Goddelijke beloften en de vervulling er van

APOSTOLISCHEOBSERVER.NL
VOOR NIEUWS ACHTERGRONDEN EN HISTORIE

  Apostolische Kerk, kritische website. Terug naar de ordeningen Gods?  Jaargang 3

archief navigatie plein anoniem reageren CONTACT Disclaimer publ. boek "De Apostolischen" Bijbel online Nieuwe vertaling forum anoniem reageren..

 

NAK-gezangboek


Goddelijke beloften

en de vervulling ervan

 

 

Inzicht in het heilsplan Gods

voor de mensen

bezien in het licht van de Heilige Schrift

 

 

NIEUW-APOSTOLISCHE KERK


 

 

 

 

 

© Uitgever: Nieuw-Apostolische Kerk - Internationale Apostelbond, Zürich. Druk: Friedrich Bischoff Druckerei GmbH, Frankfurt a. M.  Uitgave 1983.

Opmerking van het Webteam: Op Bladzijde 17 van dit boekje vind u een overzicht van de Goddelijke beloften en de vervulling ervan  in het Heden. Het is zeer opmerkelijk dat de "Boodschap van Bischoff" niet genoemd wordt. De huidige kerkleiding nog steeds van mening is dat deze boodschap van Bischoff een Goddelijke inhoud had en heeft.

Waarom...vermeld zij deze "Goddelijke" belofte dan niet in dit boekje?


Antwoord: De kerkleiding weet dat het géén Goddelijke belofte is geweest, zij weet dat de Boodschap is voortgekomen uit menselijke overwegingen.
Het niet opnemen van de "Boodschap" is het zoveelste bewijs dat God niets te maken heeft gehad met de boodschap. Deze menselijke leugen―en zeer kwalijk in een Kerk―is dus bewust niet opgenomen in dit boekje.

De kerkleiding verzwijgt dus haar eigen Goddelijke beloften. zo moeten wij ons afvragen ..wat is de waarde van de inhoud van de Kerkelijke geschriften, die uitgegeven worden door de uitgeverij Friedrich Bischoff?

Webteam.

 

 


 

INHOUDSOPGAVE

 

Voorwoord. PAGEREF _Toc110497013 \h 4

Inleiding. PAGEREF _Toc110497014 \h 6

Het heilsplan Gods met de mensen - Een kort overzicht van het goddelijke verlossingsplan. PAGEREF _Toc110497015 \h 6

Hoofdthema’s. PAGEREF _Toc110497016 \h 8

Goddelijke beloften en de vervulling ervan in het verleden. PAGEREF _Toc110497017 \h 8

Goddelijke beloften en de vervulling ervan in het heden. PAGEREF _Toc110497018 \h 12

Goddelijke beloften voor de toekomst PAGEREF _Toc110497019 \h 21

Blik in de toekomst PAGEREF _Toc110497020 \h 25

De voleinding van de kerk van Christus - Het vooruitzicht op de nabije wederkomst van Jezus Christus  PAGEREF _Toc110497021 \h 25

Slotwoord. PAGEREF _Toc110497022 \h 29

 

 


 

 

Voorwoord

,,Wij hebben een nieuwe godsdienst nodig.” Deze roep was in de eerste weken van het jaar 1982 al drie maal in de Duitstalige media van Europa te horen: Rond de jaarwisseling in een dagblad-interview met de toenmalige president van het wetenschappelijk college de Club van Rome; 14 dagen later in de televisie uitzending ,,Pro en contra astrologie”; tenslotte in februari binnen het kader van een radioprogramma.

De samenvatting van de kenbaar gemaakte opvattingen en overwegingen luidde eenstemmig:

Wij hebben een nieuwe godsdienst nodig!

Het standpunt van de Nieuw-Apostolische Christen is:

Wij hebben geen nieuwe godsdienst nodig!

Volgens de woorden uit de Heilige Schrift bestaat er geen mogelijkheid, op iets anders te kunnen bouwen dan op de grond die door God gelegd is en waarvan de Schrift zegt:

,,Een anderen grond kan trouwens niemand leggen, dan die gelegd is, welke is Jezus Christus.” (1 Korinthiërs 3: 11)

Over deze grond schrijft ook Apostel Petrus:

,,Zie, ik leg in Sion een uitverkoren, kostelijke hoeksteen; en wie in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.” (1 Petrus 2: 6)

De kerk van Christus is dus door de Heer zelf op de grond en hoeksteen Jezus Christus opgericht. En over de juiste opbouw en het doel van de kerk van Christus lezen wij in Epheziërs 4: 11 en 12:

,,En hij heeft sommigen tot apostelen gegeven: en sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders en leeraars; opdat de heiligen bereid zouden worden tot het werk des ambts, waardoor Christus’lichaam opgebouwd wordt.”

Zouden de Christelijke kerken op deze door God gelegde grond gebleven zijn en hadden ze de gaven en genademiddelen, die God tot heil en verlossing door Zijn Zoon gegeven heeft, bewaard en geacht, dan zou heden de roep: Wij hebben een nieuwe godsdienst nodig! volledig overbodig zijn.

De eerste godsdienst nam haar aanvang ten tijde van Seth, Henoch en Abraham, want te dien tijde begon men de naam des Heren aan te roepen. (Genesis 4 : 26; 12 : 8). Deze eerste godsverering onderhield Abraham.

Met hem sloot God een verbond. Uit hem ontstond het volk Israël, waaraan de goddelijke beloften, die Abraham gegeven waren, vervuld werden. Uit dit volk liet God ook Zijn Zoon voortkomen om Zijn hemelse belofte te vervullen. Eerst nadat de joden in ongeloof, eigenzinnigheid en koppigheid de Zoon van God afgewezen hadden, werd het Christendom onder de heidenen verkondigd.

Alle andere godsdiensten hebben van deze oude uit het Jodendom ontstane godsdienst, gedeelten overgenomen en deze overeenkomstig hun karakter veranderd. Bijna allen hebben echter als grondslag voor hun leerstellingen het grootste deel van de goddelijke wetten van de Sinaï, dat op de ,,tien geboden” gebaseerd is, overgenomen. Hieruit blijkt reeds, dat er geen betere wet gegeven kon worden dan deze, want deze was door God gegeven.

Navolgend willen wij een getuigenis geven van de werkzaamheid Gods in vroegere tijden en in de tegenwoordige tijd. De levende God is zichzelf en Zijn eenmaal vastgelegd plan altijd trouw gebleven. Hij zal ook Zijn heilsplan met de mensen voleindigen. Tegenwoordig arbeidt de Heer aan de voleinding van Zijn kerk. Zij staat vlak voor haar afsluiting en zal gekroond worden door de op handen zijnde wederkomst van Jezus Christus.

 


 

Inleiding

Het heilsplan Gods met de mensen - Een kort overzicht van het goddelijke verlossingsplan

 

De geschiedenis der mensheid getuigt van een voortdurende worsteling ter verbetering van de op dat ogenblik heersende levensomstandigheden, van zowel de enkeling die boven de middelmaat uitstak als ook van gehele volkeren. Wij zien daarom in geen enkele levensperiode stilstand - alles is in beweging.

Ten slotte is dit een kenmerk van een diep, in elk mensenhart geworteld verlangen naar geluk en vrede, van een verlangen en streven naar iets dat nog waardevoller en hoger is. Ja in vele gevallen is dit het verlangen naar God zelf, de bestendige en onveranderlijke.

Dit in het hart aanwezige verlangen is zonder twijfel een overblijfsel van de herinnering aan de goddelijke beloften, volgens welke de mens voorbestemd is om in een eeuwig geluk en vrede zijn God in zalige vreugde te dienen, zijn Schepper en Vader te zien en deel te hebben aan de heerlijkheid van Zijn eniggeboren Zoon.

De ongehoorzaamheid, de zonde tegen God en de minachting van het eigen geweten hebben de mensheid van God vervreemd. Wij worden van de zonde niet verlost door worstelingen en inspanningen uit eigen kracht. Een hoge graad van ontwikkeling, een opeenstapeling van aardse rijkdommen en nog zulke goede strafwetten kunnen ons niet redden en helpen. God zelf wil ons helpen, want dat heeft Hij beloofd.

De navolgende uiteengezette kostelijke beloften van God waren en zijn ankers der hoop van alle godvrezende mensen zowel in het verleden als ook in de tegenwoordige tijd. Zonder ophouden heeft God eraan gewerkt, deze Zijn beloften, te vervullen. Zo voorspelden vele profeten de in het paradijs beloofde Heiland en Verlosser. Hun woorden werden steeds meer duidelijk en helder, tot Johannes de Doper met alle zekerheid kon zeggen: ,,Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld draagt!”

Jezus, de beloofde Heiland der wereld, heeft voor alles Zijn persoonlijke, Hem door God opgedragen arbeid volbracht en daarna Zijn Apostelen de opdracht gegeven met de verlossingsarbeid door te gaan. Hijzelf heeft voor de grondslag van Zijn groot verlossingswerk het eeuwig geldende, volkomen offer aan het kruis gebracht. Hij, de Reine en Heilige, nam alle zonden en smarten op zich. Hij leed de straf voor ons en schiep zodoende een volkomen vergeving van alle zonden voor alle geslachten die in Hem geloven en die degenen aannemen die Hij op dat ogenblik tot hen zendt.

En Hij geeft de mensen meer dan alleen de vergeving van hun zonden. Zij moeten geheel van de ongehoorzaamheid en al het onrecht vrijgemaakt, gereinigd en geheiligd worden. Ieder persoonlijk die zijn eigendom wil worden, moet daartoe Zijn Geest en daarmee nieuw leven ontvangen. Slechts daardoor ontstaat een volledige verandering en innerlijke vernieuwing van de mens. Allen die zich aan de Heer en Zijn gezanten hielden in het besef van hun behoefte aan verlossing, hebben ervaren dat dit waarachtig zo is.

Met de opdracht van Jezus, Zijn volmacht en de nodige heilsmiddelen uitgerust, zien wij in de geest de Apostelen van de eerste Apostolische tijd strijden als sterke onoverwinnelijke helden, die geen vuur, geen zwaard,, ja zelfs de dood niet vreesden. Paulus zegt daarover in Romeinen 8 : 31: ,,Is God voor ons, wie kan tegen ons zijn!”

Toen Jezus temidden van zijn tijdgenoten werkte, zal menigeen Hem voor één van de vele profeten en boetepredikers hebben gehouden waaraan het volk Israël zo rijk was. Een feit is dat Jezus zelf een unieke verschijning was, die door de rechtstreekse goddelijke zending buiten alle tradities stond.

Dit bevestigden in de loop der laatste ca. tweeduizend jaren volgens de christelijke tijdrekening, ook hooggeleerde en beroemde mannen en vrouwen, die zich overigens zelf herhaaldelijk min of meer van de gevestigde grote christelijke instellingen hebben afgewend, daar zij hierin niet het ware christendom belichaamd vonden. Wij willen hier slechts twee van zulke uitspraken over Jezus Christus laten volgen.

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), één van de grote Duitse dichters, zei:

,,Ik buig mij voor Christus als de verpersoonlijking van het hoogste principe van zedelijkheid.”

De filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), een bevechter van de door de grote christelijke kerken verkondigde leer, constateerde:

,,Ironie tegen diegenen die het christi door de moderne natuur wetenschappen denken te hebben overwonnen. De christelijke waardeoordelen zijn daardoor beslist niet overwonnen, ,,Christus aan het kruis” is het meest verheven symbool - nog steeds.”

Evenmin als de kerk van Jezus Christus onder leiding van Petrus en zijn mede Apostelen destijds in te voegen was in de gewone afsplitsingen en sekten, is ook haar grondlegger niet te vergelijken met alle voorlopers of nabootsers; en zo is ook de kerk van Christus in de laatste tijd met geen enkele geloofsgemeenschap, sekte of kerk te vergelijken.

Zij is het verlossingswerk van Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van de Vader. Zoals het in het begin was, zo moet het ook aan het einde weer zijn. God heeft het zo beloofd en Hij heeft ook geen reden, de door Hem vastgelegde ordening door een andere te vervangen.

Nu zullen de kostelijke beloften van God voor het verleden, het heden en de toekomst belicht worden op grond van de Heilige Schrift. Het overwegende deel van deze door God gegeven beloften is tot op de dag van vandaag reeds letterlijk vervuld. Dit feit bewijst dat de getuigenissen van de Heilige Schrift werkelijk waar zijn. Ook de voor de nabije en verre toekomst gegeven, in het ,,Boek der Boeken” vastgelegde goddelijke beloften zullen alle in vervulling gaan.

De Duitse filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) schreef eenmaal over de bijbel:

,,Deze oude, eerbiedwaardige oorkonde bevat de meest diepzinnige en verheven wijsheid en voert resultaten aan waarnaar uiteindelijk de hele filosofie terug moet.”

Dat is een veelbetekenende uitspraak, die wij volledig kunnen onderstrepen.

Wij wachten in een vast geloof en met een onomstotelijke zekerheid op de vervulling van de nog in te lossen goddelijke beloften.


 

 

Hoofdthema’s

Goddelijke beloften en de vervulling ervan in het verleden

Goddelijke beloften zijn dierbaar en bindend, waarop wij ons, onvoorwaardelijk kunnen verlaten. Wij lezen in Numeri en in de Psalmen:

,,God is niet een mensch, dat hij liegen zou, noch een menschenkind, dat hem iets kon berouwen; zou hij iets zeggen en het niet doen.” (Numeri 23:19)

,,Want het woord des Heeren is waarachtig, en wat hij toezegt, dat houdt hij gewis. “(Psalm 33:4)

Met Zijn beloften openbaart God Zijn onbegrijpelijke liefde en geduld met de mensen, de kroon van Zijn schepping. Want Hij wil allen helpen, hen redden en eeuwig gelukkig maken. Om dit te ervaren en persoonlijk te ondervinden, is bovenal een kinderlijk geloof aan God en Zijn gezanten van deze tijd, eenvoud des harten en inzicht noodzakelijk. In de brief aan de Hebreën lezen wij:

,,Maar zonder geloof is het onmogelijk God te behagen; want wie tot God komen wil, moet gelooven dat hij is, en dengenen, die hem zoeken, een vergelder zal zijn. “ (Hebreën 11: 6)

In het Oude Verbond was het geloof aan God, de profeten en de oude geloofs vaders vereist.

,,Vertrouwt vast op den Heer, uwen God, en gij zult veilig zijn; gelooft zijne profeten, en gij zult geluk hebben. “ (2 Kron. 20:20)

In het Nieuwe Testament verwacht Jezus het geloof aan God, de Onzichtbare, en het geloof aan Hem, Jezus, de Zichtbare. Volgens Apostel Johannes spreekt de Zoon van God:

,, hij zeide tot zijne jongeren: Uw hart verschrikke niet; gelooft in God, en gelooft ook in mij. “ (Johannes 14: 1)

In de zendingsopdracht aan Zijn Apostelen sloot Jezus tenslotte ook het geloof aan Zijn gezanten en hun woord in terwijl Hij duidelijk en op een niet mis te verstane wijze vaststelde:

,,En hij zeide tot hen: Gaat heen in de geheele wereld, en predikt het evangelie aan alle schepselen. Wie gelooft en gedoopt wordt, die zal zalig worden; maar wie niet gelooft, die zal verdoemd worden.” (Markus 16: l5en 16)

In de vertaling van het Nieuwe Testament van Dr. Ludwig Albrecht (1861-1931) in de hedendaagse taal wordt dit woord van de zoon Gods nog duidelijker en begrijpelijker:

,,Gaat heen in de gehele wereld en verkondigt de boodschap des heils aan de gehele mensheid. Wie dan tot geloof komt en zich laat dopen, die zal gered worden. Wie echter niet geloven wil, die zal verdoemd worden.”

De eerste goddelijke belofte ontvingen de eerste mensen Adam en Eva in het paradijs. Door de zonde had Satan macht gekregen over de mensen en de gehele schepping. Om hen daarvan te bevrijden, kondigde God aan dat er een Verlosser zou komen. Wij lezen in het boek Genesis:

,,Toen sprak God de Heer tot de slang: Dewijl gij dat gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven alle dieren des velds: op uwen buik zult gij gaan en stof eten alde dagen uwens levens. En ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw, en tusschen uw zaad en haar zaad; dat zal u den kop vertreden, en gij zult het in de verzesteken. “ (Genesis 3: 14-15)

Daarmee verscheen een eerste lichtstraal in de duisternis die de eerste mensen omgaf, toen zij wegens hun ongehoorzaamheid tegenover God, hun weldoener, het paradijs, waarvan wij ons heden nauwelijks nog een voorstelling kunnen maken, moesten verlaten. Deze eerste blijde boodschap werd, zoals Luther heeft gezegd, een ,,bron van troost.”

In vele voorspellingen betuigden de profeten van het Oude Verbond de komst van de Messias en hielden daarmee deze kostelijke belofte van God wakker. De profeten zeiden echter niet alleen dat de redder zou komen, ze beschreven zelfs tot in de details ook de levensloop van de aangekondigde verlosser, vanaf zijn geboorte tot aan zijn offerdood.

Met het verschijnen van Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, werd tenslotte de duizenden jaren oude belofte uit de tijd van het paradijs vervuld. Toen Jezus na Zijn opstanding aan Zijn Apostelen verscheen, beriep Hij zich nadrukkelijk op de voorspellingen van de profeten uit het Oude Verbond, terwijl Hij zei:

,,En hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden die ik tot u sprak, toen ik nog bij u was, dat het alles moest vervuld worden, wat van mij geschreven is in de wet van Mozes en in de profeten en in de psalmen. Toen opende hij hun verstand, om de Schriften te verstaan, en zeide tot hen: Alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden, en opstaan van de dooden ten derden dage, en in zijnen naam boete en vergeving der zonden laten prediken, onder alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. En gij zijt van dit alles getuigen.” (Lukas 24 : 44-48)

Over geen ander mens zijn reeds eeuwen voor zijn geboorte zo veel details bekend gemaakt als over de Zoon Gods.

De profeet Jesaja voorspelde Zijn geboorte, de profeet Micha Zijn geboorteplaats:

,,Daarom zal de Heer zelf u lieden een teeken geven. Zie, de maagd is zwanger, en zal een zoon baren, dien zal zij noemen Immanuël (hetgeen betekent God met ons).” (Jesaja 7: 14- zie ook Mattheüs 1:23)

,,En gij, Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die in Israël Heer zal zijn, wiens uitgang van het begin en van eeuwigheid af geweest is.” (Micha 5: 1 - zie ook Mattheüs 2: 5-6)

Eeuwen later ging er een gebod uit van de Romeinse keizer Augustus, dat alle inwoners van het Romeinse rijk beschreven moesten worden. Daardoor werd Bethlehem inderdaad de geboorteplaats van Jezus en daarmee werd de voor spelling van de profeet Micha vervuld.

Reeds de grootste leidsman van het oude Verbondsvolk, Mozes, profeteerde van zijn werkzaamheid:

,,Toen zeide de Heer tot mij: Wat zij gesproken hebben is goed. Ik zal hun een profeet gelijk gij zijt verwekken uit hunne broeders, en ik zal mijne woorden in zijnen mond geven, die zal tot hen spreken al wat ik hem gebieden zal.” (Deuteronomium 18:17-18 zie ook Johannes 1:25)

En Jesaja kenschetste op een wonderbare wijze Zijn opdracht:

,,De Geest des Heeren Heeren is op mij, dewijl de Heer mij gezalfd heeft om den ellendigen heil te verkondigen; hij heeft mij gezonden om de gebrokenen van hart te verbinden, om den gevangenen bevrijding te prediken, en den gebondenen slaking hunner boeien; om een genadig jaar des Heeren te prediken, en een dag der wraak van onzen God; om alle treurenden te troosten,” (Jesaja 61: 1-2 - zie ook Lukas 4: 18-19)

Met betrekking tot het woord van deze profeet zei Jezus zelf in de synagoge te Nazareth:

,,Heden is deze Schrift vervuld voor uwe ooren. “ (Lukas 4:22)

Over de woorden die Hij verder sprak ergerden zich Zijn toehoorders; zij dreven Hem de stad uit en wilden Hem van een rotswand af naar beneden werpen.

De profeet Zacharia zag reeds Zijn intocht in Jeruzalem:

,,Maar gij, dochter van Zion, verheug u zeer, en gij, dochter van Jeruzalem, juich: zie, uw koning komt tot u, een rechtvaardige en een helper; zachtmoedig en rijdende op een ezel en op een jong veulen eener ezelin.” (Zacharia 9:9 - zie ook Mattheüs 21 :5)

Hij profeteerde echter ook reeds het verraad van Judas Iskariot:

,,En ik sprak tot hen: Indien het goed is in uwe oogen, zoo brengt mijn loon; zoo niet, laat het na. En zij wogen mij mijn loon toe, dertig zilverlingen. “ (Zacharia 11: 12- zie ook Mattheüs 26: 15)

Jesaja schilderde reeds het verhoor voor de hoge raad:

,,Ik hield mijnen rug toe dengenen, die mij sloegen, en mijne wangen dengenen, die mij den baard uitplukten; mijn aangezicht verborg ik niet voor smaadheid en speeksel.” (Jesaja 50: 6- zie ook Mattheüs 26 : 67-68)

En de psalmist beschreef bijzonderheden van de kruisiging van Jezus:

,,Zij deelen mijne kleederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.” (Psalm 22:19 - zie ook Mattheüs 27:35)

,,Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten.” (Psalm 22: 1 - zie ook Mattheüs 27:46)

,,En zij geven mij gal te eten, en edik te drinken in mijnen grooten dorst.” (Psalm 69:22 - zie ook Mattheüs 27:34 en 48)

Jezus Christus, de Zoon van God, stelde uiteindelijk zelf het apostelambt in, zoals blijkt uit het Evangelie van Lukas, evenals uit vele andere plaatsen in de Schrift:

,,En toen het dag werd, riep hij zijne jongeren, en verkoos uit hen twaalf, die hij ook apostelen noemde. “ (Lukas 6: 13)

Met Zijn Apostelen vierde Jezus ook het eerste Avondmaal. Daarbij gaf Hij de aanwijzing, dat het voortaan in Zijn gemeente gevierd moest worden tot aan Zijn wederkomst.

Na Zijn opstanding verscheen Jezus aan de Apostelen en gaf hun macht en opdracht, zonden te vergeven:

,,En Jezus zeide wederom tot hen: Vrede zij u lieden! Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zend ik ook u. En toen hij dit gezegd had, blies hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest! Wien gij de zonden vergeeft, dien zijn ze vergeven: en wien gij ze behoudt, dien zijn ze behouden.” (Johannes 20:21-23)

En bij een verdere verschijning als Opgestane gaf de Heer aan Zijn Apostelen de zendingsopdracht met de woorden:

,,En Jezus trad tot hen, en sprak met hen, en zeide: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Daarom gaat heen, en maakt alle volken tot mijne jongeren, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; en leert hen onderhouden al wat ik u bevolen heb. En zie, ik ben bij u al de dagen tot aan ‘s werelds einde.” (Mattheüs      28:18-20)

We moeten daarbij bedenken, dat onder de ,,doop” zowel de doop met water als ook de doop met de Geest (Verzegeling) bedoeld wordt. Want Jezus gaf aan de vragende Nikodemus, die het rijk Gods binnen wilde gaan, het ondubbel zinnige antwoord:

,,Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij in het rijk Gods niet komen.” (Johannes 3:5)

Jezus zelf heeft Zijn Apostelen belangrijke toezeggingen en beloften gegeven. Zo beloofde hij hen Zijn voortdurende aanwezigheid met de woorden:

,,En zie, ik ben bij u al de dagen tot aan ‘s werelds einde. “ (Mattheüs 28:20)

Het aannemen van Zijn gezanten, namelijk van de Apostelen, stelde Jezus gelijk met het aannemen van Hemzelf, waarvan Hij heel duidelijk zei:

,,Wie u aanneemt, die neemt mij aan; en wie mij aanneemt, die neemt hem aan die mij gezonden heeft.” (Mattheüs 10:40)

En Hij bekrachtigde dat het woord van Zijn gezanten als Zijn woord te beschouwen en te waarderen was:

,,Wie u hoort, die hoort mij; en wie u veracht, die veracht mij; en wie mij veracht, die veracht hem die mij gezonden heeft.” (Lukas 10: 16)

Met het oog op de tegenwoordige levende Apostelen van de eindtijd, die in opdracht van Jezus werkzaam zijn en verlossingsarbeid verrichten, heeft dit woord van Jezus dezelfde betekenis als destijds in de eerste Apostolische kerk, waarin de eerste Apostelen werkzaam waren. In alle duidelijkheid heeft Jezus er over gesproken dat, wie de gezanten van heden aanneemt, hiermee Hem aan genomen heeft:

,,Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wie iemand aanneemt dien ik zend, die neemt mij aan; en wie mij aanneemt, die neemt dengene aan die mij gezonden heeft. “ (Johannes 13:20)

Dat is een bindende toezegging van de zoon Gods, die van het allergrootste belang is, en die niet alleen destijds, maar ook voor de huidige tijd geldend is.

Voordat wij ons gaan bezig houden met de verdere goddelijke beloften die gegeven werden voor de huidige tijd, wordt de volgende gebeurtenis nog vermeld, hetgeen voor zichzelf spreekt.

In het jaar 66 na Chr. ontstond er in Palestina een opstand van de joden tegen de Roomse overheersing. Op grond van een openbaring zorgden de Apostelen er voor dat de gemeente in Jeruzalem de stad verliet en in Pella haar toevlucht nam waar men bewaard bleef. Jezus had hun 40 jaar eerder reeds daarop opmerkzaam gemaakt en de ondergang van de stad en de verwoesting van de tempel voorspeld:

,,En toen sommigen zeiden van den tempel, dat hij met fraaie steenen en kostbaarheden versierd was, zeide hij: De tijd zal komen, in welken van dit alles, wat gij ziet, geen steen op den anderen zal gelaten worden, die niet in stukken zal worden gebroken.

Wanneer gij nu zien zult dat Jeruzalem belegerd wordt door een heir, zoo merkt dat hare verwoesting nabij gekomen is. Alsdan vliede wie in Judéa is op de bergen; en wie er midden in is, die wijke daaruit; en wie op het land is, die kome er niet in;” (Lukas 21 :5, 6, 20 en 21)

In het voorjaar van het jaar 70 na Chr. begon de Romeinse veldheer Titus met de aanval op Jeruzalem. Op 10 augustus ging de tempel in vlammen op. Vier weken later was de strijd ten einde. Titus gaf het bevel om Jeruzalem met de aardbodem gelijk te maken.

Wij gaan ons nu bezighouden met de goddelijke beloften die voor de tegenwoordige tijdsperiode gegeven zijn. We moeten daarbij bedenken, dat deze beloften geen betrekking hebben op het natuurlijke volk Israël van het Oude Verbond, maar op het door God uitverkoren verbondsvolk van het Nieuwe Testament.

Goddelijke beloften en de vervulling ervan in het heden

[ Hier willen wij ( webteam) even iets zeggen, in dit hoofdstuk missen wij iets en dat is de "Boodschap van J.G.Bischoff" Deze gebeurtenis die zoveel verdriet, tweespalt, excommunicaties heeft gebracht, is hier niet in opgenomen. De vraag reist dan ook, is dat vergeten? Het antwoord moet zijn: Nee dat is niet vergeten, aangezien God zijn beloftes altijd is nagekomen... Nooit liet God verstek gaan. De niet vervulde "Bischoff boodschap" past hier dan ook niet tussen. Het betrof een menselijke, bewuste leugen, niet meer en niet minder. Hoewel de kerkleiding nog steeds van mening is dat deze "Boodschap" een Goddelijke inhoud heeft gehad, verzwijgt men deze totaal. Op deze wijze laat de kerkleiding dus zien dat zij iets te verbergen heeft. En verzwijgt. Waarom? Men is bedacht op financiële claims. Dat is de enige reden dat men dit alles op deze zeer onverkwikkelijke wijze verzwijgt!]

De belangrijkste gebeurtenis in het recente verleden was in geestelijk opzicht de tweede uitstorting des Heiligen Geestes met de teruggave van het apostelambt en de oprichting van de apostolische kerk in de eindtijd.

Verscheidene profeten van het Oude Verbond profeteerden dat er in de eindtijd weer Apostelen werkzaam zouden zijn. Dat zij het woord ,,Apostel” niet gebruikten is begrijpelijk, daar Jezus immers pas deze aanduiding voor Zijn gezanten gekozen heeft. Onder de vroege regen en de spade regen moet resp. de eerste en tweede uitstorting van de Heilige Geest worden verstaan.

Wij lezen daarover:

,,Daarom spreekt de Heere, de Heer Zebaôth, de Machtige in Israël: O wee, ik zal u weder rechters geven als voorheen, en raadsheeren als in het begin. Dan zult gij weder eene getrouwe stad genoemd worden.” (Jesaja 1:24 en 26)

,,En gij, kinderen Zions, verheugt u en zijt vroolijk in den Heer, uwen God; want hij zal u een leeraar tot gerechtigheid geven en u den vroegen regen en spaden regen nederzenden gelijk voorheen. “ (Joël2 : 23)

,,Dan zullen wij verstandig zijn en ons bevlijtigen om den Heer te kennen; want hij zal voor ons aanbreken als de schoone dageraad en zal tot ons komen als een regen, als een spade regen die het land besproeit.” (Hosea 6:3)

,,In dien tijd zal ik de vervallen hut van David weder oprichten en hare reten dicht maken en wat afgebroken is weder oprichten en zal ze bouwen zooals zij eertijds geweest is;” (Amos 9: 11)

,,De heerlijkheid van dit laatste huis zal grooter worden dan die van het eerste geweest is, spreekt de Heer Zebaôth; en ik zal vrede geven aan deze plaats, spreekt de Heer Zebaôth.” (Haggai 2: 9)

Zowel de wederopgerichte, voordien vervallen hut van David alsook het laatste huis, dat heerlijker zal zijn dan het eerste, is niets anders dan de herstelde apostolische kerk in de eindtijd.

Doch niet alleen de profeten van het Oude Verbond, maar ook prominente persoonlijkheden uit de 17e, 18e en 19e eeuw van onze jaartelling profeteerden over een nieuwe goddelijke genadetijd. Geestelijke en wereldse geleerden vorsten ernstig in de Heilige Schrift. In velen van hen werd daardoor het vurige verlangen naar een wederuitstorting des Heiligen Geestes gewekt. De trouwe God vond ook in deze tijd eerbare, godvrezende mannen en vrouwen, door wie Hij de nieuwe genadetijd kon aankondigen.

De engelse mystica (mystiek = een bijzondere vorm van godsdienstigheid, waarbij de mens door overgave en verdieping tot een persoonlijke vereniging met God probeert te komen) Jane Leade (1623-1704) schreef in haar boeken, dat God vanuit Engeland een reddingswerk voor Zijn gehele kerk zou beginnen. Hij zou weer Apostelen zenden, die door handoplegging de Heilige Geest zouden afdragen.

De beroemde engelse fysicus en mathematicus Isaac Newton (1642-1727) schreef, dat aan het begin van de eindtijd een aantal mensen zou worden opgewekt, die zich zouden inzetten voor de juiste uitleg van de bijbelse profetiën, niettegenstaande veel protesten en tegenstand.

De Duitse, evangelische theoloog Johann Albrecht Bengel (1687-1752) voorspelde voor het jaar 1836 het begin van het Duizendjarig Vredesrijk, of dat een merkbare verandering en opleving in de kerk zou intreden.

De uit Zuid-Amerika stammende Jezuietenpater Emanuelo Lacunza (1731-1801) schreef een boek met de titel ,,La Venida del Mesias en Gloria Y Majestad” (Het komen van de Messias in heerlijkheid en majesteit). Het manuscript werd gedurende 21 jaar in een klooster bewaard. Elf jaar na de dood van Lacunza werd het boek in Spanje gedrukt (1812). Spoedig daarop verbood de katholieke Kerk de verspreiding van het werk.

In Parijs verscheen in 1806 een tweedelig werk met de titel ,,Exposition des prédictions et promesses, faites â l’église pour les derniers temps de lagentilité” (De voor de laatste tijd aan de kerk gegeven profetiën en beloften). De schrijver was een katholieke monnik, pater Lambert (een pseudoniem). Hij schreef over iets ,,bijzonders dat de Heer zou moeten doen met het oog op de ophanden zijnde tijd van de antichrist, van de droefenis en het gericht. Hij verklaarde, dat God nog nooit een gericht over Zijn volk had laten komen, zonder voordien te waarschuwen en een weg der verlossing bekend te maken.

Er waren nog veel van zulke stemmen; de genoemde moeten voldoende zijn om aan te tonen dat naar het raadsbesluit Gods een nieuwe genadetijd aanstaande was.

God beantwoordde tenslotte het bidden en smeken van diepgelovige mannen en vrouwen om de wederuitstorting des Heiligen Geestes. Profetiën, gezichten en ziekengenezingen openbaarden zich. Profetische krachten kwamen openbaar. Daardoor was de kerk van Christus in haar oorspronkelijke, door God gegeven vorm weliswaar nog lang niet hersteld, maar het begin van de heerlijke tempel Gods van de laatste tijd was door de toen plaatsvindende tweede uitstorting des Heiligen Geestes gemaakt.

Een zeer vroege profetie - in een dienst van pastoor Lutz in Karlshuld/Beieren in februari 1828 - luidde: ,,Weet gij niet, gij kinderen Gods, dat gij in de laatste tijd leeft, in de tijd waarin de Heer komt? Weet gij niet, dat de Heer u, voordat Hij komt, weer Apostelen, profeten, evangelisten en herders zal geven en gemeenten zoals die er in den beginne waren?”

Door opperherderlijke maatregelen werd het ,,suizen van de wind des Geestes” in deze plaats echter onderdrukt, de gelovige pastoor Lutz wachtte echter met zijn trouwe schaar verder op de vervulling van het geprofeteerde. Onafhankelijk daarvan openbaarden zich spoedig daarna ook in Schotland en voorts in Engeland de gaven des Heiligen Geestes. In vele kerken werd binnen korte tijd het profetische woord gehoord.

Op 7 november 1832 werd John Cardale in Londen door een machtig profetisch woord als Apostel aangewezen. Hij was daarmede de eerste drager van dit ambt in de eindtijd. In de daaropvolgende jaren werden meer Apostelen - vooralsnog in totaal twaalf - geroepen.

Wij laten hier uit de memoires van de voormelde rooms-katholieke pastoor Johannes Lutz allereerst een klein fragment volgen, dat op een wonderbaarlijke en aangrijpende manier duidelijk maakt, hoe God zelf Zijn kinderen bij de hand nam, hen leidde en hun de waarachtigheid van Zijn beloften bevestigde. Lutz zelf bericht, nadat hij reeds geruime tijd met de evangelist Caird samen was, over een gesprek met hem over Efeziërs 4.

Caird had gezegd: ,,In Engeland bevinden zich gemeenten zoals in het begin.” ,,Ik was totaal verbaasd over deze woorden en zei:, Wie leidt deze gemeenten?’ Mannen met een zeer goed inzicht’, was het antwoord. ,Hoe noemt men die mannen die zo’n goed inzicht hebben?’ vroeg ik verder. Apostelen’, sprak Caird. ,Wat? Apostelen?’ zei ik. ,Is dat waar? Op Apostelen en op een bijzonder werk Gods in de kerk wacht ik reeds veertien jaar’. ,Zo wacht u op Apostelen? Hoe komt u daarbij?’ vroeg Caird nu vol verwondering en interesse. Ik vertelde hem nu van mijn ervaringen in het moerasgebied aan de Donau, hoe daar enige personen in profetiën gesproken hadden en dat in deze woorden was gezegd dat de Heer, voordat Hij komt, weer Apostelen en gemeenten als bij aanvang zou geven. ,Wanneer hebben die mensen gesproken?’, vroeg Caird. ,Eind februari, in het jaar 1828, zijn zij begonnen te spreken antwoordde ik. ,In die tijd’, riep Caird, zijn ook in Schotland de profeterende personen begonnen te spreken.

Lutz reisde nu zelf naar Londen, waarover hij berichtte:

“Ik had toen meermaals de gelegenheid om de diensten bij te wonen en was er geheel vol van. Dit is de ware godsdienst. Ik hoorde ook profetische woorden van eenvoudige gemeenteleden. Zelfs een twaalfjarig meisje, een eenvoud burgerkind, hoorde ik profeteren en zelfs Griekse verzen (in tongen) zingen... Had ik voordien veel ondervonden van de werkzaamheid des Heiligen Geestes, dan werd mij nu nog veel meer geschonken... Toen ik uit Engeland terugkwam, sprak ik met verschillende Beierse geestelijken. Ik zei hun dat zij, wanneer zij nog bedenkingen tegen Gods werk hadden, dan zelf maar naar Engeland moesten gaan om de gemeenten te onderzoeken. Ik heb ze onderzocht en ben levendig overtuigd.”

Tenslotte willen wij als een bijzondere getuige nog de zeer bekende evangelische theoloog professor Dr. Heinrich W. J. Thiersch (1817-1885), aan het woord laten komen. Hij heeft zich in 1848 bij het werk Gods in de eindtijd aangesloten en zich als voormalig beroemd theoloog niet te verheven gevoeld om zich gelovig onder de mannen te stellen die hij na jarenlang onderzoek als waarachtige Apostelen des Heren had leren kennen.

Hij schrijft in een brief uit het jaar 1849 het volgende:

,,Na jarenlang onderzoek, na een persoonlijke beoordeling en alzijdige kennis van de zaak, mag ik en moet ik uitspreken wat voor mij een zekerheid geworden is. De vruchten van dit werk in de meest omvangrijke zin hebben mij van de goddelijkheid van haar oorsprong overtuigd, waar voor ik bereid ben alles op te offeren. Deze gaven, die zich in de apostolische gemeenten in Engeland, Ierland en elders in profetiën, in tongetaal en wonderbaarlijke genezingen geuit hebben en nog uiten, blijken waarachtige gaven des Heiligen Geestes en bewijzen van Zijn tegenwoordigheid te zijn. Het licht dat door de profetie over de geheimenissen van de Heilige Schriften en de raadsbesluiten van onze God verbreid is, is inderdaad een goddelijk licht. De eredienst zoals deze daar weer gestalte heeft verkregen, bewijst in haar reinheid, waardigheid en zegenrijke uitwerking daadwerkelijk en waarachtig de hernieuwde eredienst van de aloude kerk te zijn. De bewijzen van de waaracht vreze, godzaligheid en algemene plichtsbetrachting, verre van koortsachtige overspannenheid en fantasievolle opwinding, zijn duidelijk genoeg om hier de vruchten van een geestelijke genezing te doen beseffen. En ook, wat de menselijke verwachting en voorstelling nog het meest bevreemdend voorkomt, het herstel van het apostolische ambt wint, bezien in het licht en de samenhang van het geheel, aan waarachtigheid en geloofwaardigheid.

De gemeenten zijn werkelijk het bevestigende zegel van dit ambt en het bewijs van dat wat de goedheid Gods de gehele christelijke kerk wil bereiden.”

Verder wordt in zijn brief gezegd:

,,Op dit moment zij het mij veroorloofd vrijmoedig uit te spreken welke gevoelens een verslag als dit (over de zending der Apostelen) in de hoorders behoorde te verwekken. Ik vindt allereerst de wens dat zo’n groot bewijs van de macht en de trouw van God als waarheid bevonden moge worden... Voorts het besluit om zulk een ernstige zaak niet te beoordelen naar de beschrijvingen van de tegenstanders en anonieme krantenverslaggevers, evenmin naar de geschriften van diegenen die de rechtvaardigingsgrond om de zaak af te breken kunstmatig bij elkaar schrapen, doch deze onpartijdig, alzijdig en streng te onderzoeken. Ten slotte de overtuiging dat, of zulk een werk van God is of niet, slechts in het licht van de goddelijke Geest beseft kan worden dat dit licht iemand die het werkelijk zoekt, of hij nu geleerd is of niet, niet ontzegd wordt en dat wij in geestelijke aangelegenheden des te veiliger onderzoeken en oordelen kunnen naar mate wij in ieder opzicht zorgvuldiger de wil Gods doen.”

Prof. Dr. Heinrich W. J. Thiersch komt tot de volgende slotsom:

,,Een dwaalleer zou nog eerst bewezen moeten worden. Ik heb niets van dien aard gevonden, doch in tegendeel een diepgaande overeenstemming met de Heilige Schrift, een volledige harmonie met de geloofsbelijdenissen van de oude kerk, waardevolle ophelderingen over de onbegrijpelijke gedeelten van de Bijbel en uiteenzetting van de christelijke waarheid, die in staat is de vrede des harten en de ernst van een christelijk leven te bewerkstelligen. De karakters die ik heb leren kennen, komen hiermede overeen. Wie durft het aan om met oog op zulke feiten en ervaringen en tegen de woorden van Christus in te zeggen: de druiven zijn weliswaar goed, doch zij zijn gegroeid aan de doornhaag?

Heeft Christus werkelijk gezegd: Wacht u voor alle profeten en als zij optreden, verwerpt hen zonder meer, onbeproefd? ... De valse munt is per slot van rekening een nabootsing en garandeert het bestaan van de echte.

In tussen is de apostolische zaak zo zuiver en kern gezond, dat zij zichzelf bekrachtigt, juist tegenover de onderzoekers die diep graven, tegenover hen die uit de juiste bron putten en tegenover diegenen die open hun bezwaren opperen. Ten slotte blijft het toch onomstotelijk waar dat de edele vruchten van de groeiende erkenning van Christus en van ware heiliging, alsmede de volledige overeenstemming met de Heilige Schrift nooit aan een boom zouden groeien die, zoals de tegenstanders menen, niet God, doch menselijke aanmatiging zou hebben geplant. Hierop zou spoedig een goddelijk gericht volgen en de vruchten zouden verrotten; want God laat diegene niet ongestraft die Zijn naam misbruikt.”

Al wordt in christelijke kringen dan ook veelvuldig de mening verkondigd dat het apostelambt slechts voor het begin, de oerkerk, gegeven is, dan is deze opvatting niet in de laatste plaats weerlegd door het feit van de beschreven, her nieuwde roeping der Apostelen.

Volgens het raadsbesluit Gods moet de arbeid der Apostelen immers duren tot de wederkomst van Christus. Uit de gelijkenis van Jezus over de toevertrouwde ponden blijkt dit duidelijk:

,,Terwijl zij nu toehoorden, voegde hij er nog eene gelijkenis bij, en hij zeide: Een zeker voornaam man trok naar een ver land, om voor zich een rijk te verkrijgen, en dan weder te komen. Deze riep tien zijner dienstknechten, en gaf hun tien ponden, en zeide tegen hen: Drijft handel daarmede, totdat ik wederkom. “ (Lukas 19: 11-13)

Het is ook onjuist, als er beweerd wordt dat het aantal Apostelen in de oerkerk slechts twaalf zou hebben bedragen. De Heilige Schrift bevestigt dat behalve de door Jezus allereerst uitverkoren Apostelen er nog meer werkzaam zijn geweest zoals Matthias, Barnabas, Paulus, Andronikus, Junias e.a. Uit de ontwikkeling van de apostolische kerk in de eindtijd is gebleken en blijkt eveneens de roeping van meer Apostelen.

Het geloof aan de wederkomst Christi was het voornaamste kenteken van de apostolische kerk van de eerste tijd, de oerkerk. In hetzelfde levende geloof staat de apostolische kerk van de eindtijd. Basis van dit geloof zijn de woorden van de Zoon van God zelf die Hij tot Zijn Apostelen sprak:

,,En als ik heengegaan ben, en u plaats bereid heb, zal ik wederkomen en u tot mij nemen, opdat gij zijn moogt waar ik ben.” (Johannes 14:3)

Voordat wij ons bezighouden met de goddelijke beloften voor de toekomst en de daarmede verband houdende gebeurtenissen, willen wij in een beknopte beschrijving de opbouw, de orde, de zin en het doel van de kerk van Christus in de eindtijd, de Nieuw-Apostolische Kerk, behandelen.

De Nieuw-Apostolische Kerk heeft de ambten en de sacramenten die ook de oerkerk bezat: De Stamapostel, Apostelen, Opzieners, Oudsten, Herders, Evangelisten, Priesters en Diakenen. Er worden drie sacramenten toegediend. De Waterdoop, het Heilig Avondmaal en de Heilige Verzegeling (doop met de Heilige Geest), die allen bijbels bevestigd en door Jezus Christus zelf aan Zijn kerk gegeven zijn.

Het apostelambt is door Christus aan de mensheid gegeven om het goddelijke verlossingsplan uit te voeren. Als het apostelambt overbodig zou zijn, zou Jezus dat nooit in het leven hebben geroepen.

De dragers van het apostelambt worden in de Heilige Schrift gekenschetst als:

Zout der aarde en licht der wereld

,,Gij zijt het zout der aarde.- Gij zijt het licht der wereld...” (Mattheüs 5:13-14)

Christus’ dienaren en huishouders over Gods verborgenheden

,,Daarvoor houde ons een ieder, namelijk voor Christus’ dienaars en huishouders over Gods verborgenheden.” (1 Korinthiërs 4: 1)

Boodschappers in Christus plaats

,,Zoo zijn wij nu boden in Christus plaats, want God vermaant door ons; zoo bidden wij nu in Christus plaats: Laat u met God verzoenen.” (2 Ko rinthiërs 5:20)

Gods medehelpers en bouwlieden van de geestelijke tempel Gods

,,Want wij zijn Gods medehelpers: gij zijt Gods akkerwerk en Gods gebouw. Door Gods genade, die mij gegeven is, heb ik den grond gelegd als een wijs bouwmeester; een ander bouwt er op. Maar ieder zie toe, hoe hij daarop bouwt. “(1 Korinthiërs 3:9-10)

Kort voor Zijn hemelvaart sprak Jezus er met Zijn Apostelen over in welke volgorde zij het verlossingswerk moesten uitvoeren:

,,maar gij zult kracht ontvangen, als de Heilige Geest op u komt, en gij zult mijne getuigen zijn, te Jeruzalem en in geheel Judéa en Samarië, en tot aan het einde der aarde. En toen hij dit gezegd had, werd hij op genomen, dat zij het zagen, en eene wolk nam hem weg voor hunne oogen. “(Handelingen 1 : 8-9)

In de oerkerk verkondigden de Apostelen en hun medehelpers het evangelie in het toenmalige Romeinse rijk. In de tegenwoordige tijd zijn de Apostelen des Heren in bijna alle landen werkzaam, waardoor deze door Jezus gedane belofte wordt vervuld.

 

 

Onder de eerste Apostelen nam Petrus een bijzondere plaats in. Jezus gaf het apostellichaam een hoofd in de toenmalige Apostel Petrus; tot hem zei Hij:

,,En nu zeg ik u: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En ik zal u de sleutelen des hemelrijks geven; al wat gij op aarde binden zult, dat zal ook in den hemel gebonden zijn; en al wat gij op aarde ontbinden zult, dat zal ook in den hemel ontbonden zijn.” (Mattheüs 16:18-19)

Na Zijn opstanding verscheen Jezus aan Zijn Apostelen onder andere ook aan het meer van Genesareth. Daarbij stelde Hij Petrus drie keer de vraag:

,,Hebt gij Mij lief?” Toen hij deze toets met goed gevolg doorstaan had, gaf Jezus hem de opdracht Zijn kudde te dienen: Weid mijne lammeren. Weid mijne schapen.” (Johannes 21 : 15-17)

Daarmede bevestigde Jezus de opdracht om de leiding op zich te nemen die Hij Petrus reeds eerder had gegeven. Het huidige stamapostelambt komt met het ,,rotsambt” of leiderschap overeen dat Jezus aan Apostel Petrus had op gedragen.

Nadat de Apostelen in het begin zoals ook in de eindtijd met de opbouw van de kerk van Christus begonnen waren, bleek al spoedig dat zij de verzorging van de zielen niet alleen konden doen. De Heer gaf door de Apostelen van Zijn kerk verdere ambtsgaven, waarover Apostel Paulus schrijft:

,,En God heeft gesteld in de gemeente ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leeraars. “(1 Korinthiërs 12:28)

,,En hij heeft sommigen tot apostelen gegeven: en sommigen tot profeten, sommigen tot evangelisten, sommigen tot herders en leeraars; opdat de heiligen bereid zouden worden tot het werk des ambts, waardoor Christus’ lichaam opgebouwd wordt, totdat wij allen komen tot de eenheid des geloofs en der kennis van Gods Zoon, en een volwassen man worden, naar de maat van Christus’ volkomen ouderdom;” (Efeziërs 4: 11-13)

Evenals in de oerkerk zetten ook heden uitsluitend de Apostelen ambtsdragers in. De eerste ambtsinzetting van zeven Diakenen vond plaats in de gemeente te Jeruzalem, die door de Apostelen door handoplegging en gebed werd vol trokken:

,,welken zij voor de apostelen stelden; en gebeden hebbende, leiden de handen op hen.” (Handelingen 1:6)

Met de instelling van de drie heilige sacramenten: Doop, Avondmaal en Verzegeling, heeft de Heer zelf de enige weg gelegd waarlangs men in het rijk Gods kan komen. Daarover lezen wij:

Dat wat de Heer voor de eerste christenen verordineerd heeft als een noodzakelijkheid voor hun zieleheil, is ook in onze tijd onontbeerlijk.

Laten wij ons hier in het kort nog even aan de Openbaring van Johannes wijden die met indrukwekkende beelden goddelijke beloften voor de huidige tijd en meer in het bijzonder voor de toekomst openbaart.

 

 

 

 

 

Het profetische en laatste boek van het Nieuwe Testament toont in beeldspraak de ontwikkeling van de christelijke kerk. Verder worden behalve de omstandig

,,Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij in het rijk Gods niet komen. “ (Johannes 3:5)

,,En drie zijn er die (getuigen op de aarde: de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één.” (1 Johannes 5: 7-8)

,,In wien ook gij, toen gij geloofdet, verzegeld zijt geworden met den Heiligen Geest der belofte. “ (Efeziërs 1 : 13)

,,Maar toen zij de prediking van Filippus, aangaande het rijk Gods en den naam van Jezus Christus, geloofden, lieten zij zich doopen, beiden mannen en vrouwen.”

,,Toen nu de apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samarië het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, en dezen, toen zij afgekomen waren, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten.”

,,Toen leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest.” (Handelingen 8: 12, 14, 15, 17)

Een beschadiging der aarde, zoals in Openbaring 7 voorzegd, is in de beschreven omvang pas sinds recente tijd mogelijk. De daartoe vereiste vernietigingsmiddelen waren in de tijd van de oerkerk nog niet, doch zijn heden in overvloed aanwezig.

Wij laten hier nog enige teksten volgen die in het 4e boek Ezra opgetekend zijn. In vroegere Duitse bijbeluitgaven bevindt zich een aanhangsel bij de apocriefe boeken bij het 3e en 4e Boek Ezra en het 3e Boek der Makkabeën. Daarbij wordt het Boek Nehemia als het 2e Boek Ezra beschouwd. In Engelse bijbeluitgaven bevindt zich heden nog het 2e Boek Ezra. De samensteller van dit geschrift was een christen. Hij leefde - aldus wordt aangenomen - in de eerste eeuw na Christus. (Het 4e Boek Ezra is een profetie die oorspronkelijk uit het Hebreeuws stamt, doch slechts in de vertaling van de vertaling uit het Grieks aan het einde van de eerste eeuw na Christus bewaard gebleven is).

Als Luther de apocriefen tot boeken verklaarde ,,die niet gelijk te stellen zijn met de Heilige Schrift en toch nuttig en goed om te lezen zijn”, dan moge dit ook voor het Boek Ezra gelden.

Ter informatie is het voorwoord bij het aanhangsel van de apocriefen en het 4e boek Ezra uit een Duitse bijbeluitgave van de 17e eeuw hier in originele druk weergegeven en direct aansluitend in hedendaags gangbaar Nederlands vertaald.

Voorwoord bij het aanhangsel van de apocriefen:

,,Op een bepaald moment eindigen de boeken van het Oude Testament, naar de vertaling van de heer Luther: Daaraan kunnen wij niets verbeteren, toevoegen of afdoen. Dat wij echter deze toegift aan de drie bovengenoemde boeken toch als aanhangsel (Appendicis loco) willen toevoegen, a.h.w. ten overvloede, daartoe beweegt ons niets anders dan dat het voor sommige mensen als curiositeit moge dienen, die ik weet niet welke geheimenissen en voorspellingen hieruit en ook uit het 4e boek Ezra zoeken, deze onder de mensen in de Duitse taal verspreiden, waardoor dan menige eenvoudige lezer op een dwaalspoor geleid wordt als hij de aangevoerde teksten ziet en deze niet in zijn eigen Bijbel kan lezen of vinden: Ja men zou zelfs de gedachte kunnen krijgen alsof er iets in zou staan dat tegen de leer van Luther getuigt, of dat men de gewone man zulke geheimen niet zou gunnen door hem niet alles uit de Griekse en Latijnse Bijbel mee te delen. De zulken zijn hiermede ten overvloede gediend.

En houd het er maar op, dat deze apocriefe boeken twijfelachtig en uit andere boeken samengesteld zijn en bij andere geloofwaardige boeken niet in de schaduw kunnen staan.

Thans willen we niets anders dan de bovenvermelde 3 boeken in het Duits vertalen, waarin ook Luther een ieder heeft vrijgelaten. Degene die dit niet bevalt, gaat er maar aan voorbij. Beproeft alle dingen, en behoudt het goede (1 Thess. 5:21).

Het 2e hoofdstuk:

De in ballingschap levende joodse gemeente beklaagt zich over haar verbanning. Ezra spreekt met hen en houdt hun het voorbeeld voor ogen hoe Sodom en Gomorra gestraft werden. Verkondigt de kerk van het Nieuwe Testament, dat Gods genade van weleer weer over haar zal komen. Haar zal het rijk gegeven worden. God zelf zal haar levend maken en haar de erkenning van haarnaam ruimschoots geven. Leert hoe de nieuwe apostolische kerk zich openbaart en God welgevallige diensten verricht.

(God) belooft haar Zijn vaderlijke bescherming tot aan de jongste dag. Hij krijgt een opdracht voor Israël, maar zij nemen deze niet aan. Daarom “ wendt hij zich tot de heidenen, die hij op een wonderbare wijze troost en vermaant. In een gezicht wordt hem een grote schare getoond met de zoon Gods midden onder hen. (Uit de bovenstaande teksten, komt de werkzaamheid van de Apostelen in de tegenwoordige tijd duidelijk naar voren.)

Verdere interessante aanwijzingen uit het 4e boek Ezra:

,,Mijn volk wees stil en wacht, want uw rust zal komen. Gij vrome verzorgster onderhoud uw kinderen, versterk hun voeten. En van de knechten die ik u gegeven heb, zal niemand omkomen, want ik zal ze uit uw midden nemen. Word niet moede, want wanneer de dag van angst en rampspoed komen zal, zullen anderen wenen en treurig zijn, maar gij zult vrolijk zijn en overvloed hebben.” (4 Ezra 2: 24-27).

,,Daarom zeg ik u, gij heidenen, die dit hoort en verneemt: verwacht uw herder, hij zal u eeuwige rust geven, want hij is nabij die aan ‘s werelds einde komen zal. Wees bereid de beloning van het rijk te ontvangen, want het eeuwig licht zal onophoudelijk voor u stralen tot in alle eeuwigheid. Vlied de schaduwen dezer wereld, ontvang uw lieflijke majesteit. Ik roep openlijk mijn Heiland aan als getuige. Ontvang het u toevertrouwde geschenk, wees vrolijk en breng dank aan diegene die u tot het hemelse rijk beroepen heeft. Maak u gereed en sta op om te zien het getal van diegenen die uitverkoren zijn tot de maaltijd des Heren. Diegenen die zich aan de duisternis van deze wereld ontrukt en van de Heer mooie klederen ontvangen hebben. Sion maak het getal vol en omstel diegenen die witte klederen ontvangen hebben, die de wet des Heren vervuld hebben. Het getal van uw kinderen, die gij begeert, is vol. Smeek de Heer dat uw volk geheiligd worde, dat vanaf het begin is uitverkoren. Ik Ezra, zag op de berg Sion een grote schaar die ik niet tellen kon; zij loofden allen de Heer met lofgezangen. En midden onder hen bevond zich een jongeling, die met zijn lengte allen overtrof en hij zette een ieder een kroon op het hoofd en werd steeds groter. Ik echter verwonderde mij hierover zeer. Toen vroeg ik de engel en sprak: goede heer, wie zijn dezen? Hij antwoordde en sprak tot mij: Dezen zijn het, die het sterfelijke kleed afgelegd en het onsterfelijke aangedaan hebben en die de naam Gods beleden hebben: nu worden ze gekroond en ontvangen palm takken. Vervolgens vroeg ik de engel: wie is echter de jongeling die hun de kroon opzet en hun palm takken in de handen geeft? En hij antwoordde en sprak tot mij: Hij is de Zoon van God, die zij in de wereld beleden hebben. Ik echter begon diegenen zeer te prijzen die zo standvastig de naam des Heren beleden hadden. Toen sprak de engel tot mij: Ga heen en verkondig mijn volk welke grote wonderen gij van de Heer uws Gods gezien hebt” (4 Ezra 2: 34-48).

Goddelijke beloften voor de toekomst

Wij bepalen ons nu bij de goddelijke beloften voor de toekomst, zoals deze op verschillende plaatsen in de Heilige Schrift klaar en duidelijk uitgesproken zijn. De meest betekenisvolle, nog nimmer plaatsgevonden en zich nooit herhalende gebeurtenis zal in de nabije toekomst de wederkomst van Christus zijn. In christelijke kringen wordt veelvuldig de mening verkondigd, dat Jezus bij Zijn wederkomst verschijnt om het laatste oordeel te houden, waarbij dan alle mensen overeenkomstig hun werken geoordeeld zullen worden. Dat is onjuist. Zijn komst, waarvan hier sprake is, geldt niet alle mensen, doch slechts de Zijnen. Aan de eerste Apostelen deed Jezus zelf de toezegging van Zijn wederkomst met de woorden:

,,En als ik heengegaan ben, en u plaats bereid heb, zal ik wederkomen en u tot mij nemen, opdat gij zijn moogt waar ik ben. “ (Johannes 14:3)

En bij de hemelvaart van Jezus ontvingen de Apostelen een bevestiging van deze belofte door de engelen Gods:

,,En toen zij hem nazagen, terwijl hij ten hemel voer, zie, toen stonden bij hen twee mannen in witte kleederen, die ook zeiden: Gij mannen van Galiléa, wat staat gij en ziet naar den hemel? Deze Jezus, die van u op genomen is ten hemel, zal komen, gelijk gij hem ten hemel hebt zien varen. “(Handelingen 1 : 10-11)

Jezus vertrok uit de kring van Zijn Apostelen. Bij Zijn wederkomst zal Hij zich aan niemand ‘anders dan opnieuw aan de Zijnen openbaren. De voor de wederkomst Christi toebereide eerstelingen worden bij Zijn verschijnen veranderd en weggerukt. Dit zal in een ogenblik geschieden, hetgeen blijkt uit de woorden van de Heilige Schrift:

,,Zie, ik kom als een dief; zalig is hij die waakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en men zijne schande niet zie.” (Open baring 16:15)

,,Maar van de tijden en uren, broeders, is het niet noodig u te schrijven; want gij zelve weet, dat de dag des Heeren zal komen gelijk een dief in den nacht.” (1 Thessalonikers 5: 1-2)

Met de wederkomst van Jezus valt de Eerste Opstanding samen. Daaraan nemen alle in Christus voleindigde zielen, van deze en gene zijde, deel.

,,Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding; over dezulken heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en met hem regeeren duizend jaren.” (Open baring 20:6)

,,Want zoo wij gelooven dat Jezus gestorven en verrezen is - zoo zal God ook degenen, die ontslapen zijn in Jezus, met hem opvoeren. Want dit zeggen wij u als een woord des Heeren, dat wij, die leven en overblijven bij de toekomst des Heeren, geen voorrecht zullen hebben boven degenen, die ontslapen zijn. Want hij, de Heer zelf, zal ... afkomen van den hemel; en de dooden in Christus zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, die leven en overblijven, tezamen met hen weggerukt worden in de wolken, den Heer te gemoet, in de lucht, en zullen alzoo altijd bij den Heer zijn.” (1 Thessalonikers 4: 14-17)

,,Zie, ik zeg u eene verborgenheid: wij zullen niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, en dat plotseling, in een oogenblik, ten tijde der laatste bazuin; want de bazuin zal haar geluid geven, en de dooden zullen opstaan, onvergankelijk, en wij zullen veranderd worden.” (1 Korinthiërs 15: 51-52)

De laatste bazuin is de zevende. Bazuin betekent de verkondiging van het evangelie.

maar in de dagen van de stem des zevenden Engels, als hij bazuinen zal, zal voleindigd worden de verborgenheid Gods, gelijk hij verkondigd heeft aan zijne dienstknechten, de profeten. “(Openbaring 10: 7)

In aansluiting aan de Eerste Opstanding volgt het triomfale feest der vereniging van Jezus met Zijn uitverkorenen, de bruidsgemeente. Dit is dan de bruiloft in de hemel, zoals in Openbaring 19 beschreven is:

,,En ik hoorde als eene stem van eene groote schare en als eene stem van vele wateren en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Heer onze God, de almachtige, heeft het rijk aanvaard. Laat ons verheugd en vroolijk zijn, en hem de eer geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zich bereid. ..“

,,En hij zeide tot mij: Schrijf Zalig zijn zij die tot het bruiloftsmaal des Lams geroepen zijn. En hij zeide tot mij: Dit zijn de waarachtige woorden Gods.” (Openbaring 19: 6-7 en 9)

Tijdens de bruiloft in de hemel zal het drijven van godevijandige en anti-christelijke machten op aarde een onvoorstelbare omvang aannemen. Wij lezen daarover in de Openbaring en in het 4e boek Ezra:

,,En de vier Engelen werden ontbonden, welke gereed waren om op uur en dag en maand en jaar het derde deel der menschen te dooden. En het getal der ruiters was tweemaal tien duizendmaal tien duizend; en ik hoorde hun getal. En alzoo zag ik de paarden in dit gezicht, en die er op zaten: zij hadden vurige en purperen en zwavelkleurige pantsers; en de hoofden der paarden waren als leeuwenhoofden, en uit hunnen mond ging vuur en rook en zwavel. Door deze drie plagen werd het derde deel der menschen gedood, namelijk door het vuur, door den rook en door den zwavel die uit hunnen mond ging.” (Openbaring 9: 15-18)

,,Zie, wolken komen van de opgang (der zon) en middernacht tot aan de middag en hun gestalten zijn zeer verschrikkelijk vol toom en storm wind En zij zullen zich aan elkander stoten en zullen tegen elkaar aangaan een groot gesternte op aarde en het bloed van het zwaard zal reiken tot aan de buiken. En de mest der mensen tot aan de rug van de kameel. Summa, er zal een grote vreze en beven zijn op aarde en die de toom zullen zien, zullen zich ontzetten, en schrik zal hen aangrijpen. En na dit alles zullen grote plasregens zich verheffen van de middag en van middernacht en een ander deel van de ondergang (der zon) En de oostenwinden zullen de overhand verkrijgen en zullen datzelve omvangen, en ook de wolken die de toom opgewekt heeft, en het gesternte zal verwond worden een verschrikking te maken tegen de opgang en ondergang (der zon) En grote en dikke wolken vol toom zullen opstijgen en ook een gesternte, zodat zij verschrikken de gehele aardbodem en degenen die daarop wonen. En zij zullen uitgieten over alle plaatsen die hoog verheven zijn een verschrikkelijk gesternte vuur en hagel en vliegende zwaarden en veel water opdat ook gevuld worden alle velden en alle beken door de menigte van vele wateren. En er zullen nedergehaald worden steden en muren, bergen en heuvelen, het hout der wouden, het hooi op de weiden en haar graan (4 Ezra 15 34-42)

Vliegtuigen raketten enz waren 1900 jaar geleden totaal onbekend In de gezichten worden zij als wolken vol toom vliegende zwaarden enz duidelijk gekenmerkt Deze verschrikkelijke tijd vindt een einde doordat Satan wordt gebonden en hierdoor zijn invloed op de mensen in de daaropvolgende tijd volledig wordt uitgeschakeld. In het dan aanbrekende Duizendjarig Vredesrijk kan vervolgens aan alle volken ongehinderd het evangelie van Jezus Christus verkondigd worden.

,,En ik zag een Engel van den hemel dalen, die had den sleutel des afgronds en eene grote keten in zijne hand. En hij greep den draak, de oude slang, die de duivel en de satan is, en bond hem voor duizend jaren, en wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden voleindigd zijn; en daarna moet hij voor een kleinen tijd ontbonden worden.” (Openbaring 20: 1-3)

Dan is het moment gekomen, waarop het koninklijk priesterdom zijn arbeid in een nieuw, door de Heer vastgesteld tijdsbestek begint. Wat we daarover moeten weten, heeft de Heer door de profeten reeds als volgt laten zeggen:

,,En hij zal richten onder de volken, en vele natiën bestraffen; dan zullen zij hunne zwaarden tot ploegijzers en hunne spiesen tot sikkels maken; want geen volk zal tegen het andere het zwaard meer opheffen, en zij zullen voortaan niet meer leeren oorlogen.” (Jesaja 2:4)

,,gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn, en waarheid de gordel zijner heupen. De wolven zullen bij de lammeren wonen, en het luipaard bij de bokken liggen; een klein jongsken zal kalveren en jonge leeuwen en mestvee tezamen drijven koeien en berinnen zullen ter weide gaan dat hare jongen bij elkander liggen en de leeuwen zullen stroo eten gelijk de ossen en een zuigeling zal zijnen lust hebben aan het hol der adders en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in den kuil van den basihsk Men zal nergens leed doen noch verderven op mijnen heiligen berg; want het land zal vol zijn van de kennis des Heeren, gelijk water de zee bedekt.” (Jesaja 11 : 5-9)

,,Ik zal goud in plaats van koper, en zilver in plaats van ijzer brengen, en koper in plaats van hout, en ijzer in plaats van steenen; en ik zal uwe overheden vreedzaam maken en uwe heerschers rechtvaardig Men zal van geen geweld meer hooren in uw land, noch van schade of verderf binnen uwe grenzen; maar uwe muren zullen heil, en uwe poorten lof genoemd worden (Jesaja 60 17-18)

En hij zal nachten onder groote volken en vele natien bestraffen in verre landen; dan zullen zij hunne zwaarden tot ploegijzers en hunne spiesen tot sikkels maken; want geen volk zal tegen het andere het zwaard meer opheffen en zij zullen voortaan niet meer leeren oorlogen;” (Micha 4 : 3)

Als deze tijd voleindigd is, zal de in de Openbaring aangekondigde Tweede Opstanding en het laatste oordeel plaatshebben.

,,En ik zag een grooten witten troon, en dengeen die daarop zat, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en voor hen werd geen plaats gevonden. En ik zag de dooden, groot en klein, voor den troon staan, en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, hetwelk het Boek des Levens is; en de dooden werden geoordeeld volgens het geschrevene in de boeken, naar hunne werken. En de zee gaf de dooden die daarin waren, en de dood en het doodenrijk gaven de dooden die daarin waren, en zij werden geoordeeld elk naar zijne werken. En de dood en het doodenrijk werden geworpen in den vuurpoel: dit is de tweede dood. En zoo iemand niet werd gevonden geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in den vuurpoel. “ (Openbaring 2 : 11-15)

Daarmede heeft het verlossingswerk van onze God zijn afsluiting gevonden.

Dan eerst zal de beloofde nieuwe schepping tevoorschijn treden.

De Heer zelf gaf ons de zekerheid, dat alles zo vervuld zou worden als Hij het beloofd heeft, want Hij zei:

,,Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaan.” (Lukas 21:33)

Ter bevestiging van deze woorden toonde Jezus aan Apostel Johannes in de openbaring op Patmos deze nieuwe schepping. Johannes schreef hetgeen hij zag als volgt neer:

,,En ik zag een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbij gegaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, van God uit den hemel nederdalen, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de hut Gods is bij de menschen, en hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal met hen zijn als hun God. En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw noch geschrei, noch smart zal er meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En hij zeide tot mij: Schrijf! Want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. “(Openbaring 21 : 1-5)

Hier moet tot een beter begrip er nog op gewezen worden dat er tussen de nieuwe schepping en de stad Gods een onderscheid bestaat, zoals men ook met de hoofdstad van een land niet het gehele land aanduidt. Deze stad Gods wordt ook als hut Gods aangeduid. Het is de woning en openbaringsplaats van de Aller hoogste, waarin Hij Zijn leven en wezen ontplooit.

Na dit inzicht in de diepe waarheden van de Heilige Schrift willen wij ons nu nog bij de belangrijke vraag bepalen, in welk tijdsdeel van het heilsplan Gods wij ons nu bevinden.


 

 

Blik in de toekomst

De voleinding van de kerk van Christus - Het vooruitzicht op de nabije wederkomst van Jezus Christus

De juiste beoordeling van de uiteengezette, voor onze tijd gegeven goddelijke beloften vereist de grootste aandacht, want het werk Gods van heden wordt op grond van verkeerde inzichten verschillend beoordeeld. Deze wortelen diep en worden vaak hartstochtelijk verdedigd. Er is een bijzondere genade Gods voor nodig om zonder vooringenomenheid al datgene te onderzoeken wat voor vele mensen nieuw en in tegenspraak met de een of andere theologische benadering schijnt te zijn.

Allereerst is een kinderlijk geloof noodzakelijk. In de vrome Zacharias hebben wij een opvallend voorbeeld van geloofskracht en van geloofszwakte. Hij bad lang om een zoon. Wij lezen dat hij en zijn vrouw reeds op gevorderde leeftijd waren (Lukas 1: 7). Hoewel Zacharias geen uitdrukkelijke belofte zoals Abraham had gekregen, bad deze godvrezende man en twijfelde niet. Toen God hem door de Engel de vervulling van zijn verlangen toezegde - twijfelde hij desondanks! Hoevelen zullen er in onze tijd aan hem gelijk zijn? Want in vele landen werd reeds lang en van vele zijden om een uitstorting van de Heilige Geest gebeden. Velen beseften ook dat men voor de wederkomst van de Heer moet worden toebereid. De wonderbaarlijke kracht van de Heilige Geest in de huidige, wederopgerichte oorspronkelijke kerk van Christus, de reeds aangehaalde en in het voorwoord van het 2e hoofdstuk van het 4e boek Ezra genoemde Nieuw Apostolische Kerk, wordt in zijn algemeenheid sterk betwijfeld, zo niet ongelovig afgewezen.

In dit verband is het volgende feit opmerkelijk. Ook de joodse theologen, de schriftgeleerden en priesters, gaven in de tijd van Jezus bij de eerste komst van de Heer en tijdens Zijn arbeid op aarde blijk van volledig verkeerde inzichten. Ook onder het volk waren deze onjuiste opvattingen algemeen verbreid. Dit was ook de reden dat volk en geestelijkheid Jezus, de Zoon van de levende God, op grond van hun eigen inzichten verwierpen.

Het is ook heden een feit dat de inzichten en verwachtingen der christenheid, bij het volk en de geestelijkheid, met betrekking tot de aanstaande tweede komst des Heren en de voordien optredende gebeurtenissen alsmede met betrekking tot de kerk van Christus van de laatste tijd, met de Heilige Schrift in tegenspraak zijn.

Zal de Heer zich nu naar de inzichten, begrippen en verwachtingen, van de mensen richten, omdat Zijn beschikkingen of beloften niet overeenstemmen met hun verwachtingen? Dat is vandaag evenmin het geval als in die dagen. De tekenen van Zijn tweede komst zijn tegenwoordig herkenbaar!

Met betrekking tot Zijn wederkomst gaf Jezus Zijn Apostelen o. a. de volgende aanwijzing:

,,Maar gelijk het in de dagen van Noach was, zoo zal ook zijn de toekomst van des Menschen Zoon. Want gelijk zij waren in de dagen v66r den zondvloed, aten en dronken, trouwden en zich lieten trouwen, tot den dag toe, dat Noach in de ark ging, en zij het niet achtten, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; zoo zal ook de toekomst zijn van des Menschen Zoon. (Mattheüs 24:37-39).

De tijd waarin Noach leefde (beschreven in Genesis 1, hoofdst. 6 en 7) vertoonde opmerkelijke kentekenen, b.v.:

,,Het verreweg grootste deel der toentertijd levende mensen kwam in opstand tegen God en tegen elkaar. Gods raadsbesluit was vreemd voor hen geworden; zij sloegen er geen acht op, evenmin op het dreigende strafgericht. Zij leefden in weelderigheid en ontucht. Ongerechtigheid en ruw geweld namen de overhand. De menschen willen zich van mijnen Geest niet meer laten bestraffen; want zij zijn vleesch. Toen nu de Heer zag dat de boosheid der menschen groot was op de aarde, en al het dichten en pogen hunner harten altijd alleen hij boos was, toen berouwde het hem dat hij de menschen gemaakt had op de aarde, en het bekommerde hem in zijn hart, en hij sprak: Ik wil de menschen, die ik geschapen heb, verdelgen van de aarde.” (Genesis 6:3 en 5-7).

Zoals door Jezus voorzegd is, zijn de vergelijkingen met de tijd van Noach heden duidelijk en op een indrukwekkende wijze te constateren. Wie let er echter op?

Wij hebben geen enkele reden om aan te nemen, dat de Heer in onze tijd niet zal komen. Ontelbare aanwijzingen rechtvaardigen het geloof en de blijde verwachting dat de dag van Zijn wederkomst dicht voor de deur staat. De Heer zij dank dat de hoop op Zijn spoedige wederkomst vandaag bij vele duizenden wedergeborenen levend is en zij deze met een groeiend verlangen tegemoet zien.

In de loop van de laatste tientallen jaren hebben ook andere christelijke kringen zich beziggehouden met de bijbelse aanwijzingen aangaande de Eerste Opstanding. Het is daarom opmerkelijk, hoeveel waardevols een in de bijbel’ gelovende wetenschapsman voor een groot gezelschap over de eindtijd zei. Weliswaar kon hij de vraag, wie het zegel Gods aan zijn voorhoofd draagt, niet beantwoorden, daar dit door de Heer alleen aan de knechten Gods, die de Heilige Geest dragen, is voorhouden (Openbaring 1 : 1). Wij willen hier passages uit een voordracht van Professor Dr. Rohrbach, die aan de universiteit van Mainz verbonden is, laten volgen:

,,Wat wordt met de eindtijd bedoeld? ... Het is de tijd tussen het eerste komen van Jezus en Zijn tweede komen, de wederkomst die wij tegemoetzien, waarop wij wachten, waarop ieder zich verheugt en verheugen mag die aan Hem gelooft. Nu zal menigeen daar direct tegenin brengen:

Is dat dan werkelijk nuchterheid, met de wederkomst van Christus rekening te houden, zeker als natuurwetenschapsmens? Huldigt men niet de opvatting, dat er nooit een einde aan deze wereld zal komen en dat zij altijd zal blijven bestaan?... Nu, ik beken graag dat ik een natuurwetenschapsmens ben die aan de wederkomst van Christus gelooft, die van daaruit zijn leven en onderzoekingen laat bepalen en die zich van harte daarop verheugt. En ik geloof, dat ik daarin heden niet alleen sta. Ik noem slechts één getuige die velen van u bekend zal zijn, niet in het minst door zijn oproep inzake het atoombommen vraagstuk en door vele geschriften en voordrachten, de astrofysicus Cari Friedrich von Weizsâcker. Hij heeft zich tegenover studenten zo nu en dan in deze zin geuit: Er is maar één ding dat wij zeker weten, namelijk dat Jezus Christus wederkomen zal. En ik geloof ook dat niets anders zekerder is, zelfs niet het feit dat wij eenmaal sterven moeten - zoals zoveel mensen graag beweren is het enig zekere de dood. Er zullen mensen zijn, die de wederkomst Christi zullen beleven (1 Kor. 15: 51), die dan in één ogenblik veranderd en overkleed worden met het nieuwe lichaam...

Het was de theoloog Karl Barth, die zich in een gesprek met C. F. von Weizsacker ongeveer als volgt uitte: ,,Als u gelooft wat alle christenen zeggen, doch wat haast niemand gelooft, niet dat Jezus wederkomt, dan kunt u zich verder met natuurwetenschap bezighouden, anders niet”

God houdt zich aan Zijn woord. Wij moeten er zeer zeker rekening mee houden dat deze aarde, dit heelal zullen vergaan.

De oude veronderstellingen van het eeuwig bestaan der wereld zijn door de natuurwetenschappen zelf terzijde geschoven. Of om het met de woorden van een vertegenwoordiger van de theoretische fysica, Pascual Jordan, te zeggen: De uitkomsten van de moderne fysica loochenen het natuurwetenschappelijke wereldbeeld van de nieuwe tijd, dat zijnerzijds God verloochend heeft...

Het is mij er slechts aan gelegen, dat men de profetische visie van het Oude en Nieuwe Testament over de eindtijd niet - zoals het lange tijd is gebeurd - als absurd en onmogelijk kan afdoen. Wij hebben intussen genoeg ervaringen opgedaan en zien duidelijk gevaren voor ons, die aantonen dat de verwezenlijking van de profetieën niet meer natuur- wetenschappelijk te weerleggen is. Alles, de atoombommen, de raketwapens, de radioaktieve besmetting zal, overeenkomstig de ons zo indringend gebrachte boodschap van Joël, in vier golven komen (vgl. Joël 1 :4; rupsen, sprinkhanen, kevers en kaaivreters)...

Zelfs voor de beoefenaar van de natuurwetenschap van heden heeft, zoals ik reeds stelde, heel zijn onderzoek slechts betekenis als hij erop kan ver trouwen dat Jezus Christus wederkomt...

Als God echter wil, zal onze zon te gelegener tijd eenmaal vergaan en als dat gebeurt, verliest de maan haar schijn, de aarde begint te tuimelen gelijk iemand die dronken is, omdat de zon als het centrum dat haar aantrekt, uiteenvalt, en dan zal het zijn alsof de sterren naar beneden vallen. Wij moeten er op rekenen dat dit gebeurt...

De mensen die het zegel van God aan hun voorhoofd dragen, worden niet gepijnigd (Openbaring 9: 4). Hoe zij dit zullen doormaken, weet ik niet; wellicht (1 Thessalonikers 4 : 16-17) worden zij weggerukt in de wolken - niet in de atmosferen waarin de catastrofen zich afspelen, neen - weggerukt in de onzichtbare werkelijkheid Gods, in één ogenblik. Bij hetzelfde woord ,,atoom” zullen zij ontrukt worden, terwijl andere mensen door atomaire krachten weggevaagd worden naar het raads besluit van God.

Wie draagt dan wel het zegel Gods aan het voorhoofd? Niemand kan van zichzelf beweren dat hij het wel of niet bezit. Wij zijn allen in de eerste plaats gebrandmerkt met het teken van Kam aan ons voorhoofd, het teken van de broedermoord, het teken van hen die zich niet om hun broeder bekommeren. Niemand kan zich verbeelden dat hij niet zo getekend is...

Daarom tracht er naar, dat God u dit zegel aan het voorhoofd geeft en het teken van Kam uitwist...

Bid er om, dat u het zegel Gods aan uw voorhoofden verkrijgt dat engelen en demonen moeten respecteren.”

Tot zover de uiteenzettingen van Professor Rohrbach, die voor zichzelf spreken en die wij niet verder behoeven toe te lichten. (Uit: ,,Naturwissenschaft und Gotte serkenntnis”, door Dr. Hans Rohrbach, 5e Voordracht - 1959)

De eerstvolgende gebeurtenis die wij in onze dagen te verwachten hebben, is dus de opstanding van de ontslapenen die met de Geest gedoopt zijn, de verandering van de levenden die wederomgeboren zijn en hun ontrukking tot God en Zijn Zoon. Wanneer dit geschied is, heeft Satan op aarde volledige vrijheid van handelen en zal uitvoeren wat in de Openbaring 13 : 4-14 en 2 Thessalonikers 2 : 9-11 geschreven staat. Dat is de tijd van de grootste rampspoed, waarin de ergste besproevingen hun hoogtepunt bereiken. Ook dit moet volgens het goddelijk raadsbesluit een bepaalde tijd duren. Dan zal de Heer Jezus met de Zijnen, zichtbaar voor allen op de aarde terugkomen. Hij komt dan echter niet meer als het Lam dat de zonden der wereld draagt, maar als Koning en Rechter. Als eerste zal Hij Satan, Zijn aartsvijand, voor duizend jaar binden.

Dan bestijgt de Heer met Zijn tot koningin verheven bruid de troon in de hemelse stad (Openbaring 3 : 21, 20 : 4; Mattheüs 19 : 28; Lukas 22 : 28-30; 1 Korinthiërs 6 : 2-3). Nu heeft de Heer met Zijn bruid de aarde in bezit genomen. Daar nu de vloek weggenomen is, zal zij spoedig weer een paradijselijke toestand bereiken. In aansluiting daaraan zal alles in vervulling gaan wat wij reeds zeer uitgebreid uiteengezet hebben.

Wanneer we nu aan het einde van onze verhandeling nogmaals op Gods heils- en verlossingsplan terugblikken, dan kunnen we ons slechts verwonderen, aanbidden en danken voor de oneindige liefde, genade en barmhartigheid van onze God, die Hij de gevallen mensheid in een zo’n buitengewone mate schenkt. Wie zou dan niet met David, de grootste psalmdichter van Israël willen uitroepen:

,,Wat is de mensch dat gij aan hem denkt, en des menschen zoon dat gij op hem acht geeft! Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met eer en heerlijkheid hebt gij hem gekroond; gij stelt hem tot een heer over de werken uwer handen, alles hebt gij onder zijne voeten gezet.” (Psalm 8: 5-7)

Wie zou met de Apostel niet willen uitroepen:

,,O welk een diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Want van hem, en door hem, en tot hem zijn alle dingen. Hem zij eer in eeuwigheid!” (Romeinen 11:33 en 36)


 

 

Slotwoord

Wij hebben het voorwoord van dit geschrift, dat slechts een overzicht van het majestueuze heilsplan Gods kan bieden, aan de onomstotelijke overtuiging vastgehouden dat wij geen nieuwe godsdienst nodig hebben, maar dat de weg des levens reeds aanwezig is. Deze zekerheid wordt vooral gebaseerd op de ervaringen die wij met de eeuwige en onveranderlijke God, de Schepper van alle dingen, veelvuldig opdoen en omdat wij menigvuldige bewijzen van Zijn liefde en trouw aan het verbond konden verkrijgen.

Nu rijst bij velen de vraag: Kan een modern, rationeel denkend mens heden nog aan God, een verder leven na de dood en de beloften van de Heilige Schrift geloven? Dat zijn vragen van buitengewone betekenis voor alle mensen. Van de beantwoording hiervan hangt de eeuwige toekomst af. Niemand mag hier onverschillig tegenover staan.

Laten we ons toch eens afvragen wat er verandert wanneer God bestaat - en wij weten dat de eeuwige God leeft en werkt:

-         Dan zou het verborgen verlangen van ontelbare mensen van alle tijden naar de ene ware ,,godsdienst”, de waarachtige godsverering en het verlangen naar een hogere macht, ja naar God, hun Schepper zelf, te stillen zijn.

-         Dan zou de oorspronkelijke reden en de oorspronkelijke bedoeling van de schepping en van de mensheid te verklaren zijn.

-         Dan zouden de vragen, ,,waar komen we vandaan”, ,,wie zijn wij”, ,,waarheen gaan wij?” te beantwoorden zijn.

-         Dan zou zelfs al het onafwendbare menselijke lijden en ongeluk, alle pijn, alle rouw en dood, gericht zijn op een uiteindelijk allesomvattende bedoeling en daarom te begrijpen zijn.

-         Dan zouden ten slotte de grote raadselen van de geschiedenis der mensheid op te lossen zijn.

Veel mensen vertrouwen op de wetenschap en op hun vermeende vooruitgang. Hun geloof aan God, de Heilige Schrift en de wonderen waarover deze bericht, is verkommerd. Het aantal degenen die in een toenemende mate sceptisch tegen over een naïef wetenschappelijk geloof dat op de vooruitgang is gericht, staan, is echter in de laatste tijd toegenomen. Want - men mag zich toch ook afvragen:

-         Heeft de wetenschap reeds alle dingen opgelost?

-         Heeft zij het aanwezige verlangen en hopen in de vele harten der mensen gestild?

-         Heeft zij de ontelbare wonderen der schepping definitief en alomvattend op gehelderd?

-         Heeft zij de belangrijkste vragen van het menselijk bestaan beantwoord?

-         Kan zij het ontstaan van nieuw leven of het optreden van zielesmart en droefenis nagaan en begrijpen?

-         Heeft zij uiteindelijk alle wereldproblemen opgelost?

De onbevooroordeelde zal moeten zeggen: Neen! De wetenschap is tot zoiets niet in staat gebleken en zal het ook nooit kunnen. Dat was en is overigens de bekentenis van alle grote en serieuze geleerden zelf!

Daarbij kunnen geloof en kennis elkaars bestaan niet wegcijferen. Omdat dezelfde God, de God der waarheid, de grondlegger van de schepping als mede ook van de Heilige Schrift is, kunnen geen tegenstrijdigheden tussen beide bestaan. Niet de onwetendheid staat tegenover het geloof, maar het ongeloof. Niet het geloof staat tegenover de kennis, maar de onkunde.

Daarover zei een wijze man eens heel treffend:

,,Studeer maar voort en rust niet uit; gij komt niet ver met al uw wroeten. Het is het eind der filosofie, te weten dat wij geloven moeten!”

Geibel