@all
In het woordenboek keek ik zojuist even na wat er staat bij "onbaatzuchtig", namelijk "niet zijn eigen voordeel zoekend ten koste van anderen". Ook was ik benieuwd of dit woord nog wel voorkomt in de Nieuwe Bijbelvertaling van 2021: één keer, in het zeldzaam veelzeggende hoofdstuk Wijsheid 7 van de zgn. Deuterocanonieke boeken. Hoe kwam ik hierop? In de achterliggende week kwam ik kort nog in contact met degene over wie ik vorig jaar het onderstaande liet weten:
TjerkB schreef: ↑di 16 mei 2023, 11:39(...)
Wie ten prooi valt aan psychisch geweld, komt er soms nooit echt overheen. Juist als kind of als jongvolwassene zal het je dus maar overkomen. Door vrijwilligerswerk bezocht ik onlangs een studio-opname van een praatprogramma op tv. Daarbij kwam het ter sprake dat kinderen er al grote moeite mee kunnen hebben om, tegen hun eigen gevoel of natuur in, in hun omgeving maar niet van een kennelijke norm af te wijken. Als je niet spontaan jezelf kunt zijn, dus onvrij om je eigen identiteit te ontwikkelen; dat is traumatiserend! Het staat je autonomie lelijk in de weg. Tegen het einde van de opname stond een oude dame op. Zij vertelde zichzelf pas dít jaar op Bevrijdingsdag voor het eerst echt vrij te hebben gevoeld! Later sprak ik haar. Bij toeval was zij enkele jaren geleden begonnen met lessen "innerlijk tekenen". Die brachten veel aan het licht. Het had met name van doen met allerlei verkrampingen (...) die het gevolg bleken te zijn geweest van een allesbepalende christelijke geloofstraditie.
(...)
Uit: Bericht op "
di 16 mei 2023, 11:39", in de thread "Renske Doorenspleet: Apostelkind (2020 Uitgeverij Balans)"
Een kerkelijke ambtsdrager in wie je een Godsgezant hoopt te zien, zal het eigen voordeel niet zoeken ten koste van een ander want immers; hoe kan de liefde van God samengaan met nagestreefd gewin, aanzien of macht? Dienend leiderschap in Zijn gemeente brengt wezenlijk andere prioriteiten mee dan wat er verder nog aan de orde kan zijn bij de bedrijfsvoering in een humanitaire organisatie. Niemand kan zich de wijsheid van God zelf toe-eigenen. Net als ons geloof en Zijn liefde is die wijsheid een waardevol geschenk. Onbaatzuchtig dienen getuigt van wijsheid! Dít las ik erover in Wijsheid 7:
- [13] Onzelfzuchtig heb ik haar verworven, onbaatzuchtig geef ik haar door, zonder haar rijkdom te verbergen. [14] Zij is voor mensen een onuitputtelijke schat; wie haar verwerft raakt bevriend met God, die mild gestemd is door de gaven uit haar onderricht.
[15] Moge God mij vergunnen met verstand te spreken en te denken in overeenstemming met de gaven die mij geschonken zijn. Hij is de gids van de wijsheid, Hij is het die wijzen verbetert.
(...)
[22] De wijsheid, de maakster van alles, heeft mij onderricht. Zij heeft een geest die verstandig en heilig is, uniek, veelzijdig, verfijnd, beweeglijk, helder, rein, betrouwbaar, onkwetsbaar, goedwillend, scherpzinnig, [23] onstuitbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwrikbaar, onbezorgd, almachtig, alles overziend en alle geesten doordringend, hoe verstandig, zuiver of verfijnd ze ook zijn. [24] De wijsheid is beweeglijker dan alles wat beweegt, ze doordringt en doorstroomt alles met haar zuiverheid. [25] Ze is de adem van Gods kracht, de zuivere straling van de luister van de Almachtige; niets dat onrein is kan haar binnendringen. [26] In haar schittert het eeuwige licht, in haar wordt Gods kracht feilloos weerspiegeld en zijn goedheid afgebeeld. [27] Ze is één maar kan alles, ze is onveranderlijk maar vernieuwt alles. Ze gaat over op elk volgend geslacht van vrome mensen en maakt hen tot vrienden van God, en tot profeten. [28] Want God heeft alleen degene lief die zijn leven deelt met de wijsheid. [29] In schoonheid overtreft ze de zon, haar plaats is boven de sterren. Ze is schitterender dan het daglicht, [30] want dat wordt gevolgd door de nacht, maar de wijsheid wordt nooit verduisterd door het kwaad.
Na aanvankelijk geruime tijd een afgezonderd bestaan in een klooster was het
leven van betrokkene gewijd geweest aan naasten, maar toen de vanuit haar denominatie geregisseerde werkzaamheden omstandigheden van ziekte meebrachten, had de hogere geestelijkheid haar afgedankt. Alleengaand en met dat ondervonden leed vervolgde zij haar weg. Wat op mij grote indruk maakte, was en passant spontaan déze opmerking:
- Mijn spreuk is: ik doe wat in mijn vermogen is. Dit is mijn aangepaste regel uit de Bijbel. Als een vrouw Jezus’ voeten wast met balsem en de apostelen het verkwisting vinden…
Vanuit de kerkbanken had collectieve vastberaden naastenliefde hier vast nog wel verschil kunnen maken, maar vermoedelijk was dat verschil uitgebleven doordat men de ketenende religieuze kluisters was aangelegd van een wél vermurwend doch geen heil aanbrengend gezagsorgaan.
Echter, nóóit lag het op de weg van zgn. waardigheidsbekleders om met
de waardigheid van naasten aan de haal te gaan; laat staan dezen brutaal de persoonlijke autonomie te ontnemen door hun lichamelijke en/of geestelijke integriteit te schenden. Voor aldus n.b. "in vereniging gepleegde
diefstal" heeft helaas door de jaren heen menigeen de hoogste prijs betaald. Indien onder christenen mooie woorden niet zegenend vergezeld gaan van de bijbehorende mooie daden, verworden predikbeurten en godsdienstoefeningen tot opium van het volk en façadepolitiek.
Groet,
TjerkB