Voorwoord webteam.
Niet alleen in onze tijd is sprake
van dwaalleer. Ook de dagen van Timoteüs waren er
rijk aan. Vandaar ook al die waarschuwingen van de
apostel aan het adres van Timoteüs met betrekking
tot de dwaalleraren en hun leerstellingen. Timoteüs
moet zich er niet mee inlaten. Hij en de gemeente
moeten zich er verre van houden. Hoe moet Timoteüs
dat doen? Door te blijven bij wat hem geleerd en
toevertrouwd is door hem, Paulus, door z’n moeder
Eunice en door z’n grootmoeder Loïs. Wat dat is? Het
is het evangelie van Jezus Christus. Waarom dat zo
belangrijk is? Omdat dat evangelie hem wijs maakt.
Het vertelt van de zaligheid, die er is in Jezus
Christus. Dit evangelie moet daarom ook bestudeerd
en onderricht worden. Daarin moet opgevoed worden,
want buiten Jezus om is er geen behoud, geen eeuwig
leven. WEBTEAM.
Voorwoord
In een hangmap in het archief
van de Hersteld Apostolische Zendinggemeente te
Haarlem lag een bundel, bestaande uit 41
folio-pagina’s van rand tot rand met de hand
volgeschreven ruitjespapier (zie achterblad). Het
was geschreven door de “oude herder” N.J. Verkruisen
sr in 1904, en door zijn zoon, de latere “jonge
herder” J.W. Verkruisen van een omslag voorzien (zie
voorblad). Al lezende in de kwetsbare, uitgedroogde
vellen werd duidelijk, dat dit een waardevol
document was, een hulpmiddel om te begrijpen
waardoor er in 1904 een breuk is ontstaan tussen de
oude herder Verkruisen met zijn gemeente en de
apostel M. van Bemmel (die nog wel zijn schoonzoon
was). Dit document wordt u hierbij aangeboden, zij
het qua stijl en spelling wat gemoderniseerd.
Eén van de zaken, die toen
speelden, was een preek van herder H. Meijnders te
Amsterdam, op 17 januari 1904, die op een nogal
ondoordachte wijze over de menselijke natuur van de
Christus sprak. Ap. Van Bemmel concludeerde min of
meer terecht, dat hij Hem menselijke zwakheden
toeschreef. Zeker was Meijnders daarin te ver
gegaan, maar bij de bespreking van dit voorval in de
priestervergadering van 19 januari 1904 bleek ap.
Van Bemmel een andere mening over het mens-zijn van
Christus te hebben dan de drie overige priesters (T.
Korff, H. Meijnders en N.J. Verkruisen). Ap. Van
Bemmel werd door de drie anderen in het ongelijk
gesteld en beloofde, er niet meer over te zullen
spreken. Hij heeft zich daar echter niet aan
gehouden en is met kracht gaan verkondigen dat de
Christus heeft geleefd en gehandeld als God op
aarde. Dit gaf herder T. Korff aanleiding tot een
rondschrijven (d.d. 4 okt. 1904) aan Van Bemmel en
de beide andere leden van de priesterschap, waarin
hij deze leerstelling bestrijdt en er zijn
ongerustheid over uitspreekt.
Verkruisen had in de gemeente
Haarlem niets over deze kwestie bekend gemaakt, maar
er lekte iets van uit. Daarom heeft hij op zondag 17
juli 1904 toch een deel van dit document (blz.
25-37) voorgelezen. Toen in november 1904 ap. Van
Bemmel werd gevraagd naar Haarlem te komen om aan
enkele leden de verzegeling te bedienen, weigerde
hij dit te doen, waarna Verkruisen de zaak wel
verder openbaar moest maken. Tijd om het bij te
leggen was er echter niet, want Verkruisen overleed
enkele maanden later (7 jan. 1905).
Dit alles is bij vele
Hersteld-Apostolischen op onderdelen een bekend
feit. Daarnaast wordt vermoed, dat ook de plaats van
het apostelschap als algehele leiding in die tijd al
een punt van discussie was tussen Verkruisen en Van
Bemmel.
In het nu gevonden document komt
echter de plaats van het apostelschap in het geheel
niet ter sprake. Wel natuurlijk het genoemde
vraagstuk over een menselijk dan wel Goddelijk
optreden van Christus. Maar daarnaast blijken er nog
andere uitspraken, leringen en houding van Van
Bemmel een rol te spelen. Wanneer men daarvan kennis
neemt, kan men zich levendig voorstellen dat
Verkruisen op zeker moment afstand van Van Bemmel
moest nemen (in dit stuk noemt hij dit: een zijweg
inslaan). En ook kan men zich dan voorstellen, dat
de Haarlemse diakenen (de brs. Jac. Roose, C.
Steffens, C.M. Biemond, A. Brandt jr en J.W.
Verkruisen) niet wilden dat apostel Van Bemmel zou
komen om een roepingsdienst voor een nieuwe priester
te houden.
Zo heeft de Haarlemse gemeente
het ongeveer 10 jaar (van 1905 - 1915) zonder
priester moeten stellen. In 1913 begon er een proces
van toenadering tussen “Haarlem” en Van Bemmel,
waarbij de breuk geheeld werd. In 1915 werd toen een
roepingsdienst gehouden, waarin een zoon van N.J.
Verkruisen sr, de diaken J.W. Verkruisen, tot herder
geroepen werd. Dit mag wel gezien worden als een
bewijs dat deze roeping uit de Here was, want uit
vrees voor nieuwe problemen zou geen mens dit gedaan
hebben, en Van Bemmel zelf zag hem als de
raddraaier, die al die jaren het contact verhinderd
zou hebben.
Hoe nu deze toenadering
inhoudelijk precies tot stand is gekomen, heb ik
niet kunnen nagaan. Er was wel een uiterlijke
omstandigheid: Op 2 februari 1913 was Van Bemmel 25
jaar getrouwd (met de dochter van N.J. Verkruisen
sr). Bij die gelegenheid sprak de Here door
profetie, dat hij een wens mocht doen. Van Bemmels
verborgen wens was, dat de eenheid met Haarlem
hersteld zou worden. Er volgden enkele moeilijke
vergaderingen met de Haarlemse diakenen, maar
uiteindelijk sloeg men de handen ineen. Het mij
echter niet bekend of er toen ook over de door
Verkruisen sr zo zwaar opgenomen ‘dwalingen’
gesproken is.
Over de menselijke natuur van
Christus bestaat tot op deze dag verschil van
inzicht tussen de Hersteld Apostolische Zendingkerk
en de Hersteld Apostolische Zendinggemeente. Maar
een open vraag is echter nog, of Van Bemmel de
andere in dit stuk door Verkruisen sr genoemde
‘dwalingen’ is blijven aanhangen, of dat hij deze
in die 10 jaar heeft losgelaten. Zover mij bekend
leven deze ideeën van Van Bemmel in elk geval nu
niet meer bij de Hersteld Apostolische Zendingkerk.
C.G. Reemer, maart 2003
Bronnen o.a.:
J.W. Verkruisen, J.V.-Verslag 3 maart 1931.
(Geschiedkundige gegevens over de gemeente Haarlem,
van 1904-1930).
Haarlem van 1903-1915. In: Maranatha, 26, 37
(28 september 1963; Jubileumnummer ter
gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de
Apostolische Gemeente in Nederland).
T. Korff: Rondschrijven aan M. van Bemmel, H.
Meijnders en N.J. Verkruisen d.d. 4 oktober 1904,
met toelichting van J.W. Verkruisen [1932]. (Handelt
over het verschil van mening over de menselijke
natuur van Christus, tussen Van Bemmel enerzijds en
Korff, Meijnders en Verkruisen anderzijds).
Samenvatting
Eerst wordt een aantal dwalingen en misvattingen
van apostel Van Bemmel genoemd en van commentaar
voorzien:
1 Christus heeft als God en niet als mens
geleefd en gehandeld (blz. 6).
2 Er is geen viervoudige ambtsbediening, maar
er zijn apostelen en er is profetie, deze twee (als
de zuilen bij de tempel); profetie is echter geen
ambt, dus er is eigenlijk maar één ambt: dat van
apostel (blz. 10 ).
3 Er is geen persoonlijk duivel als verzoeker
(blz. 10).
4 De zondeval was gepredestineerd en móest
gebeuren, zo ook het verraad van Judas (blz. 10).
5 Er is geen drieënig God (“een oude, een jonge
en een duifje”), maar er is slechts één God (blz.
11).
Verder wordt een aantal bijzondere uitspraken van
Van Bemmel aangehaald, zoals: De apostel zal zelf
wel mannen aanstellen om hem te dienen, want voor
zijn geld kan hij er genoeg vinden (blz. 10). En:
Zonder mij (Van Bemmel) ben je niets, kun je niets
doen (blz. 14). En: Alleen ik, apostel Van Bemmel,
kan Hemelvaart vieren (blz. 14).
Vervolgens licht Verkruisen toe, met aanhaling van
in totaal 44 profetieën en dromen, dat ap. Van
Bemmel langzamerhand van zijn goede standplaats als
apostel des Heren is afgeweken en daarbij vele
goedwillende anderen op een verkeerde weg heeft
getrokken. Tot driemaal toe wordt over Van Bemmel
geopenbaard, dat hij ziek of gewond aan zijn hoofd
is. Ook wordt getoond dat hij verkeerde vruchten
voortbrengt en dat hij zich gedraagt als een zich
verhardende farao.
Door de vete, in 1904 ontstaan door het
optreden van Van Bemmel ten opzichte van Meijnders,
kon alles wat zich in Amsterdam afspeelde ook voor
Haarlem niet langer verborgen blijven. Verkruisen
heeft Van Bemmel vele malen tevergeefs gewaarschuwd,
wat hem niet in dank is afgenomen.
Nu, in 1904, voelt Verkruisen zich genoodzaakt, op
aanwijzing van de Here, om in Haarlem opening van
zaken te geven. Hij moet ‘het cijferschrift van het
boek Numeri’ ontvouwen. Kort gezegd komt dit er op
neer, dat de erfenis van de gemeenten van Juda
(Zelafeads-dochters genoemd) hun nu voor de derde
maal ontroofd dreigt te worden. Met deze erfenis
wordt bedoeld al het goede, wat ap. Schwartz (Mozes
genoemd) heeft geleerd en aangebracht.
De eerste maal dat deze erfenis bedreigd
werd, gebeurde dit in 1895-1896 door ap. Krebs en
aanhang. De tweede maal was in 1898, toen Krebs en
Vleck (hoewel vijanden van elkaar) tot tweemaal toe
samen een rechtszaak aanspanden tegen ap. Van
Bemmel, om in het bezit te komen van de kerk en de
nalatenschap van ap. Schwartz.
Verkruisen (Jozua genoemd) moet nu zorgen, dat de
gemeenten toch hun erfdeel krijgen. Hij stelt, dat
bij Van Bemmel alleen nog maar schijnverzoening te
vinden is.
Uit een tweetal profetieën (citaten 38 en 39)
blijkt, dat deze toestand voor ‘een kleine tijd’ dan
wel slechts ‘een halve seconde’ zou duren.
[Verkruisen kon natuurlijk niet weten, dat dit een
periode van 11 jaar zou zijn, waarna een hereniging
zou volgen. CR].
Opvallend is verder nog, wat Verkruisen schrijft
(blz. 28) over het bekende ‘concept’ van ap.
Schwartz: “Ik schroom niet nog eens te herhalen wat
ap. Schwartz gesproken heeft, nadat hij de infame
brief van nov. 1895 –door Niehaus aan Krebs
geschreven– betreffende het concept, en door Krebs
aan ap. Schwartz toegezonden, gelezen had. Toen
sprak ap. Schwartz: ‘Ik bemoei mij niet meer met
hen, ik laat hen aan zichzelf over.’ Zo nam hij
grote afstand van hen.” Hieruit blijkt, dat Schwartz
het niet eens was met de inhoud van het in naam van
Schwartz door Krebs gedicteerde ‘concept.’
Wederlegging der dwaalleer,
gebracht door apostel M. v. Bemmel,
geschreven in het laatst van
1904 door Pa.
Nog nimmer voorgelezen. Gelezen door
W.J.V. jr. in 1908.*)
*) Dit is het opschrift
op het omslagblad; W.J.V. moet natuurlijk J.W.V. zijn
(J.W. Verkruisen)!
De onderstrepingen in dit werk zijn van N.J. Verkruisen
sr zelf, en geven waarschijnlijk aan waar hij bij het
voorlezen nadruk op wilde leggen.
Van de bewerker afkomstig: aanpassing van stijl en
spelling, de indeling in alinea’s, de benaming ‘citaat’
en de nummering daarvan, en enkele opmerkingen tussen
[rechte haken].
Wederlegging der leerstellingen
van apostel M. van Bemmel
als zijnde in tegenspraak met de
waarheid der Heilige Schrift.
Ten eerste leert de apostel, dat de Here Jezus als
God, en niet als mens heeft geleefd op aarde; dat Hij
als God, niet als mens heeft geleden; dat Hij als God is
gestorven, opgestaan en ten hemel is gevaren; dat Hij
dus ook als God door satan is verzocht in de woestijn
(hoewel Hij toch niet in verzoeking kon vallen,
omdat Hij God was).
Nu leert de Heilige Schrift ons nergens, dat satan
de heilige, almachtige God verzocht heeft. Wel leert de
Bijbel, dat satan –als verzoeker– zich tot de mens
gericht heeft, ook die goed en naar Gods beeld geschapen
waren, zoals Adam en Eva, die als schepsel, als zoon,
als knecht Gods aan de Heer onderworpen waren. Zo zegt
ook de Here Jezus het over Zichzelf en staat het over
Hem geschreven (Filipp. 2:4-11), wat toch wel zeker op
een ondergeschikte staat wijst.
Over Hem als Schepsel Gods, als eengeboren Zoon des
Vaders, lezen we in Ps. 40:7-9, waar Hebr. 10:5 en Hebr.
1:1-9 op wijzen. Filipp. 2:7-8 zegt “de gestalte eens
dienstknecht aangenomen hebbende, is de mensen
gelijk geworden.” Zo wordt Hij onder meer in Jes.
42:1-6; 49:1-8; 53:11-12 en Deut. 18:15-19 aangeduid. Zo
werd Hij in Zijn tijd ook door de Vader bevestigd, zie
Matth. 3:16-17 en 17:5 met 2 Petr. 1:16-18. In Hebr. 1:8
wordt Hij Zoon genoemd, dat is een ondergeschikte die
een hogere macht boven Zich heeft, aan Wie Hij
onderworpen is. Tevens wordt Hij daar God genoemd, dat
is: met macht toegerust en aangedaan. Wil men nu dit
Godmens-zijn verstaan naar de heilige en waarachtige
mening des Heren, dan moet men letten op wat de Bijbel
daar in zeer duidelijke, eenvoudige zin over zegt (Kol.
1: 15-21): Als mens, en toch God, door de Vader met
macht toegerust.
In Exod. 4:16 leert men, dat de Here God tot
Mozes sprak: “En hij, Aäron, zal voor u tot het volk
spreken, hij zal u tot een mond zijn, en Gij zult hem
tot een God zijn.” Zo stelde de Here God Mozes boven
Aäron, niet als een zelfzuchtige heerser, maar als een
middelaar van het Oude Verbond, een tussenpersoon
tussen God en de mens. Zo werd Mozes ook gesteld tussen
de Here God en Aäron. In Exod. 9:1-6 leert men, dat de
Here God tot Mozes sprak: “Zie Ik heb u
tot een God over Farao gezet, en Aäron uw broeder zal uw
profeet zijn, enz.”
De Heer gaf Mozes om met Zijn macht op te
treden tegen Farao, in de heerschappij des Almachtigen.
Dit God-zijn van Mozes, en het spreken of getuigen van
Aäron, had van de Here God een tweeërlei doel. Ten
eerste: Voor het verdrukte volk zou het zijn een heil
Gods ter verlossing. En ten tweede: Voor de verdrukker
zou het zijn een wrake Gods ter vergelding; de
verdrukker, wiens blinde zelfverheffing hem deed
spreken: “Wie is de Here, Wiens stem ik gehoorzamen
zou?” (Exod. 5:1-2).
In deze heilige, waarachtige zin des Heren zal men
het God-zijn van Christus zien. Hij is de
aangekondigde Middelaar van het nieuwe verbond, de Engel
des verbonds naar Mal. 3:1. Engel wil zeggen:
Gezondene, ondergeschikt aan degene, die hem gezonden
heeft, met het doel een dienende geest te zijn, ter
wille van hen die de zaligheid zullen beërven naar des
Heren raad en beloften. Maar ook om, net als Mozes, aan
de hoogmoedige verdrukker de wrake der vergelding Gods
aan te kondigen en uit te voeren, zoals Hij in
Jes. 61:1-3 was aangekondigd en in figuurlijke zin in
Jes. 63:1-14 is getoond.
Hij was het, door Wie en aan Wie de almachtige God
als Vader Zich voor het eerst weer op dezelfde manier
als bij Mozes in Zijn wil en werk openbaarde. Daarop
wijst Hijzelf in Joh. 7:16-18; 5:36; 9:4; 10:25, 34-38;
12:48,49,50; 15:22-25. Hij zegt wat we lezen in Joh.
4:34. Daaraan ontleent Hij Zijn levenskracht tot een
blijvend bestaan voor Zichzelf. Daarom kon Hij aan het
einde van Zijn getuigenis op aarde dan ook zeggen wat
staat in Joh. 14:30 en 17:1-4. Als Ondergeschikte
verheerlijkte Hij niet Zichzelf, maar bad het van de
Vader en wachtte af. Op deze manier werd het waar, wat
over Hem geschreven staat in Hebr. 5:4-10. Daarom staat
er in heiligheid van Hem geschreven, dat Hij niet door
Zichzelf tot God gemaakt was, maar door de Vader, en wel
nadat Hij Zijn werk, door de Vader Hem getoond, op aarde
volbracht had, Hebr. 1:7-9; Filipp. 2:6-11. Toen kon Hij
in waarheid spreken: “Mij is gegeven alle macht in hemel
en op aarde.”
Wanneer nu geroepenen en gezondenen des Heren, ook
apostelen, vanuit deze Geest van Christus Zijn Woord
hadden beschouwd, waar men zich zo volijverig op beroept
(namelijk Joh. 20:21) en zo degenen tot wie zij gezonden
werden hadden willen opvoeden door woord en werk des
Vaders (Joh. 19:18-23), dan zou er niet zo’n rampzalige
verdeeldheid en scheuring zijn ontstaan, die niet ten
leven maar ten dode werken.
Uit het hier voorgaande der Heilige Schrift kan men
duidelijk leren, dat de Here Jezus als mens, als
de tweede Adam –goed en naar Gods beeld geschapen– een
strijd te strijden had tegen de leugen, de kracht des
doods, en dat Hij Zijn strijd moest strijden naar Gods
voornemen (Hebr. 10:5-7) door volhardend het woord en
werk des Vaders te gehoorzamen, totdat Hij als de
getrouwe Godsgetuige Zijn werk had volbracht. Daarom
sprak Hijzelf wat geschreven is in Luk. 18:18-19. Hoe
kinderlijk, oprecht eenvoudig, navolgenswaardig toont
Zich hier de Heer, Zich bewust van Zijn roeping en
zending met de woorden: “Wat noemt Gij Mij goed?” Dat
kan pas, als Mijn werk is volbracht, niet eerder; dat
werk, wat ook Ik in vreze des doods te volbrengen heb,
waarbij Ik in alles wat het natuurlijke en geestelijke
leven betreft verzocht word om de gehoorzaamheid te
verzaken, daarvan af te wijken en zo te vallen.
Als dit niet de bedoeling van de Here Jezus was met
deze woorden, welke bedoeling zal men er dán aan kunnen
geven? Moet het dan zo zijn, zoals dat zich dat bij
velen voordoet: Een schijn van nederigheid, terwijl [bij
de gewone mens] hart en geest van hoogmoed en eigen waan
blaakt? Neen, de Mens Jezus heeft Zijn strijd in de
volle vreze des doods wettig volstreden onder alle
verzoeking. Daarna werd Hij gekroond en werd er over
Hem gezongen wat we lezen in Ps. 47:6-10. Het is vervuld
en wordt gerechtvaardigd tot op deze dag, zoals Openb. 5
het zegt. Al zij het niet door allen, ook niet door hen
die in Ps 82 goden genoemd worden, wat in Jezus’ tijd zo
was en ook heden zo is.
Psalm 82 toont ons, dat de Almachtige, de alwetende
God, de God der goden, over goden oordeelt. Deze goden
waren de priesters, de oudsten in Israël, die in de
poort zittende recht zouden spreken over allen, zonder
aanzien des persoons. Maar dat deden zij niet. Daarom
kwam de Heer Zelf door Zijn profeten, getrouwe getuigen,
in de Geest der profetie, om hun met heilige ernst,
dreigend vermanend rekenschap te vragen. Hoe waren zij
met hun heilige roeping en bediening omgegaan? Want zij
hadden de kracht en waardigheid van Hem ontvangen, om
het volk te kunnen dienen tot rust en vrede. Om,
onder welke omstandigheden dan ook, het volk te leren en
hen te bepalen bij het recht des Heren, naar Zijn
Woord, in wet en getuigenis aangebracht (Mal. 2:7).
Doch hierin zou de priester eerst zichzelf moeten
laten onderwijzen tot kennis, en vervolgens daarmee
geheel één zijn en blijven. Als een met macht der kennis
Gods toegeruste, als een engel, een door de Heer
gezondene, zou hij zo zichzelf en het volk kunnen
behoeden tegen misleiding. Want met de kennis der
waarheid Gods is de macht tot het eeuwige, niet te
vernietigen leven geschonken. Dat zegt de Here Jezus
(Joh. 17:3), Die voor Zichzelf de van God de Vader
geordende weg was gevolgd, om tot kennis te komen, zoals
Luk. 2:52 zegt. Hij oordeelde naar hetgeen wat recht was
voor allen, zonder aanzien des persoons. Daartoe
ontving en schonk Hij de wet des Geestes (Matth.
3:13-17; Joh. 1:32-34; 1:16-18; 6:26-27; 3:31-36; als
tweede Adam, Gen. 1:28; Rom. 5:17).
Zo was het niet gesteld met de goden, de priesters,
die in Ps. 82 getoond worden. Zij zagen de persoon aan
ter bevordering van hun zelfzuchtig begeren naar eer en
roem, heerszucht en geldgierigheid. Wanneer het hun
eigen belangen betreft, tonen zij zich milddadig tot
zelfs in een Judas-geest, zoals het ook was onder
Israëls koningen, heersers, priesters, voorgangers, en
zoals de Heer door Jesaja sprak (Jes. 32:5 in verband
met vs.4-7).Voor degenen, die het met hen eens waren
–door zelfzucht gedreven, of in onkennis, onwetende
voor hen ijverende– voor deze was men goedgezind en was
men in schijn weldadig. Maar voor degenen, die hen met
de waarheid naar het recht en de kennis Gods
tegenstonden, werd geen recht gedaan. Integendeel, men
zocht hen door alle middelen van bedrog en
machtsmisbruik te vernietigen.
Zo kan het gaan, totdat de lankmoedigheid en
barmhartigheid Gods zich –na vele waarschuwingen,
vermaningen en dreigingen– van hen terugtrekt en hen
aan de kracht des doods, de macht en het bedrog der
leugen overgeeft (Ps. 82:6-7). Hun vonnis, hun
oordeel Gods luidt: U, die zo hoog staat, zult uw hoge
stand juist niet beveiligen voor de val. Ofschoon gij
goden zijt, zal het vonnis des doods u treffen. Want
gij, o mens zijt niet eeuwig, maar wel Mijn gave, het
ambt, waarmee Ik u als met een kleed omhangen had, voor
uzelf als mens, en voor anderen door uw bediening, als
dekking en hoede tegen de macht des doods. Doch gij hebt
het naar eigen willekeur gebruikt, en voor anderen tot
misleiding.
Nu zal Ik het van u nemen en u ontbloten, opdat zij
die goed willen en Mij vrezen als de God des
gerichts, u kunnen zien zoals gij zijt en uw schijnwerk
van leugen en arglistig bedrog hun niet meer een oorzaak
ter verzoeking zijn. Ik zal met u doen, zoals Ik vóór u
reeds met vele andere goden of vorsten van weleer gedaan
heb, maar waar u niets van geleerd hebt. Ik ben nu
gekomen, want Ik heb het geroep en gezucht gehoord van
hen, die door uw overmoedige tergingen verdrukt en
moe-geplaagd zijn.
Israëls goden en zij die zich door hen lieten
misleiden, zouden door het zien van het oordeel des
Heren over anderen tot vreze Gods kunnen komen. Zij
zouden kunnen lezen in Matth. 23:27-33, waar zulke
‘goden’ tot op deze dag als een worden teken gesteld.
Deze ‘goden’ hebben deze woorden opgeroepen door hun
eigen daden tegenover Hem, Die zij niet willen horen,
Die hen in de weg stond (Matth. 26:59-68; 27:15-23).
Maar Hij, Jezus Christus, de Gezalfde des Vaders,
de Godmens, had voor Zichzelf geen eer of roem,
voordeel of grootsheid van deze wereld gezocht.
Hij, de van God aangewezene (Jes. 61:1-3,10), Hij had
Zijn heilig ambt –als kleed en mantel Hem omhangen– niet
misbruikt, hoewel Hij daartoe vaak verzocht werd. En
daardoor en daardoor alleen heeft Hij Zich
het eeuwige leven verzekerd en is Hij gekroond als de
Melchizedek om het werk der verzoening, waarvoor Hij
gekomen was, voort te zetten. Daarom gaf Hij door
Zijn Geest –naar de beloften des Vaders– de gave van
het ambt der verzoening in mannen die Hem, als engelen,
als gezondenen des Mensenzoons, zouden dienen in
gerechtigheid en vrede.
Deze heilsgave –dienend tot vernieuwing en
behoudenis ten eeuwige leven door eenheid van geloof en
Geest als noodzakelijke band des vredes– heeft naar des
Heren orde blijvende erkenning gekregen (Efez. 4:1-16),
zowel in de aanvang der kerk als heden. De gevolgen van
het zich van deze waarheid afkeren en deze te
bestrijden, zijn genoegzaam bekend.
Een andere oorzaak is al door Paulus genoemd (2
Cor. 3:1-4 en 4:1-5): Men wil niet dienen, dat is
te gering, te nederig, dat bevredigt de eigen begeerte
niet. Men wil gediend worden en doet wat de
duivel deed: Verlaat het beginsel, het doel der
waarheid waarvoor men gezonden was, en misleidt
anderen, zoals Judas in zijn brief zegt (vs.3-8).
Zo ook ap. Van Bemmel, hoewel zijn dwaalleringen
nog verder gaan, dan hier boven is aangegeven. Want
hij leert: Christus heeft geen viervoudig priesterschap
gesteld, dat is een misvatting. Als bewijs daarvoor
wijst hij op twee pilaren van de tempel (1 Kon. 7:15-21)
en zegt: “Zie je wel, geen vier ambten, maar twee, nl.
apostelen en gave der profetie.” Verder leert de
Bijbel, dat profetie geen ambt is, maar een geestesgave.
Dus blijft er maar één over: De apostel. Een
alleenheerser dus.
Had de apostel gelet op de betekenis van de namen
van die pilaren, (ik heb hem dat weleens verteld en dat
is toen door hem erkend), dan zou hij nu niet nog
verder zijn afgedwaald van de waarheid dan Krebs.
Maar nu zal de apostel zelf wel mannen aanstellen om
hem te dienen. Want, zoals hij heeft gezegd, kan hij
er voor zijn geld, genoeg vinden.
Verder leert de apostel, dat er geen persoonlijke
duivel bestaat als verzoeker. Hoewel de Schrift daarover
o.m. zegt wat geschreven is in 2 Petr. 2:1-4: Judas 6-9;
Openb. 12:7-11; 20:1-2.
Over het verraad van door Judas leert de apostel:
Daartoe was Judas gesteld, gepredestineerd, hij moest
dat doen. Maar de Schrift zegt het tegendeel (Ps.
109: 16-19). Het ambt, als kleed van Godswege, werd van
hem genomen (Ps. 109:8; Hand. 1:15-20). De Here Jezus
zegt van hem wat we lezen in Joh. 6:20-21 en Matth.
26:20-25.
Over Adams val leert de apostel: Er was wel tot
Adam gezegd, dat hij moest gehoorzamen, maar dat kon
hij niet, hij móest zondigen. Ook hij was
daar al toe gepredestineerd. Maar dan zijn alle mensen,
ook wij, zo gepredestineerd, want Rom. 5:12 zegt het.
Hoe moeten we dan verstaan wat Gen. 1:27-28 en Gen. 2:3
zegt? De mens, naar Gods beeld geschapen –dat is: in
ware gerechtigheid en heiligheid– heeft het nodig, ook
nog heden, om zich langs de weg van gehoorzaamheid te
laten volmaken tot het eeuwige levensdoel, zoals blijkt
Efez. 4:11-12 en Hebr. 10:14-16. Ook voor ons is het nog
nodig te erkennen, Jezus Woord als een goede raad des
vredes, wat Hij sprak in Joh. 8:31-32.
Met het oog op deze God ontheiligende dwaalleer zou
men waarlijk geneigd zijn zich af te vragen: Is dat een
heilig, rechtvaardig God, of meet men Hem af naar
zichzelf, zoals men zelf is? Een mens maakt
bijvoorbeeld iets, en zegt dan, dat het goed is. Als er
dan toch iets niet goed gaat, zegt men: Ik heb mij
vergist, het is niet goed. En men zegt vervolgens tegen
het maaksel: Jij bent nu eenmaal nooit goed geweest.
Maar als je nu maar zegt, dat ik daar gelijk in heb,
dan zal ik goed voor je zijn. Durft men dit van een
rechtvaardig God denken? Men stelt zich dan de heilige
God net voor als men zelf is en doet.
Verder gelooft de apostel niet meer in het
bestaan van een driemaal heilig God, als drie Wezens,
Vader, Zoon en Heilige Geest, Die met elkander volkomen
één zijn in Woord en werk en wil. Hierover zegt de
apostel iets, wat ik er voor dezen nog nooit over
gelezen of gehoord heb. De apostel zegt namelijk: “Er is
maar één Wezen als God, en jouw driemaal heilige God is
een oude, een jonge en een duifje.”
Wie gevoelt zich niet, althans mij is het zo
gegaan, door hevige ontroering en heilige toorn
aangegrepen en voor een ogenblik als met stomheid
geslagen, door de uiting van zo’n smalende
God-ontheiligende spotgeest? En wie zich vraagt dan niet
af: Is dat diezelfde man, op wie weleer van toepassing
was wat geschreven is in Hebr. 6: 4-5: Die eens verlicht
is geweest, die de hemelse gave gesmaakt heeft, die de
Heilige Geest, als de Geest der waarheid, ontvangen
heeft als waarheidsleraar, die gesmaakt heeft het goede
Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw? En die nu
zo diep is gevallen in de duisternis? Als vanzelf rijst
de vraag op: Wat mogen toch wel de beweegredenen van
die man daartoe zijn geweest?
Hoe zwaar en smartelijk de ziel hieronder ook
geschokt is, toch mogen wij de Alwetende God danken, Die
door Zijn Geest licht in deze duistere toestand heeft
aangebracht. De achtergronden van deze afval zijn klaar
en duidelijk, omdat ze reeds lang tevoren zijn getoond
in dromen, profetieën en gezichten. Enkele daarvan zal
ik hier weergeven, die in het algemeen de gemeente
Haarlem, mijn huis en mijn kinderen in Amsterdam
betreffen. Een en ander heeft zich na de laatste
priestervergadering op 19 januari 1904 zeer snel
geopenbaard.
Citaat 1
“In het laatst van november 1900 droomde ik
(een zuster der gemeente), dat alle
apostolischen zich aan de zee bevonden met apostel Van
Bemmel, die ons in de zee zou wassen, waartoe een
afsluiting of afbakening in de zee was gemaakt van
eikenbomen of palen gelijk aan een zwembad, waar omheen
zich de zee bevond, waarin zich mensen en dieren
bevonden. Enkele der apostolischen moesten van koper,
dat zich aan hun voorhoofden bevond, ontdaan worden. Ik
zei: ‘Ja daar heeft mhr. Verkruisen voor 10 jaar mij ook
van ontdaan.’ Wij waren allen in zwemkleding gekleed,
met gordels om de lenden, ook de apostel. Toch werden
maar enkel onze voeten gewassen door de apostel. En toen
dit gedaan was sprak hij: ‘Dit is een zwaar werk
geweest, Gode zij gedankt dat het gedaan is.’ Toen
hoorde ik een schaterend lachen uit die grote zee
komen, en toen zag ik het water uit die zee door de
palen instromen, daar waar wij ons bevonden, maar het
schaadde ons niet, want de apostel strekte zijn handen
zegenend over ons uit. Mijnh. Verkruisen was hierbij
niet aanwezig; en ik ontwaakte.”
Toen mij deze droom gegeven werd, dacht ik: Ik zal hem
bij al het andere leggen dat geopenbaard is, en
afwachten. Ik heb ze in de gemeente noch aan enig
persoon laten zien, en ik heb er ook met degene die het
gedroomd heeft niet over gesproken, en terwijl ik dit
schrijf weet niemand in de gemeente iets van haar
bestaan. Want ik wilde niet ontijdig beroering of
verontrusting stichten, maar des Heren tijd af te
wachten, welke nu is.
Want werkelijk, wat in die droom geopenbaard wordt,
kan beroering wekken. Deze droom toont de apostel alsof
hij in liefde werkt, in navolging van Christus. Het is
echter schijn en bedrog, wat duidelijk zal blijken uit
het hierna volgende. Joh. 13:1-17 toont ons de Here
Jezus, Die de voeten der twaalf apostelen waste,
ook die van Judas. Daarmede liet de Heer hun zien, dat
zij zwak waren, dat zij iets tekort kwamen of geheel
misten (Judas). Dat hun voeten niet volkomen geschoeid
waren. Of in het geheel niet, zoals bij Judas, de
zelfzuchtige eigenlievende, die door gierigheid, in
schijn en misleiding, zijn ‘liefde’ toonde voor weduwen
en armen, doch het voor zichzelf bedoelde, in
een geest als Jes. 32:5-7 leert kennen.
In Joh. 13:10,11 sprak de Here Jezus, dat niet
allen rein waren, met het oog op Judas, die de tijd der
genade hem gegeven niet had gebruikt om datgene
waarin hij zwak was te bestrijden. Voortdurend werd hij
op zijn zwakheid geprikkeld door verzoeking van zijn
begeerte. Hij werd steeds zwakker, en nijdiger en
wangunstiger. Het woord, door de Here Jezus meermalen in
heilige ernst der liefde waarschuwend tot hem gesproken,
had hem al meer en meer verbitterd. En nu hij door de
Heer werd losgelaten en aan zichzelf werd overgegeven,
en de Geest der waarheid niet meer tot hem sprak en hem
openbaarde ter waarschuwing van de anderen,
vloeide hij door. Nu kon Judas niet meer anders
(Joh. 13:21-27) en hij ging zijn weg in bittere verharde
nijd, zonder zich ook maar een ogenblik te bekommeren
om de gevolgen. Zonder te denken aan het teken van het
oordeel, dat hij bij zich droeg.
Zo’n zwakke, eigenlievende, zelfzuchtige begeerte
wordt in de droom getoond, samen met hen die daarvan een
zichtbaar teken dragen, namelijk door het koper, beeld
van het oordeel en toch met een schijn van goud, ter
misleiding van degenen die hen niet kennen.
Dit teken wordt niet van hen afgewassen, noch
worden zij erop gewezen. En waarom niet? “Och, als u uw
voeten maar door mij laat wassen, met het water
dat ik daartoe gebruik, als u het maar met eens
bent wat ik zeg en wat ik doe, dan zeg
ik dat u rein bent.” Zelfs anderen, die daar al
tien jaar tevoren van ontdaan zijn, worden volgens de
droom meegesleept door de bedrieglijke schijn van liefde
en nederigheid, terwijl het hart vol is van hoogmoedige
zelfzucht en eigen liefde.
De gevolgen van zo’n eigengereid optreden zijn in
de droom getoond. Zoals het gelach vanuit die zee,
waarin zich mensen en dieren bevonden. Mensen: Afvallige
eerstelingen of zij die, vernieuwd naar het beeld van de
reine Mens Jezus, hebben geweigerd zich te laten
veranderen van gedaante tot gedaante om Christus’ beeld
gelijkvormig te worden. Door hun dierlijke, zelfzuchtige
begeerten in hoogmoed, wereldzin en gierigheid, of door
hun wandelen in hun vlees, zijn zij vijanden Gods
geworden en zijn zij aan Gods oordeel over Babel
overgegeven, wat we lezen in 2 Thess. 1:3-10; Hebr.
6:4-8.
Krebs, Vleck en hun volgelingen lachen nu reeds
over de derde breuk en zullen proberen daar profijt van
te trekken, door hun zeewater te laten binnenstromen,
onstuitbaar voor hen die zich in eigengerechtigheid
hebben opgesteld, die zich dienstbaar hebben gesteld aan
ap. Van Bemmel en het met zijn dwaalleer en -werk
eens zijn (waartoe ze ook door hem zijn bewerkt,
geïnspireerd en betoverd). Waarom? Waarvoor?
Al deze personen zijn herkenbaar aan hun leven in
de zee en hun werken met het water der zee. De Here
Jezus gebruikte echter geen zeewater om ons te wassen.
We lezen in Joh. 4:10-14 dat Hij water gebruikte, dat
Hij in Zich droeg, door als mens en als knecht des Heren
te geloven wat de Schrift zegt. En over degenen die met
Hem één in geloof zijn, zegt Hij wat staat in Joh. 7:
37-39. Zeewater lest geen dorst, en wie het drinkt,
wordt er ziek van. Dus degenen die zeewater te drinken
geven, werken niet ter bevordering van de gezondheid,
maar werken ten dode.
Hoe meer kinderlijk één met de Geest der
waarheid, hoe gezonder het leven der genade
Gods. En hoe meer één met de geest der leugen, hoe
zieker in het geestelijke leven. Dit alles wordt
zichtbaar gemaakt door het licht der waarheid (2 Cor.
4:1-5). De daar genoemde god van deze eeuw, van deze
tijd, wordt geopenbaard in Openb. 13. Het is de draak,
de duivel, de vader der leugen, die mensen laat doden
door beesten uit de zee en uit de aarde. Deze beesten,
zijn goden of engelen, worden beschreven in
Openb. 13: 5-7. Zij zeggen dat zij dienstknechten des
Heren zijn, die in Hem geloven, maar zij liegen
(Openb. 13:11) en geven een valse schijn om anderen te
misleiden, om anderen tot het oordeel des doods te
leiden (Openb. 13:16). Wee hen, die het met deze goden
of engelen niet eens zijn (Openb. 13:17)!
Verder toont deze droom de gevolgen. Over mij laat
deze droom zien, dat ik daarbij niet
tegenwoordig was, dat ik aan zo’n werk geen gemeenschap
heb, noch het er mee eens ben. De droom toont ook dat de
mond van apostel Van Bemmel al lang ziek is, en hoe het
inwendig in hem gesteld is. Want hij laat zich uit in
een geest van bedrog en hij werkt in de kracht
des doods, namelijk met zeewater. Daardoor voert hij
de hem toevertrouwden niet de Heer in Sion opwaarts
tegemoet, maar voert hen weer de wereld in. Toch geeft
hij een bedrieglijke schijn, alsof hij dit alles door
de geest der waarheid en des levens doet. En door
misbruik te maken van zijn macht –arglistig, tergend of
met geweld– eist hij dat men hem erkennen zal. Op deze
manier heeft hij zichzelf geopenbaard. Slechts van het
vele één enkel bewijs: Hij heeft gezegd: “Al is het
leugen, dan moet je nog gehoorzamen.”
Is dit naar leer en voorbeeld van de Here Jezus?
Hij bleef gehoorzaam aan het woord des Vaders tot de
dood der schande des kruises. Hij boog Zich niet onder
de verdorven wil van een mens, zoals de man Van Bemmel
dat eist. De Here Jezus leerde ook iets heel anders aan
zijn apostelen, opdat zij anderen hierin voor zouden
gaan, zie Matth. 10:16-28, en ook wat Petrus zegt in
Hand. 4:17-20.
Reeds enige jaren geleden heeft apostel Van Bemmel
zichzelf als de onmisbare voor God en mensen opgesteld,
door in het openbaar te zeggen: Wat was er van jullie
geworden als je mij niet gekregen had? Zonder mij
ben je niets, kan je niets doen.
En nu, jl. Hemelvaartsdag 12 mei, heeft hij enkele
malen in het openbaar over zichzelf gezegd: “Ik, ik
alleen kan Hemelvaart vieren.” Is dat niet een uiting
van een betoverde, betoverende geest van
grootheidswaanzin? Want wat heeft de man Van Bemmel
daarmee uitgesproken? Dit, dat het alleen voor hem
als apostel nut is, dat de Here Jezus tot de Vader
is gegaan. En dat hij dus alleen de Heilige Geest
der waarheid heeft ontvangen. Zie maar Joh. 16:7.
Hiermee heeft Van Bemmel gezegd, dat al het werk
wat door anderen voor hem gewerkt is, niets is.
Althans niet zo uit de Geest der waarheid, als nu door
hem. Zeker, zegt hij, want de Heer licht in mij. Hoe?
Dat heeft hij zelf meegedeeld op de priestervergadering
jl. 19 januari. Om zijn dwaalleer te staven aangaande
dat de Here Jezus niet als mens, maar als God geleden
heeft, sprak hij o.m. dat hij over het mens-en-God-zijn
vele (???) boeken gelezen had, ook van professor
Oosterzee. Dus Van Bemmel heeft het zelf gezegd, dat
hij zeewater geput heeft uit Babels zee, namelijk van
mannen, die de Geest der waarheid als leraar niet
hebben willen erkennen, van wie de Heer Zijn Geest
genomen heeft en die Hij aan de geest der dwaling heeft
prijsgegeven. Maar Van Bemmel heeft ook het zeewater
geput van Ansingh en Krebs, die tot Babel zijn
teruggegaan. Ook van hen heeft de Heer Zijn Geest
genomen en ook zij zijn aan de verwarring in hun
eigen geesten heeft gebonden. Wat een schijn van
waarheid, van de goden Krebs en Ansingh, van profeten in
de zogenaamde godgeleerdheid! En weer heeft de
Heer gesproken door de Geest der waarheid, op 20 maart
1904:
Citaat 2
“Hoort, hoort des Heren Woord. Ik vraag u Mijn volk: Is
Jehova uw God? Dien Hem dan volkomen in recht en
gerechtigheid. Is Christus uw Heer? Is de Geest uw
Trooster? Ziet, de dagen zijn gekomen dat de Trooster
van u zal weggenomen worden. Ik kan Hem niet langer
zenden. Zie de duisternis zal toenemen, Mijn
volk, Mijn volk. Daarom: Is Jehova God? Dient Hem met
blijdschap.
Is Baäl-Peor uw God?
Dient Hem met blijdschap in
volkomenheid. Want Ik de Here God zal recht doen
eisen. Amen.”
Voor de derde maal dus in Juda een overgeven, een
vrijlating Gods, om zich te moeten openbaren,
opdat bekend, zichtbaar zou worden, wat lang inwendig
bedekt, verborgen is geweest bij de tegenstrevers en
degenen, die de Geest der waarheid uitblussen. Zoals een
Bileam de waarschuwing Gods om niet toe te geven aan
zijn eigenlievende zelfzuchtige begeerte, niet heeft
geacht. Vanuit zijn begeerte verzocht hij de Heer, Die
hem sloeg, Die hem nog van de wrake Gods, van de weg des
doods af wilde houden. Maar Bileams ogen zagen de engel
des doods niet.
Wanneer apostel Van Bemmel terugdenkt aan een
droom, door de Heer hem persoonlijk reeds als
waarschuwing gegeven (1898) [citaat 44], wat zal hij
dan hierop kunnen zeggen, ook met het oog op
bovenstaande woorden Gods? Terstond, toen hij mij die
mededeelde, heb ik gezegd: ‘Ik ga niet mee die weg op.’
Daar heb ik hem meermalen aan herinnerd en daarvoor
heeft hij mij vele slagen toegebracht.
Doch Bileam ging, door eigen begeerten gedreven,
zich op Babels - Moabs heuvelen verheffen om een vloeker
van Gods volk te zijn. Wat bekommerde hij zich erover,
als door zijn toedoen Gods volk onder de macht van Moab
kwam, onder de ijdele overleveringen der mensen? Hoewel
de Heer ertegen gewaarschuwd had, sprak Bileam dus toch
op de heuvelen van Moab. Vanuit zijn liegende,
blufferige geest zei hij, niet anders te zullen spreken
dan wat de Heer hem gaf te spreken en noemde hij zich
een man, wie de ogen geopend waren. Zo werd hij de man,
die Gods volk hun God deed vergeten en als misleider
bracht hij hen ertoe, aan Baäl-Peor te offeren en
afgoden-offers te eten. Zo’n Bileams-optreden heeft de
Heer reeds getoond op 8 april 1898 in de volgende droom,
die ik tot heden niet heb laten zien:
Citaat 3
“Ik droomde dat apostel Van Bemmel met zijn vrouw en
kind bij u, mijnheer Verkruisen, waren gekomen, want in
Amsterdam was zo veel sneeuw gevallen dat het bergen van
ijs waren geworden, dat men er niet meer wonen
kon. U was met ons in uw huis vergaderd, en ap. Van
Bemmel en zijn vrouw namen plaats naast u. U had een
grote pot met meelbloem, melkspijs, bereid en er was
honger, ook over de gehele aarde. Ik zuchtte zwaar, want
ook hier in Haarlem viel veel sneeuw. Ik zou met het
zoontje van de apostel een boodschap gaan doen. Nu was
er voor het lokaal een portiek of voorportaal, waar het
zeer aangenaam was door het schijnen der zon, die alleen
daar zichtbaar was. Nu gingen wij weer naar boven, waar
allen aan het eten waren, doch het was dun en men at het
met een lepel. Maar de apostel was met u twistende, die
had worst en een stuk van de rug van een varken
meegebracht. En nu was er een zuster (Brand), die
voorheen volgde, maar afgevallen is tot het nieuwe
licht, en profeteerde. Ik wilde ook aanzitten, maar ik
mocht niet van u. En u bracht mij met het zoontje van de
apostel weer in dat zonlicht. Nu waaide het buiten
vreselijk, en er viel veel sneeuw en ijs neer. Nu en dan
gingen wij naar boven en dan nam u ons beiden aan uw
hand. En nu schitterde uw woning van licht, en alleen uw
vrouw en kinderen waren bij u, en een lieflijke geur van
rozen verspreidde zich om mij. Uw gehele woning was
groen gemaakt met palmtakken, en de heerlijkheid Gods
vervulde uw huis. Ik wilde naar mijn huis gaan, maar u
bond mij aan u vast, en ik ontwaakte.”
[N.B. Het hier genoemde lokaal was in de Leidsestraat 2,
waarboven het woonhuis van br. Verkruisen was; CR]
Ik zal niet veel over die droom zeggen. Alleen dat
de Heer daarin degenen toont, die de eerste liefde
verlaten, of gelijk de Schrift zegt, met de Geest
aanvangen en in het vlees eindigen. Het begin van de
verkoeling van hun liefde wordt gekenmerkt door sneeuw,
maar als zij in zelfverheffende eigenliefde en zelfzucht
doorgaan, wordt het kouder en kouder, wat als bergen
van ijs wordt getoond. Vervuld met een koude,
stoutmoedige Korachs-geest betwisten zij de leiding der
waarheid.
In 1 Cor. 3:1-9; Hebr. 5:12-14 en 1 Petr. 2:1-5
leert de Schrift hoe kinderen Gods, natuurlijke en
geestelijke kinderen, opgevoed en opgebouwd zullen
worden tot een geestelijk huis. Zo wassen zij op in de
kennis der heilswaarheden, om zodoende hun Verlosser als
Heer en Koning meer en meer te leren kennen als de
Melchizedek, zoals Hebr. 5:4-11 van Hem zegt.
Verder toont die droom dat men kinderen moet
behoeden tegen de geest der twisters, en ze onder de
invloed van het lieflijk levenslicht moet brengen. Dan
kunnen zij van lieverlee leren begrijpen, waar het toe
leidt als men de waarheid Gods betwist, als men de
melkspijs te eenvoudig, te gering vindt en het vette
der aarde begeert. Zie wat Paulus zegt in 2 Cor. 11:1-4.
Hoe ik mij onder die twist en tegenover de twister
heb opgesteld, heeft de Heer getoond –niet naar de
gedachten der mensen en der twister– in het volgende
gezicht (24 april 1904):
Citaat 4
“Des avonds bij het begin der dienst zag ik een grote
engel, klapwiekende met zijn vleugelen, waaronder zich
vele ogen bevonden. Nu herkende ik in die engel br.
Verkruisen, die ik nu bezig zag in een geopende hemel,
bij een zacht licht een witte muur daar te stellen,
welke zeer hoog opgetrokken werd. Daarna zag ik br.
Verkruisen in engelengedaante in die geopende hemel,
gekleed met een lang wit kleed, hetwelk tot aan zijn
voeten reikte, en naast hem stonden de apostelen
Schwartz en Limtjoekim. Nu sloot br. Verkruisen die
hemel gelijk een deur gesloten wordt. Toen zag ik boven
de gemeente een grauwe laaghangende lucht, en hoorde ik
om mij heen het getrappel van paarden en was het zeer
somber om mij heen. Ik bad en nu zag ik een verlichte
weg waarop ik liep met mijn ontslapen vader naast mij,
en kwamen wij aan een land waarop zich wijnranken
bevonden, en waar ik br. Verkruisen bezig zag rijpe
druiventrossen af te snijden, en gaf mijn vader en mij
van dezelven. En op groene bladen der ranken lagen grote
trossen druiven, waarmee br. Verkruisen een trap opging,
waarbij de zon zacht scheen en het toch hevig waaide,
en door de hevige winddruk zag ik een deur in een poort
open gaan, en door die deur zag ik een ziekenzaal waarin
vele zieken lagen. Ook zag ik daar apostel Van Bemmel
liggen met een doek om zijn hoofd en zag ik br.
Verkruisen knielend voor zijn bed liggen te bidden,
waarbij een menigte engelen br. Verkruisen omringde. Nu
zag ik een heirmacht van engelen, aan elkander
verbonden met hun grote vleugels. Toen zag ik br.
Verkruisen zeer vermoeid onder een appelboom staan, en
een vrouw in het wit gekleed met een klein kind bij
haar, stond naast hem. De hemel was open boven hen en de
zon bescheen hen tot aan het einde.”
Van dit gezicht wil ik alleen zeggen, dat de Heer
hiermee toont hoe er gewerkt wordt onder Gods kinderen,
met wat de Here Jezus uit liefde en genade tot heil
heeft geschonken, zoals de Schrift zegt in Jes. 26:1 en
Jes. 60:18: “Uw muren zult gij Heil heten.” En dat heil
is hoog opgetrokken, want het is veel. Een muur is ook
een beeld van beschutting en afscheiding. Zo heb ik in
stilte, zonder geruchtmaking gewerkt, en apostel Van
Bemmel er voortdurend op gewezen, totdat er een
afsluiting nodig was tegenover hen die een andere hemel
–lucht of uitspansel– hebben aangebracht. Grauw - beeld
van duisternis en dood. Laaghangend - dat is dichtbij
gebracht, tot verdrukking en misleiding in eigen
gerechtigheid en onbesuisde gedragingen, zoals een
paard. Ziekte - de waanzin van zelfgenoegzame
inbeelding door hoogmoedige heers- en zelfzucht. De
appelboom - men versmaadt de aangeboden vrucht,
voortgebracht door hen die in de Wijnstok Jezus blijven,
zoals in Joh. 15:1-5 geschreven staat.
Zie hierbij de droom van 8 april 1898 [citaat 3],
waarin ook het verschil wordt gezien in hoe er gewerkt
wordt. Want waar ap. Van Bemmel de vleespotten van
Egypte begeerde, wordt door mij de tarwe, Gods Woord,
als edele waarheid tot melkspijs voor kinderen Gods
bereid, opdat ze daardoor zouden opwassen, toenemen in
de kennis des heils. Doch ja, daartegen heeft ap. Van
Bemmel veel getwist en het versmaad als te gering voor
zijn begeerte.
Het is niet de eerste maal dat ap. Van Bemmel ziek
aan zijn hoofd in het gezicht (24 april 1904; citaat 4)
is getoond. Dat was al eerder gebeurd, namelijk in 1898,
wat door toedoen van Vleck en zijn aanhangers –in
samenwerking van Krebs en zijn aanhangers– voor Juda een
berucht jaar werd. Hoewel zij als vijanden tegenover
elkaar staan en elkaar bitter bestrijden, hebben zij
zich toch met elkaar verenigd tegen ap. Van Bemmel en
hem zelfs tot tweemaal toe voor de aardse rechtbank
gedaagd.
Waarom? Was dat omwille van de waarheid, ter ere
Gods? O nee, daar staan zij verre van. Hun strijd ging
om het aardse, om het kerkgebouw te Amsterdam, en om
wat ap. Schwartz aan de gemeente aldaar had nagelaten.
Ondanks deze duivelse strijd der leugen was datzelfde
jaar 1898 voor ap. Van Bemmel een jaar van verzoeking,
wat het vergankelijk werelds goed betreft. In deze
verzoeking is hij gevallen, hoewel hij door de Heer
gewaarschuwd was in een droom, hem persoonlijk gegeven.
In deze droom werden hem onder meer de gevolgen daarvan
getoond, die zich tot op heden hebben voorgedaan.
Hierover later meer. Op deze toestanden wijst nu het
gezicht van 23 okt. 1898:
Citaat 5
“Tijdens de avonddienst zag ik een zeer rode lucht en
boven het hoofd van br. Verkruisen stond een gouden ster
die al groter werd, en zag ik dat het de zon was, waarin
br. Verkruisen stond. De hemel was geopend en sterk was
het licht. Boven de gemeente dreven rode, grijze en
zwarte wolken woest dooreen. Nu zag ik br. Verkruisen
staande in de zon met het bord ‘Maranatha’ in de ene
hand, en een zwaard in de andere hand enige malen door
die woeste wolken heen trekken. Daarna zag ik een hoge
berg waarboven de hemel geopend was. Deze berg was
omgeven door andere bergen, minder hoog, en over
dezelve was dikke duisternis, nu en dan zag ik daar een
flauwe lichtstreep. Van die hoge berg liep een smal pad
hetwelk tot die geopende hemel leidde, hetwelk ik beklom
en ik een menigte ontslapenen ontmoette die mij
omhelsden, met wie ik mede wenste te gaan, doch ik werd
zeer duizelig zodat ik niet verder kon, waarbij ik door
een engel werd ondersteund. Nog zag ik br. Verkruisen in
die zon staan, welke nu omgeven was door een groot
uitgestrekt gebouw, en ontslapen ap. Schwartz en zijn
vrouw naast br. Verkruisen. Duizenden ontslapenen zaten
op lage bankjes om br. Verkruisen, apostel Schwartz en
Limtjoekim, en nog vele eerwaarde mannen, allen in lange
witte klederen gekleed en met lange witte haren zaten
nu ook met blijde aangezichten rondom br. Verkruisen. Nu
hoorde ik een zware donderslag welke de grond deed
dreunen en zag ik ap. Van Bemmel naast mij staan met een
wond aan zijn voorhoofd en borst. Nu kwam br. Verkruisen
tot ons met zeer grote vleugelen en nam ap. Van Bemmel
en mij op zijn vleugelen, en een sterk licht overdekte
alles.”
En weer deed de Heer zien, op 21 juli 1901:
Citaat 6
“Met het begin der morgendienst zag ik een dikke damp of
rook die alles onzichtbaar maakte. Toen zag ik ver voor
mij uit een verlichte weg die bergwaarts opliep, en
onafzienbaar was en waarop ontelbaar vele engelen liepen
in lange witte klederen, al hoger op. Nu zag ik dat men
op de verhoging, waar ik br. Verkruisen niet zag, een
soort van kermis of markt had opgesteld, welke men bezig
was met een gloeilamp te verlichten, welke ook de
gemeente bescheen waarbij grote honden blaffend waren,
en een vrouw die ruikertjes van witte bloemen aanbood.
Ik herkende er niemand van, zij zagen mij met minachting
aan. Nu kwam er van die verlichte weg een zware
donderslag, en donkere wolken dreven wild dooreen. En
als op vleugelen gedragen werd ik in een hof gebracht
waarvoor een engel stond met een uitgetrokken zwaard,
die mij vriendelijk toeknikte. Br. Verkruisen bevond
zich ook in die hof, en ap. Schwartz en Limtjoekim waren
bij hem. Br. Verkruisen vatte mij bij de hand en nu zag
ik ap. Van Bemmel daar op een rustbed liggen met een
doek om zijn hoofd, alsof hij verwond was; hij greep
mijn handen, en zeide: Lieve zuster, mijn hoofd. En nu
kreeg ik ook een zeer zwaar gevoel in mijn hoofd en
zakte voor zijn bed in elkaar. En toen hoorde ik achter
elkaar zeven zware donderslagen en begon het hevig te
waaien. Br.Verkruisen gaf mij een weinig wijn te
drinken en nu scheen de zon zo heet alsof men er onder
bezwijken zou. Ik bad en zag toen vele engelen om mij
heen in een groot licht. Nu hoorde ik het getrappel van
paarden, maar zag ze niet, en hoorde ik sterk bidden.
Een heldere ster stond boven het orgel, het was zeer
somber en hoorde een klok drie uur slaan, en een witte
duif vloog om mij tot het einde.”
[In de Leidsestraat stond het orgel boven de verhoging;
CR]
Werkelijk, apostel Van Bemmel heeft de plaats,
vanwaar het getuigenis ten leven over de Here Jezus en
Zijn gerechtigheid gegeven moet worden, gemaakt tot een
geestelijke kermismarkt, opgesteld voor
genot-zoekenden voor het heden. Koopwaar,
kunstenmakerij en toverkunst worden aangeboden, waarvoor
men wat waar is als prijs moet geven. Degenen die dit
doen –en die zijn er– dat zijn die bloemen, die zich
zelf als één met zulk kermiswerk aanbieden, ten
koste van de waarheid.
Zo worden ook degenen getoond, met wie ap. Van
Bemmel zich versiert. Maar degenen, die rozen zijn in
des Heren oog, vertrapt en verdrukt hij, omdat zij zijn
koopwaar niet kopen, omdat zij hun voeten niet met
zeewater laten wassen en omdat zij de dikke varkensrug
en de worst, de vleespotten van Egypte, niet liever
hebben dan de melk en wijn des Heren.
Deze door hem bewerkte bloemen zijn het, die mét
hem als ziek getoond zijn in het gezicht van 24 april
1904 [citaat 4]. Ziek en verwond aan hoofd en borst,
omdat zij versmaden wat uit Jezus Christus de Wijnstok,
de Waarheid, is voortgebracht door hen die in Zijn
waarheid gebleven zijn. Daartoe behoren de hoognodige
helm der zaligheid en het borstwapen der gerechtigheid,
tot dekking en hoede. Maar dat verwerpt men, omdat het
geen voldoening geeft aan de eigen begeerten voor het
heden. Men wil zich nu, heden, gekroond
zien. Men wil in hoogheid des harten heersen, in
paardenkracht, in eigen gerechtigheid en in Egyptische
verharding en verbittering. Daarover laat de stem des
Heren zich horen vanuit Zijn getuigen, schrikverwekkend,
zwaar en hard als de donder, in een volkomen oordeel,
ter vernietiging en verdrijving van deze besmettende
dodende machten in de lucht.
Het kweken van zulke bloemen –geen rozen– door ap.
Van Bemmel heeft de Heer getoond in de volgende droom
gegeven 10 aug. 1901 aan een jonge zuster:
Citaat 7
Ik droomde dat er brand was in het huis van de apostel
Van Bemmel. Het was niet in Amsterdam, maar dit huis
stond midden op een weiland achter de Leidsestraat.
Achter ons huis zag ik op het Leidseplein veel mensen,
die allen naar de brandspuit zagen die uit het huisje
werd gehaald. Ik ging ook kijken op de Leidsevaart en
zag dat het huis was uitgebrand behalve de keuken, die
was nog in zijn geheel. Opeens bevond ik mij in die
keuken, waar ap. Van Bemmel zich met zijn zoontje
bevond. Ap. Van Bemmel was bezig op de schoorsteen vijf
plantjes te planten met een weinig aarde eromheen, het
waren een roosje, een reseda, een viooltje en een
klimop, het vijfde kende ik niet, en ik ontwaakte.”
Deze droom toont zoals het al met velen is gegaan,
en met nog meer gaan zal: Bij degenen die Zijn Woord
versmaden en alleen bezig zijn zich te bereiden naar hun
begeerte voor dit leven, maakt de Heer ledig en neemt
weg. Dat doet Hij door Zijn Woord, dat Hij ten leven had
gegeven, als een vuur te doen werken. Dit is hun
heiliging voor de kinderen Gods en hun kinderen. Wat
van de Heer is, kunnen zij missen, en zij zijn als in
een keuken, waar dingen bereid worden voor het
natuurlijke, vergankelijke leven. En de Heer, Die zag
wat in het verborgen was, sprak door de Geest der
waarheid reeds op 22 mei 1900, tot kennis, waarschuwing,
en voorbereiding:
Citaat 8
“Vrede zij ulieden, gij bewoners van het nieuwe
Jeruzalem. Deze avondstond zult gij drievoudig gezegend
worden, door de Engel die in de zon staat. Want weet,
Mijn liefste, dat er niets schoners, niets
begeerlijker is voor het oog dan het zoutverbond. Het
zoutverbond zal deszelfs krachten uitwerken, op het
bevel van de Micha. Daartoe zal Ik aandoen en sterken de
Gabriël, die in uw midden staat als een krachtige
getuige voor u, Mijn geliefd volk. Vreest dan niet, als
gij de donder hoort rollen, en de bliksemflitsen zult
zien heengaan. Want weet, het is het bevel uws
Heren Heren. Ik God Jehova zeg u, Ik zal verheerlijkt
worden dit avonduur in uw midden. Amen.”
De prediking was over Hand. 1:9-11, over de
wederkomst van Jezus om te verlossen de eenvoudigen, die
onder alle omstandigheden in Hem, de Wijnstok, zijn
gebleven. Maar ook zal Hij wederkomen ter vernietiging,
ter vernedering en beschaming van hen die zich hoog
boven Zijn kennis hebben verheven, of zich daardoor
hebben laten misleiden. Daarna sprak de Heer weer:
Citaat 9
“Amen, amen. Zo klinkt het uit het engelenheir op dit
getuigenis. Hetzelve is geweest tot opening en
sluiting, tot binding en ontbinding,
welker kracht is gevoeld door de oude patriarchen. Zijt
dan strak van aangezicht, Mijn volk, wanneer gij
andermaal de brand zult aanschouwen. Niemand
verroere zich om dezelve te blussen. Want
aanschouw dat de tijd is vooruit geschoven, en het
einde daar is, dat alle lijden zal vergeten zijn. Amen.”
En op dezelfde dag, 21 juli 1901, dat de Heer ap.
Van Bemmel toonde als gewond aan hoofd en borst, liet de
Heer spreken (hoewel men van gezicht of toestand niets
afwist):
Citaat 10
“Ik Jezus kom haastig. Let dan op de bediening van het
priesterlijke ambt, want de klove tussen de priesters
van de almachtige God zal groter worden, dan
tussen de Baälpriesters. Strijdt dan de goede strijd,
die Ik Jezus u ben voorgegaan. En als ellendige
slachtschapen zult gij ingaan, door Mijn koninklijke
macht, in Mijn heerlijkheid. Amen.”
De oorzaak van deze kloof –verwijdering, niet samen
gaan– behoeft geen nadere aanduiding, omdat ze in het
voorgaande al naar waarheid is aangegeven. Hierdoor is
nu duidelijk te verstaan, wat de Heer door de Geest der
profetie heeft gesproken. Zo ook op 8 maart 1903, als
voorbereiding voor wat komen zou:
Citaat 11
“Triomf! Triomf. De heerlijkheid des Heren is bij de
mensen, in het midden van Mijn Juda. Daarom hoor, Mijn
liefste wat de Heilige Geest u zeggen zal. Zie, zie Ik
Jezus was de blinkende Morgenster. Nochtans ben
Ik geworden het geslachte Lam. Wie verstaat het,
wie verstaat het, dat uw Jezus toenam in genade bij God
en mensen? Dit heb Ik te verstaan gegeven de wachters
van de morgen. Dit heb Ik te verstaan gegeven hen die
Mijn geboden en wetten hebben laten inschrijven in hun
harten. Daarom, o Mijn bruid, waarom zoudt gij vrezen?
Ben Ik niet uw Koning Jezus? Zie, Ik ben gekomen met
heerschappij, werkende met kracht in de Mijnen, wie Ik
de heerschappij op de schouders heb gelegd, dewelke
in uw midden in volheid is uitgewerkt. O
Mijn bruid, o Mijn liefste, eenmaal heb Ik gesproken tot
Mijn knecht Verkruisen: Gij hebt goedgedaan, dat
gij op een zijweg zijt uitgegaan. Andermaal zeg Ik u,
Mijn knecht, gij zult zijwaarts afgaan. Gij verstaat
Mij, Mijn knecht Verkruisen. En gij, Mijn bruid,
hoor toe, Ik zeg u, als gij met Mij zult
strijden, dan zult gij met Mij heersen, en verheerlijkt
worden. Want de heerlijkheid Gods is bij de mensen, en
woont in u met kracht. Amen.”
Ja, de Morgenster, Jezus Christus, als licht ten
leven in de wereld gekomen, wordt het geslachte Lam.
Hij werd gedood door hen die de duisternis liever hadden
dan het licht. Want zij willen vrij zijn om hun
onreine, arglistige begeerten voor dit leven te volgen.
Zij geven een schijngedaante van Godzaligheid, met Judas
als hun kracht. Zie maar in Joh. 3:19-21.
Het waren slechts enkelen, de weinigen die met Hem
gebleven waren, voor wie Hij bad, en over wie Hij beleed
wat staat in Joh. 17:6, 14-26. Wat zagen zij van – en
hoe erkenden zij de heerlijkheid die Hij hun gegeven
had, die Hij Zelf ook van de Vader ontvangen had? Het
was hun tot kennis der zaligheid in de vergeving der
zonden, door het zoenoffer door Hem als Lam Gods
gebracht. Hierdoor en hierdoor alleen, uit
genade, door de liefde des Vaders, met een
onverbreekbare, onafscheidbare band, als Hij Zelf, waren
zij verbonden ten eeuwige leven. Door geen duisternis
der leugen of kracht des doods te vernietigen, noch
door schijngedaante weer te misleiden. Hun doel was om
nu, net als Hij, bezig te zijn in de dingen des Vaders
en niet naar hun eigen wensen en begeerten. Om zo hun
zending, hun roeping te vervullen in de liefde van en
tot de Vader. Daarvoor wilde Hij hen bekwaam maken door
Zijn Woord, de waarheid.
Hoe hadden zij Hem hierin leren verstaan? Wat zagen
zij van die heerlijkheid? Het is waar, zij verraadden
Hem niet, zij begeerden Zijn dood en vernietiging niet,
integendeel, hun hoop was op Hem. Maar het was eerst nog
naar verwachting uit hun eigen geloof, liefde,
gerechtigheid en ijver. Eerst was het nog niet geheel
zuiver alleen naar de waarheid en de liefde, zoals Hij
hun geleerd en onderwezen had door woord en werk.
Vandaar, hoewel zij Zijn dood niet begeerden noch Hem
verraadden, ergerden zij zich wel aan Hem. Zij
verloochenden Hem; zij stonden het van verre aan te
zien; zij spraken: wij hadden gehoopt. Maar toch,
gedragen door Zijn pleitend bidden en worstelen, was er
een overvleugeling Gods als een bescherming over hen
uitgespreid. En na hun beschaming en na erkenning van
Hem en het Zijne, werd uit diezelfde monden gehoord wat
we lezen in 1 Joh. 4:10-19; 2:5-10.
De Heer geeft u wat nodig is tot rust en vrede, in
eenvoud des geloofs, door wat Hij in waarheid spreekt
tot lering en bekwaming. Zo heeft de Heer vooraf getuigd
door de Geest der profetie, op dezelfde 8 maart 1903:
Citaat 12
“Hoor, hoor Mijn volk, des Heren woord. De God Abrahams,
Izaks en Jakobs zal Zijn volk een Sterkte blijven
in de dagen der verdrukking. Daarom Mijn volk,
Mijn volk, vertrouw alleen op uw God en Vader in
de hemel, Die zal uw Redder zijn in nood en dood. Want
Jeruzalem is tot verwoesting gekomen, haar pilaren zijn
neder gestort, en haar poorten zijn gevallen. Maar gij,
Mijn volk, Mijn volk, vrees niet voor het verderf dat
uitgaat. Maar Ik zeg u: waak en bid ten alle tijd. Want
ook in Pella zal beroering wezen. Maar vrees gij,
Mijn volk, niet. Amen.”
En toch vroeg de Heer: Wie verstaat, waardoor licht
en waarheid zijn uitgeblust, gedood, door hen wier
woorden en werken leugen en duisternis zijn? Maar nu is
duidelijk geworden om welke reden de Heer beval
zijwaarts af te gaan. Daarover heeft Hij verder
gesproken door de Geest der waarheid op 22 maart 1904:
Citaat 13
“Halleluja! Alzo is gejuicht door de engelen in de hemel
der hemelen. Halleluja! Alzo is gejuicht door hen die
onder het altaar rusten. Zij roepen: ‘Heer, toef niet
langer’. Maar zie, Mijn knecht Verkruisen, Ik zal een
teken geven aan het firmament, wanneer Ik Jezus komen
zal. Daarom roep Ik Jezus u toe, Mijn knecht: Het was
Mij uw Jezus goed, dat gij met dit Mijn volk een zijpad
zijt ingegaan. Aldaar zal Ik met u spreken van mond tot
mond, gelijk Ik met Mozes gesproken heb bij het
braambos. Zie, Mijn knecht, Ik heb geboden op de
doodsbeenderen te blazen, en er zal leven in komen, en
zij zullen leven, al waren zij ook gestorven. Want Ik
heb geen lust in hun dood, maar dat zij leven in de
Heer, uw God. Amen.”
Het is hard nodig om alleen op de Heer in de
hemel als God en Vader te vertrouwen door op Zijn Woord
acht te geven. Hij heeft gezegd: Ik zal zijn Die Ik zijn
zal, in Mijn werk maar ook in Mijn toelaten tegenover de
verhardende Farao en de Egyptische geest. Een toelating
onder de ogenschijnlijk machteloosheid van Mijn knecht
tegenover de Egyptische tovergeest, opdat zij, die door
hun eigen gedachten en werken dood zijn, niet levend
worden.
De Heer heeft gezegd dat Hij komen zou en dit door
een teken aan het firmament kenbaar zou maken. Hij zou
komen als Die uit Zijn heilige woning is ontwaakt, van
Zijn stoel is opgestaan. Hij zou komen tegen hen wier
werk Hij heeft beproefd, heeft getoetst –door middel van
Zijn woord als met vuur– of het in overeenstemming met
Zijn waarheid is. Hij zou komen tegen hen, wier eigen
werk Hij heeft teniet gedaan, tegen hen die zich, uit
hoogmoed, nijd en bitterheid daartegen verharden. Hij
zou komen tegen de gierigaard en verkwister, voor wie
Hij de elementen zal doen branden – de middelen die zij
gebruikt hebben voor eigen voordeel of genot in dit
leven. Hij zou komen tegen hen die –door een Egyptische
geest bezield– degenen verdrukken die het met hen en
hun werken niet eens zijn.
Daarom zijn hun werken als een teken van grijze en
donkere wolken zichtbaar in de lucht, in wat zij
getuigen of spreken. Daardoor brengen zij een grauwe en
rode laaghangende lucht voort, zoals in voorgaande
gezichten getoond is [citaten 4 en 5], om onzichtbaar
te maken wat de Heer heeft aangebracht aan de door Hem
gestelde hemel, lucht of firmament. Zij eisen dat men
hun dode en dodende werken zal zien en erkennen als een
Orion, Saturnus of Jupiter. Zij zijn twisters tegen het
genadeverbond en verbrekers van het heiligende
zoutverbond. Het doel waartoe dit verduisteringsteken
zich heeft opgesteld, en ook wat dit teken verwekken
zou, is door de Heer aangegeven door de Geest der
profetie op 12 jan. 1904:
Citaat 14
“Vreest de mens niet. Want de meerdere zal de mindere
dienen. Want een teken in de lucht, een teken op de
aarde, een teken onder de aarde, en dat omdat er een
strijd is om het lichaam van Mozes, en om de mantel van
Ezechiël. Amen.”
Citaat 15
“Looft, looft, Mijn kinderen, uw God! Want zie, Ik heb u
gesteld als een uitverkoren volk. Looft uw God, want Ik
de Heer uw God, de God van Juda, was u indachtig toen
gij u wentelde in uw bloed
(in eigen kracht). Ik was u indachtig toen gij
amechtig nederlag (als gevolg van eigen kracht).
Ik de Heer uw God was u indachtig toen gij om brood
vraagde, toen heb Ik u geen steen gegeven. Ziet, Ik de
Heer uw God zeg u: Daniël was een groot profeet onder
de zon, maar weet, Mijn kinderen, ene meer dan Daniël
staat in uw midden als een antipater. Zie, Ik heb de
Gabriël aangedaan met vele vleugelen, welke zich ver
uitstrekken tot dekking. Maar wie gelooft het?
Daarom zal uw Koning Jezus u niet verlaten. Want Hem is
alleen alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.
Wat vreest gij dan, o Juda? Zie, Ik heb een strijd
overgelaten voor het lichaam. Juda’s knechten
(ontslapenen en levenden) zullen wel bestookt, maar
niet overwonnen worden. Want Hij, Die trouwe houdt, zal
met Juda strijden ter overwinning. Amen.”
Citaat 16
“Juich dan, o volk der laatste tijd, juich dan, o volk.
Want een schaar van heirvorsten omringt u in het heden
en hun hallels worden gehoord tot in de verste verten.
Hoort dan, gij die u de oren hebt laten doorboren, het
zingen der morgensterren. Gij heilige apostelen en
profeten, heil u. Verhef, verhef de witte vaan
onverschrokken op de vlakke velden van Juda. Laat uw
nederzitten en uw opstaan, laat uw nedergaan in de
diepten en uw opgaan tot de Vader, wegen des vredes
zijn tot tevredenheid, want Ik wil door deze
(door de witte vaan te tonen tegenover
de rood, wit en blauwe mast) de vete helen.
Die dan onderscheiding des Geestes kunnen maken, die
zullen oordelen een rechtvaardig oordeel. Zie dan, een
schaar van ontslapenen in lange witte klederen zal in uw
midden vertoeven, droefheid en angst heeft hun zielen
bevangen. En zij roepen: wat zijn dat voor wonden, die u
geslagen zijn? O Mijn heilige priesters, het zijn wonden
welke men u geslagen heeft, in het huis der
liefhebbers. Heil u, heil u, toont gij onverschrokken
het licht, hetwelk Ik gesteld heb, want heilige
bindselen zullen u omstrengelen. En gij mensenkinderen
hoort, een schone erfenis zal uw deel zijn. En gij, Mijn
heilige knecht Verkruisen, vraag dan, vraag dan
onverschrokken aan hen die daar voorkomen van het heir.
Oordeelt gij uzelf in hetgeen wat recht is? Want eenmaal
en andermaal, en meer dan zevenmaal heb Ik gesproken:
Oordeel een rechtvaardig oordeel, en denk aan Jozua en
Kaleb. Amen.”
Zo liet de Heer spreken, als de God der waarheid,
Die nog altijd door Zijn Woord en oordeel de
verborgen gedachten en overleggingen des harten
openbaart. Toen wist nog niemand in de Haarlemse
gemeente wat er 10 januari [1904, dus twee dagen
tevoren; CR] ‘s avonds, door het optreden van apostel
Van Bemmel tussen hem en br. Meijnders was ontstaan. Er
was een vete verwekt, een afscheiding, een
kloof; er kwam twist en beroering door nijd en
bitterheid, niet alleen tussen hun beiden, maar ook in
de gemeente te Amsterdam. De oorzaak daarvan heeft de
Heer genoemd, nl. een strijd der duisternis door
hoogmoedige zelfverheffing, om het lichaam van Mozes te
bezitten [citaat 14], en dat lichaam niet aan God maar
aan zichzelf en aan zijn eigen wil dienstbaar te maken.
Een strijd in hoogmoedige heers- en zelfzucht, om de
mantel van Ezechiël [citaat 14], d.w.z. men erkent
alleen zichzelf en verder niemand. Men wil zich met
macht en heerschappij omhangen, als de enige die daar
recht op heeft, als de enige die door God voorgelicht
is, en dus als alleen-wetende en alleen-wijze mens.
Men erkent niet meer, dat het de Heer is, Die door
Zijn Geest naar Zijn wil een ieder geeft, ook aan Zijn
dienstknechten. Onder hen heeft Hij de Gabriël gegeven
naar de hem geschonken gave in zijn bediening. Hierover
heeft de Heer in waarheid gevraagd: Wie gelooft het? Dit
is meermalen en wordt nog steeds bestreden, door zich te
verbergen achter de letter van het woord ‘apostel’, om
naar eigen zelfzuchtige bedoeling zijn macht te
misbruiken en anderen te misleiden.
Men is vergeten hoe men uit zonde van eigen
verderf, misleiding en onkennis is verlost. In plaats
van zich te richten op rust en vrede ten leven onder
Gods kinderen en dat te bevorderen, kweekt men beroering
tot verderfenis ten dode. In plaats van de witte vaan
des vredes te verheffen, verheft men de vaan der wereld
tot een banier, en zo blust men voor zichzelf en voor
anderen het licht uit, wat door de Heer tot levenskennis
gegeven was. Vele malen heeft men het rechtsoordeel van
God en mensen verworpen en verkracht. Men heeft
smadelijk verworpen wat tot vrede is gewerkt en wat
bedoeld en voorgesteld is om de vete te helen. Ook
onder de ontslapenen heeft dit angst en droefheid heeft
verwekt.
Vanaf hier gelezen tot en
met op blz. 37, op zondag 17 juli 1904 in de gemeente.
Wat een verschil: 17 jan. 1897 (de roeping van Van
Bemmel als apostel des Heren) vergeleken met 17 jan.
1904, twee dagen voor de priestervergadering, en wat er
sindsdien openbaar is geworden. Deze toestand en de
oorzaak daarvan is verder door de Heer geopenbaard door
de Geest der profetie op 17 jan. 1904, toen nog
onbegrijpelijk doordat men van niets afwist:
Citaat 17
“Hoort het woord des Geestes. Beproef Mij in wat
geschreven staat: De heerlijkheid van het laatste huis
zal heerlijker zijn dan van het eerste. Daarom, Mijn
volk, heb Ik u ogen gegeven om te kunnen zien,
wie de zonen der dienstmaagd, en wie de zonen der vrije
zijn. Zie, het koren is gerijpt. Waar zijn de
middelen om de brand te blussen? Zie, de
bloem is geknakt. Bereid u dan, bereid u dan, omdat Ik
Jezus intrek in u wil nemen. Amen.”
Citaat 18
“Roem dan, roem dan bij het ontvangen van de bete
broods. Want dit is het woord tot hen die Ik gezonden
heb: Ik zal zijn
(en niet gij). Want de fondamenten zijn hecht en
sterk, waarop het huis gefondeerd is. Zie, daarom geen
betraande ogen in Silo, geen wenen in Bethanië. Ik, de
Heer der heirscharen, heb gezien de eenvoudigen en Ik
zal ze kronen met een kroon, omdat zij zijn
versierselen. Die getrouw is, voor dien is weggelegd de
eeuwige waarden der schatkameren. Amen.”
Ja, de profetische getuigenissen van de Heer zijn
vervuld, dat de heerlijkheid van het laatste huis groter
zouden worden dan van het eerste, en de daaraan
verbonden beloften (Haggai 2:4-10). Want in dat laatste
huis kwam de Silo, de vrede-, rust- en
zaligheid-aanbrenger Jezus Christus.
Al was het ook een schijnbaar hopeloze tijd voor
degenen die biddend verlangden dat Hij komen mocht,
vanwege de omstandigheden, uiterlijk en innerlijk,
veroorzaakt door hen die van Gods huis een plaats der
doding (of zoals Hij sprak: een moordenaarskuil) hadden
gemaakt. Door het werk van deze lieden was van de
plaats der heiliging ten leven een geestelijke
kermismarkt, een handelsplaats gemaakt.
Al werd het hopelozer vanwege de verharding dezer
werkers –die het licht der waarheid schuwden en voor
zichzelf uitblusten, omdat dit licht hun werken liet
zien en bestrafte– toch zijn des Heren beloften vervuld
en met dankzegging beleden door de zonen der vrije, die
zich door de waarheid vrij hebben laten maken,
zie Joh. 8:31-32; Rom. 5:1-6.
Zo zal het ook nu gaan. Geen macht van duisternis,
list, bedrog of geweld zal kunnen tegenhouden of te niet
doen, wat door de Heer beloofd en toegezegd is. Neen,
hoe hopelozer voor het oog, hoe naderbij de
vervulling, de eeuwige onverstoorbare vrede en rust.
Zalig dan hij, die nu nog zijn strijd-in-rust strijdt in
de wapenrusting Gods. Het is gezegd, het is beloofd: De
Heer zal in hen en voor hen triomferen.
Het schijnt heden hopelozer te zijn dan
het ooit eerder is geweest,
door wat zich sedert 19 jan. 1904 heeft voorgedaan als
gevolg van woordverbreking en zelfverharding van ap. Van
Bemmel. Hij weigerde te doen wat naar Gods recht en orde
is gesteld; anderen verblindt hij met zijn toverijen en
bindt hen aan zichzelf. Ondanks dit alles is het weer de
Heer, Die in Zijn trouw gezorgd heeft dat ook daartegen
gewaakt en op tijd gewaarschuwd kon worden. Mede door te
spreken als die God, voor Wie niets bedekt is, reeds 3
febr. 1901:
Citaat 19
“Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, ook in de maagden zonder
tal. Want opnieuw zullen nieuwe toverijen
voortkomen uit hen die zeggen, dat zij het teken
des kruizes hebben. En Izebel wentelt zich in het graf!?
(....) Waar zijn de jongelingen? Waar zijn de dragers?
Ik de Heer, de God van Juda, zal Mij niet onbetuigd
laten. De ene steen na de andere zal een schel licht
geven. Amen.”
Hoewel vele malen, ook na 19 jan. 1904, getracht
is, met al wat waarheid en wat waar is de vete te
helen, ap. Van Bemmel heeft het niet gewild, zodat ze
groter is geworden, waarvan de Heer weer getuigde op 15
mei 1904:
Citaat 20
“Triomf! Triomf! Engelen des Mensenzoons triomferen in
de hemel der hemelen. Menigten, menigten in het dal der
dorswagens. Zon en maan zijn zwart geworden,
schitterende sterren van weleer zullen bij getale van
het firmament geslingerd worden. Een droevig bewolkte
hemel, Mijn heilige, priesterlijke bediening. En een
teken aan dezelve, dat wedersproken zal worden. Ambt
der verzoening, ambt der verzoening, wie erkent
uw grote waarde? Daarom, een teken dat wedersproken zal
worden, vanuit Mijn heilige tabernakel. Mijn
heilige priester, niet om niet hebt gij zo zwaar
gearbeid. Want een nieuw hart en een nieuwe geest heb Ik
u gegeven. Een teken, dat wedersproken zal worden, doch
leg gij het als een bundeltje mirre tussen uw hoofdhaar.
Waarom, o volk van Juda, waarom gelooft gij niet in de
gemeenschap uwer heilige ontslapenen? O Mijn God, o Mijn
Vader wat een vete, wat een vete in de
heilige samenbinding. Uit Sem is men begerig en staat
men voor het opengeschoven gordijn, en de ontslapenen
juichen deze dag met een groot gejuich. Amen.”
Citaat 21
“Ontrol de rol, Mijn knecht Verkruisen, ja ontrol ze,
opdat ook een deel Mijner achterste delen gezien worde
door de oprechten van hart. Opdat gezien worde
het cijferschrift in de volle betekenis van het boek
Numeri. Want zie, de wassingen zijn geschied. En
nu zal Ik het verbond des vredes en der genade
aantekenen. Amen.”
Met dit laatste getuigenis wees de Heer erop, dat
ik niet langer moest zwijgen, maar dat ik het
aanwezige verderf zou aanwijzen, dat in de eerste
profetie hierboven was aangewezen en dat zich nu bedekt
rondsluipend begon te vertonen. Zo zou men hierbij op
des Heren goedertierenheid en gerechtigheid acht geven,
tot troost en vertrouwen voor de oprechten.
In de tweede profetie wordt de oorzaak daarvan
aangegeven, door te wijzen op toestanden van weleer. Ten
eerste worden wij bepaald bij Exod. 33:1-4; 11-23 en
34:5-9, namelijk bij Gods vertroosting voor de
oprechten, vanwege de werking van Gods toorn over
degenen die Hem verlaten hadden, zoals Exod. 32
vermeldt. Men maakte een gouden kalf, waarvoor men zijn
goud offerde, en noemde dit de goden die hen uit Egypte
verlost hadden, waarmee zij de Heer verwierpen. Daarom
zegt de Heer, dat Hij niet meer mee zal trekken, maar
dat Hij een engel zal zenden. Doch dit was een andere
engel dan die de Heer volgens Exod. 23:20-22 reeds
gezonden had, waardoor de Heer met hen trok. Want het
was de Heer, Die door die engel tot hen sprak en hen
verzoende. Maar zo zou het niet meer zijn. Wel zou
de Heer een engel zenden, om der beloften wil de vaderen
gegeven, en om der oprechten wil, maar niet meer tot hen
spreken, noch om verzoening te bewerken.
Opmerkelijk is het, wat de Heer sprak in profetie
[citaat 15] over Daniël en Gabriël, waarover de Heer
reeds 12 maart 1901 heeft gesproken in de volgende
woorden:
Citaat 22
“Het licht was strijdende met het licht, het is alles in
het grote licht opgegaan. Gij verstaat Mij, Mijn knecht
Verkruisen. Uw Heer en Bruidegom is aan de glazen zee en
was gezeten naast de man met de linnen lijfrok gekleed
(oordelende over Zijn werk tegen die het bestreden).
Mijn ogen zagen neder op U, Mijn bruid, Mijn liefste. Uw
Heer en Bruidegom zegt u: De ogen Mijner bruid trekken
Mij. Want gij zijt schoon, Mijn bruid, gij waart
gekleed in uw volle wapenrusting en uw ogen deden
Mij geweld aan. Daarom, Mijn bruid, zult gij verkondigen
nieuwe dingen (waardoor men ten leven
vernieuwd was, en geen andere). Vrede en zaligheid
zij u verkondigd, u die gezocht heeft het Koninkrijk
Gods en Zijn gerechtigheid (boven het vergankelijke,
en in veel verzoeking brengende dezer wereld). Vrede
zij ulieden! En wat vraagt gij daar dan nog in Juda, dat
Mijn Koninkrijk kome? Ziet, ziet Mijn Koninkrijk is
onder ulieden. En de rechter- en linkervleugel heb Ik
versterkt en gaan met rasse schreden voorwaarts. Volg
dan de Jozua, die zijn voeten op heilige aarde zet, en
de landpalen voorbijtrekt. En het ambt der verzoening
zal hij met zich nemen, en geen verzoening zal er
zijn, dan dat hij met zich draagt. Amen.”
Zeer treffend in verband hiermee is, wat het oude
profetische woord als schaduwbeeld toont over Jozua
(Exod. 32:15-20). Jozua was met Mozes op de berg, wat
Exod. 24:12-17 bevestigt. Verder wijst Exod. 33:7-11 ons
op een één-zijn van Jozua met Mozes en ook op een
heilige raad der ordeningen Gods. Hierdoor rijst bij
mij de vraag: Zou het dan toch waar zijn, wat apostel
Schwartz ons heeft verkondigd en heeft geschreven in de
verklaringen der Openbaring en van het Hooglied?
Namelijk over de waarheid van Christus, als het Wezen en
de Verwezenlijker van alle profetische schaduwbeelden?
Dat geldt ook voor wat in bovenstaande profetie in
uw midden geopenbaard is over het apostel- en het
evangelistenambt, of de engelen-zending, zoals de
Michaël en Gabriël [citaten 8 en 14]. Hierover heeft
apostel Schwartz in oprechtheid en eenvoud der waarheid
durven verkondigen, dat ook deze twee de een de ander
zou aanvullen.
Ik schroom niet nog eens te herhalen wat ap.
Schwartz gesproken heeft, nadat hij de infame brief van
nov. 1895 –door Niehaus aan Krebs geschreven–
betreffende het concept, en door Krebs aan ap. Schwartz
toegezonden, gelezen had. Toen sprak ap. Schwartz: ‘Ik
bemoei mij niet meer met hen, ik laat hen aan zichzelf
over.’ Zo nam hij grote afstand van hen. Waar waren de
oudsten? Wie was hierin één gebleven?
Juist hierdoor wordt het voor de oprechten
duidelijk lees- en verstaanbaar wat de ontrolde rol als
een cijferschrift doet lezen in volle betekenis van het
boek Numeri [zie citaat 21]. Door het tweede gedeelte
van dit profetisch woord worden wij bepaald worden bij
Numeri 36. Hier lezen we over het gevaar het door de
Heer gegeven erfdeel te verliezen, waardoor de gestelde
orde Gods verbroken zou worden (Num. 36:1-6 met Num.
26:52-55 en Num. 27:1-11).
Met dit door de Heer gestelde erfrecht bleef Jozua
één, en handhaafde het bij de uitdeling (zie Joz.
15 over Juda’s erfrecht en Joz. 17:1,3-5). De bedoeling
des Heren hierin was, dat de dochters zich niet zouden
vermengen met mannen van andere stammen, maar met mannen
uit hun eigen stam. Anders zou het schijnen of hun
stamvader en stam geen erfdeel Gods verkregen had.
Daarom zouden zij, de dochters, in het erfrecht van hun
stamvader treden en zijn erfdeel zou hun erfdeel zijn,
en zo zou het immer blijven voor elke stam, waarin alle
stammen zouden gehoorzamen voor alle geslachten. Niemand
mocht dit door de Heer gestelde recht verbreken.
Het doel waartoe de Heer dit heilige, waarachtige
getuigenis tot u gebracht heeft, kunt u nu beter en
zelfs volkomen verstaan, omdat de Heer een- en andermaal
door de Geest der profetie tot u heeft gesproken over de
Zelafeads-dochters [citaat 35], ten eerste omdat zij
vroegen naar hun erfdeel en ten tweede dat hun recht zou
geschieden. Duidelijk kunt u de mening uws Heren hierin
verstaan door hoe na de dood van apostel Schwartz
tegenover Juda’s gemeenten als dochters is gehandeld
vanuit andere stammen. Nu reeds voor de derde maal werd
in volheid het recht betwist op het erfdeel Gods, dat
naar de waarheid van Christus was uitgedeeld door Zijn
Geest, een iegelijk naar Zijn wil. Dit wordt niet
erkend, maar bestreden.
Hoe het met velen gegaan is, die zich aan deze
geestelijke vermenging hebben overgegeven, is openbaar
geworden. Ze bezitten niets meer van het erfrecht
door de Heer aan Juda gegeven, om Zijn roeping van Gods
gestelde orde te kunnen vervullen op de manier zoals
Gen. 49:8-12 aanwijst. Men heeft de jonge ezelin, de
dochter, niet aan de Wijnstok Jezus gebonden, om in Hem
te blijven, maar men heeft zegt: ‘Je moet het uit mij
nemen’. Men heeft scepter en wet willen vernietigen, als
door de geest van Dan (Gen. 49:12), die onder het
geestelijk Israël niet meer wordt gevonden (Openb.
7:4-8).
Het is omwille van dit getuigenis en om de eer der
waarheid Gods, dat ik u nog eens zal herinneren aan de
twee volgende opmerkelijke dromen. De hier volgende is
de eerste droom door de Heer gegeven, na de dood van ap.
Schwartz (gestorven op 6 dec. 1895):
Citaat 23
“In de morgen van zondag 8 dec. 1895 droomde ik, dat ik
ap. Schwartz nog eens wenste te zien, bevond mij opeens
aan zijn huis en schelde aan. Mw. Schwartz deed zelf
open en leidde mij in een kamer alwaar ik de apostel zal
liggen op een praalbed, geheel bewerkt met witte kralen.
De kamer was vol met knechten des Heren. Eén van hen
begon te bidden: ‘Heer, mocht nog eenmaal Uw knecht zijn
mond opendoen en wij zijn stem horen?’ Opeens zag ik
iemand als uit de grond opkomen met een lange zwarte
baard, en lange zwarte krullen, welke tot op zijn
schouders hingen, met een veerpen in zijn hand, en
profeteerde: ‘Juda, gij hebt tegen uw God gerebelleerd.
Gij hebt begeerd Zijn stem te horen, dit zal niet
geschieden voordat gijlieden u hebt bekeerd.’ Hij
schreef zelf de woorden op en was opeens weer verdwenen.
Toen bracht mw. Schwartz mij bij de apostel, en ik zag
zijn hart op en neergaan en zijn oogleden zich bewegen.
Ik zei: ‘Het is alsof meneer nog leeft.’ En het was
alsof de apostel hoorde wat ik sprak, want hij opende
zijn ogen en sprak tot mij: ‘Ja mijn dochter, ik
ben niet gestorven.’ Ik knikte bevestigend met mijn
hoofd. Toen sloeg de apostel zijn armen om mijn hals en
kuste mij, ook op mijn wang en voorhoofd, sloot zijn
ogen en ik ontwaakte.”
Met deze droom heeft de Heer toen reeds de
gemeente getoond als een geestelijke
Zelafeads-dochter. Zij zou met de redenen Zijns monds
worden gekust, geleerd en geleid tot vrede, rust en
blijdschap in de Heer, door volhardend oprecht één te
zijn, en te blijven. Door één te blijven in des
Heren waarheid, zoals die door apostel Schwartz was
verkondigd en gewerkt, tot gehoorzaamheid en toenemen
tot de volle wasdom in de kennis der Godzaligheid. Op 1
dec. 1895, nadat gebeden was voor de ziekte van ap.
Schwartz, sprak de Heer:
Citaat 24
“Hoor, zegt de Geest, Mijn knecht Verkruisen, Ik als
Jezus van Nazareth zal Mijn rust vinden in de
Leeuw van Juda. En vele lieflijkheden zult gij
ontvangen van de boom des levens, waarvan de
vijgen rijp waren. Ook de rozenboom, Mijn
knecht, was in volle bloei, maar weinigen zijn er
uitgekomen. Maar de roos die in volheid staat,
daaruit zal veel liefelijks voortkomen voor hem
(ap. Schwartz). Versta dit: voor hem, Mijn
knecht. Maar heden is het worstelperk voor hem hevig.
Maar Ik ben God, Die alles zal wel maken, en zal het ook
voor hem alles welmaken. Amen.”
Aan deze woorden voegde de Heer het volgende toe:
Citaat 25
“Hoort wat de Geest in de gemeente getuigen zal. Laat u
dan de voeten wassen, want gij zijt gekomen in de
laatste nachtwake. En het zal geschieden, zegt de
Here, als de dag aangebroken is, en de zon weder zal
ondergaan, zullen velen zich ergeren. Daarom
Mijn knechten
(in Haarlem): Wilt gij dan nog
een uur met Mij waken? Volgt Mij dan verder in
Gethsemané. Ziet zij komen in getallen, uit het zuiden
en het westen. Laat u dan de slaap niet bevangen. Want
de stem van uw Jezus zal roepen: O Vader, Mijn ziel
wordt in Mij benauwd. Daarom, Mijn knechten, volgt deze
Mijn knecht, hij zal u voorgaan, en gij zult u verder in
Gethsemané geleid zien. Amen.”
En op 8 dec. 1895, de eerste samenkomst na de dood
van ap. Schwartz, sprak de Heer:
Citaat 26
“Mijn volk hoort met ernst naar het Woord van de Heer uw
God. Ik begeer van u, dat gij stil en eenvoudig uw weg
bewandelt. Dat gij spreekt, waar Ik uw God u te spreken
zal geven, en dat gij alsdan belijdt, dat Ik de
Heer uw God ben. En dat gij alsdan belijdt, dat
Ik Jezus haastig komen zal, om te oordelen levenden en
doden
(geestelijk). Want de Zon is aan het ondergaan,
en de nacht is aan het doorbreken. Bereidt u dan
uw God te ontmoeten. Amen.”
Citaat 27
“Vreest dan niet, zo zegt de Geest, Mijn volk. Want
Jeruzalem is gebouwd, en haar grondvesten zijn vast en
sterk, en haar pilaren zijn van schoon safir. Daarom zal
geen macht daar binnentreden, want Ik, God Jehova, heb
haar versierd. Daarom vreest niet, gij wormpje Jakobs,
want Ik ben uw Maker en Ik ben uw Man. Zie
Ik heb geschapen de smid, die de kolen aanblaast.
En daartoe is heden de tijd. Waarom zou Ik dan
het kwaad niet zenden in de stad? Want Mijn hand
hebben zij verworpen. Daarom vreest uw God, want het
einde is gekomen. Amen.”
Citaat 28
“Ik zal zijn, Die Ik zijn zal. De dief zal niet inbreken
daar waar de deur voorzien is, daar waar het goud
(waarheid) het versiersel is. Hoort, dan gij
die hinkt op twee gedachten. De gehoorzaamheid is
aan de lankmoedigheid verbonden. Daarom is de wet
(des Geestes) een tuchtmeester. Richt u dan op,
opdat gij de sterkte moogt zien Mijner waarheid. Amen.”
Zo toen, zo heden: Jezus van Nazareth in Zijn
getuigen. Zo toen en heden: Levenden in de Heer en
doden. Op twee gedachten hinkende Obadja’s, over wie de
Heer ten oordeel kwam en ook heden gekomen is om Zijn
levenslicht voor hen te doen ondergaan, om van
daaruit niet meer tot hen te spreken. Tot op die
tijd, welke de Heer aanwijst, om Hem dan als de God der
waarheid te belijden en het oordeel aan te zeggen. Zulk
een tijd, heden als toen, wat in een tweede droom is
getoond, als volgt:
Citaat 29
“In de nacht van 13 op 14 december 1896 droomde ik, dat
ik te Amsterdam in de kerk kwam, doch niet in het
kerklokaal, maar beneden; doch het was geen zondag, maar
een dag in de week. Daar beneden lopende door een lange
gang kwam ik aan een vierkante kamer
(consistoriekamer), waarin ik een tafel en stoelen
zag staan. Nu hoorde ik een geruis in die gang, en
daarheen ziende zag ik twee engelen, welke iets op hun
schouders droegen, hetwelk bedekt was als met een
sluier, welke nu afviel en ik zag dat het onze ontslapen
apostel Schwartz was, die door die engelen, staande op
hun schouders, gedragen werd. De apostel had een doos in
zijn hand, waarop geschreven stond: ‘eeuwig evangelie’.
Ik vroeg: ‘Mijnheer (niet Schwartz), wat is dat?’
Waarop de apostel antwoordde: ‘Het eeuwig, eeuwig
blijvend Woord van God.’ Die engelen waren voor die
kamer blijven stilstaan, alsof men op iets wachtte. Ik
vroeg: ‘Mijnheer (niet Schwartz), mag ik ook
wachten?’ ‘Wel zeker, mijn kind,’ zei de apostel. Daarop
zag ik een deur opengaan, waaruit mhr. Verkruisen kwam.
De apostel vatte hem bij de hand en zette hem op de
rechter schouder van een der engelen, en zo hand
aan hand droegen hen die engelen die kamer binnen,
en ik ontwaakte.”
Voordat de Heer in de nacht van 13 op 14 dec. dit
droomgezicht gaf, had Hij al door de Geest der profetie
gesproken in de drie volgende profetieën op zondag 13
december 1896:
Citaat 30
“Kent gij Mij uw God geheel in Mijn almacht? Waarom
vreest gij dan? Want Ik zal de oplikker schelden. Ben Ik
het niet, Die de adelaarsblik kan vergroten uit de
hoogte? Ik zal het zijn, Die in de hitte der strijd
duizenden zal doen nederdalen, die Mij dienen als
vuurvlammen. Want weet, wat uw ogen niet zien,
dat het hemelheir zeer sterk is, en dat Ik, God Jehova,
hun toch de weg heb doen optreden. Daardoor heb
Ik geleerd hoe de krachten der hemelen bewogen worden.
En hoe de engelen des Vaders, met de
engelen des Mensenzoons Mij dienen. En wie achterwaarts
nedervallen, en niet weder opgericht worden.
Amen.”
Citaat 31
“Hoor, wat de Heer spreekt, Mijn knecht Verkruisen.
Alzo is het geschied, gelijk Ik door Mijn Geest
gesproken heb, dat men is begonnen, toen het licht
aan de avond nederdaalde heeft men het hert achterna
gejaagd. Maar Ik Jezus zeg u, de glazen kooi, waarin de
pelikanen besloten waren, heb Ik Jezus heden vrijheid
gegeven. Maar gij, Mijn knecht, hoor wat gij zult doen,
en zij die de bomen van de ark op hun schouders hebben
genomen: Ik Jezus zal de twee grote vleugeldeuren
Mijner poort open zetten, en gij zult door
dezelve binnentreden voor een korte stonde.
Amen.”
Citaat 32
“Hoort, wat Ik verder zal toedoen. Wie zal de berg
Mijner heiligheid beklimmen, spreekt de Here Here?
Wie is de man, die op het bevel van zijn God
optrekken zal van stad tot stad, dodende wie hij
ontmoeten zal? Wie zal Mij volgen spreekt de
Heer, als de weg zal komen door honger en dood?
Eén heb Ik gesteld, die overwinnen zal voor de
gehele aarde. Eén is het, die ingegaan is
onder het altaar, Mijn apostel Schwartz. En deze zal
niet rusten voordat Juda in zijn volle recht
is hersteld. Hoor, Mijn knecht Verkruisen, en versta
Mij. Was het niet Mijn knecht Jonathan, die alleen
met zijn wapendrager overbleef? Zie, u heb Ik gesteld
als een enig man, en u zal Ik stellen,
strijdende en worstelende voor Mijn volk. Vrees
niet, Mijn knecht, het zwaard te zwaaien. En gij zult ze
aanschouwen, die vrezen de banier van Juda te
ontrollen. Amen.”
Bovenstaande droom en profetieën [citaten 29-32],
in verband gebracht met de droom en profetieën van 8
dec. 1895 [citaten 21, 26-28], toonden toen de toestand
en strijd na de dood van ap. Schwartz, ontstaan door
bestrijders van leer en werk van ap. Schwartz, hoewel
dit gegrond was op de Schriften en getuigenissen Gods
der waarheid. Daarom had men hem en zijn leer door list,
bedrog en geweld versluierd om het onzichtbaar te maken,
en hun eigen bedrieglijk werk ervoor in de plaats
gesteld. Men had de H. Schrift in een doos opgeborgen
als niet meer nodig, en eiste slaafse onderworpenheid en
gehoorzaamheid aan hun woord. Zo heeft men de gemeenten,
als geestelijke Zelafeads-dochters, hun erfrecht
onthouden wat hun na de dood van ap. Schwartz door de
Heer als Juda was gegeven. Daarom was er een
ambtenvergadering gesteld op maandag 14 dec. 1896 en mij
zaterdag 12 dec. een briefje door Kofman toegezonden als
volgt:
Amsterdam 12 dec. 1896
Geliefde broeder Verkruisen. Met deze wordt u
officieel uitgenodigd ter algemene ambtenvergadering
maandag 14 dec. des namiddags 12.00 uur in de
consistoriekamer der Apost. kerk, Prinseneiland te
Amsterdam, o.l.v. de lieve apostel Niehaus, als
gezondene der eeuw: apostel Krebs. - Alsdan is
gelegenheid alle voorliggende zaken mondeling te
bespreken. (was getekend: Kofman Bz.).
Zo schreef Kofman, aan wie de leiding en hoede van
Juda was toevertrouwd, maar dit aan Krebs en Niehaus had
overgedragen. Deze laatsten zijn teniet-doeners van de
H. Schrift en van leer en werk van ap. Schwarz, smaders
en spotters over des Heren getuigenis door de Geest der
waarheid. Zij zijn rovers van Juda’s erfdeel, wat Kofman
(en de meeste knechten in Juda) al prijs hadden gegeven
door zich te vermengen met andere stammen.
Maar ik heb ze ook daar gezien [in deze
ambtenvergadering 14 dec. 1896]: bevreesden, om Juda’s
banier de waarheid te tonen, voor wie dat erfrecht een
twijfelachtige waarde had, door het goed dezer wereld
boven hetzelve te begeren. Kofman had geschreven, dat er
dan gelegenheid zou zijn alle voorliggende zaken en
verschillen mondeling te bespreken, maar dat was een
bedekte leugen. Dat is wel door mij geprobeerd, doch
werd door Niehaus en anderen steeds verijdeld door met
bijzaken aan te komen. Neen, het was een vooraf
beraamd complot. Dit werd al spoedig duidelijk door
wat Niehaus sprak, namelijk dat hij gekomen was om te
zien of wij nu allen één zouden worden (met hen), anders
kregen wij geen apostel. Het was dus bangmakerij,
boemannetje spelen, door toverijen en prestige uit te
oefenen.
En heden? Het heeft weer te maken met de
voorafgaande dromen en getuigenissen in verband met de
droom van 8 op 9 oktober 1903 [citaat 36], die u
zondagavond 10 juli 1904 zijn voorgelezen [wordt niet
in het genoemde voorgelezen vermeld, maar in het daarop
volgende gedeelte; CR]. Daarbij is een en ander
toegelicht, maar niet alles, zodat ik er –zo de Here
wil– nader op terug zal komen.
Ja, ook deze droom met al het voorgaande, is als
een nu ontrold cijferschrift leesbaar om kennis
te nemen van de werking der leugen en van het werk der
duisternis. Voor de derde maal wordt geprobeerd om de
geestelijke Zelafeads-dochters het erfrecht te ontroven,
nu door dwaalleer en werk van ap. Van Bemmel. Hij eist
nu óók, dat men met hem één zal zijn en hem zal
gehoorzamen. Dat kan alleen als men het licht en de
kennis der waarheid, der liefde Gods, die ons zijn
gebracht door de zending van ap. Schwartz, zal
prijsgeven. Wie dat niet doet, is ten dode gedoemd en
wordt door zijn [Van Bemmel’s] banvloek getroffen. Tot
welke afmetingen dit roverswerk uit de geestelijke
stammen Israëls is gekomen, heeft de Heer door Zijn
Geest geopenbaard op 15 mei 1904 als volgt:
Citaat 33
“Jobab - Tofeth - Rimmon - Raddai - Lebbeüs - Regium -
Ohola - Zimri - Nod - Nobach - Jaïr. Wie aanschouwt
Mijn doorboorde handen en voeten, in het sprekend bewijs
van Mijn getuigenis? Zie Ik verwek tot jaloersheid
wie Ik wil, wie Ik verordineer door de
bestelling der engelen. Zie al is het gehele huis
van het geslacht van Simeon ten verderve gegaan, daarom,
Mijn volk zult gij letten, tot in het geringste toe,
op de doorboorde handen en voeten. Amen.”
[Verklaring vreemde taal door br. Verkruisen:]
Jobab afvallend, afvalligen
Tofeth plaats waar kinderen aan de
Moloch geofferd worden, en waarbij op trommen geslagen
wordt om hun gekerm niet te horen
Rimmon granaatappel, zeer hoog
Raddai ter onderbrenging
Lebbeüs leeuw, of mijn hart
Regium scheiding
Ohola zij heeft haar eigen tent
Zimri lied van Jehovah
Nod zwerving, ballingschap
Nobach een blaffende, luide stem
Jaïr Hij zal moeten
terugkeren, Hij zal verlichten, licht verspreiden
Diezelfde 15e mei was een beruchte dag van
beroering in de gemeente te Amsterdam, hoewel reeds vele
zulke dagen van beroering en ergernis waren
voorafgegaan, en daarna nog meerdere zijn gevolgd. En
hoewel wij hier in Haarlem niet wisten wat in Amsterdam
plaatsvond, gaf de Heer het toch te kennen, tot licht,
ter hoede en raad, tot troost. Zo ook in de morgendienst
van 15 mei:
Citaat 34
[zie citaat 20, nu met verklaringen]
“Triomf! Triomf! Engelen des Mensenzoons triomferen in
de hemel der hemelen. Menigten, menigten in het dal der
dorswagens
(als bestrijders der waarheid). Zon en maan zijn
zwart geworden (verduisterd door werkers der
duisternis), schitterende sterren van weleer zullen
bij getale van het firmament geslingerd worden. Een
droevig bewolkte hemel (degenen die de tekenen der
tijden niet onderscheiden, alleen ziende op wat naar hun
wensen voor dit leven is; Matth. 16:4), Mijn heilige,
priesterlijke bediening. En een teken aan
dezelve, dat wedersproken zal worden (door
zulke sterren en wolken als getuigen). Ambt der
verzoening, ambt der verzoening, wie erkent (wie
ziet) uw grote waarde? Daarom, een teken dat
wedersproken zal worden (het is gegeven tot
kennis der zaligheid, in de vergeving der zonden),
vanuit Mijn heilige Tabernakel (door hen, die de
Heer gesteld had Hem te dienen door één leer,
uit één geloof, tot één doel). Mijn
heilige priester (Verkruisen), niet om niet hebt
gij zo zwaar gearbeid. Want een nieuw hart en een nieuwe
geest heb Ik u gegeven. Een teken, dat wedersproken
zal worden (in alles verworpen, door
zelfzuchtige, eigenlievende, de waarheid liegende
lasteraars, de mens ondermijnende, gedreven door
onheilige jaloezie, wangunst, nijd en bitterheid, wat ik
ook van ap. Van Bemmel jarenlang in stilte verdragen
heb), doch leg gij het als een bundeltje tussen uw
hoofdhaar (ziende op ‘s Heren getuigenis: hebben zij
dit aan het groene hout gedaan, wat zal men niet aan het
dorre doen? Een dienstknecht is niet méér dan zijn Heer).
Waarom, o volk van Juda, waarom gelooft gij niet in de
gemeenschap uwer heilige ontslapenen? (ook wat ap.
Schwartz betreft, door één te zijn met zijn leer
en werk, door daarin voort te werken en te leiden tot
volkomen wasdom in Christus, naar het eeuwige
levensdoel; het is openbaar geworden, ook ap. Van Bemmel
heeft dat aan de vergetelheid prijsgegeven. Wat de Heer
verder deed spreken:) O Mijn God, o Mijn Vader,
(wees toch genadig en barmhartig, want:) wat een
vete, wat een vete in de heilige samenbinding.
Uit Sem is men begerig en staat men voor het
opengeschoven gordijn, en de ontslapenen juichen deze
dag met een groot gejuich (waarmee de Heer wil
zeggen: Sem en zijn nakomelingen, de Joden, aan wie Ik
Mijn heil en beloften van meerder heil gegeven had, maar
dit hebben versmaad en verworpen, Ik heb Mijn heil en
beloften van hen genomen, en hen aan de verwoesting des
doods prijs gegeven, door de machten der duisternis).
Amen.”
Zo vergaat het des Heren nieuwe verbondsvolk, als Zijn
lichaam, Zijn bruid. Zo vergaat het ook heden hen, die
door vernieuwing des Geestes weder tot eerstelingen zijn
aangenomen. Zo vergaat het ook Juda, die het gruwelijker
heeft dan allen. Deze allen zijn een geslacht aan
Simeon gelijk [zie citaat 33], wiens naam wil zeggen:
horende met aanneming, gehoorzamende. Deze allen,
die wel met de Geest zijn aangevangen, doch in het vlees
zijn geëindigd, zullen dit door hun wezen en daden
bevestigen in het Armageddon, als geestelijk dal van
Josafath, zoals in de droom van 9 okt. 1903 getoond is
[citaat 36].
Al vraagt nu ook dit verdorven Sems-geslacht, dat
Zijn heil en beloften heeft versmaad, bestreden en
verworpen: Wat is daar toch, wat zal dat worden? hun
nieuwsgierigheid zal niet beantwoord worden. Toch
wil en zal de Here genadig en barmhartig zijn voor hen,
die Zijn Woord bewaren in een rein oprecht hart, die in
eenvoud en ootmoed Hem dienen in vreze. Hen heeft Hij
afgezonderd en Hij zal hun sterkte en troost der hope
zijn, zij letten op het geringste, hoe en waarmee
men Hem heeft gedood in Zijn getuigen.
Terwijl de Heer op zondagavond 15 mei [1904; citaat
33] dit geestelijk Simeons-geslacht aanwees als ten
verderve gegaan, werd het in de gemeente te Amsterdam
bevestigd door een diaken, Reinders. Hij sprak die avond
onder het gehoor van ap. Van Bemmel, hem (Van Bemmel)
als mens dienend. Hij las daarbij voor uit het boekje
‘Apostelen of niet’, hoe met een apostel omgegaan zal
worden. Duidelijker had men de tegenspraak met zichzelf
niet kunnen tonen. Want men wijst het apostelschap van
ap. Schwartz nu op dezelfde manier af, zoals men het bij
Krebs gedaan heeft. Men leest voor uit geschriften van
ap. Schwartz, die men zelf niet meer gelooft, maar als
leer der waarheid verworpen heeft. O bedrieglijke
tovergeest, om zo de zinnen te verblinden en het
erfrecht te roven!
Daarom, terugziend op de profetie van 12 maart 1901
[citaat 22], moeten wij ons nu afvragen: Is er een
Jozua-getuigenis en onder Juda en in uw midden verricht?
Is men één geweest en één gebleven met ap.
Schwartz, aan en door wie de Heer Zich heeft
geopenbaard? Want gelijk door Mozes, die de wet, het
getuigenis en de inzettingen van de Heer gaf aan het
volk, tot wetenschap en kennis, door belering der
priesters, zo heeft de Heer door ap. Schwartz, en
door geen ander, aan Juda de scepter en wet des
Geestes geschonken, tot levensheerschappij des vredes.
Er is temidden van Juda een Jozua-strijd gestreden, om
scepter en wet te behouden, waaraan de Heer het erfrecht
verbonden had. Want daarvan wil men de gemeenten als
geestelijke dochters beroven, omdat men niet wilde dat
zij de Heer hun God, maar de mens zouden dienen.
Daarover heeft des Heren Geest meermalen getuigenis
gegeven. Onder andere sprak de Heer op 31 maart 1901 het
volgende:
Citaat 35
“Gelijk Ik met de eerste was, zo zal Ik met de laatsten
zijn. Al ware het ook, dat in de vijgenboom geklommen
was. Zie, Ik riep voorheen: Adam waar zijt gij?
En hiermede sloot Ik in degene die hem ter hulpe was.
Andermaal roep Ik heden: Waar zijt gij? Wat schuilt
er onder Mijn koninklijk-priesterlijk volk? Zie,
gij zijt Mijn sieraad, dat moest opklimmen
(toenemen in wasdom, kennis) en niet afdalen
(tot het vergankelijk goed). Het is onder u
geschied en het zal onder u geschieden, dat
ook de dochters van Zelafead een erfdeel zullen hebben.
Al zou ook de leeuw uit de afgrond brullen, Juda’s leeuw
zal alles overtreffen. Amen.”
Is nu dit alles, wat u heden uit dit
veelbetekenend cijferschrift getoond is, waarheid,
voortgebracht door verschillende vaten, die niet wisten
van de verborgen werken der duisternis om te trachten uw
erfrecht te roven? Zo ja, dan is het vol heilige ernst
wat er over de Jozua is gezegd, namelijk dat hij zijn
voeten op heilige aarde (ordeningen Gods) zet, de grens
oversteekt (al moet hij daarbij ook een zijpad op gaan)
en het ambt der verzoening meevoert. En er zal geen
verzoening zijn, dan door dat wat hij met zich
draagt (de volle waarheid van Christus, als witte
vaan). Daarmee heeft de Heer het ongelooflijke
gezegd: Al wat het Gods waarheid bestrijdend
Simeons-geslacht –of gedeelte daarvan– zegt over de
verzoening, dat is bedrog en leugen, enkel schijn en
wordt door de Heer niet erkend.
Wie kan en zal dat geloven?
Alleen zij, die zich afscheiden van degenen die de
waarheid, hun ter heiliging gegeven, hebben verworpen.
Want zo staat geschreven (Hebr. 10:14): “Want met éne
offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die
geheiligd worden.” Dat zijn degenen, die volmaakt één
zijn met Jezus waarheid, die daarvan niet af noch
toedoen, maar in liefde gehoorzaamheid betrachten. Dit
is het God geheiligd zaad, dat zal erven, wat naar des
Heren Woord en beloften is.
[Gebed van br. Verkruisen, kennelijk
ter afsluiting van de voorlezing:]
En nu, mijn Heer en mijn God, Uw knecht heeft heden
op Uw bevel Uw veelbetekenend cijferschrift
leesbaar gesteld. En zijn smeken is tot U, samen met
de volmaakt rechtvaardigen: O Heer, wees ons barmhartig
en genadig, want wie zal voor Uw heilig aangezicht
bestaan nu het tijd is. O Heer, hemelse Vader,
zie ons aan in Uw veelvuldige goedheid en
barmhartigheid, nu Gij gekomen zijt, om zilver
als zilver en goud als goud te reinigen, aan Uw
geheiligde tempel. Amen.
vanaf op blz. 25
tot hiertoe gelezen in de gemeente op zondag 17 juli
1904.
Het geestelijk Simeons-geslacht was ook gesteld om
de waarheid te horen, aan te nemen en te gehoorzamen,
maar óf zij hebben dit niet gewild, óf zij zijn er wel
mee begonnen maar hebben daarin niet volhard en zijn
weer afgevallen. Zij dragen een schijnverzoening uit
voor alle partijen. Daar tegenover staat de waarachtige
werking tot verzoening. Wat daar hierboven over is
aangegeven, is de waarheid, zoals de Heer geopenbaard
heeft in de droom van een zuster der gemeente van 8 op 9
oktober 1903, waar ik nu nader op inga:
Citaat 36
“Ik droomde, dat ik naar de kerk ging. Mijn man was nog
niet klaar. Ik nam mijn bijbeltje en ging vast vooruit.
Toen ik buiten kwam, was er zo veel volk op de been,
alsof het werkstaking of oproer was. Toen ik hard door
dat rumoer heen wilde lopen, werd ik opeens bij mijn arm
gegrepen, waarin ik het bijbeltje had, met de woorden:
‘Daar heb je zo’n ketter.’ In een ogenblik had ik een
hoop volk om mij heen, die mij voortduwden en stompten,
tot ik in een roomse kerk terecht kwam, welke vol met
mensen, pastoors en dominees was, allen door elkaar. Een
grote man, het leek wel een reus, vroeg mij waar ik heen
moest. Ik antwoordde hem: ‘Naar de Apostolische kerk.’
‘Jou ketter,’ zei hij, ‘Weet je niet, dat je plaats hier
is? Zie maar, al je zusters en broeders zijn ook
hier’. Ik zag rond en nu zag ik vier hoge zetels, met
vuurrood bekleedsel, waarop gezeten waren C. Vleck sr.,
H. Gildemeester sr., de Vries; de vierde kon ik niet
goed zien; en om hen heen stonden alle afgevallen
eerstelingen, en ook eerstelingen die nog niet
afgevallen waren. Toen sprak die grote man tot mij: ‘Nu,
wat zegt gij nu?’ Ik antwoordde: ‘Dat zijn mijn broeders
en zusters niet, dat zijn vijanden Gods, dus ook
mijn vijanden.’ ‘Zo,’ zei hij, ‘Maar je moet toch
hier blijven en doen wat wij doen.’ Toen
kwam er een priester met een brandende kaars, en een
kruis in zijn handen, en gebood mij te knielen, mijn
geloof af te zweren en dat kruis te kussen. Ik zei: ‘Ik
zal in der eeuwigheid mijn geloof niet afzweren.’
Toen zei hij: ‘Ongelukkige, weet je niet dat wij je
leven en het leven van je kinderen in onze
handen hebben?’ Ik sprak: ‘Als de Heer het toelaat.
Hij is machtig ons te redden, wij vertrouwen op Hem
alleen.’ ‘Zo,’ zei hij, ‘Dat zullen wij zien,’ en
begon toen luid te schreeuwen: ‘Er uit, gevloekte
ketter, de banvloek volgt je na, en laat die God je nu
maar redden, waarop je vertrouwt.’ Toen werd ik van
iedereen geschopt en geslagen, totdat ik eindelijk
buiten kwam waar ik gegeseld of gestenigd moest worden,
dat weet ik niet. Toen riep ik: ‘O God, red ons van deze
duivels.’ Waarop ik opeens werd opgenomen, en
neder gezet werd op een groen veld met prachtige rozen,
waar de zon heerlijk scheen. Ik hief mijn handen naar de
hemel op en riep: ‘O mijn God, ik dank U, dat Gij ons
tot op dit ogenblik gespaard hebt voor afval.’ Toen
ontwaakte ik.”
Deze droom toont ten volle wat er van Juda geworden
is, vooral nu, nu ook de vierde, toen nog bedekt,
bekend is geworden: Ap. Van Bemmel, ook zittende op een
hoge stoel met vuurrood bekleed, als behorende tot het
beest (Openb. 12:3; 13:1, 5-7). Dat zijn degenen, die
zich ergeren aan de waarheid der Heilige Schrift, en
deze willen vernietigen, door de waarheid der Schrift te
verdraaien, zichzelf tot verderf en anderen tot
misleiding. Zij tonen hun geloof in de Bijbel op de
manier van de roomse kerk: Men moet zich onderwerpen en
gehoorzamen aan wat ik –paus, heerser in de macht van de
inquisitie-geest– zeg en doe. En wie dat niet doet, is
zonder vorm van proces ten dode verdoemd. Dat zijn
degenen, die niet de minste tegenwerping dulden of
verdragen, die ook geen verdediging toestaan voor hen
die zij liegend, lasterend en verdachtmakend
beschuldigen. Ofwel doen zij deze dingen zelf, of laten
zij het doen door degenen, die zij door hun
inspirerende betoveringen in slaafse
onderworpenheid zich dienstbaar hebben gemaakt. Daar
achten zij alle middelen voor geoorloofd.
Met deze droom bevestigt de Heer als waarheid, wat
al getoond is over ap. Van Bemmel in de droom van 8
april 1898 [citaat 3], waarin het doel van zijn
begeerten wordt getoond, en ook de droom van nov. 1900
[citaat 1], die in geestelijke en natuurlijke zin
aangeeft hoe en waarmee hij werkte, verborgen en bedekt,
om zijn zelfzuchtige, heerszuchtige begeerten te
vervullen. Doordat deze drie dromen elkaar bevestigen,
wordt bewezen dat zij waarachtige openbaringen Gods
zijn. Zij zijn vervuld door het duivelse gelieg en werk
van allen die daarin bezig zijn. Aan dit verderf kan men
alleen ontkomen door zich volkomen af te laten
scheiden, door zich op te laten nemen op de vleugelen
des Heren, zoals de Heer meermalen heeft getoond.
Maar ook toont deze droom van 9 oktober 1903
[citaat 36] –speciaal wat de gemeente Haarlem betreft–
dat men plotseling, onverwacht en ongedacht temidden van
strijd en verdrukking zou komen, omdat men vooraf niets
geweten heeft over het bedrieglijk werk van ap. Van
Bemmel, noch over de vele beroeringen en ergernissen die
hij al verwekt had. Ook wist men niet en kon men niet
weten, hoe de heilige waarheid van Christus daardoor nog
meer walgelijk en stinkende is gemaakt. Het gelach
daarover werd in de droom van nov. 1900 [citaat 1]
getoond.
Zo kon het zeewater (leringen van gelovige
kerkpartijen, leringen van afvallige
eerstelingspartijen) binnenstromen in de zee-leer van
ap. Van Bemmel, die nimmer gedacht noch zich bekommerd
heeft over de gevolgen van zijn woord en werk.
Doch ook hierop heeft de Here God ons voorbereid door de
Geest der profetie, wat volkomen door het leugenwoord en
-werk, ook van ap. Van Bemmel, is waargemaakt.
In liefelijke, heilige ernst, als een
vooraankondiging van wat komen zou en hoe
de Heer hierin zou optreden, getuigde de Heer door de
Geest der profetie op woensdag 7 oktober (dus één dag
voor de voorgaande droom van 8 op 9 okt. [citaat 36])
als volgt:
Citaat 37
“Welzalig zijt gij, Mijn beminden, gij die verkoren hebt
uw God te dienen. Welzalig gij, die in uw hart zegt:
Ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen. Ja zalig,
driewerf zalig zijt gij, Mijn bruid, die lust heeft de
zangvogels te horen. Ziet, een volle dis, op een volle
tafel is u bereid. Luistert dan met geheel uw hart,
want weet dat Ik op velerlei wijze tot u spreken zal uit
het braambos
(waar de Heer Zijn wil openbaarde, door roeping en
zending, van Egyptische verdrukking te verlossen, en ter
beloofde erve heen te leiden). En dat Ik Mij
vertegenwoordigen zal uit het moerbeziëndal (de Heer
belooft Zijn hulp en tegenwoordigheid, als de Ontwaakte
uit Zijn woning, Die van Zijn stoel is opgestaan, ten
tijde als het een toestand zou zijn als in een tranendal
van jammer en klagen, om een Bronwel van zegen en
vertroosting te zijn voor bedroefden, die Hem liefhebben
en aanroepen ter hulpe, opdat zij onder hun smart en
druk toch het zoete van des Heren goedertierenheid
blijven smaken, en Hem daarvoor dankzeggen. En verder:).
Vreest dan uw God en dient Hem. Want de dagen
zijn aangebroken, dat alle molens zullen
stilstaan. De dagen zijn aangebroken, dat zee en
watergolven groot geluid zullen geven en dat
duisternis zal zijn over de vier hoeken der aarde
(ordeningen Gods). Maar vreest gij niet, in uw
tenten zal het licht zijn. Want het Lam zal alles
vertegenwoordigen. Amen.”
Hebt u zo des Heren nabijheid leren kennen en
ondervonden, als uit een geestelijk braambos sprekend,
en uit geestelijk moerbeziëndal onder deze strijd en
druk troostende? Is u dat goed, dat de Heer u door het
licht de waarheid van misleiding heeft laten
onderscheiden? Is het u dan ook tot een zalige rust?
Gelijk de Heer sprak 10 juli 1904:
Citaat 38
“Gaat dan heen in vrede, gij die vrede gesmaakt hebt
deze dag. Het lot is in de schoot geworpen, maar het
beleid is van de Heer. Laat dan arendsvleugelen en
dageraadsvleugelen uw huizen overdekken van u, door
wie het licht des Heren is aanschouwd. En
verberg u een kleine tijd in de slaapkamer,
totdat de gramschap voorbij is. Amen.”
Kunt gij de liefde des Heren voor de innigste
gemeenschap Zijner goedertierenheid dankzeggen, dat
de Heer u tot op heden ook voor deze afval heeft behoed?
En kunt gij met het hart bidden: Heer, mijn God, doe mij
één zijn met de werking Uwer liefde en gerechtigheid?
Hoort dan verder en aanschouw dan verder de trouw en
genade van Hem uw Heer, Die sprak over wat komen zou, op
18 januari 1903:
Citaat 39
“Wie is het die daar opkomt van de hoge plaatsen, en met
Hem een schare van ontslapenen? Is het niet, o Juda, uw
Immanuël, uw Koning? O Mijn Juda, waarom uw hoofd zo
naar de aarde gekeerd? Is niet de steen, die zonder
handen afgehouwen is, de hoeksteen, als kracht in uw
midden? O Mijn Juda, Ik uw, Koning zeg u, de tijd aller
dingen is nabij gekomen, dat uw God Jehovah in alles
zal verheerlijkt worden. Mijn liefste, wees niet
bedroefd, als gij nog een halve seconde zult moeten
toeven in de spelonken. Want zie, nog een ogenblik
zullen Baäls priesters en profeten lachen. Maar
weet dit, Mijn Juda: uw Jezus zal hen beschamen.
Uw Bruidegom trekt op met kracht. En Ik zal Mij
verheerlijken in Mijn klein kuddeke, tot
verbazing van alle volken. Zie dan toe, hoe
gij hoort, want van de woorden des eeuwigen
evangelies, zal geen tittel of jota vervallen.
Amen.
En ook toen gij in Haarlem nog niets wist, wat de
reden van het lachen betreft (ap. Van Bemmel, die de
voeten wast met zeewater), of hoe hij heiligt tot
onderlinge liefde, hetwelk het doel moet zijn
(zie Joh. 13:12-18, 10-11), toen gij dit dus nog niet
wist, sprak Hij op 24 april 1904:
Citaat 40
“O gij schone roos Sarons, uw Jezus zegt u: Laat u heden
bedauwen met de hemelse dauw. Want weet, Mijn liefste,
Mijn uitverkorene, dat liefde en gerechtigheid u heden
zullen kussen. Verzamel u dan, verzamel u dan,
terwijl de zon nog zeer hoog staat. O Mijn
liefste, uw Bruidegom spreekt tot u: Doe u aan met de
hemelse krachten, want weet, dat de tijden zeer
ernstig zijn en nog ernstiger zullen worden. Want de
tijd komt, dat de zeeën buiten hunne oevers zullen
treden, en snel vlietende waterstromen zullen
trachten u te bewateren
(met woorden van schijn en bedrog). Maar gij, Mijn
liefste, gij zijt geplant in Mijn hof, als een
schone roos Sarons. Daarom zegt uw Bruidegom: Blijf
onder de heilige vleugelen, die Ik over u heb
uitgespreid, als de tijden zwaar en bang zullen
worden. Weet dan, dat de tijd zeer nabij is. Amen.”
Dit woord van vermanende en aanwijzende liefde Gods
werd voorafgegaan door:
Citaat 41
“Triomf! Halleluja, klinkt het door de hemel der
hemelen. Want aan het oosten is nog te zien,
purpergloed, purpergloed. Een heilig drijven zal komen
van de heilige engel des Mensenzoons, vanaf het oosten.
Laat u, o volk, laat u, o volk dan drijven, door
deze heilige drijving, opdat gij het verderf
moogt ontvlieden, hetwelk gij niet kunt aanschouwen,
het verderf dat zeer nabij is
(toen nog bedekt van die vierde op de hoge stoel
zittende, maar nu sedert 17 en 19 januari [1904] u
bekend gemaakt, doch hoe geacht en gevreesd? En verder:)
Want zo gij u niet haastig bekeert tot uw
eerste liefde, zult gij gezien worden gelijk de
vrouw van Lot voor alle eeuwigheid. Eén- en andermaal
heb Ik u zoeken bijeen te verzamelen, tot zeven maal
zeven maal toe, gelijk een hen haar kiekens, maar
gijlieden hebt niet gewild. Eenmaal en andermaal, tot
zeven maal zeven maal heeft de engel gezegd: Laat u
toch drijven tot de vier winden des hemels, want
Jeruzalem zal bewoond worden zonder muren (en toch
Jes. 26:1,2; Openb. 2:9-13; Efez. 11:16; Jesaja 60; want
Rom. 8:12-23). Daartoe komen af hemelse spijzen, uit
de hemelse schatkameren (Matth. 6:19-20; 13:49-52).
De diepe wijsheid Gods zegt: De letter doodt
(2 Petr. 3:13-18). Laat u dan opbouwen en
onderwijzen door de wet des Geestes. Schone palmbomen en
paradijsbomen, zeer schoon, zijn in Mijn tempelhof
aanwezig (Ps. 92:13-16). Drink dan en smaak het
goede, want nog eenmaal zal Ik de gastheer
zeggen: ‘Vult de watervaten (Joh. 2:1-10),’ en
daarna niet meer. Amen.”
Zo zal de zuivere leer der waarheid in ons gewerkt
worden. Ook had de Heer vooraf gesproken (24 april):
Citaat 42
“Hoort, ja hoort des Heren woord. Gedenk toch,
waaruit gij gehouwen zijt: uit de bornput des Levens en
des Geestes. Gedenk, o Mijn volk, hoe Ik u
bijeen heb zoeken te vergaderen. Gedenk toch
de woorden tot u gericht. Kom herwaarts tot Mij en
klim hoger op. Zie, de dagen zijn gekomen dat
Ik u bijeen vergaderen zal. Want Ik zal niet langer
dulden, dat ongerechtigen u zullen naderen.
Gedenk toch, hoe Ik tot u gesproken heb, aleer Ik
bij u was in Galilea
(om ons erop voor te bereiden, hoe men
met Jezus’ waarheid in Zijn getuigen en getuigenis zou
handelen, waarvan weinig of niets was opgemerkt, en wat
gewantrouwd wordt, waardoor men het gevaar niet ziet).
Kom dan, kom dan Mijn liefste. Ik zal u ook
heden kussen met de redenen Mijns monds, opdat het u
zij tot vrede en rust, blijdschap en kracht om u te
behouden voor het eeuwige leven. Amen.”
Daar er op aanwijzing des Heren meermalen over het
geestelijk Galilea en de betekenis daarvan gesproken is,
zal ik er hier stilzwijgend aan voorbijgaan, maar wel
nader hier weergeven wat de Heer getoond heeft over deze
man, apostel Van Bemmel, die geroepen was om –door
eenheid van geloof en samenwerking in Gods gestelde
ordeningen– de wet en scepter in Juda ongeschonden te
behouden en te gebruiken. Het was in het voor Gods volk
betekenisvolle jaar 1898, wat al van tevoren door de
Heer zo genoemd werd door de Geest der profetie, met de
volgende woorden (1 jan. 1898):
Citaat 43
“Vrede zij ulieden, u die de vrede najaagt, en
Mijn geboden onderhouden zult. O Mijn geliefkoosd
volk, sta fier en pal in het geloof van uw Jezus, en
wijk daarvan niet ene schrede zijwaarts af. Maar ga
vooruit met uw Koning Jezus, Die gekomen is, Wie de
heerschappij op Zijn schouders is gelegd, en Die Zijn
heerschappij in uw midden wil uitwerken. Laat uw oog op
de Heer uw God en Zijn sterkte zijn gericht. Want weet,
dit jaar zal een jaar van grote betekenis zijn, zoals
nog niet is gezien. Dit jaar zal een jaar zijn, dat
Ik de Here God zal werken in recht en gerechtigheid.
Daarom, Mijn volk, sta vast. Want Ik zal zijn een God
Die vreselijk zal zijn in Zijn slagorde. Waakt, gij
Koningszonen, en doet de deur uwer tenten
(harten) op slot. Want de verleidende geesten zullen
toenemen, maar als gij wakende zult zijn, zal Ik u
bewaren tot de dag Mijner toekomst. Amen.”
Het was in het jaar 1898, dat de bestrijding der
waarheid naar leer en werk van ap. Schwartz zich
openbaarde op een manier zoals vóór dat jaar nog niet
was geschied. Want de volgelingen van Krebs en Vleck
sloten zich aaneen, door persoonlijke nijd en haat
gedreven, en hebben ap. Van Bemmel gezamenlijk tot
tweemaal toe bij de rechtbank aangeklaagd, met als
hoofddoel om in het bezit van de kerk en de nalatenschap
van ap. Schwartz te komen.
En nog was deze verfoeilijke duivelsstrijd, die
Gods werk en getuigenis zoveel smaad en laster heeft
aangebracht, voor anderen niet genoeg om –ten koste van
Gods vrede en rust– te jagen naar het bezit van geld en
goed. Ook ap. Van Bemmel niet, hoewel de Here God hem
gewaarschuwd heeft door hemzelf een droom te geven, die
de apostel mij zelf heeft medegedeeld als volgt:
Citaat 44
“In de loop van het jaar 1898 droomde hij, zich aan een
water te bevinden, waar ook nog andere mannen, evenals
hij, stonden te vissen. Opeens kwam er een grote
zilvervis aan de oppervlakte van dat water, en een ieder
van die mannen beijverde zich, ook ap. Van Bemmel, om
die vis te grijpen, hetwelk ap. Van Bemmel gelukte, die
er snel mee wegliep, door al die mannen achtervolgd over
hoogten en door bossen. Voortdurend rusteloos
achtervolgd, zodat hij zeer vermoeid ontwaakte.”
Toen de apostel mij deze droom had verteld, zei ik
tegen hem: ‘Ik ga niet mee die weg op’. Hij verwonderde
zich daarover en sprak: ‘Niet, gaat u niet mee die weg
op?’ Waarop ik hem antwoordde: ‘Neen, ik jaag niet mee
naar het vergankelijk goed dezer wereld, maar naar de
eeuwig blijvende.’
|