

Van verschillende kanten werd mij dan af en toe de mededeling gedaan dat de stamapostel had gezegd, dat hij een openbaring van God had gekregen volgens welke hij niet meer zou sterven en het Werk tot voleinding zou brengen. In de kring van apostelen heeft de stamapostel deze mededeling tot het tijdstip van mijn terugtreding als stamapostelhelper niet in het openbaar gedaan.

Steeds duidelijker werd het dan, dat men probeerde, mij terzijde te stellen. Ik heb, bijvoorbeeld, op 29.08.1950 meteen na het mij door opziener Steidlinger medegedeelde overlijden van apostel Hartmann naar Frankfurt gebeld, dat ik graag naar de in Bad Orb om gezondheidsredenen vertoevende stamapostel wilde komen om met hem over de begrafenis van apostel Hartmann te praten, omdat de stamapostel de rouwplechtigheid waarschijnlijk niet zou leiden. Dat werd mij aan de telefoon door de districtsoudste F. Bischoff beleefd maar heel beslist geweigerd. Ik zei, dat ik met mijn auto gemakkelijk binnen drie uren in Frankfurt kon zijn en van daar naar het dichtbij gelegen Bad Orb kon rijden; ik dacht, dat dit wel nodig was enz. Maar de districtsoudste zei tegen mij, dat dit een geheel onnodige reis zou zijn, die ik mij kon besparen. Híj zou dadelijk naar Bad Orb naar vader rijden en mij dan het nodige berichten.

Van de districtoudste Weine hoorde ik per telefoon dat hij de districtsoudste F. Bischoff de mededeling had gedaan dat apostel Hartmann was overleden en dat dan wel de stamapostelhelper Kuhlen de begrafenis zou moeten leiden. De districtsoudste Bischoff antwoordde hem daarop, dat apostel Schall dat toch zou kunnen doen en ik die reis niet behoefte te maken. Toen dan de zoon van de stamapostel met apostel Rockenfelder naar Bad Orb was gereisd, ontving ik van apostel Rockenfelder de schriftelijke mededeling, dat apostel Hartmann tijdens zijn leven de wens had geuit dat apostel Schall zijn begrafenis zou leiden. Zoals later door vragen aan opziener Steidlinger (de schoonzoon van apostel Hartmann) bleek, was daarvan bij de familie van apostel Hartmann niets bekend.

Tijdens de op de dag van de bijzetting van apostel Hartmann van te voren gehouden apostel – bijeenkomst kwam ook ter sprake, dat de stamapostel in een kortelings aan de apostelen geschreven brief de verhouding van de stamapostel met de apostelen en de apostelen met de stamapostelhelper had overlegd. In dit schrijven was duidelijk vastgelegd, dat welk verkeer per brief dan ook – behalve in particuliere zaken – tussen de apostelen en mij niet in orde zou zijn. Ik heb dan in die bijeenkomst duidelijk gemaakt, dat ik nog nooit een briefwisseling over zaken die het Werk Gods betroffen met een van de apostelen had gehad, tenzij ik daarvoor van de stamapostel opdracht had gekregen of hem een afschrift van mijn desbetreffende brieven had gezonden. Ik vroeg de apostelen te vragen of er de een of andere brief van mij bestond waarin ik over zaken van het Werk Gods of van een ander aposteldistrict met iemand had gecorrespondeerd, maar daarvoor heeft zich niemand gemeld omdat ik geen briefwisseling met de apostelen heb gehad over zaken, die van de stamapostel waren, tenzij hij daarvan had geweten, mij opdracht had gegeven of een afschrift had gekregen. Maar toen werd er gezegd, dat het niet zo gemeend was. In werkelijkheid had men de stamapostel wantrouwend tegen mij gemaakt en hem ertoe gebracht, elk contact van de apostelen met mij zo mogelijk te voorkomen.

Daarna volgde mijn tweede reis naar het Saarland, samen met apostel Otto Güttinger, tijdens  welke ik alles, dan ook werkelijk álles heb gedaan om een verzoening van de broeders tot stand te brengen. Ik ging er ook van uit, niemand te verliezen, maar te helpen. Niemand heb ik iets verweten, daarentegen ook niemand, die anderzijds was aangeklaagd, laten vallen,  maar tot alzijdige vergeving aangemaand. Ikzelf had weliswaar niet diegenen verdoemd, die bepaalde mensen beslist wilden verwijderen. En dat is míj dan weer kwalijk genomen. Ik ga nog steeds ervan uit, dat wij moeten helpen en niet veroordelen, vooral omdat het in het Saarland meer dan duidelijk was, wie wel het meest mis was geweest. Daarover zou men een apart hoofdstuk kunnen schrijven.

Het moet sinds maanden zijn opgevallen, dat in het tijdschrift “Unsere Familie” bij de berichten over diensten, die de stamapostel had gehouden en waarbij ik mee had gediend, mijn meedienen slechts voor een heel klein gedeelte of met een algemene zin of helemaal niet ter sprake kwamen. Het was tot nu altijd zo geweest, dat ergens, waar de stamapostel een dienst had gehouden en een van de apostelen had mee gediend, in het bericht daarover in “Unsere Familie” tenminste ook iets over het meedienen van de mede dienst doende apostel werd bericht. In juni 1950 was de stamapostel met alle Europese apostelen in Nederland, waar hij drie grote diensten leidde. In alle drie die diensten heb ik overeenkomstig het verzoek van de stamapostel langer meegediend dan gewoonlijk omdat hij zelf het Nederlands niet machtig is en ik in het Nederlands de aanwezigen moest toespreken. Maar in het over de drie grote in Nederland gehouden diensten in “Unsere Familie” verschenen bericht is zelfs nog niet een keer met een enkel woord geschreven dat ik in Nederland mee gediend had. De mogelijke bezorgdheid dat ik te veel in de voorgrond zou treden was werkelijk niet terecht, want ik dacht daar gewoon niet over.

Via de apostel Otto Güttinger hoorde ik dat de apostel Schall hem had verteld, dat hij op 19 augustus 1950 in de wagen van de stamapostel naar de bijeenkomst der apostelen in Bielefeld  was gereisd. Tijdens deze reis zou de stamapostel tegen apostel Schall hebben gezegd dat ik in de woning van de districtoudste Weine minachtend over de stamapostel had gesproken. Apostel Schall heeft toen gezegd, dat hij toch met mij de reis door de gemeenten in het district Hof in Beieren had gemaakt en ik daar niet alleen de groeten van de stamapostel had gedaan, maar ook tijdens alle diensten uitspraken uit stamaposteldiensten heb gepredikt. Ook waren toch hij en apostel Schmidt met mij samen in het Saarland geweest, waar ik de stamapostel goed had vervangen. Hij had niets nadeligs over de stamapostel gehoord.

Betreffende dat lelijke gesprek in de woning van de districtoudste Weine heb ik later apostel Schall gevraagd, waarover dat dan was geweest; ik was mij van een dergelijke zaak niets bewust. Toen zei apostel Schall, dat hij daar in ieder geval niet bij was geweest. Ook heb ik  De districtoudste Weine gevraagd of hij wist, wanneer een dergelijk gesprek in zijn woning plaats gevonden zou hebben en wat ik daar dan zou hebben gezegd. Hij vertelde mij dan, dat  F.B. het hem verteld zou hebben op de dag voordat ik tot opvolger van de stamapostel werd benoemd, dus op 20 mei 1948. Ik heb aan de districtoudste Weine gevraagd of hij wist, wat ik daar zou hebben gezegd. Daarop zei hij tegen mij, dat hem daarover niets bekend was en hij was er beslist ook niet bij geweest. Op 25 november 1950, de dag waarop ik verklaarde, mij te willen terugtrekken uit het ambt van stamapostelhelper, verweet mij de stamapostel onder andere, dat ik in de woning van de districtsoudste Weine minachtend over hem tegen de apostelen had gesproken. Iets dergelijks had men in de woning één verdieping hoger dan die van de districtsoudste gehoord. Toen ik tegen de stamapostel zei, dat ik mij daarvan niets bewust was en hij mij toch moest zeggen wat ík daar gezegd zou hebben, heeft hij dat geweigerd.
Toen apostel Otto Guttinger in augustus 1950 vakantie had heeft hij ook de stamapostel in Frankfurt bezocht. Bij die gelegenheid heeft de stamapostel tegen hem gezegd dat hij geen helper nodig had; hij voelde zich gezond enz. en als Kuhlen de opziener Wicht in zijn opdracht als apostel had ingezet en bovendien het district Hof in Beieren had bediend, dan zou hij daarvoor geen stamapostelhelper behoeven te zijn want daartoe zou gewoon een apostel kunnen worden aangewezen.

De stamapostel was dus zo ver gekomen, dat hij openlijk zei, geen stamapostelhelper nodig te hebben en van een opvolger was geen sprake meer. De realiteit was echter, dat hij steeds meer de hulp van een andere man gebruikte en wel in menigerlei belangrijke zaken, die de stamapostel onofficieel met die man besprak en uitvoerde.

Ik heb toen op een dag vertrouwelijk met de districtoudste Weine gesproken over al het door mij geconstateerde en mijn waarnemingen en hem gevraagd, mij eerlijk te zeggen of het niet aan te raden was, dat ik mij als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel zou terugtrekken, zodat ik met de stamapostel, en de stamapostel met mij weer geheel één zou zijn. Als antwoord heeft de districtoudste mij heel beslist gezegd, dat ik zulk een stap beslist niet moest doen omdat het Werk dan zeker geheel zou wegzinken en geheel mensenwerk zou worden. Hij verzocht mij, het vol te houden zo lang als ik kon.

lees verder >>>>