|
Das apostolische glaubenswerk in
Niederlands-Indien.
met veel foto,s.
LEES
VERDER...
Een gezegend leven

DE APOSTEL
GRADUS FAASSEN.
Op 13 juni 1880 werd hij in het dorpje
Horssen, tussen Nijmegen en Tiel, geboren: de latere
Apostel Faassen. Zijn ouders noemden hem Gradus. De
maatschappelijke omstandigheden van het gezin Faassen
waren niet rooskleurig. De mogelijkheid om na het
verlaten van de school een vak te leren, bestond in zijn
woonplaats niet. Dus besloot de jonge Gradus soldaat te
worden bij het K.N.I.L. (Koninklijk Nederlands-Indisch
Leger). De (Nederlands) Oostindische Kompanie werd in
1602 gesticht. Vanuit de in 1619 gestichte basis Batavia
breidde zij haar invloedsgebied binnen dertig jaar uit
over heel Indonesië. Nederlands-Indië bestond uit
verscheidene grote eilanden, in totaal 47 keer zo groot
als Nederland. Het eiland Java, met de hoofdstad
Batavia, was het regeringscentrum, viermaal zo groot als
het moederland. De inheemse bevolking bestond uit
Javanen, Soedanezen, Madoerezen en geëmigreerde
Chinezen.
Na zijn diensttijd van twaalf jaar bekleedde Gradus
Faassen verschillende ambten bij de spoorwegen en bij de
post.
Op 3 maart 1909 trouwde hij met een Indonesische.
Ongeveer drie jaar later hoorde hij voor de eerste keer
van het werk door levende Apostelen in de eindtijd.
Eerst aarzelde hij om de uitnodiging een dienst te
bezoeken aan te nemen. Toen hij na innerlijke strijd
besloot dat toch te doen, had hij er geen spijt van.
Gradus Faassen hield van de waarheid. De arbeid had veel
indruk op hem gemaakt. Hij gevoelde de echtheid. Het
beviel hem ook, dat in dit Godshuis Europeanen,
Chinezen,Javanen en Soedanezen eendrachtig bij elkaar
zaten. In 1914 werd hij door Apostel Jacobs verzegeld.
Kort daarna ontving ook zijn vrouw het zegel van het
kindschap Gods.
De verbreiding van het godswerk in Indonesië geschiedde
op een ongewone manier. De aanzet daartoe gaf Apostel
Schwarz uit Nederland. Het volgende voorval was de
aanleiding: Amsterdam, voorjaar 1879.
De toenmalige Diaken en de latere, in 1928 ontslapen
Oudste Westendorff en zijn vrouw waren op een
zondagmorgen onderweg naar de plaats van samenkomst op
het Prinseneiland 103. In de Marnixstraat haalden zij
een eerbiedwaardig uitziende oudere heer in.
Ogenschijnlijk zonder doel zachtjes voor zich uit
mompelend, wandelde hij een poosje voor hen uit.
Ofschoon ze elkaar niet kenden, groetten ze elkaar. De
man zag het echtpaar door de deur van het gebouw aan het
Prinseneiland 103 verdwijnen, bleef een poosje
besluiteloos staan — en ging toen ook naar binnen. 's
Middags kwam hij weer. Ook de zondag daarna werd hij in
de kerk gezien. Daarna gaf Apostel Schwarz aan Diaken
Westendorff de opdracht, uit te zoeken wie deze
vreemdeling was. De Diaken durfde eerst de
klaarblijkelijk goed gesitueerde heer niet zo maar op
straat aan te spreken. Er schoot hem niets beters te
binnen, dan de onbekende op enige afstand te volgen toen
deze de kerk verlaten had. Op één van de hoofdgrachten
van Amsterdam zag hij de man door de deur van een
voornaam patriciërshuis verdwijnen.
Eerst durfde de Diaken niet aan te bellen. De opdracht
van zijn Apostel gaf hem toen echter toch de nodige
moed. Een dame deed open en hij vroeg of hij de heer met
de witte baard, die zojuist het huis was binnengegaan,
mocht spreken. De verbaasde dame was niet genegen deze
wens te vervullen. Eerst wild zij meer omtrent de
achtergronden van dit ongewone verlangen vernemen. Na
wat heen en weer gepraat, waar geen van beiden wijzer
van werd, was de dame tenslotte toch bereid om het
verzoek van de onbekende man aan de heer over te
brengen. Diaken Westendorff werd binnen gelaten. De
joviale manier van de hem tegemoetkomende onbekende nam
bij de jonge Diaken de laatste verlegenheid weg. Al
spoedig konden ze het goed met elkaar vinden. De oude
heer was, zo bleek later, F. L. An thing, gepensioneerd
vice-president van het gerechtshof te Batavia. Hij
woonde tijdelijk in Nederland. Mijnheer Anthing toonde
interesse om Apostel Schwarz te leren kennen. Het duurde
niet lang voor ze met elkaar in gesprek kwamen.
In een brief aan broeder Hübner in Dortmund schrijft
Apostel Schwarz op 30 oktober 1879 over deze
ontmoetingen: „De heer Anthing is sinds vele jaren een
gelovig man. Na zijn pensionering werkte hij op eigen
initiatief als missionaris onder de Mohammedanen op
Java. In een door hem gestichte school leidt hij
ongeveer 50 Javanen op tot missionaris. Hij bekostigt
alles uit eigen middelen. Zijn gehele vermogen heeft hij
voor dit doel ter beschikking gesteld. Omdat zijn eigen
kapitaal tenslotte niet voldoende was om dit werk voort
te zetten, reisde hij naar Europa met de bedoeling om
bij de één of andere religieuze gemeenschap financiële
hulp te vinden. Met dit doel voor ogen bezocht hij veel
kerken. Toen hij voor de eerste keer een dienst in de
nieuw-apostolische kerk bijwoonde, proefde hij direct de
uitwerking van de Heilige Geest. Vanaf dat moment
bezocht hij regelmatig onze samenkomsten. Zijn verlangen
was ook, mij persoonlijk te ontmoeten. Nu bezoekt hij
mij iedere week, waarbij wij van gedachten wisselen. Hij
maakte de wens kenbaar om verzegeld te worden, hetgeen
op 12 oktober van dit jaar geschiedde. Op 19 oktober
baden wij God om een teken, op welke wijze hij nu de
Heer zou moeten dienen. De Heer riep hem door middel van
visioenen en betuigingen tot Apostel voor Java (Oost-Indië).
Afgelopen zondag ontving hij het ambt van Priester. Die
avond sprak hij voor het eerst in de gemeente. Hij was
gelukkig met de gedachte, in het werkgods te mogen
arbeiden en wel als Apostel onder de heidenen. In
december vertrekt hij weer naar Java...

Apostel Faassen met zijn eerste vrouw
bij hun zilveren huwelijksfeest in 1934.
De in de brief aangekondigde reis Werd
echter tot 30 juli 1881 uitgesteld. Toen bracht de
inmiddels tot Apostel afgezonderde F. L. Anthing
nochtans Gods werk naar Nederlands-Indië. Hij kon daar
slechts een korte tijd werkzaam zijn. Twee jaar na zijn
terugkeer naar Batavia werden hem door een stoomtram
beide benen afgereden. Aan de gevolgen van dit ongeluk
stierf hij in 1883.
Na het heengaan van Apostel Anthing werd Lim Tjoe Kim,
een Chinees van geboorte, Apostel. Hij was een vroegere
leerling van F. L. Anthing uit de tijd van zijn
missiearbeid. Na diens heengaan dienden achtereenvolgens
de Apostelen Hannibals, Jacobs en Schmitz. De Apostelen
Hannibals en Schmitz gingen echter eigen wegen. Toen
Apostel Jacobs zich, wegens zijn slechte gezondheid,
niet meer opgeook een oud-leerling van Apostel Anthing
het Apostelambt toevertrouwd. Hij was in 1899, met
ongeveer vijfduizend volgelingen, tot het „apostolische
zendingswerk" overgegaan. Nu echter terug naar Gradus
Faassen.
Nadat hij als Diaken, Priester en Districtsoudste de
kinderen Gods op Java trouw had gediend, ontving hij van
Stamapostel Niehaus in 1928 het ambt van Apostel. Ook
deze opdracht vervulde Gradus Faassen met een trouw en
gelovig hart. Hij had het niet altijd gemakkelijk. Het
klimaat, zo dicht bij de evenaar, is voor een Europeaan
moeilijk te verdragen. Een temperatuur van dertig graden
bij een vochtigheidsgraad van negentig procent tasten de
bloedsomloop aan. Maar ook de verscheidenheid van de
hier levende stammen bracht problemen. Na het heengaan
van Stamapostel Niehaus bleef Apostel faassen in een
enge verbinding met zijn Apostel in het Moederland en
met Stamapostel Bischoff. Steeds als hij een brief van
hem ontving, voelde hij zich altijd weer gesterkt en
bemoedigd. „Eens zult u eindeloos oogsten", had de
Stamapostel hem geschreven. Het begin van de grote oogst
zou Apostel Faassen nog meemaken. Maar voor het zover
was, moesten hij, zijn gezin en met hen vele
godskinderen, nog zware rampspoed doormaken.
Nederlands-Indië werd in 1942 door de Japanners, die
eerst als bevrijders optraden, zonder tegenstand
veroverd. Op 9 maart kapituleerde het K.N.I.L. op Java.
Het eiland bleef twee en een half jaar door de Japanners
bezet.
Tegen deze historische achtergrond worden de hieronder
beschreven doorlevingen van zuster Riek van Brussel
begrijpelijk. Zij vertelde: „In onze kindertijd waren
wij zo gelukkig in dezelfde straat te wonen als Apostel
Faassen. Eigenlijk was het maar een straatje! Het heette
„Gangeredja" (=Kerkpad). De nieuw-apostolische kerk
stond namelijk in deze straat. Dat was in Magelang op
Java. Mijn moeder moest alleen voor het gezin zorgen.
Dat was geen gemakkelijke taak. Op zekere dag werd haar
door een buurvrouw het getuigenis gebracht van het weer
opgerichte apostelambt. Moeder nam de uitnodiging aan en
bezocht daarna regelmatig de diensten. Van de arbeid
begreep zij in het begin niet veel. Maar de liederen
vond zij mooi. Zij was bijzonder onder de indruk van het
lied: „Lieve Vader, leer mij danken...". Op deze melodie
zou men zo goed kunnen dansen, vond zij. En dit vertelde
zij in haar onnozelheid ook aan de Apostel. Deze begreep
wel, hoe zij dat bedoelde. "Vrouwtje Brussel" ik hoop,
dat u aaltijd zingend kunt danken, antwoordde hij. In
die jaren was het gebruikelijk, aan de verzegeling een
geruime tijd vooraf te laten gaan om het werk Gods te
goed onderzoeken en zekerheid te verkrijgen Ons gezin
hoefde echter niet lang te wachten. Mijn broer was de
enige jongen in ons gezin, hij werd ziek en kreeg hoge
koorts. Af en toe was hij bewusteloos. In zijn
koortsdromen smeekte hij steeds weer om verzegeld te
worden. Zo werden wij allen eerder godskinderen, dan in
die tijd gebruikelijk was.
Daarna begon voor ons een gelukkige tijd. Apostel
Faassen stond moeder in al haar zorgen steeds met raad
en daad ter zijde. De nieuw-apostolische kerk bezat in
die tijd een eigen stuk grond, waarop mais, cassaves
(broodvruchten) en andere producten verbouwd werden.
Deze dienden als voedsel voor de armsten in de gemeente.
Voordat de Apostel in het huis naast de kerk ging wonen,
had hij daar in een hut gewoond. Op het stuk grond
stonden ook twee grote loodsen. Eenmaal per jaar kwamen
de dienaren uit de wijde omgeving bij elkaar in Magelang.
De loodsen werden dan gebruikt als slaapruimte, eetzaal
en ontmoetingsruimte voor de ambtsbroedervergaderingen.
Tijdens deze diensten zong meestal een mannenkoor. De
zangers waren nieuw-apostolische Nederlandse matrozen.
Eén belevenis staat me nog duidelijk voor de geest,
deelt zuster van Brussel verder mee: Moeder was van plan
te verhuizen, omdat wij, kinderen, groter geworden
waren. Het huis, dat zij geschikt achtte, stond al lange
tijd leeg. Niemand wilde daar wonen, ofschoon de huur
redelijk was. De reden: het spookte er. Dat zei men ten
minste. Maar uiteindelijk zegevierde bij moeder de
gedachte aan de lage huurprijs. Spoken of niet, wij
trokken in dit huis.

In dit huis in Padelarang woonde
Apostel Faassen met zijn gezin voor zijn internering.
Spoedig bemerkten wij: het klopte, wat
de mensen vertelden. 's Nachts hoorden wij geluiden, die
moeilijk te omschrijven waren.
Iedere nacht opnieuw. Moeder was ten einde raad. En wij
als kinderen waren vanzelfsprekend bang. In haar nood
wendde zij zich — zoals met al haar zorgen — tot haar
Apostel. „Als u weer thuis bent, vrouwtje Brussel, dan
zegt u heel eenvoudig: Ik zal voor jullie bidden; en
geef ons nu rust. Want het gaat om zielen, die geen
vrede kunnen vinden, tot er iemand voor hen bidt",
verklaarde de Apostel. Mijn moeder volgde de raad op.
Sindsdien werd onze nachtrust niet meer verstoord.
Apostel Faassen heeft behalve de zorgen aangaande de aan
hem toevertrouwde godskinderen, ook vaak problemen in
zijn eigen gezin gehad. Zijn eerste vrouw was vaak ziek.
toen zij na een huwelijk van vijf en twintig jaar
stierf, stond hij alleen met drie pleegkinderen. Vanwege
zijn vele taken kon hij echter nauwelijks zonder een
trouwe helpster. Zo trouwde hij op 9 november 1938 voor
de tweede keer en wel in Den Haag. Hij had zijn tweede
vrouw leren kennen door bemiddeling van de Stamapostel.
Zij kwam uit Osterhorn in Duitsland en was in 1907 door
Stamapostel Niehaus verzegeld. Zij was voor Apostel
Faassen een voorbeeldige hulp. Buiten de huishouding
deed zij ook administratieve werkzaamheden voor de kerk.
Onder het pseudoniem „tante Fien" schreef zij voor de
nieuw-apostolische kinderbladen. Haar bijdragen werden
door groot en klein graag gelezen. Ook in de kalender
„Onze Familie" jaargang 1952 werd een artikel
„Herinnering en vooruitzicht" van haar gegeplubliseerd.
Een goede organiste was zij ook. Zij had zich op
bewonderens waardige wijze aan de totaal andere
levensomstandigheden aangepast. Het gezin van Apostel
Faassen bleef niet altijd in Magelang wonen. Later ging
het naar Soerabaja, een havenstad op Java, waar zich
vele broeders en zusters uit Nederland hadden gevestigd.
Nog later woonde de Apostel met zijn gezin in Padelarang
op Java, het belangrijkste eiland van de
Nederlands-Indische archipel. Daar werd hij met zijn
gezin en vele geloofsbroeders en -zusters bij de intocht
van de Japanners gevangen genomen en geinterneerd.
Gebrekkige voeding, tropische ziekten, het ongezonde
klimaat en de slechte behandeling eisten hun tol.
Gezinnen werden uit elkaar getrokken; mannen en vrouwen
in verschillende kampen ondergebracht. Alleen de kleine
kinderen mochten bij hun moeder blijven. De jongens
daarentegen moesten, zodra ze tien jaar waren geworden,
naar het mannenkamp.
Dat veroorzaakte groot verdriet, bij het afscheid van
moeder en kind werden bittere tranen vergoten. Zouden ze
elkaar ooit terugzien? Ook Apostel Faassen bleef van
deze verschrikkelijke gebeurtenissen niet verschoond.
Hij heeft er nooit over gesproken; na zijn vrijlating
werkte hij zwijgzaam en in zichzelf gekeerd. Voordat hij
gevangen werd genomen had hij nog een dienst kunnen
houden en afscheid kunnen nemen van de broeders, die
naar het front moesten. „Lieve broeders", had hij
gezegd, „ook in het donkere dal van de dood wil ik bij
jullie zijn."
15 augustus 1945 capituleerden de Japanners. De
geïnterneerden werden door de Britse soldaten bevrijd.
Op 17 augustus 1945 werd de republiek Indonesië
gesticht. Achmed Soekarno werd President. Toen begonnen
de gevechten van de inlanders tegen de Nederlanders als
koloniale macht. Zo gebeurde het, dat de „Polopors" of
„Permudas" (zo heetten de opstandelingen) de pas
bevrijden opnieuw arresteerden en interneerden. Zuster
Riek van Brussel besluit haar bericht: „Als zestienjarig
meisje was ik destijds één van de gevangenen en daardoor
ooggetuige van de gebeurtenissen. Veel van de
geïnterneerden werden vergiftigd of onthoofd. Zo
stierven voor de ogen van Apostel Faassen ook zijn
trouwe Priesters van Gils en Gräbe. Als door een wonder
bleef Apostel Faassen intussen gespaard.
Dikwijls moesten hij en zijn medegevangenen hun eigen
graven delven. De lieve God sloeg de moordcommando's
echter klaarblijkelijk met blindheid. De soldaten zagen
herhaaldelijk bij de executies Apostel Faassen over het
hoofd, terwijl zijn begeleiders omgebracht werden. Na
een jaar maakten de Engelse troepen aan deze
verschrikkelijke toestand een einde. Toen de gevangenen
uit de interneringskampen naar huis werden gestuurd,
waren al hun bezittingen in beslag genomen, zo ook onze
kerkgebouwen. In grote armoede betrok de familie Faassen
een uit bamboestengels gevlochten hut. Ook broeder
Kuiper kende Apostel Faassen persoonlijk. Hij vertelt:
„Op 20 januari 1939 kwam ik in Indonesië aan. Toen was
Apostel Faassen met zijn tweede vrouw pas uit Nederland
teruggekeerd. Hun pleegdochtertje Marie was toen vier
jaar. Zuster Faassen stenografeerde de diensten. Haar
grootste verdienste was echter, dat zij de Apostel in
alles terzijde stond. Geen moeite was haar te veel.
Zelfs de specialiteiten van de Indische keuken leerde
zij klaarmaken. Ze stelde zich altijd bescheiden op,
nooit plaatste zij zichzelf op de voorgrond. De Apostel
was eveneens geen „druktemaker", oftewel iemand, die
veel ophef van zichzelf maakt. Hij kon zeer goed
luisteren. Zijn wijze antwoorden raakten steeds de kern.
Zijn lijfspreuk was: „Laten, weinig woorden veel zeggen.
Dat is beter dan met veel woorden weinig tot uitdrukking
te brengen." Een andere opvallende eigenschap van de
Apostel: hij bespeurde het, als een broeder of zuster
niet meer vast op de geloofsweg stond. Dan keek hij hen
alleen maar aan. Dan kwamen de tongen als vanzelf los en
stortten de broeders en zusters hun hart uit. Met grote
aanhankelijkheid volgden de broeders en zusters de
Apostel: het maakte hem niet uit of het om Chinezen,
Javanen, Soedanezen of Japanners ging.
Al voor het uitbreken van de oorlog was de verbinding
met Nederland verbroken. Dat was voor de Apostel een
grote zorg, want nu lag de verantwoordelijkheid voor het
godswerk in Indonesië geheel op zijn schouders. Ook
Priester Vos en zijn vrouw uit Valkenswaard kenden
broeder en zuster Faassen goed. De Apostel en zijn vrouw
waren in 1949 naar Nederland teruggekeerd. Ze woonden op
een zolderkamertje in de Transvaalbuurt in
Amsterdam-Oost. Broeders en zusters hadden hun kleding
en de nodige huisraas bezorgd. Priester Vos herinnert
zich: Als wij hadden verwacht, hulpeloze mensen aan te
treffen, dan hadden wij ons vergist. Wij werden
buitengewoon hartelijk en door dankbare mensen
ontvangen. De Apostel droeg een leren vest van het
Engelse leger. Zijn vrouw toonde ons trots haar armzalig
bezit. Een eenvoudig tweepits-gasstel was haar hele
rijkdom. „Zes weken geleden hebben we in de tropenzon
nog op de hete stenen kakkerlakken gebakken en
gegeten.

Apostel Faassen met zijn vrouw,
pleegdochters en broeders en zusters uit Indonesië.
Dan begrijpt u natuurlijk wel, hoe
dankbaar wij nu zijn", zei ze. Apostel Faassen stond
altijd in een trouwe, vaste en onverbrekelijke
verbinding met Stamapostel Bischoff. Toen afvalligen hem
voor hun zaak wilden winnen, hadden zij voor die poging
wel wat over. Zeshonderd gulden in de week boden zij de
Apostel en zijn vrouw aan, als zij zich bij hen zouden
aansluiten; voor die tijd een vorstelijk salaris.
Behalve dat, konden zij in een villa wonen en een auto
tot hun beschikking krijgen. Doch Apostel Faassen dacht
niet lang na: „Ik verkoop mijn eerstgeboorterecht niet
voor een bord linzensoep", was zijn antwoord. Na zijn
terugkeer uit Indonesië hield Apostel Faassen eerst nog
diensten. Een grote vrede ging er van hem uit. Toch was
zijn verblijf in Nederland slechts van korte duur. De
zorg om de gemeenten in Indonesië dreef hem weer terug.
Voordat hij op 9 januari 1950 in de rust werd gezet, gaf
hij Diaken Tan Biang Sing het ambt van Districtsoudste.
Bij het afscheid zei hij tegen hem: „Blijf trouw".
Daarna keerde Apostel Faassen naar Nederland terug. Hij
wist, dat het godswerk in goede handen was. Op 5
augustus 1951 ontving Districtoudste Tan Biang Sing het
ambt van Apostel. Hij was net dertig jaar oud. De
Nederlanders hadden op 25 maart 1947, volgens het
verdrag van Linggadjati, de stichting van de Verenigde
staten van Indonesië moeten toestaan. In 1950 werd een
voorlopige grondwet van kracht, volgens welke Indonesië
een centralistische staat is. In 1956 werd het
unieverdrag met Nederland opgeheven. Opstanden op
Sumatra, Celebes, Borneo en de Molukken, waartoe dit
vooral van 1956 tot 1958 leidde, konden worden
neergeslagen. Na 1960 werden in Indonesië ook de
Chinezen vervolgd. Omdat Tan Biang Sing een echte
Omdat Tan Biang Sing een echte Chinese naam was,
veranderde de Apostel in het belang van het werk Gods
zijn naam in Hendra Tansahsami. Apostel Faassen en zijn
vrouw betrokken na hun aankomst in Nederland een klein
huis in 's Graveland. Daar hebben zij tot het heengaan
van zuster Faassen op 24 mei 1963 nog enkele gelukkige
jaren doorgebracht. In de gemeente Bussum bezochten ze
de diensten. De door iederen geliefde zuster Faassen
bespeelde het orgel. De Apostel zat altijd helemaal
vooraan rechts, omdat hij slecht hoorde. Beiden
luisterden aandachtig en vol eerbied naar de woorden,
die van het altaar kwamen, ook als een Diaken mee-diende.
Er ging geen dienst voorbij, of na afloop hadden beiden
de ambtsbroeders bedankt. Als een jonge ambtsbroeder
aanvankelijk schuchter het altaar betrad — hij stond
tenslotte tegenover een grote godsman — dan verdween die
angst in de loop van de dienst volledig door de aanblik
van deze deemoedige man.
Apostel Faassens grote wens was altijd geweest om nog
één keer een reis naar zijn geliefde Indonesië te maken.
Om dit verlangen van hem te vervullen, hebben de
ambtsbroeders in Nederland en België geld ingezameld.
Gedurende ongeveer acht weken bezocht hij, samen met
Apostel Tansahsami, wiens gast hij was, vele gemeenten
in zijn vroegere arbeidsgebied. Over zijn reis naar
Indonesië heeft Apostel Faassen zelf en bericht
geschreven:
„Begin juli 1964, op mijn 84e verjaardag, kwam onze
lieve Apostel Tjark Bischoff met zijn vrouw en enkele
Ambtsbroeders bij mij thuis. Ze waren allemaal blij
gestemd. En spoedig bleek waarom...". Als
verjaardagsgeschenk boden zij Gradus Faassen een reis
naar Indonesië aan. Vervolgens vertelt de Apostel van de
voorbereidingen voor de reis naar het tropische land,
van het afscheid op Schiphol, het comfort tijdens de
vlucht en de vreugde van het weerzien op het vliegveld
Kemajoran-Djakarta. Apostel Tansahsami, die in Europa
was geweest, had hem tijdens de vlucht begeleid. Nu
stonden tussen de wachtenden ook zijn vrouw met de
kinderen, de beide javaanse Apostelen, enkele
ambtsbroeders en vele broeders en zusters.
Kenmerkend voor de – door alle ooggetuigen steeds weer
vermelde – bescheidenheid is de volgende anekdote:
Apostel Tansahsami had hem voor de duur van zijn
vakantie een kamer in zijn huis ter beschikking gesteld.
Daar vond de gast op zijn dag van aankomst een klein
geschenk en een welkomstgroet. De volgende dag zei
Apostel Faassen tegen zuster Tan, dat hij zich in alle
dingen wilde schikken naar haar dagindeling. Zij moest
het hem in ieder geval vertellen, als hij iets verkeerd
deed.

Na zijn in de rustzetting in 1950
keerde Apostel Faassen terug naar Nederland en woonde in
's Graveland.
De Apostel kon zich niet lang aan zijn welverdiende rust
in het huis van de familie Tan overgeven. Het werk Gods
riep Apostel Tan al na enkele dagen om de broeders en
zusters in afgelegen gebieden te bezoeken. Eerst bleven
ze in de gemeente Andir bij Bandoeng. Daar had Apostel
Faassen een bijzondere doorleving. Hij schrijft: „In
Andir wonen zeven nieuw-apostolische gezinnen in de
buurt van de kerk. De Voorganger is een broeder, die in
mijn tijd in Indonesië al een ambt droeg. Ook de kerk
daar werd in mijn tijd gebouwd. In één van de huisjes
bij de kerk woont een Onderdiaken. Hij heeft veel
kinderen. Een van de kinderen, een jongen van zes jaar,
heet Salomo. Deze jongen heeft mij een uur geschonken,
dat ik nooit zal vergeten. In de gemeente Andir is een
kinderkoor. Het bestaat uit ongeveer twintig zangers.
Salomo is hun dirigent. Hij is een echte spontane
jongen, vaak een beetje ondeugend, een eerlijk, fris,
gezond kind. Toenik met Apostel Tan bij hem thuis was,
riep hij zijn koor bij elkaar, stelde het goed op en gaf
een lied op. Salomo dirigeerde en sloeg uitstekend de
maat. Toen er enkele liederen waren gezongen, riep ik
hem bij mij en vroeg:
„Salomo, wie van de kinderen is nu eigenlijk de
ondeugendste?" Wat gebeurde er? Alle kinderen wezen naar
Salomo, hun dirigent. Hij keek mij aan, alsof hij wilde
zeggen: „Wat kan ik daar nu aan doen?"
Na het verblijf bij de broeders en zuster in Andir begon
de grote reis: naar Batoedjatjar, niet ver van Bandoeng
gelegen, dan verder over Soemedang, Cheribon, Tegal,
Demalang, Werri, Tjomal, Pekalongan en Kendal naar
Magelang, waar Apostel Tan een dienst hield. Hier
ontmoette Apostel Faassen enkele broeders en zusters,
die hij nog uit zijn tijd als Districtsapostel in dit
land kende. „Het was onbeschrijflijk mooi!" schreef hij.
Daarna bezochten de beide Apostelen de Boroboedoer, het
grootste heiligdom uit de oudheid van Indonesië, waar ze
voor de kleine Gradus, het zoontje van zijn pleegdochter
in 's Graveland, een souvernir kochten. Apostel Faassen
beschrijft niet alleen de bezienswaardigheden, hij
vertelt ook over zijn belevenis met de zakkenrollers op
de markt van Jokjakarta. Zuster Tan had hem
gewaarschuwd, dat hij zijn leesbril, die hij in de
bovenzak van zijn colbert had gestoken, liever in zijn
bin-
nenzak moest opbergen. Dit vanwege de zakkenrollers.
Apostel Faassen kon het zich echter eenvoudig niet
voorstellen, dat iemand zijn bril zou kunnen stelen
terwijl hij er toch zelf bij was. Kort daarna was de
bril weg! Hij was sprakeloos. Later moest hij in
Bandoeng een nieuwe bril kopen. Deze kostte 7400
roepia's. Alle belangrijke indrukken bracht Apostel
Faassen op papier voor zijn geloofsbroeders en zusters
in Nederland. Zijn grootste vreugde betrof echter de
groei van het werk Gods in Indonesië. „Het interieur van
onze kerken", zo schrijft hij, „is nu overal praktisch
hetzelfde: een mooi altaar en banken. Vroeger was dat
allemaal anders. Toen waren er geen banken, alleen een
balé-balé, een grote, lage tafel, waarop matten werden
gelegd. Daarop namen de broeders en zusters in
kleermakerszit plaats. Evenals toen zijn er ook nu
nergens een orgel of andere muziekinstrumenten aanwezig.

Apostel Faassen met zijn tweede vrouw.
Het postverkeer gaat erg moeilijk. Het
duurt vaak zes of meer dagen, eer een brief wordt
bezorgd. De broeders en zusters wonen dikwijls ver weg
in een kampong (een aantal omheinde huizen).
In de kleine gemeenschappen in de kampongs is ook nog
geen elektrisch licht. Daar worden tijdens de
avonddiensten nog olielampen gebruikt. Maar de
verhouding van de broeders en zusters onder elkaar is
zeer goed.
De dag van de terugreis, 12 september 1964, was
aangebroken. Zijn begeleider op de heenreis, Apostel
Tan, was nu niet meer hij hem. Toch, alsof de hemelse
Vader hem engelen terzijde had gesteld, stonden voor
Apostel Faassen tijdens de terugreis vele behulpzame
handen ter beschikking. Ook dat was voor de vier en
tachtig jarige een mooie belevenis.
Op het vliegveld Schiphol werd hij verwelkomd door een
schare broeders en zusters. Dit was net zo
hartverwarmend als het afscheid van de broeders en
zusters in Djakarta. Apostel Tjark Bischoff en zijn
vrouw begeleidden de gearriveerde naar 's Graveland. In
het huis van zijn dochter Marie van Leeuwen en haar
gezin moest hij uitgebreid vertellen over zijn reis, die
zo gelukkig verlopen was. In het laatste deel van zijn
verslag schrijft de Apostel: „Blij, dankbaar en gelukkig
kan ik nog steeds aan deze mooie reis terugdenken. Met
een hartelijke groet voor u allemaal blijf ik voor u
allen een vriend op 's Heren wegen."
Hoe zeer degenen, die hem toevertrouwd waren, hem na aan
het hart lagen, bewijst een brief, die hij kort na zijn
terugkeer in Nederland, op 20 november aan Herder Vos
stuurde: "Tijdens mijn reis naar Indonesië heb ik
ontdekt, dat veel nieuw-apostolische gezinnen naar
Nederland verhuisd zijn. Ik weet niet, of ze ook de
diensten bezoeken. Er is een familie M.H.E. Isaaks. Die
woont in Haarlem, Kievitstraat 44. Als deze broeder en
zuster in de dienst komen, dan zijn ze in goede handen
en is alles in orde. Als u ze niet kent, dan denk ik,
dat het goed is zich om deze zielen te bekommeren. De
broeder en zuster Isaaks waren al in „goede handen".
Over de laatste jaren van Apostel Faassen schrijft een
Priester uit de gemeente Bussum: „Dikwijls zei hij na
een dienst, dat hij het aangezicht van de lieve God weer
had mogen zien. Vaak sprak hij er ook over, dat de
broeders eerst het vertrouwen van de mensen moesten
winnen aan wie zij het getuigenis wilden brengen. Op dit
vertrouwen zou men dan verder kunnen bouwen. Nooit
verzuimde hij een dienst, tenzij zijn lichamelijke
klachten zo groot waren, dat hij het huis niet verlaten
kon. Zijn pleegdochter heeft hem tot het laatste moment
voorbeeldig verzorgd. Eigenlijk past het woord „pleeg"
dochter voor zuster van Leeuwen in verband met Apostel
Faassen-helemaal niet. Zij zelf spreekt altijd over
vader en moeder en Apostel Faassen en zijn vrouw hebben
haar altijd als dochter beschouwd.
Toen zij op 18 december 1953 trouwde, trok zij met haar
man bij haar ouders in om voor hen te zorgen. Anders
hadden broeder en zuster Faassen hun intrek in een
bejaardenhuis moeten nemen. Op 30 apri11971 werd Gradus
Faassen door onze hemelse Vader thuis gehaald. Een
vervuld, werkzaam leven – aan de dienst van God gewijd –
had hier op aarde zijn voleinding gevonden. Op 4 mei
1971 leidde Apostel Schumacher de rouwdienst met het
bijbelwoord Exodus 33 : 12 : IK ken u bij name, en: Gij
hebt genade gevonden voor mijne ogen.
[ Aanvulling redactie website: Na het
vertrek van Apostel Faassen werd de toenmalige Oudste
Tansahsami werd op 5 augustus 1951 District
Apostel in Frankfurt am Main. En behoorde daarmee tot de
"7 apostelen van Friedrich Bischoff" Waarmee Friedrich
ook grote invloed kreeg in het Apostel District
Indonesië. Ook België behoorde tot het Aposteldistrict
Nederland maar werd aan de Apostel Dauber ( Frankrijk)
toegewezen, Dauber behoorde ook tot de 7 van augustus. ]
Bron: Kalender Onze Familie 1985.
B.M. 21-11-2006
Das apostolische glaubenswerk in Niederlands-Indien.
met veel foto,s.
LEES
VERDER...
|