APOSTEL FAASSEN  1880/1971.

APOSTOLISCHEOBSERVER.NL
VOOR NIEUWS, ACHTERGRONDEN EN HISTORIE
 
                   

<>Index<>  Contact<> Disclaimer <> Archief<> An.reageren.<> Boeken <>forum <>

 
MENU 1
> Naki
> NAK. Ned.
> Glaubenskultur
> NAKtueel.de
> weblog GJS.
> NAK-observer
MENU 2
> HET APOSTOLISCHE
WERK IN NEDERLAND.
DOOR:
Dr.TANG
> publ. boek "De Apostolischen"
_________
____
> Handelingen der Apostelen in onze tijd.
Wij gunnen u alvast een kijkje.
[-meer-]
> Bijbel online Nieuwe vertaling

>De eerste "onze familie"1933.
[-meer-]

>Ereignisse
(Peter kuhlen)
Forum>>>
>
35 jaar geleden stierf Tj.Bischoff
DAp.Apostel in Nederland.
[-meer-]

>25 jaar geleden..
Vanaf 1 febr.2006 een nieuwe rubriek. Te beginnen met:
Stamapostel
Walter Schmidt

MENU 3
> webteam zoekt documenten enz.
>Navigatie plein Zeer veel informatie binnen deze website.
> Nak  uitzendingen code.

 

 

Das apostolische glaubenswerk in Niederlands-Indien.
met veel foto,s. LEES VERDER...

Een gezegend leven

DE APOSTEL
GRADUS FAASSEN.

Op 13 juni 1880 werd hij in het dorpje Horssen, tussen Nijmegen en Tiel, geboren: de latere Apostel Faassen. Zijn ouders noemden hem Gradus. De maatschappelijke omstandigheden van het gezin Faassen waren niet rooskleurig. De mogelijkheid om na het verlaten van de school een vak te leren, bestond in zijn woonplaats niet. Dus besloot de jonge Gradus soldaat te worden bij het K.N.I.L. (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger). De (Nederlands) Oostindische Kompanie werd in 1602 gesticht. Vanuit de in 1619 gestichte basis Batavia breidde zij haar invloedsgebied binnen dertig jaar uit over heel Indonesië. Nederlands-Indië bestond uit verscheidene grote eilanden, in totaal 47 keer zo groot als Nederland. Het eiland Java, met de hoofdstad Batavia, was het regeringscentrum, viermaal zo groot als het moederland. De inheemse bevolking bestond uit Javanen, Soedanezen, Madoerezen en geëmigreerde Chinezen.
Na zijn diensttijd van twaalf jaar bekleedde Gradus Faassen verschillende ambten bij de spoorwegen en bij de post.
Op 3 maart 1909 trouwde hij met een Indonesische. Ongeveer drie jaar later hoorde hij voor de eerste keer van het werk door levende Apostelen in de eindtijd. Eerst aarzelde hij om de uitnodiging een dienst te bezoeken aan te nemen. Toen hij na innerlijke strijd besloot dat toch te doen, had hij er geen spijt van. Gradus Faassen hield van de waarheid. De arbeid had veel indruk op hem gemaakt. Hij gevoelde de echtheid. Het beviel hem ook, dat in dit Godshuis Europeanen, Chinezen,Javanen en Soedanezen eendrachtig bij elkaar zaten. In 1914 werd hij door Apostel Jacobs verzegeld. Kort daarna ontving ook zijn vrouw het zegel van het kindschap Gods.
De verbreiding van het godswerk in Indonesië geschiedde op een ongewone manier. De aanzet daartoe gaf Apostel Schwarz uit Nederland. Het volgende voorval was de aanleiding: Amsterdam, voorjaar 1879.
De toenmalige Diaken en de latere, in 1928 ontslapen Oudste Westendorff en zijn vrouw waren op een zondagmorgen onderweg naar de plaats van samenkomst op het Prinseneiland 103. In de Marnixstraat haalden zij een eerbiedwaardig uitziende oudere heer in. Ogenschijnlijk zonder doel zachtjes voor zich uit mompelend, wandelde hij een poosje voor hen uit. Ofschoon ze elkaar niet kenden, groetten ze elkaar. De man zag het echtpaar door de deur van het gebouw aan het Prinseneiland 103 verdwijnen, bleef een poosje besluiteloos staan — en ging toen ook naar binnen. 's Middags kwam hij weer. Ook de zondag daarna werd hij in de kerk gezien. Daarna gaf Apostel Schwarz aan Diaken Westendorff de opdracht, uit te zoeken wie deze vreemdeling was. De Diaken durfde eerst de klaarblijkelijk goed gesitueerde heer niet zo maar op straat aan te spreken. Er schoot hem niets beters te binnen, dan de onbekende op enige afstand te volgen toen deze de kerk verlaten had. Op één van de hoofdgrachten van Amsterdam zag hij de man door de deur van een voornaam patriciërshuis verdwijnen.
Eerst durfde de Diaken niet aan te bellen. De opdracht van zijn Apostel gaf hem toen echter toch de nodige moed. Een dame deed open en hij vroeg of hij de heer met de witte baard, die zojuist het huis was binnengegaan, mocht spreken. De verbaasde dame was niet genegen deze wens te vervullen. Eerst wild zij meer omtrent de achtergronden van dit ongewone verlangen vernemen. Na wat heen en weer gepraat, waar geen van beiden wijzer van werd, was de dame tenslotte toch bereid om het verzoek van de onbekende man aan de heer over te brengen. Diaken Westendorff werd binnen gelaten. De joviale manier van de hem tegemoetkomende onbekende nam bij de jonge Diaken de laatste verlegenheid weg. Al spoedig konden ze het goed met elkaar vinden. De oude heer was, zo bleek later, F. L. An thing, gepensioneerd vice-president van het gerechtshof te Batavia. Hij woonde tijdelijk in Nederland. Mijnheer Anthing toonde interesse om Apostel Schwarz te leren kennen. Het duurde niet lang voor ze met elkaar in gesprek kwamen.
In een brief aan broeder Hübner in Dortmund schrijft Apostel Schwarz op 30 oktober 1879 over deze ontmoetingen: „De heer Anthing is sinds vele jaren een gelovig man. Na zijn pensionering werkte hij op eigen initiatief als missionaris onder de Mohammedanen op Java. In een door hem gestichte school leidt hij ongeveer 50 Javanen op tot missionaris. Hij bekostigt alles uit eigen middelen. Zijn gehele vermogen heeft hij voor dit doel ter beschikking gesteld. Omdat zijn eigen kapitaal tenslotte niet voldoende was om dit werk voort te zetten, reisde hij naar Europa met de bedoeling om bij de één of andere religieuze gemeenschap financiële hulp te vinden. Met dit doel voor ogen bezocht hij veel kerken. Toen hij voor de eerste keer een dienst in de nieuw-apostolische kerk bijwoonde, proefde hij direct de uitwerking van de Heilige Geest. Vanaf dat moment bezocht hij regelmatig onze samenkomsten. Zijn verlangen was ook, mij persoonlijk te ontmoeten. Nu bezoekt hij mij iedere week, waarbij wij van gedachten wisselen. Hij maakte de wens kenbaar om verzegeld te worden, hetgeen op 12 oktober van dit jaar geschiedde. Op 19 oktober baden wij God om een teken, op welke wijze hij nu de Heer zou moeten dienen. De Heer riep hem door middel van visioenen en betuigingen tot Apostel voor Java (Oost-Indië). Afgelopen zondag ontving hij het ambt van Priester. Die avond sprak hij voor het eerst in de gemeente. Hij was gelukkig met de gedachte, in het werkgods te mogen arbeiden en wel als Apostel onder de heidenen. In december vertrekt hij weer naar Java...


Apostel Faassen met zijn eerste vrouw bij hun zilveren huwelijksfeest in 1934.

De in de brief aangekondigde reis Werd echter tot 30 juli 1881 uitgesteld. Toen bracht de inmiddels tot Apostel afgezonderde F. L. Anthing nochtans Gods werk naar Nederlands-Indië. Hij kon daar slechts een korte tijd werkzaam zijn. Twee jaar na zijn terugkeer naar Batavia werden hem door een stoomtram beide benen afgereden. Aan de gevolgen van dit ongeluk stierf hij in 1883.
Na het heengaan van Apostel Anthing werd Lim Tjoe Kim, een Chinees van geboorte, Apostel. Hij was een vroegere leerling van F. L. Anthing uit de tijd van zijn missiearbeid. Na diens heengaan dienden achtereenvolgens de Apostelen Hannibals, Jacobs en Schmitz. De Apostelen Hannibals en Schmitz gingen echter eigen wegen. Toen Apostel Jacobs zich, wegens zijn slechte gezondheid, niet meer opgeook een oud-leerling van Apostel Anthing het Apostelambt toevertrouwd. Hij was in 1899, met ongeveer vijfduizend volgelingen, tot het „apostolische zendingswerk" overgegaan. Nu echter terug naar Gradus Faassen.
Nadat hij als Diaken, Priester en Districtsoudste de kinderen Gods op Java trouw had gediend, ontving hij van Stamapostel Niehaus in 1928 het ambt van Apostel. Ook deze opdracht vervulde Gradus Faassen met een trouw en gelovig hart. Hij had het niet altijd gemakkelijk. Het klimaat, zo dicht bij de evenaar, is voor een Europeaan moeilijk te verdragen. Een temperatuur van dertig graden bij een vochtigheidsgraad van negentig procent tasten de bloedsomloop aan. Maar ook de verscheidenheid van de hier levende stammen bracht problemen. Na het heengaan van Stamapostel Niehaus bleef Apostel faassen in een enge verbinding met zijn Apostel in het Moederland en met Stamapostel Bischoff. Steeds als hij een brief van hem ontving, voelde hij zich altijd weer gesterkt en bemoedigd. „Eens zult u eindeloos oogsten", had de Stamapostel hem geschreven. Het begin van de grote oogst zou Apostel Faassen nog meemaken. Maar voor het zover was, moesten hij, zijn gezin en met hen vele godskinderen, nog zware rampspoed doormaken. Nederlands-Indië werd in 1942 door de Japanners, die eerst als bevrijders optraden, zonder tegenstand veroverd. Op 9 maart kapituleerde het K.N.I.L. op Java. Het eiland bleef twee en een half jaar door de Japanners bezet.
Tegen deze historische achtergrond worden de hieronder beschreven doorlevingen van zuster Riek van Brussel begrijpelijk. Zij vertelde: „In onze kindertijd waren wij zo gelukkig in dezelfde straat te wonen als Apostel Faassen. Eigenlijk was het maar een straatje! Het heette „Gangeredja" (=Kerkpad). De nieuw-apostolische kerk stond namelijk in deze straat. Dat was in Magelang op Java. Mijn moeder moest alleen voor het gezin zorgen. Dat was geen gemakkelijke taak. Op zekere dag werd haar door een buurvrouw het getuigenis gebracht van het weer opgerichte apostelambt. Moeder nam de uitnodiging aan en bezocht daarna regelmatig de diensten. Van de arbeid begreep zij in het begin niet veel. Maar de liederen vond zij mooi. Zij was bijzonder onder de indruk van het lied: „Lieve Vader, leer mij danken...". Op deze melodie zou men zo goed kunnen dansen, vond zij. En dit vertelde zij in haar onnozelheid ook aan de Apostel. Deze begreep wel, hoe zij dat bedoelde. "Vrouwtje Brussel" ik hoop, dat u aaltijd zingend kunt danken, antwoordde hij. In die jaren was het gebruikelijk, aan de verzegeling een geruime tijd vooraf te laten gaan om het werk Gods te goed onderzoeken en zekerheid te verkrijgen Ons gezin hoefde echter niet lang te wachten. Mijn broer was de enige jongen in ons gezin, hij werd ziek en kreeg hoge koorts. Af en toe was hij bewusteloos. In zijn koortsdromen smeekte hij steeds weer om verzegeld te worden. Zo werden wij allen eerder godskinderen, dan in die tijd gebruikelijk was.
Daarna begon voor ons een gelukkige tijd. Apostel Faassen stond moeder in al haar zorgen steeds met raad en daad ter zijde. De nieuw-apostolische kerk bezat in die tijd een eigen stuk grond, waarop mais, cassaves (broodvruchten) en andere producten verbouwd werden. Deze dienden als voedsel voor de armsten in de gemeente. Voordat de Apostel in het huis naast de kerk ging wonen, had hij daar in een hut gewoond. Op het stuk grond stonden ook twee grote loodsen. Eenmaal per jaar kwamen de dienaren uit de wijde omgeving bij elkaar in Magelang. De loodsen werden dan gebruikt als slaapruimte, eetzaal en ontmoetingsruimte voor de ambtsbroedervergaderingen. Tijdens deze diensten zong meestal een mannenkoor. De zangers waren nieuw-apostolische Nederlandse matrozen. Eén belevenis staat me nog duidelijk voor de geest, deelt zuster van Brussel verder mee: Moeder was van plan te verhuizen, omdat wij, kinderen, groter geworden waren. Het huis, dat zij geschikt achtte, stond al lange tijd leeg. Niemand wilde daar wonen, ofschoon de huur redelijk was. De reden: het spookte er. Dat zei men ten minste. Maar uiteindelijk zegevierde bij moeder de gedachte aan de lage huurprijs. Spoken of niet, wij trokken in dit huis.

 


In dit huis in Padelarang woonde Apostel Faassen met zijn gezin voor zijn internering.

Spoedig bemerkten wij: het klopte, wat de mensen vertelden. 's Nachts hoorden wij geluiden, die moeilijk te omschrijven waren.
Iedere nacht opnieuw. Moeder was ten einde raad. En wij als kinderen waren vanzelfsprekend bang. In haar nood wendde zij zich — zoals met al haar zorgen — tot haar Apostel. „Als u weer thuis bent, vrouwtje Brussel, dan zegt u heel eenvoudig: Ik zal voor jullie bidden; en geef ons nu rust. Want het gaat om zielen, die geen vrede kunnen vinden, tot er iemand voor hen bidt", verklaarde de Apostel. Mijn moeder volgde de raad op. Sindsdien werd onze nachtrust niet meer verstoord. Apostel Faassen heeft behalve de zorgen aangaande de aan hem toevertrouwde godskinderen, ook vaak problemen in zijn eigen gezin gehad. Zijn eerste vrouw was vaak ziek. toen zij na een huwelijk van vijf en twintig jaar stierf, stond hij alleen met drie pleegkinderen. Vanwege zijn vele taken kon hij echter nauwelijks zonder een trouwe helpster. Zo trouwde hij op 9 november 1938 voor de tweede keer en wel in Den Haag. Hij had zijn tweede vrouw leren kennen door bemiddeling van de Stamapostel. Zij kwam uit Osterhorn in Duitsland en was in 1907 door Stamapostel Niehaus verzegeld. Zij was voor Apostel Faassen een voorbeeldige hulp. Buiten de huishouding deed zij ook administratieve werkzaamheden voor de kerk. Onder het pseudoniem „tante Fien" schreef zij voor de nieuw-apostolische kinderbladen. Haar bijdragen werden door groot en klein graag gelezen. Ook in de kalender „Onze Familie" jaargang 1952 werd een artikel „Herinnering en vooruitzicht" van haar gegeplubliseerd. Een goede organiste was zij ook. Zij had zich op bewonderens waardige wijze aan de totaal andere levensomstandigheden aangepast. Het gezin van Apostel Faassen bleef niet altijd in Magelang wonen. Later ging het naar Soerabaja, een havenstad op Java, waar zich vele broeders en zusters uit Nederland hadden gevestigd. Nog later woonde de Apostel met zijn gezin in Padelarang op Java, het belangrijkste eiland van de Nederlands-Indische archipel. Daar werd hij met zijn gezin en vele geloofsbroeders en -zusters bij de intocht van de Japanners gevangen genomen en geinterneerd. Gebrekkige voeding, tropische ziekten, het ongezonde klimaat en de slechte behandeling eisten hun tol. Gezinnen werden uit elkaar getrokken; mannen en vrouwen in verschillende kampen ondergebracht. Alleen de kleine kinderen mochten bij hun moeder blijven. De jongens daarentegen moesten, zodra ze tien jaar waren geworden, naar het mannenkamp.
Dat veroorzaakte groot verdriet, bij het afscheid van moeder en kind werden bittere tranen vergoten. Zouden ze elkaar ooit terugzien? Ook Apostel Faassen bleef van deze verschrikkelijke gebeurtenissen niet verschoond. Hij heeft er nooit over gesproken; na zijn vrijlating werkte hij zwijgzaam en in zichzelf gekeerd. Voordat hij gevangen werd genomen had hij nog een dienst kunnen houden en afscheid kunnen nemen van de broeders, die naar het front moesten. „Lieve broeders", had hij gezegd, „ook in het donkere dal van de dood wil ik bij jullie zijn."
15 augustus 1945 capituleerden de Japanners. De geïnterneerden werden door de Britse soldaten bevrijd. Op 17 augustus 1945 werd de republiek Indonesië gesticht. Achmed Soekarno werd President. Toen begonnen de gevechten van de inlanders tegen de Nederlanders als koloniale macht. Zo gebeurde het, dat de „Polopors" of „Permudas" (zo heetten de opstandelingen) de pas bevrijden opnieuw arresteerden en interneerden. Zuster Riek van Brussel besluit haar bericht: „Als zestienjarig meisje was ik destijds één van de gevangenen en daardoor ooggetuige van de gebeurtenissen. Veel van de geïnterneerden werden vergiftigd of onthoofd. Zo stierven voor de ogen van Apostel Faassen ook zijn trouwe Priesters van Gils en Gräbe. Als door een wonder bleef Apostel Faassen intussen gespaard.
Dikwijls moesten hij en zijn medegevangenen hun eigen graven delven. De lieve God sloeg de moordcommando's echter klaarblijkelijk met blindheid. De soldaten zagen herhaaldelijk bij de executies Apostel Faassen over het hoofd, terwijl zijn begeleiders omgebracht werden. Na een jaar maakten de Engelse troepen aan deze verschrikkelijke toestand een einde. Toen de gevangenen uit de interneringskampen naar huis werden gestuurd, waren al hun bezittingen in beslag genomen, zo ook onze kerkgebouwen. In grote armoede betrok de familie Faassen een uit bamboestengels gevlochten hut. Ook broeder Kuiper kende Apostel Faassen persoonlijk. Hij vertelt: „Op 20 januari 1939 kwam ik in Indonesië aan. Toen was Apostel Faassen met zijn tweede vrouw pas uit Nederland teruggekeerd. Hun pleegdochtertje Marie was toen vier jaar. Zuster Faassen stenografeerde de diensten. Haar grootste verdienste was echter, dat zij de Apostel in alles terzijde stond. Geen moeite was haar te veel. Zelfs de specialiteiten van de Indische keuken leerde zij klaarmaken. Ze stelde zich altijd bescheiden op, nooit plaatste zij zichzelf op de voorgrond. De Apostel was eveneens geen „druktemaker", oftewel iemand, die veel ophef van zichzelf maakt. Hij kon zeer goed luisteren. Zijn wijze antwoorden raakten steeds de kern. Zijn lijfspreuk was: „Laten, weinig woorden veel zeggen. Dat is beter dan met veel woorden weinig tot uitdrukking te brengen." Een andere opvallende eigenschap van de Apostel: hij bespeurde het, als een broeder of zuster niet meer vast op de geloofsweg stond. Dan keek hij hen alleen maar aan. Dan kwamen de tongen als vanzelf los en stortten de broeders en zusters hun hart uit. Met grote aanhankelijkheid volgden de broeders en zusters de Apostel: het maakte hem niet uit of het om Chinezen, Javanen, Soedanezen of Japanners ging.
Al voor het uitbreken van de oorlog was de verbinding met Nederland verbroken. Dat was voor de Apostel een grote zorg, want nu lag de verantwoordelijkheid voor het godswerk in Indonesië geheel op zijn schouders. Ook Priester Vos en zijn vrouw uit Valkenswaard kenden broeder en zuster Faassen goed. De Apostel en zijn vrouw waren in 1949 naar Nederland teruggekeerd. Ze woonden op een zolderkamertje in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost. Broeders en zusters hadden hun kleding en de nodige huisraas bezorgd. Priester Vos herinnert zich: Als wij hadden verwacht, hulpeloze mensen aan te treffen, dan hadden wij ons vergist. Wij werden buitengewoon hartelijk en door dankbare mensen ontvangen. De Apostel droeg een leren vest van het Engelse leger. Zijn vrouw toonde ons trots haar armzalig bezit. Een eenvoudig tweepits-gasstel was haar hele rijkdom. „Zes weken geleden hebben we in de tropenzon nog op de hete stenen kakkerlakken gebakken en gegeten.
Apostel Faassen met zijn vrouw, pleegdochters en broeders en zusters uit Indonesië.

Dan begrijpt u natuurlijk wel, hoe dankbaar wij nu zijn", zei ze. Apostel Faassen stond altijd in een trouwe, vaste en onverbrekelijke verbinding met Stamapostel Bischoff. Toen afvalligen hem voor hun zaak wilden winnen, hadden zij voor die poging wel wat over. Zeshonderd gulden in de week boden zij de Apostel en zijn vrouw aan, als zij zich bij hen zouden aansluiten; voor die tijd een vorstelijk salaris. Behalve dat, konden zij in een villa wonen en een auto tot hun beschikking krijgen. Doch Apostel Faassen dacht niet lang na: „Ik verkoop mijn eerstgeboorterecht niet voor een bord linzensoep", was zijn antwoord. Na zijn terugkeer uit Indonesië hield Apostel Faassen eerst nog diensten. Een grote vrede ging er van hem uit. Toch was zijn verblijf in Nederland slechts van korte duur. De zorg om de gemeenten in Indonesië dreef hem weer terug. Voordat hij op 9 januari 1950 in de rust werd gezet, gaf hij Diaken Tan Biang Sing het ambt van Districtsoudste. Bij het afscheid zei hij tegen hem: „Blijf trouw". Daarna keerde Apostel Faassen naar Nederland terug. Hij wist, dat het godswerk in goede handen was. Op 5 augustus 1951 ontving Districtoudste Tan Biang Sing het ambt van Apostel. Hij was net dertig jaar oud. De Nederlanders hadden op 25 maart 1947, volgens het verdrag van Linggadjati, de stichting van de Verenigde staten van Indonesië moeten toestaan. In 1950 werd een voorlopige grondwet van kracht, volgens welke Indonesië een centralistische staat is. In 1956 werd het unieverdrag met Nederland opgeheven. Opstanden op Sumatra, Celebes, Borneo en de Molukken, waartoe dit vooral van 1956 tot 1958 leidde, konden worden neergeslagen. Na 1960 werden in Indonesië ook de Chinezen vervolgd. Omdat Tan Biang Sing een echte
Omdat Tan Biang Sing een echte Chinese naam was, veranderde de Apostel in het belang van het werk Gods zijn naam in Hendra Tansahsami. Apostel Faassen en zijn vrouw betrokken na hun aankomst in Nederland een klein huis in 's Graveland. Daar hebben zij tot het heengaan van zuster Faassen op 24 mei 1963 nog enkele gelukkige jaren doorgebracht. In de gemeente Bussum bezochten ze de diensten. De door iederen geliefde zuster Faassen bespeelde het orgel. De Apostel zat altijd helemaal vooraan rechts, omdat hij slecht hoorde. Beiden luisterden aandachtig en vol eerbied naar de woorden, die van het altaar kwamen, ook als een Diaken mee-diende. Er ging geen dienst voorbij, of na afloop hadden beiden de ambtsbroeders bedankt. Als een jonge ambtsbroeder aanvankelijk schuchter het altaar betrad — hij stond tenslotte tegenover een grote godsman — dan verdween die angst in de loop van de dienst volledig door de aanblik van deze deemoedige man.
Apostel Faassens grote wens was altijd geweest om nog één keer een reis naar zijn geliefde Indonesië te maken. Om dit verlangen van hem te vervullen, hebben de ambtsbroeders in Nederland en België geld ingezameld. Gedurende ongeveer acht weken bezocht hij, samen met Apostel Tansahsami, wiens gast hij was, vele gemeenten in zijn vroegere arbeidsgebied. Over zijn reis naar Indonesië heeft Apostel Faassen zelf en bericht geschreven:
„Begin juli 1964, op mijn 84e verjaardag, kwam onze lieve Apostel Tjark Bischoff met zijn vrouw en enkele Ambtsbroeders bij mij thuis. Ze waren allemaal blij gestemd. En spoedig bleek waarom...". Als verjaardagsgeschenk boden zij Gradus Faassen een reis naar Indonesië aan. Vervolgens vertelt de Apostel van de voorbereidingen voor de reis naar het tropische land, van het afscheid op Schiphol, het comfort tijdens de vlucht en de vreugde van het weerzien op het vliegveld Kemajoran-Djakarta. Apostel Tansahsami, die in Europa was geweest, had hem tijdens de vlucht begeleid. Nu stonden tussen de wachtenden ook zijn vrouw met de kinderen, de beide javaanse Apostelen, enkele ambtsbroeders en vele broeders en zusters.
Kenmerkend voor de – door alle ooggetuigen steeds weer vermelde – bescheidenheid is de volgende anekdote: Apostel Tansahsami had hem voor de duur van zijn vakantie een kamer in zijn huis ter beschikking gesteld. Daar vond de gast op zijn dag van aankomst een klein geschenk en een welkomstgroet. De volgende dag zei Apostel Faassen tegen zuster Tan, dat hij zich in alle dingen wilde schikken naar haar dagindeling. Zij moest het hem in ieder geval vertellen, als hij iets verkeerd deed.

Na zijn in de rustzetting in 1950 keerde Apostel Faassen terug naar Nederland en woonde in 's Graveland.


De Apostel kon zich niet lang aan zijn welverdiende rust in het huis van de familie Tan overgeven. Het werk Gods riep Apostel Tan al na enkele dagen om de broeders en zusters in afgelegen gebieden te bezoeken. Eerst bleven ze in de gemeente Andir bij Bandoeng. Daar had Apostel Faassen een bijzondere doorleving. Hij schrijft: „In Andir wonen zeven nieuw-apostolische gezinnen in de buurt van de kerk. De Voorganger is een broeder, die in mijn tijd in Indonesië al een ambt droeg. Ook de kerk daar werd in mijn tijd gebouwd. In één van de huisjes bij de kerk  woont een Onderdiaken. Hij heeft veel kinderen. Een van de kinderen, een jongen van zes jaar, heet Salomo. Deze jongen heeft mij een uur geschonken, dat ik nooit zal vergeten. In de gemeente Andir is een kinderkoor. Het bestaat uit ongeveer twintig zangers. Salomo is hun dirigent. Hij is een echte spontane jongen, vaak een beetje ondeugend, een eerlijk, fris, gezond kind. Toenik met Apostel Tan bij hem thuis was, riep hij zijn koor bij elkaar, stelde het goed op en gaf een lied op. Salomo dirigeerde en sloeg uitstekend de maat. Toen er enkele liederen waren gezongen, riep ik hem bij mij en vroeg:
„Salomo, wie van de kinderen is nu eigenlijk de ondeugendste?" Wat gebeurde er? Alle kinderen wezen naar Salomo, hun dirigent. Hij keek mij aan, alsof hij wilde zeggen: „Wat kan ik daar nu aan doen?"
Na het verblijf bij de broeders en zuster in Andir begon de grote reis: naar Batoedjatjar, niet ver van Bandoeng gelegen, dan verder over Soemedang, Cheribon, Tegal, Demalang, Werri, Tjomal, Pekalongan en Kendal naar Magelang, waar Apostel Tan een dienst hield. Hier ontmoette Apostel Faassen enkele broeders en zusters, die hij nog uit zijn tijd als Districtsapostel in dit land kende. „Het was onbeschrijflijk mooi!" schreef hij. Daarna bezochten de beide Apostelen de Boroboedoer, het grootste heiligdom uit de oudheid van Indonesië, waar ze voor de kleine Gradus, het zoontje van zijn pleegdochter in 's Graveland, een souvernir kochten. Apostel Faassen beschrijft niet alleen de bezienswaardigheden, hij vertelt ook over zijn belevenis met de zakkenrollers op de markt van Jokjakarta. Zuster Tan had hem gewaarschuwd, dat hij zijn leesbril, die hij in de bovenzak van zijn colbert had gestoken, liever in zijn bin-
nenzak moest opbergen. Dit vanwege de zakkenrollers. Apostel Faassen kon het zich echter eenvoudig niet voorstellen, dat iemand zijn bril zou kunnen stelen terwijl hij er toch zelf bij was. Kort daarna was de bril weg! Hij was sprakeloos. Later moest hij in Bandoeng een nieuwe bril kopen. Deze kostte 7400 roepia's. Alle belangrijke indrukken bracht Apostel Faassen op papier voor zijn geloofsbroeders en zusters in Nederland. Zijn grootste vreugde betrof echter de groei van het werk Gods in Indonesië. „Het interieur van onze kerken", zo schrijft hij, „is nu overal praktisch hetzelfde: een mooi altaar en banken. Vroeger was dat allemaal anders. Toen waren er geen banken, alleen een balé-balé, een grote, lage tafel, waarop matten werden gelegd. Daarop namen de broeders en zusters in kleermakerszit plaats. Evenals toen zijn er ook nu nergens een orgel of andere muziekinstrumenten aanwezig.

Apostel Faassen met zijn tweede vrouw.

 

Het postverkeer gaat erg moeilijk. Het duurt vaak zes of meer dagen, eer een brief wordt bezorgd. De broeders en zusters wonen dikwijls ver weg in een kampong (een aantal omheinde huizen).
In de kleine gemeenschappen in de kampongs is ook nog geen elektrisch licht. Daar worden tijdens de avonddiensten nog olielampen gebruikt. Maar de verhouding van de broeders en zusters onder elkaar is zeer goed.
De dag van de terugreis, 12 september 1964, was aangebroken. Zijn begeleider op de heenreis, Apostel Tan, was nu niet meer hij hem. Toch, alsof de hemelse Vader hem engelen terzijde had gesteld, stonden voor Apostel Faassen tijdens de terugreis vele behulpzame handen ter beschikking. Ook dat was voor de vier en tachtig jarige een mooie belevenis.
Op het vliegveld Schiphol werd hij verwelkomd door een schare broeders en zusters. Dit was net zo hartverwarmend als het afscheid van de broeders en zusters in Djakarta. Apostel Tjark Bischoff en zijn vrouw begeleidden de gearriveerde naar 's Graveland. In het huis van zijn dochter Marie van Leeuwen en haar gezin moest hij uitgebreid vertellen over zijn reis, die zo gelukkig verlopen was. In het laatste deel van zijn verslag schrijft de Apostel: „Blij, dankbaar en gelukkig kan ik nog steeds aan deze mooie reis terugdenken. Met een hartelijke groet voor u allemaal blijf ik voor u allen een vriend op 's Heren wegen."
Hoe zeer degenen, die hem toevertrouwd waren, hem na aan het hart lagen, bewijst een brief, die hij kort na zijn terugkeer in Nederland, op 20 november aan Herder Vos stuurde: "Tijdens mijn reis naar Indonesië heb ik ontdekt, dat veel nieuw-apostolische gezinnen naar Nederland verhuisd zijn. Ik weet niet, of ze ook de diensten bezoeken. Er is een familie M.H.E. Isaaks. Die woont in Haarlem, Kievitstraat 44. Als deze broeder en zuster in de dienst komen, dan zijn ze in goede handen en is alles in orde. Als u ze niet kent, dan denk ik, dat het goed is zich om deze zielen te bekommeren. De broeder en zuster Isaaks waren al in „goede handen". Over de laatste jaren van Apostel Faassen schrijft een Priester uit de gemeente Bussum: „Dikwijls zei hij na een dienst, dat hij het aangezicht van de lieve God weer had mogen zien. Vaak sprak hij er ook over, dat de broeders eerst het vertrouwen van de mensen moesten winnen aan wie zij het getuigenis wilden brengen. Op dit vertrouwen zou men dan verder kunnen bouwen. Nooit verzuimde hij een dienst, tenzij zijn lichamelijke klachten zo groot waren, dat hij het huis niet verlaten kon. Zijn pleegdochter heeft hem tot het laatste moment voorbeeldig verzorgd. Eigenlijk past het woord „pleeg" dochter voor zuster van Leeuwen in verband met Apostel Faassen-helemaal niet. Zij zelf spreekt altijd over vader en moeder en Apostel Faassen en zijn vrouw hebben haar altijd als dochter beschouwd.
Toen zij op 18 december 1953 trouwde, trok zij met haar man bij haar ouders in om voor hen te zorgen. Anders hadden broeder en zuster Faassen hun intrek in een bejaardenhuis moeten nemen. Op 30 apri11971 werd Gradus Faassen door onze hemelse Vader thuis gehaald. Een vervuld, werkzaam leven – aan de dienst van God gewijd – had hier op aarde zijn voleinding gevonden. Op 4 mei 1971 leidde Apostel Schumacher de rouwdienst met het bijbelwoord Exodus 33 : 12 : IK ken u bij name, en: Gij hebt genade gevonden voor mijne ogen.

[ Aanvulling redactie website: Na het vertrek van Apostel Faassen werd de toenmalige Oudste Tansahsami werd op 5 augustus 1951  District Apostel in Frankfurt am Main. En behoorde daarmee tot de "7 apostelen van Friedrich Bischoff" Waarmee Friedrich ook grote invloed kreeg in het Apostel District Indonesië. Ook België behoorde tot het Aposteldistrict Nederland maar werd aan de Apostel Dauber ( Frankrijk) toegewezen, Dauber behoorde ook tot de 7 van augustus. ]

Bron: Kalender Onze Familie 1985.

B.M. 21-11-2006

Das apostolische glaubenswerk in Niederlands-Indien.
met veel foto,s. LEES VERDER...

 Copyright Info © Copyright 2002/2006 APOSTOLISCHEOBSERVER.NL

 Alle rechten voorbehouden.  Privacy Policy