APOSTOLISCHEOBSERVER.NL

Akte van stamapostel Peter Kuhlen.3
VOOR NIEUWS EN HISTORISCHE ACHTERGRONDEN.                      

<>Index<>Navigatie pagina><Contact<> Disclaimer <> Archief<> An.reageren.<> Boeken <>forum

 

 STAMAPOSTEL/STAMAPOSTELHELPER PETER KUHLEN


P. KuhlenPeter Kuhlen
 

Het werd echter steeds duidelijker, dat er radicaal naar toe gewerkt werd, dat ik als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel moest verdwijnen. Alzo was het voor mij geen verrassing en door mij slechts lang gevreesd, dat in de bij uitgeverij Friedrich Bischoff voor het jaar 1951 verschenen kalender (pdf), die in de tweede helft van november 1950 aan de apostelen werd gezonden, een directe aanval op mijn plaats in het Werk was te lezen. In dat artikel werd openlijk uitgesproken, dat de Heer aan de stamapostel helemaal nog niet een opvolger had getoond. Dit was bewust uitgevoerd werk waarmee een actie tegen mij moest worden uitgelokt en door vragen over deze aangelegenheid een beslissing moest worden getroffen. In dat artikel stonden b.v. de volgende ongerijmdheden:

“Petrus had geen opvolger (als stamapostel) aangesteld, want hij had geen opdracht, zoiets te doen. Zou de Heer dat hebben gewild, dan zou het een futiliteit voor hem zijn geweest, nog eens voor Petrus te verschijnen en hem te wijzen, welke van de toenmalige apostelen of ambtsbroeders de opdracht voor de leiding van het Godsvolk zou moeten krijgen. Aangezien dat echter niet geschiedde, was het ook niet de wil van de Heer.” – “Er gebeurde echter iets anders: Toen allengs alle apostelen naar de eeuwigheid waren gegaan, kozen de hoofden van de toenmalige apostolische kerk uit hun midden één, die vanaf dat moment de leiding van het Volk van God moest overnemen. Die eerste, die uit de verkiezing naar voren kwam, was de bisschop van Rome. Deze mannen handelden toen zonder twijfel volgens hun goede geloof en beslist menselijke, begrijpelijke overdenking. Toen enige openbaring van God aangaande de opvolging van Petrus uit bleef, wilden zij toch niet, dat het volk van God zonder een hoogste zielenherder zou blijven. Het was nu eenmaal menselijk te begrijpen omdat het menselijk was gedacht: de volgende 19 eeuwen hebben getoond, dat God het niet met deze verkiezingsdaad eens was. – “Toen nu de tijd wederom vervuld was volgens de maatstaven Gods, koos de Heer wederom een man uit enz. enz.: apostel Schwarz in Nederland. Hij ontving op dezelfde wijze als eens Petrus zijn opdracht van de Heer.” – “En de Heer aanvaardde het werk van deze man van God en toonde hem, aangezien de tijd was gekomen om in het huis van de vader terug te keren, zijn opvolger, stamapostel Krebs. Hem volgde op dezelfde wijze van goddelijke roeping de stamapostel Niehaus , die zijnerzijds in de avond van zijn arbeidzame en gezegende leven in dienst van de Heer het hoge ambt met dezelfde opdracht als zijn voorgangers aan de stamapostel Johann Gottfried Bischoff doorgaf. “ – “Hij is er vast van overtuigd dat de Heer niet lang meer zal dralen en de zijnen nog bij zijn leven thuis zal halen in het Vaderhuis, vooral omdat de Heer hem – volgens zijn eigen woorden –
nog niemand had getoond, die het werk Gods op aarde na hem verder zou moeten leiden” –

Eerst even in het kort mijn mening over deze verklaringen: De heer Meyer – Geweke –heeft dit artikel óf nooit zelf geschreven óf met uitdrukkelijke richtlijnen, want hij zou het nooit aangedurfd hebben een dergelijk artikel zonder toestemming van zijn broodheer te schrijven. Dan was het dus Gods wil dat na de dood van Petrus de kudde van Christus zonder hoogste herder zou  blijven. Het was dus geen goddelijk gedogen, maar door God gewenst, dat na de dood van Petrus geen apostel en geen stamapostel meer de kudde ter weide zou leiden. De bewering dat – nadat alle apostelen van de Heer in de tijd van de oerkerk waren uitgestorven - de hoofden van de toenmalige apostolische kerk een man uit hun midden, namelijk de bisschop van Rome, gekozen hebben om het werk voort te zetten, getuigt van een enorm gebrek aan kennis van de kerkgeschiedenis. Of moet men aannemen, dat een dergelijke vervorming van het werkelijke gebeuren opzettelijk is geschied omdat dan alles in het kader van de thans gesmede plannen paste? De laatste apostel uit de tijd van de oerkerk is namelijk in het jaar 100 na de geboorte van Christus gestorven. De verkiezing van de bisschop van Rome tot opperhoofd van de kerk is dan echter beslist niet kort daarna gehouden, zelfs niet tijdens het leven van een enkele drager van het ambt die nog leefde toen de als laatste overleden apostel Johannes nog leefde.
Die verkiezing gebeurde pas in de 4e eeuw na Christus, namelijk in het jaar 328 na de geboorte van Christus. En dan moet opeens het verlossingswerk van de eindtijd niet meer in Engeland met de beroeping van de Engelse apostelen zijn begonnen maar allereerst eens een stamapostel Schwarz door God zijn geroepen. Dat is waarlijk een uiterst slechte vervalsing van de geschiedenis want het eerst waren er de Engelse apostelen. Daarna werden als eerste apostelen van de nieuwe orde, de apostelen Rosochasky en Preuss beroepen, nog voordat Schwarz het ambt van apostel vervulde. Ter zelfde tijd als apostel Schwarz hebben als apostel van de nieuwe orde gewerkt: de apostelen Preuss, Böseke. Hohl, Steegmann. Hoppe, Obst, Menkhoff, Krebs, Ruff, Anthing, Lim Tjoeklin, Niemeyer en Klibbe. Al deze apostelen hebben tijdens het leven van apostel Schwarz dienst gedaan zonder dat een van hen stamapostel was – ook Schwarz niet, want het ambt van stamapostel bestond toen ter tijd nog helemaal niet. Ook apostel Schwarz is nooit stamapostel geworden, al was hij ook na de dood in 1878 van apostel Preuss de meest uitzonderlijke persoonlijkheid in der kring der apostelen.
Preuss noch Schwarz hebben het ambt van stamapostel vervuld. Ook apostel Krebs is niet door Schwarz tot het ambt van stamapostel geroepen omdat het ambt van stamapostel in het jaar 1895, toen apostel Schwarz overleed, nog niet bestond. Pas met Pinksteren 1897 werd apostel Krebs in aanwezigheid van de apostelen Niehaus, Obst en Ruff tot leider van de apostolische gemeenten en hoofd van de schare apostelen gekozen. Maar zelfs vader Krebs werd niet “stamapostel”genoemd doch heette net als vroeger verder “apostel Krebs”. Men sprak over hem altijd als Eenheidsvader Krebs. Pas apostel Niehaus droeg officieel de naam “stamapostel”.- Dan moet het laatste lid in deze keten stamapostel J.G. Bischoff zijn.
Heeft Onze Lieve Heer daarover met de heer Meyer-Geweke gesproken? – En dan komt in dat artikel een zin die tot verwarring onder de nieuw-apostolische ambtsbroeders en broeders & zusters moest leiden, namelijk: “Hij is er vast van overtuigd dat de Heer de zijnen nog tijdens zijn leven thuis zal halen in het vaderhuis, vooral omdat de Heer hem – volgens zijn eigen woorden – nog niemand had getoond, die het Gods werk op aarde na hem zou moeten voortzetten.” – Deze zin staat toch in krasse tegenstelling tot de op 1 augustus 1948 ondernomen handeling van de uitverkiezing van een opvolger voor de stamapostel J.G.Bischoff. Het is toch logisch, dat zulk een geschrijf allerlei vragen en gedachten oproept.

Mij was het meteen duidelijk, dat de heer Meyer-Geweke slechts een naar voren geschoven man was, die zulk een artikel in opdracht moest schrijven omdat de lieden, die in mij beslist niet de opvolger van de stamapostel wilden zien, het zelf niet waagden, met hun eigen naam een dergelijke bruskering tegen mijn beroeping te vertegenwoordigen.

Ik heb dan eerst met apostel Dehmel gesproken, die heel ontsteld was over een dergelijke brutaliteit, die aan de fundering van het apostolische werk schudde. - Ik belde apostel Knigge op, die meteen tegen mij zei dat hij wel wist, waarom ik met hem wilde praten. Hij had vanwege dit erge artikel al met apostel Weinmann getelefoneerd, die over het gedrag van Meyer-Geweke ontzet was en had gezegd, dat voor mij niets over bleef, dan meteen naar de stamapostel te reizen en van hem een berisping van Meyer-Geweke te eisen. -  Ik sprak ook telefonisch met apostel Schall, die tot dan het artikel nog niet had gelezen. Ik las hem de belangrijkste zinnen voor en hij was toen ontzet omdat door een dergelijk geschrijf de hele organisatie van het werk Gods werd aangevallen. Hij raadde mij aan, meteen naar de stamapostel te reizen en met deze erover te praten. – De volgende ochtend belde apostel Schall mij al vroeg op en zij, dat hij die nacht ernstig over de zaak had nagedacht en dat hij mij in verband met de stand van zaken en de toestanden in Frankfurt  aanraadde, stil te zijn en niet naar Frankfurt te reizen, omdat men het misschien als een zelfverdediging zou opvatten. De tijd zou dit geschrijf vanzelf corrigeren. – Ik sprak ook per telefoon met apostel Schmidt, die zei, dat het zeer te betreuren was dat Meyer-Geweke zulk een artikel had geschreven en hoe die man er toch toe was gekomen, enz. Ik zei tegen apostel Schmidt, dat hij toch moest weten, dat Meyer-Geweke maar een ondergeschoven man was, die misschien onbewust de kwestie van mijn wegwerken moest opjutten, want ik had hem toch al enige tijd geleden gezegd dat bepaalde mensen het er niet mee eens waren, dat ik eenmaal de opvolger van de stamapostel zou moeten worden. Ik vroeg toen aan apostel Schmidt, wat hij mij aanraadde. Toen zei hij:”Rijd meteen naar de stamapostel en praat met hem.” Ik vroeg:”Rijd je mee?” Toen antwoordde hij heel kort:”Nee!” “Goed, “ zei ik tegen hem,”weet dan maar, dat iedereen, die dat gedoe met deze mensen altijd toe laat, zich mede schuldig maakt aan het bloed van honderdduizenden brave, goedgelovige zielen.” Hij meende dan nog tegen mij te moeten zeggen: “Als ik toen geweten had wat ik nu weet zou ik hebben gezegd, dat wij in de kwestie van de opvolging niets hadden moeten doen, maar gewoon alles aan de stamapostel zelf zouden moeten overlaten.” Ik zei toen nog verder tegen hem:”Over de vraag of de handeling menselijk of goddelijk was, ben ik in mijn binnenste volkomen gerustgesteld want als een zó groot aantal apostelen tot de slotsom was gekomen dat ík de door de Heer uitverkorene ware, dan is dat voor mij belangrijk meer dan verschijningen en dromen van broeders en zusters, die men als Gods openbaringen beschouwt terwijl men helaas  het woord van vele apostelen als menselijke mening afdoet. Ook heb ik mij toch niet zelf gekozen, doch de verkiezing is van de stamapostel uitgegaan.”
Ik maak je echter duidelijk, dat ik zelfs ermee rekening houd, dat, als ik in opdracht van de geesten werkelijk van mijn ambt als opvolger van de stamapostel afstand zou moeten nemen, het dan wel niet al te lang zou duren of de mensen zouden ervoor zorgen, dat de stamapostel de nodige “Godsopenbaringen” middels Gezichten en dromen zou krijgen en dan zou de hen aangename man als “door God Getoond” worden genoemd.” “En wie moet dat dan zijn?” vroeg apostel Schmidt. Daarop antwoordde ik: “dat zeg ik niet “ Apostel Dehmel sprak toen nog telefonisch met apostel Weinmann over deze aangelegenheid. Deze uitte zich tegenover apostel Dehmel , dat men nu voor dezelfde vraag stond als te zijner tijd Bismarck, namelijk: Ben je voor de oude keizer, dan bederf je het met de kroonprins, maar ben je voor de kroonprins, dan bederf je het met de oude keizer! Hij gaf tegenover apostel Dehmel onverholen uitdrukking aan zijn mening dat het van de heer Meyer-Geweke onbeschoft was, zoiets te schrijven; maar hij wist het toch: als een van de apostelen iets tegen Fritz Bischoff zou zeggen, zou hij het bij de stamapostel bederven, en met de stamapostel wilde hij het in geen geval bederven. Apostel Dehmel vroeg hem dan of het niet was aan te raden, eens met enige apostelen bijeen te komen om met deze te overleggen wat men tegen zulke dwarsliggerij zou kunnen doen. Daarop antwoordde apostel Weinmann: “Doe dat in godsnaam niet, want dat wordt je zo kwalijk genomen, dat je er meteen onderdoor gaat. Wij hebben in dit opzicht toch al dergelijk verschrikkelijks meegemaakt, dat ons de lust is ontnomen, met welke apostel dan ook over dergelijke zaken te praten. Ik geloof, dat ik voor het komende halve jaar maar met vakantie ga opdat niemand mij kan bereiken en ik over alles niets behoef te zeggen.“

Ik heb toen de districtoudste Weine opgebeld en hem gevraagd, wat wel de stamapostel over dit artikel had gezegd. Districtoudste Weine vertelde mij dan dat de stamapostel hem in de ochtend van de vorige dag had gezegd, dat hij de avond daarvoor de nieuwe kalender had gekregen en dat artikel had gelezen. Hij had een slapeloze nacht gehad en erover gepiekerd, wat dat artikel wel allemaal zou uitlokken. Hij zou van dat artikel pas hebben gehoord, toen de verzending van de kalender al gestart was en hem van te voren niet gelezen. Hij wilde een brief aan de apostelen opstellen waarin hij hen mededeelde, dat de heer Meyer-Geweke zonder zijn medeweten en zonder zijn wens iets dergelijks had geschreven. Weliswaar had hij in het jaar 1947 gezegd, dat de Heer hem nog geen opvolger had aangewezen, maar dat was toch intussen door de plaats gehad hebbende handelingen te niet gedaan. – De bedoelde brief moest dan aan de apostelen, die vragen stelden, worden gezonden opdat zij dit aan de vragenstellers konden mededelen. De districtoudste Weine heeft toen aan de stamapostel voorgesteld, niet eerst af te wachten tot de apostelen vragen stelden, maar een dergelijke brief meteen aan de apostelen te sturen om al van tevoren een grote verwarring te voorkomen. Daarmee was de stamapostel het eens, en de volgende ochtend wilde hij een dergelijke brief opstellen en verzenden. Vervolgens heeft de stamapostel ‘s middags nog eens de districtsoudste opgebeld en hem gezegd, dat hij zojuist met Fritz had gesproken en hem had voorgesteld dat deze in het volgende nummer van “Unsere Familie”een desbetreffende verbetering van het artikel uit de kalender moest opnemen. –

Ik wachtte toen op de brief van de stamapostel, die echter, zoals ik had verwacht, niet kwam; ik wist toch, uit ruime ervaring, wat de geesten wilden en dat met het artikel in de kalender aan een zekere bedoeling was voldaan. Ik belde dan nog eens de districtsoudste Weine op, of de brief van de stamapostel nog niet verzonden was. Districtoudste Weine vertelde mij toen dat de stamapostel in Karlsruhe was geweest, waar hij ook met apostel Hahn had gesproken. Deze had de stamapostel aangeraden, niet aan de apostelen te schrijven maar de zaak op zijn beloop te laten. Bovendien had de districtoudste Fritz Bischoff intussen met de apostelen Schmidt en Weinmann getelefoneerd en aan de stamapostel bericht, dat hij met deze twee apostelen had gesproken en dat deze het artikel in de kalender geheel in orde hadden gevonden.( In hoeverre deze bewering over de uitlatingen van de apostelen Schmidt en Weinmann tegen de zoon van de stamapostel met de gang van zaken overeenstemt, kan ik natuurlijk niet zeggen.) . Enige dagen later belde ik weer de districtoudste Weine op en vroeg, hoe de zaak ervoor stond. Hij wilde mij toen absoluut geen antwoord meer geven en zei slechts:”Wij hier op kantoor hebben het strikte bevel, aan iedere apostel die opbelt te verklaren, dat wij over niets inlichtingen mogen geven en dat zij zich schriftelijk tot de stamapostel moeten wenden.”

Het was voor mij toen al zo klaar als een klontje dat het werk aan mijn terzijdestelling als opvolger van de stamapostel op hoge toeren liep en dat men de stamapostel intussen geheel had omgestemd. Ik smeekte toen de districtoudste Weine, mij een broederlijke raad te geven, wat ik toch zou moeten doen, maar hij wilde er niets meer over zeggen. Hij was erg bedeesd geworden en was gewoon bang om te praten. Ik vroeg heel bezwerend, wat er nu toch aan de hand was. Hij zou mij dat toch moeten zeggen opdat ik de geesten vóór kon zijn en zelf mijn terugtreding kon uitleggen. Toen heeft  broeder Weine zich laten overreden, mij te vertellen, dat de zoon van de stamapostel in diens opdracht meerdere apostelen voor een bespreking naar Frankfurt heeft laten komen met het doel, de menselijk goedgemeende handeling van 1 augustus 1948 te annuleren. Toen vroeg ik verder of hij dacht, dat de opgeroepen apostelen daar “ja” tegen zouden zeggen. Hierop antwoordde hij heel timide: ”Helaas moet ik dat als zeker veronderstellen.” Bovendien zei hij tegen mij, dat de stamapostel het dusdanig met de mening van zijn zoon eens was, dat het in het vervolg wel onmogelijk zou zijn dat een vruchtbare samenwerking tussen de stamapostel en mij als stamapostelhelper zou kunnen plaats vinden. Intussen zou de stamapostel zóveel geschriften hebben uitgewerkt om te bewijzen dat indertijd zijn benoeming als opvolger van stamapostel Niehaus volgens indertijd ervaren gezichten e.d. goddelijk waren geweest, terwijl mijn benoeming zuiver menselijk was geweest, ja, dat ik dat allemaal had aangespoord en de alleen schuldige was. Toen heb ik broeder Weine verzocht: ”Doe mij uit liefde nog een dienst en ga nog eenmaal naar de stamapostel en vraag hem of hij mij en zichzelf het onaangename van een waarschijnlijk zeer heftige discussie over deze zaak in de kring van apostelen wil besparen en ook een tragedie voor het Godsvolk. Zeg hem, dat ik bereid zou zijn vrijwillig op mijn uitgangspositie van districtsapostel terug te keren en het ambt als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel  te vergeten. Ik verklaarde ook, dat ik met de stamapostel absoluut een persoonlijk gesprek wilde hebben en ik bij deze de stamapostel verzekerde, dat ik helemaal niet eerst een discussie met hem over deze aangelegenheid wilde voeren, dat ik echter beslist in een goede verstandhouding met hem wilde leven aangezien ik nooit en te nimmer zijn kroon begeerde, doch enkel en alleen zalig wilde worden; dat het voor mij een bijzaak zo zijn, slechts weer als districtsapostel in het district Düsseldorf werkzaam te zijn. Verzoek
de stamapostel, zo goed te zijn, mij de volgende ochtend voor een uurtje ter regeling van deze aangelegenheid te ontvangen.

Lees verder>>>>