Akte Peter Kuhlen betreffende de redenen van zijn besluit van 25 november 1950, zich terug te trekken uit diens ambt als Stamapostelhelper en opvolger als stamapostel.

 

APOSTOLISCHEOBSERVER.NL
VOOR NIEUWS EN HISTORISCHE ACHTERGRONDEN.

Index

Navigatie pagina

Disclaimer

Contact

Boeken

Anoniem reageren.

Archief

Zoeken binnen de site.
     
 

Akte betreffende de redenen van mijn besluit van 25 november 1950, mij terug te trekken uit mijn ambt als Stamapostelhelper en opvolger als stamapostel.

 (Vertaald uit het Duits naar de Nederlandse taal)


Peter Kuhlen
Voorwoord redactie apostolischekritiek.nl   

Op ons navigatie plein zijn vele brieven te vinden van DAp. Kuhlen.  Wij willen uitdrukkelijk vermelden dat deze Apostel is ingezet als STAMAPOSTEL, en niet als STAMAPOSTELHELPER. Als Stamapostel diende hij Stamapostel J.G.Bischoff als diens helper. Bijzonder is ook dat de Zuid-Afrikaanse District-Apostel H.F.SCHLAPHOFF(geb. 1894 gest. 1965) als Stamapostelhelper diende gedurende twintig jaar voor het zuidelijke halfrond(...) Ook hij werd in 1951 plotseling afgezet als Stamapostelhelper. Hiermee werd voorkomen dat bij een eventuele --plotselinge--dood van Stamapostel J.G. Bischoff, hij zou worden opgevolgd door zijn helper Schlaphoff. Dat scenario zou alsnog alle macht uit handen slaan van de Zoon van Bischoff ....Friedrich Bischoff! Hij en enige vrienden maakten in die tijd de dienst uit binnen de Nieuw Apostolische Kerk. 

Aangezien de Heren in Frankfurt de "boodschap"zelf hadden bedacht wisten zij dus dat Bischoff wel degelijk sterfelijk was. Niets meer en niets minder! Zij waren doodsbang dat na de dood van Bischoff deze door Kuhlen dan wel door Schlaphoff zou worden opgevolgd. Indien zij zelf in de "boodschap"hadden gelooft, dan hadden zij immers niemand hoeven af te zetten. Geachte lezers denkt u alstublieft over die laatste zin goed na!

Het is zeer bedroevend dat een en ander is geschied, nog erger is het dat de kerkleiding ―ook de huidige―alles ontkent. En blijft bij het standpunt dat alles een Goddelijke inhoud heeft gehad. Terwijl het de Geest der Duisternis is geweest die dit alles mogelijk heeft gemaakt. Niet de geest der waarheid! Zo zien we dus dat de Duivel wel degelijk werkt vanaf het altaar, en werkt met een Stamapostel en Apostelen(...)

Zij zullen geen deel hebben aan de dag der eerste opstanding, zij zullen geoordeeld woorden op de dag des oordeels.

Ook de huidige Stamapostel Leber die zo "toevallig"is geroepen als Stamapostel weet er alles van. Het kan niet anders dan dat zijn Schoonvader Friedrich Bischoff* hem een archief heeft nagelaten, en de helft van zijn vermogen. Daar komt bij dat Friedrich Bischoff erfgenaam was van zijn Vader J.G.Bischoff ook deze was zeer vermogend. In ieder geval gaat het vermogen van Wilhelm Leber de 999.000.000 ver te boven.
*Friedrich Bischoff had twee dochters, waarvan Barbera is getrouwd met Wilhelm Leber.

En dan zegt hij in de nieuwste Onze Familie...Ik heb een huurhuis in ZÜRICH .een koophuis in de stad is te duur. Tja met vele miljoenen op de bank, wil hij ons wijsmaken dat hij armlastig is? Leugens, ronduit!

Het is tijd, dat de wereldse rechter zich gaat buigen over deze SEKTE. We mogen rustig spreken over een zeer gevaarlijke sekte. Haar enige doelstelling is namelijk Geld! Een proef proces zou daarom op zijn plaats zijn.
Redactie website  apostolischekritiek.nl
 

----------------------------------------------------------------------

Volgens de huidige Stamapostel Wilhelm Leber --schoonzoon van Friedrich Bischoff en stief-kleinzoon van Stamapostel Bischoff is de Boodschap van zijn Stief-Opa wel degelijk een Goddelijke openbaring! En dat is toch echt de meest grove Godslastering!

----------------------------------------------------------------------

Daarvoor eerst een kort overzicht  van de voorgeschiedenis van mijn beroeping tot het ambt van stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel.

Reeds jarenlang hadden de apostelen onder elkaar tijdens voorkomende gelegenheid  gesproken over hun zorgen over de toekomst van het werk Gods. Zij vroegen zich bezorgd af, wat er zou gebeuren als de stamapostel zou overlijden zonder dat door hem een opvolger zou zijn aangewezen.

Reeds in 1939 had apostel E. Güttinger de stamapostel zijn desbetreffende zorgen schriftelijk geuit zonder dat de stamapostel hem over de oplossing van deze kwestie benaderde.

Toen heeft in 1940 of 1941 apostel Landgraf de stamapostel het verzoek doen toekomen, een opvolger voor het ambt van stamapostel uit te kiezen. Daarop schreef de stamapostel aan alle bereikbare apostelen – het was in de oorlog en de brief ging dus uitsluitend aan Duitse   apostelen – en verzocht hen, hem de volgens hen voor het hoge ambt van stamapostel in aanmerking komende man te noemen. Zijn verzoek was, dat zij niet met mede apostelen hierover zouden overleggen zodat niemand  op de een of andere wijze invloed op de ander zou kunnen doen gelden. Kort daarna schreef de stamapostel: het resultaat van de rondvraag is, dat 4 apostelen de apostel Landgraf, 4 de apostel Schall, en 4 de apostel Kuhlen hadden voorgesteld. Daarbij merkte hij op, dat in deze aangelegenheid blijkbaar niet de nodige overeenstemming heerste en hij dus niets kon ondernemen.

In verband met de hoge leeftijd van de stamapostel was de kwestie van opvolging dezes na het einde van de oorlog nog dwingender en vanzelfsprekend onderwerp van gesprek bij de apostelen geworden.

In augustus 1947 waren de apostelen Lembke, Landgraf, Knigge, Schmidt, Weinmann en ik met de stamapostel in Hamburg bijeen. Daar leidde de stamapostel op zondag twee diensten en reisde met apostel Knigge reeds richting thuis om onderweg nog in Hannover te kunnen verblijven. De overige apostelen bleven die dag nog in Hamburg omdat een reis naar huis op zondag voor hen te bezwaarlijk zou zijn geweest. Op die zondagavond bracht toen apostel Lembke het onderwerp “opvolging van de stamapostel” te berde en alle apostelen spraken hun vrees betreffende de toekomst van het werk Gods uit. Allen vreesden, gezien de hoge leeftijd van de stamapostel, dat deze plotseling zou kunnen komen te overlijden zonder dat een opvolger voor hem zou zijn gekozen. Samen kwamen wij tot de slotsom dat het noodzakelijk zou zijn, de stamapostel te verzoeken een opvolger aan te wijzen. Daarover zou echter ook met de in Zuid-Duitsland wonende apostelen een bespreking moeten plaatsvinden. Wij besloten, dat de apostelen Lembke en Weinmann met de Zuid – Duitse apostelen zouden afspreken, waar en wanneer hierover een gesprek zou kunnen worden gevoerd.

Er vond dan ook kort daarna een ontmoeting tussen de apostelen Lembke, Weinmann, Schall en Hartmann in een Zuidduitse stad plaats. Daar bespraken deze apostelen het probleem grondig en waren het erover volkomen eens, dat aan de stamapostel een verzoek tot benoeming van een opvolger zou worden gedaan.

Eind oktober 1947 waren daarna de apostelen Lembke, Knigge, Schmidt,Weinmann  en ik in opdracht van de stamapostel voor het verzorgen van diensten in de Oostzone van Duitsland. Wij ontmoetten eerst in Berlijn de apostelen Landgraf en Oberländer. De apostelen Lembke en Weinmann  hebben daar het resultaat van hun gesprekken met de Zuid-Duitse apostelen medegedeeld. In het bijzonder legde apostel Lembke opnieuw de nadruk op de dringende noodzaak, dat de stamapostel een opvolger zou benoemen. Er werd besloten, aan de stamapostel een desbetreffend verzoek schriftelijk te doen toekomen, maar dit, voordat het aan de stamapostel zou worden gezonden, door alle Europese apostelen te doen ondertekenen. Men kwam overeen, een dergelijk schriftstuk beslist slechts dan aan de stamapostel te doen toekomen, wanneer alle Europese apostelen zonder uitzondering dit hadden ondertekend omdat men vreesde – gezien de overgevoeligheid van de stamapostel – dat deze het de ondertekenaars kwalijk zou nemen, dat niet allen hadden getekend.
             
De apostelen Schmidt en Oberländer zijn toen eerst naar het kantoor van apostel Landgraf gegaan teneinde een eerste ontwerp van die brief te maken. Dit door de apostelen Schmidt en Oberländer gemaakte ontwerp vonden de aanwezige apostelen op enkele punten te scherp en mij werd verzocht, de brief opnieuw te schrijven en een beetje bij te vijlen. Ik heb dan het  door de apostelen Schmidt en Oberländer gemaakte ontwerp doorgewerkt en díe zinnen, die de stamapostel op enigerlei manier zouden kunnen irriteren, veranderd. Dit nieuwe ontwerp vond toen de absolute toestemming van de apostelen Lembke, Landgraf, Knigge, Schmidt, Weinmann en Oberländer.

In de genoemde brief werd de stamapostel verzocht zo spoedig mogelijk een opvolger te benoemen opdat het volk Gods bij zijn mogelijk overlijden niet in een crisis zoude geraken.
Ook werd de stamapostel aanbevolen, de mening van de apostelen te vragen, wie volgens hen de door de Heer voorbereide man zou zijn. Hij zou dan, als de dragers van het ambt van de
Geest hun overtuiging bekend zouden maken, de beste garantie hebben, in de stem van de apostelen de stem Gods te herkennen. Ook zou de getuigenis van de apostelen zekerder zijn dan gezichten en dromen.

Behalve deze, mede door mij ondertekende, brief hebben de apostelen dan nog een tweede brief opgesteld waarvan de inhoud mij pas later ter kennis is gekomen. In die brief hebben de apostelen mij als opvolger van de stamapostel voorgesteld.

Er werd toen afgesproken, dat twee van de in Berlijn aanwezige apostelen naar de apostelen  Buchner, Hartmann, Schall en Ludwig zouden reizen en de brief, indien zij toestemden, door deze zouden laten ondertekenen. Apostel Rockstroh zou bij een bezoek van de apostelen Weinmann en Kuhlen in het district Leipzig  in dezelfde week in kennis worden gesteld van het besprokene en – indien hij ermee instemde – ondertekenen. De Zwitserse apostelen zou schriftelijk worden gevraagd, wanneer en waar  zij in een belangrijke aangelegenheid  een  vergadering met de apostelen Lembke en Weinmann zouden kunnen bijwonen. Vervolgens zouden twee van de in Berlijn bijeengekomen apostelen samen met twee van de Zuidduitse
apostelen naar de stamapostel reizen om hem het geschrevene aan te bieden.

Enige dagen nadat wij uit Berlijn en de oostzone van Duitsland naar huis waren gereisd, reisden de apostelen E. en O. Güttinger uit Zwitserland naar Nederland en apostel Lembke sprak met hen af, dat hij en apostel Weinmann hen zouden ontmoeten in mijn woning in Düsseldorf. Tijdens het korte verblijf van de Zwitserse apostelen in Düsseldorf  hebben de apostelen Lembke en Weinmann aan deze alles verteld en van hen ook een handtekening gekregen. De apostelen E. en O.Güttinger reisden van Düsseldorf naar Nederland, alwaar dan ook apostel Paasman tekende, en na hun terugkomst in Zwitserland tekende ook de apostel Schneider.

Aangezien de apostelen Lembke en Weinmann reeds tweemaal in deze aangelegenheid een grote reis hadden ondernomen (eerst naar Zuid-Duitsland voor de bespreking met de apostelen Hartmann en Schall en dan naar Düsseldorf voor de bespreking met de apostelen E. en O. Güttinger) werd mij door apostel Weinmann verzocht, de reis naar de apostelen Buchner, Hartmann, Schall en Ludwig in zijn plaats met apostel Lembke te maken. Hoewel ik mij daartegen verzette, heb ik tenslotte aan dit dringende verzoek toegegeven en ben met apostel Lembke samen eerst naar apostel Buchner gereisd, die een handtekening gaf, en daarna ontmoetten wij in de woning van apostel Hartmann de apostelen Hartmann, Schall en Ludwig.Met dezen hebben wij de zaak ook besproken en hun handtekening gekregen.

Opmerken moet ik, dat ik tot dan de inhoud van het schriftstuk, waarin ik was voorgesteld als opvolger, niet had gelezen. Díe brief werd telkens zonder mijn aanwezigheid met de diverse apostelen besproken en door hen ondertekend. Pas later werd mij  een fotokopie van dat geschrift, waarin men mij als opvolger had voorgesteld, door apostel Lembke toegezonden.

Oorspronkelijk was men van plan, na de bespreking in Karlsruhe, waarin de laatste handtekeningen waren gezet, samen met twee Zuid-Duitse apostelen naar de stamapostel te reizen en alles aan hem voor te leggen. Hiertegen had vooral apostel Schall bezwaren. Hij zei, dat volgens zijn juiste kennis van de mentaliteit van de stamapostel deze niet zou kunnen verdragen, dat hij plotseling door meerdere apostelen zou worden bezocht ter bespreking van een dergelijk probleem, als deze zich niet van te voren bij hem hadden gemeld. Apostel Schall merkte ook nog op, dat de stamapostel een aanmelding van meerdere apostelen ter bespreking van zijn opvolging helemaal niet zou kunnen verdragen. Het zou dus volkomen onmogelijk zijn, dat wij onmiddellijk na de bespreking in Karslruhe met meerdere apostelen naar de stamapostel zouden kunnen reizen. Apostel Schall stelde voor, dat hij zich voor bespreking van de een of andere bijkomstige zaak bij de stamapostel zou aanmelden en na bespreking van die zaak de benoeming van de opvolger te berde zou brengen.

Aldus zijn dan apostel Lembke en ik uit Karlsruhe rechtstreeks weer naar huis gereisd – tegen het plan in, met twee Zuidduitse apostelen na de bespreking in Karlsruhe rechtstreeks naar de stamapostel te reizen. Later werd ons zeer kwalijk genomen dat wij de stamapostel niet hadden bezocht, maar achter zijn rug om gewerkt hadden. Hierbij wil ik opmerken, dat er tijdens de besprekingen geen enkel lelijk woord over der stamapostel is gezegd, dat er van hem tegenwerken nergens en nooit sprake was, maar dat uitsluitend de eensgezindheid van de
apostelen over de opvolging van de stamapostel werd beoogd.

Nadat zich dan apostel Schall inzake een belangrijke bespreking bij de stamapostel had aangemeld, liet deze door de distictsoudste Weine telefonisch aan apostel Schall vragen, wat die belangrijke zaak dan wel was. En toen moest apostel Schall nu eenmaal zeggen, waar het om ging. Daarop werd de stamapostel zeer opgewonden en werden de apostelen Schall, Hartmann, Ludwig en Buchner uitgenodigd, bij hem te komen. Toen deze apostelen bij de stamapostel waren en de geschriften hadden aangereikt, heeft de stamapostel zijn verontwaardiging doen blijken in plaats van vertrouwelijk met hen te praten enz. enz. (Kón het dan wel anders, dan bij een zo belangrijke kwestie eerst het akkoord van alle apostelen te verkrijgen? Wat was er dan verkeerd?) De apostelen hadden toch in hun brief geen woord, dat de stamapostel kon kwetsen, gebruikt, maar zodanig geschreven, dat hem de hoogste eerbied werd betuigd.

De stamapostel heeft tegen de apostelen Schall, Hartmann, Ludwig en Buchner buitengewoon verontwaardigd over hun daad gesproken en de mannen erop gewezen, en verklaard, dat het aanwijzen van een opvolger uitsluitend zíjn taak was en niet die van de apostelen, dat de Heer hem nog geen opvolger had aangewezen enz. Hij huilde daarbij hevig, zodat de genoemde apostelen ontzet waren van de reactie van de stamapostel en toen tegen hem zeiden, dat ze dan maar hun handtekening zouden terug trekken.

Daarna kwam een brief van de stamapostel aan de apostelen, waarvan de inhoud vol  was van verwijten aan de apostelen. Er stond onder andere in, dat enige apostelen het werk Gods wilden verstoren. Mij persoonlijk werden dingen verweten, die ik hier niet zou willen herhalen, die ik echter in een brief aan de stamapostel in alle liefde rechtzette. De brief van de stamapostel was qua inhoud en toon dermate verschrikkelijk en opgewonden dat apostel Schmidt verklaarde: “Deze brief van de stamapostel is gewoon duivels en mag nooit openbaar worden, anders is de stamapostel bij allemaal geheel uitgeschakeld”. De apostelen Lembke, Knigge, Schmidt, Weinmann en ik kwamen toen voor overleg bijeen. Wij gaven allen uitdrukking aan onze verbijstering over de brief van de stamapostel en bespraken wat er nu zou moeten worden gedaan. Wij kwamen overeen, dat ieder van ons nog eens schriftelijk zijn mening aan de stamapostel zou uitleggen, hetgeen dan ook is geschied.

Apostel Schmidt is persoonlijk naar de stamapostel gereisd en heeft hem onze mening uitgelegd en ook die van de stamapostel beluisterd. Ikzelf ben bij de stamapostel geweest en heb met hem gesproken. Ik heb hem uitdrukkelijk mijn opvatting zodanig gezegd, dat hij een ieder van de apostelen tot zijn opvolger kon benoemen en ik mij met genoegen onder deze zou plaatsen – wie hij ook maar zou kiezen. In de beste verstandhouding ben ik van de stamapostel weer naar huis gereisd.

De apostelen Lembke, Weinmann, Knigge en Schmidt maakten hunnerzijds brieven als antwoord op het verwijtende geschrift van de stamapostel. Toen de stamapostel de zeer uitvoerige en zakelijke brief van apostel Weinmann juist was begonnen te lezen, zag hij de zin: Ik bid tot de Heer, U in deze belangrijke aangelegenheid wijsheid te mogen geven”. Toen de stamapostel deze zin las, gooide hij de brief woedend weg en heeft hem niet meer verder gelezen. Hij zei tegen de aanwezige ditrictsoudste Weine dat het onbeschoft is, dat een apostel het nodig vond, voor hem, de stamapostel, de Heer om wijsheid te vragen. De eveneens zeer zakelijke, uitvoerige en in een liefdevolle toon geschreven brief van apostel Lembke heeft de stamapostel volgens districtsoudste Weine eveneens niet gelezen.

Na meerdere brieven van diverse apostelen en na de persoonlijke bespreking met de apostel  Schmidt en mijn gesprek met de stamapostel volgde dan later een uitnodiging van de stamapostel aan de Europese apostelen om op 21 mei 1948 in Frankfurt voor een apostelvergadering bijeen te komen. Daar zou dan via een geheime verkiezing de opvolger van de stamapostel door de apostelen worden gekozen. Deze verkiezing was door de stamapostel zelf voorgesteld resp. verordend.

Toen dan de apostelen op 21 mei 1948 in Frankfurt am Main bijeen waren, hebben meerdere apostelen  - maar vooral ikzelf – de stamapostel dringend verzocht, toch zelf  een apostel – wie dan ook - als zijn opvolger aan te wijzen. Wij allen zouden voor de door hem aangestelde opvolger buigen, onverschillig, wie hij zou aanwijzen. Maar dat weigerde de stamapostel beslist en hij hield vol, dat er een geheime verkiezing moest plaatsvinden.

Aan alle aanwezige apostelen werden verkiezingsformulieren uitgereikt waarop de namen van alle destijds op aarde levende apostelen stonden met erachter een rondje, waarin ieder een kruisje zou moeten zetten achter de naam van degene, die hij voor de opvolger van de stamapostel hield. De stamapostel zelf nam niet deel aan deze verkiezing. De geheime stemming resulteerde als volgt: 9 stemmen waren op mij, 3 stemmen op apostel Schall en 2 stemmen op apostel Landgraf. Daarna verklaarden de apostelen Schall en Landgraf dat zij zich terugtrokken. Dan werd een tweede verkiezing ondernomen, waaraan alle aanwezige apostelen deelnamen behalve de stamapostel en ik. Deze tweede verkiezingsronde gaf de uitslag, dat ik als opvolger van de stamapostel zou worden beroepen. Het volgende protocol werd over de verkiezing opgesteld:

“Op het dagrooster stond de verkiezing van de opvolger van de stamapostel. Er werd in geheime stemming in de tweede verkiezingsronde door alle districtsapostelen en apostelen de districtsapostel Peter Kuhlen, Düsseldorf, tot opvolger van de stamapostel gekozen.”

Aan de overzeese apostelen werd door de stamapostel bericht over de plaatsgevonden verkiezing gegeven en daarna betuigden ook deze hun instemming met mijn aanwijzing als opvolger van de stamapostel.

De afzondering in het ambt van Stamapostelhelper en opvolger in het ambt van stamapostel door de stamapostel vond daarna op 1 augustus 1948 in Bielefeld plaats. Tijdens deze dienst hield de stamapostel na de viering van het heilig avondmaal de volgende toespraak:
           
“Nu heb ik u nog iets te zeggen. U weet, dat ik geen jongeling meer ben. Aanstaande 2 januari word ik 78 jaar. Nu waren de apostelen reeds enige tijd bezorgd over de toekomst van het werk, want datgene, dat geschiedde en tegenwoordig geschiedt overkomt ons niet zonder sporen achter te laten. En toen kwam toch de vraag: wie moet, als ik door de Heer word opgeroepen, de leiding van het werk overnemen? De apostelen benaderden mij enige tijd geleden en hebben apostel Kuhlen als mijn opvolger voorgesteld. In het voorjaar, op 21 mei, kwamen toen de apostelen naar Frankfurt. Overeenkomstig met onze statuten werd een geheime verkiezing gehouden die in een eenstemmige verkiezing van apostel Kuhlen als mijn opvolger eindigde. Nu kwam er ook nog bij, dat op 28 juli honderd jaar geleden Vader Niehaus werd geboren, en wij wilden toch deze dag niet laten voorbij gaan zonder datgene te gedenken dat Vader Niehaus tijdens zijn bezigheid in het Werk heeft verricht. Ook alle overzeese apostelen hebben intussen hun toestemming gegeven apostel Kuhlen tot mijn opvolger te benoemen. En de dag van vandaag is uitgezocht om apostel Kuhlen tot toekomstige stamapostel te benoemen.

Zolang ik er nog ben en kan werken, is hij mijn helper. Op het moment echter, dat ik door ziekte of op andere wijze door de Heer word geroepen, treedt hij zonder meer in mijn plaats. Aldus wil ik nu heden de handeling voltrekken en aan hem het ambt en de opdracht over dragen, opdat dan de zorg over de toekomstige leiding van het Werk van hen is afgenomen.

Nu houden er echter veel broeders en zusters er rekening mede, dat de Heer tegen mijn tijd zal komen. Ik merk daarbij op, dat ik nog nooit de leer heb verkondigd dat de Heer dit zou moeten doen.. Niemand kan ons verbieden – en het wordt ook niet verboden - te geloven, dat de Heer in onze tijd komt, want degenen, die een doel voor ogen hebben, bereiden zich ook overeenkomstig daarop voor.Het geheel heeft echter met de dag des Heren absoluut niets te maken.  Toen Vader Niehaus mij in het jaar 1924 tot zijn opvolger benoemd had, was hij nog 6 jaren in staat om dienst te doen. Zo kan de goede God ook mij nog tijd erbij geven om dienst te doen. Apostel Kuhlen is dan gedurende die tijd mijn helper. Dus zal hij het ambt van stamapostel overnemen op het moment dat ik geen dienst meer kan doen of de Heer mij thuis haalt. Deze opvolging verandert absoluut niets aan het uur van de komst van de Heer en het zou belachelijk zijn, nu ineens te willen geloven dat de Heer vanwege de benoeming nog lang niet zou komen. Zulk een gedachte zou volkomen mis zijn,want hetgeen in het raadsbesluit van God de Vader is vastgelegd, wordt door geen zaak noch door engelen noch door mensen veranderd. Nu wil ik mij nog tot apostel Kuhlen wenden, want die moet daarop ja of neen zeggen:

Vraag van de stamapostel aan apostel Kuhlen: Wilt u gedurende de tijd waarin ik nog kan werken mijn trouwe helper zijn? En wilt u, als de Heer mij thuis haalt, het ambt van stamapostel op de wijze, die God wil, beheren in het geloof, in de liefde, in een levende hoop en in onbreekbare trouw? Als dat uw besliste wens is, bevestig dit dan met een *Ja*.
Apostel Kuhlen antwoordde: “JA!”

Toen sprak de stamapostel tot hem:” In de naam en de opdracht van het college van apostelen, neem aan het ambt van stamapostel, daarmee de ambtsgeest, in de naam van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest! Moge deze geest voor jou het ambt levend maken; en zijn voor jou de drijvende en leidende kracht om voorganger en voorbeeld te kunnen zijn. Draag de zwakken met geduld en begrip, richt datgene, dat is neergebogen, weer op en maak sterk hetgeen zwak en onbruikbaar wordt. De geest van de Heer, die je voor dit ambt is gegeven, moge je op de weg, waarop de Heer je heeft gezet, bewaren en mogen de Engelen des Heren je beschutting zijn. Hoed je voor het verderf, dat alom zal verschijnen. Neem daarvoor de zegen van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in ontvangst. De zegen van Christus Jezus zij met je! Amen.”

 

 

Gedurende de daarop volgende tijd heb ik alles gedaan dat in mijn vermogen lag om de stamapostel te ondersteunen en hem vreugde te bereiden. Ik had met hem ook steeds een goede verhouding, moest echter helaas in de tijd, dat ik stamapostelhelper was, steeds meer merken, dat er tegen mij krachten aan het werk waren, die het er helemaal niet mee eens waren dat ik in de toekomst de leiding van het Werk zou overnemen. Deze mensen wisten heel goed, dat ik veel dingen, die onder de dekmantel van het heilige ideaal van ons geloof plaats vonden, niet meer zou dulden wanneer ik eens de leiding van het Werk zou overnemen.
Als de een of andere apostel mij mededeling deed over allerlei verwerpelijke zaken, die met misbruik van de hoge achting voor de stamapostel en rekening met hem houdend, plaats vonden heb ik gewaarschuwd, geduldig te zijn tot de oplossing van die zaken vanzelf zou komen als de stamapostel zou overlijden. Wanneer – dat was mijn argument – tijdens het leven van de stamapostel deze zaken te berde zouden worden gebracht, zou de  verhouding worden verslechterd en toch geen goede oplossing worden gevonden. En ik wilde verzekerd zijn van een grondige herziening van de handelingen, die een vermenselijking van onze zaak en een langzaam wegvloeien van ons ideaal ten gevolge zouden hebben. De invloed door bemoeienis van niet gerechtigde mensen konden wij volgens mij slechts werkelijk tegengaan als er geen rekening uit piëteit met de stamapostel meer behoefde te worden gehouden (dus na zijn eventuele dood.)
In de loop van de tijd werd het mij steeds duidelijker, dat zekere lieden er zeer listig op uit waren, de handeling waarmede ik tot opvolger van de stamapostel was uitgekozen, teniet te doen. In de tijdschriften “Wächterstimme”, “Amtsblad” en “Unsere Familie”  werd steeds de mening duidelijker, dat de apostelen en het apostelcollege niets anders zouden zijn dan willoze werktuigen in de hand van de stamapostel. Voor het Volk Gods werd niet meer, zoals vroeger, gepredikt dat zij op hun apostel moesten vertrouwen, maar zij moesten op hun apostel letten, of hij wel ook alle dingen geloofde, lief had, hoopte en leerde zoals de stamapostel. Zo niet, dan behoefden zij hem niet meer te volgen. Aldus kwam het zo ver, dat in enige aposteldistricten groepen ontstonden, die zichzelf “stamaposteltrouw” noemden en er hun boodschap in zagen, hun eigen apostel te bekritiseren. En elke keer dat de desbetreffende apostel niet geheel volgens hun wens handelde verscholen zij zich bij hun tegenstand tegen de apostel achter de bewering, dat zij hem niet behoefden te volgen wanneer zij merkten, dat de apostel het niet met de stamapostel eens was. Apostel Schall zond mij het bericht, dat ook in zijn district een priester openlijk had verkondigd, dat de ervaring had geleerd, dat ook een apostel afvallig kon zijn en dat men dus uitsluitend de stamapostel moest volgen.

In het Saarland heb ik de broeders, die daar in het bijzonder in opstand kwamen tegen de Zwitserse apostelen, gezegd, dat iedereen het recht had, zich met bezwaren over een apostel tot de stamapostel te wenden, maar dat nooit leden van een gemeente of  iemand, die een lagere rang had dan de apostel, uit zichzelf een  apostel kon afwijzen. Men kan toch het werk niet van beneden naar boven hervormen, maar moet het van boven naar beneden op orde houden; anders wordt het een chaos.

Al lange tijd werd in de nieuw-apostolische tijdschriften een absolute regering door de stamapostel alleen onderwezen en dat slechts hij - als het hoofd -  de juiste leer verkondigde. Telkens meer werd geheel duidelijk gemaakt, dat de apostelen in het werk van God niets hadden te besluiten, maar dat dit uitsluitend de zaak van de stamapostel was. Daardoor hoopte men het doel te bereiken, erop attent te maken, dat de afzondering van stamapostelhelper Kuhlen door een besluit van de apostelen was veroorzaakt en dus niet zou kunnen worden erkend.

In het artikel “Einssein - Vollkommenheit” in nr. 18 van het “Ambtsblad” uit het jaar 1950 stond letterlijk: “ Een aantal mensen kan door een meerderheidsbesluit een mening te berde brengen zonder het geheel eens te zijn. De apostelen des Heren willen het echter met de hen door God gegeven stamapostel eens zijn, zoals de Zoon met de Vader één was en één is.
Voor hen bestaat geen meerderheidsbesluit, geen verkiezing en geen stemmenverhouding. Besluiten, die op deze wijze waren genomen, zouden voor de kracht van het geloof geen bestendigheid hebben en zouden door alle gelovigen en getrouwen moeten worden verworpen.” Dit artikel is volgens de gehele manier van schrijven afkomstig uit de pen van een man, die graag wilde dat ik uit mijn ambt verwijderd zou worden. Ik moet hierbij opmerken, dat ik ondanks mijn plaats als eerste medewerker van de stamapostel geen enkele invloed had op de nieuw-apostolische pers.

Bovendien werd zowel in het Saarland als ook in het aposteldistrict Frankfurt (in het bijzonder in het district Wiesbaden) de fluistercampagne van mond tot mond doorgegeven, dat de keuze van de apostel Kuhlen als opvolger van de stamapostel menselijk zou zijn geweest. In het district Saarland vertelden mij de districtsoudsten en districtsevangelisten en ook een naaste familielid van apostel Rockenfelder – de evangelist Steffen – dat ik nimmer stamapostelhelper zou zijn geworden als toen ter tijd apostel Rockenfelder al in de kring van apostelen zou zijn geweest. Ook werd daar heel open gezegd, dat – als het zou zijn gelukt, de apostel E. Güttinger op zij te schuiven – de volgende stap tegen Kuhlen zou gaan. Diegenen, die tegen apostel Güttinger opponeerden, hadden zich namelijk onvoorzichtig ettelijke keren als volgt geuit:”Eerst is Güttinger aan de beurt en dan Kuhlen.”

In januari 1950 was ik in Nederland. Bij die gelegenheid vertelde apostel Kamphuis mij over zijn eerste bezoek in Frankfurt am Main in 1949. Toen was hij met helper Schlapphoff  ook in de woning van districtsevangelist Friedrich Bischoff en hoorde onder andere F.Bischoff tegen de stamapostelhelper Schlaphoff zeggen: ”Die Güttinger moeten wij eruit gooien, die moet uit de apostelkring. De districtsevangelist had zeker aangenomen, dat de Nederlandse apostel Kamphuis deze in het Duits gesproken woorden niet had verstaan. Maar apostel Kamphuis had het maar al te goed verstaan en was hoogst ontsteld over een dergelijke taal.

Tegen apostel E. Güttinger begon dan ook met de grootste hevigheid een storm die als doel had, de oprechte man eruit te gooien. En telkens weer ben ik beschermend voor apostel E. Güttinger opgekomen en steeds weer heb ik tussen hem en de stamapostel bemiddeld en alles gedaan om een breuk te voorkomen, die voor het werk Gods verschrikkelijke gevolgen zou hebben gehad. Mijn  verdediging van apostel E. Güttinger is mij weliswaar zeer kwalijk genomen; ik moest toch in tegendeel helpen, die man op non actief te stellen, die met zijn  open en de waarheid minnende aard als lastig werd ervaren.

Toen kwam in de lente van 1950 het probleem van de ambtsrust der apostelen die ouder dan 65 jaar waren aan de orde. En toen de stamapostel schreef, dat de apostelen Hartmann, E. Güttinger, Schneider, Buchner en Ludwig al boven die leeftijd waren en dus ambtsrust verleend moest worden, verzocht apostel E. Güttinger, de leeftijd voor ambtsrust voor apostelen tot 70 of 72 jaar te verhogen. Dan moest echter ook de stamapostel aan die voorwaarde voldoen omdat ook hij – zoals ieder mens - ouderdomsverschijnselen zou kunnen krijgen. Dit verzoek van apostel E. Güttinger werd door de stamapostel met verschrikkelijke ergernis bejegend en er werd toen alleen nog maar gezegd, dat apostel E. Güttinger de stamapostel kwijt wilde.

Tijdens de apostelvergadering in Berlijn op 8 mei1950 zei tot verbijstering van alle aanwezigen de stamapostel, dat hij een brief had ontvangen met het bericht van de apostelen, dat zij hem ter gelegenheid van zijn binnenkort komende 80ste verjaardag in de rust wilden zetten. Ik zei toen tegen hem, dat daarvan onder de apostelen nooit sprake was geweest en dit met de gang van zaken niet overeenkomstig was. Dat zeiden ook de andere apostelen. De stamapostel was echter van mening, dat daarover toch wel gesproken zou zijn en hij ons dat daarom wilde vertellen. Ik heb toen gevraagd: “Wie heeft dan een zo leugenachtige brief geschreven?” Daarop antwoordde de stamapostel, dat die brief anoniem was geweest. Alle apostelen gaven daarop blijk van hun verontwaardiging over een dergelijke manier van doen. Ik vroeg toen, of die brief er nog was en de stamapostel antwoordde, dat hij hem in de prullenmand had gegooid. Ikzelf had in dit geval het gevoel dat diegenen, die er belang bij hadden dat de stamapostel tot zijn dood in het ambt zou blijven en ík tot dan van mijn ambt zou moeten worden ontheven, deze anonieme brief aan de stamapostel hadden geschreven. Die mensen kenden toch de angst van de stamapostel en hebben hem daarmee willen suggereren, wat voor kwalijke apostelen hem omgaven. Of wel: zulk een brief is nimmer bij de stamapostel aangekomen en het ging bij de mededeling over deze zaak door de stamapostel alleen maar om “iets aanhangig maken” om te weten te komen, of er toch niet iets liep om de stamapostel in de rust te krijgen. 

Toen daarna de apostelen met de stamapostel in Nederland waren vertelde de stamapostel in de hotelkamer in Eindhoven aan de apostelen E. en O. Güttinger en R. Schneider op 18-6-1950 dat de Heer hem had geopenbaard dat hij niet meer zou sterven en er dus voor hem geen aanleiding was om af te treden, vooral omdat hij toch veel gezonder was dan Kuhlen enz. enz. Daarenboven was de vrees dat de apostelen de stamapostel wilden uitrangeren geheel ongegrond, want daarover had ík in ieder geval in mijn tijd als stamapostelhelper nooit gesproken.

Sindsdien werd dan meer en meer de leer verkondigd, dat de stamapostel de wederkomst van Christus zou beleven en het werk zou voleindigen en dat hij dus ook de laatste stamapostel zou zijn.

Van verschillende kanten werd mij dan af en toe de mededeling gedaan dat de stamapostel had gezegd, dat hij een openbaring van God had gekregen volgens welke hij niet meer zou sterven en het Werk tot voleinding zou brengen. In de kring van apostelen heeft de stamapostel deze mededeling tot het tijdstip van mijn terugtreding als stamapostelhelper niet in het openbaar gedaan.

Steeds duidelijker werd het dan, dat men probeerde, mij terzijde te stellen. Ik heb, bijvoorbeeld, op 29.08.1950 meteen na het mij door opziener Steidlinger medegedeelde overlijden van apostel Hartmann naar Frankfurt gebeld, dat ik graag naar de in Bad Orb om gezondheidsredenen vertoevende stamapostel wilde komen om met hem over de begrafenis van apostel Hartmann te praten, omdat de stamapostel de rouwplechtigheid waarschijnlijk niet zou leiden. Dat werd mij aan de telefoon door de districtsoudste F. Bischoff beleefd maar heel beslist geweigerd. Ik zei, dat ik met mijn auto gemakkelijk binnen drie uren in Frankfurt kon zijn en van daar naar het dichtbij gelegen Bad Orb kon rijden; ik dacht, dat dit wel nodig was enz. Maar de districtsoudste zei tegen mij, dat dit een geheel onnodige reis zou zijn, die ik mij kon besparen. Híj zou dadelijk naar Bad Orb naar vader rijden en mij dan het nodige berichten.

Van de districtoudste Weine hoorde ik per telefoon dat hij de districtsoudste F. Bischoff de mededeling had gedaan dat apostel Hartmann was overleden en dat dan wel de stamapostelhelper Kuhlen de begrafenis zou moeten leiden. De district oudste Bischoff antwoordde hem daarop, dat apostel Schall dat toch zou kunnen doen en ik die reis niet behoefte te maken. Toen dan de zoon van de stamapostel met apostel Rockenfelder naar Bad Orb was gereisd, ontving ik van apostel Rockenfelder de schriftelijke mededeling, dat apostel Hartmann tijdens zijn leven de wens had geuit dat apostel Schall zijn begrafenis zou leiden. Zoals later door vragen aan opziener Steidlinger (de schoonzoon van apostel Hartmann) bleek, was daarvan bij de familie van apostel Hartmann niets bekend.

Tijdens de op de dag van de bijzetting van apostel Hartmann van te voren gehouden apostel – bijeenkomst kwam ook ter sprake, dat de stamapostel in een kortelings aan de apostelen geschreven brief de verhouding van de stamapostel met de apostelen en de apostelen met de stamapostelhelper had overlegd. In dit schrijven was duidelijk vastgelegd, dat welk verkeer per brief dan ook – behalve in particuliere zaken – tussen de apostelen en mij niet in orde zou zijn. Ik heb dan in die bijeenkomst duidelijk gemaakt, dat ik nog nooit een briefwisseling over zaken die het Werk Gods betroffen met een van de apostelen had gehad, tenzij ik daarvoor van de stamapostel opdracht had gekregen of hem een afschrift van mijn desbetreffende brieven had gezonden. Ik vroeg de apostelen te vragen of er de een of andere brief van mij bestond waarin ik over zaken van het Werk Gods of van een ander aposteldistrict met iemand had gecorrespondeerd, maar daarvoor heeft zich niemand gemeld omdat ik geen briefwisseling met de apostelen heb gehad over zaken, die van de stamapostel waren, tenzij hij daarvan had geweten, mij opdracht had gegeven of een afschrift had gekregen. Maar toen werd er gezegd, dat het niet zo gemeend was. In werkelijkheid had men de stamapostel wantrouwend tegen mij gemaakt en hem ertoe gebracht, elk contact van de apostelen met mij zo mogelijk te voorkomen.

Daarna volgde mijn tweede reis naar het Saarland, samen met apostel Otto Güttinger, tijdens  welke ik alles, dan ook werkelijk álles heb gedaan om een verzoening van de broeders tot stand te brengen. Ik ging er ook van uit, niemand te verliezen, maar te helpen. Niemand heb ik iets verweten, daarentegen ook niemand, die anderzijds was aangeklaagd, laten vallen,  maar tot alzijdige vergeving aangemaand. Ikzelf had weliswaar niet diegenen verdoemd, die bepaalde mensen beslist wilden verwijderen. En dat is míj dan weer kwalijk genomen. Ik ga nog steeds ervan uit, dat wij moeten helpen en niet veroordelen, vooral omdat het in het Saarland meer dan duidelijk was, wie wel het meest mis was geweest. Daarover zou men een apart hoofdstuk kunnen schrijven.

Het moet sinds maanden zijn opgevallen, dat in het tijdschrift “Unsere Familie” bij de berichten over diensten, die de stamapostel had gehouden en waarbij ik mee had gediend, mijn meedienen slechts voor een heel klein gedeelte of met een algemene zin of helemaal niet ter sprake kwamen. Het was tot nu altijd zo geweest, dat ergens, waar de stamapostel een dienst had gehouden en een van de apostelen had mee gediend, in het bericht daarover in “Unsere Familie” tenminste ook iets over het meedienen van de mede dienst doende apostel werd bericht. In juni 1950 was de stamapostel met alle Europese apostelen in Nederland, waar hij drie grote diensten leidde. In alle drie die diensten heb ik overeenkomstig het verzoek van de stamapostel langer meegediend dan gewoonlijk omdat hij zelf het Nederlands niet machtig is en ik in het Nederlands de aanwezigen moest toespreken. Maar in het over de drie grote in Nederland gehouden diensten in “Unsere Familie” verschenen bericht is zelfs nog niet een keer met een enkel woord geschreven dat ik in Nederland mee gediend had. De mogelijke bezorgdheid dat ik te veel in de voorgrond zou treden was werkelijk niet terecht, want ik dacht daar gewoon niet over.

Via de apostel Otto Güttinger hoorde ik dat de apostel Schall hem had verteld, dat hij op 19 augustus 1950 in de wagen van de stamapostel naar de bijeenkomst der apostelen in Bielefeld  was gereisd. Tijdens deze reis zou de stamapostel tegen apostel Schall hebben gezegd dat ik in de woning van de districtoudste Weine minachtend over de stamapostel had gesproken. Apostel Schall heeft toen gezegd, dat hij toch met mij de reis door de gemeenten in het district Hof in Beieren had gemaakt en ik daar niet alleen de groeten van de stamapostel had gedaan, maar ook tijdens alle diensten uitspraken uit stamaposteldiensten heb gepredikt. Ook waren toch hij en apostel Schmidt met mij samen in het Saarland geweest, waar ik de stamapostel goed had vervangen. Hij had niets nadeligs over de stamapostel gehoord.

Betreffende dat lelijke gesprek in de woning van de districtoudste Weine heb ik later apostel Schall gevraagd, waarover dat dan was geweest; ik was mij van een dergelijke zaak niets bewust. Toen zei apostel Schall, dat hij daar in ieder geval niet bij was geweest. Ook heb ik  De districtoudste Weine gevraagd of hij wist, wanneer een dergelijk gesprek in zijn woning plaats gevonden zou hebben en wat ik daar dan zou hebben gezegd. Hij vertelde mij dan, dat  F.B. het hem verteld zou hebben op de dag voordat ik tot opvolger van de stamapostel werd benoemd, dus op 20 mei 1948. Ik heb aan de districtoudste Weine gevraagd of hij wist, wat ik daar zou hebben gezegd. Daarop zei hij tegen mij, dat hem daarover niets bekend was en hij was er beslist ook niet bij geweest. Op 25 november 1950, de dag waarop ik verklaarde, mij te willen terugtrekken uit het ambt van stamapostelhelper, verweet mij de stamapostel onder andere, dat ik in de woning van de districtsoudste Weine minachtend over hem tegen de apostelen had gesproken. Iets dergelijks had men in de woning één verdieping hoger dan die van de districtsoudste gehoord. Toen ik tegen de stamapostel zei, dat ik mij daarvan niets bewust was en hij mij toch moest zeggen wat ík daar gezegd zou hebben, heeft hij dat geweigerd.
Toen apostel Otto Guttinger in augustus 1950 vakantie had heeft hij ook de stamapostel in Frankfurt bezocht. Bij die gelegenheid heeft de stamapostel tegen hem gezegd dat hij geen helper nodig had; hij voelde zich gezond enz. en als Kuhlen de opziener Wicht in zijn opdracht als apostel had ingezet en bovendien het district Hof in Beieren had bediend, dan zou hij daarvoor geen stamapostelhelper behoeven te zijn want daartoe zou gewoon een apostel kunnen worden aangewezen.

De stamapostel was dus zo ver gekomen, dat hij openlijk zei, geen stamapostelhelper nodig te hebben en van een opvolger was geen sprake meer. De realiteit was echter, dat hij steeds meer de hulp van een andere man gebruikte en wel in menigerlei belangrijke zaken, die de stamapostel onofficieel met die man besprak en uitvoerde.

Ik heb toen op een dag vertrouwelijk met de districtoudste Weine gesproken over al het door mij geconstateerde en mijn waarnemingen en hem gevraagd, mij eerlijk te zeggen of het niet aan te raden was, dat ik mij als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel zou terugtrekken, zodat ik met de stamapostel, en de stamapostel met mij weer geheel één zou zijn. Als antwoord heeft de districtoudste mij heel beslist gezegd, dat ik zulk een stap beslist niet moest doen omdat het Werk dan zeker geheel zou wegzinken en geheel mensenwerk zou worden. Hij verzocht mij, het vol te houden zo lang als ik kon.

lees verder >>>>

 

 STAMAPOSTEL/STAMAPOSTELHELPER PETER KUHLEN


P. KuhlenPeter Kuhlen
 

Het werd echter steeds duidelijker, dat er radicaal naar toe gewerkt werd, dat ik als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel moest verdwijnen. Alzo was het voor mij geen verrassing en door mij slechts lang gevreesd, dat in de bij uitgeverij Friedrich Bischoff voor het jaar 1951 verschenen kalender (pdf), die in de tweede helft van november 1950 aan de apostelen werd gezonden, een directe aanval op mijn plaats in het Werk was te lezen. In dat artikel werd openlijk uitgesproken, dat de Heer aan de stamapostel helemaal nog niet een opvolger had getoond. Dit was bewust uitgevoerd werk waarmee een actie tegen mij moest worden uitgelokt en door vragen over deze aangelegenheid een beslissing moest worden getroffen. In dat artikel stonden b.v. de volgende ongerijmdheden:

“Petrus had geen opvolger (als stamapostel) aangesteld, want hij had geen opdracht, zoiets te doen. Zou de Heer dat hebben gewild, dan zou het een futiliteit voor hem zijn geweest, nog eens voor Petrus te verschijnen en hem te wijzen, welke van de toenmalige apostelen of ambtsbroeders de opdracht voor de leiding van het Godsvolk zou moeten krijgen. Aangezien dat echter niet geschiedde, was het ook niet de wil van de Heer.” – “Er gebeurde echter iets anders: Toen allengs alle apostelen naar de eeuwigheid waren gegaan, kozen de hoofden van de toenmalige apostolische kerk uit hun midden één, die vanaf dat moment de leiding van het Volk van God moest overnemen. Die eerste, die uit de verkiezing naar voren kwam, was de bisschop van Rome. Deze mannen handelden toen zonder twijfel volgens hun goede geloof en beslist menselijke, begrijpelijke overdenking. Toen enige openbaring van God aangaande de opvolging van Petrus uit bleef, wilden zij toch niet, dat het volk van God zonder een hoogste zielenherder zou blijven. Het was nu eenmaal menselijk te begrijpen omdat het menselijk was gedacht: de volgende 19 eeuwen hebben getoond, dat God het niet met deze verkiezingsdaad eens was. – “Toen nu de tijd wederom vervuld was volgens de maatstaven Gods, koos de Heer wederom een man uit enz. enz.: apostel Schwarz in Nederland. Hij ontving op dezelfde wijze als eens Petrus zijn opdracht van de Heer.” – “En de Heer aanvaardde het werk van deze man van God en toonde hem, aangezien de tijd was gekomen om in het huis van de vader terug te keren, zijn opvolger, stamapostel Krebs. Hem volgde op dezelfde wijze van goddelijke roeping de stamapostel Niehaus , die zijnerzijds in de avond van zijn arbeidzame en gezegende leven in dienst van de Heer het hoge ambt met dezelfde opdracht als zijn voorgangers aan de stamapostel Johann Gottfried Bischoff doorgaf. “ – “Hij is er vast van overtuigd dat de Heer niet lang meer zal dralen en de zijnen nog bij zijn leven thuis zal halen in het Vaderhuis, vooral omdat de Heer hem – volgens zijn eigen woorden –
nog niemand had getoond, die het werk Gods op aarde na hem verder zou moeten leiden” –

Eerst even in het kort mijn mening over deze verklaringen: De heer Meyer – Geweke –heeft dit artikel óf nooit zelf geschreven óf met uitdrukkelijke richtlijnen, want hij zou het nooit aangedurfd hebben een dergelijk artikel zonder toestemming van zijn broodheer te schrijven. Dan was het dus Gods wil dat na de dood van Petrus de kudde van Christus zonder hoogste herder zou  blijven. Het was dus geen goddelijk gedogen, maar door God gewenst, dat na de dood van Petrus geen apostel en geen stamapostel meer de kudde ter weide zou leiden. De bewering dat – nadat alle apostelen van de Heer in de tijd van de oerkerk waren uitgestorven - de hoofden van de toenmalige apostolische kerk een man uit hun midden, namelijk de bisschop van Rome, gekozen hebben om het werk voort te zetten, getuigt van een enorm gebrek aan kennis van de kerkgeschiedenis. Of moet men aannemen, dat een dergelijke vervorming van het werkelijke gebeuren opzettelijk is geschied omdat dan alles in het kader van de thans gesmede plannen paste? De laatste apostel uit de tijd van de oerkerk is namelijk in het jaar 100 na de geboorte van Christus gestorven. De verkiezing van de bisschop van Rome tot opperhoofd van de kerk is dan echter beslist niet kort daarna gehouden, zelfs niet tijdens het leven van een enkele drager van het ambt die nog leefde toen de als laatste overleden apostel Johannes nog leefde.
Die verkiezing gebeurde pas in de 4e eeuw na Christus, namelijk in het jaar 328 na de geboorte van Christus. En dan moet opeens het verlossingswerk van de eindtijd niet meer in Engeland met de beroeping van de Engelse apostelen zijn begonnen maar allereerst eens een stamapostel Schwarz door God zijn geroepen. Dat is waarlijk een uiterst slechte vervalsing van de geschiedenis want het eerst waren er de Engelse apostelen. Daarna werden als eerste apostelen van de nieuwe orde, de apostelen Rosochasky en Preuss beroepen, nog voordat Schwarz het ambt van apostel vervulde. Ter zelfde tijd als apostel Schwarz hebben als apostel van de nieuwe orde gewerkt: de apostelen Preuss, Böseke. Hohl, Steegmann. Hoppe, Obst, Menkhoff, Krebs, Ruff, Anthing, Lim Tjoeklin, Niemeyer en Klibbe. Al deze apostelen hebben tijdens het leven van apostel Schwarz dienst gedaan zonder dat een van hen stamapostel was – ook Schwarz niet, want het ambt van stamapostel bestond toen ter tijd nog helemaal niet. Ook apostel Schwarz is nooit stamapostel geworden, al was hij ook na de dood in 1878 van apostel Preuss de meest uitzonderlijke persoonlijkheid in der kring der apostelen.
Preuss noch Schwarz hebben het ambt van stamapostel vervuld. Ook apostel Krebs is niet door Schwarz tot het ambt van stamapostel geroepen omdat het ambt van stamapostel in het jaar 1895, toen apostel Schwarz overleed, nog niet bestond. Pas met Pinksteren 1897 werd apostel Krebs in aanwezigheid van de apostelen Niehaus, Obst en Ruff tot leider van de apostolische gemeenten en hoofd van de schare apostelen gekozen. Maar zelfs vader Krebs werd niet “stamapostel”genoemd doch heette net als vroeger verder “apostel Krebs”. Men sprak over hem altijd als Eenheidsvader Krebs. Pas apostel Niehaus droeg officieel de naam “stamapostel”.- Dan moet het laatste lid in deze keten stamapostel J.G. Bischoff zijn.
Heeft Onze Lieve Heer daarover met de heer Meyer-Geweke gesproken? – En dan komt in dat artikel een zin die tot verwarring onder de nieuw-apostolische ambtsbroeders en broeders & zusters moest leiden, namelijk: “Hij is er vast van overtuigd dat de Heer de zijnen nog tijdens zijn leven thuis zal halen in het vaderhuis, vooral omdat de Heer hem – volgens zijn eigen woorden – nog niemand had getoond, die het Gods werk op aarde na hem zou moeten voortzetten.” – Deze zin staat toch in krasse tegenstelling tot de op 1 augustus 1948 ondernomen handeling van de uitverkiezing van een opvolger voor de stamapostel J.G.Bischoff. Het is toch logisch, dat zulk een geschrijf allerlei vragen en gedachten oproept.

Mij was het meteen duidelijk, dat de heer Meyer-Geweke slechts een naar voren geschoven man was, die zulk een artikel in opdracht moest schrijven omdat de lieden, die in mij beslist niet de opvolger van de stamapostel wilden zien, het zelf niet waagden, met hun eigen naam een dergelijke bruskering tegen mijn beroeping te vertegenwoordigen.

Ik heb dan eerst met apostel Dehmel gesproken, die heel ontsteld was over een dergelijke brutaliteit, die aan de fundering van het apostolische werk schudde. - Ik belde apostel Knigge op, die meteen tegen mij zei dat hij wel wist, waarom ik met hem wilde praten. Hij had vanwege dit erge artikel al met apostel Weinmann getelefoneerd, die over het gedrag van Meyer-Geweke ontzet was en had gezegd, dat voor mij niets over bleef, dan meteen naar de stamapostel te reizen en van hem een berisping van Meyer-Geweke te eisen. -  Ik sprak ook telefonisch met apostel Schall, die tot dan het artikel nog niet had gelezen. Ik las hem de belangrijkste zinnen voor en hij was toen ontzet omdat door een dergelijk geschrijf de hele organisatie van het werk Gods werd aangevallen. Hij raadde mij aan, meteen naar de stamapostel te reizen en met deze erover te praten. – De volgende ochtend belde apostel Schall mij al vroeg op en zij, dat hij die nacht ernstig over de zaak had nagedacht en dat hij mij in verband met de stand van zaken en de toestanden in Frankfurt  aanraadde, stil te zijn en niet naar Frankfurt te reizen, omdat men het misschien als een zelfverdediging zou opvatten. De tijd zou dit geschrijf vanzelf corrigeren. – Ik sprak ook per telefoon met apostel Schmidt, die zei, dat het zeer te betreuren was dat Meyer-Geweke zulk een artikel had geschreven en hoe die man er toch toe was gekomen, enz. Ik zei tegen apostel Schmidt, dat hij toch moest weten, dat Meyer-Geweke maar een ondergeschoven man was, die misschien onbewust de kwestie van mijn wegwerken moest opjutten, want ik had hem toch al enige tijd geleden gezegd dat bepaalde mensen het er niet mee eens waren, dat ik eenmaal de opvolger van de stamapostel zou moeten worden. Ik vroeg toen aan apostel Schmidt, wat hij mij aanraadde. Toen zei hij:”Rijd meteen naar de stamapostel en praat met hem.” Ik vroeg:”Rijd je mee?” Toen antwoordde hij heel kort:”Nee!” “Goed, “ zei ik tegen hem,”weet dan maar, dat iedereen, die dat gedoe met deze mensen altijd toe laat, zich mede schuldig maakt aan het bloed van honderdduizenden brave, goedgelovige zielen.” Hij meende dan nog tegen mij te moeten zeggen: “Als ik toen geweten had wat ik nu weet zou ik hebben gezegd, dat wij in de kwestie van de opvolging niets hadden moeten doen, maar gewoon alles aan de stamapostel zelf zouden moeten overlaten.” Ik zei toen nog verder tegen hem:”Over de vraag of de handeling menselijk of goddelijk was, ben ik in mijn binnenste volkomen gerustgesteld want als een zó groot aantal apostelen tot de slotsom was gekomen dat ík de door de Heer uitverkorene ware, dan is dat voor mij belangrijk meer dan verschijningen en dromen van broeders en zusters, die men als Gods openbaringen beschouwt terwijl men helaas  het woord van vele apostelen als menselijke mening afdoet. Ook heb ik mij toch niet zelf gekozen, doch de verkiezing is van de stamapostel uitgegaan.”
Ik maak je echter duidelijk, dat ik zelfs ermee rekening houd, dat, als ik in opdracht van de geesten werkelijk van mijn ambt als opvolger van de stamapostel afstand zou moeten nemen, het dan wel niet al te lang zou duren of de mensen zouden ervoor zorgen, dat de stamapostel de nodige “Godsopenbaringen” middels Gezichten en dromen zou krijgen en dan zou de hen aangename man als “door God Getoond” worden genoemd.” “En wie moet dat dan zijn?” vroeg apostel Schmidt. Daarop antwoordde ik: “dat zeg ik niet “ Apostel Dehmel sprak toen nog telefonisch met apostel Weinmann over deze aangelegenheid. Deze uitte zich tegenover apostel Dehmel , dat men nu voor dezelfde vraag stond als te zijner tijd Bismarck, namelijk: Ben je voor de oude keizer, dan bederf je het met de kroonprins, maar ben je voor de kroonprins, dan bederf je het met de oude keizer! Hij gaf tegenover apostel Dehmel onverholen uitdrukking aan zijn mening dat het van de heer Meyer-Geweke onbeschoft was, zoiets te schrijven; maar hij wist het toch: als een van de apostelen iets tegen Fritz Bischoff zou zeggen, zou hij het bij de stamapostel bederven, en met de stamapostel wilde hij het in geen geval bederven. Apostel Dehmel vroeg hem dan of het niet was aan te raden, eens met enige apostelen bijeen te komen om met deze te overleggen wat men tegen zulke dwarsliggerij zou kunnen doen. Daarop antwoordde apostel Weinmann: “Doe dat in godsnaam niet, want dat wordt je zo kwalijk genomen, dat je er meteen onderdoor gaat. Wij hebben in dit opzicht toch al dergelijk verschrikkelijks meegemaakt, dat ons de lust is ontnomen, met welke apostel dan ook over dergelijke zaken te praten. Ik geloof, dat ik voor het komende halve jaar maar met vakantie ga opdat niemand mij kan bereiken en ik over alles niets behoef te zeggen.“

Ik heb toen de district oudste Weine opgebeld en hem gevraagd, wat wel de stamapostel over dit artikel had gezegd. District oudste Weine vertelde mij dan dat de stamapostel hem in de ochtend van de vorige dag had gezegd, dat hij de avond daarvoor de nieuwe kalender had gekregen en dat artikel had gelezen. Hij had een slapeloze nacht gehad en erover gepiekerd, wat dat artikel wel allemaal zou uitlokken. Hij zou van dat artikel pas hebben gehoord, toen de verzending van de kalender al gestart was en hem van te voren niet gelezen. Hij wilde een brief aan de apostelen opstellen waarin hij hen mededeelde, dat de heer Meyer-Geweke zonder zijn medeweten en zonder zijn wens iets dergelijks had geschreven. Weliswaar had hij in het jaar 1947 gezegd, dat de Heer hem nog geen opvolger had aangewezen, maar dat was toch intussen door de plaats gehad hebbende handelingen te niet gedaan. – De bedoelde brief moest dan aan de apostelen, die vragen stelden, worden gezonden opdat zij dit aan de vragenstellers konden mededelen. De district oudste Weine heeft toen aan de stamapostel voorgesteld, niet eerst af te wachten tot de apostelen vragen stelden, maar een dergelijke brief meteen aan de apostelen te sturen om al van tevoren een grote verwarring te voorkomen. Daarmee was de stamapostel het eens, en de volgende ochtend wilde hij een dergelijke brief opstellen en verzenden. Vervolgens heeft de stamapostel ‘s middags nog eens de districtsoudste opgebeld en hem gezegd, dat hij zojuist met Fritz had gesproken en hem had voorgesteld dat deze in het volgende nummer van “Unsere Familie”een desbetreffende verbetering van het artikel uit de kalender moest opnemen. –

Ik wachtte toen op de brief van de stamapostel, die echter, zoals ik had verwacht, niet kwam; ik wist toch, uit ruime ervaring, wat de geesten wilden en dat met het artikel in de kalender aan een zekere bedoeling was voldaan. Ik belde dan nog eens de districtsoudste Weine op, of de brief van de stamapostel nog niet verzonden was. Districtoudste Weine vertelde mij toen dat de stamapostel in Karlsruhe was geweest, waar hij ook met apostel Hahn had gesproken. Deze had de stamapostel aangeraden, niet aan de apostelen te schrijven maar de zaak op zijn beloop te laten. Bovendien had de districtoudste Fritz Bischoff intussen met de apostelen Schmidt en Weinmann getelefoneerd en aan de stamapostel bericht, dat hij met deze twee apostelen had gesproken en dat deze het artikel in de kalender geheel in orde hadden gevonden.( In hoeverre deze bewering over de uitlatingen van de apostelen Schmidt en Weinmann tegen de zoon van de stamapostel met de gang van zaken overeenstemt, kan ik natuurlijk niet zeggen.) . Enige dagen later belde ik weer de districtoudste Weine op en vroeg, hoe de zaak ervoor stond. Hij wilde mij toen absoluut geen antwoord meer geven en zei slechts:”Wij hier op kantoor hebben het strikte bevel, aan iedere apostel die opbelt te verklaren, dat wij over niets inlichtingen mogen geven en dat zij zich schriftelijk tot de stamapostel moeten wenden.”

Het was voor mij toen al zo klaar als een klontje dat het werk aan mijn terzijdestelling als opvolger van de stamapostel op hoge toeren liep en dat men de stamapostel intussen geheel had omgestemd. Ik smeekte toen de districtoudste Weine, mij een broederlijke raad te geven, wat ik toch zou moeten doen, maar hij wilde er niets meer over zeggen. Hij was erg bedeesd geworden en was gewoon bang om te praten. Ik vroeg heel bezwerend, wat er nu toch aan de hand was. Hij zou mij dat toch moeten zeggen opdat ik de geesten vóór kon zijn en zelf mijn terugtreding kon uitleggen. Toen heeft  broeder Weine zich laten overreden, mij te vertellen, dat de zoon van de stamapostel in diens opdracht meerdere apostelen voor een bespreking naar Frankfurt heeft laten komen met het doel, de menselijk goedgemeende handeling van 1 augustus 1948 te annuleren. Toen vroeg ik verder of hij dacht, dat de opgeroepen apostelen daar “ja” tegen zouden zeggen. Hierop antwoordde hij heel timide: ”Helaas moet ik dat als zeker veronderstellen.” Bovendien zei hij tegen mij, dat de stamapostel het dusdanig met de mening van zijn zoon eens was, dat het in het vervolg wel onmogelijk zou zijn dat een vruchtbare samenwerking tussen de stamapostel en mij als stamapostelhelper zou kunnen plaats vinden. Intussen zou de stamapostel zóveel geschriften hebben uitgewerkt om te bewijzen dat indertijd zijn benoeming als opvolger van stamapostel Niehaus volgens indertijd ervaren gezichten e.d. goddelijk waren geweest, terwijl mijn benoeming zuiver menselijk was geweest, ja, dat ik dat allemaal had aangespoord en de alleen schuldige was. Toen heb ik broeder Weine verzocht: ”Doe mij uit liefde nog een dienst en ga nog eenmaal naar de stamapostel en vraag hem of hij mij en zichzelf het onaangename van een waarschijnlijk zeer heftige discussie over deze zaak in de kring van apostelen wil besparen en ook een tragedie voor het Godsvolk. Zeg hem, dat ik bereid zou zijn vrijwillig op mijn uitgangspositie van districtsapostel terug te keren en het ambt als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel  te vergeten. Ik verklaarde ook, dat ik met de stamapostel absoluut een persoonlijk gesprek wilde hebben en ik bij deze de stamapostel verzekerde, dat ik helemaal niet eerst een discussie met hem over deze aangelegenheid wilde voeren, dat ik echter beslist in een goede verstandhouding met hem wilde leven aangezien ik nooit en te nimmer zijn kroon begeerde, doch enkel en alleen zalig wilde worden; dat het voor mij een bijzaak zo zijn, slechts weer als districtsapostel in het district Düsseldorf werkzaam te zijn. Verzoek
de stamapostel, zo goed te zijn, mij de volgende ochtend voor een uurtje ter regeling van deze aangelegenheid te ontvangen.

Lees verder>>>>

Dit telefoongesprek  met de districtoudste Weine vond in de avond van 24 november 1950 plaats. Daarna is broeder Weine naar de stamapostel gegaan en heeft hem de inhoud van ons gesprek verteld. Broeder Weine belde mij dan nog dezelfde avond op en zei, dat de stamapostel mij de volgende ochtend om 10 uur wilde ontvangen, maar dat ik mijn schriftelijk verzoek om terug te treden mee moest brengen; mijn terugtreden zou dan met alle eer geschieden. Ik zei daarover, dat ik niet van plan was, een schrijven mee te brengen maar eerst het verloop van het gesprek met de stamapostel zou willen afwachten en dan overeenkomstig met het verloop van het gesprek in Frankfurt de brief vorm zou kunnen geven. Ik vroeg dan nog aan districtoudste Weine, wat de stamapostel verder nog had gezegd. En broeder Weine zei tegen mij dat de stamapostel zichtbaar opgelucht en blijkbaar blij was dat deze oplossing zou komen. Ik vroeg toen districtoudste Weine, mij eerlijk te zeggen, of er tegen mij de een of andere aanklacht liep, of ik in de vervulling van mijn ambt iets verkeerds had gedaan enz. Toen zei districtoudste Weine:”volstrekt niet, integendeel: hij had de indruk dat alles goed zou zijn als ik mij als stamapostelhelper en opvolger in het ambt van stamapostel terugtrok. Dan zouden ook de mensen, die achter die zaak zaten, volkomen tevreden zijn. Ik vroeg verder of hij mij misschien zou aanraden, ook als apostel af te treden en in de rust zou gaan opdat ik dan zeker rust zou krijgen. District oudste Weine dacht daarover: “Daarvoor bestaat voor u absoluut geen aanleiding; blijft u in ieder geval in het ambt van apostel.” “Ja”, zei ik, “er is toch ook geen aanleiding voor mij om mij terug te trekken als stamapostelhelper en ik moet die stap toch doen. Is het dan toch niet beter, dat ik het erop laat aankomen en in een apostelvergadering in alle openheid zou praten over al die trieste misstanden, die in het Werk op het hoogste niveau bestaan en die dat Werk ruineren en in de afgrond storten?” Toen zei de districtoudste Weine heel bedroefd: ”Momenteel zie ik geen andere uitweg dan die, dat u zelf zich terugtrekt als stamapostelhelper, want in een apostelvergadering zou de stamapostel de apostelen voor de keuze stellen: òf u staat achter hem òf u zou achter mij moeten staan. Als dan de apostelen gezamenlijk tegen de stamapostel zouden zijn, zou dat zijn dood betekenen. En als de apostelen -  wat waarschijnlijk zou zijn – deels op de kant van de stamapostel zouden zijn en deels op de mijne en als dan alle lelijke dingen die zijn gebeurd ter sprake zouden komen, dan zou er in het werk van God een splitsing komen die niet te herstellen is.” “Goed, “ zei ik toen, “ ik zal dus mijn terugtreden ten opzichte van het ambt van stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel indienen teneinde het Werk een dergelijke ramp te besparen; want liever wil ik het slachtoffer zijn, dan honderdduizenden zielen tot vreselijke geloofsstrijd te doen komen. Als het daarmede dan is afgedaan, zou het offer voor mij gering zijn.” Toen zei broeder Weine als laatste woorden:
“U weet, hoe ik er tegenover sta en dat ik de zaken juist zie; wij willen tot God schreeuwen dat hij zijn werk moet redden, en: de oude God leeft nog!” Toen heb ik tegen district oudste Weine gezegd, dat ik dus de volgende morgen om 10 uur met apostel Dehmel bij de stamapostel zou zijn.

Heel laat op dezelfde avond belde mij nog apostel Otto Güttinger uit Zwitserland op. De zoon van de stamapostel had hem telefonisch gezegd, dat hij op maandag, 27 november 1950, naar Frankfurt moest komen en verzocht hem, deze reis geheim te houden en er niemand iets over te vertellen. Het ging namelijk om een belangrijke bespreking met de stamapostel. Apostel O. Güttinger vroeg mij of ik wist, wat er aan de hand was. Ik vertelde hem, waarover het ging en vertelde hem erbij, dat ik de volgende ochtend naar Frankfurt zou rijden en mijn ambt als stamapostelhelper en opvolger van de stamapostel ter beschikking zou stellen. “Wat?” zei toen apostel O. Güttinger, “dat zal je toch niet doen, dat is toch uitgesloten.” Ik zei toen: “Mijn besluit staat vast en is onherroepelijk..” Toen riep apostel O. Güttinger in de telefoon: “Jij, dat wil ik je zeggen, dat is de eerste en grootste ontgoocheling, die ik met je meemaak  Jij zult toch nooit voor een oude man opzij gaan, vooral omdat je toch weet dat deze oude man slechts naar voren is geschoven en degenen, die erachter zitten, het zó willen hebben. Jij mag je niet terugtrekken.” Ik zei: “Ik blijf bij mijn voornemen.” Toen nam apostel O. Güttinger afscheid van mij met de opmerking: “Daar kom ik niet overheen; ik ga voor een lange tijd weg want nu weet ik niet meer, wat ik moet zeggen.” Ik verzocht hem nog, onze vriendschap te behouden en voor mij te bidden en nam afscheid van een teneergeslagen mens.

Op de volgende ochtend reed ik toen samen met apostel Dehmel naar Frankfurt, of beter gezegd: naar Canossa; want het was inderdaad een Canossagang van het bitterste soort, diepe vernedering voor mij.

Het is wel te begrijpen, dat zowel apostel Dehmel als ook ik  in de nacht van 24 op 25 november 1950  ieder slechts een krap uur hebben geslapen, want talloze gedachten joegen elkaar achterna met de vraag, wat wel in deze situatie voor het werk Gods het juiste zou zijn: het tot een open gesprek in het college van apostelen en daarmee tot een strijd en tot een reiniging te laten komen of dat het meer verantwoord zou zijn, te zwijgen . Hoe kon je toch voor God en je eigen geweten het best leven, enz. enz. En deze knellende vragen en overdenkingen stelden wij  elkaar tijdens onze reis naar Frankfurt heel grondig. Apostel Dehmel maakte mij erop attent dat hij ervan overtuigd was, dat de strijd om reinheid en zuiverheid in het Werk nu of tegen en ander tijdstip toch beslist zou komen. Het zou tenslotte beter te dragen zijn, als ik de stap, die ik van plan was, namelijk mij terug te trekken, nu zou doen, maar het Volk van God zou daarmee toch niet zo goed gediend zijn. Na al dat over en weer kwam ik dan ook tot het besluit, tegen de stamapostel te zeggen, dat ik na rijpelijk overleg mijn terugtrekking niet kon indienen omdat er dan schade aan het Werk Gods zou ontstaan en dat ik misschien zou staan op het samenroepen van een apostelvergadering. Enz.

Ik was dan ook vast besloten, in alle rust maar ook in alle duidelijkheid met de stamapostel te praten en hem ook de redenen te noemen, waarom ik niet terugtreden mocht en kon, kome wat kome! Dat was dus ons plan, maar…….toen wij bij de stamapostel waren – waar ook districtsoudste Weine aanwezig was, beleefden wij een uitbarsting van een vulkaan uit het hart van de stamapostel, zoals die zeker nog over niemand ooit is uitgevloeid. -  De stamapostel begon rustig met de woorden: “U wilt dus uit zichzelf als stamapostelhelper terugtreden, zoals u het gisterenavond tegen broeder Weine hebt gezegd?” “Ja” zei ik,”daartoe ben ik bereid, maar vergeeft u mij als ik zou willen vragen: wat heb ik dan nu eigenlijk gedaan?” Verder kwam ik niet, want toen sprong de stamapostel opgewonden op en sprak niet meer, maar schreeuwde en raasde: “U, wat u hebt gedaan? U hebt alle apostelen tegen mij opgehitst. U bent achter mijn rug om naar de apostelen gegaan en hebt mij gedwongen, die handeling toen te voltrekken. U hebt toentertijd de brief opgesteld, die 15 apostelen hebben ondertekend. U en apostel Lembke zijn achter mijn rug bij de apostelen geweest. Ik zou in de eeuwigheid niet in het vel van apostel Lembke willen steken. Jullie hebben toen de democratische geest in de apostelen gewekt en bent daarmee van de leer afgeweken. In de woning van broeder Weine hebt u de apostelen tegen mij opgejut. Dat heeft men in de verdieping erboven gehoord en mij verteld. Ja, dat weet ik, dat had u niet gedacht, enz. enz.” Ik heb tijdens deze woede-uitbarsting, waarbij de stamapostel op de tafel sloeg en bij wie de aderen van woede op zijn voorhoofd opzwollen, geheel stil gezwegen, want het was voor apostel Dehmel en mij duidelijk, dat bij beantwoording van deze beschuldigingen door de stamapostel, deze waarschijnlijk door de opwinding een beroerte zou hebben gekregen. En dan zou men de wereld in hebben gebazuind, dat wij de stamapostel op ons geweten hadden. Dus bleven wij allebei muisstil. De stamapostel verloor elke houding en klaagde in zijn verdere uiteenzettingen ook in het bijzonder apostel E. Güttinger  met zijn democratische opvattingen aan. Hij  zou echter kort geleden de Zwitserse apostelen hebben bewezen, dat de toenmalige handeling ongoddelijk was geweest , want de Heer had hem geopenbaard, dat hij het volk van God naar de voleinding zou leiden. Hij had tegen de Zwitserse apostelen gezegd, en dat herhaalde hij ook tegenover ons: “ Ik zal niet sterven . “ Daarop hadden de Zwitserse apostelen grote ogen opgezet, maar hij wist, wat hij zei en bleef ook daarbij.  Hij wist heus wel, dat het veel is om te zeggen: “ik zal niet sterven”, maar hij zou het nooit en te nimmer anders zeggen, want als je het anders zou zeggen, dan zou dat een belangrijke afwijking van de leer zijn. De wederkomst van Christus was nabij, en wie dat niet onderwees, die was fout.

Ik zei er toen bedeesd tussen, dat ik van begin af aan de aanstaande wederkomst van Christus had gepredikt, waartegen hij opmerkte: “wat is dichtbij? Daarmee kan een maand, een jaar en nog veel langer zijn bedoeld.” Toen zei ik nadrukkelijk en gedecideerd: “Ik breng niet alleen de leer, dat de terugkomst van de Heer nabij is, maar ik predik indringend steeds weer: stellen jullie je erop in, dat de Heer iedere dag, ieder ogenblik verschijnen kan.” Daarop zweeg de stamapostel.

Ik zei toen nog zachtjes: “Lieve stamapostel, heb ik mij dan op de wijze van uitvoering van mijn ambt als stamapostelhelper aan iets schuldig gemaakt?” Dat was al te veel, want weer sprong de stamapostel op en schreeuwde: “Houdt u vol, wat u gisteren tegen broeder Weine hebt gezegd en wilt u terugtreden? Anders leg ik de zaak aan het apostelcollege voor, en dan zult u beleven, dat de apostelen die toentertijd vóór u waren, heden tegen u zijn; met weinig uitzonderingen. Dan zult u alleen staan. Nu komen de apostelen en berouwen, dat zij zich indertijd hebben laten verleiden, nu geven zij toe dat hun gedrag menselijk was, nu zakt het hele kaartenhuis ineen. Dus: blijft u erbij dat u zich wilt terugtrekken? Anders……… en toen ging hij naar de deur en het werd mij daarmee duidelijk, dat hij ons eruit wilde gooien, als ik niet ja en amen zei.

Ik zei dan weer heel rustig: “ Ja, daar blijf ik bij; ik ben bereid, als stamapostelhelper af te treden, maar ik zou in geen geval van u afscheid willen nemen zonder in vrede met u te leven. Ik wil in ieder geval met u één zijn, onverschillig wat er ook zal komen. Ik heb nachten achter mij, die voor mijn vrouw en mij een verschrikkelijk Gethsemane waren en ik ben bijna bang, dat mijn vrouw zal sterven van leed en zorg.” Toen zei de stamapostel luid, hard en koud: “ Dat is nu de oogst van uw uitzaai; ik heb indertijd 220 (zo ongeveer) uren slaap te weinig gekregen.”

Ik zei toen nog – steeds heel rustig - : “ De brief, die indertijd aan u was gericht, was toch niet door mij alleen geschreven. Die werd toch op de wens van de in Berlijn aanwezig apostelen geschreven. Toen zei de stamapostel weer heel kwaad: “Ú hebt het geschreven.” “Ja,” zei ik, “dat is in zoverre waar, dat ik de laatste opstelling ervan gemaakt heb. De apostelen Schmidt en Oberländer hebben in het kantoor van apostel Landgraf , nadat wij onze wederzijdse gedachten hadden uitgesproken, het eerste ontwerp geschreven. Dat werd de aanwezige apostelen voorgelezen. Deze meenden, dat enige onhandige uitdrukkingen in de brief anders moesten worden gesteld. Ik heb toen de uiteindelijke tekst van de brief geschreven waarin ik het ontwerp van de apostelen Schmidt en Oberländer milder heb gemaakt opdat geen woord, dat enigszins kon verwonden, erin zou staan.” “Ú hebt die brief geschreven” klonk het toen weer.

Toen zei ik: “Lieve stamapostel, als datgene, dat de apostelen toentertijd hebben gedaan,  menselijk en fout was, dan zou niet alleen ík menselijk en foutief hebben gehandeld, maar de anderen ook.”

Toen echter een zakelijk gesprek volkomen onmogelijk bleek en het door verdere tegenwerpingen van mij tot een open breuk zou zijn gekomen, en omdat het ook duidelijk was, dat een vruchtbaar werken als stamapostelhelper aan de zijde van de stamapostel in de toekomst onmogelijk zou zijn,  zei ik dan, dat ik mij terug trok als stamapostelhelper en weer – zoals eerder – als districtsapostel in het district Düsseldorf zou willen werken. Dat was voor de stamapostel het verlossende woord. Hij werd meteen belangrijk rustiger. Hij zei toen heel lief tegen mij: “Als u weer slechts als districtsapostel werkt, dan is die oude zaak afgedaan, dan is alles goed, dan zal de Heer met u zijn.”

Ik vroeg dan nog aan de stamapostel, of alles daarmee ook werkelijk goed was, als ik als stamapostelhelper terugtrad en weer als districtsapostel zou werken, waarop hij antwoordde: “Maar dat is toch vanzelfsprekend; ik heb altijd van u gehouden en  houd ook verder van u.” Ik voegde er nog aan toe: “Ik weet echter, dat enigen mij niet willen hebben en dat dezen misschien verder tegen mij zijn en geen rust toestaan. Houdt u dan in de toekomst uw handen beschermend boven mij en beschermt u mij tegen diegenen?” Wederom zij de stamapostel: “Heel zeker, dat beloof ik u.”

Vervolgens heb ik nog eens kort gevraagd: “Heb ik dan bij de uitoefening van mijn ambt als stamapostelhelper iets verkeerd gedaan of zijn er nog klachten over mij?” “Nee, verder is er niets tegen u” zei toen de stamapostel.

Dan heb ik de stamapostel nog verzocht mij te willen vergeven als ik welke fout dan ook gemaakt zou hebben. En toen zei de stamapostel: “Van harte gaarne!” en toen gaf  mij een kus.

De stamapostel verzocht mij daarna, naar het kantoor in de Sofienstrasse 48 te gaan en daar het schrijven van mijn terugtreden op te stellen. Hij zei nog: “U hebt toch een hartkwaal, dan kunt u toch schrijven, dat u om gezondheidsredenen wilt terugtreden.” Ik zei toen kort: “Dat zou ik niet willen omdat ik bij de waarheid wil blijven.”

Ik ging toen met de district oudste Weine en apostel Dehmel naar het kantoor in de Sofienstrasse 48 om de brief te schrijven, die ik daarna aan de stamapostel heb gegeven.

Toen wij in het kantoor Sofienstrasse 48 aankwamen, had de stamapostel al de daar werkende herder Weiler opgebeld en hem gezegd, dat hij zijn volgende boodschap moest overbrengen: In die brief moest ik erbij schrijven, dat ik daarom terugtrad, omdat de stamapostel het werk Gods zou voleinden. – Daarop antwoordde ik: “Dat doe ik niet, want dat is niet mijn overtuiging.”

Hieronder de tekst van de brief, die ik dan opstelde en aan de stamapostel gaf:

25 november 1950.
Hartelijk geliefde Stamapostel!                             

Nadat ik nu meer dan 2 jaren als stamapostelhelper in het werk Gods bezig was, heb ik zicht gekregen  op uw werk en ook op uw geloof over de voleinding van het werk  Gods.

Ik voel mij niet in staat, het gewicht van de opgave van een stamapostel in de toekomst te dragen en zou de mij door het college van apostelen via u gegeven opdracht om als stamapostelhelper en toekomstige stamapostel te werken, in uw handen terug willen leggen.

Na het heden met u gehouden gesprek zal ik, zoals vroeger, mij uitsluitend als districts – apostel in het aposteldistrict Düsseldorf in samenwerking met u en de apostelen bezig houden.

In eerbied, hartelijke liefde en verbondenheid,

Uw toegewijde

Get. P. Kuhlen